Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

De moeder van mijn oppastweeling wilde de kerstman bezoeken. De kerstman hield zich schuil in een getimmerd stalletje in Hyde Park, terwijl een slingerende rij mensen tussen koorden steeds een beetje dichter naar hem toe werd geschoven. Goedhartig zat de man in een decor van gestapelde balen stro. Zelfs in zijn wachten was hij gul.
Het stalletje hoorde bij de Winter Wonderland-kermis, maar deed als attractie niet onder voor de achtbaan. Er stonden net zoveel volwassenen als kinderen in de rij, die met iPhones, film- en fotocamera’s het wachten vastlegden. Het was ijzig koud, de rij schoof traag, de stal lag nog ver uit het zicht. Sommige kinderen begonnen te dreinen, anderen staarden weemoedig in de richting van de druk draaiende apparaten.

In de video Railings maakt de kunstenaar Francis Alÿs een wandeling door Londen. Achteloos ritst hij een houten drumstokje langs alle hekken die hij tegenkomt. Het is niet duidelijk of hij voorop loopt of ergens achteraan. Het tikkende geluid verbindt hem aan elke locatie. Elk hek heeft een andere toonhoogte. Met het stokje raakt hij de hele stad aan.

Ik moest hieraan denken in een vergeten parkje dat ik tegenkwam toen ik nog op zoek was naar een baan. Het parkje lag tussen twee drukke winkelstraten ingeklemd en bleek een kleine begraafplaats. Verweerde zerken stonden op elkaar gedrukt achter gietijzeren hekken, als over elkaar geschoven speelkaarten. Op een bankje streepte ik mislukte sollicitaties af. Een groep kinderen speelde tikkertje en rende met takken achter elkaar aan. Toen ik beter keek naar waar ze omheen renden, bleek het een losse zerk te zijn. Het was het graf van William Blake, dat zomaar omhoog stak tussen de tegels in het midden van het plein. De kinderen sloegen met de takken tegen de hekken, de zerk en elkaar.

Voor mijn tweeling was de kermis al op de stoep voor het huis begonnen. Aan hun rugzakjes werd een koord van een meter vastgeklikt, zodat hun moeder en ik elk met een handvat controle over hun stapjes konden houden. We liepen naar de bushalte. Het meisje drentelde om me heen, verkende de reikwijdte van haar vrijheid. Ik probeerde de riem losjes in een boogje te laten hangen, terwijl ik over de schouder van elke voorbijganger een punt zocht om nonchalant naar te staren.
De tweeling, uitgelaten omdat ze zelf mochten lopen, benoemde elke dubbeldekker die voorbij kwam, ook toen ze er bovenin zaten. Op King’s Cross moesten we van bus wisselen. Ik probeerde het meisje dichtbij me te houden in de modder van samenkoekende mensen, etensresten en over haar heen krommende gebouwen. Ze had nergens last van. Trots bleef ze haar stapjes zetten, recht op een vette duif af in het perkje van een boom.

Sommige dagen als ik de deur uitstap, slaat de stad aan als een geketende Rottweiler. Ik probeer dan recht vooruit te kijken en bedenk dat er toch ook ergens bos is, een jungle, vlak land. Andere dagen wil ik alles aanraken, de slaphangende telefoondraden, de St. Paul bij nacht. Bezie ik afgekloven kippenbotjes op het trottoir als relikwieën van de moderne beschaving, haal ik de stad binnen als een veel te grote vangst.

Van de fietsbrug af, scherp naar rechts, snelheid maken in de tunnel, links, rechts, rechtdoor, oversteken, door het taxistraatje van hotel en Koepelkerk. En door. En door. En door. Ik ben op weg, ik heb een doel, maar mijn gedachten zijn niet daar, ze zijn nog steeds in Mexico-Stad. In een trein. Op een eiland. Ik ben op weg, ik heb een decor, niets sprookjesachtiger dan Amsterdam bij nacht en ontij, de straatstenen glimmen, de huislichten schimmen, maar ik denk na over tempo, over komma’s, over stijl en functie en de verhalen waar je het uiteindelijk voor doet. Ik fiets, ik wandel niet, ik zit vast met drie schrijvers: Valeria Luiselli, Rosa Liksom, Cees Nooteboom.

Het echte zwerven, springerig: Luiselli

We beginnen in Mexico Stad. Of eigenlijk Venetië. Of New York? We beginnen bij Valeria Luiselli, die met haar debuut Valse papieren een heerlijke aaneenschakelijk van essays over de stad, literatuur en identiteit heeft geschreven. Ik pakte haar boek op omdat Sebald een van haar referenties is. Ze haalt hem aan, ze sluit op hem aan. En ze wandelt. Maar fietsen heeft haar voorkeur:

‘Waar in het verleden het slenteren emblematisch was voor de denker, en waar je in sommige Europese steden nog altijd denkend kunt slenteren, is deze activiteit niet weggelegd voor de inwoner van de meeste steden. De voetganger draagt de stad op zijn rug mee en is zo ondergedompeld in de stedelijke maalstroom dat hij alleen nog maar kan nadenken over wat er zich recht voor hem bevindt.

[…]

In tegenstelling tot de automobilist is de fietsganger wel in staat de in slaap sussende en onbekommerde snelheid van het rondslenteren te bereiken, die de gedachte bevrijdt en haar in staat stelt a piacere rond te zwerven. De flaneur die zich op twee wielen voortbeweegt zal de juiste afstand houden om in de stad zowel medeplichtige als getuige van de stad te worden.’

Ongetwijfeld lenen bepaalde steden zich meer tot fietsen dan andere. En ongetwijfeld past elke persoon, elk personage een andere manier van voortbewegen. Luiselli is haar eigen personage, en ze is springerig, snel. Ook als ze, noodgedwongen in Venetië, loopt. Het voortgaan verdooft niet, het maakt wakker, het brengt niet tot mijmerige introspectie, maar tot snelle associatie.

‘Tegen zes uur ’s avonds, wanneer het laatste zonlicht een gloed werpt over de spullen in mijn kamer en het lamplicht hun contouren nog meer doet vervagen, vlucht ik mijn appartement uit. Ik weet niet of het de materie is die me onrustig maakt zodra de eerste nachtelijke schaduwen te zien zijn – alsof de duisternis toestaat dat de objecten buiten zichzelf treden en hun zwijgend pact met de wereld verbreken – of dat ik het zelf ben die dan, tijdens dat verstilde uur, geen rust vindt. Ik stap op de fiets en ga de straat op.
Een paar blokken verder zet ik de fiets tegen een lantaarnpaal, doe hem op slot, steek de straat over en loop boekhandel Tesoro binnen: ik zoek een boek over de Portugese grammatica, dat ik alweer niet kan vinden.’

Hier wordt niet gewandeld. Wel klopt de stijl. Het zonlicht, de gloed – een lekker langgerekt woord -, de zelfanalyse, het gaat in lange, wijfelende zinnen. De actie gaat snel, en hoewel Luiselli evenveel komma’s gebruikt in de tweede alinea als in de eerste, zie je het verschil, tussen schakelen en taktaktak. Het hadden punten kunnen zijn, die komma’s, en de voornaamste reden dat ze dat niet zijn, is dat het zo sneller kan, met minder woorden.

Luiselli neemt ook afstand, en daarin verschilt ze van de saaie, doorsnee wandelliteratuur, die zich beperkt tot platte observaties, natuurbeschrijvingen, zweet en spierpijntjes. Luiselli zoekt de ruimte, en vindt de lucht.

In de pompeuze storm: Nooteboom

Het geval wil dat Cees Nooteboom een mooi voorwoord in Luiselli’s boekje heeft geschreven. Mooi, ja, maar Luiselli is een verademing na het zware van Nooteboom. Nooteboom is ook een wandelaar, maar hij heeft zo veel te overwegen en kwalificeren dat je bang bent dat hij struikelt. Ik doe dat wel, en daarover meer, en bozer, in halfjaarboek 2012-2. Maar ik wilde u even ter contrast een zin uit zijn laatste essaybundel Brieven aan Poseidon geven. Het gaat over Duitse opera, bij Nootebooms idyllische vakantiewoning.

‘Ik hoor de Germaanse uithalen, de legerklanken van het koor, het snijden van die andere taal, de jachtgeluiden van de hoorns, het aanzwellen van een groot orkest, het verraad van Tristan die Isolde aan zijn koning zal uitleveren, haar woede, het geschreeuw van dat verdriet dat als gezang verkleed langs het lichte lila van het loodkruid scheurt, door de bougainvillea raast als een plotselinge storm, die paarse vlekken achterlaat op de grond. Ontheemd zit ik ertussen, een noordelijke tuinman onder de oleasters, gevangen in de tegenspraak van mijn leven.’

Een daverende zin, een overdonderende stapeling van beelden. Die laatste zin, de slotzin van Nootebooms essaytje, laat ik even buiten beschouwing, die werkt helemaal niet. Maar die enorme zin daarvoor, dat zit bomvol beelden en emotie en kleur, en de komma’s sommen niet op, maar ze vermenigvuldigen, ze vergroten de opstopping in plaats van dat ze de weg van a naar b versoepelen.

Maar mooi vind ik het niet.

Op de monotome weg: Liksom

De derde reiziger van deze blogpost is Rosa Liksom, van wie dit najaar Coupé no6 is verschenen, een coming-of-ageroman die zich afspeelt in een coupé in de Transsiberië-expres. Een Fins meisje deelt een slaapcoupé met een gewelddadige, dronken Rus. Ze heeft iets te verwerken en zwijgt daarover. Hij ook, en hij zwijgt niet. Dat onevenwicht tekent deze roman, net als de vervelende neiging heel veel landschappen en zonsop- en ondergangen met veel kleur te beschrijven en emotie toe te kennen. Maar wat er interessant aan is, is de poging om het ritme van de trein in de stijl te vatten. Bijvoorbeeld als ze een station verlaten.

‘De man was bezig zijn knieën te masseren toen Anna de coupé binnenstapte. Uit de plastic beige luidsprekers klonk een romance van Tsjaikovski. In de verte verdwijnt Omsk. Een gesloten stad. Vermoeid, opgezogen door de taiga, dat goeie ouwe Omsk dat door de jeugd in de steek is gelaten. In de verte verdwijnt de gevangenis waar een jonge Dostojevski in ballingschap verkeerde en bijna het leven liet, in de verte verdwijnt het levenloze standbeeld van Dostojevski als volwassen man, in de verte verdwijnt de hoofdstad van de witte regering van Koltjsak, in de verte verdwijnen de rijen mensen voor de schoenenwinkel, een vermoeid land, een rij houten datsja’s, grijs verbleekt. Dit hoort nog bij Omsk. Een eenzaam gebouw van negentien verdiepingen midden tussen de akkers, vijfhonderd kilometer oliepijpleiding, de gele vlammen van de olieboortorens, en zwarte rook. Bos, lariksen, berken, bos, dit hoort niet meer bij Omsk, een huis dat is ingestort onder de sneeuw. De trein dendert door het witte, lege land. Alles is in beweging: sneeuw, water, lucht, bomen, wolken, wind, steden, dorpen, mensen en gedachten.’

Opsommingen en herhalingen, eerst lange beschrijvingen, dan steeds korter, en telkens een herhaling die een nieuwe, snellere opvolging inleidt: Omsk, Dostojevski. Zo kan het ook. Maar dit alleen werkt niet, ben ik bang, want om een verhaal op gang te brengen heb je beweging nodig ín het verhaal. En die twee, die zitten maar in een coupé.

Komma’s, tempo en een verhaal

Het lijkt wel een stuk over komma’s, zo, over hoe je ermee kunt schakelen, hoe je actie kunt weergeven en verstopping. Maar interessanter, en moeilijker om met citaten weer te geven, is het verschil in toon. Luiselli zet zichzelf neer als een onrustige, nieuwsgierige jonge vrouw, Liksom maakt haar Anna een introvert, weinig uitgesproken meisje. Gek genoeg is ze ook avontuurlijk, de beste delen van de roman zijn die waarin de studente zichzelf lijkt te verrassen door te dwalen door de steden waar de trein dagen stilhoudt. Maar Anna spreekt zich niet uit, ze lijkt niet te weten naar wat ze op zoek is.

Anna heeft iets verdoofds, en de zoektocht die bij Luiselli zo aanstekelijk is, is bij haar onderdrukt, impliciet – zoals bij de hoofdpersoon-vertellers van Cole en Sebald. Wie wandelt, onderdrukt ook zijn vermoeidheid, hij (of zij, vooruit) houdt zich onbewust met obstakels en verkeersdeelnemers bezig, en observeert of contempleert. Wandelen is niet zozeer actie alswel een denken met ritme. Slaat dit ergens op?

Het hoe en het wat moeten kloppen, en het resultaat moet er ook naar zijn. Als ik Luiselli’s tempo te hoog vind, dan nog vind ik wel haar inzichten interessant. Liksoms tempo is perfect, maar de verhalen zijn te dun. We lopen verder. Nieuwe boeken.

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten? Vandaag draait hij het nogmaals om en ontdekt waar te woest lezen hem brengt: terug bij het begin, waar alles al stond. Over Marente de Moors AKO Literatuurprijswinnende De Nederlandse maagd en een paard.

*

Brieven, dagboeken en dromen, ze kunnen me gestolen worden. Vast goede manieren om expliciete motivaties en onbewuste beweegredenen duidelijk te maken, maar ze vormen vaker wel dan niet een stijlbreuk, een onderbreking in hoe het verhaal verteld wordt, als om te benadrukken: we geven even geen context mee, zoek het maar even zelf uit. Joke Hermsen laat haar Belle van Zuylen (in de roman De liefde dus) zeggen: ‘De stijl van de briefroman of het dagboek stelt me in staat om het overdreven gekunstelde dat sommige romans typeert, te overstijgen.’ Ik stelde het tegengestelde effect vast. Mijn afkeer zal de voornaamste reden zijn dat ik de tweede roman van Marente de Moor, De Nederlandse maagd, na mijn enthousiasme over haar debuutroman toch meer dan een jaar liet liggen. Het begint namelijk met een brief.

‘Maastricht, 10 september 1936

Beste Egon,

Deze brief behoeft geen postzegel en zal zeker niet ongelezen blijven, want ik geef hem mee aan mijn dochter, die erop zal toezien dat je hem opent. Een persoonlijk antwoord verwacht ik allang niet meer, maar mijn hart juicht bij de gedachte dat jij het meest dierbare in mijn leven leert kennen. Janna, geboren in een tijd die jij mislukt noemde. Ook weet ik dat je erom zult lachen, met het cynische gegrinnik van iemand die is vergeten waarvoor de lach bedoeld is. Dat juist mijn dochter bevangen moest worden door die krankzinnige hartstocht die jij levenskunst noemt, “de levenskunst van het doden“, hoe verzin je het. Ze heeft me van slag gebracht. Zal het dan toch waar zijn dat aarde waarop een oorlog heeft gewoed, slechts strijd kan voortbrengen? Janna is, dat onthul ik je met enige schroom, verwekt op de plaats van het slagveld. Heb ik daarmee grafschennis gepleegd? Dat was niet mijn opzet. Het land lag er toen al vreedzaam bij. Er was niets meer van te zien, wonden waren geheeld, het gras was mooi toegegroeid. Zacht was het en fris rook het. De geur van het onverstoorbare leven.
Het was niet zo warm als toen. Toen begreep niemand waar de hitte opeens vandaan kwam; van de brandende zon of de aarde, die vers bloed uitwasemde. Misschien was het niet eens dezelfde plek, maar beslist een plek die zich leende om nieuw leven te brengen in een warmbloedige vrouw, die later, toen het stof was neergedaald, voorgoed een doodse kilte bewaarde.
Natuurlijk, ik was daar met een ander doel, dat ben ik niet vergeten. Geloof me, ik heb heus gezocht. Ik heb boeren, hoefsmeden, koetsiers aan de tand gevoeld. Niemand kon mij iets vertellen. Ik heb je alles uitgelegd, maar jij vond dat geen antwoord waard. Ik heb mijn best gedaan. Ik heb je paard niet gevonden.
Nu deelt mijn dochter jouw hartstocht voor het vechten. Ik heb haar ervan proberen te weerhouden. Wat denk jij, geen schijn van kans. Het is zo’n meisje zoals je ze tegenwoordig wel vaker ziet, dat er niet op zit te wachten een vrouw te worden. Mijn eigenwijze schat. Begrijp je dat ik het goed met je maak? Vóór alles bied ik jou, de maître, wellicht de beste leerling die je ooit zult hebben. Janna is werkelijk goed!’

[…]

Een aanbevelingsbrief, en hij werkt. Leuk meisje, denk je, het soort dat niet volwassen wil worden, tegenwoordig is er in elk tweede romandebuut wel zo een de hoofdpersoon, maar voor 1936 klinkt het best bijzonder. Even later zegt ze ook ‘bon’ als tussenwerping, droomt ze met Tsjechov, en vinden haar vriendinnen iets ‘reuze’ – zo’n fijn Anne Frankwoord – dit meisje wil ik wel aardig vinden. Maar deze brief wil ons niet alleen opwarmen.

(Los van de kwestie dat deze vader zijn dochter aanbiedt terwijl hij haar net in de context van meisjes en vrouwen, en eerder, warmbloedigheid en verwekken heeft gebracht. Wat wordt er opgewarmd? Hoe groot, hoe grof is dit zoenoffer? Of lees ik nu weer te veel?)

Dit is de voorlopig laatste brief. Dat weet je nu nog niet, maar het gepraat over postzegels, persoonlijke antwoorden, lezen en openen, suggereert al wel dat hier een ongemakkelijke correspondentie aan vooraf is gegaan. En tegelijk: de toon is ongedwongen. De briefschrijver, dat weet je nu nog niet, maar het blijkt snel genoeg, is huisarts. Hij verpleegde in de oorlog soldaten, waaronder deze Egon, een Duitse huzaar en schermmeester. Ze kennen elkaar goed. ‘Iemand die is vergeten waarvoor de lach bedoeld is,’ dat zeg je niet van een volslagen onbekende. En de arts kent Egons eigenaardige definitie van de schermsport: de levenskunst van het doden.

Maar toch: als er een vriendschap is, dan is die al jaren niet meer in de praktijk gebracht. Vanwege dat slagveld? ‘De geur van het onverstoorbare leven’ heerste er. Terwijl het er jaren eerder, een paar woorden later, ongewoon warm was, en de stank… De Moor zet in deze brief meteen literaire middelen in. Niks levensecht en authentiek: suggereren, weglaten. Tegenstellingen opbouwen, verwachtingen scheppen. En een van die suggestieve passages heb ik compleet gemist. Want wat doet dat paard daar? ‘Ik heb je paard niet gevonden.’

We zullen verderop in het boek meer brieven lezen, onbeantwoorde van de arts, en onverstuurde van de schermmeester. Ze zijn zoals brieven in romans meestal zijn: expliciet en buiten de context. Maar ze zijn niet gekunsteld authentiek, het zijn verzorgde, literaire brieven, en ze houden een essentiële spanningsboog in stand: het mysterie van de vriendschap tussen deze twee mannen. Juist het expliciete onderstreept dat we wat weten, maar het ontbreken van de context maakt ze suggestief. Veldslagen, ontberingen, paarden: waar is het misgegaan?

Het wilde maar niet tot me doordringen hoe belangrijk die ontkenning is. Paard. Niet. Gevonden. Er is in deze roman dan ook heel veel dat je aandacht vraagt. Het mysterie van die vriendschap, in de eerste plaats. De trauma’s van de Eerste en de dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Nazi’s. Tweelingen. Het evenwicht tussen geweld en gratie dat vechtsport is. (N.B. de vechtsport heeft De Nederlandse maagd gemeen met die andere nominatie voor de AKO-prijs, Peter Buwalda’s Bonita Avenue.) Romantiek en seks. Vooroorlogs ranzige Duitse vleesgerechten. Ik las dit boek niet om het te bespreken, maar vind je het gek dat ik al snel geen aantekeningen meer maakte?

Ondertussen staat ‘paard’ meer dan tachtig keer in het boek, en nog eens een paar maal ‘Trakehner’, ‘het edele Pruisische soldatenpaard’. Janna moet paard leren rijden van haar maître, en regelmatig speelt een paard een rol bij een van de verhalen over de schermmeester:

‘Je hebt het niet van mij, maar ze zeggen dat hij in de oorlog een paard heeft verloren. Een heel bijzonder dier, een cadeau van zijn vader, zoiets. Ze hadden in ieder geval een band waar wij gewone mensen niets van begrijpen. Dat paard is hem ontvallen. Het verhaal gaat dat het is gevlucht terwijl hij lag te creperen en dat hij daar waanzinnig van is geworden. Gek van het verraad. Stel je voor, het paard uit zijn kinderjaren, zijn enige kameraadje – want dat die man een rotjeugd heeft gekend, is zeker: enig kind, vader een despoot, moeder in het kraambed gestorven –, zo’n rotbeest, dat ervandoor gaat om nooit meer terug te komen! Maar je hoort zoveel. Anderen zeggen dat het onder zijn kont vandaan is gestolen, of dat hij het zelf uit z’n lijden heeft moeten verlossen, omdat het gewond was geraakt. Terug in Oost-Pruisen is hij een tijdje verpleegd geweest, en neemvan mij aan, dat was heus niet alleen voor dat been van ’m.’

Maar je hoort zoveel. Geruchten en leugens en geheimen en geesten vullen het landhuis bij Aken, en dragen bij aan de sfeer van een wreed sprookje, vaag en tegelijk pijnlijk scherp. Als een starende ‘paardenblik: over alles heen wat dicht bij hem was, maar haarscherp op de verte van zijn verleden’. Pas net voor dit citaat, we zijn tien pagina’s van het einde van de roman, kreeg ik door waar ik overheen had zitten kijken. De arts haalt zijn dochter op, en ziet het paard van zijn oude vriend. Hij herkent het.

*

Een ander scenario: ik had dit boek gelezen voor een bespreking, of om het te beoordelen, met een objectief bedoelde bril. Had ik dan wel gezien dat de eerste pagina’s de kiemen bevatten van de hele roman? Had ik dan scherper gelezen? Ik twijfel. Geen lezer ziet alles, en hoewel ik nu met genoegen dit ene motief benadruk, pikken andere lezers er andere uit: de romantiek en het geweld, het dubbelgangersmotief, de vreemdheid van de schermwereld. Ja, daar las ik ook eerst over. Pas bij herlezen dook dat paard op, en inderdaad, Etty heeft een punt, dubbel. Herlezen is beter lezen. Beter lezen is anders kiezen, en je beseffen dat je altijd nog iets missen kan.

(Of hoe de ridder op zoek naar zijn graal het bos bijna door is, en ontdekt dat hij niet meer op zijn paard zit.)

Dit is geen wandelen, dit is stappen zetten. De deur uit, de straat uit, bijna Den Bosch uit, staat daar de buurman uit een straat verderop, de kunstenaar. We zetten ons correspondentie voort als gesprek: Nescio en Kees, en ook over onze verkeersambtenaar. Mijn dochter draait en kriebelt op mijn rug. Dan loop ik verder, de trap af naar het paadje langs de Stadsdommel, het tweede paadje, het oude paadje is te modderig, een nieuwe is gemaakt, tot de loopbrug onder de verkeersbrug door, nieuw modderpaadje, de loopbrug boven de sluizen over, naar het voetveer dat ik naar de overkant draai. De komma’s zijn punten, korte etappes naar mijn doel: de Bossche Broek, tegenover het centrum. Dan kan ik doorlopen, over de dijk rond het voormalige moeras, eindelijk zeker van mijn droge voeten, eindelijk rust ook op mijn rug. Maar de stad is dichtbij, en – stop.

Het gaat met horten en omwegen, zo’n zoektocht. Ik bleef hangen bij Nescio en liep vast met Geoff Nicholsons The Lost Art of Walking. Want daar verwachtte ik inzichten over wandelliteratuur: romans waarin gewandeld wordt en de stijl meedoet. Nicholson was een tip van Thomas Blondeau, die me ook wees op de psychogeografie, de studie van het doelloos wandelen. En doelloosheid, dat kan mooie dingen opleveren. Toch?

Alles over wandelen

Nicholsons boek onderzoekt allerlei zaken die te associëren zijn met wandelen: muziek, films, rariteiten. Maar hij heeft ook een en ander te zeggen over literatuur. In het voorbijgaan corrigeert hij Sebald in De ringen van Saturnus (die Romeinse weg kan daar niet gelegen hebben) en Austers Stad van glas (hoe kun je nou letters wandelen in het New Yorkse rechttoe-rechtaanstratenplan?). Een wijsneus dus, en flink melig en breedsprakig ook. Maar hij zegt zinnige dingen, hoe voor de hand liggend ook. ‘Most fictional characters do some walking at one time or another, because that’s how it is in life, and much of the walking will be incidental.’ Maar er is ook fictie waarin wandelen, ‘in academic parlance, foregrounded’: het is het onderwerp van het boek zelf.

Om vervolgens uit te wijden over non-fictie, geen woord over hoe dat wandelen vertaald wordt naar literaire stijl. Ja, dit:

‘The pace of words is the pace of walking, and the pace of walking is also the pace of thinking. Both walking and writing are simple, common activities. You put one foot in front of the other; you put one word in front of another. What could be more basic than a single step, more basic than a single word?’

Zo’n simplistisch pleidooi voor intuïtief schrijven heb ik nog niet eerder gelezen. Het probleem van The Lost Art of Walking is dat het gaat over literatuur waarin wandelen een rol speelt, op zijn best literatuur óver wandelen. Geen sigaar, ben ik bang. Ik ben nu juist op zoek naar die literatuur die beschrijving en stijl laat samenvallen.

Nescio: tochten naar den Ringdijk

En stijl, dat zit wel snor bij Nescio, toch? En er wordt gewandeld in zijn werk. Japi loopt in Veere en in Parijs (‘Op en neer van het Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards’) en in Titaantjes wordt er gelopen:

‘En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. […]

Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar den Ringdijk. Daar zaten we in ’t gras tusschen de boterbloemetjes beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien.’

Ze gaan, ze maken tochten, maar ze zitten vooral. Nee, het echte wandelwerk zit in Mene Tekel, in ‘Buiten-IJ’. Dit is de opening, lekker lang geciteerd:

‘Bavink en Bekker liepen voorop, daarachter kwam Kees in z’n eentje, mij hadden ze met Hoyer opgescheept. Het was op een middag in November, achter ons stond ‘t lage zonnetje, midden boven den Zeeburgerdijk. Hoyer liep met z’n jas open, de eenige overjas die wij met z’n vijven hadden. Het was een bijzonder mooie, zoele dag. Rechts in de diepte lagen de weilanden, bleekgroen en drassig. Voor ons uit, onder aan den dijk, stonden de boomen van ‘t Jodenkerkhof hoog en knoestig en hadden een lila weerschijn. Bleekblauw was de lucht boven ons, als wij ons omkeerden zagen wij de zon in ‘t Spuikanaal schijnen en op de sjofele houten loodsen aan de overzij, de anders zoo onoogelijke grijze planken blonken in ‘t licht, de heele weereld om ons heen blonk in ‘t licht, de aarde gaf licht op en zoo ver onze oogen reikten was de wereld van ons, en verder.
Wij liepen van de stad af, wij stapten hard, de zoolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stok boven z’n hoofd en gaf Hoyer een duw. Wij waren blij en uitbundig om niets, om ‘t mooie weer, om de zonneschijn, om de lucht om ons heen, die wij ademden en om de lucht boven ons, die wij zagen. Wij gingen uit om de wereld te veroveren, alleen Hoyer geloofde daar niet aan, die wist niet beter dan datti op den Zeeburgerdijk liep, bij de slachtplaats.
Maar toen wij aan ‘t eind van den dijk kwamen en de Zuiderzee voor ons zagen, toen werd ook Hoyer stil, zoo stil als ‘t water, dat wittig, blauw was, als de lucht er boven. En in ‘t Noorden, achter de strekdam, was ‘t Buiten-IJ krijtwit. Een vrachtboot en een sleepbootje stoomden naar de stad, van Oost naar West, zij waren achter den strekdam, maar hun rook zag je weerspiegelen aan deze zijde er van. En een tjalk voer er, met een wit zeil, de schoot over bakboord. En daarachter lag Durgerdam, met z’n kleine huisjes aan den dijk en z’n twee kleine torentjes en wat kale boomen, zwart daartusschen en op de reede, heel klein, wat scheepjes, de masten staken schraaltjes in de lucht. Naar rechts, buitengaats was wat rook van stoombooten die je niet zag.
Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld naar binnen en leefde in onze hoofden. En onze gedachten gingen woordeloos uit over de wereld, ver over den gezichtseinder gingen zij. En zoo vloeiden de wereld en wij beurtelings in elkaar over.’

Goed geschreven vind ik dat. Nescio zoomt nu eens in, dan weer uit, subjectiverend, objectiverend: een geërgerde verteller, een tijd- en plaatsbepaling, detail, beschouwend oordeel, verklaring (weilanden, boomen), de objecten die het uitzicht maken, de kleuren (lila, bleekblauw, grijs). Er is afwisseling en rust voor de beschrijvingen. Het is concreet en lyrisch. Maar Nescio heeft niet geprobeerd het wandelritme na te botsen. Er zít wel ritme in, door het rijm, de assonantie (‘heele weereld’, ‘de zoolen van Hoyer’), de alliteratie (‘klepperden op de keien’). Er zit melodie in. Maar het wijsje houdt na elke zin weer op. Neem het begin van de tweede alinea:

‘Wij liepen van de stad af, wij stapten hard, de zoolen van Hoyer, die heel waren, klepperden op de keien. Bavink zwaaide z’n stok boven z’n hoofd en gaf Hoyer een duw.’

Die komma’s houden het gaande, dat loopt, het stopt niet, maar dan: de keien. Stop. ‘Bavink…’ Bavink? Nescio’s proza gaat van de hak op de tak hier, is uitbundig als het wandelende vijftal. Nescio’s stijl klopt, maar hij wandelt niet.

Pyschogeografie?

En psychogeografie is het ook niet. De stad leent zich er wel voor. Paul Auster, zelf een stevige wandelschrijver (van wandelletters en meer), heeft dat opgemerkt, in The Invention of Solitude.

‘All during the three days he spent in Amsterdam, he was lost. The plan of the city is circular (a series of concentric circles, bisected by canals, a cross-hatch of hundreds of tiny bridges, each one connecting to another, and then another, as though endlessly), and you cannot simply “follow” a street as you can in other cities. To get somewhere you have to know in advance where you are going. A. did not, since he was a stranger, and moreover found himself curiously reluctant to consult a map. For three days it rained, and for three days he walked around in circles. He realized that in comparison to New York (or New Amsterdam, as he was fond of saying to himself after he returned), Amsterdam was a small place, a city whose streets could probably be memorized in ten days.
[…]
Cut off from everything that was familiar to him, unable to discover even a single point of reference, he saw that his steps, by taking him nowhere, were taking him nowhere but into himself. He was wandering inside himself, and he was lost. Far from troubling him, this state of being lost became a source of happiness, of exhilaration. He breathed it into his very bones. As if on the brink of some previously hidden knowledge, he breathed it into his very bones and said to himself, almost triumphantly: I am lost.’

‘He’, dat is Auster zelf, en wat hij beschrijft, heeft veel weg van wat Nicholson schrijft over psychogeografie: dwalen en voelen.

‘Walking was, and remains, psychogeography’s main mode of operation: specifically, in French, the dérive, in English, the “drift”, which Debord defined as “locomotion without a goal”, abandoning your usual walking habits and letting the environment draw you in, letting your feet take you where they will, and where the city dictates. By drifting, he believes, we detect the “ambiance” of different parts of the city, their special feeling and psychic atmospheres.’

De wandelingen van Nescio’s Titaantjes daarentegen zijn doelgericht. De tochten gaan naar de Zuiderzee, en als dat u te prozaïsch is, dan vind ik de spirituele ervaring die Koekebakker beschrijft ook al wel een doel. De kameraadschap – zij het niet met Hoyer blijkbaar – en de eenheid met de wereld, daar wandelen ze naartoe. Misschien is dat doelgerichte ook de reden dat de stijl maar niet de vorm van het middel krijgt.

Volgende aflevering

Want het middel is het doel niet. Maar dat, ik kom terug van mijn omweg, is een wat makkelijk onderscheid. De beste literatuur is die, vind ik, waarin de auteur wat hij vertelt, vertelt op de beste manier. Stijl, plot, karakterteking: optimaal. Nescio heeft een terloopse, afwisselend kletserige en hoogdravende stijl die precies de worsteling van zijn hoofdpersonen weergeeft, tussen het alledaagse en het hoge.

De volgende blogpost dwaal ik af van Amsterdam, en keer terug met de fietsende Mexicaanse Valeria Luiselli en de treinende Finse Rosa Liksom, en tussendoor Cees Nooteboom, die wel zegt te wandelen, maar verstrikt raakt in doorzitliteratuur.

En Nescio dan? Werd er in zijn werk niet veel gewandeld?
Ik heb De uitvreterTitaantjesDichtertjeMene Tekel, maar vooral Titaantjes meermalen gelezen, een stuk herlezen in het Engels, en ja, er werd veel gewandeld, ook in Boven het dal en bijna uitsluitend in het Natuurdagboek. Maar nu viel me iets anders op. Het vijfde Titaantje was er, en tegelijk ook niet.

Ooit las ik Titaantjes als een verhaal over een collectief: ‘Jongens waren we, maar leuke jongens.’
Vervolgens las ik het als het verhaal van Bavink, met zijn ongezonde verhouding met de zon, zijn Lien, en zijn Gezicht op Rhenen: ‘Behalve Bavink, die mal geworden is.’ In dat perspectief zijn Hoyer en Bekker maar bijfiguren, voor het contrast, voor de nodige andere meningen en instellingen. Koekebakker is niet meer dan verteller. En Kees Ploeger? Die was me nooit opgevallen.

Het vijfde wiel

Het lijkt wel alsof Nescio dat zo bedoeld heeft. Kees Ploeger – de enige van de vrienden die voor- én achternaam heeft – heeft wel degelijk een rol in Titaantjes. Zo doet ook hij inmiddels hun jongensjaren af als een uitspatting, en had ook hij destijds een stevige mening over zijn baas en zijn werk. Verderop blijkt zíjn kamer het hoofdkwartier van de vriendenclub, en uiteindelijk eindigt hij als enige als arbeider – de rest als burger of zelfs elite. Maar dat kan niet verhullen dat hij geen deel uitmaakt van het gesprek, of van de actie.

Op de tweede pagina van het verhaal:

‘En we vonden dat ‘t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging.’

Kees is het buitenbeentje.

  • Op het strand bij Zandvoort: ‘Kees was er niet bij.’
  • ‘Af en toe zei iemand eens wat. Bavink vond schilderen ‘t stomste dat iemand doen kon. Kees begreep er weer niks van.’
  • De opening van ‘Buiten-IJ’ (Mene Tekel): ‘Bavink en Bekker liepen voorop, daarachter kwam Kees in z’n eentje, mij hadden ze met Hoyer opgescheept.’

Kees is de meeloper.

  • ‘Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond bij elkaar. Kees had ook een “hok” moeten hebben. Zijn hok was ‘t grootste en voor allen makkelijk te bereiken.’ Bekker had daarbij wijsgerig interieuradvies gegeven, en een citaat op de muur gezet, in het Frans. ‘Kees kon ‘t niet lezen.’
  • ‘Bavink, Hoyer en Bekker hadden alle drie al zoo vaak naar ‘t oudheidkundig museum in Leiden gewild en nu zou ‘t er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de anderen deden.’

Kees is het vijfde wiel aan de wagen. Wat doet hij daar? Twee al te voor de hand liggende hypotheses:

  1. Kees Ploeger, H.W. Rombout, was in de echte vriendengroep van Grönloh te belangrijk om buiten dit verhaal te laten. Rombout was ook de enige van het stel die het kolonistenbestaan, wat Frederik van Eeden in Walden (waarvoor Grönloh op de wachtlijst stond) initieerde met praktischer mensen, in de praktijk bracht. Hij was tussen 1902 en 1904 de enige vaste bewoner van de gezamenlijke kolonie Tames, bij Huizen. Een nogal essentiële rol in de sociaal bewogen groep die de Titaantjes vormden.
  2. Ook de andere hypothese houdt verband met die sociale bewogenheid: in het schema van opkomst en neergang (Bavink, ‘een groot kunstenaar zijn en dan te vallen’, Hooyer de geslaagde sociaaldemocraat, Bekker een kleine ondernemer) vertegenwoordigt Kees, die via zijn vader een betrekkinkje had gevonden bij de gasfabriek, het andere uiteinde van het spectrum.

Maar de werkelijkheid is een mager argument bij kunst – dan had Kees bijvoorbeeld ook in De uitvreter gemoeten -, en je kunt Titaantjes moeilijk een sociale vertelling noemen.

De contrastfiguur

Kees, die eenmaal volwassen ‘praat van die rare kerels die ’m op den slechten weg brachten’, en destijds ‘zijn baas z’n eigen klokken [wilde] laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z’n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen’, is er niet bij. Zoals Bavink volledig aanwezig is, een kleurrijk personage dat bijna niemand naast hem duldt, is Kees een grijs figuur waar je snel overheen leest. Ik althans heb er overheen gelezen. Meer nog dan Bekker en Hoyer is hij dé contrastfiguur. De normaalste der Titanen: hij valt wel in slaap, zijn hok is gewoon de zolder van zijn vaders huis, hij doet gewoon mee – of helemaal niet.

Dus op een minder maatschappelijke manier past Kees in een schema. En Nescio geeft hem, als hij hem noemt, ook een ironisch-prominente plek in de opvolging van zinnen:

‘En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die ’m op den slechten weg brachten.’
‘Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken, Ploeger wilde zijn baas z’n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z’n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen.’

Maar Kees slaapt, Kees is er niet bij. Is hij de running gag die de Nescio’s ironische blik op de vriendengroep moet personifieren?

Tussen haakjes: letterkundige exercitie

De marginale rol van Kees komt in een nog scherper licht als je het niet bij leven gepubliceerd werk van Nescio erbij pakt. In het Verzameld werk en nagelaten proza staat het verhaal ‘Heimwee’, uit 1903, dat deels op de ‘Kropotkine hoeve’ speelt, met zes mannen: (de jonge) Termaat, Kees Ploeger, Gerhard Heldring, Bekker, Jan Verschure (die zich uiteindelijk van de Diemerbrug stort) en de oude Termaat.

‘Kees Ploeger, met z’n blauwe kiel, z’n leeren gordelriem, z’n breeë schouers, z’n heele stevige lichaam in overeenstemming met z’n kaplaarzen waar i z’n broek in had, z’n groote vuisten en z’n aankomende baard, hij was toen 23.’

Kees, immers de vaste bewoner van de kolonie, is de praktische van het stel. Hij spreekt van koren en hout halen in Naarden, waar anderen lezen, dromen en verliefd worden. In het koloniehuis hangt dezelfde Franse spreuk als inTitaantjes op Kees’ hok.

Vervolgens neem je de eerste versie van Titaantjes (waarschijnlijk uit voorjaar 1912, schrijft bezorger Lieneke Frerichs), die begint met

‘Het was een wonderlijke tijd. En het was een wonderlijk gezelschap dat dat jaar bijna avond aan avond op de zolder van Kees Ploeger bij elkaar kwam.
Daar had je Kees, wiens vader een “goeie betrekking” had bij de Gemeente als opzichter over ‘t een of ander en die zelf achtereenvolgens instrumentenmaker, handelsreiziger, smidsknecht en inpakker bij een grossier was geweest, tot groot nadeel van al zijn bazen.’

Kees op één! Het duurt twee paragrafen, waarin Kees met Bekker bevriend raakt, en Kees en Bekker Bavink ontmoeten, voor we bij het definitieve begin van het verhaal komen. Veel wat daarop volgt (het slapen, het hok) is hetzelfde, maar uitgebreider. Titaantjes lijkt met herschrijving aan kracht te hebben gewonnen, en Kees aan kleur verloren.

De afwezige als motief

Op één uitspraak na – de klokken en de baas, meteen op pagina 1 – is Kees Kees gebleven. Je zou in zijn ongelukkige arbeiderswereld, in pijnlijk contrast met de burgerwereld van vh. de Titaantjes, een morele terechtwijzing kunnen zien. Te weinig ambitie? ‘’t Chronische tekort in ’t huishouden van den werkman’ is je lot. Kees zelf ziet dat anders: ‘Hij moppert dat-i ’t zooveel beter had kunnen hebben, als-i eerder naar z’n vader geluisterd had.’ Een grap, zoals Nescio er meer maakt met de arme Kees. Kees heeft zijn noodlot, net als Bavink overigens, maar die was wel een hemelbestormer, en is gevallen. Vanuit het perspectief van Klassiek Grieks toneel is Bavink Nescio’s tragische personage, Kees zijn komische: plat, gewoon, dom.

En zoals de drama’s van Euripides’ helden moesten verschrikken en ontroeren, tot katharsis aan toe, zo riepen de komedies van Aristofanes herkenning op. Kees, dat zijn wij, niet Kees Bakels maar Kees Ploeger. Wij zijn de afwezigen, en dat is de humor.

Of, hoe de lezer, nieuwsgierig naar meer, aan het einde van de rit met minder tevreden is: hoe minder we weten, hoe meer betekenis er aan toe te kennen is.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Langs de Strabrechtse heide, de zon schijnt ongenadig, de hei staat in bloei, de eerste wilde bramen zijn geoogst, nijlganzen op het Beuven, grote grazers in een vennetje ernaast, mijn kind slaapt op mijn rug. Ik loop naar waar we de auto hadden achtergelaten en ik kijk om me heen, naar de oudere vrouwen en mannen op hun mooie fietsen, de gevulde houten bankjes, de voorgekauwde routes die ik niet volg, en ik zie geen dieren meer,  ik loop voorbij. Ik loop, ik denk niet, ik moet mezelf dwingen tot de vraag van het moment: wat moet ik met De wandelaar?

Ik herlas de roman van Van Dis voor dit tweede deel in een reeks blogposts over wandelromans zoals Teju Cole die vorig jaar, en W.G. Sebald anderhalf decennium geleden schreef: in een stijl die de tijd neemt, bijna plotloos, met oog voor kleine tragedies. Dit is niet zo’n boek.

Actie

Terwijl er veel is dat deze roman gemeen heeft met Coles Open Stad: de thematiek van immigranten in de grote stad, de omzwervingen die weinig doelgericht meer zijn en over de grenzen van het eigen territorium gaan. Maar de stijl, de toon is anders. De afstand is kleiner. Neem alleen al de eerste zinnen:

‘De hond had alles gezien. Met hem moet het verhaal beginnen. Hoe hij voor het raam danste en uit een brandend huis sprong. Maar eerst maakt meneer Mulder een avondwandeling. Hij zal aan de politie een andere naam opgeven.’

Goede, krachtige zinnen, die nieuwsgierig maken, je voortdrijven naar de actie. Dan begint de wandeling.

‘Het is een koele lenteavond. Mulder verlaat zijn huis in een houtje-touwtjejas. De ijzertjes onder zijn leren zolen tikken op het trottoir, hij springt over ruisende goten om een spat te ontwijken en treuzelt voor de etalages van de oude prentenwinkel waar de eigenaar wekelijks een andere collectie toont – nooit ging hij er binnen, al neemt hij zich elke avond voor er een oude kaart van Parijs te kopen, één waar zijn eigen straat op staat. De kerktoren op het plein slaat elf uur. Bij het café om de hoek recht Mulder zijn rug voor de keurende ogen op het terras, al zal geen mens zich herinneren dat hij voorbijliep.’

Het tempo en de kracht van de eerste zinnen houden aan. De eerste lange zin is geen geschakelde, maar een gestapelde, en ook na het gedachtestreepje staat er geen woord te veel. Belangrijker: in deze eerste zinnen wordt het decor van de roman geschetst (Parijs, een wijk met een prentenwinkel en een kerk en een café) en de hoofdpersoon: ietwat ouderwets, een twijfelaar, iemand die bang is op de buitenkant beoordeeld te worden. Een flaneur? Maar geen mens zal zich herinneren dat hij voorbijloopt. Mulder is een passant.

Deelname

Dat is een wandelaar in de kern: een voorbijganger, en als hij rondkijkt, dan niet óm het rondkijken, want hij is onderweg, hem drijft een hoger, abstracter doel. Zo is het althans bij Cole en Sebald, en bij hen lijkt dat doel zelfs afwezig.

Van Dis is explicieter, en hij zet Mulders rol van wandelaar, buitenstaander nadrukkelijk tegenover de betrokken, sociale deelnemer aan de maatschappij. Een paar straten verder staat een huis in brand, een kraakpand, vol met illegalen. Er vallen doden en gewonden, en een hond springt uit een raam. Hij lijkt Mulder aardig te vinden, en Mulder neemt het beest onder zijn hoede. Vanaf dat moment betrekt de naamloze hond (le chien) hem bij het leven van de straat, sleept hij hem naar de rouwplechtigheden voor de doden, ontneemt hij hem zijn anonimiteit. Mulder is geen wandelaar meer, hij is deelnemer aan het leven.

We zijn een stuk verder in de roman. De hond is Mulders kameraad geworden, Mulder is verliefd, en zojuist heeft hij telefonisch bericht gehad dat hij een vals paspoort kan krijgen voor die vrouw, en voor een andere sans papiers. Zijn schuldgevoel is weg.

Naar buiten! De benen na het lange zitten strekken, langs de kades lopen, de bruggen over en met open armen van Parijs houden. De straten waren gewassen, de hond danste en Mulder liep licht. Madame Sri kwam terug. De meeuwen krijsten het over de daken. En ze zou papieren krijgen, op welke manier dan ook. Er stonden witte koppen op de Seine: de bergen schudden de regens van hun rug. Golven kolkten hoog om de pijlers, zelfs de ringen aan de kademuren waren niet meer te zien. Niets daar beneden bood nog houvast. Uitstekend weer voor zelfmoord. Het water lokte niet die morgen, maar het idee de dood in eigen hand te hebben stelde Mulder altijd weer gerust.

Weer wandelt Mulder, met energieke zinnen. Nummer 2 en 3 zijn lang, gestapeld, maar de zinsdelen hebben dezelfde volgorde – wat het tempo verhoogt – en culmineren in een lyrische uitbarsting. Wat Van Dis dan vervolgens heel goed doet, is de levenslust bijna gelijkstellen met een verlangen naar de dood. Relativeren is de krachtige onderstroom in deze roman.

De wandelaar is een roman vol actie – zeker in vergelijking met Open stad en De ringen van Saturnus-, een psychologische roman en ook, misschien wel door die twee kenmerken, een morele roman. Wat te doen bij onrecht? Hoe kan je helpen? Niet? Die vaststelling ondermijnt het op de loer liggende moralisme, zoals de extase door een plotselinge halve doodswens wordt verdoofd. Zoals hopeloos optimisme, zoals pijnlijke humor – die tegenstellingen maken dit boek toch goed te verdragen.

Verder!

Dit is dus niet zo’n boek als van Cole of Sebald. Het leidt wel tot nieuwe vragen: is de aantrekkingskracht van die twee voorbeeldboeken juist de afstandelijkheid, de afwezigheid van psychologische duiding, het ontbreken van actie?

Ik ben er dus naar op zoek voor een essay over wandelliteratuur, preciezer: het soort romans dat Cole en Sebald schreven, en dan liefst met een Nederlandse component. Naar aanleiding van mijn eerste post kreeg ik al veel suggesties, die ruim rond het onderwerp zwerven: Caryl Phillips’ The Atlantic Sound, de psychogeografie van Debord, De weg van de pelgrim, Bertus Aafjes’ Voetreis naar RomeTerloops en Gaandeweg van J.J. Voskuil, Geoff Nicholsons overzichtswerk The Lost Art of Walking en Richard Holmes’ Footsteps. Die laatste twee titels werden ook al in Armada 55 genoemd, en eerder noemde iemand A. Aalberts De vergaderzaal. Ik wil ook Gerbrand Bakkers verhaal ‘De leeuwerik’, uit ons eerste halfjaarboek van 2011, weer herlezen, en neem Valeria Luiselli’s essay Valse papieren mee. Meer suggesties zijn altijd welkom.

De kans is groot dat ik niet vind wat ik al gevonden heb, maar wat zeggen ze ook weer over de weg? Een cliché, laten we het er maar niet over hebben.

Het duurde niet lang, misschien een uur, mijn wandeling door het Leenderbos. Het was nog koel, zoals de ochtend van een zomerdag behoort te zijn, de heide begon voorzichtig te bloeien, maar verder was alles groen in een volle zon. Ik zag dat en ik dacht aan wanneer ik mijn vader weer zou zien en wat ik moest zeggen, hoe ik een strengere redactionele keuze kon maken bij mijn werk, of ik naar een popfestival moest met een ander literair tijdschrift, hoe ik een essay over wandelende literatuur van de grond moest krijgen.

Want dat wil ik, ik wil onderzoeken hoe de essayerende literatuur van Teju Cole en de documentaire fictie van W.G. Sebald zijn stilistische neerslag krijgt, hoe het fysieke ritme in stijl en introspectie zijn vorm krijgt. En ik wil weten hoe het met de Nederlandse wandelliteratuur zit, want dit is geen tijdschrift voor wereldliteratuur. Dat ga ik uitzoeken, en daarom mag dit wel het begin van een serie blogs zijn.

Ritme, introspectie, stijl: Alstein, Cole, Sebald

Wandelen heeft iets introspectiefs. Het is een fysieke bezigheid die ruimte schept voor een andere bezigheid: denken. Net als schrijven of lezen is het geen eenvoudige, maar een complexe handeling. Veel schrijvers wandelen, maken trektochten, critici ook trouwens. Elsbeth Etty kampeert en slaapt op driekwart matjes. Bert Natter fietst. Alstein stapt. Bij die laatste zie je dat ook terugkomen in zijn logboeken; hij is onderweg en observeert, ontmoet iemand en noteert zijn verhaal.

In de romanvorm heb ik dat recent bij Teju Cole gelezen, die zijn bijna plotloze Open stad (Open City – excerptvoorpublicatie) structureert met wandelingen. En die zijn zinnen de tijd geeft, alsof hij loopt totdat hij naar rechts moet, of links. Kort daarop kocht ik W.G. Sebalds De ringen van Saturnus (Die Ringe des Saturn, vertaald door Ria van Hengel), dat in z’n geheel een trektocht door een desolate streek in Zuid-Engeland volgt, en waarin de plaatsen die Sebald aandoet stuk voor stuk herinneren aan destructie. Bij voorkeur veelvoudige destructie, wat we onder mensen massamoord noemen, maar Sebald gaat ook in op bomen en zijderupsen. Ook zijn zinnen meanderen. Zijn wandeling begint zo:

‘Het was een dag met zeer laaghangende bewolking toen ik in augustus 1992 naar de kust reed met de oude, tot aan de ramen met roet en olie besmeurde dieselrailbus die destijds de verbinding tussen Norwich en Lowestoft onderhield. Mijn schaarse medepassagiers zaten in het halfdonker op de versleten lila zittingen, allemaal in de rijrichting, zo ver mogelijk van elkaar af en zo stil alsof er hun hele leven nog nooit een woord over hun lippen was gekomen. De onzeker op de rails voortschommelende wagen reed de meeste tijd in de vrijloop, want naar zee toe gaat het bijna voortdurend licht bergafwaarts.’

Er wordt hier nog niet gelopen, maar de zinnen zijn lang, van aaneengeschakelde zinsdelen die je in een ritme brengen, een wiegend wandelen.

Wandelen in de wereldliteratuur

Dit is geen tijdschrift voor wereldliteratuur, schreef ik. Want dat is er al, en het heet Armada. Het is een rustig, bedachtzaam tijdschrift dat zelden sensationalistisch is, of actueel – een uitzondering als het recente nummer over Chinese literatuur daargelaten -, en het gaat over literatuur. In het nummer dat ik ter voorbereiding op dit essay-in-wording las, ‘Schrijvers te voet’ (#55), leer ik dat wandelen voor schrijvers lange tijd not done was – Laurence Sterne voert wandelingen op om personages belachelijk te maken – en een romantische uitvinding is. Dat Austens heldinnen (in boeken die tussen 1811 en 1818 gepubliceerd werden) alleen en te voet bij iemand op bezoek gingen, was nog steeds onderwerp van gesprek in die boeken. Maar als Robert Louis Stevenson met een ezel door de Cevennen trekt, schrijft hij daar ernstig over.

Ook in dit nummer: Marita Mathijsen over Jacob van Lenneps tocht door Nederland, Willem G. Weststeijn over de wandelende jood, Henri Bloemen over de flaneur bij Walter Benjamin, en Hans Bertens (die ook het voorwoord, waaruit ik bovenstaande feiten optekende, schreef), over twee klassieke Afghanistan-reisverslagen. Meestal introducerend, een enkele keer diepgravend, zoals het Benjaminessay,en Dennis Kersten over hoe Stevensons wandeling in biografische fictie en fictieve biografie gevangen werd.

En er is poëzie, en proza. Daaruit komt een voorbeeld van wat ik niet zoek. Robert Walsers ‘Kleine voettocht’, vertaald door Machteld Bokhove:

‘Ik liep vandaag door de bergen. Het weer was miezerig, en het hele landschap was grauw. Maar de weg was zacht en hier en daar heel goed. Eerst had ik mijn jas aan; maar al snel trok ik hem uit, vouwde hem op en hing hem over mijn arm. Het lopen op de wonderschone weg deed me meer, steeds meer genoegen, nu eens ging het omhoog, dan weer steil naar beneden. De bergen waren groot, ze leken te draaien. De hele bergwereld kwam mij voor als een reusachtig theater.’

De zinnen zijn kort, inhoudsledig (tót dat draaien van die bergen). Ze varen eerder op het ritme van de adem dan de route, ze voelen meer dan dat ze denken. Natuurlijk, dit is literatuur, en zoals Henri Bloemen mooi onderstreept in zijn commentaar, er staat veel meer dan er staat, maar in plaats van de uitweiding kiest Walser voor de samenvatting.

Ik zoek dus weids, introspectief, meanderend wandelend proza. Suggesties zijn welkom, een volgende aflevering zal ik aan Adriaan van Dis’ De wandelaar wijden. Ook niet wat ik zoek, vanwege de stijl en omdat de hoofdpersoon van die boek wel een wandelaar wil zijn maar wordt gedwongen dat niet te zijn.

Froukje van der Ploeg studeerde audiovisuele vormgeving aan de kunstacademie St. Joost in Breda. Daarna volgde ze een schrijversopleiding aan ‘t Colofon (de Schrijversvakschool) en studeerde af in de richting poëzie. Haar werk werd voor het eerst gepubliceerd in het Hollands Maandblad in 2001. Het Hollands Maandblad kende haar in 2004 de Schrijversbeurs toe. Van der Ploegs debuutbundel Kater verscheen in 2006 bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Momenteel werkt ze aan haar tweede bundel. Een aantal gedichten daaruit verschenen in het Liegend KonijnHollands Maandblad en Poëziekrant.

*

Onverplaatsbaar

Beeld je in dat je hem uitknipt
Leg het overgebleven strand opzij
Vouw een pak om zijn kale lichaam
Knip een kantoor

Leg een inrichting onder
een kopieermachine

Zie nu de was van dagen
De zon van zijn huid

Bedenk zoals het nu is
maar dan net een beetje erger

Of tape hem terug op dat strand
de mojito’s, ver dragende muziek
en laat hem daar.

Herhaling

Wij herhalen onze bewegingen
en noemen dat leven, onze handen

slaan de was uit vullen machines
voeden ons kroost tikken op
toetsenborden letters van belang

sommigen van ons herhalen
het strijken van de snaren een aai
over een vacht soms

van een groot dier
een enkele keer

een warm lichaam
met alleen een voornaam

In een periode waarin ik niet aan een roman wil werken is het herlezen van Jeroen Brouwers’ Bezonken rood geen goed idee, want die kleine roman geeft altijd goeie ideeën. Het boek staat bekend als een kamp-roman, maar voor mij gaat het boek veel meer over een complexe moeder-zoon verhouding.

Op de eerste bladzijde is de moeder gestorven. Brouwers neemt dat als startpunt en grijpt terug op het verleden van zijn moeder, en van hem. Brouwers is meedogenloos. Op pagina 31 zijn moeder en zoon terug in Nederland, net uit een Jappenkamp in Indonesië, en zijn moeder brengt hem naar een Katholiek pensionaat, zoals dat in het boek heet. In Indonesië kon de kleine Jeroen Brouwers er niks aan doen in een kamp te zitten, en zijn moeder ook niet. In Holland was de keuze voor een pensionaat een keuze van zijn moeder. Brouwers voelt zich verraden. Hij zegt:

Waarom heeft men haar in het Jappenkamp niet doodgeslagen?

Een keiharde zin die het complete boek samenvat.

Bezonken rood stoelt sterk op associaties. Brouwers gebruikt flarden van beelden, teksten, gedachten. Daantje gaat op reis is de titel van een kinderboek waaruit zijn moeder hem in het kamp leerde lezen. Het boek was belangrijk voor Brouwers, hij overleefde ermee. In de roman laat hij de titel een aantal maal vallen en soms voegt hij aan andere zinnen toe: ‘stap-stap-stap’. Hij paradeerde achter Japanse militairen aan: stap-stap-stap. Hij vluchtte voor zijn moeder, stap-stap-stap, hij haatte haar. De kleine Jeroen beweegt als een vliegtuigje om de vliegen geen kans te geven op hem te gaan zitten: ‘met gespreide armen rende ik rond, broembroem’. Geluiden in het kamp en in het heden, als hij vliegen doodslaat of met Liza neukt, een geliefde van hem: ‘Têts’. Beelden van vrouwen in het kamp die gemarteld worden linkt hij aan vrouwen die op de Dam protesteren en ketchup op hun kruis smeren. Brouwers maakt kikkergeluiden: ‘kwaak kwaak’.

Brouwers roman is fel bekritiseerd, onder andere door Rudy Kousbroek, die stelde dat de kampen in Europa veel ‘erger’ waren, dat waren per slot van rekening vernietigingskampen. Kousbroek stelde dat veel van Brouwers verhaal fictie is. Verzonnen. Niet echt gebeurd. Brouwers geeft in Bezonken rood zelf al aan dat over de Duitse kampen niemand ooit sprak ‘met vertedering of zelfs heimwee in de stem’. Dit is zijn verhaal, als kind zat hij nu eenmaal in een Jappenkamp.

Het maakt mij niet uit wat erger is. Het is geen wedstrijd. Bezonken rood is een roman, ik lees het als roman. Het is een van de beste Nederlandse romans van de laatste vijftig jaar. Ik herlees het zeker om het jaar. De techniek is verbluffend, het persoonlijke is sterk, zijn stem is helder en krachtig, de pijn is voelbaar. En de roman is kort, ook dat is prettig. Brouwers vertelt zijn verhaal met de woorden en beelden die hij daarvoor nodig heeft. Niet meer, niet minder.

Een idee voor een nieuwe roman heb ik inmiddels. Over een vader en een zoon. Ze gaan samen naar het zwembad, op de enige dag in de week waarop ze elkaar zien. Ze delen een geschiedenis. Een tragisch voorval dat hun levens veranderde. De vader zal de verteller zijn. Ook de vader van de verteller speelt een rol. Dus: zoon, vader, grootvader. Het verhaal speelt in het verleden maar moet een helder beginpunt in het nu hebben. De vragen is: hoe schakel ik tussen de tijd en tussen de personages? Wat zijn hun afzonderlijke thema’s? Hoe zijn die thema’s met elkaar te verenigen of hoe contrasteren juist die thema’s? En vooral: op welke manier kan het in godsnaam een levendige tekst worden die de personages samenbrengt, het drama invoelbaar maakt, die lucht in zich heeft, en tegelijk onder de regels zwaarte heeft?

Bezonken rood geeft ideeën. Bezonken rood schenkt problemen maar ook oplossingen. Een jaar niet schrijven, het is alleen te doen wanneer ik de juiste (lees: nietszeggende) boeken lees. Boeken die je alle zin in schrijven ontnemen. Ze zijn er.

*

In oktober 2011 verscheen Van Mersbergens Naar de overkant van de nacht. De schrijver nam zich voor in 2012 niet aan een roman te werken. Voor De Revisor houdt hij een dagboek bij hoe hem dat af gaat, niet schrijven. Of beter gezegd: niet aan een roman schrijven, want hij heeft opdrachten en lezingen genoeg, maar de ideeën zijn niet tegen te houden…

Marein Baas (1981) is dichter, journalist en copywriter. Hij won diverse poetryslams en trad op op poëziefestivals. Hij is een van de oprichters van het Utrechtse absurdistisch proza-collectief de Vorlesebühne en columnist bij Unstblog.nl. In het komend halfjaarboek van De Revisor debuteert hij met een reeks gedichten.

Ω

II

Wat is er zo leeg als je hoofd is,
als je hoofd leeg is van het lopen?

Je hoofd is zo leeg als de lucht is,
als de ruimte die achter de dag kruipt.

Je hoofd is leeg tussen alles.
Alles is bijna waar jij bent.

Alles is te betasten
als een zeepbel die wacht in je handen.
Je hand moet zacht zijn als je adem.

Je adem moet wachten met praten.

IV

Een beeld van een stad die ontvouwt
tot gerasterd plan in een oog.

een kaart in een hand is een huis
om een lichaam dat loopt als beschermd.

De bomen met kruinen  gebogen
over de weg zijn een dak.

Een dak boven mij waar ik loop.

Mijn voet voor mijn voet op een weg.
Een heldere weg in mijn hoofd.

Ik denk als ik denk dat ik loop
dat ik niet denk dat ik loop.

Denken is kou in een jas,
een brekende wolk is het denken.

Dat niemand kan zien wat er is.
Dat kijken kan zijn als een vraag.

Een vraag zet een stap uit een oog,
een stap met een heldere stem,

vragen met heldere stem,

de klank van een heldere stem
een barst in het glas als ik loop.