We dachten dat het niet stiller kon maar het blijkt te kunnen. De beken liggen stijf over de bergrug. Boven de baai zijn alle geluidsgolven bevroren. De kustlijn is een witte, bobbelige streep, vastgevroren golfslag. De zon, laag, staat bleek op één plek. Ik vraag me af of de aarde nog draait. Er is niets te horen van het gekabbel waaraan we gewend zijn geraakt. Over de beek in de tuin ligt een ijskap. De watervalletjes hangen in trossen aan de rotswand, Grýla’s troffeeën, baarden van gesneuvelde aardmannen.
Ons uitzicht is een schilderij van een met sneeuw geverfde berg en stilstaand water. De suggestie van een rimpeling is er wel, maar het rimpelen zelf ontbreekt.

Onze dochter maakt sneeuwpoppen met neuzen van wortel, ogen van steen, met monden van tak. Ze omhelst haar nieuwe vrienden. Als de koppen eraf blijven rollen, huilt ze. Binnen haal ik de ijspegeltjes uit haar wimpers.
Het is de eerste avond dat ik alleen thuis ben. Mijn man bezoekt een concert in Reykjavík. Als een boer heeft hij eerst zijn schoenen gepoetst.
Het wordt al donker, de avond valt vroeg. Mijn dochter zit in de vensterbank en bespreekt iets met de maan. Hij komt uit de bergen om ons bij te lichten. Hij praat niet terug maar hij heeft een gezicht, dat volstaat. Hij zorgt voor eb en vloed in de tuin, soms is het strand er wel, soms niet. Terwijl we eten ziet ze hoe hij, rechts boven de baai, het water wenkt. We zingen: In de maneschijn, klom ik op een trapje door het raamkozijn. Mijn dochter probeert de maan een hap te geven, met gestrekte arm, een lepel vol sneeuwpopneus. Ze is gewend dat dingen aaibaar zijn en anders op z’n minst te slaan, maar hoe ze ook graait, de maan ontglipt haar.
Ik vraag: ‘Heb jij geen honger, maan?’
Mijn dochter zegt: ‘De maan hoort niks van mama.’
Na het eten maakt ze een tekening. Ze tekent nooit langer dan tien seconden. ‘Spelen met de maan,’ zegt ze. Spelen met een ander kind was leuk geweest maar die hebben we niet op voorraad. Ik zoek een punaise om de tekening mee vast te prikken maar vind er geen.
‘Even naar de hema,’ stelt mijn dochter voor.
Als ik haar optil om haar in bed te stoppen, wordt er geklopt. Ik schrik, ik verwacht niemand. In de twee maanden dat we hier wonen hebben we één keer de postbode op de stoep gehad met een pakje uit Nederland, de vuilnisman, die met het geweld van de Dag des Oordeels het weggetjes af komt razen en eenmaal de loodgieter, op verzoek.
Mijn dochter zingt: Zo doet een vogel en zo doet een vis.
Ik weet niet of de deur op slot zit. Ik heb niet aan bang zijn gedacht. In dit fjord is angst potsierlijk.
Zo doet een duizendpoot die schoenenpoetser is, zingt mijn dochter.
Ik heb niemand horen naderen. Ik heb geen opgeladen telefoon, de vaste is nog niet aangesloten, de maan hoort niks van me, ik roep, mijn eerste brokkelige IJslands vergetend: ‘Who is it?’
De klop wordt herhaald. De voordeur komt direct uit op de woonkamer. Een stem zegt: ‘Halló?’
Mijn dochter zegt: ‘Man. Niet pabbi.’
De man zegt: ‘Icecream van!’
IJs? Het is min elf.
Mijn dochter zet haar hiel in mijn flank om me de sporen te geven, ik zeg: ‘Nei takk!’
‘OK,’ zegt de man en hij groet.
‘Bless bless!’ roept mijn dochter.
Ik loop naar de keuken en loer vanuit het donker door het raam. Inderdaad staat daar een bestelbusje met icecream erop.
Mijn dochter: ‘Ik wil ijs.’
Terwijl ik in haar kamer zit te wachten tot ze slaapt, zie ik een rode streep verschuiven tussen deur en post. De reflectie van achterlichten die zich verwijderen van onze lap grond.
Als ik later – kind in slaap – de deur inspecteer, blijkt hij niet op slot te zitten. Aan de buitenkant zit een klink. Ik moet de deur openen om hem af te kunnen sluiten. Ik doe het vlug.
Buiten trekt de maan tevergeefs aan de bevroren vloedlijn.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor De Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

*

Sinds er een tunnel onder zee doorloopt, wordt Hvalfjörður van de grote rondweg afgesneden. Voor mensen die vanuit Reykjavík naar het Noorden rijden, of naar een vakantie-oord in de Westfjorden, scheelt het zo´n anderhalf uur. Vissen, vogels en nertsen hebben het fjord teruggevorderd. De weg langs de kustlijn is er nog wel, maar wie zich als mens vertoont krijgt door het verschrikt opfladderen van gevogelte, het wegschieten van dieren in holen en twee cirkelende adelaren boven de kruin, het gevoel abuis te zijn.

In het fjord is een baai te vinden, een slurf water, met een huis. Het huis is onze bestemming. We hebben het ongezien gekocht – een retour was te duur, we stuurden en broer uit Reykjavík om te kijken of het op instorten stond. Het huis is van hout en staat op een terp. Afgaande op hoe lang het te koop heeft gestaan, zullen we hier nooit weggaan. Dat weten we. Hier worden we oud.
Voor het eerst je eindstation betreden gaat niet zonder beklemming. Je stapt in honderd vierkante meter toekomst. Wat er ook gebeurt, het zal hier gebeuren. Onder dit raam zul je je oeuvre bij elkaar moeten pennen. Dit zal je uitzicht zijn. Je ziet voor het eerst de keuken waarin je talloze appeltaarten zult bakken, voor alle verjaardagen en vieringen van zwemdiploma´s en eindexamens. Je dochter, nu twee, zal zich in dit huis van je losweken. In die hoek met de opgerolde telefoonkabel zul je je ouders verliezen.
Je zet de koffers en je vioolkist op de grond.
Er zijn geen meubels, de container staat bij de douane.
Je man rent van kamer naar kamer, beklimt de ladder naar de vliering, holt een ronde om het huis.
Je loopt over de planken vloer die glimt in de late avondzon, maar kraakt en splinters geeft. Je trekt je dochter de laarsjes aan die ze net heeft uitgetrapt. Je opent de achterdeur. Door de tuin stroomt een beek. Het mos rondom, dat fluoriserend oplicht in de schemering, vertelt ons dat het drinkwater is. Man en kind liggen al op knieën en ellebogen te slurpen.
De tuin is zwart zand vol wier, tot aan zee. Aan de andere kant hellend grasland, kreupelgewas tot de weg. Vier hectaren onontgonnen IJsland. Van tuinieren weten we niets, laat staan in dit klimaat. Je staat op de drempel, je ziet de baai, de bergrug, lucht. Er is een vaag besef de enige in dit fjord te zijn met een gedachtegang. Je bent niet-baai. Wat zich buiten je huid en onderhuids voltrekt is onverenigbaar. Denk je een flard, dan hangt dat flard boven het eb te wachten op een vervolg. Er is niemand die de gedachte voor je af zal maken.
Halverwege de helling zie je de man staan die je kent in de context van een stad, waar gedachtes frequenties zijn tusssen miljarden andere, dezelfde. Je kent hem in een landschap van mensen, het landschap van armen en wandelende benen, heupen en schouders, de lucht erboven niet meer dan een restvorm tussen profielen en deinende achterhoofden. Je kent hem in bouwsels en vehikels die afgesteld zijn op de menselijke gestalte, je kent hem in een stolp van taal en stemgeluid, als mens tussen mensen.
Een man in de wei heeft niets landschappelijks. In de wei is een man een man. Hij wijkt in elk opzicht af van wat hem omgeeft, met zijn machinaal geproduceerde broek en overhemd, zijn met een kappersschaar geknipte haar en gladgeschoren kin. Een animatiefiguur in een natuurdocumentaire. Zelfs het kind, in haar rood met wit gestippelde plastic laarzen is een stijlbreuk.
Je pakt je viool uit de kist en speelt een toonladder in de leegte. Je vingers zijn stijf want het is koud. Denk je. Je weet nog niets van kou. De winter moet nog beginnen.
Je kijkt naar de watervogels, die snaterend omhoog zwermen. Ze houden een spoedvergadering. Hun territorium is achter hun rug om verkocht, wat nu?
Je dochter legt haar hoofd in haar nek en roept naar een overvliegende raaf: ‘Hallo!’
Ze krijgt geen antwoord. Ze zwaait hem uit en zegt, terwijl ze achterwaarts naar binnen loopt: ‘Ik ben een mens, mama. Een vogel niet. Een vogel is een vogel. Dat rijmt.’

Het Boekenweekgeschenk is niet veel bijzonders, al verschillen de meningen hoe erg dat is. Het zit mij wel dwars, ik heb me wel vermaakt en nog meer geërgerd, maar wat je gegeven wordt, moet je niet tezeer bekritiseren. Of juist wel? Doe je literatuur daar juist niet meer recht mee? Ook de bevallingsscène in De zomer hou je ook niet tegen is niet veel bijzonders. Toch is het nuttig om, net als bij het geschenk van vorig jaar, zo’n generieke scène te bekijken. Elke zin kan iets over een boek, over een schrijver zeggen. In dit geval ondersteunt het noch de lofredes op Dimitri Verhulsts stijl, noch de kritiek die ik erop had. De scène, vanuit stiefvadersperspectief (sorry, plotspoiler), is vooral vlak en weinig concreet. De scène verraadt waarom dit geschenk niet veel bijzonders is.

Er zijn zo al vier manieren om deze verteller zijn vlakheid te verontschuldigen: het contrast met de gepassioneerde relatie die eraan voorafging en ervoor werd afgebroken, de tijdspanne tussen vertelde en vertellerstijd (zestien jaar!), de herhaling, onachtzaamheid. Het mag. Maar werkt het? En hoe dan?

‘De avond voor ze van jou moest bevallen belde ze mij opnieuw, ze voelde jouw komst, en wou zich de zieligheid besparen alleen te zijn op het moment van jouw intrede in het leven. We zijn samen naar de kraamkliniek gegaan. Dus daar stond ik weer, in zo’n verloskamer. Even ongemakkelijk als ik dat mijn vorige keer was geweest. Zeven uur van arbeid, er zijn ergere gevallen bekend. Ze heeft mijn handen tot compote geknepen, in mijn vingers gebeten, mij in haar barenspijnen van alles en nog wat verweten, en uiteindelijk stuurde jij jouw eerste lelijke kreet de wereld in…’

De scène heeft een romantische achtergrond: het is niet zijn kind, maar ze vraagt hem er wel bij. Zou dat pijn doen? Hij wilde geen kind, dus soit. Maar het is wel de liefde van zijn leven, zoals Verhulst dat de afgelopen tientallen pagina’s heeft proberen uit te leggen. Maar de verteller beperkt zich tot feitelijkheden. Ze belde me. We zijn gegaan. Daar stond ik. Er zijn ergere gevallen bekend.

Maar helemaal kaal houdt Verhulst het niet. Geen scène zonder beeldspraak, en deze is in lijn met Verhulsts eerdere ‘kankerstok’ en ‘godenvocht’: de handen tot compote knijpen, dat is zo vanzelfsprekend dat ik het al niet meer voor me zie. En geen Verhulst-scène zonder het net even harder te zeggen: dat eerste geluid is een lelijke kreet. En daar komt de grap:

‘… en sprak de grootste komiek onder de gynaecologen de kerkelijke woorden: “Testiculos habet et bene pendentes.” Aan de basisvoorwaarde om paus te mogen worden was voldaan. Een vroedvrouw legde jou in mijn armen en zei: “Proficiat!”’

Een grap bovendien die even uitgelegd moet worden. En het Latijn (2x) vergroot de afstand. Ten slotte:

‘Twee kilogram honderd. Een geval van dismaturiteit. Sterrenbeeld: Kreeft. Het was 20.36 uur, dat scheen altijd weer belangrijk te zijn. Het precieze geboorte-uur werd in een boekje genoteerd.
Ja, je had testikels en ze hingen goed, Chopin. Maar ik had het meteen gezien. De rest zat minder goed.’

Je kunt je afvragen wat dat sterrenbeeld er toe doet, of de tijd – ‘dat scheen altijd weer belangrijk te zijn’, waarom vertel je het dan nog? Om het vonnis even uit te stellen? En om het volle gewicht op die laatste, strakke zin te leggen? Deze scène is de sleutel voor de verhouding tussen verteller en toehoorder, tussen stiefvader en zoon, en die laatste zin de erkenning van de disbalans daarin. Echt dramatisch wordt het er niet van.

Maar vooral moet je je afvragen waar de moeder is gebleven. Onachtzaamheid. Die naamloze vrouw staat centraal in de novelle, en nadat ze gebeld, geknepen en gescholden heeft, is ze uit beeld. Dat vooral maakt de scène vlak: deze mensen hebben geen relatie. In tegenstelling tot wat die verteller een boek lang zegt, voelt hij in deze scène niets voor die vrouw, niets voor die jongen. Ze zijn getallen: zeven uur en 2100 gram.

Een gegeven paard dient men niet in de mond te kijken. Vooruit, men kan het recht doen: veertig tanden. 96 pagina’s.

Johanna Geels (1968) is dichter, schrijver en columnist bij o.a uitgeverij Marmer en HP/DeTijd. Er verschenen drie dichtbundels: Tuig, Detox en WildberichtenTuig werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Februari 2015 verschijnt Ongearticueerd gorgelen, een verzameling columns. Januari 2016 verschijnt haar vierde dichtbundel Vuurmakers.

*

Opstand

Vannacht kruipt niemand in mijn slaap dichterbij
sleept niemand met benen en doodgedachte geliefden
met dromen vol dichtslaande deuren, beukende treinstellen
kaalgeplukte spechten met kleverige snaveltjes.

Niemand die mijn ogen sluit.

Vannacht als iedereen slaapt en de wereld een kwartslag draait
mijn ogen als hypomane zonnen uit mijn kop knallen
en ik de prinsen, de bedelaars en hun shitholes
eindeloos heb herdacht.

Dan, en dan alleen, zal er ergens in een vergeten tijdspleet,
op een vergeten bospad, een vergeten mens opstaan, een dier.

Hij zal zijn stembanden langzaam aanspannen
zijn mond openen
zijn longen als gebarsten kruikzakken vullen
de lucht langs zijn kiezen, zijn lippen naar buiten persen.

Eerst zal er geen geluid zijn
zandkorrels zullen zand vormen
regendruppels regen.

Tot iemand zijn oor op de rails legt, zijn adem inhoudt
het zoemend staal ontwaart, harder, steeds harder
en opkijkt
zich afvraagt waar het vandaan komt.

*

Rapsodie in B

Je kent dat wel, bij het zoveelste gedolven gat.
En dat je vroeger aan de dode dacht, en nu slechts
aan de afgebroken fietszadelpen van S,
het kapotte 24uurskaarsje van de Lidl.

Treurlied 1. Treurlied 2. Treurlied zonder eind.

Vrouw uit raam: ‘In den beginne was er niks. Niks dus.
En moet je nou kijken.’

Maar jij keek enkel onder de motorkap van je Cherry Tango.
In een tijd waarin alles okay was. (Omdat ik beter faken kon?)
Terwijl ik minstens tien keer op een nacht
uit elkaar getrokken werd, beenhard.

Maar sinds ik twee keer dood was. Fysiek dood.
Echt dood dus hè, geen grapje (en nooit licht zien, of tunnels,
ik bedoel, zelfs in de dood besta ik niet).

Mijn lithiumloze driepits hersenbak naar Australisch kangoeroemodel
compleet verlittekent blijkt te zijn waardoor ik (pingpong, pingpong)
veel vergeet (en waarmee ik maar zeggen wil, schatje, het is geen onwil).

Behalve de olifantsberg tweeduizend kilometer verderop
die in een tiende seconde zomaar ophield te bestaan.
En waar nooit meer zonnen opkomen of ondergaan.

(ik hield van die berg, de goden die hem bewoonden, de boten die af en aan, als messen
door hem heen gleden, maar hij ging niet dood, nooit dood, hij sliep slechts,
als een vader, met zijn mond een
 beetje open, de televisie op de achtergrond zacht aan)

Er waren mannen, vaders, bergen. Die plotseling ophielden te bestaan.
En er is een wereld die voorzichtig naderbij sluipt.
’s Nachts hoor ik hem, zijn gierende adem langs het raam.

Idwer de la Parra (Gorinchem, 1977) studeerde aan de AKI (vrije kunstacademie) en aan de toneelschool in Maastricht. Daarna legde hij zich toe op biodynamische landbouw. Inmiddels is hij meer dan tien jaar werkzaam als kruidenteler en tuinman. Op 30 januari 2015 kreeg hij de VONDEL CS poëzieprijs uitgereikt voor zijn gedicht ‘Kom terug’.

*

Grond

November ritselt waar de vogel zoekt.
Ook mijn geheugen blijft maar ritselen.
Mijn dochter zien, dat gaat nu niet.
Betegel dit mislukte broedgebied.

Het fluiten van de roodborst is gestopt.
De berkentak wordt zwart gelijk de kim.
Hier speelt de nacht het bed waar zij niet ligt.
Gooi deze grond met tegels dicht.

Kom terug

Daar waar het lampje brandt, planken kieren,
waar het kleed het tochten tegengaat, en waar
de geur van natte doek op kachelrand zich mengt

met zoet van melk waar schuim op staat – daar
zit de nacht in blik, in plooien van het tochtgordijn,
de nacht zweeft tussen kwasten, opgelost in terpentijn.

Kom terug – schilder mijn planken zwart, schilder
de schouw, de bint, het hout van de klok, het gewicht,
en ook de wijzers die als kettinghonden alert zijn op

je komst – schilder kieren dicht, het tochten zwart,
het raamkozijn en de weerspiegeling van mijn
gezicht – schilder dat, kom terug en schilder dat.

Maarten Buser (1991) is dichter en neerlandicus. Hij publiceerde onder meer in Het liegend konijnExtaze, Slang en op Passionate PlatformHij schrijft over poëzie voor onder meer Literair Nederland8Weekly en Awater. In Revisor 8 verschijnen een aantal van zijn ‘Kleine versjes in proza’.

*

Devil’s Pie

Iemand had een bank neergezet, in de woestijn nota bene. Het was een oranje bank. Dat was niet de enige reden dat er niemand langskwam. Een kever van plastic is ook een kever; een kever van vis is gewoon gekheid. Bekleding is eigenlijk een heel raar woord.

 

Hoe ik het Sublieme leerde begrijpen

Ik heb me nooit bezwaard gevoeld om bij een meisje achterop de fiets te zitten. Deze keer waren we allebei aangeschoten. Ze had recent bier leren drinken en fietste me naar het station. Het was overigens een belachelijk korte afstand, had ik dat al gezegd? Ik heb constant gedacht dat we om zouden donderen. Daarom heb ik mijn hoofd tegen haar rug gelegd en geglimlacht.

Alfred Schaffer (1973) publiceerde zes dichtbundels waaronder Schuim (2006), Kooi (2008) en Mens Dier Ding(2014). Hij woont in Kaapstad en is verbonden aan de vakgroep Afrikaans en Nederlands van de universiteit van Stellenbosch.

*

invasie

een lege trein.
op weg naar het rangeerterrein.

een uitgebrande trein
op een zijspoor.

intimiderend staatseigendom bij nacht.

of neem de mensheid.
uitgeroeid door een bovenmenselijke intelligentie.

en weer in het leven geroepen.
door een eenling.
die geen fratsen accepteert.

te dwingen iets te doen, iets niet
te doen of te dulden.

wat verlang ik naar dat iets.

als een hondje dat onvermoeid
in het gareel blijft lopen.

nee, dat kun je niet zingen.

ook ik niet
met mijn zwarte stem.

Invasie

de slang in overdrachtelijke zin.

paleontologen in haar kielzog.
een rode waas voor hun ogen.

een fanatiek monstertje ergens op de heide.
een slang die spreekt maar dan in het echt.

een warrig verhaal over de boze buitenwereld.

over goed versus kwaad.
dat het kwaad vaak in de weg staat.

wat natuurlijk grote onzin is:
zelfs de vijand van mijn vijand is mijn vriend.

zeker – achter alles moet iets zitten.
blunders, misverstanden.
het reilen en het zeilen van de wetenschap.

maar toch geen geniaal masterplan?

in het paradijs
staan alle neuzen immers dezelfde kant op.

en wel dankzij de kennis van nu.

Daniël Bras publiceerde in tijdschriften als PassionateTzumLavaKrakatauMeanderOp Ruwe Planken en Kluger Hans. Hij trad de afgelopen jaren veevuldig op. Bras houdt een fotografisch dagboek bij op Facebook van zijn wandelingen door Amsterdam, onder de naam Sale, en geeft een online tijdschrift uit op Youtube: Kwarts.

*

reshimo

dat je me aan haren naar buiten sleurde
me ertoe aanzette je vingers om te buigen
dat het herfst moest zijn omwille van je ogen
dat er een meeuw voorbij moest vliegen
zodat ik opkeek en niet naar jou
dat er een witte fluim aan mijn kin waggelde
waarin je stem meedeinde
ik zou je vergeven voordat er sprake zou zijn
van iets waarvoor ik je kwalijk zou kunnen nemen
dat de weg terug een einde werd
met zandschepen en tongwier
dat wat je tussen ons had toegevoegd
er weer vandoor moest uitgelekt
en uitgebeten; een slangentand
dat ons huis van dak verwisselde
een lege hemel met notoire
zware bastonen

 

die winter vroor niets dicht

voordat het winter zal zijn gebeuren we opnieuw
zodat dit plaatsvindt gedurende het voorafgaande seizoen

ik ruim stenen naar hun maat
klap het tentzeil opzij; we zullen zien
moeder is een hen zonder stok haar voorste vlechten
vallen op onze schouders; we zijn verongelijkt
ik sluit de afdruk van onze voetstappen af
giet tussen deksel en bodem kalk; we zijn het

voordat we paardenmelk over de muren smeerden
dachten we aan onszelf strooiden zand
het bleef plakken op de plekken
die we van onszelf wilden bewaren
en geknield kwam de eerste bezoeker;

we waren er
in het voorjaar word je op je gemak gesteld
overwinteren we in onze armen en wie
erin geslapen heeft

In De Revisor 2007-4 publiceerde de vorige redactie een verhaal van Gustaaf Peek, nu redacteur van dit tijdschrift. ‘Cocon’ heet het, het verhaal van twee meisjes, het is op derevisor.nl te lezen. In het jubileumjaar 2014 benaderden we auteurs om verhalen uit de Revisor van een vervolg te voorzien. Gilles van der Loo schreef een vervolg op dit verhaal: ‘De oversteek’.

*

Wenda liet de motor lopen. Ze gooide haar telefoon in het vakje naast de asbak en staarde minutenlange seconden naar haar sleutelbos, die onder het contactslot bungelde; naar de kleurige labels en hangers en elastiekjes die er met de jaren aan vast waren gegroeid. Afzettingen, koralen en anemonen die een gezonken ring met schreeuwerig leven hadden bekleed.
Een schaduw viel over het dashboard. Toen Wenda opkeek stond haar dochter naast de wagen, haar hand tot een knuistje geperst. Wenda leunde over de bijrijdersstoel, trok aan de hendel en duwde de deur van zich af. Masha’s gewicht – alles waaruit haar dochter bestond – was niet genoeg om de vering van een tien jaar oude Civic te doen meegeven. Haar rugtas zakte op haar schoot ineen.

‘Als jij dat wilt,’ had Arthur gezegd toen de Civic nieuw was, en hij hun pasgeboren kind in zijn wildbehaarde armen hield, ‘dan wordt het Anna.
‘Nee,’ had ze gezegd.
‘Lief, je hebt alle tijd om erover na te denken.’
Toen pas had Wenda gehuild, en ze vroeg Arthur hun dochter even mee te nemen. Haar kindje, dat zo vredig sliep, mocht niet wakker worden bij het snikken van haar moeder. Wenda zou alles anders doen. En anders begon nu.
Masha van Hees, werd het na drie dagen. Dat hun dochter uiteindelijk Masha Anna van Hees heette, kwam door Arthur.
‘Ik wil niet dat ze zo begint,’ had Wenda gezegd. ‘Met een dode tante in haar naam.’ Ze had hun dochter in haar armen opgestuwd alsof ze haar voor het eerst aan hem liet zien. ‘Ik wil dat ze vrij is.’
Arthurs bruine ogen, waarin – Wenda had er jaren naar gezocht, moest het absoluut zeker weten – niets dan zachtheid te vinden was, liepen over. Hij knikte, en zijn handen trilden toen hij Masha van haar overnam. Samen hadden ze gehuild totdat de zuster binnenkwam en luchtig en respectvol deed wat er gedaan moest worden voordat ze met een knipoog weer vertrok. Het is goed, liet ze merken, haar jas schoon en stijf als gebleekt karton. Het is de gewoonste zaak van de wereld.
Maar dat is het niet, dacht Wenda bij het dichtzuchten van de brede deur. Niet voor mij.
Die middag had Arthur hun dochter aangegeven, en later zou Wenda zich afvragen of hij getwijfeld had toen hij in dat stadhuishokje Anna opschreef. Of hij bereid was geweest de gevolgen te accepteren.
‘Als je van iemand houdt,’ zei hij voordat hij haar het uittreksel liet zien, ‘dan doe je wat goed voor die ander is. En niet wat ze zegt dat ze het liefste wil.’ Hoe had hij kunnen weten dat Wenda vlak na zijn vertrek al van gedachte was veranderd? Dat ze haar zusje er wél bij wilde hebben. En dat ze daarna wéér van gedachte was veranderd. En wéér. En morgen werd Masha tien.
Wenda reed achteruit de weg op en keerde de Civic. De moeder van een klasgenootje – was het Kristel? – kwam aanfietsen en zwaaide.
‘Dikke koe,’ zei Masha, en zwaaide terug.
Wenda trapte hard op de rem; de motor sloeg af en de wagen dobberde als een bootje. Glimlachend reed de fietsmoeder langs, waarbij haar bel langs het raam scheerde. ‘Waarom zeg je zoiets?’
Masha haalde haar schouders op en zakte onderuit. Achter hen begon een andere moeder – in een terreinwagen zo hoog dat Wenda met geen mogelijkheid kon zien wie erin zat, misschien was het wel een vader – te toeteren.
Wenda startte de motor weer en reed de drempels over, haar schouders opgetrokken bij de laatste en hoogste voor de onvermijdelijke klap van uitlaat op straatsteen, en sloeg af. Als Masha zo stil werd, was het beter niet door te vragen. Vanmiddag, als ze thee gedronken hadden – altijd mangothee, altijd met een Nizzakoekje – zou Wenda haar vragen waarom ze zo onaardig deed tegen de moeder van Kristel. Waarom ze het nodig vond iemand te kwetsen.
Ze reden langs de weilanden die achter de hockeyclub lagen, passeerden de gele poort met het clubhuis-op-palen erachter en wachtten bij het stoplicht, dat meer dan vijf minuten lang voorrang verleende aan niemand. Masha draaide aan de zenderzoeker van de radio.
‘Wil je muziek?’ vroeg Wenda, en leunde voorover om de knop in te drukken.
Masha schudde haar hoofd, ze trok een elastiekje uit haar haar en kamde het blond met gekromde vingers. Waar het bijeengebonden was geweest zat nu een watergolf. Een meander, eerder, dacht Wenda. Een bocht in de rivier.
Terwijl haar baby tot een dreumes en daarna een peuter groeide, het vet onder haar huid langzaam in lange spieren veranderde en haar neus steeds smaller werd, was Wenda blijven zoeken, speuren naar tekenen van Anna’s gezicht in Masha’s uithardende trekken.
‘Dat is Arthurs neus,’ had Arthurs moeder gezegd. ‘Indisch. Je blijft het terugzien.’ Wenda was er niet gerust op geweest. Voor het slapengaan, als ze haar dochters haar kamde, tuurde ze in Masha’s pupillen, dieper en verder dan ze ooit in die van Arthur had gestaard om te bepalen of hij te vertrouwen zou blijken, of er geen Jack in hem woonde. Maar Anna was weggebleven.
Arthur was geen Jack en Masha was geen Anna.
Niemand zou niemand uit een raam laten vallen.
Haar kind was vier geworden en daarna vijf. Zes, twee keer zo oud als Anna ooit geworden was. Waarom wist Wenda niet precies, maar morgen zou een nieuwe tijd aanbreken. Morgen zou ze erin geslaagd zijn Masha ondanks de sterke stroming, de roofvissen en het messcherpe koraal veilig aan wal te zetten.
‘Wat denk je dat ik morgen krijg?’ zei Masha toen ze bij de rotonde wachtten. Een vrachtwagenchauffeur had moeite met de draai en reed zich klem. Om vrij te komen moest hij een aantal meter terugsteken, waardoor alle auto’s achter hem dat ook moesten. Vanwaar Wenda zat leek het er even op dat de woensdagochtend achterwaarts zou worden afgespeeld. Voor ze het wist zou ze weer zitten wachten buiten het hek van Masha’s school, haar moeder weer aan de lijn hebben.
‘Ik wilde vragen of je het goed vindt als ik Masha op haar verjaardag bel,’ had Leonne gezegd. ‘Om haar te feliciteren. Ik dacht: ik bel jou eerst even.’ Het was goed dat ze het vroeg, maar Wenda wist niet of ze Leonne veel minder haatte als ze woorden als overleggen en communiceren gebruikte; als ze zo vreselijk haar best deed. ‘Het is aan jou, natuurlijk. Wat jij denkt dat het beste voor Mas is. Ik wil me daar niet mee bemoeien. Hallo? Lieverd? Ben je daar?’
De vrachtwagen was vrijgekomen en kon de bocht nu maken. Na een paar seconden baste het grijze staal van het onderstel langs haar ruit: buizen en drukcilinders en wielenwielenwielen. Wenda deed het raampje dicht om de dieselwalm buiten te houden en dacht aan de blanke longen van haar dochter, aan schoonwitte blaasjes die frisse zuurstof aan haar bloedbaan toevertrouwden.
‘We zullen zien wat je voor je verjaardag krijgt,’ zei ze, en raakte bij het schakelen licht Masha’s knie. Ze dacht aan het IKEA-bed dat in het schuurtje wachtte om door Arthur in elkaar gezet te worden. Vanavond, als Masha sliep, zouden ze samen zijn werkkamer ombouwen tot een echte meidenkamer, met alles erop en eraan. Hun dochter zou naar de bovenverdieping verhuizen en haar nieuwe kamer had een raam, maar dat was oké. Het was tijd. Misschien zou ze op een gegeven moment parachute willen springen, of bergbeklimmer worden.
Hun huis stond op de kop van hun straat. Dat had Wenda er het meest in aangetrokken: als je aan kwam rijden leek het je op te wachten, en de ramen van de eerste verdieping stonden vriendelijk in de gevel. Vanaf morgen zou Masha achter het linker slapen. Ze zou puberposters ophangen, muziek draaien en met de deur slaan als ze ruzie had. Voor je het wist zou ze te lang worden voor haar nieuwe bed, een grotemensenbed krijgen en daarin zoenen met een buurjongen. In dat raam zou ze met vriendinnen haar eerste jointje roken: zachte ellebogen, aangezette wimpers en golvend haar, uitvloeiend over de vensterbank.

In De Revisor 2007-4 publiceerde de vorige redactie een verhaal van Gustaaf Peek, nu redacteur van dit tijdschrift. ‘Cocon’ heet het, het verhaal van twee meisjes. In het jubileumjaar 2014 benaderden we auteurs om verhalen uit De Revisor van een vervolg te voorzien. Gilles van der Loo koos voor ‘Cocon’. Morgen publiceren we zijn verhaal ‘De oversteek’, vandaag Peeks verhaal.

Hun dag begint eerder.
Wenda, vijf jaar, wordt elke ochtend op dezelfde tijd wakker. Ze hoort de vogels in de achtertuin. Ze stapt uit bed en wekt haar zusje. Anna, drie jaar, opent haar ogen. Ze lacht en gaat rechtop zitten. De twee meisjes doen hun groet. Een soort handjeklap, maar hun handen maken geen contact. Het ritueel is zwijgend en vrolijk. Daarna trekken ze hun pyjama’s uit en wijzen ze naar elkaar, naar de donkere plekken, alsof het onweerswolken zijn.
Kijk, daar, een schaap. Kijk, een vlinder.

*

Ze had niet eens gedacht dat ze op zoek was naar een nieuwe vader voor haar kinderen. Gewoon, in de kroeg, daar hadden ze elkaar ontmoet. Hij was aardig en zei intelligente dingen. Ze merkte dat ze luisterde. Hij dronk niet zoveel. Ze raakte onder de indruk van hem. Het voelde alsof hij haar kietelde. Ze kon het niet uitleggen.
Ondanks de muziek en het lawaai van andere mensen hadden ze de hele avond gepraat. Ze nodigde hem uit om nog iets te gaan drinken in haar huis. Het was laat. Een fles en glazen schoven de salontafel op en af. Ze zaten op de bank, dronken, zoenden. Hij wilde haar kinderen zien. Ze vond het lief. Hun kleine hoofden waren nauwelijks zichtbaar boven de dekens in de duistere slaapkamer. Hij vroeg, is het moeilijk in je eentje. Ze zei ja. Hij zei, ik help je wel. Ze kon het niet geloven.
Na twee maanden kwam hij bij haar wonen. Leonne, drieëndertig jaar, had weer een man in haar leven. Een goede, deze keer. Hij kreeg de kinderen ’s ochtends uit bed en in hun kleren. Hij kon ze stilhouden wanneer ze last had van haar migraine. Het gezeur ’s avonds aan de eettafel hield eindelijk op. Hij werkte, deed boodschappen. Ze gingen uit in het weekend. Hij stelde voor dat ze stopte met haar baan. Ze zei ja, ja, ja.

*

De dokter zei, ik kan niets bij ze vinden. Leonne was verbaasd. De dokter zei, mijn praktijk is vol, ik verwijs u door naar een andere arts.

*

Hij was een onopvallende werknemer. Collega’s noemden hem stil, humeurig, zakelijk en gewoon. Hij werkte nog niet erg lang op de afdeling Orders, maar als hij vreemd gedrag had vertoond hadden ze het wel gemerkt. De laatste tijd had hij een paar keer gesproken over zijn thuissituatie. Hij zei dat hij het nooit had moeten aanleggen met een vrouw met twee kinderen, herinnerden zijn collega’s. Nu wisten ze allemaal de naam van zijn vriendin, maar toen, niemand had ernaar gevraagd. Niemand was ooit bij hen thuis geweest, niemand had ze ooit ergens voor uitgenodigd. Hij was altijd een beetje in zichzelf. Hij liet zich maar moeilijk kennen. Vrouwelijke collega’s konden zich niet herinneren dat hij flirtte. Hij was rustig. Behalve die ene keer toen hij het over zijn vakantie had. Spanje. Stierenvechten. Dat was het. Hij rende en brieste door kantoor met vingers als horens boven zijn hoofd. Dat was wel raar toen. Verder niet over nagedacht.
1. Hij kwam altijd op tijd op zijn werk.
2. Hij had geweigerd bij te dragen aan het afscheidscadeau van een collega.
3. Hij had verteld dat hij pas 39 was.
4. Hij had geen vrienden op kantoor.
5. Hij had moeite met vriendin en twee kinderen.
6. Zwijgzaam.
7. Stierenvechten.
8.

*

Wenda en Anna kruipen terug in bed. Wakker en wachtend houden ze de geluiden van het huis in de gaten. Ze horen het wekkeralarm in de verte. Daarna stilte. Gehoest en gemompel. Vanaf dit moment tellen ze alle deuren af, als coupletten van een kinderlied.
Open en dicht. Het eerste licht schijnt onder hun deur. Wenda ziet dat Anna zich onder de dekens heeft verstopt. Geluiden van voetstappen kruipen hun kamer in als spinnen, maken de ruimte rond hun bedden onbegaanbaar. Wenda hoort iemand de badkamer binnengaan. De douche brult en echoot naast hen. Een schaduw staat stil voor hun deur. Wenda houdt haar adem in.
De deur gaat open en ze ziet een lange geklede gestalte met het gezicht van haar moeder. Wenda springt op uit bed. Ze omhelst haar moeder, haar korte armen als een klem om de hoge benen, haar wang gedrukt op de weeïge stof.
Plotseling voelt ze de armen van Anna, trillend en warm, om haar middel. Het doet bijna pijn.

*

– Hij sloeg haar met gebalde vuist, alsof ze een volwassen man was.

*

Het was warm. Campinggasten dronken in de schaduwen van parasols, stuurden hun kinderen naar winkels voor ijs. Leonne hield een vlam bij het lage gasstel en zette een pan met water op. In het dorp had ze een pak poedersoep gekocht, maar ze herkende alleen het woord agua op het glanzende karton. Ze keek naar Jack, die zwetend en uitgezakt op een oude strandstoel zat. Hij dronk bier en knikkebolde.
Vlak bij de vouwwagen speelden Wenda en Anna. Leonne zag dat haar kinderen gebaren maakten. Toen de bewegingen een vast patroon vertoonden, besefte ze dat Wenda en Anna een zelfverzonnen spel deden. Anna was blij. Ze kirde en lachte steeds harder om haar zus die een of ander dier leek na te doen. Ze probeerde net zo te waggelen. De meisjes gromden en giechelden naar elkaar. Leonne zag Jack wakker worden, zag zijn hoofd draaien naar het geluid. Leonne liep naar haar dochters, greep naar hun armen.
– Hou daarmee op.
Ze stond voorovergebogen en schudde hun verstarde en tengere lichamen.
– Hij begrijpt niet wat jullie doen. Hou je rustig, we gaan zo eten.
Leonne keek om en zag het bezwete lichaam zich weer ontspannen. De blik dwaalde af. Ze liet haar dochters los.
Wenda en Anna zaten stil op de grond. Hun vingers herinnerden zich hun spel en werden kleine dieren in het warme gras.

*

Hij had haar een boek gegeven.
– Als ik terugkom moet je het uit hebben.
’s Avonds laat hoorde ze de voordeur en ze was nog niet op de helft. Het boek ging over maatschappelijke dingen, theorieën, complotten. Sommige dingen kwamen haar bekend voor, Jack had het er wel eens over gehad. Maar op papier, in lange, onbegrijpelijke zinnen raakte ze de draad vaak kwijt. Liever dat hij ze zei, zodat ze kon knikken en zwijgen. Hij kwam de kamer binnen.
– En, heb je het uitgelezen?
– Nog niet helemaal.
Hij kwam dichterbij staan en Leonne schrok van zijn zure, metalen adem. Zijn handen rustten op de rug van haar stoel. Hij zuchtte.
– Wanneer leer je nou ’s nadenken?
Hij sloeg het boek dat open voor haar op tafel lag dicht, bracht het met beide handen boven haar hoofd.
Wenda werd wakker van het gebons. Ze liet haar zusje slapen.

*

Leonne was bijna achtentwintig toen Wenda geboren werd, en het leven was goed. Ze waren net in het grotere huis getrokken. De kinderkamer was al klaar. Ze had alle kleuren zelf uitgezocht. Wenda was gezond en huilde weinig. Ze groeide. De eerste woordjes, haar eerste stappen in de zomer. Leonne hield het kind in het licht. Haar man maakte foto’s. Leonne die de bolle en verbaasde wangen kust. Leonne die lacht naar de camera. Wenda’s grote ogen. De laatste zomerende dagen voor haar eerste verjaardag.
Anna kwam later. De camera uit. Ze werd een maand te vroeg geboren. Wenda zag haar zusje in de couveuse. Anna was zwak, haar moeder moe. Ze kreeg haar zusters eerste bed. Ze huilde het legere huis wakker.

*

Geduldig en gesloten tikt de school naar drie uur – kookpunt. Auto’s met moeders rijden aan, de vrouwen stappen uit, praten, wisselen tips en zorgen uit. Leonne staat niet bij hen. Ze spreekt niet meer met de andere moeders. Ze kijkt op haar horloge, bijt op haar onderlip, schuifelt op de stoep bij het hek. Bijna een jaar zijn ze samen. Leonne heeft de hele dag in de keuken gestaan. Haar gedachten zijn bij haar oven. Ze ziet twee vrouwen naar haar kijken en wijzen. Leonne verzwaart haar blik. Ze is alleen. Vandaag durfde ze Anna niet mee te nemen.
De bel gaat. Wenda is zoals altijd de eerste op het plein. Leonne zwaait niet. Wenda weet waar ze staat. Ze rent naar haar moeder.
– Waar is Anna?
Leonne antwoordt niet, maar probeert Wenda zo stil mogelijk in de auto te krijgen.
Ze houdt het achterportier open. Haar dochter blijft staan.
– Waar is Anna?
Meer vrouwen kijken nu.
– Anna is thuis, schat.
Ze pakt Wenda bij de schouders en duwt en sleept haar langzaam in de richting van de geluiddichte auto.
– Thuis? Snel, we moeten naar huis!
Wenda komt los van haar moeders handen en springt in de auto. Leonne gooit het portier dicht. Zonder op te kijken kruipt ze achter het stuur. Haar dochter roept dat ze moet opschieten. Wat heeft dat kind? Ze start de auto en rijdt weg.
Het is druk in de stad. Moeders met kinderen, woon-, werkverkeer, oneindig veel fietsers. Asfalt wordt smal en schaars, mensen blokkeren de doorgang. Tegenliggers. Haar handpalmen zweten, maken het stuur glad. Haar dochter gilt onophoudelijk. Het verkeer begint te schreeuwen, te wijzen. Trottoirs worden tribunes.
– Snel! Snel!
Ze slaat verkeerde straten in. Leonne kan haar huis niet vinden.