Als haviken zitten ze op de bank, bij iedere aanval of doelpunt van Nederland buigen ze zich naar voren. In de laatste minuten sluipen er een paar uit de kelder van huize Biermans-Lapôtre weg. Maar de vloer plakt, en als bij een jarige die je smeekt om nog even te blijven, vertrekt niemand onopgemerkt. Ik denk niet aan Nederland maar aan Parijs waar ik vanmiddag aankwam met twintig andere kunstenaars in het residentiehuis. Het huis heeft ook zonder ons geheimen, je ziet de muren in de feestzalen oren en monden worden, je nazeggen als je alleen en hardop praat. Ik ben voor het eerst in Parijs en ik zal haar ontvangen zoals mijn tante haar gasten ontvangt in haar beste zetel bij het keukenraam met aan de rand een spotje geklemd om alle kanten van de mens te belichten, om de paar minuten reikt ze met een frituurtangetje een koekje aan met de vraag wat het nu wel of niet taai maakt. Laat de stad maar binnen.

(Meer Marieke Lucas Rijneveld? Kom 16 februari naar Athenaeum vs. Revisor, Rijneveld vs. Van Mersbergen.)

Huize Biermans-Lapôtre heeft zes verdiepingen met op iedere etage tientallen kamers waar sommige kunstenaars al twee jaar in afzondering wonen en werken. Naast die woon- en werkruimtes zijn er keukens waar achtergebleven pannen en potten staan van de vorige bewoners, plastic zeven met nog wat macaroniresten erin. Op het aanrecht een roestig blik maïs, stapels lege pizzadozen tegen de muur, een vertrapte avocado op de grond. Een sliertje spaghetti bungelt aan een tegeltje, verloren gegaan bij het testen van de gaarheid. Het ruikt er naar schoolkamp. Op de afzuigkap plakt een sticker met daarop ‘l’Union fait la force’: samenwerking geeft kracht. Als ik het op zoek krijg ik een website van een handboogschietvereniging uit Roosendaal.

Het Berlijnse appartement, een half jaar geleden, kon je afstemmen op het type kunstenaar dat je was. Er stond zelfs een kartonnen doos met schilderijen voor als de werken aan de muur je niet bevielen. In de badkamer had je een washandje waar je mobiel precies inpaste, Chopin droog gehouden. Even hoop ik dat de kamer weet welk type gast hij dit keer zal ontvangen, dat de muren in noppenfolie veranderen om mij heel te houden. Tegen de muur van kamernummer 437 staat een bleek weggetrokken bed, en aan de andere kant een antieke werktafel met houten poten als hoeven, open kastjes erop in de vorm van een kop. Een paard. Het stelt me gerust. Meubels waar je niets in kunt herkennen, jagen me angst aan, dan kun je alleen maar gaan zitten en hopen dat dat zitten tot werken leidt. Om de hoek zit de badkamer die de hele dag door luidruchtig ademt. Maar zodra je de deuren en ramen sluit, is het enige wat je hoort het stadsgezoem, het verkeer dat als houtworm in de muren is getrokken. De twee ramen in de kamer bieden uitzicht op Parc Montsouris en op een ander fors residentiehuis. Later hoor ik dat op dit terrein wel twintig residentiehuizen staan en dat je eigenlijk alleen maar goed moet ademhalen om werk te kunnen verzetten, dat het hier creativiteit waait.

Ik pak mijn tas uit. Ieder voorwerp krijgt een plek, een thuis. Overal waar ik kom, draag ik mijn ouderlijk huis in restjes mee. Hier in de grootste stad van Europa zal ik de komende twee weken een gast blijven, hoe vaak ik ook de slingers ververs, de afwas zal doen, mijn voet tussen de liftdeuren plant.

Na het inrichten van de ruimte ga ik samen met een Vlaamse vrouw uit de groep naar een biologische supermarkt een straat verderop. De enige die nog open is op zondagavond. Het is een klein winkeltje waar je eerst verwelkomd wordt door een zwerm fruitvliegjes, daarna door een Fransman met een rood keukenschort. Steeds loopt hij langs zijn kisten met groente, streelt ze even met één wijsvinger als hij denkt dat niemand kijkt. Ik koop een tomaat, eitjes, twee bananen en een half stokbrood. Ik probeer klanken in de Franse taal van elkaar te onderscheiden en ze te onthouden. Op schoolkamp had een groepje kinderen een eigen communicatiemanier ontwikkeld. Achteraf bleek dat het omgekeerde alfabet te zijn.

Buiten op de trappen van het huis maakt de begeleider van stichting deBuren een staatsportret van de groep. Na de foto worden we losgelaten. Sommigen vluchten naar kroegen om zich daar als katjes te laten aanhalen en voeren. Anderen bakken een omelet met tomaat en sturen een berichtje naar het thuisfront, vallen in slaap. Ze zitten de hele nacht in een vluchtauto, scheuren kris kras door een vreemd land zonder lantaarnpalen, de neus in de vacht van hun knuffel verstopt.

*

Deze tekst in vier delen ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre. Lees deel I, II, III en IV.

Kijk nu toch eens naar dat vogeltje in mijn kopje; net een ijsvogeltje dat zit te wachten om toe te slaan! Logisch is het wel, ja, door de zachte winter zijn er vandaag in België en Nederland meer ijsvogels dan een paar jaar geleden. Onlogisch is het ook, afgaande op de naam van het vogeltje, die hebben namelijk niets met ijs. Nee dus, als er één ding is waar ijsvogels het moeilijk mee hebben is het wel ijs. In het ijs kunnen ze niets vangen. Een schrijver vertelde me tijdens een borrel over een dichtgevroren meer waarop een aantal ijsvogeltjes dood lagen. ‘Een vreselijk mooi beeld,’ zei hij, ‘het deed me aan nine eleven denken.’ Volgens hem moeten de ijsvogeltjes gedacht hebben dat het water van het meer niet bevroren was en zijn ze daarom met een enorme snelheid te pletter gestort op de ijslaag waaronder hun prooi zwom. Toen ik hem wilde vragen of hij er echt vanuit ging dat ijsvogeltjes kunnen denken, zwaaide hij breed glimlachend naar een vertaalster die geïnteresseerd was in een roman van hem.

Maar goed, de meeste ijsvogels vind je dus niet in het noorden, maar in de tropen, vissend in heldere beekjes en rivieren met stromend water… en dan: een blauwe flits en een harde vérdragende herhaling van een tsjiettoon en hup, een jonge vlagzalm in de bek! En nu is er een ijsvogeltje in mijn kopje geland en dat is altijd goed nieuws. Eerst en vooral wil dat zeggen dat de donkere gestalte, Molenaar, de magere leeuw in koffiehuis De Mokabon, de bal volledig missloeg aangaande zijn voorspellingen over Nederland en het WK. Zij die de ijsvogel kennen, weten dat hij blauw oranje is gekleurd. Wat dat wil zeggen? Dat Oranje de finale speelt tegen Les Bleus van Frankrijk of tegen de Albicelestes, de in het wit en hemelsblauw gestoken Argentijnen.
‘En de Goddelijke kanaries van Brazilië?’ klinkt het aan de andere kant van de lijn. Ik had mijn telefoon naast mij gelegd toen ik de post in de bus hoorde vallen, en nadat ik de post had doorgenomen en mijn espresso in één keer naar binnen had geslagen, openbaarde zich het ijsvogeltje, terwijl aan de andere kant van de lijn een onophoudelijk geratel weerklonk. Ik dacht dat er iets met mijn oor was.
‘Ik heb geen kanarie in mijn kopje gezien.’
‘Nee, maar als je je kopje draait is er geen vogeltje maar een konijntje te zien…’
‘Hoe weet jij wat er op de bodem van mijn kopje staat?’
‘… en dat konijntje voorspelt de finale, niet de ijsvogel.’
‘O, en wie speelt volgens het konijn de finale?’
‘Nederland en Frankrijk en misschien Argentinië.’
‘En Brazilië dan?’
‘Tja, waarschijnlijk. Heb je trouwens vandaag post gekregen?’
‘Ja.’
‘En?’
‘Bedankt voor de folder.’
‘Is hij uit Brussel gekomen?’
‘Ja.’
‘Mooie aanbieding, niet? Bij aankoop van een koperen koffiekannetje met lange steel een tweede gratis.’
‘Ja.’
‘Onverwoestbaar die kannetjes van mijn broer. Ik gebruik het mijne al heel mijn leven om te voorspellen. Ik zou geen ander willen.’
‘Waarom dan een tweede gratis?’
‘Het is ook nooit goed.’
‘Dat zeg ik niet, maar als die kannetjes onverwoestbaar zijn, waarom dan geen, ik zeg maar wat, gratis koffie in plaats van een tweede kannetje?’
‘… heeft… veel… ingesla…’
‘Excuses, de verbinding is niet goed? Wat zei je?’
‘Dat mijn broer…veel heeft… gen!’
‘Nog een keer.’
‘Dat mijn broer te veel kannetjes heeft ingeslagen en plaats te kort heeft. Je hebt geen besef wat een vierkante meter winkelruimte vandaag in Brussel kost, Qu’bah.’
‘Oké, maar zo’n kannetje is een vuist groot.’
‘Zeg het hem zelf, het was niet mijn idee om twintigduizend kannetjes te kopen.’
‘Twintigduizend?’
‘Ja, twintigduizend.’
‘Dus moet hij er tienduizend verkopen om ze allemaal kwijt te geraken.’
‘Juist.’
‘Jezus!’
‘Nee, statistiek, Qu’bah, statistiek. De helft van de Brusselse huishoudens bestaat uit alleenstaanden.’
‘En?’
‘Die drinken allemaal koffie.’
‘En?’
‘Die hebben allemaal een koffiekannetje nodig.’
‘Jezus.’
‘Nee, statistiek. We zien het marktaandeel van de private labels sterk toenemen. Ook de Arabische koffie verkoopt beter dan de traditionele merken. Als ik geld had zou ik goed weten welke aandelen ik zou kopen. Arabische koffie, kan niet misgaan.’
‘Ik dacht dat de totale koffiemarkt momenteel dalende was.’
‘Er wordt meer koffie buitenshuis gedronken, alcoholcontroles en zo, maar in België wordt gemiddeld vijf en een halve kilo koffie per jaar per hoofd gedronken, in Brussel is dat goed zes kilo. Ik voorspel een stijging van het marktaandeel van de Arabische koffie. Wij hebben hem per slot van rekening naar jullie gebracht.’
‘Was dat niet die Ethiopiër met zijn geiten?’
‘Dat is detailkritiek, wij komen per slot van rekening allemaal uit Ethiopië.’
‘Vertel je me dat verhaal nog eens?’
‘Nu?’
‘Ja, het verleden is morgen beter dan de toekomst, is het niet?’
‘Goed dan. Er was er eens een herder in Ethiopië die zijn geiten wegjoeg van een struik met wilde bessen. ’s Nachts gezeten tegen een olijfboom, zag hij zijn geiten opgewonden en actief ronddartelen. De verbaasde herder bracht de bessen naar de abt van een klooster en vertelde hem wat er met z’n geiten aan de hand was. ‘Als wij nu eens van die bessen zouden eten,’ zei de wijze man, ‘dan kunnen we met z’n allen wakker blijven om tot God te bidden.’ De volgend dag ging hij naar de struik waarvan de geiten gegeten hadden, plukte een kom vol bessen en experimenteerde ermee. Hij kookte ze en brouwde er een donker drankje van. Toen de monniken ervan gedronken hadden konden ze nachtenlang…’
‘Hallo? Ik hoor alleen gekraak… hallo?’
Ik hang op en kijk: het ijsvogeltje in mijn kopje is een geitje geworden.

Marieke Lucas Rijneveld is schrijver, muzikant en dichter. Ze publiceerde in de VPRO gids, Das Magazin, De Revisor, Hard//Hoofd, Passionate Platform, Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, DW B, Deus ex Machina en in Het Hollands Maandblad. Ze werd door Arie Boomsma en Das Magazin benoemd tot literair talent 2014, won de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs 2014/2015 en de C.C.S Crone Stipendium literatuurbeurs 2015. Naast het schrijven werkt ze op een Koeienbedrijf. In 2015 verscheen haar debuutbundel Kalfsvlies (C. Buddingh’-prijs), in 2018 haar debuutroman De avond is ongemak bij AtlasContact.

Marieke Lucas Rijneveld was in 2015-2016 redacteur van Revisor.

*

Koortsmeter

Als de boiler stuk ging, ontstonden er warme gesprekken
waarin we elkaar voorhielden dat woorden met temperatuur

te maken hadden, staken koortsmeters in elkaars mond om de betekenis
te begrijpen. Als je twee mensen hebt waarvan de één aan synchroon

zwemmen doet en de ander niet, gaat alles fout. Ik zeg dat ik dit
soort situaties ken en dat de zee ook niet overal gelijk is maar niemand

daar naar omkijkt omdat het te geleidelijk aan gaat. Ik klem
je hand tussen mijn hoofd en schouder, vertel je over mijn jeugd

toen God nog een vaderfiguur was en mijn moeder eenzaam
dat alles wat ik zei met groene zeep verwijderd werd

boilers vaker stuk waren maar nooit dit effect veroorzaakten.
Ik denk nog steeds aan mijn vaders woorden op vakantie

toen we klein waren en naar zee gingen, hij aan de zijlijn stond met
zijn waterschoenen aan, riep dat we nooit verder dan onze navel moesten

omdat die diende als een overloopopening zoals bij een wastafel
je anders zou verdrinken en je hoofd in een zwanenhals veranderde.

 

Op een dag breekt alles

Als ik uitstap vraagt een man of ik van bier eerder zal breken
of ik wist dat kroegen net katten waren die overdag sliepen, in de nacht

zich warm om je heen krulden als bladerdeeg in de oven. Ik denk aan de keren
dat ik mijn huis in dronken toestand zag, aan de vreemde pasvormen in de banken

schaafwonden die geen kans op genezing kregen. Aan de vloer die daarna nog
dagenlang zich aan mijn voeten klampte en ik me opsloot omdat de gang beelden

projecteerde van zoenende mensen. Iemand schreef op het behang dat mensen net
melkpannetjes waren en dat het kookpunt er nooit ineens was maar zich altijd

langzaam opbouwde. Ik ging er met een vaatdoekje overheen en  zag mijn
moeder die als ze overkookte, flessen Chardonnay aan de goudvis voerde

daarna de kom aan haar lippen zette, trots zei dat ze al tijden geen druppel meer
dronk. Met stift tekende ik een fornuis  voor de pan, sindsdien kun je zelf

de temperatuur instellen. En ik schud mijn hoofd naar de man op straat en hij
lacht als ik zeg dat het punt van breken nooit met drank te maken heeft

maar met het moment waarop glazen elkaar eventjes aanraken.

Saskia Stehouwer (Alkmaar, 1975) studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit van Amsterdam. Ze werkte ruim tien jaar als redacteur en projectleider op de Vrije Universiteit. Haar gedicht ‘Glimp’ haalde de top-20 van de Türing Nationale Gedichtenprijs 2012 en diverse van haar gedichten werden gepubliceerd in tijdschriften en bloemle­zingen. In oktober 2014 verschijnt haar debuutbundel Wachtkamers bij uitgeverij Marmer.

*

inkt

na twee ontsnappingspogingen
liet het huis zijn hoofd hangen
en weigerde te spreken
de theekop enige getuige
van een traag uitgebraakt lied
achter gesloten luiken

stop voor je de laatste druppel
uit je sinaasappels hebt geperst
en ga zitten

glijdt door het gras naar je toe
flard verhaal
vliegtuig dat een trein kruist
in de lucht tussen jou en je opdracht

regen tikt mensen aan
die het niet verdienen

je valt in slaap
een wang in de lucht
de ander moeizaam op zoek
naar contouren

ze vonden hem langs de kant
van de weg
diep in gesprek

het was een vuile winter
vol bevroren schapen

lucht

op een dag word je een eiland
waar de zee aan knaagt

de bomen laten hun bladeren vallen
de dieren trekken zich terug in hun holen
ook al ben jij
de bomen
en de dieren

een dichte mist trekt op
je kunt jezelf niet zien
herinnert je nog contouren
een enkele berg

de vogels scheren
dwars door de zonsondergang
bedelven de zee
onder hun getetter

voorbij de woorden
waait een wind
die je zal opnemen

Ik mis Tunesië. Ik mis de diepzwarte zwaluwkoffie en het oranjebloesemwater. Ik mis het buitelende Arabisch van de jasmijnverkoper met de dikke brilglazen. Ik mis de ruisende cassetterecorder in de taxi die me naar de haven brengt. Ik mis het geroddel van de Middellandse zee, het nasmeulen van de harissa in mijn ochtendmaag, de glimlachende kooltjes op de waterpijp die me bespioneren, de bedwelmende appeltabak. Ik mis de kalligrafieën en de broederschap, de oliebollenzoete bambaloni. Wanneer kan ik weer in je thuiskomen, mijn geliefde schoonvaderland? Wanneer kan ik mijn vleugels uitslaan? Ik voorspel weinig goeds, de realiteit is hard en onvoorspelbaar in Vlaanderen, er staat een leeuw in mijn koffie die me met beide voeten op de grond klauwt. Iedereen kwettert in koffiehuis De Mokabon, iedereen is modern de ochtend nadat een gele golf over Vlaanderen is getrokken… Een nieuwe lente, een nieuw geluid?

‘Het Vlaams nationalisme is een perverse variant van het fascisme… de kleinburgerlijkheid van het volk wordt aangewakkerd door één man met één gezichtspunt onder één vlag…’
‘… en een derde van de Vlamingen loopt in de val…’
‘Binnenkort de helft…’
‘Ja, ons onderwijs behoort tot het beste ter wereld…’
‘Mooie vlag toch die klauwende leeuw?’
‘En een intellectuele voorzitter…’
‘Jammer van zijn programma…’
‘Een intellectueel legt verbanden die niemand anders ziet, maar wel relevant zijn…’
‘… en een politicus is liever met z’n allen dwaas, dan wijs op z’n eentje…’
‘Het Vlaams nationalisme is een hakbijl in handen van een bende kleine kinderen… is dat een relevant nieuw verband?’
‘Mag ik dat opschrijven?’
‘…. verwende kinderen, meneer Qu’bah, twee garages, twee auto’s, twee spaarrekeningen… terwijl Wallonië een tafelschuimer en een parasiet is, een PS-maffia die van de long van België een industriële Sahel heeft gemaakt… ’
‘Is dat Claus?’
‘België is als het eengemaakte Duitsland… het marcheert niet.’
‘Binnenkort zal het wel marcheren…’
‘De Ganzenpas!’
‘De vogeltjesdans!’
‘Caesar heeft met zijn De bello Gallico aangetoond dat een landstreek in drie delen uiteen moet vallen om zich geciviliseerd te kunnen noemen.’
‘Concordia res parvae crescunt.’
‘… je kunt een land niet regeren op basis van nationale identiteit… je moet het vanaf de straat opbouwen, dat is de realiteit, van de straat tot de staat, dat geldt voor België, voor Duitsland en voor Europa…’
‘En Tunesië.’
‘En de taal?’
‘Duitsland?’
‘Het gaat erom wie op zijn terrein de lakens mag uitdelen, niet of je een Turk of een Vlaming bent… waar je woont, dat is de essentie, niet welke taal je spreekt of voor welke god je op de knieën gaat…’
‘Volgens de BBC hebben protestantse en katholieke leiders in Europa diepgewortelde instincten die de eurozone uit elkaar trekt…’
‘Zoals?’
‘Hun visie op schuld…’
‘Een nationale identiteit is volkomen achterhaald, er is altijd migratie geweest, er zijn altijd mensen op zoek naar een beter bestaan, naar water en eten…’
‘En koffie.’
‘Zit in onze genen, we zijn zigeuners…’
‘Vuur, u heeft het zelf geschreven, Koubaa.’
‘Wat denkt u, gaan de nationalisten de ministerspost van cultuur opeisen?’
‘Wat valt daar te verdienen?’
‘Wat denkt u, meneer Qu’bah, gaan ze ons monddood maken en het volksdansen stimuleren zoals in Barcelona… u kent Barcelona toch goed en u weet wie daar aan de macht is natuurlijk.’
‘In deze koffie lees ik dat de nationalisten elke vorm van tegenwind zullen proberen te keren, ja, probleem is dat zij ook niet inzien dat de economie valt of staat met een brede kijk…’
‘U bedoelt?’
‘Erst die Moral, dan volgt het vreten vanzelf, dat is de toekomst.’
‘Niets van,’ riep een lang donker gestalte dat de deur van het koffiehuis openduwde, ‘ik spreek in naam van Molenaar, en Molenaar heeft voorspeld dat ten eerste: de vogelgriep weldra zal muteren, dat ten tweede: de mensheid in augustus een schouwspel te wachten staat waarbij de hemel van het noordelijk halfrond met lichten van allerhande kleuren gevuld zal zijn, dat ten derde: de Paus van Rome met de dood zal worden bedreigd nadat zal uitlekken dat het Vaticaan banden heeft met de Italiaanse en internationale maffia, dat ten vierde: verzakkingen en bevingen ontstaan door steenkolenwinning België zullen doen wankelen en dat ten laatste: het Nederlandse elftal ondermaats zal presteren op het WK in Brazilië en geen schijn van kans maakt om een ereplaats te halen, aldus sprak Molenaar,’ en de donkere lange gestalte trok de deur weer dicht en duwde de deur weer open: ‘En o ja, dat de Nederlandse farmaceutische industrie zwaar onder vuur zal komen te liggen mede door het feit dat onderzoek zal uitwijzen dat er al jarenlang kostbare maar onwerkzame medicijnen geproduceerd en verstrekt zijn. In het bijzonder het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen zal negatief in het nieuws komen, aldus Molenaar.’
En weg was het donkere gestalte.
‘Et maintenant, Qu’bah?’
‘Het leek een beetje op een magere leeuw, ja toch?’

‘Maar de Arabische lente was toch onvermijdelijk? Daarvoor was het niet nodig om koffiedik te lezen, monsieur Qu’bah, een klein kind wist al voor de lente uitbrak dat ze ging komen?’
‘Is dat zo?’
‘Ik wist het in alle geval.’
‘U dacht dat er een ommekeer ging komen, u wist het niet.’
‘Ach ja, u begrijpt wat ik bedoel.’
‘Ja, maar u gebruikt de verkeerde woorden.’
‘Comment?’
‘We gebruiken het woord weten als wat we weten waar en kenbaar is, en de Arabische Lente was niet kenbaar. Veel mensen zagen het niet aankomen. Ze konden het niet weten.’
‘Ik wel.’
‘Nee, u wist het niet, uw taalgebruik maakt de wereld kenbaarder dan hij is, uw woorden helpen een illusie in stand houden.’
‘Ach, schrijvers en kommaneukerij; u begrijpt toch wat ik bedoel, na de winter komt de lente.’

‘Daar gaat het niet om, het gaat om het juiste werkwoord.’
‘Ik ben moe, weet u hoe laat het is?’
‘Dat weet ik zeer goed…’
‘Bent u dat zeker?’
‘Zeer zeker.’
‘Of denkt u dat u weet hoe laat het is; bent u zeker dat uw uurwerk niet achter loopt?’
‘Ik heb er vier.’
‘En die liegen niet?’
‘Ik denk het, ja.’
‘Dus u weet het niet zeker?’
‘U dwaalt af, mijn punt is dat we ervan uitgaan dat we het verleden kunnen begrijpen, en dat we uit dat verleden de toekomst kunnen afleiden, maar zo werkt het niet.’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Dan kon u toch niet weten dat de Arabische Lente ging uitbreken…’
‘Dat heb ik niet beweerd…’
‘Jawel, nog geen minuut geleden zei u dat u het altijd al had geweten dat de revolutie voor de deur stond, dat u geen helderziende hoefde te zijn om dat de voorspellen…’
‘Nu legt u me woorden in de mond die ik nooit heb uitgesproken…’
‘Maar u heeft toch gezegd dat u wist dat de Arabische Lente voor de deur stond, dat gaat u toch niet ontkennen…’
‘Wat ik precies gezegd heb, weet ik niet meer, monsieur Qu’bah, ik weet alleen dat je blind moest zijn om het niet te zien aankomen… een soort buikgevoel…’
‘Goed, maar u wist het niet.’
‘Als u het zegt.’
‘Ik wist het…’
‘U wist wat?’
‘Dat u dat ging zeggen…’
‘Dus wat ik ging zeggen was waar en kenbaar.’
‘Ja, nee, u draait de dingen om…’
‘Ach zo.’
‘U begrijpt best wat ik bedoel.’
‘Om eerlijk te zijn, niet echt, u bazelt maar over taalgebruik en verleden en toekomst, maar wat is de zin ervan?’
‘Dat ik-heb-het-altijd-al-geweten zware gevolgen kan hebben, persoonlijk en maatschappelijk… niemand wist uiteindelijk dat de Arabische Revolutie ging uitbreken…’
‘De blinden niet, nee.’
‘Niemand kon voorspellen dat op elf september 2001 de wereld ging veranderen.’
‘Al Qaida had informatie naar de CIA gestuurd waarin stond dat ze een grote aanslag tegen de Verenigde Staten aan het voorbereiden waren.’
‘Maar niemand kon weten dat zich op dinsdag elf september twee gekaapte passagiersvliegtuigen in de Twin Towers van het WTC zouden boren, dat is… achterafkennis.’
‘Als u het zegt.’
‘Dat zeg ik niet, maar Daniel Kahneman.’
‘Is dat een Jood?’
‘U meent het?’
‘Ik meen wat, monsieur Qu’bah?’
‘Dat u die vraag stelt?’
‘Ik wil gewoon weten of die Kahneman een Jood is.’
‘Ja, maar die vraag roept onvermijdelijk… dingen op.’
‘Uw associaties zijn niet de mijne, u gaat ervan uit dat een Arabische vrouw het woord Jood niet kan gebruiken zonder er het verleden of de Gazastrook bij te betrekken.’
‘En doet u dat niet?’
‘Als ik wil weten of Kahneman een Jood is, is dat omdat ik wil weten of het een Jood is, niet meer en niet minder, u gaat ervan uit dat ik daar andere bedoelingen bij heb, u interpreteert mijn vraag en betrekt er het verleden bij…’
‘Dat is toch niet abnormaal…’
‘Nee, maar u denkt dat u uzelf en het verleden begrijpt en dat u daaruit de toekomst kunt lezen, wel, monsieur Qu’bah, u heeft nog een lange weg af te leggen, u zit er weer een geschiedenisje bij te verzinnen, altijd een verhaaltje achter de hand, geloof me: u zit er goed naast deze keer; zegt u me eerlijk wat u in het koffiedrab heeft gelezen?’
‘Het enige wat ik me herinner is een cirkel op de tafel, een afdruk van de bodem van mijn kopje…’
‘Een ei?’
‘Nee, het leek meer op een ballon.’
‘Ik wist het, een ballon: deze koffielezing is doorprikbaar, monsieur Qu’bah, daarvoor had u mij niet midden in de nacht lastig moeten vallen.’

Praktische bezwaren. Ik wil Nescio te lijf gaan, en denk aan Elsschot. Geen wetten, maar geneuzel in de marge zit me in de weg. Geneuzel en spuitluiers en gepruttel uit de wieg. Geneuzel over gestopte schrijvers en symbolische schrijfsters, afgewisseld met de kracht van de karikatuur, het spel met indirecte rede en de stem van de burger in de novellen van Nescio. Bakker, Verhulst, Luiselli, Peek – Van Mersbergen – Lindner – Koubaa – Stoffelsen, Nescio en de baby, zij het niet in die volgorde van belang.

Weken geleden, we waren nog niet een gezin, we waren een stel met een kind, had ik vast in mijn hoofd: ik neem de worstscène uit De uitvreter, mijn favoriet, bijt me erin vast, bijt door en probeer mijn held te onthoofden. Verwachte uitkomst: ik zou de strijd niet overleven. Maar ik heb een blog. Weken geleden ook kreeg ik Valeria Luiselli’s romandebuut De gewichtlozen op mijn bureau.

‘Romans zijn van de lange adem. Dat vinden romanschrijvers althans. Niemand weet precies wat het betekent, maar ze zeggen het allemaal: van de lange adem. Ik heb een baby en een middelste kind. Ze laten me niet ademen. Alles wat ik schrijf zal – kan – alleen maar van de korte adem zijn. Van weinig lucht.’

Ik had Nescio’s scène al eens gekopieerd, meegenomen in de trein, aantekeningen gemaakt. Eerst heb je de thuiskomst van de ik, Koekebakker, intens tevreden met een honorarium en zijn aankopen: brood, worst, thee, suiker, sigaren. Dan de entree van de hem dan nog onbekende Japi, die het zich gemakkelijk maakt. En dan zijn toeëigening van dat brood en die worst. De plot is al erg geestig. Bij het strepen had ik de onrust opgemerkt, de enorme variatie in werkwoordsvormen, directe en indirecte rede, de feitelijke mededelingen die door de context iets ironisch krijgen. Ik had iets opgeschreven: ‘Rommeltje.’

Hoe moest ik dat hard gaan maken?

Ik had zoiets al eens eerder gedacht, bij mijn wandelessay. ‘Haar eigen pad. Over de beek heen, door het kleine bos met de oeroude bomen, het steeds duidelijker spoor, de vrijgemaakte kissing gates. Het zingen van vogels die ze niet herkende, nooit gekend had, een eekhoorn. Ze liep dwars door de steencirkel heen en ging het dijkje in het moerassige land op. De kaart lag thuis, op de tafel.’ Ik geloof dat ik het fragment, uit Gerbrand Bakkers De omweg, toen met ‘onrust’ heb afgedaan. ‘Optimale variatie.’ Effectief, maar rommelig dus.

En het is niettemin een goed boek, in al zijn onbestemdheid. Dat boek is nu voor de prestigieuze International IMPAC Dublin Literary Award genomineerd. Ondanks het feit, wist een grote kwaliteitskrant uit het grootste Nederlandse literaire tijdschrift, dat Bakker niet meer schreef. Ik kan me daar boos over maken. Een ambachtsman werkt niet als hij zijn handen niet gebruikt. Voor een schrijver geldt dat niet. En geen roman? De man vertaalt, hij blogt, schrijft columns. We hebben de krant niet nodig om Bakkers handdoek in de ring te werpen! Hij schrijft!

En nu ging ik ook nog uitroeptekens gebruiken.

‘”Nu wou ik wel een stukje brood hebben”, zei i; “neem me niet kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet.” Hij had m’n kast al in de gaten gehad. “Kerel”, zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ‘t wist. Hij kwam er al mee aanzetten. “Boterhammenworst, een ordinair volksvoedsel.” Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet, hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg.’

Of ik ‘t wist! Hoe kon ik dit fijne stukje slapstick nu aan stukken zagen? En was dit wel mijn dierbaarste stuk Nescio? Hield ik niet juist ook van de melancholie, de romantiek? Kon ik niet beter voor een betere, intiemere passage sneuvelen?

Toen veranderde alles.

‘In dit grote huis heb ik geen vaste plek om te schrijven. Op mijn werktafel liggen luiers, autootjes, transformers, babyflesjes, rammelaars, spullen die ik nog niet heb kunnen thuisbrengen. De ruimte wordt ingenomen door minuscule dingen.’

Ze vliegen in een ruime baan rond de aarde heen, maar vroeg of laat treffen ze je vitaalste systemen. Onberekenbaar, onzichtbaar, onfeilbaar. Je schrijfschouder. Je literaire longsysteem. Je masculiene fulltimementaliteit wankelt, moet parttime voort.

Ik bladerde Titaantjes door. Ja. Dit raakte me meer. Dit is een verhaal in volle vlucht, een kritiek op mens en wereld die te laat is, te zwak, te simplistisch. Maar hij is gemeend. Dit is onze melancholie, tenminste op die dagen dat we de klok van tien nog horen slaan, meer dan twintig romanpagina’s kunnen lezen. Die dagen dat we dromen van het strand.

‘”… Kan jij eruit blijven?”
“Waaruit?”
“Uit die zee?”
Ik knikte van ja, dat kon ik best.
“Ik nauwelijks,” zei Bavink. “’t Is zoo raar dat weemoedige geluid achter je. ’t Is net of zoo’n zee wat van me wil. Daarin is God ook, God roept. ’t Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink “God.” En zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is ’t een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink ’m hebben wil. En dan komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert dat uit z’n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo’n vent laat God met vrede, die is ’m de moeite niet waard.”
Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te gaan. Ik had trek in koffie.’

Ik kon die dagen amper zonder koffie, ja duid dat maar eens, koffielezer, monsieur Qu’bah, en als herkenning dezer dagen is wat onze literatuur verkoopbaar houdt, dan herkende ik in Luiselli dat bureau, in Nescio de koffie.

Zo’n opmerking over schrijven gaat ook over erkenning natuurlijk. Wie romans schrijft, schrijft echt. Wie het Boekenweekgeschenk schrijft, is een van de groten. Het geslacht van de Boekenweekgeschenkauteur 2015 gaat dus over miskenning. Ik maak me veel boos deze weken. Dat mag niet, want ik ben zelf een man, ik zit in een redactie vol mannen, en andere redacties hebben wel een vrouw, en dat zegt alles over wat die redactie leest en goed vindt. Waarover ze zich boos maakt. Over wíé ze leest en goed vindt.

Ik vind Luiselli goed. En Nescio. Ik had bedacht dat ik een goede lezer was, die met een goede schrijver in het strijdperk treden kon. Maar het lukt me niet. Zijn het de luiers? Is het Nescio? Ooit las ik Titaantjes en raasde mee met Bavink. Ook toen kwam ik amper op het strand. Maar de zee en de rand van het perron als de trein eraan komt, daar helpt geen linnen en verf tegen, en evenmin spoorboekjes, wat Bavink ook denkt.

‘Je moet het niet zwaarder maken dan het is, maar ik ben gewoon depressief,’ zei Gerbrand Bakker tegen Das Marketin.

Maar het lezen moet verder gaan dan herkenning en toeëigening. De strijd moet niet om personen of tijdschriften gaan, en evenmin om een DSM van de literatuur, maar om de woorden. Staan ze er goed, kunnen ze beter, missen we een komma of mag er een woord vanaf?

Dus: die zuivere, treffende Nijntje-achtige dialoog die aan Bavinks verhaal voorafgaat, wordt door hem voortgezet. Vocabulaire: ‘raar’, ‘mal’ (dat woord uit de opening van Titaantjes, had dat niet beter vermeden konnen worden hier?). Perspectief: Bavink dit, Bavink dat. Hoi hoi, wat fijn, riep Nijn. Eigenlijk doet Bavink hier wat Nescio de hele novelle doet: zijn vrienden aanduiden met hun achternaam. Dat versterkt de ironie. De gekte. Simpel. Het werkt.

Nee, Nescio’s dialogen zijn goed. Hij is goed met zijn contrasttekening: die sigaar, die koffie! Ja, hij speelt met karikaturen, er zit slapstick in, maar je kunt er niet niet om lachen, niet niet om schrikken. Het zijn de weersbeschrijvingen waarin Nescio onderuitgaat.

‘Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit ’t water te klimmen, in ’t noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed, boven onze hoofden trok ’t laatste licht weg. Wolken waren er niet.’

‘De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan ’t land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.’

Pathetic fallacy ten top. Het weer, het landschap, de dingen, allemaal opgeladen met handelingen en emoties en gedachten. Levenloze fenomenen tot symbolen opgewaardeerd, mensen gekarikaturiseerd tot vertegenwoordigers van bohémien en burger – een klein oeuvre kan ook bezwijken aan overbodigheden.

Functies zijn karikaturen, posities zijn symbolen, hiërarchie heeft betekenis: de Boekenweekgeschenkauteur is een man tenzij, de onzichtbaren achter een tijdschrift zijn schrijvers en lezers, een schrijver die geen romans schrijft is er geen. Maar dat alles is geen literatuur. Dat zijn schema’s. Die maken me boos.

Japi maakt me aan het lachen. Bavink maakt me triest. Kitsch maakt me verdrietig. Je kunt er niet niet over vallen. Maar ik kan me er niet boos om maken.

‘Als u midden in de nacht zonder koffie zit kunt u het ook Qvigstad vragen, monsieur Qu’bah, als u het fijne van de zaak wil weten, moet u bij Qvigstad zijn. Dat is een metafysicus. Die weet alles van het hiernamaals, de toekomst duizend jaar na nu, het leven na de atoomoorlog, embryo’s in reageerbuizen. En nog veel meer… de aandelenkoers… de inflatie… de letteren… en altijd met de glimlach.’
Al goed en wel, maar hoe doe je zoiets: het vragen aan Qvigstad; gesteld dat hij nog leeft? En dan, misschien nog duizend-en-één keer belangrijker: wat vraag je Qvigstad? Je moet natuurlijk een idee hebben van waar je naar toe wilt, een doel so to speak.
‘O nee, monsieur Qu’bah, alles staat geschreven, Maktub, zoals wij hier zeggen, Maktub… het ligt vast, uw verleden en uw toekomst, u moet het alleen nog lezen, in uw koffie.’
‘Of het aan Qvigstad vragen?’
‘Ja, dat is nog beter dan koffie, vraag het aan Qvigstad.’
‘En waar vind ik die Qvigstad?’
‘Gebruik uw verbeelding, koffielezer!’

Qapel, Quaadman met d en dt, Quaasteniet, Quellhorst, Quirido en Querido, Quts en… Qvigstad.
‘Spreek ik met Qvigstad?’
‘Wat dacht u?’
‘Ja, ik bedoel… u bent het?’
‘Nee, ik ben Qvigstad, wat wilt u weten?’
‘Ah… ik, euh, Tunesië heeft me naar u verwezen, ze zeiden dat u beter bent dan koffiedrab.’
‘Zo, beter dan drab, nou, ik heb een hamer met een lange steel, als Tunesië dat wil zeggen.’
‘Nee, ja, Qvigstad, ze zeiden dat u de toekomst kunt zien…’
‘Zien?’
‘Voorspellen.’
‘Zoals ik al zei, ik heb een hamer met een behoorlijk lange steel.’
‘En daarmee kunt u voorspellen wat…’
‘Ja, als Tunesië het zegt.’
‘Wat ik eigenlijk wilde vragen is of de literatuur een toekomst heeft?’
‘Ik heb alleen een hamer, geen sikkel.’
‘U bedoelt?’
‘Dat ik alleen een hamer heb en geen sikkel.’
‘En de toekomst van de letteren?’
‘Zolang er onduidelijkheden zijn, zal er literatuur zijn.’
‘Maar staat de boel niet op instorten? Stapels op stapels op stapels… een boekentoren van Pisa… een boekenberg…’
‘Klimmen.’
‘… auteurs op zoek naar de grootste gemene deler… als het maar verfilmbaar is…’
‘Literatuur is per definitie niet verfilmbaar… wel beklimbaar.’
‘Maar de realiteit is anders.’
‘Daarom heb ik een hamer met een behoorlijk lange steel, ziet u.’
‘Aha.’

‘En?’
‘Ja, die Qvigstad is er me eentje, een kerel uit een stuk, springt over bergen en rivieren met een rugzak vol keien en stenen, kijkt naar de wereld alsof hij van hem is… hij doet me aan Frank Zappa denken… aan God… de schepping doorprikken… longen vullen, hamer in de lucht zwieren… de middelvinger.’
‘U kunt de wereld ook wakker schudden door uzelf in brand te steken, dat hebben we hier in Tunesië gezien… ik las het in mijn koffiedrab… een lange lange rij zich-naar-god-weet-waar-vertakkende dominosteentjes… en het stopt nooit, het blijft zich uitgeslapen uitbreiden, monsieur Qu’bah, zoals Europa dat zich aan het uitrekken is…’
‘Zou dat in de literatuur ook kunnen, zo’n zelfverbranding, een bom onder die boekenberg?’
‘Dat moet u aan Qvigstad vragen.’

‘Angsthazen… mijn deur staat open.’
‘Inbrekers?’
‘Kunnen altijd binnen, daarom zijn het inbrekers.’
‘Zitten er te veel sloten op onze letteren?’
‘Wat denk je zelf?’
‘Dat we allemaal kleine goden moeten zijn…’
‘Zegt wie?’
‘… dat er geen fouten gemaakt mogen worden, alles gepolijst, proper, veilig… ons lijf, onze romans, onze steden, onze tanden…’
‘Wie we zijn is van minder belang, monsieur Qu’bah, wat we willen, daar draait het om… waar wilt u staan binnen pakweg vijf jaar?’
‘Ik had gehoopt dat u dat zou kunnen zeggen.’
‘Ik heb een hamer met een steel van een halve meter, en ik heb moeder aarde een tand uitgeslagen, als u wilt dat de literatuur zich geen vijf jaar meer blijft opstapelen, moet u haar niet bedrijven, maar met een hamer te lijf gaan.’

‘En?’
‘Ik heb een hamer nodig.’
‘Een neef van mij heeft een winkeltje in ijzerwaren, hij heeft vast en zeker wel een hamer…’
‘Ik heb een behoorlijk grote nodig.’
‘Dat moet u aan Qvigstad vragen, hij heeft er een met een heel heel lange steel.’

Toen ik afgelopen najaar aan een essay werkte over bevallingsscènes in de literatuur, had Tommy Wieringa net het schrijven aan zijn novelle Een mooie jonge vrouw afgerond. Ook Eva Meijers tweede roman, Dagpauwoog, was toen vergevorderd. Het essay, de novelle en de roman liggen in elkaars verlengde, en stellen elk op hun manier de vraag hoe om te gaan met andermans pijn. Van dieren, van mensen, van binnenuit en op afstand, omdat het simpelweg niet anders kan: we zijn de ander niet. Maar onze menselijkheid, en in overdrachtelijke zin ons lezerschap verplicht ons ons in te leven.

‘Edward stond iets bij het bed vandaan en keek naar zijn vrouw. Het moest in eenzaamheid worden ondergaan, de pijn zelf bleef verborgen, hij zag er alleen de uitwendige manifestaties van – de schreeuw, de ondulerende melodieën van smart. Empathie was de sleutel tot de pijn van een ander, had ze eens gezegd. Onrustig peilde hij zijn innerlijk.’ Enkele overwegingen over de bevallingsscène in het Boekenweekgeschenk, over bijzondere gewoonheid, afstand en betogende literatuur. En een antwoord op Arjen van Veelens vraag (in NRC Handelsbladvan 28 februari) waarom literatoren zich niet in maatschappelijke discussies mengen. Kort samengevat: dat doen ze wel.

Kort antwoord. Maatschappelijke discussies

Beste Arjen,

schrijvers zijn niet onverschillig tegenover ‘bonussen, banken, Syrië’, ze schrijven er ook over. Maar niet in de krant. En niet meteen. Ze reageren minder primair dan de enkele vakgenoot die zijn belangen bedreigd ziet in de val van een boekhandelsketen of de komst van een boekenspotify waarin alleen boeken zonder schrijvers worden opgenomen. Ze zijn geen columnist zoals Bas Heijne en Arnon Grunberg, ooit romanciers. En ze zijn niet deskundig op dit gebied. Zou je de autoriteit van Thomése erkennen op het gebied van bonussen? (Lees Vladiwostok!) A.F.Th. van der Heijden over banken? Ilja Leonard Pfeijffer over Syrië?

Ik niet. Bovendien beschuldig je schrijvers ervan dat hun boeken geen debat hebben veroorzaakt, maar ligt dat aan hen of aan de krant en de discussieprogramma’s en de status van de auteur, of aan de toon en stellingname van hun romans? Om even naar mijn directe buren te kijken: Bart Koubaa’s De leraar riep wel debat op in België. Gustaaf Peeks Dover was wel een debat met de Teeven van toen waard geweest. En Eva Meijers Dagpauwoog dus, waarin dierenactivisme tot menselijke collateral damage leidt, is een discussie over dierenleed, passiviteit en activisme waard.

Hadden deze romanciers zich met een opiniestuk in je krant moeten laten gelden? Was dat niet opportunistisch geweest? Hypocriet? Literatuur is immers meer dan één statement. Laten we eens kijken of iemand Tommy Wieringa aanspreekt op een van de onderwerpen van zijn Boekenweekgeschenk: dierenleed.

Want wie geen maatschappelijk debat leest in romans, leest niet goed.

Vriendelijke groet,

Daan.

Derdepersoonspijn

In Joe Speedboot (2005), het boek waarmee Tommy Wieringa doorbrak, merkt verteller Fransje Hermans, net ontwaakt uit een coma, al op pagina één op: ‘Het is goed nieuws, zegt hij, dat ik weer reageer op pijn- en geluidsprikkels. Reageren op pijn is onmiskenbaar een teken van leven.’ In Dit zijn de namen (2012) stelt zijn verteller vast: ‘Zijn wezen concentreerde zich rond de brandende smet, hij krulde zich eromheen en had geen andere gedachten meer; de pijn was ondeelbaar en eenzaam.’ En elders, zijn hoofdpersoon, cynischer: ‘De pijn van anderen was een afleiding van het eigen leed, de bestaanszorgen.’

Op de tweede pagina van Een mooie jonge vrouw: ‘”Oud maar leuk…” Edward speelt pijn die echt is.’ Dit is eerstepersoonspijn. Pijn die bij je hoort, die je bent, niet pijn die je meevoelt of begrijpt. Het is de pijn die Edwards echtgenote Ruth, de ‘mooie jonge vrouw’ uit de titel, zal voelen tijdens de bevalling. Maar de taal – reageren, spelen – suggereert dat pijn ook invoelbaar is door, overdraagbaar is op een tweede of derde persoon. Dat medelijden mogelijk is, dat empathie het onbegrip of ongevoel kan overbruggen. Is dat mogelijk? (Ik draaf nu even door, maar ook lezers kunnen ‘reageren op pijn’. En ‘gespeelde pijn’ heeft een publiek. Wie reageert er? Wie kijkt er naar het spel? Is dat de gesprekspartner in de roman of de lezer? Of allebei? Is er behalve de overbrugging tussen personages ook een mogelijk tussen personage en lezer? Dat was een hoofdvraag in mijn essay in De Revisor halfjaarboek 7 (2013-2), en die vraag speelt nu op.)

Voor Edward Landauer, biomedisch wetenschapper, de man in Een mooie jonge vrouw, lijkt dat niet zo te zijn. Hij negeert de pijn van proefdieren, begint er, door de discussies met Ruth, wel in te geloven, maar erkent hem, voelt hem pas aan het slot van het boek. Dan is elke schijn van intimiteit met zijn vrouw verdwenen en de afstand tot haar onoverbrugbaar. Dus wiens pijn leidt tot zijn demasqué?

Derdepersoonseuforie

Hoe dan ook, ergens in het midden van die ontwikkeling, zit de bevallingsscène. Ik ben in zulke scènes geïnteresseerd sinds mijn essay, maar deze scène lijkt vooral symbool te staan voor die ontwikkeling. Edward ziet dat althans zo. De scène beslaat ruim twee pagina’s, maar hij begint zo:

‘Op een morgen vroeg in januari maakte Ruth hem wakker en zei rustig: “Ik geloof dat de weeën begonnen zijn.” Om halfzeven verlieten ze het huis, hij droeg een tas met babykleertjes en luiers en haar nachthemd. Het was rustig op de weg. Zijn hand lag op haar bovenbeen. Geen wolken, voorgevoel van een heldere, koude dag. Rijp glinsterde in het gras in de berm. “Ik dacht dat het gewoon buikpijn was,” zei ze, “maar toen ik ging tellen was het zó regelmatig…”’

En hij eindigt zo:

‘Edward kuste haar verhitte voorhoofd en boog zich over zijn zoon, een blauwig wezentje met bloed en slijm bedekt. Hij rook sterk ijzerachtig. Dit was het dus, dacht hij, deze triomf. Hij grijnsde van oor tot oor. De verloskundige bood hem een schaar aan en hij knipte de stugge, rubberachtige navelstreng door. Morris werd schoongemaakt en gewogen, en toen ze uren later naar huis gingen met het kind in de drager, voelden ze zich bang en onoverwinnelijk als een tienerstel in een gestolen auto.’

Hier is al veel over te zeggen. Er zijn doodgewone, bijzondere, effectieve zinnen. ‘Het was rustig op de weg. Zijn hand lag op haar bovenbeen. Geen wolken, voorgevoel van een heldere, koude dag. Rijp glinsterde in het gras in de berm.’ Doodgewoon, want hier gebeurt niets bijzonders. Bijzonder, want het gaat niet over het onderwerp dat zo voor de hand ligt: het kind dat komt. Edwards voorgevoel geldt niet de afloop van de bevalling of de persoonlijkheid van zijn eerstgeborene, maar het weer. Het contrast tussen babykleertjes en luiers en nachthemd eerst en schaar en navelstreng en drager erna is mooi, de zinnen zijn precies, maar doodgewoon, effectief. Maar ‘bang en onoverwinnelijk als een tienerstel in een gestolen auto’, dat is een geweldig beeld. Het overstijgt de banaliteit van de handeling, het toont de triomf die Edward verwoordt.

Edward beschrijft de triomf, de verteller toont hem. Show, don’t tell, maar vanuit perspectief van hoofdpersoon en verteller niet meer dan een derdepersoonseuforie.

Daar was zij en hier was hij, machteloos en nutteloos

Ik noem het derdepersoons, omdat er een afstand blijft bestaan. Tussen de personages – hij ziet rijp, zij telt de weeën -, en tussen de personages en de lezer – elke handeling is overdacht. Wat ik zocht in mijn essay, een ‘literair Couvadesyndroom’, een benadering van totale inleving in een bevalling – dat vind ik niet bij Wieringa. Hij schrijft effectieve zinnen, geen affectieve. Dat is niet vreemd. Zijn hoofdpersoon is zich steeds bewust van de afstand tussen hem en zijn vrouw. Hij droomt zich geen samensmelting in, zoals de theorie van de romantische liefde voorschrijft, hij ziet wat hen scheidt, en leeft daarmee. En nu is de pijn alomaanwezig, die pijn die hij niet begrijpt, en gaat hij erover nadenken.

‘Edward stond iets bij het bed vandaan en keek naar zijn vrouw. Het moest in eenzaamheid worden ondergaan, de pijn zelf bleef verborgen, hij zag er alleen de uitwendige manifestaties van — de schreeuw, de ondulerende melodieën van smart.
Empathie was de sleutel tot de pijn van een ander, had ze eens gezegd. Onrustig peilde hij zijn innerlijk. Daar was zijn vrouw. Ze leed. De pijn van een amputatie zonder narcose, werd het genoemd. Hij huiverde door de misvorming van haar stem. Hij zou haar hebben getroost als ze zijn aanraking verdragen had, maar hij kon niet tot haar lijden doordringen. Daar was zij en hier was hij, machteloos en nutteloos. Hij kon de grens niet oversteken. In haar wereld leek bijna iedereen daartoe in staat, zij en haar vrienden waren principieel verbonden met het lijden van de wereld, uitgesplitst in deelgebieden als onderdrukte vrouwen, politiek gevangenen, proefdieren, consumptiedieren en Tibetanen. Hun leed trof hen direct, emotioneel, hun zenuwstelsel was met dat van anderen verknoopt. De pijn van een ander was een voorwaarde voor een zinvol bestaan.’

(Waarmee Wieringa Edward Landauer in discussie brengt met de cynische Pontus Beg uit Dit zijn de namen.)

Edward ziet eenzaamheid en pijn. Hij voelt het niet. Nogal wiedes, als je met die grote woorden blijft smijten, met beelden, met pathos, en dan weer met triviale achtergrondkennis. Edwards taal, zijn rede staat hem in de weg. En de lezer voelt het door die vertaling, die beredenering, evenmin, die herkent hooguit de ophoging van pijn, het rituele sussen door de verloskundige, haar tijdelijke, laakbare afwezigheid, het handelen, het kind. Daarmee reduceert Wieringa dit moment tot een voorbeeld in het betoog voor de erkenning van pijn. Want ja, ‘reageren op pijn is onmiskenbaar een teken van leven’, ‘de pijn van een ander was een voorwaarde voor een zinvol bestaan’, en Edward weet het, maar realiseert het zich niet. Het ware demasqué, het daadwerkelijke invoelen vindt pas later plaats, als hij murw is van babygehuil en de verbanning uit zijn huis. Ironisch genoeg vindt de erkenning van zijn gevoel, tijdens een nervous breakdown, plaats op het slagveld van de rede, op zijn werkplek in de collegezaal.

Dan pas voelt de lezer het ook. Tot dan toe heeft Wieringa een knappe novelle geschreven, alles klopt. Echte pijn wordt gespeeld. Eenzaamheid is alom aanwezig. Pijn is verborgen. We weten dat voelen ertoe doet, maar we voelen het pas als de eerste persoon het ondergaat.

Er lacht een Chinees duiveltje op de bodem van mijn kopje. Het kan evengoed een neus zijn. Een vierkante. Ik bel Tunesië: ‘Er zit geen logica in, monsieur Qu’bah, u kunt de toekomst niet voorspellen uit een verleden dat u niet kent… er is geen formule…’ Arabische logica van een koffiediklezeres. Ze gaat onweerlegbaar verder: ‘Het gaat erom waar u begint met kijken, doet u dat bij het oortje of juist niet, uw standpunt is van wezenlijk belang, zoals de kleur van de drab dat is.’
‘De kleur?’
‘Oui, la couleur… donkere drab is niet gunstig, lichte wel, en niet alleen de drab heeft een vorm, ook het wit van uw kopje tussen de drab is leesbaar… het is dus best mogelijk dat u in de drab een duivel zag en in de witte tekening van uw kopje een vierkante neus.’
‘En is dat goed of slecht nieuws?’
‘De duivel in uw kopje wil zeggen dat oude vrienden kwade plannen voor u beramen, de neus dat er iemand raad zal komen vragen.’
‘Is dat niet tegenstrijdig?’
‘Monsieur Qu’bah, denkt u toch eens logisch na…’

‘Excuseer, het is nogal laat en ik heb de hele dag…’
‘Als er dus een oude vriend om raad komt vragen, weet u wat u te wachten staat.’
‘O ja?’
‘Laat hem…’
‘Kan het ook een haar zijn?’
‘Vous dites?’
‘Of het ook een oude vriendin kan zijn?’
‘Ik zeg u: laat hem of haar voor geen geld van de wereld binnen, u haalt de duivel in huis, dat staat in uw drab te lezen, het Paard van Troje, monsieur Qu’bah, het Paard van Troje!’
‘In de drab op mijn schoteltje zag ik duidelijk een onderzeeër…’
‘Met of zonder periscoop?’
‘Zonder.’
‘Zeer vervelend, zeer vervelend… was het geen platvis?’
‘Eventueel, ja.’
‘Ziet u wel: gebruik uw intuïtie, zegt de platvis, koffielezer, gebruik uw instinct als er een oude vriend voor de deur staat.’

4 maart 2014, wat zeg ik? 5 maart 2014, er staan twee lelies als periscopen van een kolossale onderzeeër in mijn tuintje in bloei; in het parkje tegenover mijn schrijfkamer de eerste witroze bloesems aan de kerselaar. In plaats van te werken zoek ik in een oude doos oude foto’s van oude vrienden. Ik vind er een drietal: een Chinees, twee Vlamingen en een Hollandse, vier dus. Als een van hen aanbelt laat ik ze niet binnen; de Hollandse zeker niet.

Maar hoe herken je oude vrienden vijfendertig jaar later? In het geval van de Chinees moet dat lukken, hoewel je niet elke Chinees die aanbelt de toegang tot je huis kunt ontzeggen omdat het een Chinees is, wat trouwens ook voor Amerikanen, Oost-Europeanen en Oegandezen geldt; en wat doe je in het geval zo’n Oegandees zegt: ‘I’m your friend.’ Moet je dan vragen of hij een nieuwe, een oude of een neutrale vriend is. Je weet niet wat je in huis haalt.

Ik overweeg sterk als koffie niemand meer binnen te laten. Telefoon. Tunesië. ‘Welke koffie gebruikt u eigenlijk, en welk kannetje?’
‘Douwe Egberts en een Turks kannetje.’
‘Monsieur Qu’bah, u moet café Bondin gebruiken, of Sadok Ben Yedder, mijn neef heeft een zaakje in Brussel, daar vindt u alles wat u nodig heeft om goed te lezen, ook kannetjes, Arabische kannetjes… u wilt toch niet leren paardrijden op een paard met twee poten? Ga naar Brussel, met mijn groeten, mijn neef zal een redelijk prijsje voor u maken.’

Ik naar Brussel. Met de trein. Om koffie. En een kannetje. Tunesische. Onderweg lees ik in mijn Starbucksbekertje dat volgend jaar een oude vriend de Libris wint. Er lacht een duiveltje in mijn neus. Het wil eruit, ik snuit, rijd achterwaarts de toekomst binnen: Tunesië dient een aanvraag in voor lidmaatschap van de Europese Unie. Brussel-Zuid. Dat komt logischerwijze uit.