Tomas Lieske (Den Haag, 1943) schrijft romans, verhalen en poëzie. Zijn laatste roman heet Door de waterspiegel  (2014), zijn meest recente dichtbundel Haar nijlpaard optillen (2012). De romans Nachtkwartier (1995), Franklin (2000) en Gran Café Boulevard (2003) werden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, die Franklin won. Dünya (2007) werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Voor zijn dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen (2006) ontving hij de VSB Poëzieprijs. Lieske debuteerde in 1985 in De Revisor. Hij was geruime tijd redacteur van Tirade, waarvoor hij ondermeer een reeks essays over Nederlandstalige poëzie schreef, die zijn gebundeld in Een hoofd in de toendra (1989). Wij publiceren twee nieuwe gedichten: ‘De kindertijd van Alice’ en ‘De kindertijd van David ‘Noodles’ Aaronson’.

*

De kindertijd van Alice

Nog nooit in Wonderland geweest en dagelijks
kniel ik voor de spiegel op de schouw
om te zien of ik niet lelijk word,
geen hoedjesharen krijg, geen hijskraanneus,
of er een gummidopje groeit, rijpe bulten
en melkplopje, een bloedvulkaan,
hoe ik kikkerbekken trek en met mijn ogen
ernstig naar een betoverd leven kijk.
Tegenover mij zit dat onzeker kind,
een eenzame gelijke die nooit
vanzelf spreekt, altijd overgehaald moet
worden. Is zij plat vlak ondanks alles wat
afstand en diepte heeft zoals ik duidelijk zie?
Of kijkt zij naar mij en ben ik plat?
Ik heb getracht het meisje in de spiegel
te versieren, een roos boven haar hoofd
maar zij gaf alles terug, tot de haring
die ik naar haar smeet, tussen ons in
met bolle ogen naar beneden gleed,
de tong die ik uitstak tot ik haar tong
koud raakte, naar glazen tanden smaakte.

De kindertijd van David ‘Noodles’ Aaronson

Wij hebben het puinterrein in velden verdeeld
en noemen die velden Saffraan of Kaneel,
Nardus, Mirre of Aloë. Soms naar vreemde specerijen
die wij niet kennen, die wij vermoeden, maar waarvan
de klank doet denken aan aartsvaderlijke helden,
ook al groeien hier klitten en netels, pispot en bijvoet,
soms wilde struiken met geurige resten van rozen.
En om ons heen al die ernstige joden.

Onze moeders hebben vaandels genaaid. Ik tors
mijn banier boven de hoon; hoog boven het gelach
van wie dan ook en op het kinderslagveld rennen wij
verhit van de wierookheuvel naar de vijandige bergen.
Ieder moet zijn huis beschermen. Mijn Davidstoren
is met wapentuig bevestigd en met duizend papieren
ronde schilden. Zo luidt de wet. Die spelen wij.
En om ons heen al die gelovige joden.

Met dauw op het voorhoofd zoek ik mijn lelie in de dalen,
een sjikse met barnsteen tussen haar vlechten,
met nachtdruppels in de omberbruine lokken.
Vermijd, mijn liefste, zoem ik onhoorbaar, de gevechten,
til met smalle hand je felgekleurde rokken, het leven
ligt nog voor ons, vrolijk en blootshoofds, wij maken
onze eigen teksten. Kom naast mij liggen onder
de alziende hemel, in ons zwaarbevochten puin.
En om ons heen waken al die strenge joden,
hun tallith en hun keppel , hun zwarte jas en hoed
de synagoge, de Tora, hun eeuwige citaten,
hun ouderdom, hun heimwee, hun dood tegemoet.

Als ik in bed lig, denk ik aan het glinsterding. Ik wil wel aan iets anders denken, maar het lukt niet goed. Ik neurie stilletjes het Lied van Gelijkheid, tot ik merk dat ik niet meer neurie. Waar op het eiland zou het ding gemaakt zijn? Ergens in de geheime kamers van de overzieners? Of in zee, zoals Baby 12 zegt? Daar moeten dan mensen wonen die ook kunnen schrijven, of dieren. Het is gek dat we de letters en tekens konden lezen, maar dat veel van de woorden helemaal niets betekenen. ‘Gemalen zwarte peper’ snap ik, en ‘bereid en verpakt ook’ , maar de rest is geheimtaal. Mijn hoofd voelt zwaar als ik er te lang over nadenk. Wat zou iemand willen verbergen met taal die niets betekent?

Er zijn veel nachten dat ik niet slaap. Dan lig ik maar wat en kijk naar de anderen. Ze bewegen als de zee die rust. De maan schijnt door het dakraam en zo nu en dan komt er een vogel voorbij. De meesten van ons zijn stil, een paar maken slaapgeluiden. Adem die fluit. Snurken. Het kraken van stijve lakens wanneer je draait en keert. Baby 2 steunt zachtjes, alsof hij een nare droom heeft.
Dan herinner ik me opeens dat ik al eens een glinsterding gezien heb. Meerdere. In een droom. Ze stonden op een rij, op een houten plank. Er was een overziener in een rare witte jurk en een ding van stof op het hoofd. Echte overzieners hebben altijd een blauwe jurk aan en hun haar opgestoken – in dromen maak je makkelijk van bekende onbekende dingen. Ik was in de droom uit bed gekomen en liep tussen andere bedden waar veel grotere baby’ s lagen dan ik. Ik struikelde en ik viel. Ik moest heel nodig plassen. Door een kier zag ik de overziener in de keuken. Maar niet onze keuken, een andere keuken. Een droomkeuken. Buiten het raam klonk gegrom en het op elkaar botsen van zware dingen.
In de wereld van dromen is veel meer lawaai dan in de onze.
Toen ik uit die droom wakker werd, moest ik rennen naar de wc. Maar geen van de baby’ s die wakker werden, durfde er iets van te zeggen.

‘Hoi.’
Baby 3 is naast me komen zitten. We zitten op het bankje dat tegen het huis staat. We hebben net in ondergoed hardgelopen en ook nog vergesprongen in een hoop zand – de anderen zijn nog bezig. Mijn huid is alweer droog, maar Baby 3 zweet nog steeds. Zijn haar plakt tegen zijn voorhoofd en door de zon heeft hij meer sproeten gekregen dan anders.
‘Ben je klaar?’ vraagt hij.
‘Ik ben klaar.’
‘Mocht je stoppen van de overzieners?’
‘Hu-huh.’
Baby 3 lacht zoals alleen hij dat kan: vrolijk dom. ‘Je kan veel harder rennen dan wij.’
‘Ik kan niet harder rennen dan Baby 5.’
‘Jij bent de beste.’ Hij knikt driftig. ‘Vind ik wel.’
De overzieners spannen een touwtje tussen twee bomen. Dat touwtje gaat steeds verder omhoog, tot niemand er nog overheen kan. Ze gebaren dat we moeten komen. Ik wrijf over mijn been en doe of ik erge pijn heb.
‘Wat is er, 1?’ roept de overziener met het blonde haar.
Ik roep terug dat ik gevallen ben in het bos. Baby 12 staat achteraan de rij en knikt. De overziener ziet dat ik naar hem kijk. Ze fronst.
Baby 3 staat op. ‘Kom. We moeten echt.’
‘En toch springt iemand het hoogst… ’ mompel ik.
‘Huh?’
‘Niks. Ga maar.’
Hij staat op, maar wacht nog even. Zo ernstig als nu heb ik hem nooit gezien. Dan loopt-ie alsnog naar de rij.

Afgelopen vrijdag gebeurde het weer: iemand vond in de krant dat schrijvers te weinig geëngageerd zijn. Ditmaal was het Anton Dautzenberg, een geëngageerd schrijver, in de boekenbijlage van NRC Handelsblad. Maar het is onzin. Tien redenen waarom.

N.B. Dit stuk maakt onderdeel uit van een bredere discussie. Onderaan volgen wat links naar wat voorafging en wat volgde – niet noodzakelijkerwijs reacties. Ook Anton Dautzenberg zelf heeft in de reacties een verheldering gegeven van zijn intenties.

1. In deze discussie wordt engagement altijd te eng gedefinieerd

Engagement wordt in deze discussie gebruikt als maatschappijkritiek, discussie over politiek, normen en waarden. De grote onderwerpen. Nooit over rouw, moederschap, depressie, bevallingen. De betrokkenheid van schrijvers bij deze intieme onderwerpen is minstens zo essentieel als hun stellingname over Gaza, de passiviteit van de Nederlandse overheid of of de rechten van de mens ook voor pedofielen gelden, over bonussen, banken, Syrië.

2. Literatuur wordt altijd te ruim genomen

Steevast wordt verwezen naar engagement zoals dat blijkt uit opiniestukken, columns en tv-optredens. Dat is geen literatuur.

3. De Grote Drie is altijd de dode standaard

Reve over een ezel. Hermans over katholieken. Mulisch over Cuba – dat is, kort samengevat, het engagement waarmee literatoren van nu zich moeten meten. Sterkte. Sindsdien is onze wereld veranderd. De voornaamste veranderingen: de Grote Drie leven niet meer en het schrijverschap is een vreedzaam beroep geworden. Toch?

4. Roepende auteurs zijn geen lezende auteurs

Er zijn zoveel tegenvoorbeelden te noemen, ook boeken, maar die lijken nooit gelezen te zijn. Ik noemde eerder al Peek, Koubaa, Meijer, Wieringa. Maar neem ook Uphoff, Van Hassel, Thomése, Van der Heijden, Enquist. Neem Ronald Giphart. Die heeft over meer geschreven dan over koken en heeft zijn betrokkenheid getoond bij het Polare-debacle. Neem het romandebuut van Henk Hanssen, Een kwestie van zelfbehoud, een boek over de Nederlandse VN-missie in Libanon die zo over de chaos in Syrië, Libië, Irak, Afghanistan, Oekraïne, Mali te leggen is. Dat boek verscheen vorig jaar. Schrijvers die niet lezen, zelfs geëngageerde schrijvers die niet lezen, vertrouw ik niet.

5. Leon de Winter is ook geëngageerd

Dautzenberg heeft terecht stelling ingenomen over donorschap en pedofielenvereniging Martijn. Als goed geëngageerde schrijvers noemt hij Arnon Grunberg en Hafid Bouazza. Maar niet de uiterst betrokken maar (even) regelmatig onzin uitkramende Leon de Winter. Bepaald engagement is blijkbaar geen goed engagement – maar ook dat is een vorm van engagement.

6. Schrijvers zijn geen deskundigen

De voorbeelden van Reve, Hermans en Mulisch tonen al aan: schrijvers hebben vaak geen idee. Van inhoudsloos engagement hebben we al te veel.

7. Geëngageerde literatuur is niet altijd goede literatuur

Engagement in de krant en op tv betekent stellingname. Maar goede literatuur vraagt meerstemmigheid, iets zoekends, ruimte voor de lezer. Literatuur óver iets is snel gemankeerde non-fictie. Literatuur tégen iets is al snel een pamflet.

8. Kunst gaat niet over het wat maar over het hoe

Engagement moet overgebracht worden. Als iets belangrijk is, hoe laat je dat zien, hoe zorg je dat de lezer het ziet en voelt en weet en vooral: erover twijfelt? Dat vakmanschap maakt nogal eens het verschil tussen goede en slechte literatuur.

9. Schrijvers zijn geen public intellectuals

Literatuur moet meer zijn dan amusement. Dan kunst voor een kleine groep. Dan commercieel product. Ze moet een plek hebben in de maatschappij, zich verhouden tot een grotere groep, en ze moet serieus zijn. Blijkbaar. Het ligt dus voor de hand dat schrijvers zich als public intellectuals opstellen, zoals bekende columnisten als Bas Heijne en Arnon Grunberg, (oud-)politici en die ene wetenschapper die wel uit zijn woorden komt. De vraag is of schrijvers die rol op zich moeten nemen (want 6) en kunnen nemen. Het zijn ambachtslui en kunstenaars, en hun betrokkenheid leidt niet tot stellingname maar tot kunst.

10. Literatuur kan niet zonder engagement

Goede schrijvers zijn niet a-politiek, ze schrijven niet zonder moraal. Maar dat wordt niet altijd zichtbaar, het komt niet aan de oppervlakte. Ze weten dat Aristoteles een Poetica en een Politica schreef. En dat het twee verschillende boeken zijn. Geen literatuur.

11. Literatuur moet niets

P.S. Dit is een overzicht van de relevante stukken van de afgelopen week, en een stukje ervoor:

P.P.S. Ik wil heus wel nadenken over wat er dan wel aan opiniestukken en essays in de krant zou moeten verschijnen. Misschien over twee weken. Tien onderwerpen waarover we graag een schrijver zouden willen lezen in de krant.

     

    Misschien moet ik iets vertellen over het eiland en het huis.
    Het eiland is veel kleiner dan de zee, maar toch best wel groot: een paar duizend stappen van de ene naar de andere kant. Het is heel groen en hoog – als je over de rand van de kliffen kijkt word je duizelig. De rand van het eiland is rotsig, met een paar stukjes strand ertussen waar je niet kunt komen. Er is bos en er is weide en als je loopt ga je soms omhoog en soms naar beneden. Vaak schijnt de zon en dan hoef je geen jas aan. Maar het regent ook wel eens en heel, heel soms waait het zo hard, dat we met zijn allen hout voor de ramen van het huis moeten timmeren. De laatste keer is de kippenren weggewaaid. We zijn wel een week bezig geweest alle kippen te vangen.
    Het huis is langwerpig en heeft een driehoekig dak. Er is een slaapzaal waar alle baby’ s slapen, er zijn een paar klaslokalen, er is een eetzaal, een keuken en de kamer van de dokter. In de kamers van de overziener mogen we niet komen, al ik heb weleens een glimp opgevangen. Er staan mooie meubels en apparaten die veel ingewikkelder zijn dan de apparaten in de keuken. In één kamer hangt altijd een soort mist die stinkt. In die kamer staan een heleboel verschillende boeken. Ik zou graag willen weten wat er in die boeken staat. Wij hebben maar één boek, en dat is het Boek van Gelijkheid.

    Baby 12 wil met me praten. Ik snap niet goed waarom. Hij heeft een briefje onder mijn kussen gelegd. Hij zal op me wachten achter de kippenren, op het bospad dat naar de moestuin leidt. Ik mag het tegen niemand zeggen. Ik durf niet goed, want misschien is het een grap van Baby 2, en word ik straks in elkaar geslagen. Maar ik ben ook nieuwsgierig.
    Dus ga ik toch maar kijken.
    Er is niemand achter de kippenren, en ook niet op het bospad dat naar de moestuin leidt. Ik kijk goed om me heen of ik Baby 2 niet zie. Het is best warm vandaag – ik zweet een beetje. Ik knoop het jasje van mijn uniform los, al weet ik best dat dat niet mag.
    ‘Hé, pst.’
    Baby 12 heeft zich verstopt in de struiken.
    ‘Wat doe je daar?’ fluister ik.
    ‘Kom mee. Ik heb een geheime plek.’
    De geheime plek is een hoekje tussen een paar grote keien voorbij het bos. Je kunt er schuilen voor de wind en kijken naar de vogels die overvliegen. Ik merk dat ik jaloers ben dat hij zo’ n geheime plek heeft. Als ik alleen wil zijn, ga ik naar de klif, maar dan ben ik nog niet alleen.
    Baby 12 pakt iets op wat glinstert. ‘Moet je dit zien.’
    Het is een ijzeren ding, in de vorm van een cilinder en ongeveer zo groot als twee vuisten op elkaar. Er zit papier omheen, waarvan een deel door het water is losgeweekt. Maar het andere deel is er nog. Er staan woorden op die ik niet begrijp. Petring’ s Trumpet. Gemalen zwarte peper. 2 oz. net wt. Bereid en verpakt door H.P. Coffee Co., St. Louis, mo.
    ‘Hoe kom je hier aan?’ vraag ik. Het lijkt me geheimtaal.
    ‘Ik heb het gevonden. Op het kiezelstrand. Onder de kliffen.’
    ‘Het is daar hartstikke gevaarlijk!’
    Soms komt de zee, en die spoelt dan over het kiezelstrand en beukt op de stenen wand erachter. Vaak liggen er stukken hout of zwarte planten die zijn meegebracht.
    ‘Het water was laag,’ zegt Baby 12. ‘Het was niet gevaarlijk. Ik zag iets glinsteren, beneden, en ben toen geklauterd.’
    ‘Als de overzieners je betrappen, krijg je straf.’
    ‘Ik ben niet bang voor straf. Ze geven alleen maar straf omdat ze zelf bang zijn.’
    Dat lijkt me onzin. Waarvoor zouden de overzieners bang zijn? Ze hebben altijd gelijk en mogen alles bepalen. Ik ben misschien de eerste baby, maar ik ben niks vergeleken bij hen.
    ‘Zeg eens, Baby 1, als je het over mij hebt, noem je mij dan ook Rooie?’
    ‘Natuurlijk niet.’
    ‘Mijn haar is toch rood? Ik vind het niet erg. Ik heb het liever dan een getal.’
    Ik vraag me af of ze ook een woord voor mij hebben. Nou ja, baas van de wereld, dat weet ik. Maar dat is alleen maar om te pesten.
    Hij laat me de onderkant van het glinsterding zien. Zwarte kringeltjes, delen van cijfers en letters. Iets en dan nog iets en dan 1924.
    ‘Ik snap er niks van,’ zegt Baby 12. ‘Jij?’

    *

    Deze zomer schrijft Auke Hulst een feuilleton voor De Revisor: Baby 1. Dit is aflevering III.

    Mijn tante heeft nog negen kinderen, maar het zijn niet haar eigen kinderen. We zijn haar kleinkinderen en we noemen haar dan ook tante. Soms vergist iemand zich en noemt haar per ongeluk moeder, en dan moet je bij haar komen, pakt ze de frituurtang uit zijn doosje en klemt je neus tussen de zilveren poten. Nooit hard genoeg, en toch gillen we voor het effect even kort en hoog. Dat stelt haar ook gerust in haar opvoedkundige benadering: streng maar rechtvaardig. Haar eigen zonen en dochters ziet ze één keer in het jaar op de zomerbarbecue in de achtertuin tussen de koolzaadplanten waar we ons beleefd om een statafel vormen, als bijen rond een glaasje cola. Ieder kind heeft zijn eigen statafel. Er prijkt een kartonnetje op met je naam zodat je ouders weten dat ze daarheen moeten, niet aan het verkeerde kind vragen hoe het leven staat, dat zou beschamend zijn. De laatste keer dat ik mijn ouders zag, hadden ze een hondje gekocht. Arm beest.
    ‘Missen je,’ zei mijn vader.
    ‘Ja,’ zei mijn moeder, ‘kom je snel terug?’
    ‘Als de hond groen ziet, ben ik er weer.’
    Stralend keken ze elkaar aan en herhaalden met dubbele tongen: ‘Als de hond groen ziet komt ze weer, als de hond…’

    *

    Uit haar koffertje haalt mijn tante een ingedeukte koekjestrommel met engeltjesmotief. Even legt ze haar hand erop. Spanning opbouwen gaat in laagjes als bij een slagroomtaart, zonder die verdiepingen willen mensen niet meer jarig zijn, zijn ze te snel bij de bodem, klapperen lepeltjes allemaal tegelijk op de witte schoteltjes, zou niemand meer de jarige kunnen feliciteren, Happy Birthday inzetten op een valse gitaar.
    ‘Hoe keer je straks terug van zoiets groots,’ vraagt mijn tante. Voor ons zit een mevrouw met een rugzak op haar rug in de vorm van een kikker. Om de paar seconden kijkt ze achterom, bolt ze haar wangen even kwaadaardig maar zegt niets. Ik buig me naar tante toe en fluister in haar oor: als een kruimelkoekje dat op breken staat, een zandtaartje dat nog uren tussen je tanden blijft knarsen. Het komt door de wereld. Tante schudt haar hoofd, duwt opstandig haar boezem vooruit die als twee gerimpelde sinaasappels in een te strak netje uitpuilt boven de rand van het truitje. Je ziet het door de opengevallen jas, de zijpanden als gordijnen. Het is de show.
    ‘Fout,’ zegt ze. ‘Dit is geen koek. Het is cake en cake is nooit krokant geweest, het waren de ouders.’
    Ze opent de koekjestrommel en steekt haar hand met de ovenwand erin. Drie pogingen voordat ze een plakje te pakken heeft. Ik denk aan de kermis Foire du Trône waar we gisteren na haar aankomst in haar oude Daf met daarachter de veekar samen heen gingen.

    We hadden uren over het terrein gestruind. Aan het eind van de avond was ik in vijf attracties geweest, had zij een knuffel gewonnen met een graaimachine en vijf suikerspinnen op om haar angst voor mijn einde in zo’n monster te onderdrukken. Alleen in de rups ging ze mee. Bij iedere beweging die een bocht forceerde, gilde ze in stukjes het Onze vader in mijn oor. Onderweg naar huize Bierman-Lapôtre gaf ze me een plakkerig handje, reed ze weg met de veekar die alle kanten uitzwabberde als een dronken toerist. In bed voelde ik nog steeds haar kleverige vingers tussen de mijne, als een kleefhandje van een kind bij het reuzenrad. Het sloeg er steeds mee op de rug van zijn moeder waar het even bleef hangen, een vette vlek op haar jack achterliet. Het rendierknuffelbeest lag stijfjes naast me. Hij rook naar knalerwten.

    *

    ‘Natuurlijk, de ouders. Gelukkig heb ik jou,’ zeg ik.
    ‘Geen andere tante ontmoet?’
    Ik schud mijn hoofd en kijk toe hoe ze een plak cake ongezien in haar mond probeert te stoppen. Van geruststellingen krijgt ze honger.
    ‘Fijn,’ zegt ze met volle mond.
    ‘Nog drie nachtjes.’
    ‘De koeien missen je.’
    ‘Ik mis de koeien.’

    Als we even later de kerk uitlopen, legt ze een plakje cake aan de voeten van de man met de cavia. Hij glimlacht breed. Hij denkt vast dat het een gouden plakkaat is.

    *

    Voordat we gaan slapen doet ze haar ovenwanten uit en legt ze naast haar hoofdkussen. Buiten toeteren auto’s, verlicht de Eiffeltoren willekeurige buurten, slaapkamerramen van onbekende.
    ‘Ik kwam niet alleen om mijn ovenwanten de showen,’ zegt mijn tante. Vanuit mijn bed kijk ik op haar neer, ze heeft haar hoed nog steeds op. Ik heb haar één keer zonder hoed gezien. Het was op de dag dat ik voorgoed bij haar introk. Het stormde zoals het vaak op dat soort dagen stormt, alsof de dag wist dat het zwart omrand in mijn hoofd gebeiteld zou worden. Mijn moeder had me even geaaid als een omgekeerde manier van zwaaien. Zo voelde het ook, alsof ze de afstand wegwuifde: tot later, het ga je goed, doe de groetjes aan kind 96 en 15 (we dragen allemaal een geel neknummer om onze halzen van dode koeien, tante is nooit goed geweest in namen). Toen we naar de auto liepen, was haar hoed even boven haar hoofd gaan zweven. Lange grijze lokken dansten uitbundig in het rond als meisjes die te snel oud waren geworden, erachter kwamen dat ze te veel gemist hadden, het in wilde halen.

    Omdat er maar één deken in het vertrek ligt, slaap ik nu onder twee kaarten van Parijs. Jardin Du Luxembourg steekt in mijn teen. Na een nachtje zo te slapen moet je toch niet meer kunnen verdwalen.
    ‘De zomerbarbecue gaat niet door, de bijzettafels blijven dit jaar in de schuur,’ zegt ze. Ik zucht opgelucht. Kon de aaiende vingers die naar wodka roken, al langs mijn wang voelen. Ze roken nu ook vaak naar hond. Ik weet niet wat ik erger vind.
    ‘Ik blijf een tijdje in Parijs, heb wat gehoord over macarons, wat ze nu wel of niet taai maakt. Waar ligt het verschil?’

    *

    Deze tekst in vier delen ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre. Lees deel I, II, III en IV.

    Soms heb ik het gevoel dat Baby 2 iets van plan is. Hij heeft zijn eigen groepje, en allemaal hebben ze een gemene blik in hun ogen. Baby 7 is er altijd bij – dat is dat meisje met krullen. En Baby 8, die hele grote. Baby 8 doet de geiten pijn als we moeten melken, en soms trapt hij een kip. Ze praten en dan kijken ze even mijn kant op. Daarna praten ze nog wat meer. Als ik Baby 2 zie, loop ik liever een stukje om. Maar niet door het bos. Daar voel ik me niet ok&eacute . Ik denk dat het belangrijk is dat je altijd de zee blijft zien.

    Vandaag was echt prachtige dag. Ik heb weer zo’ n grote vis water zien spuiten! Vooral als je op de klif staat zie je het goed. De klif is hoog en groen – ik vind het fijn daar te zijn. Maar soms moet ik even een stukje weg van de rand, omdat ik de gedachte heb dat ik vliegen kan, terwijl dat niet zo is. Ik stond naar de vis te kijken en dom te grijnzen, zonder dat ik dat zelf doorhad. Er is niets slims aan blijdschap, maar fijn is het wel. Ik denk ook niet dat ik echt slim ben. Maar ja, ik ben wel Baby 1, dus de anderen doen alsof ik slim ben. Sommigen, dan.
    De vis is een walvis, zeggen de overzieners. Het is niet eens echt een vis. Maar wat is het dan wel? Hij zwemt toch? Vaker nog zie ik een veel grotere vis aan de horizon, een lange, met een hele rij monden waaruit rook komt. Zo’ n vis durft nooit dicht bij het eiland te komen. Ik heb gevraagd of dat dan wel een vis is, maar de overzieners waren boos en wilden het er niet over hebben. Eentje ging naar binnen&nbsp – vast weer om in een dichte kamer opgewonden piepgeluiden te maken. Sommige piepjes zijn lang en andere zijn kort. Ze zeggen dat het een soort muziek is, en dat wij nog te jong zijn om de melodie te kunnen horen.

    Elke ochtend, voor onze lessen, moeten we op de binnenplaats verzamelen en het Lied van Gelijkheid zingen. Er wordt gekeken of onze kleren in orde zijn – of dus niet iemand zijn schoenen anders heeft geveterd, of een bloem in een knoopsgat heeft gestoken, zoals Baby 12 een keer heeft gedaan. Baby 12 is vreemd. Hij is de enige met rood haar en met sproeten. Hij is de enige die zegt dat er meer moet zijn dan de zee. Onder zijn bed lag een schrift waarin hij verhalen schreef over wat er allemaal nog meer kan zijn&nbsp – dat schrift is ingepikt door de overzieners. Ik weet niet hoe vaak hij al in elkaar is geslagen, maar sinds ik heb gezegd dat ze hem met rust moeten laten, heeft hij geen blauw oog meer gehad, geen schrammen, en geen vlekken op zijn kleren. Nu wordt hij gewoon genegeerd, ook door de overzieners, lijkt het wel. Hij heeft niet eens dankjewel gezegd.
    Ik wil hem vragen wat er in zijn schrift stond, maar ik durf niet goed. Zeker niet nu Baby 2 doet zoals hij doet. Ze zeggen dat we allemaal gelijk zijn, maar hoe kan het dan dat de een gemeen is tegen de ander? Dat is alsof je gemeen bent tegen jezelf.

    *

    Deze zomer schrijft Auke Hulst een feuilleton voor ons, Baby 1. Dit is aflevering II.

    Als je goed kijkt, en dat kun je maar beter doen, zie je een zelfportret in de koffie. Een zelfportret, al dan niet in de koffie, kan verschillende dingen betekenen: geluk, reflectie of ‘nee ik ben geen reproductie maar een zelfportret’. Het zelfportret kennen we vooral van de schilderkunst, van Michelangelo, Rembrandt van Rijn, Diégo Velázquez via Vincent van Gogh, Egon Schiele, Fridha Kahlo tot Francis Bacon en Gilbert & George. Allemaal hebben ze zichzelf afgebeeld op doek, allemaal hebben ze zichzelf de vraag gesteld: ‘Wie ben ik?’ De een heeft zichzelf plechtig voorgesteld, misschien uit dankbaarheid voor een mecenas, de ander als grap in een groot gezelschap in een spiegel bijvoorbeeld, nog een ander vervormd: een psychologische momentopname. Veel fotografen hebben zichzelf gefotografeerd; iedereen fotografeert zichzelf vandaag. Ook iedere koffiedrinker fotografeert zichzelf dagelijks in zijn kopje koffie; met of zonder melk, bewust of niet, elke dag wordt een deel van onszelf in de koffie gereflecteerd en drinken we onszelf als het ware op. Iedere ochtend, zou je kunnen stellen, verdwijnen we een stuk in onszelf, en vloeien we in een donker koffiemeer waarin onze herinneringen liggen opgeslagen. Alles is reflectie, daar herinneren de maan en de rivier ons aan, en de ekster die stukjes glas naar zijn nest meeneemt. Waarom een ekster dat doet? Omdat hij van blinkende voorwerpen houdt? Of omdat hij zichzelf kan zien in een klein stukje glas? Omdat hij zich afvraagt: ‘Wie is die vreemde vogel?’ Als apen en olifanten zichzelf in een spiegel herkennen, waarom eksters dan niet?

    ‘Het zijn toch vervelende beesten, monsieur Qu’bah, ze maken amok, ze stelen eieren en eten jongen.’
    ‘Zijn er eksters in Tunesië?’
    ‘Monsieur Qubah, dat zou een vogelaar als u toch moeten weten.’
    ‘Ik weet niet alles.’
    ‘Er is de Arabische ekster, de Zwartsnavelekster, de Geelsnavelekster, en wij hebben de Pica pica Mauritanica.’
    ‘En lijkt die op onze ekster?’
    ‘Hij heeft een iets langere staart, zijn vleugels zijn iets korter en er zit wat minder wit in, én hij heeft een kaal blauw plekje achter het oog.’
    ‘Wacht es even, staat hij niet op de postzegel van de reclame die uw oom me onlangs heeft gestuurd?
    ‘Dat zou kunnen.’
    ‘Een momentje…’
    ‘Ik heb alle tijd.’
    Ik vond de enveloppe tussen de stapel oud papier.
    ‘Ja, kijk, hier staat hij, op een takje en ernaast de kaart van Afrika waarop Tunesië, Algerije en Marokko in het rood staan aangeduid… République Centrafriquaine…’
    ‘Dat moet hem zijn.’
    ‘Wat gek, onderaan de postzegel staat: Pie à bec jaune.’
    ‘Dat is fout, het is geen Geelsnavelekster.’
    ‘Nee, op de tekening heeft hij een donkere snavel.’
    ‘De Geelsnavelekster heeft een heldergele snavel en een kaal plekje rond het oog.’
    ‘U weet veel van vogels?’
    ‘Ja, u heeft het me geleerd. Als u in uw koffiemeer zou duiken zou u het verschil tussen een ekster van bij u en een ekster van hier zien.’
    ‘Ja, maar het blijven nare beesten, niet?’
    ‘Breek me de bek niet open. Ik heb een buks van mijn buur geleend en ga door dat nest schieten.’
    ‘Nee?’
    ‘Ja, en dan hoop ik dat ik raak schiet en hang ik een dode ekster aan een stok. Dat zal de andere eksters weghouden.’
    ‘Is dat niet een beetje al te drastisch? U kunt ook bomen omhakken of palen zetten en er donkere draad tussen weven.’
    ‘Ik heb geen bijl en geen palen.’
    ‘Uw buurman misschien?’
    ‘Mijn buurman, laat me niet lachen, die kent het verschil niet tussen en aks en een buks. Kunt u het geloven, monsieur Qu’bah, en ik weet niet of het waar is, ik heb het op de markt gehoord, maar mijn buurman zou, ik hoef u niet te vragen dit voor uzelf te houden, mijn buurman zou zich ’s avonds als vrouw verkleden en buikdansen voor zijn schaap… tegen u gezegd en vooral gezwegen, monsieur Qu’bah, omdat het schaap dan ook gaat dansen en het vlees malser zou worden, mijn buurman heeft namelijk maar zeven tanden, ik heb altijd gezegd, die tanden… maar ja… hier… je moet er wat… suiker… ik zeg…’
    Ik ben ondertussen in mijn koffiemeer gedoken en bevind mezelf in het Hessisches Landesmuseum in Darmstadt voor het schilderij De ekster op de galg van Pieter Bruegel de Oude. Mijn blik wordt naar het midden van het idyllische landschap gezogen, naar een galg waarop een ekster zit. Ik hoor iemand zeggen dat die ekster symbool staat voor de clapphige tongen, de lastertongen, de verraders en verklikkers die door hun geroddel en geklets mensen aan de galg praten. ‘Misschien verdient die ekster volgens Breugel ook de galg,’ zegt iemand. Als ik goed kijk, en daar ben ik vanuit gegaan, ik moet goed kijken, dan zie ik op een boomstronk net voor de galg een tweede ekster. Bruegel zag duidelijk en scherp in zijn koffie dat wij door roddelaars en verraders in het oog zouden gehouden worden, door Big Brother en de NSA, het blok aan ons been, de klappende vuilbekeksters die zelf de galg verdienen.

    De straten zijn hier net mikadostokjes, steeds wanneer ik ze even aangeraakt heb, lijken ze zich te verschuiven waardoor ik ze de keer daarop niet terug kan vinden, mijn kans verspeeld is. In Parijs kun je verdwalen zonder echt de weg kwijt te raken. Zo veel verloren mensen op één plek en niemand die je om zijn moeder hoort roepen als een lammetje in een kudde dat het wol niet meer van elkaar kan onderscheiden, bij iedere vreemde een glas melk krijgt aangeboden. Het schept een band om niet de enige te zijn die zoekt. Na twee keer de weg vragen en zes verkeerde straten, kom ik eindelijk uit bij de kerk Saint-Germain-des-Prés. Op de trappen zit een oudere man met een cavia aan een visdraadje. Prachtig beeld. Ze gebruiken hier alles om het medelijden van de toerist te weken. Zoals mijn tante dat vaak probeert door de hele dag ovenwanten te dragen.

    Twee dagen geleden belde ze om naar het weer te vragen en dat ze naar Parijs zou komen om haar nieuwe ovenwanten te laten zien. Zebraprintje. En ja, mijn ansichtkaart had ze ontvangen maar ze vond de S en de K niet met mijn handschrift overeenkomen (van tevoren heb ik deze op moeten schrijven op een servetje met daarop kruimels van een croissantje waardoor de pen af en toe haperde. Vandaar).

    Gemis is dat wat we niet als redenen aan kunnen wijzen voor een vertrek, zoals gebroken servies nu eenmaal een gevolg is van een val: zo simpel zouden we dat niet kunnen maken, dus gieten we het in de vorm van een ovenwant. Het is ook een manier om te laten zien dat mijn tante weer last heeft van de reuma die in haar vingers is getrokken. Ze draagt de ovenwanten de hele dag, zonder dat het ook maar iets met cake bakken te maken heeft, lasagneovenschotel. Inmiddels weet iedereen in de familie dat ze dan een vraag verwacht over het proces van het krommen van haar vingers, waarom ze naar binnen groeien en niet naar buiten. Het zal niet lang meer duren voordat iemand anders de koeien moet melken, zij aan de zijlijn met gebalde vuisten klaar om toe te springen als een straaltje melk in de plastic emmer niet het juiste geluid produceert.

    En nu staat ze hier op het plein voor de kerk in haar statige grijze zondagsjas met een grote en een kleine koffer in beide handen. In het kleine koffertje zou je een duur sierraad in verwachten, maar het blijkt haar zilveren frituurtang te zijn die zo hard blinkt dat ik hem snel weer dicht klap. Ze heeft hem ingesmeerd met uiervet. Nergens gaat ze heen zonder haar show.

    Bij het bord met de Vivaldiposter staan we tegenover elkaar. Nu weten we wat we moeten doen maar gisteren twijfelden we of we elkaar moesten omhelzen, of daar een vanzelfsprekendheid in zou zitten waardoor we daarna niet onze ogen naar de straatstenen hoefden te richten, en als zij haar hand weer uitsteekt met de ovenwant eraan, pak ik hem aan en schud hem zachtjes alsof we dit al jaren zo doen. Hoe ontmoet je iemand die je nog nooit eerder heb ontmoet, die er altijd al is geweest? Ze is er al vanaf mijn geboorte toen mijn ouders het moment bezegelden met een fles wijn en ze dat later bij ieder moment nodig vonden: bij de overgang van dag naar nacht, van buiten naar binnen, een doekje over de stoffige tv halen, de krant lezen, iemand telefonisch te woord staan. Al gauw lagen er meer lege flessen bij het afval dan luiers.

    Het begint te regenen. Mannen komen uit supermarkten met kartonnen dozen van Nutella over hun hoofden. Hun vrouwen volgen op een meter afstand. Achter mijn tante aan loop ik de kerk binnen. Midden in het gangpad staan we stil. Een jongetje van een jaar of tien zit voorover gebogen op een stoel alsof hij zoveel zonden heeft dat hij naar beneden wordt gedrukt, zijn hoofd alleen nog maar laag bij de grond kan blijven. In Parijs krijgen daardoor de meeste mensen een kromme rug. Een andere reden is dat hun moeders hun geleerd hebben om altijd alert te zijn voor eventuele stuivers tussen de straatstenen. In Nederland zie ik zelden een meneer of mevrouw met een rug in negentig graden gebogen. Opvallend.

    ‘Hij is gewatteerd,’ zegt ze. De ovenwanten vallen op bij haar jas. Ze draagt haar hoed, misschien hoopt ze dat hier ook koeien zijn, dat iemand haar tenminste herkent want een boerin pik je er zo uit. Er kleeft mest met een paar strohalmpjes aan haar laarzen.
    ‘Reuma?’ Even kijkt ze opgelucht. Ze was vast bang dat ik er niet naar zou vragen, dat ze daar dan in haar eentje zou zitten met haar kromme vingers als uilenklauwen.
    ‘Het gaat, het gaat. Je moet ermee leren vliegen.’ Ik knik meelevend en til haar koffers op, zet ze tussen de kerkbanken en schuif naast tante. Vannacht sliep ze in een hotel maar daar vond ze het kussen net een liksteen. Loeihard. Het is een vreemd vooruitzicht om haar straks op een oud matras naast mij in huize Biermans-Lapôtre te slapen te leggen, haar gesnurk niet langer door het behang te kunnen trekken en als ik bang ben niet langer meer op haar deur hoef te kloppen met de smoes dat er volgens mij een koe moet jongen, terwijl er geen enkele drachtig is. Met een zaklamp in haar hand zou ze dan uit bed klimmen en alle hoeken van mijn kamer verlichten.
    ‘Geen koe.’ Ze herhaalde het steevast vijf keer.
    ‘Oh nee,’ zei ik dan, ‘de stier komt pas over een maand.’ En we glimlachten zonder de daadwerkelijke reden van mijn inbraak in haar slaap te benoemen. Soms haalde ze in de keuken een glas melk voor me dat ik in een keer leeg moest drinken. Als ik dan in de ochtend ontwaakte zat mijn mond aan de binnenkant van mijn nachtjapon geplakt, aangekoekte melkresten, nachtelijke angsten die overdag geslonken waren als spinazie in de pan: je vergist je steeds weer in de grootte. In de hoeveelheid ervan.

    *

    Deze tekst in vier delen ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre. Lees deel I, II, III en IV.

    Mijn naam is Baby 1. Ik ben geen baby, maar wel geweest. Nu ben ik dertien. Wat dat precies betekent weet ik niet – de overzieners zeggen het. Het heeft iets met tijd te maken, geloof ik. Ze zeggen dat het eiland rond de zon draait, waardoor er kleine verschillen zijn in de planten en het weer. Ik ben Baby 1 omdat ik de eerste baby was op het eiland. Baby 2 was de tweede&nbsp – hij mag me niet. Baby 3 mag me wel, en ik mag Baby 3, al hou ik er niet van dat hij zo’ n slijmerd is en altijd zo hard lacht. Heel veel baby’ s ken ik niet of nauwelijks, omdat ze bang voor me zijn, of te klein om echt mee te kunnen praten.
    Ik ben de oudste, en de jongste, Baby 36, is zeven. Er komen geen baby’ s meer bij. Het enige wat verandert, is dat er soms een overziener verdwijnt en soms een overziener bijkomt. Waar de overzieners heen gaan en vandaan komen weet niemand. Nou ja, de overzieners zelf misschien. Als je ernaar vraagt, geven ze liever geen antwoord, of ze zeggen iets over een andere wereld, die is als de wereld van dromen. Ze zeggen dat er nergens op deze wereld mensen zijn, alleen maar op het eiland. Afgezien van het eiland is alles zee.

    Alle baby’ s zijn gelijk, zeggen de overzieners, maar volgens mij is dat niet waar. Ik was de eerste baby en dat maakt me de belangrijkste. Niet dat ik dat graag wil, of zo, maar de anderen laten het me altijd merken. Ze willen mijn mening en ze willen dat ik me bij hun groepjes aansluit. Anderen zeggen juist: daar heb je haar weer, de baas van de wereld. Daardoor voel ik me alleen, en daardoor heb ik ook liever geen mening. Maar hoe? Mijn eigen hoofd praat tegen me, hoe hard ik ook denk: stil nou, hoofd.
    Ik ben een meisje en Baby 2 is een jongen. Dus meisjes zijn belangrijker dan jongens. Baby 3 is ook een jongen, dus misschien dat dat wat uitmaakt, maar de eerste baby blijft de eerste baby. Daar kun je verder weinig aan doen.
    Ik wou dat ik niet de eerste baby was.

    In de badkamer bij de slaapzaal hangt een spiegel. Je mag niet bloot voor de spiegel staan, maar soms doe ik het toch. Het moet snel, want de deur kan niet op slot. Mijn haar is blond en kort en ik ben niet heel groot. Hoekig in plaats van rond, maar steeds een beetje minder. Er groeien haartjes, en ik krijg borsten, net als de overzieners. Ik hoop niet dat ze net zo groot worden als die van hun. Het lijkt me een heel gesjouw en mooi is het ook niet.
    Waren de overzieners vroeger ook baby’ s? Waarom hebben ze dan geen nummers, zoals wij, maar letters?
    Baby 4 heeft al wel echte borsten, en een paar maanden terug werd ze wakker met bloed in haar bed. Ze krijste als slachtvee, maar sinds de overzieners hebben uitgelegd wat er aan de hand was, loopt ze met haar neus in de lucht. De overzieners hebben met haar gepraat over dingen waarvoor wij te jong zijn, zegt ze, terwijl ze toch echt jonger is dan ik ben. Wat voor dingen? vroeg iemand. Vieze dingen, zei ze. Ze lachte en Baby 2 knikte, alsof hij precies wist waar ze het over had. Sindsdien is ze ook weleens bij zijn groepje.
    Nu kijk ik elke ochtend onder mijn deken, bang voor wat daar is.
    In de slaapzaal, buiten de deur, hoor ik gestommel. Ik trek snel mijn ondergoed en onderjurk aan, dan mijn uniform. Maar wie er ook in de slaapzaal was, hij of zij is alweer weg. Ik hoor wel vaker mensen die er niet zijn. Ik denk dat ze even op bezoek komen uit de wereld van dromen.

    In mijn hoofd is de wereld van dromen donker en stoffig. Buiten het raam klinkt grommen en blaten en heel veel stemmen.

    *

    Deze zomer schrijft Auke Hulst een feuilleton voor ons, Baby 1. Dit is aflevering I.

    In de metro denk ik aan mijn eerste mobieltje met het spelletje Snake. Steeds sneller bewoog de slang, die langer en langer werd, over het beeldscherm, maar zodra je de zijkanten raakte, was je af. Dood. Dat verwacht ik nu ieder moment in de metro die bulderende geluiden maakt, zich in bochten wringt die niet te voorzien zijn. Tl-buizen flikkeren, tassen schuiven onrustig heen en weer op hun plek, kunnen maar niet de juiste zitvorm vinden. Het maakt me bang. Hard kunnen rennen zal nu geen zin hebben. Iemands aftershave legt voor het effect nog even een strop om mijn nek. Ik glimlach geruststellend naar een meneer. Hij glimlacht niet terug, het was ook meer voor mezelf bedoeld.

    Op mijn rechterschoen zit een klodder duivenpoep, vast opgelopen bij de Notre-Dame waar de duiven zicht ontpopte tot gehaaide bedelaars. Voor een kruimel doen ze alles. Een meisje in een zomerjurk liet ze met stukjes van haar crêpe avec Nutella, op haar hoofd en handen landen. Een straaltje chocolade liep over haar voorhoofd. Fotografen legden haar vanuit iedere hoek vast. In Parijs herinneren ze je er overal aan dat je dit niet zomaar mag vergeten, niet voorbij mag laten gaan: leg het vast, koop een ansichtkaart. Ik stuur er eentje naar mijn tante die twee weken in een slaapzak bij de klep van de brievenbus op de deurmat ligt. Een thermoskan met koffie ernaast, de Visie opengeslagen op de pagina met omslagen in iemands levenWachtend op mijn groetjes – met de hand geschreven zodat ze er zeker van is dat ik nog in leven ben.

    De deuren schuiven open, de metroslang laat mij uit zijn buik. Het sist me zachtjes na: Angsthaas, angsthaas, angsthaas. Ik kijk niet om. Tante zou nu over een goed gesprek beginnen, over hoe je dat moet voeren. Als er bezoek komt, laat ze de deksel van de koekjestrommel op een kiertje openstaan. Legt de frituurtang in de magnetron.
    ‘Het is het vocht,’ zeggen de gasten.
    ‘Het is de afkomst. De vorm van het blik. Het bakpoeder’.
    ‘Nee,’ zegt mijn tante, ‘het is de wereld. Niemand blijft krokant.’
    Sommigen weten niet dat ze gebruik mogen maken van een plaspauze. Er is een hulplijn maar daar moet je de regels voor kennen. En die staan op een blaadje en het blaadje zit in de Bijbel. Tussen Genesis en Exodus in.

    Ik loop langs de Seine. Een forse vrouw in een zwart, glimmend motorpak staat bij de waterkant, in haar rechterhand houdt ze een appelpunt vast. Haar ogen verscholen achter twee donkere glazen. Een paar meter verderop staat haar tegenvoeter: een meneer zo grijs als de straten met zijn rug in negentig graden gebogen, een onverwachtse haarspeldbocht: van een teveel aan tegenwind trekt je rug krom. In zijn hand een plastic verjaardagsbekertje. Er zitten een paar één-centmunten in die met elkaar nog lang niet rinkelen. Naast hem ligt een herdershond met net zo’n gebogen rug. Stil. Misschien heeft zijn baasje aan het begin van de dag gezegd: lig, ga dood. Om zo nog meer medelijden te wekken, en als de toeristen van het decor zijn afgevallen, knipt hij vast met zijn vingers, dartelt de hond weer vrolijk rond, zoals honden dat kunnen. Hij draagt de zwarte hoed van mijn tante tussen de koeien. Zonder die hoed nemen de koeien haar niet serieus, produceren ze minder melk. In Parijs staat het hoofddeksel net zo goed voor herkenning want hoe vaker je dezelfde bedelaar ziet, hoe eerder je iets geeft. Sommigen gebruiken hem daarnaast voor het geld, anderen als asbak voor de stompjes van gevonden peuken. De gebogen man probeert er zijn naaktheid mee te verbergen. Ik vraag mij af waarom ik trager loop, in een rouwstoetpas. Omdat ik me schaam? Omdat ook ik niets zal geven? Niemand kijkt echt naar hem, ze zien alleen het water in de verte om naartoe te gaan. Ik voel mij net de motorvrouw met de appelpunt.

    In een vreemde stad veranderen tragische mensen in souvenirs. In je hoofd is daar speciaal een vensterbankje voor geplaatst, zo draag je ze altijd met je mee, overal waar je naartoe gaat of terugkomt.

    Voor het eerst zie ik het ijzeren cliché, de kerstpiek van Parijs, de Eiffeltoren. Ik ga eronder staan als een echte toerist met de camera in de hand om de ontmoeting vast te leggen. Kinderen ter grootte van een stokbrood worden omhoog gehouden door vaderarmen. Even groot, roepen ze. Hier meten ze alles met stokbroden. De Eiffeltoren is 528,5 baguettes hoog. Op de verschillende verdiepingen zie je mensen als zilverfiguurtjes over de relingen hangen, zwaaiend naar niemand in het bijzonder. Vier zelfmoorden per jaar. Op Wikipedia las ik dat, voordat ze de netten plaatste, ooit een vrouw de sprong overleefde doordat ze op het dak van een auto viel. Toen ze hersteld was, trouwde ze met de eigenaar van de lichtgroene Daf. Ook dat publiek trekt de Eiffeltoren aan maar voornamelijk geliefden, gelukkig de geliefden.

    In de avond wordt huize Biermans-Lapôtre gevuld door pianomuziek, ruiken de gangen naar havermoutpannenkoekjes. Ik maak een nestje in mijn kussen voor mijn hoofd en denk aan vandaag: want wie legt vanavond de bedelaar te slapen, wie aait er de hond?

    *

    Deze tekst in vier delen ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre. Lees deel I, II, III en IV.