Wat moeten we herlezen uit de afgelopen veertig jaar De Revisor? P.F. Thomése, redacteur van 1998/1 tot 2001/4, schreef ons: ‘Als redacteur heb ik het meest genoten van de bijdragen van de onovertroffen Wessel te Gussinklo – een feest om die paroxysmen te ontvangen. Ik kies ‘De tovenaarsleerling’, geplaatst in 1999/1.’

Te Gussinklo’s andere werk bij De Revisor – en zijn debuut in 1969 bij De Gids – is te lezen bij de DBNL.

*

Van Sartre wist ik nog niets, die laatste les voor de grote vakantie, die de leraar Frans – nu rapporten en overgang achter de rug waren – traditiegetrouw zou besteden aan het voorlezen van een verhaal.

Ik was voor de derde keer in de tweede klas van de middelbare school blijven zitten, en zou ook voor de derde keer, wegens onmogelijk gedrag, van een school verwijderd worden. Dit was de laatste lesdag. Niets kwam er van me terecht – en ik begreep niet waardoor. Een paria was ik. Geen enkele middelbare school zou me nog accepteren. Nu kon ik alleen nog naar de Mulo of naar een ambachtsschool – of een internaat met strenge discipline. Ik wist niet meer wat ik met mezelf moest beginnen. En leren kon ik ook al niet! Het moest wel zo zijn dat ik heel dom was. (Hoewel, dom was ik niet had een psychologisch onderzoek, een test omdat anders ook deze school mij niet had willen hebben, uitgewezen. Ik was zelfs nogal intelligent ((andere woorden werden gebruikt en, Er is iets met deze jongen. We weten niet wat)). Maar intelligent!?… dat wilde ik al helemaal niet zijn dat waren die jongens met brilletjes en rare stemmen en van die giechellachjes. In cafés wilde ik zitten met wijven…)
In het benepen gereformeerde pleeggezin waar ik ondergebracht was, ging ik elke avond om acht uur naar bed, omdat ik anders leerstof moest repeteren (ook dat nog er kwam geen eind aan) maar vooral vanwege een totale apathie, een onoverwinnelijke, dodelijke vermoeidheid – tien, twaalf uur slapend, en genoeg was het nooit. Trouwens ik mocht na acht uur ‘s avonds niet meer buiten komen (een politionele beslissing) nadat ik uiteindelijk betrapt was bij het al maandenlang in somnambule gedrevenheid rondzwerven in verre uithoeken en onbekende buitenwijken van de stad – overal brandjes stichtend: brandjes in vuilnisbakken, struiken, stapels kranten. Onmogelijk op te houden: want wat dan?… Weer was ik blijven zitten, weer zou ik van een school gestuurd worden. Onmogelijk dit almaar voortgaan los te laten: want hier was iets dat kon branden, en daar, en verderop – en kijk daar eens! -. De zichtbaarheid van al die dingen, de mogelijkheid er iets mee te doen – zomaar, moeiteloos vanzelf ging het verder. Ik hoefde nergens aan te denken. Zelfs een blik hoger dan de lage horizon van vuilnisbelten en oude kranten was niet nodig. Geen mens zag ik aan, niet verder dan hun schoenen reikte mijn blik, en schuin daarlangs geen oogcontact mocht er zijn, niets mocht in me doordringen (ik heb het beschreven in De Verboden Tuin).
Maar tenslotte toch betrapt bij het in brand steken van een hooiberg in het begin van de avond, op het grasveld aan de Utrechtse Croeselaan waar later het Iglo gebouw zou verrijzen.
– De grootse, bijna gewelddadige pracht van het vuur in de aanvangende schemering de totaalomvattendheid van de meters brede, rokende en al aangloeiende, basis van de hooiberg de huizenhoge vlammen… – En daarna achtervolgd door een ‘Hé, jij daar! Wacht jij eens even’ roepende agent over de Da Costakade: de onverwacht genomen zijstraten, de snelle haakse bochten in de hoop de agent kwijt te raken. En toen dat niet lukte: na weer een haakse bocht bliksemsnel een tuin aan de Vondellaan in, achter struiken en een muurtje. Maar toch ontdekt, toch gevonden en afgevoerd naar het politiebureau Tolsteeg om afgetuigd te worden… (Ik heb het verteld in De Opdracht – al hoorde het daar bij een ander verhaal.

Lezen deed ik niet meer. Ik had de brug tussen jeugdboeken (Karl May, de prisma junior-serie, Bob Evers e.d) en de boeken voor volwassenen niet kunnen vinden. De enkele keer dat ik een boek probeerde te lezen, kwam wat ik las me kleurloosabstract en volkomen irrelevant voor: onwezenlijke handelingen en overwegingen van mensen voor wie ik geen enkel gevoel op kon brengen.
Maar gevoelens?… Met gevoelens was ook al iets. Die opgewekte gereformeerde mensen om mij heen, – die van alles voelden en geloofden en zeker wisten. Die van anderen hielden: hun ouders, hun vrienden en die in god geloofden – en ook zoiets voelden ze echt. Terwijl ik niets geloofde – want hoe kwamen ze erbij? – en niets voelde, behalve bevreemding. (En ze waren zo opgewekt, zo vrolijk, zo zeker van zichzelf. Ze keken altijd om zich heen met gretigheid. En nergens twijfelden ze aan.)
Natuurlijk had ik gevoelens. Het was bijvoorbeeld prettig om iets te krijgen of te hebben, daar kon je blij om zijn. Maar dat had niets met mensen te maken, of met god en die andere dingen. En er waren mensen – zoals je moeder – die je vaak zag en aan wie je daarom gewend was. Maar gevoelens? houden van? aardig?… Het was bruikbaarheid, die hun belang bepaalde, nut, gewenning en vooral een soort gladde moeiteloosheid die geen enkele aandacht vroeg. Meer was er als het er op aankwam eigenlijk niet. En die gevoelens…?! Maar die gevoelens hadden zij wel: ze voelden liefde en vriendschap en verontwaardiging en woede – het was allemaal echt, ze meenden het. Terwijl ik… Warrigheid voelde ik, angst. Alleen met schreeuwen en lawaai kon ik de bevreemding soms even vergeten.

En ik zag rare dingen. Het was of hun gevoelens een achterkant hadden een vaag, schemerig gebied van berekening, van passen en meten dat ongezien moest blijven. En ik zag hoe ze sommige gevoelens wel wilden hebben en andere juist niet. En ik zag hoe ze een beetje duwden, een beetje prutsten aan zichzelf – want mooi moest wat ze toonden zijn overtuigen moest het aardig en belangrijk moesten anderen je vinden zodat ze van je hielden. En ja, er was ook nog iets anders (heimelijker, verborgener): glad en sterk moest wat ze toonden zijn – zonder iets dat wrong, iets rafeligs dat anderen voorzichtig maakte, dat onbehaaglijkheid wekte. Een scherm van gladde helderheid moesten ze laten zien, een scherm dat voor iets anders schoof – iets weeks, iets vormeloos iets… Maar kennis daarvan leken ze ook al niet te bezitten – althans niet echt. Argeloos waren ze onschuld was hun gedrag. En toch. En toch… Maar daarover spreken, zoiets zeggen, was niet mogelijk, want er bestonden geen woorden voor. Met verontwaardiging, met bevreemding zouden ze reageren als ik zoiets zei – en erkennen zouden zij geen ding. Dat ik dit zag moest een afwijking zijn. Een onmens was ik dat ik anderen zo beoordeelde, en alleen maar dit soort dingen opmerkte (dingen die niet eens echt waar waren) en ook nog niets voelde: tenminste niets gewoons, niets als alle anderen die goed en vriendelijk waren, en die met hartelijke gevoelens naar elkaar keken – helemaal als zichzelf (of dacht ik dat maar, leek het maar zo. Want soms…) – en die af en toe ook wel eens boos of koel of onverschillig waren – precies zoals het ze uitkwam. (Zo’n gevoel schoot ze zomaar te binnen – hoe was het mogelijk – boosheid, onverschilligheid voelden ze zomaar écht. Terwijl ik alleen maar loerde en kil was. En voelen deed ik niets: geen vriendschap, geen kameraadschap, geen boosheid. Zenuwachtig was ik, en heel soms nam dat af.)
Als een melaatse, een vijand van alle mensen was ik met die gedachten en overwegingen al die dingen die behalve ik nooit iemand anders dacht en zag. Ik zag de kleine schokjes in hun ogen, als ze keken of juist niet keken het even oplichten en aanscherpen, en ik voelde het wegdraaien daarna in mijn eigen ogen. Er waren andere dingen aan de hand het ogenschijnlijke was het niet. Iets – je kon zelfs niet zeggen dat zij het waren – iets, bood aan: lachjes, woorden, gedragingen waren dat iets stelde eisen, had verwachtingen – maar van wie kwamen die verwachtingen en eisen? van wat?: van het gebeuren zelf? van de handeling? van de toestand? van henzelf? (vanwaar die vonkjes, die schokjes die ik zag?) Het leek of ze een gebaar, een lach, voor zichzelf uit naar voren staken, voor zich uit hielden om zichzelf te bedekken, als een soort tussenstof tussen hen en mij in. En ik moest ook zoiets ophouden – iets gelijkwaardigs – om het te pareren. Op een bepaalde manier was dat een antwoord, was dat een reactie, een dialoog – maar niet tussen hen en mij, maar tussen hun woorden, hun glimlachen (hoe dit te zeggen) – hun handigheid en de mijne, hun slimheid! -: blikken waren het, lachjes, toepasselijke woorden en gebaren slim en gewiekst pareren – nog slimmer, nog gewiekster. Maar antwoorden van henzelf…? Nee, antwoorden waren het niet. Daarachter bleven zijzelf verborgen en keken toe (was dat zo? was dat het?) afgeschermd door die woorden, die lachjes en gebaren. Maar ik niet. Afschermen, verbergen deed ook dat mij niet – niet mij, niet mijzelf. Een hopeloos uitsteken deed zich voor, als ik iets zie of deed of als ik zomaar ergens was een soort tevoorschijn floepen – rafeling, wringend en vooral onaf – naast, langs wat ik pretendeerde te zijn – even zichtbaar, haast nog zichtbaarder. En ik kon het niet bedekken, ik kon het niet verbergen.
Maar hen verborg wat ze deden wel. Weg waren ze. Hun lachjes waren er, hun praatjes, hun ideeën – dat was het enige wat je van ze zag. Maar toch niet helemaal: een vormloos aanwezig-zijn bleef bestaan een mysterieus spookachtig ademen dat niet uit hun lichaam voortkwam. Iets – zijzelf? de situatie? (of waren het de woorden, de gebaren: die vooruitgeschoven posten van henzelf?) – drong op mij in, taxeerde, dreigde te overweldigen dwong bewegingen en reacties bij mij af, die eerder pareren waren dan antwoorden – en zeker geen gevoelens niet hun soort gevoelens.
Maar écht bestaan deed ook dat niet.

De leraar Frans was christenexistentialist – zoals je in die tijd ook christensocialisten of christenmarxisten had rekbaar als elastiek was dat soort christendom. Er zouden nu christendeconstructivisten en christenpostfeministen geweest zijn als het christendom nog bestaan had. (Later, in de jaren zeventig toen de grote zondvloed losbrak, werd deze leraar christenanarchist: vóór revolutie en vrije liefde – plotseling geen pak meer aan, maar spijkerbroek en houthakkershemd. Gelukkig dat hij spoedig daarna uit zijn lijden verlost werd – want al dat steeds maar moeten veranderen daar is geen einde aan.)

Er was een jonge Franse filosoof en schrijver, vertelde de leraar, van wie hij deze laatste les een verhaal zou voorlezen. Maar alvorens dit te doen zou hij iets van zijn leer vertellen – een leer waarvan hijzelf trouwens een aanhanger was. Deze filosoof en schrijver (Sartre was zijn naam) riep weliswaar van de daken dat god niet bestond (dat was natuurlijk niet juist dat moesten wij christenen verwerpen) maar andere dingen had hij zeer scherp gezien. Ook christenen had zijn leer veel te bieden… Daarna de bekende dingen: de mens die zichzelf koos – le choix originel – onder de blikken van de anderen – le regard – die vol kwade trouw kon zijn – la mauvaise foi – die geworpen was tussen de dingen in deze wereld die hij zelf niet gekozen had die voor zichzelf bestond, en tegelijk ook voor de anderen bestond…

‘Zonder god,’ zei deze Sartre. ‘Maar dat konden wij christenen niet erkennen en aanvaarden’… enzovoort enzovoort. Ik weet het niet allemaal meer, en het is dertig jaar geleden dat ik L’être et le néant ingekeken heb. (Een belangrijk boek overigens, dat nog niet lijdt aan het megalomane, opgeblazen karakter dat het latere werk van Sartre ongenietbaar maakt – Een boek dat in mijn nabeeld niets van zijn allure verloren heeft.

In de voorste bank – gelukkig in de voorste bank – iets opzij van de leraar (op een plek zo dicht mogelijk bij de deur, waar ik al maanden eerder, vanwege mijn onmogelijke en horzelachtige gedrag geplaatst was, zodat ik onmiddellijk uit de klas verwijderd kon worden) hoorde ik het allemaal aan: verstard, alsof ik me met handen en voeten moest schrap zetten, moest vastklampen aan al die dingen waar ik tussen zat – die bank, dat licht, deze ruimte, dit lokal -. Waarom? Waarvoor? – alsof ik weg zou waaien alsof ik zou verglijden, zou verdwijnen. Ik weet niet wat. Een bal van licht – een beter woord weet ik niet – was ergens ter hoogte van mijn middenrif in mijn maag ontstaan: iets adembenemends dat opsteeg en zwol in mijn keel en mijn borst. Dit was het dus! Dit had ik gezien en steeds gevoeld, het angstvallig voor me houdend – als een melaatse, een mismaakte mezelf bedekkend met geroep, met gelach, met dwarsige handelingen – vooral die -: want, als er maar gelach en plezier bij anderen was – of ergernis, of wrok (en niets onbestemds was daarin) – dan kon het geen kans krijgen: het bevreemde staren de reusachtige spiegeling die de anderen waren als antwoord op mijn eigen bevreemding (bevreemding omdat niets meer klopte, niets meer paste, elke vanzelfsprekendheid uit de dingen verdwenen was). De onbestrijdbare schuwheid die ik steeds meer voelde (in mijn ogen moest het te zien zijn) en waartegen niets hielp, behalve schreeuwen, lachen, (iets anders bedenken kon ik niet). Want zeker was het dan dat ze uitsluitend handelingen zagen – mijzelf zagen ze niet. Blijvend was de onwennigheid.
Het was maar gelukkig dat ik helemaal vooraan zat, en al maanden in mijn eentje – een soort quarantaine omdat ik anderen te veel afleidde met praatjes en grappen, of aan het schrikken bracht, door harde onverwachte schreeuwen en schokkerig half uit mijn bank vallen in niet helemaal ongeslaagde pogingen epileptische aanvallen te imiteren. Raar was ik, gek, een type met wie je wel kon lachen, maar die toch vooral eigenaardig was. Ook tussen deze dertien-, veertienjarigen, die mijn klasgenoten waren (en aan wie ik voorgaf bijna vijftien te zijn, om het niet nog erger te maken, terwijl ik al maanden zestien was), was ik eigenlijk een uitgestotene, een paria, met dat opzichtige gedrag, dat geschreeuw en gedoe. Geschreeuw en gedoe dat soms plotseling, zonder dat daar een aanleiding voor leek te zijn – ik had geen idee waardoor het kwam: iets was op, was leeg, ik kon niets meer vinden – stilviel, verstroefde naar houterigheid en beklemde, half verontschuldigende verlegenheid (een verlegenheid waardoor ik hun kant niet meer uit durfde te kijken: want helemaal ‘open’ lag ik voor ik wist niet wat – hun meningen, hun blikken – door de weke vormbaarheid die zich in mij uitstrekte). Ontoonbaar was ik, nu ik geen houding meer kon vinden, en niet meer wist waar ik met mezelf blijven moest tussen die kinderen, die klasgenoten die, als door een geboorterecht, zomaar gewoon zichzelf waren, en bij wie elk gedrag, elke glimlach, elk woord, als vanzelf van het een naar het ander voortvloeide, soepel als water. Alleen harder schreeuwen hielp dan nog, ze overbluffen, ze verbazen.
Maar waarom eigenlijk? Om door hun verbaasde gelach, hun ergernis over wat ik deed – en zulke gevoelens waren ‘zeker’, niets dubbelzinnigs was daarin – dat andere voor te zijn. In hun ogen bijvoorbeeld, als die plotseling de mijne troffen terwijl ze zomaar wat lachten en praatten. En verweg in die ogen zag ik iets dat er ook was – iets dat geen vorm, geen naam bezat en dat uit stilte bestond: een stilte, een soort onbeweeglijkheid en afstand die zich uitstrekte achter hun lachjes – zodat ikzelf ook stil en onbeweeglijk werd (want wat viel er nog te zeggen of te doen, behalve wegkijken en zwijgen nu ik dit gezien had, en wist dat zij het ook gezien hadden, en wist dat die stilte, die verre onbeweeglijkheid, ook in mij bestond. Niets kon daar tegenop). Al die praatjes: het was maar schijn, het was sier, want in de diepte roerde zich niets – of was dat alleen bij mij zo. Schreeuwen, lachen moest je ze verbluffen, zodat ‘het’ geen kans kreeg. Want iets als dit mocht niet bestaan: dan kon je nooit meer met iemand praten of naar iemand kijken.
Maar het was er steeds nu ik het eenmaal opgemerkt had. Het moest door mijn onechtheid, mijn vreemdheid komen, door de valsheid van wie ik was. Want ik zag ze samen, en alles wat ze deden was argeloos: alsof wat ik dacht niet waar kon zijn.
En toch. En toch… Want wat waren dan die kleine beweginkjes die ik zag, die speciale houdinkjes die ze aannamen terwijl ze met elkaar praatten, vanwaar dat onverwachte afwenden, dat onnodige zwijgen, de mondjes die ze trokken, die oogstand…? Poses waren het, plannen hadden ze met zichzelf en met anderen… Maar geen stroefheid of bevreemding was te zien. Ze vielen samen met wat ze deden. Terwijl ik… Niets van wat zij leken te voelen, voelde ik: alleen chaos was er, verwarring geen gedrag sprak vanzelf, geen houding was gewoon. Lachen, glimlachen, boosheid, verdriet, vrolijkheid of zelfs zomaar wat kijken, of praten, of lopen: niets vanzelfsprekends was er in overgebleven. Steeds opnieuw moest alles wat ik deed berekend en bedacht worden: haast of ik telkens een knop omdraaide in mezelf, en mikte en zocht (want elk gedrag was toeval, willekeur was elke houding: je kon net zo goed heel anders doen – en dan je gezicht nog, en je woorden…).

Het moest wel een ziekte zijn dat ik zo was geworden. Alleen zenuwachtigheid voelde ik, doffe beklemming over iets dat weggleed uit mijn leven, dat vergruizelde, zonder dat ik precies kon zeggen wat het was. En ook geen gevoel van hoop meer, of verwachting over een toekomst: over ouder worden volwassen worden en als vanzelf veranderen – dat uitzicht was verdwenen. Want wat moest ik worden? Wat moest er van me terechtkomen nu ik niets meer kon en niets meer begreep. Net zo worden als die volwassenen!?… Het was onvoorstelbaar.
En iets tegen anderen te zeggen, of met ze uit te wisselen had ik ook al niet – ja, over zeilen en zeilboten, maar dat interesseerde niemand of meiden, drank en cafés. (Maar meiden… dat lukte niet meer, dat was alleen nog maar bluf en geschreeuw – en was het ooit echt gelukt, behalve ze klemrijden, of ze tegenhouden en in een portiek proberen te trekken?… Met afschuw en schrik keken ze naar me: huiverend van de vreemde onaantrekkelijke lawaaiigheid – als ik maar bij ze uit de buurt bleef, want huu…!) En hoe gewoon was alles niet geweest, zo kort geleden nog, toen ik nog van niets wist en niets merkte, en alles zich voegde naar wat ik deed of zei. Maar er was geen weg terug, wat ik ook deed. En drinken?… In cafés kwam ik niet nu ik elke avond om acht uur naar bed ging en me, voor wat dan ook, te moe, te lusteloos voelde. En eigenlijk was het een opluchting dat het niet meer kon. Poses en grootspraak was al mijn gepraat, gebluf, schreeuwen over de stilte heen.

‘Ieder mens is alleen,’ zei de leraar, ‘is geworpen in een wereld die hij niet gekozen heeft. Is een vreemde onder de blik van de anderen, die hem ook tot een vreemde voor zichzelf maakt. (Wij christenen aanvaarden dat niet omdat Jezus door zijn lijden en sterven ons met alle mensen verzoend heeft… Maar toch… En ook aanvaarden wij “zijn tot de dood” niet, – zoals Sartre zegt – want god heeft door zijn zoon ons het eeuwige leven beloofd. Hoewel…) En wij kiezen onszelf in een wereld die ons vreemd is – leert Sartre – onder de blik van de anderen – le regard -, die voor ons altijd vreemden zullen zijn. Want ieder mens is onbereikbaar voor de anderen, blijft een vreemde, ook al is het je vriend, of vriendin, of je vrouw, of je kind blijft een mens die zijn eigen keuzen maakt om zichzelf te zijn – le choix originel – los van de anderen, en eigenlijk tegen die anderen…’
Iets als een soort kokhalzen deed zich voor – andere woorden weet ik niet -, een opstoten, een opduwen ergens uit de diepte van mijn lichaam naar mijn hals en mijn keel waar mijn adem vastzat, en ook met kleine hijgerige stootjes steeds verder omhoog geduwd werd.
Dít was het dus! En een melaatse had ik me gevoeld, een mismaakte – want niemand had zoiets: die ziekte, waardoor geen ding meer echt was. Als los zand was alles geworden – terwijl voor iedereen alles vanzelf sprak, alles gewoon was: geen gedachte besteedden ze er aan – gewoon, vanzelf. En ik, ik zag ook bij hen alleen de onderkant, de achterkant bij alles wat ze deden – ik zag poses, houdingen, plannen berekening zag ik valsheid – net als bij mezelf. Ik zag alleen hun gepruts en gescharrel, het geschuif met hun gevoelens, hun waakzame blikken: niets van dat alles ontging me. Ik zag dingen die niet waar konden zijn! Die alleen voor mij golden!
Maar zo was het dus wél. Bewonderenswaardige figuren, grote denkers hadden dit soort gedachten ook: iemand als deze Sartre bijvoorbeeld. ‘Gedachten die door iedereen bewonderd werden,’ zei de leraar.
Opeens ook tranen. Maar ik zat hier gelukkig vooraan, voor iedereen onzichtbaar. En juist deze plaats was prachtig en goed. De gescheidenheid van mijn klasgenoten die dit allemaal maar wat aanhoorden (de laatste les voor de vakantie) en die niets herkenden of begrepen (zomaar wat voorlezen van de leraar Frans): deze gescheidenheid was een teken – zo anders, zoveel bijzonderder was ik. En ook die tranen waren een teken: bewonderenswaardig waren ze – net als dat schokkerige hijgen, die haast pijnlijke benauwdheid. Zulke gevoelens hadden zij niet – zij die van niets wisten. En ook dat was prachtig en mooi en van een grote droevige volheid. Want zo waren de dingen! Zo was het leven!: zo gebroken zo moeizaam zo alleen. Wat had ik gezocht en me uitgeput, me angstvallig verbergend – zo was het dus! dit was het!
Op hetzelfde moment wist ik het al: ik zou ook filosoof worden. Meteen uit school zou ik naar een bibliotheek gaan om deze boeken te lenen – misschien direct al na deze les. Want wat had ik nog op deze school te zoeken de laatste dagen voor de vakantie, nu ik ook hier verwijderd was.

In het Nederlands vertaalde filosofische werken van Sartre waren niet te krijgen in de bibliotheek waarvan ik speciaal lid was geworden teneinde deze boeken te kunnen lenen. (Aan boekhandels dacht ik zelfs niet. In dat soort zaken kwam ik nooit meer nadat ik alle boeken van de Bob Evers-serie gekocht had). Alleen Sartres romans waren vertaald.
Maar romans las ik niet – en natuurlijk al helemaal geen romans van Sartre nu het me om zijn filosofie, zijn leer ging. Daar had je geen verhalen bij nodig (trouwens dat gezeur in romans over hoofdfiguren die een sigaret opstaken of een eindje gingen wandelen: dat hield maar op – of beschrijvingen van de omgeving, of hun kleren, het weer. Dat soort dingen, daar had je niets aan). Om verklaringen en analyses ging het: beschrijvingen van ‘de eenzame mens’ die ‘geworpen’ was de vreemde die iedereen was door ‘de blik’ – (En nog andere zaken, waarvan ik nu nog geen beeld had maar die even verbluffend en tegelijk bevrijdend zouden zijn.) Nee, geen verhalen, geen romans of ze moesten daarover gaan.

Maar het fragment van Sartres verhaal Le Mur (uit de bundel met de gelijknamige titel), dat de leraar later voorgelezen had (na zijn lange inleiding was er nog maar weinig tijd om voor te lezen over geweest: alleen een stukje, een fragment van het verhaal, was nog mogelijk. Maar hij zou natuurlijk in de pauze kunnen doorgaan, zodat we het hele verhaal toch nog konden horen… Niemand had dat gewild): dat fragment imponeerde me nauwelijks, was eigenlijk een grote teleurstelling na al die ongelooflijke zinnen en woorden die een openbaring, een bevrijding geweest waren. Nee, geen romans of verhalen van Sartre, daar schoot je niets mee op. Zijn studies zou ik lezen, zijn filosofische werk: boeken waarin hij rechtuit zei wat hij bedoelde.

Maar twee klassen middelbare school (al had ik dan drie keer de tweede klas gedaan) met steeds een vier of een vijf voor Frans, waren een slechte voorbereiding om L’être et le néant te lezen: een boek dat ik tenslotte, nadat mij verzekerd was dat dit zijn belangrijkste studie was – ‘het hoofdwerk van zijn filosofie’ -, uit de bibliotheek meegenomen had. (Er waren ook boeken van filosoferende theologen over Sartre – die leraar was blijkbaar de enige christen niet. Maar zulke boeken waren tweedehands dat was niet de echte bron: die boeken moest ik niet hebben, – Verkuyl, meen ik mij te herinneren, en natuurlijk die eeuwige Van Peursen: niet weg te slaan bij welke denker ook – maar steeds met veel kritiek en grote bezwaren. Waarom schreef hij zelf geen boek, vroeg ik me later wel eens af: een boek waarin hij elke mogelijke kritiek, elk bezwaar, voor was. Helemaal helder was het me ook toen nog niet.)
Omringd door woordenboeken zat ik een groot deel van de zomer – alleen af en toe een dagje zeilend als ik de moed vrijwel opgaf – op de bank in de huiskamer (een prachtige zomer zonnig weer veelbelovende, niet te harde, niet te zachte windvlagen – voortreffelijk zeilweer! – waardoor de halfdichtgeschoven vitrages aan de ramen achter mij verlokkend bolden en bewogen – op een eigenaardige manier verlatenheid en iets als ontheemding uitdrukkend. Of is het alleen aan het koppige, volhardende binnenzitten te danken dat ik deze herinnering heb).
Maar ook in L’être et le néant vond ik weinig terug van de wonderbaarlijke verklaringen en beschouwingen die ik, na de woorden van de leraar Frans, verwacht had. Het meeste dat ik las was onbegrijpelijk en kwam mij ook willekeurig en eigenlijk volstrekt toevallig voor. Want waarom?: ‘De vriend die ik in de verte zie is dichterbij dan de straatstenen waarop ik loop’ (een zin die ik eigenlijk nog steeds niet begrijp, althans niet in zijn absoluutheid) – Het kon net zo goed andersom: wel verweg. Of nog iets anders: dichterbij maar toch ook weer niet enz. enz. – Het ‘zijnde van het zijn’ – le trou – le choix originel -: het kon waar zijn, het kon ook niet waar zijn. Het kwam me vooral irrelevant en onbelangrijk voor. ‘De wortel van de kastanjeboom, die in zichzelf bestaat’… Jazeker, ik kende die bevreemding wel, die duizeling haast, waarin je naar iets keek – het was bekend -: de sprong uit jezelf, die er dan soms zomaar was, in dat andere, in dat onbeweeglijke roerloze aanwezig-zijn – ik kende het heel goed (misschien veroorzaakte dat de zenuwachtigheid, de warrigheid die ik steeds voelde). Maar werkelijk belang had ook dat niet. Want waar ging het echt om? Om hoe je moest leven ging het, en hoe je jezelf moest worden. Dat was de zaak.
Maar wat hield ‘jezelf zijn’ in, als het waar was wat ik voelde en zag en wat Sartre beweerde? Dan bestond dat niet, dan was dat allemaal maar schijn. En ook: hoe was het mogelijk dat iedereen ondanks dat alles wel ‘zichzelf’ was: in ieder geval, ‘gewoon’, ‘moeiteloos’ zonder dat wringen en trekken en de hulpeloze verwarring die ik steeds voelde. Welke zwenking, welke wending brachten ze in zichzelf aan, waardoor dat zo was (of eigenlijk: zo bleef. Want ook ik had alles gewoon gevonden – vroeger eerder). Hoe konden ze dat wat ze zagen, wat ze merkten, wat ze voelden, negeren, niet écht merken. (Maar misschien merkten ze het ook niet echt.) Er moest iets als een vast punt bestaan, ergens in jezelf, of ergens in de wereld, stelde ik mij voor, en als je dat eenmaal gevonden had kwam al het andere vanzelf: als een olievlek, die zich uitbreidde vanuit een centrum. Er moest zoiets zijn, want vanuit een grote zekerheid bestonden de anderen. (Of vergiste ik me. Leek het maar zo. Waren ook zij achter het scherm, de pantsering van hun gedrag, net zo: waren ze als water, als zand waarin geen vorm te ontdekken was?) Was het de daad, de handeling die deze zekerheid gaf – zoals Sartre beweerde -: omdat je dan door de intensiteit van de handeling al dat andere niet meer opmerkte – was dat die echtheid? Of was het nog iets anders: was het dit ‘zien’ zélf waarom het ging, dit alles opmerken, en moest je je nog verder weg, ver daarachter terugtrekken, achter gedragingen en gevoelens, omdat die ook maar een verschijnsel waren, iets als een soort tussenstof tussen jou en anderen – wel ‘echt’, maar niet als jezelf -, en zat de echtheid juist in het gebrúiken en hantéren van deze gedragingen en gevoelens en in de kennis ervan, niet in de gevoelens zelf, en moest je, als het ware vanuit een centrale regie – een koele observerende instantie diep in jezelf weggezonken, die onbetrokken bleef – handelen en je gedragen en tegelijk alles zien, en daarover denken – of schrijven, zoals Sartre – waardoor het haast was of je persoonlijk elk ding, alles wat je zag en wist, zijn plaats gaf oppermachtig beheerste en eigenlijk naar je hand zette. Misschien was dat zekerheid en jezelf-zijn. Want alles begreep en wist je dan niets kon je nog verrassen – ook anderen niet. Misschien, misschien… Zeker was het niet. Maar dan, als je je zover terugtrok achter wat je toonde en uitte, zou je nooit iemand zijn tussen andere mensen, tenminste niet echt. Dan zou je altijd eenzaam zijn.
Maar wat ik ook las zelfs bij Sartre vond ik niets over dit soort dingen.

Toen ik op bladzijde achtenveertig van L’être et le néant (ik wil er af zijn het kan ook negenenveertig of vijftig geweest zijn) las: ‘dat Paul, Paul niet is, maar het zijnde van Paul wel, maar ook het existerende van Paul voor zichzelf niet, maar in de ogen van de anderen een vreemde, die Paul voor zichzelf is en daardoor zichzelf…’ (ik doe hier Sartre onrecht, – ik schrijf maar wat: maar zo kwam het toen op mij over) enzovoort, enzovoort, gaf ik de moed op. Dit was het toch ook niet. Zulke praatjes…, en dan ook nog bijna niet te begrijpen! En zin hadden ze volgens mij ook niet. (Het was even belangrijk, vertelde ik aan een vriend, als het briefje voor de melkboer.) Dan kon je maar beter gaan zeilen… En psychologie! Ik had inmiddels de psychologie ontdekt (een woord dat ik tot kort daarvoor niet kende en dat ik, als ik niet oppaste als spychologie uitsprak). Psychologie dat ging tenminste over echte feiten en echte mensen: dingen die je herkende en die er werkelijk toe deden (onnozele die ik was. Psychologie!: echte mensen echte feiten het leven…), niet zoals dit rare onbegrijpelijke gepraat – ingewikkeld doen over eigenlijk niets – dat ik steeds bij Sartre las. Filosoof worden was het dus niet, dat bleek nu al. Die Sartre las ik niet meer!
Hoewel het wel vreemd prikkelend en spannend was geweest om in zijn boeken bij elke zin opnieuw uit te zoeken wat hij eigenlijk bedoelde. Opmerkelijke en bijna niet te benoemen dingen waren dat soms geweest – al lagen ze tegelijk ook voor de hand als je er eenmaal achter was wat hij bedoelde. Maar praktisch nut, zin, had al dat gedoe niet. Nee, die Sartre keek ik niet meer in. Ik had inmiddels ook Nietzsche ontdekt en Kant – al gold voor Kant eigenlijk hetzelfde.
Maar psycholoog worden! Dat was tenminste iets. Dat had zakelijk nut: daar kon je iets mee. Hoewel ik dan natuurlijk verplicht was eerst de middelbare school te halen. Het zou het beste zijn als ik een spoedcursus volgde. En dan in twee jaar – of als ik heel erg mijn best deed in één jaar… Dan was ik pas zeventien of achttien. Op zo’n leeftijd was het nog niet te laat…

Er was iets vreemds gebeurd, eigenlijk iets als een wonder. Want al schoot je met Sartre niets op, en bleek alles wat ik van hem las een grote teleurstelling, een merkwaardige omslag had zich voorgedaan: een soort binnenstebuiten keren van wie ik geweest was tot dan toe (eigenlijk al aangevangen op het moment dat de leraar vertelde over Sartre, en later toen ik thuis zat met woordenboeken en naslagwerken ((want termen en begrippen kende ik natuurlijk ook niet)) op de bank in de bedompte warme huiskamer, de gordijnen half dicht): het afnemen van een soort innerlijke kramp, een verstarring in de holte die mijn innerlijk was, en waar zich niets bevond behalve warrigheid, verbijstering, koortsachtig duizelen (en: angst!, angst!, schuwheid, wanhoop. Want dit kwam nooit weer goed. Een ziekte had ik, een afwijking – en ik wist niet waar te beginnen om me te vermommen, me te verbergen. Schreeuwen? Grappen?… Als een gek deed ik.) Maar dat was helemaal niet nodig geweest (in De opdracht heb ik, enigszins verschoven, dit gevoel van opluchting, van openbaring haast, beschreven), want belangrijke mensen schreven juist hierover. En ik wist er ook alles van, zomaar uit mezelf. Want over mij ging alles wat zij schreven. Ik hoefde maar na te denken over wat ik voelde – en meteen dacht ik net als zij. (En als ik wat ik dacht tegen volwassenen zei, vonden ze het allemaal heel belangwekkend, zeer bijzonder, de moeite waard om naar te luisteren – en daarbij dan ook nog op die speciale manier te knikken als ze dan deden, en peinzend in de verte te kijken.) Als ik even nadacht wist ik alles van Sartre, of Kant, of Freud, of Jung. En Nietzsche…: precies wat ik zelf altijd al gedacht had. ‘Als je in de afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook in jou.’ En als ik iets van ze las…: de stroom van gedachten en beelden die in me los kwam bij de eerste zin al. Ik hoefde ze niet eens te lezen. Alleen af en toe een woord, een begrip dat ik nodig had om anderen te overbluffen. Want slim praten kon ik ook – dat had ik wel geleerd door voor te geven dat ik nog geen vijftien was (terwijl ik al maanden zestien was) naar de hoeren ging naar cafés dronken een vriendin vriendinnen – heel gewoon was ik net als zij – zelfs een beetje grof, een beetje onverschillig, en ruig, en daardoor eigenlijk vooral bewonderenswaardig (met drank en vrouwen in cafés!).
Wat had ik me vergist en mezelf bang gemaakt. Alles wat iedereen om me heen voorgaf te voelen of te denken – of wat ze zeiden over anderen of de wereld – was maar praat, waren maar woorden en loze slagen in de lucht. En angstvallig had ik hun meningen bewaakt, hun woorden, hun ideeën. Maar het was niets. Want als iedereen net zo was als ik – en dat bleek nu – hadden ze allemaal diezelfde gevoelens – ook al was daar geen teken van. Ze zeiden dingen omdat anderen het ook zeiden: echt voelen of menen deden ze het nooit. En eigenlijk was het nog anders: ze wisten niet eens dat ze het niet meenden of voelden of dachten. Het was maar behang. Het waren afspraken namen en begrippen die al bestonden, die ze als het ware geërfd hadden en waarvan ze gebruik maakten als het zo uitkwam gelegenheidspraatjes: dan weer dit, dan weer dat – geen diepere grond was er voor. Alleen hun vitaliteit was echt, en meningen, ideeën vormden de bedding waarin die uitstroomde. En ik was er ingetrapt. Die heldere gevoelens, met namen die een heldere vaste inhoud hadden, bestonden niet die zekerheden over de wereld – hoe je moest doen, wat je moest zijn – het was onzin. Rommelig was alles, warrig. Je hele leven zou dat zo blijven. Grote denkers wisten dat en schreven juist daarover. Je hoefde niet alleen over hockey te praten, of sport, of over meiden en drank – en over wat je deed en durfde en wat anderen deden en durfden – of hard te lachen en iedereen aan het lachen te maken door gek te doen… Of liever, dat was niet het enige dat je kon doen. Want dit was er ook, dit was belangrijk. Mensen van waarde, serieuze belangrijke mensen praatten hierover – en ik nu ook. Psycholoog zou ik worden. Psychologie was praktisch, en vooral ook gewoon: simpele dingen over minderwaardigheidsgevoelens, verdringing of overcompensatie – Freud, Adler, Jung – en dan had je nog psychosen en neurosen – maar het waren als het er op aankwam alledaagse dingen, die ik ook stuk voor stuk in mezelf herkende. En vooral herkende bij anderen: op gewiekste wijze diagnoses stellend, of analyses gevend van hun karakter en handelingen (door het in korte tijd lezen van een overmaat aan case-histories kende ik alle feiten en alle uitvluchten) – analyses en diagnoses die iedereen verbaasden en imponeerden.
Zoiets was heel eenvoudig als het er op aankwam want eigenlijk leken alle mensen, als je een paar hoofdlijnen aanhield, sprekend op elkaar: altijd was er wel iets waars in wat je zei en als je daarna keek waarop ze reageerden, waar ze om zo te zeggen meegaven, kon je vanzelf verder gaan.
Dit was pas een manier om greep op anderen te krijgen. Nu was ik niet langer onzeker of bang: dat waren zij, terwijl ik ze analyseerde, ze aan zichzelf uitlegde. Geschokt waren ze, maar toch hongerig naar meer verbluft door alles wat ik wist en zei. En ik wist alles. Ik wist precies wat ze verborgen achter die joligheid en praatjes.
Een reusachtige voorsprong had ik op ze.

Er werd mij verteld dat mijn overgrootmoeder als geen ander bij toeval opengeslagen Bijbelteksten kon interpreteren, mijn grootvader kon aan zijn eksteroog en in de gedragingen van spreeuwen, mussen en reigers het weer voorspellen en mijn vader is een krak in getalanalyse. De waarzeggerij stroomt door mijn aderen, ik ben ermee opgegroeid en ze blijft zacht in mij zinderen: een paar zomers geleden heb ik van een Tunesische vrouw uit Sidi Bou Saïd de kunst van het koffielezen geleerd. Omdat ik wat in geldnood zit, heb ik besloten mijn waarzeggerij in praktijk om te zetten. Ik zal me beperken tot voorspellingen betreffende de literatuur en haar vele verschijningsvormen; aan de hand van de kleuren en vormen die zich in een kopje ontsluiten zal ik in haar binnenste kijken. Ik zal zwakke en pijnlijke plekken in haar zien en de toekomst van haar schrijvers en auteurs lezen.

De eerste Turkse koffie die ik bereidde mislukte; door een teveel aan water waarschijnlijk, misschien stond het vuur te hard, maar de koffie kookte over waardoor de blauwgele vlam sissend doofde. Ik belde mijn Tunesische leermeesteres en vroeg of dat iets te betekenen had. ‘Alle begin is moeilijk,’ zei ze, ‘en wees blij dat je een toekomst hebt, ook al geloof je er niet in.’ Daar kon ik niets tegenin brengen. Ze wees me er nog een keer op dat ik de koffie niet mocht laten doorkoken, dat het schuim anders verloren gaat en dat ik dat schuim nodig had. ‘En het is geen Turkse koffie, maar Tunesische koffie, met een dropje oranjebloesemwater.’

Ik zei dat ik geen oranjebloesemwater had. ‘Zonder is ook goed,’ zei ze wat geïrriteerd, ‘ en als je me nu wilt laten slapen, het is drie uur, yallah.’ Zij had er mij nochtans herhaaldelijk op gewezen dat de nacht de beste tijd was om het drab te lezen. Ik begon opnieuw, maar kreeg mijn vuur niet aan omdat de koffie over heel het gasbekken was uitgelopen. Ik streek een lucifer af en stak een ander bekken aan. Ik deed weer een kopje koud water in het kannetje, roerde er nog eens een half lepeltje koffie door en zette het kannetje terug op het vuur; er openbaarde zich een heel boek in de wolk schuim die uit het borrelende inktzwart opsteeg.

Toen de koffie klaar was, ging ik in kleermakerszit op de vloer zitten, dronk, zoals mijn meesteres me had opgedragen, de koffie langs één kant van het kopje, keerde het kopje vervolgens om boven het schoteltje en zette het erop. Daarna draaide ik het geheel drie keer met de wijzers van de klok mee boven mijn hoofd; daar ga ik van uit, ik was bekaf. Ik legde mijn trouwring op het omgekeerde bordje en wachtte. Door een plotse kramp strekte ik mijn linkerbeen waarbij ik het kopje omver stootte. Het licht in de gang ging aan; mijn vrouw.

Ik gebaarde dat ze het licht moest uitdoen terwijl ik het kopje met mijn hele lijf afschermde. Nadat we de drab in het kopje geobserveerd hadden, goot ik hem op het schoteltje. ‘Er is een overeenkomst tussen de vorm in het kopje en die op het schoteltje,’ zei mijn vrouw; ze had gelijk. ‘Precies een broek,’ zei ze. Ze had weer gelijk, in de donkerbruine drab stond inderdaad een broek te lezen. En een broek betekent: goed nieuws van iemand met blond haar!

Ik zag twee weken blonde mensen; op de fiets, in de supermarkt, in mijn dromen, maar niet een die me aansprak, tot mijn goede vriend Peter Terrin me telefoneerde. Hij had goed nieuws: ‘Valéria en ik gaan trouwen.’ ‘Eindelijk!’ riep ik met de gebalde vuist van een tennisser die een punt heeft gescoord, ‘yes, yes, yes!’

Wat kon ik na deze oefening anders doen dan volharden? Wie niet alle dagen vooruit gaat, gaat alle dagen achteruit; ja toch? Dus ben ik er volgende maand weer met meer drab en lettervoorspellingen. Wilt u weten wat het gespikkeld eitje van een kleine mantelmeeuw geschreven in de drab van de literaire koffie betekent? Heeft u een vraag in verband met literatuur in de nabije of verre toekomst: wie wint de Amsterdamsche Kiosk Onderneming Prijs, welke auteurs vertrekken naar de Bezige Bij, welke naar de eeuwige jachtvelden, wie stopt met recenseren, welke tijdschriften gaan over de kop, wie wordt in het Swahili vertaald, gaat Donna Tart nog een boek schrijven? Eén adres: Monsieur Qu’bah.

Wat moeten we herlezen uit veertig jaar De Revisor? Nicolaas Matsier, redacteur van 1976/1 tot 1980/3 en 1983/5 tot 1986/3, koos voor ‘het aantreden van Hedda Martens, met “Gegevens”, in IV/3′. Dat debuutverhaal uit 1977 kunt u nu hier lezen. Meer werk van Martens (uit De Revisor en De Gids) is bij de DBNL te lezen.

*

Het moet nu een kleine drie jaar geleden begonnen zijn dat steeds meer zich buiten mijn medeweten om ging afspelen. Ontstaan was al voordat ik het vermoedde – voortging met groeien, een lichte vraag stelde, zich verwijderde, omwendde, iets riep. Toenam en afboog, terugkeerde, maar naliet mij in kennis te brengen.
Mijn vrienden leken onderling voldoende ingelicht of gaven althans geen enkel blijk van het tegendeel. Misschien kwam dat ook doordat zij elkaar al langer kenden en ik hier nog maar kort woonde; daarbij was in dit huis geen telefoon. Het scheen vanzelfsprekend genoeg dat zij er meer van wisten dan ik, en aangezien ik hier toch maar tijdelijk zou blijven, alleen om mijn studie af te maken, stelde ik veelomvattende werkschema’s op, liep een groot aantal colleges, en nam alle opgegeven artikelen met grote nauwgezetheid door. Recursie, deletie, insertie. De semantiek was het, die me op het behoedzame spoor van de logische analyse bracht.
Het was aanvankelijk zeker niet de opzet, me veel gelegen te laten liggen aan dergelijke wiskundige formules. Voor de studie was dat immers geen duidelijke vereiste. Evenmin was het een kwestie van ongeweten aanleg, want het kostte veel moeite en herhalingen; en om het nieuwe en onbekende ervan was het me al helemaal niet te doen. Binnen de tot dan toe bereikte grenzen lag al meer dan genoeg materiaal te wachten, en het ging er juist nu om dit met alle aandacht te bewerken, te verfijnen, karakter te geven, zodat welke omgrenzing dan ook overbodig werd – vanzelf zou mijn wereld herkenbaar zijn, vanzelf zou ik er blijven. Het was alleen nog maar zaak, de gegeven keuze afdoende te bestendigen.
Nee, er was geen sprake van opzet, aanleg of tijdverdrijf. Er was heus wel wat anders te doen. Maar wat gedaan werd was dit, iedere avond opnieuw, ongemerkte uren achtereen: gegeven, afleiding, waarheid, geldigheid. Soms was het allemaal zo duidelijk, dat iedere gevolgtrekking al onmiddellijk door de aanvangsformule heenkeek en bladzijde na bladzijde als water door mijn vingers gleed; andere avonden stokte het al op de eerste, dezelfde, pagina, bij de eerste letterformatie, het eerste verbindingsteken.
En, of, niet, als dan. Niet-A is waar als A is onwaar. Zo is dat afgesproken, dat is de betekenis van het connectief Niet. Maar hoe kom je te weten of A onwaar is? Zie je dat, zegt iemand je dat, is dat dan niet een heel ander soort waar? Verbindingstekens knopen de feiten in een net van afspraken aan elkaar. Dat veronderstelt dat ook de feiten zelf weer zijn samengesteld uit afspraken, anders is er geen houvast, en vallen ze massief door het net heen. Als dat heel wil blijven, moet er dus veel en veel meer afgesproken zijn. Maar de logica doet een keuze en kan dan ophouden waar ze wil door met gegevens te beginnen waar ze wil. Zo komt uit zichzelf een volmaakt evenwicht tot stand. En mijn goede avonden spelen daarmee als pingpong op een glazen tafelblad.
Soms echter kaatst het ineens te zwaar, te nadrukkelijk. Het symmetrische geluid krijgt een dichte traagheid en langzaam kruipt een scheur door het vlak, breed, ondoorzichtig.
Ik zit stil, de lucht suist. Hoe kwam dat. Wanneer, om welke reden werd de toon een andere.

Er zijn veel meer afspraken, ik weet niet precies welke, maar ik weet het heel zeker. Ik voel dat in het hoofd, een vermomd gevoel dat zich heimelijk op iets veel ergers toelegt. Het gaat niet om meer, meer van hetzelfde zoals gehoord, gezien of geleerd werd, maar het gaat erom dat er een kennis moet zijn die anders is – niet groter of veelzijdiger, maar anders, onbekend, en veel te dichtbij. Niemand heeft me er ooit over gesproken en ik neem aan dat ze daar hun redenen voor hebben. Wat me wel verteld werd en wat ik de laatste jaren bijna volmaakt leerde beheersen lijkt nu opeens een starre bezwering.
Gevaar. Er is een sterk, groeiend besef van gevaar.

Maar misschien was het nog mogelijk, de redenen van hun stilzwijgen te achterhalen. Misschien had ik me de afgelopen tijd teveel teruggetrokken; er konden vaste dagen van ontmoeting ingesteld worden met ieder van hen afzonderlijk, en het café waar ze in de weekends meestal samenkwamen was ook mij bekend. Ik verzond een aantal briefkaarten (er was nog steeds geen telefoon) en begon een zorgvuldige afsprakencyclus, waarvan de regelmaat en betrouwbaarheid hen zou overtuigen van een wederzijds bij elkaar horen. Natuurlijk immers zou ik ze niet in de steek laten, het was alleen zo druk nu met de studie, veel bijwerken en lezen en inhalen. Maar als ze me nodig hadden zou ik er zijn – ze hoefden alleen maar een kaartje te sturen, lastig dat er nog geen telefoon was, maar ik zou nu echt proberen er een te laten aanleggen. Ze konden van me op aan, daar ging het om.
Al die organisatie, op den duur al dagen van te voren berekend en vergezeld van een groot aantal mogelijke alternatieven, nam zoveel tijd in beslag dat er maar weinig aandacht over kon blijven voor het onbetrouwbare andere, dat zich elders afspeelde. Maar groeiend, sluipend stelde het zich op, verborgen, om soms opeens in een trage ontzetting achterlangs naar mijn hoofd te klimmen.
Doodstil zit ik star rechtop temidden van de drukke werkzaamheden die zojuist afgemaakt of zometeen te verrichten zijn, en kijk, kijk strak naar een willekeurig deel van de kamer, een voorwerp. Hoe het zich steeds scherper begint af te tekenen, zich lossnijdt uit zijn omtrekken, ineenduikt, kijkt – Een hoog, doordringend signaal trekt alle zintuigen samen. Traag kom ik overeind, de handen plat op het tafelblad, ogen vernauwd, en pal kijk ik terug.
Dit moet nu ophouden. Laat het nu ophouden. Nu.
Daarna is de kamer, versuft van inspanning, gevuld met een nevelige rust waarin mijn plaats ongeweten is opgegaan. Er is niemand hier, alleen een gedempte waarneming. Pas een eerste, trage gedachte zet zich terug op een stoel, richt de ogen, duwt de oren open. Morgen, hoe staat het met morgen. Zakboekje, kijken. Bibliotheek / 5H koffie GN / appels / gasman, fl 17,50 klrlgn. Ik leg 17 gulden 50 klaar.

Het werd steeds moeilijker bij te houden. Toen er telefoon kwam zette ik het geluid zo zacht dat ik het meestal niet hoorde, of anders zou mijn huisgenoot wel opnemen als die er was. De dagschema’s werden steeds strakker en gelijksoortiger, en om het nu overvolle programma te kunnen blijven handhaven was het niet mogelijk de anderen nog zo vaak te zien. Ook daar zeiden ze niets van, maar ik maakte veel kleine pakjes voor hen. Ze hoefden niet bang te zijn dat ik ze uit het oog zou verliezen. – Aan hen denken gaf soms een hevig gevoel van gemis.
Of misschien was er sprake van een algemener ontbreken. Het toenemende aantal punten op de agenda liet los van zijn achtergrond, en de afzonderlijke bezigheden, hoe dicht ze ook op elkaar aansloten, verloren aan continuïteit. Het tijdsverloop haperde, een gebeurtenis liet zich moeilijk met een voorafgaande verbinden en wees evenmin vooruit naar een komende, hoewel meestal ver voor het einde van iedere ontmoeting of bezigheid een volgende al vastgelegd werd. Vrijwel geheel zelfstandig veranderde tijd in berekening, wens in plicht, handeling in manipulatie. Binnenkort zouden wij elkaar volmaakt gehoorzamen. En op dat moment zouden hun gegevens ook mij bekend zijn; dan zou duidelijk worden wat ik vermoedde.
Maar zij waren me voor. De omgeving raakte steeds meer op haar hoede; wanneer ik op de bibliotheek zat te werken zagen ze iets aan mijn handschrift, de tijden waarop ik kwam en wegging waren bekend, en ook de kleren die ik droeg, de soort dropjes waarop ik zoog. Het werd onmogelijk nog kleine veranderingen aan te brengen die niet op zouden vallen. Het begon me te benauwen, maar thuisblijven kon ook niet, want daar waren steeds andere dingen te doen, er werd aan- en opgebeld, er liepen mensen langs het raam van de voorkamer. Verreweg het grootste deel van die onderbrekingen richtte zich niet eens op mij maar op mijn huisgenoot, en misschien was het ook beter voor hem als ik me daar wat meer buiten zou houden. Elders zou ik een kleine zolderkamer kunnen krijgen waar al een tafel, een bed en twee verstelbare armstoelen stonden. Het trapgat kon met lappen afgeschermd worden, zodat mijn inwoning niemand van de beneden buren hoefde te hinderen.
Er was daar geen telefoon, en het adres wilde ik liever niet prijsgeven, hoewel dat misschien wel onaardig aandeed. Maar weer werd er niets van gezegd; aarzelend keken hun ogen over mijn gezicht wanneer ik redenen opnoemde, en later, toen alleen mijn vroegere huisgenoot me nog eenmaal per week zag, bracht hij hun groeten over en soms een klein briefje of een cadeautje.

Ze koud als de dakkamer in de winter was, met een butagaskachel die vlak naast me bromde en gloeide, zo heet was het er in de zomer die daarop volgde. Hoewel voor het raam een dicht gehaakte sprei hing waardoor inkijken onmogelijk was, drong de zon toch naar binnen, zodat het nodig werd overdag een strook rietbehang over het gordijn heen te spelden. Het was nu de hele dag donker, wat prettig was, want zo kon ik bij lamplicht werken.
Naar de bibliotheek ging ik allang niet meer. De paar boodschappen die dagelijks gedaan moesten worden omdat alles in dit soort zomerwarmte bedierf werden zorgvuldig voorbereid. De winkels waren steeds dezelfde en vlak in de buurt, maar ik raakte vaak de weg kwijt en was dan steeds blij weer terug te zijn, drie steile trappen op, en de lappen om het trapgat toegesloten. Daar konden de bovenkleren weer uit, thuis liep ik, toen de hitte mijn grote grijze werktrui tenslotte onmogelijk maakte, in een kort ribkatoenen hemd en een blauw broekje; dikke haarkrullen prikten warm in mijn nek. Uitpakken melk, wortels, tartaar. Het viel niet mee voedsel naar binnen te krijgen. Dat kostte veel overreding en een nauwlettend berekenen hoeveel waarvan, vooral wanneer het om algemeen aantrekkelijke dingen ging, die ik dan ook op den duur maar niet meer in huis haalde.
Het leek noodzakelijk zo dun mogelijk te zijn, zo min mogelijk plaats in te nemen. Niet te zwaar te worden voor het web van verbindingsdraden dat dagelijks fijner uitsplitste.

Voor het overige wordt iedere dag afzonderlijk opgebouwd uit werken, typen, studeren. Colleges krijgen me niet meer te zien, maar ik lees veel wijsgerige artikelen plus commentaren en doe mijn uiterste best ze via weerleggingen met elkaar in verhouding te brengen. Dat is vaak genoeg mogelijk; in veel gevallen blijkt het bij een meningsverschil in feite te gaan om een verschil in de vooronderstellingen. Waarschijnlijk weten zij dat zelf ook wel, maar laten ze het voor wat het is omdat er anders niets te bespreken zou zijn. Dit verbaast me wel. Andere artikelen brengen onderling verfijningen aan. Dat is interessant. Ook bedenk ik zelf heel veel, het komt in verschillend gekleurde schriften te staan. Ik begrijp telkens alles, maar de volgende gedachte lijkt steeds, elke dag sterker, het verlies van een voorafgaande teweeg te brengen. Soms blijf ik lang wakker om het niet opnieuw te vergeten.
‘s Avonds laat duw ik het raam open tegen het zware gordijnen ga met de grijze trui om me heen in het venster zitten, één voet steunt in de dakgoot. Beneden zijn achtertuintjes, de onderhuren zitten bij een waxinelichtje te praten. Het hoofd achterover tegen het raamkozijn kijk ik naar boven. Zwartblauwe hemel vol sterren, morgen dus weer aldoor zon. Maar nu niet. Nu is het donker en zoel. Van hieruit kan ik door het gordijn heen bij mezelf naar binnen kijken: lamp, tafel; schrift, glas water.
Omdat alleen ik degene ben die deze plek zo zien kan komt het uitsluitend door mij dat dit bestaat. Niemand anders weet ervan. Hiervan ben ik de enige voorwaarde.

Wanneer de vriendelijke hoofdbewoonster vertelt dat het huis aan iemand anders verkocht gaat worden geeft ze me een sleutel van haar eigen al half leeggehaalde appartement, waar ik gerust onder de douche mag, althans voor de tijd dat het duren gaat. Ik heb, zegt ze, nog zeker een paar weken.
Het is heel warm die dag, in haar keuken doe ik de was, hemd, broekje en haren. Voor zolang in een witte onderjurk met bandjes, schone krullen van wol op mijn hoofd, loop ik op mijn tenen over de brede, lichte parketvloer van haar appartement: dozen, kisten met kleden erover, een lege boekenkast waar een grote, kale spiegel tegenaan staat. Ik ga er langs, sta stil. Ik loop terug, zak door mijn knieën. Hurk tot mijn hielen, gebogen tenen zetten zich schrap. Handen plaatsen zich wijd uiteen tegen het blinkende vlak. Scherp valt het zonlicht door de lege ramen naar binnen en slaat tegen de witte gestalte voor me, werpt een net om dichte haren, vernauwt de ogen tot strakke zwarte knoppen.
– De toon van het signaal klimt hoger. Razendsnel buk ik voorover en de handen duwen terug, drukken onhoudbaar uit alle macht, tot de slag weerklinkt waarmee het beeld in stukken knapt.
Wanneer ik mijn linkerpols grijp springt de hand raar op en neer in willekeurige krampen. Het doet weinig pijn, ik kijk ernaar, het bloed fonkelt in de zon en de vingers staan vreemd stijf.
Onderin het huis slaat plotseling een deur, de benedenburen komen de trap op. Ik schiet overeind, ze mogen niet binnen kunnen. Een felle scheut door mijn arm. De kamer draait, mijn hoofd, overal geluid. Er zal geen tijd zijn om hen nog tegen te houden.

Ze willen nooit alleen naar de feiten kijken; steeds zoeken ze naar een voorafgaande oorzaak, en als die bij een dader uitkomt staan ze stil, doen een stap terug zodat de zon recht in zijn gezicht schijnt, en vragen naar verdere oorzaken, zijn redenen. Er is weinig verschil, alleen is het licht feller. Ik zeg: als glas valt, dan breekt het. Ik zeg: als een scherf een hand raakt, dan snijdt het, als het snijdt, dan bloedt het, en dat maakt vlekken op de witte onderjurk die aan moest om de andere kleren in de was te kunnen doen. Zo lijkt het misschien erger dan het is, maar het geeft niet, zeg ik, en dat ik het zelf zal opruimen. Dat ik graag zou willen dat ze hier nu weggingen. Of ze nu weg willen gaan.

Pas toen de afstand duidelijk begon toe te nemen, gingen de beweegredenen van de anderen een op zichzelf staand systeem vertonen en leek het denkbaar de eigen terugkeer in voorbereiding te nemen. In de buurt van mijn nieuwe adres was een tweedehands winkel waar ik een koperen broche kocht, en twee jurken van soepele, donkere stof die thuis smaller gemaakt of van randjes voorzien konden worden. Ook at ik ‘s avonds laat wel eens wat nagelkaas of honing, en zou er telefoon komen.

Er is steeds minder te vermoeden; mijn gegevens zijn nu bijna toereikend. Binnenkort zal ik een paar mensen gaan opzoeken, misschien zullen ze mijn jurken mooi vinden en me over van alles vertellen. Met een groot aantal van hun plannen zal ik instemmen.
Wat ik voor mijzelf te weten kwam heeft zich diep weggeborgen en is voor hen zonder herkenbare verwijzing. Hier is geen ander. Ik ben de enige.

Emma Crebolder (1942) is afkomstig uit Zeeuws-Vlaanderen, resulterend in sterke banden met Reinaert de Vos. Ze studeerde Duits in Utrecht, en na een verblijf in Tanzania Afrikaanse talen met als hoofdvak Swahili. Haar bundels staan vermeld op de website www.emmacrebolder.com. Vergeten (2010) en Vallen (2012) vormen de eerste twee delen van een drieluik, waarvan het derde luik in 2014 zal verschijnen. Momenteel woont zij in Maastricht. Dit zijn twee gedichten van haar hand.

*

Zeezout heb ik ingenomen
en watervruchten uitgepeld.
In zeewier ben ik verzonken
toen langszij kleine vissen
onverstoorbaar verder zwommen.
Vanuit mijn vooronder kan ik nu
eindelijk het verre bovenlicht begroeten.

Het versponzen begint al en vlinderslag
laat los. Slechts een tentakel soms
blijft nog zoeken naar mijn schacht.

*

Mijn gade slaapt op zijn rug, ik
word in vroegste pose neergelegd.

Zo ben ik terug bij wie mij
baarde. Ik blies tegen het nog
ongebroken vlies totdat ik
verdreven werd uit wolk en vocht.
Het was oorlog nog en ik vond twee
helmen op pas gedolven graven.
En ik leerde water dragen en hoe
ik mij tot de mens verhouden moest.

Lammert Voos is geboren 1962  te Eenrum, groeide op in Sneek.  Medio jaren tachtig was hij zanger/gitarist/componist en tekstschrijver van de band Umberto di Bosso é Compadres. Schrijft poëzie in Nederlands en Gronings en bracht drie dichtbundels en twee prozabundels uit, waarvan de laatste De terugkeer van het haringorakel genomineerd was voor de Grote Inktslaafliteratuurprijs 2013. Momenteel werkt hij aan een roman. Hij was van augustus 2011 tot augustus 2013 stadsdichter van Deventer.

*

Amphitrite’s theater

Witgekuifd is de straffe eeuwige ruis
van rollers, bodemhoop wier blaren
op geblakerde wangen, zilte traanstrepen,
het kielwater bruist in leegte.

Loom rollen golven rond waar boorden
waren, verslinden dek, omarmen lijken
van kameraden en stervensdrek, fluisteren
een lied van honger, dorst en dood.

Vaste landen onbereikbaar, mijn eiland
in de stilte, podium boven de branding,
nachtdemonen zuigen, zeuren, dreinen, trekken,
waren het maar minnen met zoete zang.

Zon, vriend van koulijders, onverdraaglijk,
ongenadig licht op mijn gezicht, gesprongen
lippen, schittert in opgehoopte kristallen,
weerkaatst, dooft ieder avond hoop.

Zout onder de kiel, in de zakken, doet gram
schrompelen, losweken de tijd, dorsten naar
een bewijs dat ik hier was, dat ik rauw
een stem had, die sprak vol betekenis.

Ruik hoe door en door rot, nat ook,
het hout, de bodem bezwijkt, ik langzaam
zink, volgezogen met water, verzadigd
van teen tot kale glimmende kruin.

Nu, die ene vinger aan het oppervlak,
vers voedsel voor stormvogels.

Inferno

verdommenis is oostenwind tochtend tussen
reumatische tenen, ijzige slagregens priemend
in mijn wangen, de dood in de gordijnen, een
harde meedogenloze matras, de spade die krombuigt
op de bevroren grond, een groeve half vol water

de onderwereld ligt hoog op een terp naast een kerk,
aanschouw daar ongemarkeerde babygraven, mijn
dementerende grootmoeder vastgebonden op bed,
drijvend in uitwerpselen, huilend en smekend om
diezelfde kinderen en de genade van God

in de hel is geen vuur en ik kan dat weten,
ik heb de duivel reeds tweemaal begraven en mijn
naam is voer voor snobs, dwepers, flagellanten
en narren, mijn naam is immers

Hannah van Wieringen schrijft toneel voor onder andere Toneelgroep Oostpool en debuteerde vorig jaar met de verhalenbundel De kermis van Gravezuid (De Harmonie). Haar poëziedebuut Hier kijken we naar wordt in 2014 verwacht.

*

Wat stenen niet weten

I

een hete stilte hangt over een vlakte
een kleine groep gebarsten mensen schept
vastbesloten voort onder een hard gele zon
leem in houten mallen in de luchtspiegelende
toekomst de verkoelende schaduw

II

aan een plein in een stad bekruipt een klimop
traag slingerend een muur een lichte wind raffelt
de blaadjes op als kippenvel een vrouw opent
een raam techno kaatst op
het ruisen van de u-bahn die in de verte over gleisdreieck glijdt
onweer nadert

III

tot waar je kijken kunt dampend water
niets kan het geweld uit het binnenste van de aarde
stelpen als aardplaten opspattend lava
voortbrengen en de ineengekrompen mensen op terpen
in ruines hun rillende kinderen bijeen houden

Het is een van die vanzelfsprekendheden, in het rijtje slapen, eten, drinken, luier verschonen, op de trein, de trein af, radio aan tijdens de afwas. Je vraagt je niet af waarom je het doet, je doet het, en het werkt goed. Maar de afgelopen maanden werd ik tot tweemaal toe, tijdens een sollicitatiegesprek en in de aanloop naar een artikel, gedwongen na te denken over waarom ik lees.

Nooit over nagedacht. Of althans, weleens begonnen erover na te denken en het toen laten liggen. Er was altijd een boek of een mens interessanter dan de filosofische vraag. Maar nu moest ik een antwoord formuleren. En toen las ik Stoner, een roman die ergens op een simplistische, romantische manier de vraag beantwoordt. En nu schrijf ik dit op: het persoonlijke, het verhalende, het wereldse, de plicht, de vlucht, het middel, het doel.

‘A constant change within himself’

Eerst maar dat citaat uit John Williams’ boek uit 1965, dat inmiddels een bestseller is geworden, en dat het leven beschrijft van een boerenzoon die gegrepen wordt door de literatuur, door de liefde, geraakt wordt door misverstanden en afwijkende karakters, maar consequent het goede blijft doen. Zijn levensloop heeft iets tragisch, hij wordt getroffen door omstandigheden buiten hem om, en zijn kijk op de wereld heeft iets binairs: de universiteit, kennis, lesgeven, dat is essentieel, de liefde voor zijn dochter, en later voor zijn minnares, die doen ertoe. Administratieve beslommeringen, ruzies, wereldoorlogen, ze schampen hem slechts. Williams benadrukt dat met de meteorologische omstandigheden: als het ertoe doet is het warm, of meestal koud. Hoe dan ook: Stoner wordt gegrepen door de literatuur.

‘As his mind engaged itself with its subject, as it grappled with the power of the literature he studied and tried to understand its nature, he was aware of a constant change within himself; and as he was aware of that, he moved outward from himself into the world which contained him, so that he knew that the poem of Milton’s that he read or the essay of Bacon’s or the drama of Ben Jonson’s changed the world which was its subject, and changed it because of its dependence upon it.’

Literatuur lezen verandert je, en verandert de wereld. Die vaststelling, die tot ernstige verslaving leidt, die kan ik beamen, maar niet begrijpen of beargumenteren, en Williams doet dat ook niet. Williams zegt waar het op staat. (Zie ook Marja Pruis daarover, ze heeft gelijk.) Nee, laten we eerst die andere vraag van een buitenstaander proberen te beantwoorden.

Want nog veel belangrijker: volgens mij is er meer dan de lezer en de wereld, volgens mij is het antwoord complexer. Hier volgt een poging, in bij benadering zeven antwoorden, hoe tijdelijk en onprecies en individueel ook. Alstublieft, gebruik het reactieformulier, vul aan, scherp aan, corrigeer.

Zeven antwoorden

  1. De aantrekkingskracht van Stoner valt misschien het persoonlijke te noemen. Dit antwoord op de vraag bestaat weer uit nieuwe vragen: herken ik mijzelf hierin? Hoe verhoud ik mij tot de hoofdpersoon? Vind ik hem aardig of niet? Vind ik mezelf dus aardig of niet? Ik heb identificatie altijd een wat oppervlakkige reden gevonden om literatuur te lezen (of, wat dat aangaat, film of tv-series te kijken, of persoonlijke journalistiek te lezen), maar ik kan moeilijk ontkennen dat ik depressief raakte van de gewelddadige, weinig empathische hoofdpersoon van Jamal Ouariachi’s roman Vertedering, me sullig voelde als Anton Valens’ hoofdpersoon in Het boek Ont en bij elke herlezing weer deel in de euforie van Nescio’s Titaantjes.
  2. Maar ik lees verhalen, niet personages, en het fascineert me hoe eenzelfde verhaal op verschillende manieren verteld kan worden. Manon Uphoff illustreerde dat uitstekend in haar nieuwste verhalenbundel De zoetheid van geweld met een moordgeschiedenis dat de vertelster van alle kanten bekijkt. Ze schrijft: ‘Wat is het toch met het verhaal? Met die nooit eindigende behoefte tot het vertellen, herschikken of in rangorde plaatsen van geschiedenissen? Die noodzaak om allerlei woorden in zinnen te plaatsen tot ze een geheel vormen dat ons allemaal transformeert tot tovenaars, zangers, profeten en alchemisten rond een vuur waarboven in een pot het verhaal borrelt, gist en suddert?’ Het is eenvoudig om het vertellersperspectief te veranderen in dat van de lezer, die drinkt uit de toverpot en telkens nieuwe smaken ontdekt.
    Ik schreef mijn scriptie over Aischylos’ Choeforoi en de Elektra‘s van Sofokles en Euripides, stukken waarin ruwweg hetzelfde gebeurt: de zoon komt terug om zijn vader te wreken door zijn moeder (die zijn vader dus vermoord had) te doden, en verruilt zijn slachtoffersnoodlot met dat van een dader. Er gebeurt hetzelfde, maar de uitwerking is anders: ze twijfelen, ze gaan in gesprek, in het vroegste stuk is alles zwaar en religieus, is het bijna kolderiek, dan weer bijna humanistisch. Door die vergelijking, door de verwijzingen, gaat goede literatuur altijd ook over literatuur zelf. Achter elke horizon ligt een nieuwe.
  3. En veel horizons bij elkaar maakt een wereld; het tweede motief dat we uit het Stoner-citaat (maar niet uit Stoner zelf, waarin de buitenwereld er maar bekaaid vanaf komt) kunnen destilleren is de verhouding tussen de werkelijkheid en literatuur. De werkelijkheid in de literatuur: klopt het wel, en is dit verhaal wel geloofwaardig? En de literatuur in de werkelijkheid: wat leert ons dit over onze wereld, over de maatschappij, over de geschiedenis? Goede boeken zijn ook een genuanceerde communicatievorm, die een essentieel deel is van de grote discussie over wie we zijn, waarom en hoe op deze plek op dit moment. Het zijn kunstwerken die in hun complexiteit en omvang de werkelijkheid benaderen en er dus ook iets over zeggen.
    Maar een goed boek gaat niet uitsluitend over iets. Wie spreekt van een roman ‘over lesgeven’, ‘over kanker’, ‘over stiefmoederschap’, versimpelt het boek, of spreekt over een simplistisch boek. Als een roman zonder nuance, en meer dan in het voorbijgaan, draait om één thema of aspect van de werkelijkheid, valt er veel aan de literaire waarde af te dingen. Laten we dan gewoon de krant bespreken.
  4. Maar eigenlijk doen zulke redenen me wat gekunsteld aan. Ik lees boeken omdat ik er nieuwsgierig naar ben, omdat auteurs me in hun vorige boeken hebben verrast of juist onverwacht teleurgesteld, maar vooral omdat het moet. Ik krijg een opdracht, en ik lees. Ik heb een deadline en een publiek, ik moet objectief zijn, of tenminste consequent. Dat klinkt zwaarder dan het is, want ik heb in het verleden menig auteur ontdekt omdat iemand anders bedacht heeft dat ik het moet lezen. Bij Recensieweb Bert Natter en Bart Koubaa bijvoorbeeld, bij mijn eerste stageplek Alstein, en via De Revisor kwam ik op Richard de Nooy en Rob Waumans. En is het zo afwijkend? Leesclubs werken ook zo, onder de pretentie van een gezellig samenzijn verplichten we elkaar enorme boeken te lezen. En gegeven boeken? Die lees je toch ook? Er gaat, ten slotte, een dwingende werking uit van boeken zelf om het uit te lezen. Al die verplichtingen voel ik, maar ze zijn vergeten zodra het boek goed blijkt.
  5. Vergetelheid, dat ook. Ja, we komen onszelf tegen in literatuur, en dat is een genoegen en een ongemak, maar we komen ook van onszelf af. Wie leest, drijft af. Het is een moment dat ik wel eens eerder heb proberen te beschrijven in deze blogreeks (bijvoorbeeld hier), dat die objectieve consequente lezer die iets moet vinden en wel hierom, dat die lezer opgaat in het verhaal en door minder aanwijsbare factoren (een zin! Een personage! Een gelijkenis met de werkelijkheid! Een beeld!) zijn eigen smaak gaat volgen. Dat is een paradoxaal genoegen voor iemand die graag begrijpt wat hij leest, en ook waarom hij doorleest.
  6. Literatuur lezen is dan ook vooral een manier om ergens te komen. Kennis, over jezelf, over de wereld, over de aard van literatuur. Verdiensten en status. Ontspanning. Lezen is voor mij zelfs een gezochte aanleiding om te schrijven. Je zult maar nergens verstand van hebben dan van boeken, luiers en de dienstregeling, en graag schrijven.
    Literatuur lezen is niet iets absoluuts, iets wat boven alles uitstijgt. Je kunt er een groot deel van je (beroeps)leven mee bezig zijn, maar het lezen zelf maakt niet gelukkig. Dat doet alles wat eruit volgt.
  7. Ook dat is een gekunstelde vaststelling. Literatuur lezen mag een middel zijn tot van alles en nog wat, maar op het moment dat dit boek uit is, wil je er direct een nieuwe mee aansteken. Lezen is een doel.

Naschrift: zo kun je het ook zeggen

Tijdens het schrijven van dit stuk vulde ik het Nationale Lezersonderzoekin. Dat is onderdeel van een onderzoek naar wat literair is, en wat we literair vinden. Aan de hand van vierhonderd titels waar ik hoogstens vijf procent gelezen had, en een paar extra motivatievragen, wordt de gewone lezer in het onderzoek betrokken. Daar stond het nog veel eenvoudiger, misschien nog eenvoudiger dan John Williams het vaststelde. Ik moest aangeven in welke mate het volgende voor mij gold:

  • Ik lees romans vooral tijdens de vakantie
  • Ik lees graag literatuur
  • Ik lees in verschillende romans tegelijkertijd
  • Het gaat mij vooral om het verhaal in de roman
  • Ik ga graag op zoek naar de diepere lagen van een roman
  • Ik lees graag romans die ik kan betrekken op mijn eigen leven
  • Ik lees romans om nieuwe werelden en onbekende tijdperken te leren kennen
  • De schrijfstijl is voor mij belangrijk in een boek
  • Ik hou van waargebeurde romans
  • Ik wil graag meegesleept worden door een roman
  • Ik hou van romans die gemakkelijk te lezen zijn
  • Ik denk graag na over de opbouw van een roman
  • De schrijfstijl in een roman is voor mij belangrijker dan het verhaal
  • Ik lees ’s avonds liever een boek dan dat ik televisie kijk
  • Ik lees romans om verstandelijk uitgedaagd te worden
  • Ik kies mijn boeken graag uit top 10-lijsten met de best verkochte boeken

Eenvoud schaadt. Ik las Stoner (bij schrijven nummer 8 in de bestseller-top 60) tijdens mijn vakantie, naast een aantal andere boeken, en op één van bovenstaande stellingen na kan ik ze onderschrijven. Echt waar.

Ik heb nooit in Engeland gelopen. Ik vermoed dat ik wat mis, en niet het slechte weer dat zelfs de grootste enthousiastelingen onder de terugkeerders blijven noemen. Niet de ontbijtjes, niet de bergen of de gastvrije bewoners, nee, het is die lichte waanzin die ik tegenkom in boeken met wandelingen daar. In Noorwegen kan het ook, lees Hermans, lees Venhuizen, maar Sebald, mijn uitgangspunt, de bodem onder mijn wandeldenken, maakt vooral Groot-Brittannië grijs en zwaar. Neem dus ook Sarah Halls post-apocalyptische roman The Carhullian Army. Of neem Bakker. Gerbrand Bakker, De omweg. Hij stuurt zijn hoofdpersoon ernaartoe om niet meer terug te komen. En om te wandelen, korte stukjes, verdicht door observaties, introspectie, twijfel – de gedachten gaan sneller dan de voetstap. (Plus: of Margriet de Moor een Sebaldverhaal schreef.)

Een sprint in het varenveld

Laten we bij een andere tekst van Bakker beginnen, een verwante, die bestaat uit een wandeling. In het eerste halfjaarboek van 2011 (nog te koop, stuur een mailtje, dan versturen wij hem met factuur) verscheen zijn kort verhaal ‘De leeuwerik’. Het begint zo:

‘De man liep op een kale, vlakke heuvel, in een onafzienbaar varenveld. Het pad voor hem was zichtbaar tot waar het iets begon te slingeren. De dagen ervoor had hij elke dag in een ander landschap gelopen. Bos, weilanden met bomen, mijlen langs de oever van een rivier. Hij was alleen. Dat gaf niet.’

We hebben het landschap, de route, en de wandelaar. Maar Bakker kiest ervoor om dat te vertellen in verschietende, contrasterende zinnen.
Hij verlegt de focus: de man, het pad, de dagen ervoor, bos etcetera, hij, dat.
Hij speelt met perspectief, lijkt even met de wandelaar mee te gaan, zijn ogen (‘onafzienbaar’, ‘zichtbaar’) te gebruiken, zijn herinnering (‘de dagen ervoor’), maar de laatste twee zinnen van dit fragment zijn kale vaststellingen.
Hij vervreemdt in die laatste zin een gevoel. Je kan het misschien niet erg vinden om alleen te lopen, misschien zelfs prettig, maar Bakkers antwoord op de ongestelde vraag is er een alsof je een verontschuldiging wegwuift.
Hij varieert met werkwoorden en tijden van een onvoltooid verleden naar een voltooid verleden tijd, dan een persoonsvormloze zin, en dan twee keer korte persoonsvormen. Geen voegwoorden, geen hoewel, geen maar.

Je kunt je voorstellen dat de sebaldiaanse versie met een hoewel was begonnen, en dat de vier zinnen tot twee zinnen waren samengebracht, met komma’s of zelfs een ‘maar’ tussen die laatste twee vaststellingen. Slepender zinnen zouden dat geweest zijn, en wellicht had dan het verhaal – er komt een tegenligger, de wandelaar wil dat die hem ziet – een explosiever middendeel gehad.

Maar ‘De leeuwerik’ is amper zeshonderd woorden lang, een literaire sprint, en daarom zet Bakker vanaf het begin kracht. En hij blijft het doen, geen moment kan je je aandacht laten verslappen. De tegenligger is nu zichtbaar:

‘Erken me, dacht de man, toen ze dichter bij elkaar kwamen. Dat was een vreemde gedachte, zeker omdat hij al mijlenlang ongemerkt van dit op dat was gekomen, geen varen had gezien, geen vogel had gehoord. De man keek even naar de lucht, daar was ook iets mee. Blauw, wolken, eten.’

De gedachte. De gedachte over de gedachte. De lucht, ‘daar was ook iets mee’.

Wat? Dit zijn dwaalsporen!

De route en de obstakels

Dwaalsporen, dat is misschien wel een goede karakterisering van Bakkers werk. Hij is niet onderweg, hij laat de lezer lopen, flink lopen, om aan te komen bij waar hij al die tijd was: een eenzaam mens met een moeilijke geschiedenis. In De omweg, dat nu genomineerd is voor de Independent Foreign Fiction Prize, volgen we een vrouw die alleen naar Wales is gereden, en daar alleen in een huis op het platteland gaat zitten. (En dat geeft niet.) Wie is ze, waarom is ze daar, wat is er met haar aan de hand? Op momenten denk je dat een doodzieke vrouw rust zoekt, maar ze legt een bepaalde bedrijvigheid aan de hand die moeilijk op die manier te duiden is.

Wandelen doet ze niet veel, terwijl ze vastgesteld heeft dat er een pad langs haar huis loopt. En terwijl een van de andere hoofdpersonen zegt een lange afstandspad in kaart te brengen. Ik citeer ruim uit de eerste helft van het boek:

‘Haar eigen pad. Over de beek heen, door het kleine bos met de oeroude bomen, het steeds duidelijker spoor, de vrijgemaakte kissing gates. Het zingen van vogels die ze niet herkende, nooit gekend had, een eekhoorn. Ze liep dwars door de steencirkel heen en ging het dijkje in het moerassige land op. De kaart lag thuis, op de tafel. Voorbij het natte deel liepen runderen met lange haren en grote horens achter een ijzeren hek. Naast het ijzeren hek een stile, ze zou door het veld moeten waar die zwarte beesten liepen. Zonder te aarzelen klom ze over de stile en keek niet naar de runderen. Als ik doe alsof ze niet bestaan, zullen ze mij ook niet opmerken, dacht ze. Ze meende het pad langs de houtwal te zien lopen, zou wanneer het nodig was door het dichte struikgewas in veiligheid kunnen kruipen. Overal het golvende land, als ze vijftig stappen had gedaan en achterom keek, herkende ze niets meer. Ze had geluk, een kissing gate zonder draaihek gaf aan dat ze goed gelopen was, ze liet de zwarte beesten achter zich. Het land daalde, voor zich zag ze het water.’

Ze is doelgericht op weg naar het water, en gaat erin – een mooie scène, lees het er nog maar eens op na. Dus gaat het vooral over de route en de obstakels. Maar toch weet ze van het bosje op het zingen van vogels te komen op de steencirkel op de kaart.

Weer: krachtige zinnen, beeldend, en optimale variatie. Maar ondanks haar overtuiging dat ze het juiste pad beloopt, is er onzekerheid, en behalve in het nadrukkelijke niet herkennen, aarzelen, opmerken, geluk, drukt Bakker haar geestestoestand uit in telkens andere constructies.

Sebald schijnt tegen zijn studenten gezegd te hebben dat ‘Long sentences prevent you from having continually to name the subject (“Gertie did this, Gertie felt that” etc.)’, maar dit is ook een manier: telkens van het onderwerp wegschieten, eromheen dwalen, dan weer er diep in zitten.

Nee, bij Bakker vind ik mijn wandelzinnen ook niet terug. Maar weer zie ik dat stijl en karaktertekening nauw samengaan. Van Dis liet een overbewust personage wandelen, Nescio drukte de euforie van zijn personages uit in een veel rustiger, maar niettemin gevarieerde stijl. Bakker beschrijft een maar niet berustende persoon. En Sebald en Cole? Hun personages zijn ziek. Dat wil zeggen, Sebalds verteller bekent al aan het begin dat hij zijn deprimerende wandeling moest bekopen met een lang ziekenhuisverblijf, Coles hoofdpersoon is ook vooral depressief, misschien wel getraumatiseerd van gebeurtenissen in zijn geboorteland. Dus een trage, uitrollende stijl past daarbij.

Twee kanttekeningen

Meer wandelen, ziekte en de Tweede Wereldoorlog? Andie Miller schreef er een stuk over, ‘Walking with Ghosts’.

En: ik heb net Margriet de Moors nieuwste boek Melodie d’amour uit, een roman in vier verhalen waarin de liefde alomaanwezig is, maar de beweegredenen heel aangenaam in het schimmige gehouden worden. Het vierde verhaal, ‘Myrte’, wordt vanuit de bedrogen echtgenote van de twee verhalen ervoor verteld. En vanuit een wandeling.

‘De ochtend is nog vroeg. Al lang vergeten waarom ik deze tocht eigenlijk onderneem volg ik de flauwe bocht van de zeedijk. Het is eb. Ik kijk van de deels openliggende kustzee die zich noordwaarts tot aan Denemarken uitstrekt naar het natte gras ter hoogte van mijn knieën en weet nog niet, ook dat ben ik vergeten, dat ik over twee hectometerstenen het gemaal Ropta zal passeren.’

Die korte zinnetjes zijn me iets te zinleding, maar de lange laatste zin, die vind ik prachtig. Een kustzee die deels openligt, dat roept een bloederige operatie bij me op, en ‘openliggen’ en ‘uitstrekken’ zijn woorden die doen wat ze betekenen, ze zijn wijds. In die zin wordt bovendien de wereld opengetrokken, en naar iets later zal blijken, ook de geschiedenis. De geschiedenis van dit deel van het land, met stormen en terpen, maar ook dat van de Ropta’s, en haar persoonlijke geschiedenis, een jeugdige liefdesgeschiedenis met de oude Jonas Ropta, die zou sterven nadat ze hem verlaten had.

De Moor schrijft geen Bakkerproza, geen neurotisch rondkijken, maar evenmin het stuwende, trage Sebaldproza, Sebald zou veel minder het effect van korte zinnen bejaagd hebben (‘En denk ik na over Jonas Ropta die op zijn vierenzestigste ophield met sterven. Ook denk ik na over de bewering, niet alleen van Ropta zelf, dat dat kwam door mij, Myrte, nog heel jong toen.’ – dat kan toch in één zin?). En de psychologie ligt wel wat al tezeer open, ze strekt zich te veel uit naar mijn smaak. Maar, zoals gezegd, De Moor laat veel zien, ze benoemt minder, en dat maakt het fysiek – zoals een wandelverhaal hoort te zijn.

    Mowaffk Al-Sawad (Basra, 1971) is schrijver en kunstenaar. Hij publiceerde twee dichtbundels: Kort scenario voor een droom en Een middag wit als melk. In 2002 verscheen zijn roman Stemmen onder de zon.

    *

    Absoluut een advocaat

    Zijn snor ziet eruit alsof de rechterkant is afgeknabbeld door een enorme schaar
    Zo daalde de schaar neer in een bliksemsnel moment
    en tekenden de trekken zich min of meer definitief af.
    Maar het is moeilijk om deze structurele onvolmaaktheid te ontdekken
    vanwege de elkaar kruisende en weer uit elkaar gaande bewegingen van de advocaat.
    En wanneer één van zijn ledematen naar beneden gaat dan zie je een beweging waarvan je niet weet bij welk lichaamsdeel die behoort.
    Je ontsnapt aan een plotseling omhoog gaande beweging.
    Zijn woorden donderen, net als de rechterkant van zijn snor.
    Een voortdurend heen en weer gaand gemompel.
    Zelfs de woorden die hij op een papiertje schrijft
    dat voor hem ligt uitgespreid
    zien eruit alsof zij een aanhoudende stapel roet zijn.

     

    Absoluut een hond

    Toen de hond zichzelf voor de eerste keer zag in het water van de vijver
    dat grenst aan het huis, waar hij bij hoort, blafte hij hevig:
    waardeloze hond, wie heeft jou naar mijn gebied gebracht
    en waarom heb ik dat al die tijd niet geweten?
    Ik zal je opjagen waar je ook gaat.
    Maar toen een zomerwesp tegen de oppervlakte van het water botste
    en de kleuren uit elkaar geslagen werden en verdwenen
    slaakte de hond een diepe zucht
    nu hij zijn verloren koninkrijk had herwonnen.

    Paul Hermans (Maastricht, 1953) publiceerde gedichten in onder andere De Tweede RondeDe Revisor en in het Nieuw Wereldtijdschrift. Hij debuteerde in 1995 met Een kern van oppervlakkigheid. Daarna verschenen de bundels Inhuizig (1995), Ademnis (1999), Achteruitwaarts Vliegen (2003), Hartschelp (2007) en Spraakdoorn (2010).

    *

    Hoop

    Lage zon. Late herfst. Laat licht.
    En op een hoeve, om een zwart-
    groene poort, werpt een eik zijn
    flakkerende schaduw. En niemand
    treedt in door die vlammende poort,
    maar integendeel treedt er naar buiten
    een vrouw, die niet wenkt en niet
    spreekt, die daar staat maar in een
    blozende roodgele jurk, die daar
    staat in haar losgegooid haar en
    daar staat maar en niet weggaat en
    langzaam vervaagt als het licht dooft,
    de schaduw, de poort. En daar nog
    staan moet, in het aardedonker nu,
    en daar maar staat en ons wacht.

     

    Landschapsfoto

    Landschap, alleen in november.
    Afwezig geluid van de stemmen.
    Een man op een akker, alleen.
    En over alles de lichtbruine waas
    van een sepialicht. En het was als
    was er een stokoude foto ongemerkt
    tussen mij en het landschap geschoven,
    een stokoude foto van dit landschap,
    volstrekt identiek aan dit landschap,
    met precies dezelfde schaduw
    van vader, alleen op de akker,
    met dezelfde afwezige stemmen, zelfs
    met de kartelrand van zwijgende
    bomen rondom in het vierkant.