Hanz Mirck (Zutphen 1970) debuteerde in 2002 met Het geluk weet niets van mij (genomineerd voor de Buddinghprijs). Daarna volgden Wegsleepregeling van kracht(J.C. Bloemprijs) en Archiefvernietiging. Als stadsdichter van Zutphen schreef hij ook de bundelMet andere ogen. Ook publiceerde hij een roman (Het godsgeschenk) en poëzie voor kinderen. Momenteel werkt hij aan zijn vijfde bundel.

*

Zwemles

Hoe dat te ondergaan? Wie zich in het water begeeft
moet kunnen zwemmen. En wie niet kan zwemmen
doet er verstandig aan zich niet in het water te begeven

Eerst moet een kind watergewend zijn,
zich bepaalde automatismen aanleren. Daarna
moet het die weer afleren

Het regent, de voetenbaden waardoorheen je trapje af trapje op
moet lopen zijn lauwwarm, je kleren zullen nat worden
van het water, je tranen. Wie zwemt bij regen, blijft eigenlijk droog

Onder water kun je niet huilen. Of zwem je dan in verdriet?
En als je je hoofd boven water houden kan,
hard watertrappelend, met beide wijsvingers opgestoken?

Aanreikingen – over sleutels

In een slot passen twee sleutels:
één om mensen binnen te laten,
één om mensen buiten te sluiten

er kunnen niet twee sleutels tegelijk in het slot;
binnenlaten en buitensluiten
zijn verschillende doelen

Een week geleden liet je de deur wagenwijd openstaan
en viel in een droomloze slaap. Iedereen kon zo binnenlopen
zegt ze, wees de volgende keer zorgvuldiger

Deze week draai je de deur op slot
en valt in een droomloze slaap. Geen bel of telefoon
krijgt je wakker

Als je tegen de ochtend tegen haar aan wil liggen
hangen de sleutels aan de binnenkant van de deur
Je brein weet meer dan jij,

misschien probeert het je wel
een oplossing aan te reiken
dwars door een deur heen

Het gebeurt je toch, je ziet overeenkomsten, verbanden, samenhangen. Ook al lees je voor je lol, het potlood blijft tussen je vingers hangen. De actie in het voorlaatste Vlaamse Boekenweekgeschenk vindt op het platteland plaats, in een verbouwde boerderij, een ‘gerestaureerde villa’, in het nieuwste ook, in een ‘fermette’, maar een met ambitie, naar het voorbeeld van een haciënda, gebouwd met Boomse baksteen. En ook bij de mannen die hun vrouwen achterlaten in huizen die ze nooit gewild hebben, bij het landmetersbureau en de amateur-landmeter, bij de ijsblokjes in de whisky van de slechte vrouwen. Maar heeft het zin, dat potlood? Het is ongetwijfeld geen toeval dat Lanoye hier Claus echo’t, maar komt dat door de klankkast van de literatuur of is het werkelijk betekenisvol? En doet dat ertoe?

Ik zet streepjes in Boekenweekgeschenken, maar waarvoor?

Voor het grote schema van de wereldliteratuur, en zo ja, mag ik daar wel in geloven? Of voor het spel van herkenning en associatie, een eindejaarscitatenpuzzel met parafrase en verwerking?

Vragen, vragen. Ik draai het om. We beginnen met een verschil. In beide novellen overvleugelt een scheiding – bij Claus de gevolgen ervan, bij Lanoye de aanzet ertoe – alle andere verhaallijnen. (Of die indruk na de laatste pagina’s terecht blijkt te zijn geweest, laat ik in het midden.) Maar de aanleiding tot de breuk is bij Claus bijna mythisch gemotiveerd, bij Lanoye domineert de gelijkmatigheid van de moderniteit. Over Vera en Carla, Sybille en Cybele, over het expliciete en de mythe, over het nut van vergelijken.

In De zwaardvis is de scheiding allang achter de rug. Sybille is achtergebleven in de boerderij met haar zoontje met de te grote fantasie, ze brengt haar dagen ledig door, bakkend in de zon. De verschillen tussen haar en haar ex worden vanaf het begin van de novelle uitgespeld, maar de toedracht van de breuk blijft tot laat in het boek onhelder. Waarom is Gerard vertrokken? Omdat elk afwisselend hoofdstuk gewijd is aan de ondervraging van de gedoodverfde moordenaar, denk je al snel dat er fatale oorzaken of gevolgen aan haar alleenstaandheid zijn verbonden.

Bij Heldere hemel moet het allemaal nog beginnen, en er zijn geen doden gevallen. Vera’s Walter belt haar met een bekentenis en zij vervangt de sloten en begint zijn dure whiskeys op te drinken. Met de komst van Carla, Walters nieuwe geliefde, en haar kant van het verhaal, krijgen we zicht op de situatie. Walter is een man van middelbare leeftijd, verliefd geworden op een vriendin van zijn zoon, van half zijn leeftijd dus, heel klassiek, twintigste-eeuws klassiek. ‘De mannelijke menopauze,’ merkt Vera op. ‘Nog zo’n oerkracht waar geen kruid tegen gewassen is.’ En dat Walters vriendinnetje zelf verhaal komt doen, in een wonderbaarlijk gelijkwaardige strijd met haar oudere rivale, ook dat is iets van nu.

1989 – het jaar van verschijnen van De zwaardvis – is het jaar waarin Heldere hemel speelt, maar deze plot van verraad en jaloezie is moeiteloos te transponeren naar 2012. Zo moeiteloos, dat ik ergens in de toneeldialoog tussen de bedrogen echtgenote en de maîtresse een diepe zucht niet kon onderdrukken. Tot dan toe was de novelle zeer onderhoudend, geest, meerlagig. Hier blijft alleen ‘goed geschreven’ overeind, in een weinig natuurlijke woordenwisseling, met formidabel verwoorde eigen gelijken, verrassende troefkaarten – het spel kon me niet boeien, zo plat en voorspelbaar.

‘Ik zeg u enkel dit – u, die aan het begin staat van de calvarie waarin elke passie kan verkeren. Begin nooit met de liefde van uw leven aan de bouw van een fermette. Akkoord, indien je dat gevecht als koppel overleeft, bezit je een ijzersterke band. Je hebt het recht verdiend om samen oud te worden, zij aan zij, tot in het graf. Maar nooit word je nog het koppel dat je was voordien.
[…]
Ik heb te veel geïnvesteerd, mijn lieve schat, en niet alleen in dit huis, om me zomaar aan de kant te laten schuiven in ruil voor jonger vlees.’

In De zwaardvis wordt de meerlagigheid nogal expliciet geïntroduceerd door een verliefde schoolmeester, die een muziekstuk op Sibylle heeft gecomponeerd, en alludeert op de hoofdpersoon, de gruwelijke vruchtbaarheidsgodin Cybele. ‘”Zij is geen lief persoon, maar wel aantrekkelijk. […] Cybele was nogal autoritair. Haar priesters verplichtte zij zichzelf te castreren.” “Dat gaat te ver,” zegt Sibylle Ghysselen. “Of rond te lopen verkleed als vrouwen.”‘

Als even later blijkt dat de scheiding volgde na een castratie, figuurlijk, maar niettemin vernederend, lijkt Claus te triomferen in zijn dubbele leesmogelijkheden. Heel klassiek, voor-Christelijk klassiek. (Overigens heeft Claus zijn klassieke thema door het hele boek verweven, Achille van den Branden analyseert.)

Claus’ daadwerkelijke triomf volgt uiteindelijk in een totaal verrassende transformatie van de Whodunnit tot een Who’s-done-in.

Lanoyes ontknoping is minder spectaculair verrassend, maar hij heeft mijn scepsis overwonnen bij tweede lezing. Van de motto’s, helemaal vooraan, wel te verstaan. Ja, uit Lanoyes eigen toneelbewerkingen De Russen! en Mamma Medea, ijdel is dat, dacht ik, jezelf citeren. Maar nu zie ik het: Medea, de oer-bedrogen-echtgenote, schemert door de dialogen: de bedrogen moeder, de dood van haar kroost, de hemelwagen. In de het ene Boekenweekgeschenk is de Oudheid nadrukkelijk, af en toe té nadrukkelijk aanwezig, in het andere is het een kanttekening in de marge die de diepere laag suggereert.

Twee keer kijken dus: achter het platte realisme van Lanoyes dialogen zit een ander verhaal, en niet een uit 1989.

Of hoe een al te bewuste lezer nog altijd ergens overheen kan lezen.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Peter Maes snoof de bosgeur op rekte zich uit en herkende het gezang van een koolmees. Het was een tijdje geleden dat hij het gehoord had. Er kwamen veel meer lage tonen in voor dan in de liedjes die de koolmezen in de stad zongen. Daar floten ze veel harder en hoger. Hij vond het meesje snel en bekeek het door zijn verrekijker: de zwarte kruin, de witte driehoekige wangvlekken en de brede zwarte band die midden over de gele borst loopt. Hij haalde een paar pinda’s uit zijn zak, legde ze op zijn hand en imiteerde de zang. Het vogeltje draaide zijn kopje een paar keer en stopte met zingen. Peter Maes hield zijn hand met de pindanoten gestrekt voor zich uit.

Het meesje aarzelde, bleef opgewonden naar het voedsel kijken. Wie is die man, dacht het, is hij wel te vertrouwen? Zal die hand mij niet doodknijpen als ik erop land, zij straalt bedrieglijk licht uit, het is niet eens zijn hand maar van een vreemde die in hem rondwaart. Peter Maes viel op zijn knieën.
‘Kom dan toch, ik wil je alleen maar helpen,’ fluisterde hij, ‘kijk dan toch wat voor lekkere pinda’s ik voor je heb.’
Zijn ogen werden vochtig en hij voelde zich wegdraaien. Ondanks dat hij al een paar dagen niet had gegeten, werd hij door onpasselijkheid overmeesterd en viel op zijn buik tussen de bladeren en dennennaalden terwijl hij het gevoel had dat iets vreemds langs zijn mond naar buiten kwam gestroomd.

Het koolmeesje vloog weg.

Het was al aan het schemeren toen hij weer bij bewustzijn kwam. Hij voelde de verrekijker in zijn lege maag duwen; hij leefde nog, maar hij was leeg, leeg als een vogelverschrikker die door zijn lot tegen de grond was geslagen, leeg en zonder enige pretentie: dit is Peter Maes in zijn waarheid en waardigheid; natuurlijk zou hij niemand kunnen vermoorden, hij kon geen vlieg doodslaan. Toen hij één oog opentrok zag hij het koolmeesje dat zich te goed deed aan een pinda.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de laatste aflevering, van tien.

Zijn vrouw vertrok met hun dochtertje naar haar moeder; hun oudste dochter hadden ze de keuze gelaten. Ze ging mee, ze kon het hem niet vergeven dat hij haar zusje had geslagen. ‘Schrijf je boekje maar over inleving en empathie, mooie praatjes, kinderboeken met clichéhumanisme,’ had ze in een opwelling geroepen. Hij wist dat ze gelijk had. Wat was zijn boek over empathie en moraal bij vogels waard als hij zelf een smeerlap was? Wat was zijn werk nog waard? Hij was niet de eenogige kraai die het koolmeesje had gered, hij had het weerloze meesje een klap gegeven, dat was zijn werkelijkheid en die was ondraaglijk omdat hij zichzelf niet kende, omdat hij zichzelf niet kon kennen.

Zijn uitgever probeerde hem over te halen het boek af te maken, de decaan van de universiteit nodigde hem tevergeefs bij hem thuis uit, zijn vrienden en collega’s trachtten hem te overreden, maar Peter Maes zijn besluit stond vast. Mijn boek en onderzoek kan ons dan wel iets over onszelf leren, veel zal er niet door veranderen. Er kan alleen maar iets veranderen door iets te doen. Je kunt die blanke arrogantie alleen maar opwachten met een geweer in de aanslag, dacht hij.

Omdat de facturen niet meer werden betaald, werd de verbouwing stopgezet. Na een paar rechtszaken werd het huis te koop gesteld. Hij huurde een gemeubeld appartement in het centrum en nam alleen het hoogstnoodzakelijke mee: een standaardwerk over vogels, een verrekijker, zijn laptop en wat kleren; de rest liet hij in de kartonnen dozen in de woonkamer staan.

De maanden daarop waren pijnlijk, verscheurend. Hij brak in in het huis en ging met een moker tekeer tegen de nieuwe muren, hij sloeg de vloer kapot, trok kabels en leidingen uit de vloer en viel op de grond. Hij miste zijn vrouw, zijn dochters en zijn zoon verschrikkelijk. Hij wilde ze zien, ze horen en voelen en om die leegte draaglijk te maken, beet hij zich vast in zijn plan: ze moesten gestopt worden voor ze nog meer gezinnen uit elkaar zouden rukken. ‘Verdelgen, riep hij tegen het tuintje, verdelgen die parasieten.’ Hij werd door de politie uit het huis gehaald en moest een nachtje in de cel.

Hij stond zijn dochtertje aan de schoolpoort op te wachten; de directie was al verwittigd, zijn vrouw had uitdrukkelijk gevraagd haar niet aan hem toe te vertrouwen omdat zijn gedrag onvoorspelbaar was. Ze vreesde dat hij gevaarlijk kon zijn. Hij stond op de tippen van zijn tenen te kijken, maar ze kwam niet. Hij liep een café tegenover school binnen en bestelde een koffie met cognac. Een uur later zag hij zijn vrouw de schoolpoort binnengaan.
Hij wilde naar haar toe lopen, maar weer was daar die vreemde die hem op zijn stoel drukte. Wie moest hij nu vermoorden; die vreemde in hem of de aannemer van firma Fiksal? Hij maakte de balans op: als hij de vreemde in hem zou vermoorden, zou hij misschien opnieuw kunnen beginnen met zijn vrouw en kinderen, en was dat niet waar hij het meeste naar verlangde? Of wilde hij een goede daad stellen, de wereld voor nog meer onheil behoeden? Dat kon hij niet door een boek te schrijven, maar wel door moed en opoffering. Voor wie moest hij kiezen: voor zijn eigen belang of voor het algemeen belang? Had hij wel een keuze?

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de negende aflevering, van tien.

Peter Maes had zich laten vervangen door een collega op het congres in Lissabon. Hij had er wel naar uitgekeken zijn zoon te zien en samen een paar biertjes te drinken, maar de werkelijkheid hield hem in bed. De dokter had hem iets voorgeschreven om te kalmeren, maar Peter Maes werd niet kalm, hij mocht dan wel in bed liggen maar binnenin werd hij geplaagd door beelden die hem vreemd leken, beelden waarvan hij walgde en die hij nooit gezien zou hebben als firma Fiksal zijn huis niet had bezet, hun nest, zoals zijn vrouw het zei.

Hij had van een van de werklieden vernomen dat de aannemer in de hiel van Italië, vlakbij de Adriatische zee een villa met een zwembad aan het bouwen was. Hij tikte de naam van het dorpje in… en plots werd zijn machteloosheid een vraag… of hij iemand zou kunnen vermoorden. Lang hoefde hij er niet over na te denken. Niet dat hij het graag zou doen, maar nu stond hij met zijn rug tegen de muur en besefte dat onderhandelen geen enkele zin meer had. Het ging er niet over of hij het recht had iemand te vermoorden, dat had niemand, het ging om overleven, of – alweer dat nobel instinct – om valsspelers uit te schakelen.

Ik ga het koolmeesje redden, zei hij tegen zichzelf en tikte bijna automatisch het woord ‘pistool’ in de balk van de zoekmachine. Ik ga deze zomer naar het congres in Sicilië en maak een kleine omweg langs de aannemer. Als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en de valsspelers helpt opruimen… hij nam een slok cognac.

Een klein jaar later konden ze in de keuken. Ze kochten een fornuis en een koelkast. De loodgieters sloten de nieuwe vaatwasser aan en de kranen bij het nieuwe aanrecht dat Peter Maes zelf in elkaar had geknutseld. Na een paar dagen was er een grote vochtplek op het plafond te zien, daar zorgde blijkbaar een slechte koppeling tussen de buizen van de verwarming voor, iets waar volgens de loodgieter van firma Fiksal niemand iets aan kon doen. Er moest een kleine stukje uit het plafond worden gehaald, verwaarloosbaar.

Zijn dochtertje stond haar tanden te poetsen op het krukje voor de spiegel, ze liet haar bekertje met water vallen. Hij gaf haar een klap in het gezicht. Ze begon stilletjes te huilen en raapte haar bekertje op. Zijn vrouw kwam naar de badkamer gelopen en vroeg wat er scheelde.
‘Wat is er toch met je aan de hand,’ vroeg ze hem, ‘ ik herken je niet meer.’
Ze troostte haar dochtertje terwijl hij naar buiten liep en op de trap een van de loodgieters tegenkwam. ‘Morge, m’neer, vies weertje, hè.’
‘Geloof jij in…,’ vroeg Peter Maes terwijl hij halverwege de trap was blijven staan.
‘Of ik wat,’ vroeg de man die aan de badkamer aanklopte.
‘Laat maar,’ zuchtte Peter Maes en hij liep verder naar beneden, naar buiten zonder te ontbijten en afscheid te nemen van zijn dochters en zijn vrouw.

Hij stond op de brug naar het water te kijken, naar zichzelf, en dacht aan iets wat zijn oudste dochter had voorgelezen toen hij uit Amsterdam was teruggekeerd en niet kon slapen door het getik. ‘Als je recht op je tegenstander instapt en hem het zwaard ontrukt, wordt het zwaard dat op het punt stond je neer te houwen het zwaard dat je tegenstander velt.’
Maar Peter Maes was zijn eigen tegenstander, hij was was tegen zichzelf aan het vechten, tegen een vreemde die sinds zijn geboorte, misschien al in de baarmoeder, in een klein hoekje verscholen zat te glimlachen, zat te wachten tot hij gebeld ging worden om met een geslepen zwaard op de rug het paard te bestijgen en naar zijn doel te vertrekken. Natuurlijk zou hij iemand kunnen vermoorden.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de achtste aflevering, van tien.

Mischa Andriessen (1970) debuteerde met de dichtbundel Uitzien met D (2008). Hij won met die bundel de C.Buddingh’prijs voor het beste poëziedebuut. Hij publiceert over jazz en beeldende kunst in diverse kranten en tijdschriften. Voor Bunker Hill vertaalde hij Amerikaanse poëzie. Hij is redacteur van het literaire tijdschrift Terras. In augustus verschijnt zijn tweede dichtbundel bij De Bezige Bij, Huisverraad.

*

Besnijdenis (Joram)

Hij was dronken – een baby nog –
van de dikke vingers zoete wijn.
Hij huilde geen moment, maar ik
hoorde hem toch, ver weg, boven
wachtend met een blik op de wijzer.
Toen kwam het teken en trof ik hem
beneden, een lach rond zijn lippen.
‘Hij slaapt, wie van ons zegt het gebed?’
‘Geen gebed!’ Ik zag mezelf schreeuwen
in het glas van de buffetkast. ’Genoeg!’
Ze zeiden kalm en zacht hun zegeningen
ruimden netjes klem en mesje weg in de koffer.
Hij liet zijn vrouw voorgaan en groette
zonder zich nog om te keren.

Wallenberg

Jullie stonden al klaar,
jassen aan, elkaar los
gelaten, twee dingen maar
mochten mee; je broer
een pot jam en een beer,
jij een beer en een boek.
Dadelijk zou het anders zijn,
het nieuwe huis een haven.
Ze zouden jullie komen halen,
niet schreeuwen; ze kwamen,
schreeuwden: ’opschieten,
opschieten nou.’ Hun gezichten
grauw als vuilgelopen sneeuw.
Je omklemde de laadklep
met beide handen, je broer de jam.
Jullie keken de verte van de straat in
waarin alles wat jullie kenden verdween.
Je broer huilde. ‘Niet bang zijn,’
huilde je, ‘Ik ben niet bang.’

Op een gegeven moment zaten er tien vreemde mannen in zijn huis; twee waren in de nieuwe zolderkamer een metalen constructie aan het plaatsen terwijl in de keuken drie kerels de valse wanden en valse plafonds aan het uitbreken waren waarachter oude en onverantwoorde leidingen liepen. Die leidingen werden door twee loodgieters weggehaald en vervangen. Ondertussen liep Peter Maes met een elektricien rond om te kijken waar de verlichting, de nieuwe stopcontacten en de internetaansluiting moest komen. Hij had frisdrank en chocoladewafels gehaald voor de mannen en buiten twee kratten bier gezet, voor na het werk.

Hij zat met zijn jas aan en muts op voor zijn laptop tussen de dozen van de zolder te zuchten, hij kon zijn adem zien. Hij was doodop en had last van zijn maag; sinds ze de keuken hadden uitgebroken dronk hij meer en hadden ze alleen pizza’s en pitta’s en friet en hamburgers gegeten, een enkele keer waren ze naar een restaurant geweest, een keer naar haar ouders. ‘Over een jaar kunnen we erom lachen,’ had zijn vrouw gezegd, waarop hij een grote slok wijn had genomen.

Er volgde een eerste rekening die veel hoger was dan voorzien. Er waren verschrikkelijk veel werkuren gerekend.
‘Ja mevrouw, als we met een ketel komen en we kunnen er niet mee de trap af, zijn we toch naar u gekomen, anderhalf uur onderweg, het is geen lachertje op de weg, dat weet u, en dan terug met die ketel, dat zijn drie uren, plus de benzine die we hebben verreden.’
‘Dat begrijp ik, maar voor die drie uren staan op de factuur twaalf uren.’
‘Ja mevrouw, drie uur maal vier man personeel, wat dacht u, dat wij dat gaan betalen.’
‘Nee, maar u had toch kunnen zien dat er eerst een nieuwe trap had moeten komen, dan had u de nieuwe ketel nog niet hoeven meebrengen.’
‘Als we ons daar mee moeten bezighouden mevrouw. Als u het betwist kunnen we er een advocaat bij halen, Fiksal heeft nog geen enkel proces verloren.’
‘Nee, nee,’ zuchtte ze, ‘geen advocaten, maar u geeft me de indruk dat u…’
‘Bent u tevreden of niet?’
‘Jawel, zeker, daar gaat het hem niet om, het is gewoon…’
‘Laat ons dan maar alstublieft ons werk doen mevrouw, ik weet niet wat u doet in het leven, maar wij moeten doorwerken, anders komen we in de problemen. Dat er lijken uit de kast vallen in een huis dat ouder is dan honderd jaar lijkt me niet meer dan normaal, wees blij dat we ze gezien hebben. Kijk, mevrouw, stel dat wij het niet zouden melden dat uw leidingen in de keuken slecht, ronduit gevaarlijk zijn, stel dat de vloer, die we eerst hadden gelegd was blijven liggen, en dat het een maand later fout zou gaan met die leidingen, wat dan? U mag van geluk spreken dat we het gezien hebben. We hadden natuurlijk ook kunnen doen alsof onze neus bloedt, de klant wil een vloer, oké, de rest kan ons niet schelen, de klant wil dat het snel gaat, dus… maar zo zit Fiksal niet in elkaar mevrouw.’
‘Maar dan had u toch ook kunnen zeggen dat die trap rot was.’
‘Mevrouw, ofwel u vertrouwt ons, ofwel u zoekt het maar verder uit met een ander bedrijf, wij hebben werk genoeg, geloof me.’

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de zevende aflevering, van tien.

Ze bestelden tegels met vijftig verschillende motieven, sommige hadden twee kleuren, andere drie of vier. Samen hadden ze een paar avonden een plan van de vloer gepuzzeld met kleine papieren kopietjes van de tegels; er mochten geen zelfde tegels naast elkaar komen of in de zelfde rij liggen, het was een hele wiskundige oefening. De man die de vloer ging leggen bestudeerde de oude vloer en zei dat hij hierop geen Marokkaanse tegels kon lijmen, de oude tegels moesten eruit, vervolgens konden ze de tegels in de cement leggen, dat zou het mooist zijn, in de cement. Peter Maes brak zelf de oude tegels uit en stapelde ze samen met zijn dochters op het terras naast de tuinstoelen.

In de technische gegevens die bij de tegels waren geleverd stond dat ze tenminste vier uur in het water moesten gelegen hebben alvorens ze in de cement konden worden gelegd. De vloerlegger zei dat dat niet nodig was, hij had gelijkaardige vloeren in Israël en Marokko gelegd bij temperaturen boven de dertig graden en nooit een tegel in het water gelegd. Peter Maes en zijn vrouw hadden hun plan aan de muur gehangen en reikten de vloerlegger tegel per tegel aan nadat ze hem in een emmer door het water hadden gehaald. Het duurde vijf keer langer dan het leggen van een gewone vloer, maar dat wisten ze, dat had Fiksal hun gezegd.

Na drie dagen kwamen de eerste tegels los. Fiksal begreep er niks van en liet een tegel onderzoeken. Peter Maes en zijn vrouw wezen hen op de technische gegevens, maar daar hielden ze geen rekening mee. Fiksal kwam tot de vaststelling dat Fiksal niets verkeerd had gedaan. De tegels kwamen allemaal los. Omdat ze niet lang genoeg in het water hadden gelegen, hadden ze alle vocht uit de cement gezogen. Peter Maes en zijn vrouw stopten de tegels weer in de kartonnen dozen en droegen alles naar de kelder. Ze kwamen met Fiksal tot een akkoord om nieuwe tegels te bestellen en de kosten voor de aankoop te delen. Fiksal wilde alleen de opdracht aanvaarden als er een volledig nieuwe ondergrond werd gelegd waarop ze de tegels konden lijmen in plaats van in de cement te leggen. De nieuwe tegels werden geleverd in de gietende regen. Peter Maes en zijn vrouw brachten de honderdtwintig dozen naar de woonkamer.

‘Wow,’ hoorde hij iemand roepen, ‘niet normaal, ze zitten op een bom, een koppeling in de gasleiding onder de vloer, levensgevaarlijk.’
Peter Maes zette de doos neer en liep naar de keuken waar drie mannen de oude onderlaag aan het uitbreken waren; ze zaten al in de aarde.
‘Je houdt het niet voor mogelijk, volkomen onwettelijk die koppeling onder de grond en dan die waterleidingen, van lood en verroest, jongens toch.’

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de zesde aflevering, van tien.

Sarah Arnolds (1992) is geboren in Amsterdam. Ze studeert aan de afdeling ‘Beeld en taal’ van de Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteert in De Revisor.

*

Zaken

in de kantoren en de ambassades
bloedt vast en zeker iemand nu op lakens
die niet de hare waren

want tussen het verstrijken van de nachten
dat het weer iets later wordt, vandaag
en zakjes zoetstof
van die rode
beton en orders
zon en glas

strikt ze onder luid gejuich je das

met vloeipapier en zijden lint
pak ik mijn vermoedens in
is het voor jezelf
of is het een cadeautje

Na sluit / De servettenvouwers

Ik hou zo ontzettend
veel van je, zegt hij
Doe nu maar even niet,
zegt zij, en ze vouwt het witte linnen tot
pasgewassen vogels die
op tafel blijven liggen tot
de treinen niet meer rijden
en in de morgen geen van beiden
meer kon weten van de glazen
en wat hij haar zo even
tussen koude dweil en wasverzachter
met taai plezier had aangedaan.
Zonde van die benen. Hij liet haar nu maar gaan.

Firma Fiksal had woord gehouden: binnen een week stond het nieuwe dak op het huis met de dakkapel waarin de vier ramen gingen komen en het gat voor het raam aan de andere kant waarin inderdaad de torens van Gent gevangen zaten. Hij stond boven als een keizer te genieten van het uitzicht; hij telde elf kerktorens, zag een blauwe reiger in een treurwilg landen en het vijvertje van het park waarop een dun laagje ijs lag. Hij zag het al helemaal voor zich: hier zou hij werken en kijken en zijn vrouw uitkleden.
De volgende dag werden de ramen er ingezet; alweer een staaltje efficiëntie. Konden ze op de universiteit maar zo werken, kwam het in hem op. Hij vroeg aan de ploegbaas wanneer ze met het plakwerk boven zouden kunnen beginnen.

‘We kunnen de metaalconstructie zetten, dan moet u ons tonen waar u elektriciteit en verwarming wil.’
Een week later kwam de installateur. Ze gingen samen naar de kelder om de mogelijkheden te bekijken. ‘Oei,’ zei de man, ‘wie heeft die ketel hier gezet, betaalt u niet heel erg veel voor gas?’
De rekening was inderdaad veel hoger dan bij vrienden en kennissen, ook al letten ze op, ze stookten weinig. De man bestudeerde de ketel terwijl hij zuchtte en pufte en van nee schudde. ‘Hiermee krijg ik de warmte niet tot boven, u gaat zich blauw betalen voor een heel klein beetje warmte. Ik stel voor dat we een nieuwe, moderne en uiterst zuinige ketel plaatsen, u zult het direct in uw portemonnee voelen. Wie durft om de liefde van god nog zo’n krot te verkopen, je hebt verdomme maffia rondlopen.’
De nieuwe ketel werd geleverd door drie mannen. Eerst koppelden ze de oude los om vervolgens de nieuwe aan te sluiten en leidingen naar boven te trekken; Fiksal had hun beloofd dat ze hoogstens een dag zonder verwarming zouden zitten. De oudste van de drie kwam uit de kelder en zei dat hij het niet zag zitten om de oude ketel langs een rotte trap naar boven te brengen, zoiets was levensgevaarlijk. Er stond inderdaad altijd een paar centimeter water in de kelder waardoor de trap was beginnen te rotten.
Pas vijf weken later bracht de timmerman van Fiksal de nieuwe trap. ‘Die kan ik onmogelijk aan de muur bevestigen,’ zei hij, ‘de muur is aangetast door het vocht, er staan hier en daar al zwammen op. Die trap houdt het geen half uur, als mijn collega’s er met die ketel op stappen zakt hij naar beneden.’
Twee mannen van Fiksal begonnen de muur in de kelder af te kappen, een ander bracht het puin naar de container. Na drie dagen konden ze de muur bezetten met vochtbestendig cement. Een paar weken later werd de nieuwe trap geplaatst. De oude ketel werd weggehaald en de nieuwe geïnstalleerd.
‘Wat denk je van een nieuwe vloer in de keuken,’ vroeg ze hem in bed, ‘nu ze hier toch zijn, kunnen we evengoed ook door die zure appel bijten.’
Ze droomde allang van een Marokkaanse tegelvloer. Ze had een firma ontdekt die handgemaakte tegels verkocht, in een palet aan kleuren en motieven dat je zelf kon samenstellen.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de vijfde aflevering, van tien.