15 mei is de deadline voor de Jan Hanlo Essayprijs Klein. U heeft al uw 2500 woorden geschreven ‘Over de liefde’, en ingezonden. 18 juni wordt de prijs uitgereikt. Twee jaar geleden won ik, nu houd ik het bij 900 woorden, ‘Over droefheid’. Tot over een maand!

Het is groots en fris en breekbaar. Die eerste uren, dagen, weken, maanden met een nieuwe geliefde weet je hoe het zonder was, en kan elk woord, elke stap er één terug zijn. Ik benoemde het niet. Niet de verliefdheid, niet de liefde. Niet: Ik hou van jou. Dat werden onze verboden woorden. Later bezworen wij elkaar ons geen beloftes te doen. De toekomst is onzeker, dit nu is goed.

We dachten erg veel die eerste tijd, maar sindsdien weet ik wel: Liefde is een woord.

*

Eén getuigenis ten faveure van ons standpunt toen is Jenny Offills Dept. of Speculation. De uitgeverij noemt het Verbroken beloftes (vertaling Roos van der Wardt). Ergens in dat boek wordt de openhartige eerste persoon een gefrustreerde derde persoon, ‘de echtgenote’. Er is sprake van overspel. ‘Beiden vinden ze het lastig om genoeg moed te verzamelen om het kleine theater van verbroken beloftes te betreden. Ze grappen dat ze gewoon samen naar Mexico zouden moeten vluchten. De hele rotzooi vergeten.’ (Welja, vervang het ene romantische misverstand maar door het andere.) Het is een prachtig beeld voor een toestand waarin elk woord gescript lijkt, op uitspraak en tempo herhaald wordt, elke stap gechoreografeerd. Liefde is theater.

*

Liefde is een groot woord, dat alles van aantrekkingskracht tot lust tot erkenning tot kameraadschap samenneemt. Een woord dat bij elk individu hetzelfde moet betekenen. Dat romantisch is. Fysiek. Leeg. In de laatste grote liefdesroman van de afgelopen jaren, Gustaaf Peeks Godin, held, valt het woord niet. Evenmin als seks. Wel Ik hou van je.

‘Ze lag zoals ze lag, had niet bewogen, maar nu leek ze uit zijn grip te verdwijnen, zijn borst werd licht en hol, alle gewicht landde in zijn maag, tot hij een ingeving kreeg, iets wat hij in gedachten oefende tot hij eindelijk durfde.
Dus dit is mijn tijd.
Ja, dit is van jou.
Ik hou van je. Als dit mijn tijd is, dan mag ik het zo vaak zeggen als ik wil. Ik hou van je, ik hou zo veel van je. Ik zal altijd wachten tot je me weer bij je roept. Ik ben je echtgenoot wanneer je maar wil, je minnaar. Ik hou van je, ik kan niet zonder jou. Het is nooit anders geweest.
Misschien moet je stoppen. Ik ben wakker, het is uitgewerkt.
Het maakt niet uit hoe lang. Ik wil voelen dat dit wachttijd is. Straf. Dus ik wacht. Ik wacht tot je me weer roept. Je weet wat ik dan doe.’

Tienmaal zeggen Tessa en Marius, vooral Marius, Ik hou van je. Maar nergens zijn ze zich zo bewust van het vacuüm waarbinnen ze het zeggen. Van de eindigheid van het moment. Deze vier liefdesverklaringen zijn even zovele pogingen om de verliefdheid te behouden, de kwaliteit te geven van een eeuwige tegenwoordige tijd. Een eeuwig mijn tijd, een oneindig nu. Tot je wakker wordt, dan is elk ritueel theater.

Nergens Ik hou van jóú. Die belofte van exclusiviteit maken ze elkaar niet. Het bittere aan Godin, held, is dat deze twee minnaars zich volop bewust zijn van hun fundamentele eenzaamheid, en van de taal die suggereert dat er iets groters is dat dat ongedaan maakt.

*

Ik heb veel geleerd en niet in de praktijk gebracht van literatuur. Liefde is van iemand anders, wat wij hebben is naamloos en uniek, alleen door eigen ondervinding te verdiepen, te hernemen, te verversen.

*

Elk woord, elke stap een oefening. De relatie die Peek beschrijft is er een van aftasten en dan doorzetten. Ongemak en pijn. Ook van tederheid, van overgave, van nieuwsgierigheid, van warmte, van oefenen en durven. Van een telkens terugkerende verliefdheid. Toch kan ik niet gelukkig worden van dit feest voor twee. Niet voor niets schreef Montaigne geen essay ‘Over de liefde’. Het eerste waarin hij de liefde noemt, heet ‘Over droefheid’. Doeschka Meijsings roman Over de liefde gaat over de liefde en de verbittering. Het nu is goed, het straks kan pijnlijk tegenvallen.

Ik heb veel geleerd van literatuur, maar dit ervaar ik niet. Het nu is nog steeds goed, elf jaar en twee kinderen later. Het gloeit op, bij vele vreemde dingen, bij de gewone, bij mooie dingen en wat droevig is. Ja, ik citeer je, Jan Hanlo. Ik heb zelf geleerd niet bang te zijn, dat leren boeken je niet, dat leert een blik, een hand, een mens je. Mijn mens, in mijn tijd. Liefde is een woord, geen straf. De droefheid is niet bijgesloten, dat komt later pas.

*

‘Vroeger stuurden ze elkaar brieven. Het retouradres was altijd hetzelfde: Afdeling ongewisse zaken.’

Ik twijfel of ik Speculation niet met gissen zou vertalen. Afdeling onzekerheid. Maar ik meen te begrijpen wat er staat: vroeger waren ze verliefd. Ze formuleerden hun beloftes als twijfels, met één zekerheid: het postadres was de ander, het was hun correspondentie. Of lees ik nu te veel? Verderop:

‘Ze […] stuurt de echtgenoot vanuit Londen een brief. Ze weet niet zeker of ze het vroegere retouradres moet gebruiken, maar op het allerlaatste moment schrijft ze het toch op. Ze verkeert immers in het ongewisse.’

Offills theater is de relatietherapie, realiseer ik me. Je kunt dat theater veel groter denken, ik deed dat, een wereld waarin elk woord telt. Het hoeft niet, we leven niet in een boek, er zijn veilige plekken. Er is een essay te leven van in gedachten oefenen en eindelijk durven. Van je uitspreken en gestrafd worden. Maar is ook een retouradres waar we naar terug kunnen – voor de liefde theater wordt.

De maan schuift voor de zon. Mijn dochter, met okeren wangen, de wimpers merkwaardig rossig, knippert naar de verduisterde baai. We luisteren naar het gehinnik van paarden, er wordt gesteigerd, de watervogels maken lawaai, kwaken en wieken. Met het vergiet, de gaten rond, maakt mijn man schaduwen vol uitgespaarde maantjes op de muur. Smaller en smaller worden ze, de kamer krijgt een sepia filter. Na al dat wachten op de zon juich ik geen enkel donker toe, of de schaduw nu wordt veroorzaakt door een berg, een wolk of een maan – licht kan me niet fel genoeg zijn.

April is weinig geloofwaardig. Het strand is bezaaid met ijsbollen, water en sneeuw die al rollend in de wind bevroren zijn. Onder onze voeten kraakt het wier als plastic zakken. Misschien dat mijn dochter later bij het horen van een plastic zak aan bevroren wier zal denken, bij het breken van glas aan het hollen over de bevroren kustlijn. De ijsbollen zitten vast aan de laatste vloedgolf, door de vorst gevangen, een dunne ijslaag die het strand meters breed bedekt. Je moet wrikken om ze los te krijgen, mijn dochter likt eraan. Je kunt er met gemak een kaak mee verbrijzelen maar er is in de wijde omtrek niemand om ruzie mee te zoeken.
Er staat een raaf op het ijs. Krummi krunkar úti, kallar á nafna sinn, zingt mijn dochter. Buiten krast een raaf, hij roept zijn naamgenoten: Ik heb de kop van een ram gevonden, ruggengraat en huid! Kom nu en pik met me.
’s Middags zien we een adelaar jagen, boven de baai. De watervogels duiken onder.
Mijn dochter giet kokend water op alle plekken waar ik liefst gisteren bloemen zag spruiten. Niets kiemt. Ze is klein met de grote gieter op de vlakte, ik vraag me af of de adelaar haar van de grond zou kunnen snaaien. Lang kan ze niet buiten blijven, de wind is gedraaid en striemt haar wangen. Ik hou de deur voor haar open, ze duikt in mijn warme hals.
Het binnenleven wordt nijpend. Sneeuw blijft cirkelen, een warreling in mijn ooghoek; ik voel een zure, trage tornado kringelen vanuit mijn maag. De dagen zijn wit. Wit. Wit. In de krant staat het eerste lammetje. Mijn dochter trommelt op mijn buik om de foetus naar buiten te lokken. Ze rent van muur naar muur, slaat op ruiten, schopt tegen posten. Ze knijpt in mijn oor.
Ze kent de letters van A tot Z, ze telt tot dertig, elk lied is gezongen, haar puzzels zijn gepuzzeld, de boeken zijn we beu. Ze kan een schaar hanteren, een plaat opzetten, een appel snijden en raspen, een punt aan haar potlood slijpen. Wat valt hierbinnen nog te verzinnen? Ik laat haar koffie proeven, een knoflookteentje, gemalen peper, cacoa, kaneel, suiker los uit de pot, ze zegt: Ben ik zo klein dat ik hele grote happen neem?
Als ik op het bed lig dan zie ik bergrug, water, lucht. Drie statische vlakken die zich dag in dag uit in dezelfde hoeken tot elkaar verhouden. Waar ik naar kijk is de waslijn, de tuimelende knijpers. Ik ben de poes die zijn klauw wil uitslaan. Maar waarnaar?
Mijn dochter zegt: Ik hoor het buiten vriezen.
Het dagdromen wordt feller van kleur naarmate Mei dichterbij komt. Sequensen dringen zich op als hallucinaties, fata morgana’s in de woestijn, in een winter die langer duurt dan een mens zich warmte kan herinneren.
Zo loop je langs gezandstraalde gevels. De markt wordt opgezet. Je hoort klappend zeil, het gekletter van buizen. Eerst zul je het hofje zijn overgestoken, achter je ouderlijk huis. Het gras is er van een Disneygroen, het staat er vol met ereprijs, de bloemblaadjes, blauwpaars, vliegen rond zodra je ze plukt. Je loopt er met en zonder borsten, je ziet de markt van onderaf, gesmolten kauwgom tussen de dampende kinderkoppen, je voelt je vaders hand op je kruin, druiventrossen op ooghoogte, mandarijnoranje van bovenaf en binnenuit, je kunt met die mandarijnen jongleren, je voelt ze in je handpalm en hebt ze al geperst, je drinkt; de markt keert zich binnenstebuiten, het blijft de markt, zonder einde of begin, kramen spiralen zich rond de fontein, gegons van mensen, viswalm, bloemenzee, de vierkante centimeter nougat om uren aan te likken, de schor geschreeuwde euro´s, guldens; het carillon, hoog in de toren, dat tegen het orgel intingelt, de puntzak waaruit je stroopwafelkruimels in je open mond mikt, de ponden kaas die je koopt. Je loopt daar gedachteloos. De markt is je gedachte.
Alles is er, behalve de kou. De kou begon hier.
Vanuit de verte hoor ik mijn dochter zeggen: Mama, wat vraag jij je af?
De wind ligt. Buiten is geen beweging. Op televisie wordt een paard doodgestoken en uitgehold om als schuilplaats te dienen voor zijn ruiter, in de sneeuwstorm verdwaald.
Ik zie mijn dochter van het ene gammele fietsje naar het andere klimmen, ik vraag verstrooid: Hou je je vast?
Ja! zegt ze. En ze pakt met gekruiste armen haar eigen schouders beet. Zo balanceert ze, van fiets naar fiets, zo houdt ze zich aan zich vast. En zo, in diezelfde houding, lig ik de lente af te wachten. Als ik door mijn oogharen kijk dan maak ik mezelf wijs dat de rijp op de takken bloesem is.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

De tank met ontlasting van een man die al twee jaar dood is, verzakt in onze voortuin. Twee tuinkabouters graven hem uit. Jón de loodgieter, die de hele baai bestiert, en Jón met de graafmachine, wiens boerderij we in de verte zien oplichten; allebei hebben ze baard en laarzen. Jón met de graafmachine bikt een gat in de grond en stort grind als fundering voor een nieuwe tank. Na elke lading roept mijn dochter: Takk, Jón! Ze pakt haar schep en zegt: Dit is mijn graafmachine.
Ben jij ook een Jón? vraag ik, ze zegt: Ik ben Jón-achtig.
Buiten schoffelt ze in de sneeuw, op zoek naar aardbeien.

’s Middags staat er een man met een zak aardappelen op de drempel. Het is een drukke dag. Hij stelt zich voor als Jón, de buurman. De aardappelen zijn voor ons. Hij rooit het hele jaar door, poot ze diep. We mogen zijn trekker lenen, zegt hij, om land te ontginnen. Hij is zo modderig dat het moeilijk te geloven is dat hij in Reykjavík een praktijk heeft als tandarts.
Meer nog dan de noorderlichten intrigeert het licht van de stad, dat van achter de berg op een wolk schijnt. De glinstering van bezige mensen, licht dat lonkt. De zon is er maar even. We zakken met hem mee, terug de winter in. Het fjord is vaal, achter en voorgronden schuiven in elkaar, de vulkaan siepelt. Onze longen, ogen, hoofdholten worden met blauwe nevel gevuld. Rochelend wachten we tot de wind draait. Buiten komen we zo min mogelijk, alle ramen zijn dicht.
Op eerste Paasdag zien we kinderen op de helling naar eieren zoeken. Geloven in een paashaas die eieren verstopt is hier gemakkelijker dan in een groep kinderen die ze komt zoeken. Ons dochter holt om het huis met aan haar ellenboog een mandje vol gekleurde kippeneieren; de haas kon zich geen chocola veroorloven.
Er wordt geklopt door de broer van buurman Jón. Hij brengt ons stekken van bomen. En dat we zijn trekker mogen lenen. Buiten is de wind vlijmscherp, we vragen hem binnen te komen om de deur te kunnen sluiten. Hij doet zijn laarzen uit en gaat zitten op een keukenstoel. Ik schenk thee.
Onze dochter zegt: Eg heiti Possibillity, hoe heet jij?
De man heet Þorsteinn. Om zijn huis te bereiken moet Þorsteinn over een pad vol hobbels rijden en een gammele brug. ’s Winters is het onbegaanbaar. Er is sprake van een nieuwe weg, maar omdat zijn grond vol bomen staat (struiken worden hier bomen genoemd), heeft hij de gemeente gevraagd de nieuwe weg te laten lopen over de grens van ons land en dat van buurman Jón.
De broers zijn gebrouilleerd. Hun weekendhuisjes staan op een steenworp afstand van elkaar, maar in geen jaren is er een woord gewisseld. Þorsteinn wil onze toestemming, derhalve de stekken. Broer Jón is tegen. Derhalve de zak aardappelen.
Ik ben niet happig op een rijdende auto in mijn tuin, we hebben een rennend kind. Binnen de kortste keren zullen het twee rennende kinderen zijn. Maar een pad is aanlokkelijk. Van de deur naar het strand lopen we hink stap sprong door diepe sneeuw en ’s zomers door de modder. De aanleg van een pad kost geld en de nieuwe septische tank, waar de bebaarde Jónen dagen mee in touw zijn, slaat een bres in onze reserves. Stroom is duur, we stoken op elektriciteit. De bewoners van de baai is geothermisch water beloofd, maar er zit geen schot in. Als je de vallei inrijdt, langs het kerkje dat kleiner wordt naarmate je dichterbij komt, zie je de bron stomen. Werk hebben we weinig, steeds vaker hoor ik mijn dochter zingen: Zagen zagen wiedewiedewagen, Jón kwam thuis om een boterham te vragen, vader was wel thuis, moeder was ook thuis, piep zei de muis in het voorhuis.
Diep in de baai staat een gemeentehuis, met daarin de burgemeester. Hij doet me denken aan de koning zonder onderdanen. Mijn man wordt er ontboden, bij binnenkomst wordt hem gevraagd: Ben jij de boer van Hreggnasi?
Hreggnasi is de naam van ons land: stormneus – we snappen inmiddels waarom. Volgens de burgemeester hoort een deel van het land niet bij ons huis, al staat het wel zo aangegeven op de plattegrond. Het land is destijds, toen het huis werd gebouwd, uit de losse pols gemeten en het aantal hectaren op papier blijkt minder te zijn dan de oppervlakte in werkelijkheid is. Het verschil wil de burgemeester terugvorderen, tenzij we toestemming geven voor de weg. Hij zegt: het land is van jullie als je ja zegt en het is niet van jullie als je nee zegt. Dan verkoopt de gemeente het land aan een ander.
Waar heeft die burgemeester geld voor nodig? Een gat in de weg? Kinderbijslag voor een handvol kinderen, over het fjord verspreid? Er zijn geen stoepen of stoplichten, er zijn geen bossen te onderhouden, geen algemene riolering.
Ook zonder het stuk land dat ons afgenomen dreigt te worden is de tuin vier hectare. Te veel om te bevatten. Land bezitten betekent vooral dat niemand in je uitzicht bouwt. Dat trok ons toen we hier kwamen. Maar na maandenlang vier windrichtingen in te hebben geloerd, met niets dat het uitzicht blokkeert – op die ene berg pal voor de zon na – denk ik, buiten wandelend: nu langs een bouwput te lopen, iets te zien ontstaan, werk verzet te zien worden, hamers te horen slaan, geluid dat geen gesnater is of wind. Ik mijmer: stel dat ze hier een hotel zouden bouwen, kantoren, een sauna, een autosloop. Pal in ons uitzicht? Des te beter.
Buurman Jón heeft gezegd: het burgemeestertje bluft. Een autohandelaar kan na de koop geen wiel komen terugkapen omdat hij de oppervlakte van het vehikel verkeerd heeft gemeten.
Þorsteinn heeft ons erop gewezen dat de bouwer van ons huis bomen heeft geplant op het bewuste stuk land. Volgens de wet is het zo dat een gebied waarvan het onduidelijk is wie het bezit, toebehoort aan degene die het heeft gecultiveerd.
Beide broers zeggen: poot stijf houden. Dat ze het eens zijn weten ze niet van elkaar.
Jón de loodgieter en Jón met de graafmachine doen er het zwijgen toe. Zij zijn de grootvaders die in een hoek van de kamer ochjajaja mompelen.
Mijn man heeft de burgemeester gevraagd om die landmeting eerst maar eens uit te voeren. Nu wachten we een Jón af die stokken in de grond komt steken. In mijn buik heeft een zygote zich intussen ontwikkeld tot een mens met neusvleugels, twintig nagels, een bloedsomloop. Buiten de baarmoeder blijft het winter. Alle processen wachten in bevroren staat op dooi.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

De zon, een half oog dat na maanden boven de bergrand luipt, laat het stof op de ruiten schitteren. We vinden onszelf terug als reptielen, doodstil verspreid over de vensterbanken op het zuiden. Onze oren gloeien. We bewegen alleen onze oogbollen. Ook de paarden staan versteend in de wei om hun bloed op te warmen. De vachten dampen. We zien het oranje van schooleksterbekken, het helle blauw van lucht. De kleuren zijn terug. Mijn dochter verstopt haar neus in mijn nek, ze knijpt haar ogen dicht, ze zegt: Ik vind die zon eng, mama.

Hij komt van alle kanten, vanuit de lucht, vanuit het water, vanuit de glimmende lak op de vloer, hij wordt gereflecteerd door de spiegels, de ruit van de auto, de glazen broeikas van de buurvrouw, hoger op de helling. Naast de kas ligt het lijk van haar zwarte labrador. De grond is stijfbevroren, hij wacht op zijn begrafenis. Het zeil dat hem afdekt flappert. Ik zie de punt van zijn staart, die door de wind wordt opgetild in een laatste poging hem te laten kwispelen.
We bakken zonnenpannenkoeken, volgens Amma´s recept. Flenzen waar je doorheen kunt kijken, die nauwelijks schaduwen werpen, zo zacht en doorzichtig als de roze oorschelpen van een tweejarige. We zitten aan de keukentafel naar elkaar te grijnzen. Onze tanden blinken. Het fjord wordt met gesnater gevuld, de baai fonkelt, ons kind zingt: Maar het meel is zo duur, maar het meel is zo duur. Ze rent, met in elke hand een opgerolde pannenkoek, achter haar schaduw aan, voor hem uit: haar nieuwe vriendje, dat haar op de hielen blijft.
Het stof in huis is niet het enige dat opvalt nu de zon weer schijnt. We zijn verouderd. Onze wangen zijn paarsbleek. Onze gezichten vertonen rimpelingen en inkepingen, poriën die we bij ons zachte lamplicht niet hebben zien ontstaan. Spiegels en ramen zitten vol lip- en vingerafdrukken. Het water uit de douche blijkt bruin. De zon werpt een kritisch licht op onze provisorische inboedel: de stellage van losse planken, door stapels boeken gestut; het onderstel van een in onbruik geraakte electrische piano, omwonden met een springtouw, dat als wasrek fungeert; bananen vastgeknoopt aan een draad; een bed vol kussens en dekens als bank – noodoplossingen uit de eerste week dat we hier woonden, waar we niet meer naar hebben omgekeken.
Mijn dochter slaat op de kussens, wolken stijgen eruit op. We blijven niezen. Ze springt met gestrekte armen en graait, vangt stof zoals je motten vangt, om buiten te zetten. Ze lacht: Ik laat een nies. Ze probeert de deur met haar ellebogen te openen, twee handen vol met stofjes die ze niet wil pletten. Ik help haar, buiten laat ze de vlokken los. Ze wil erachteraan hollen maar het waait vinnig, ik trek haar terug de kamer in. Gluggaveður, raamweer.
Sjáðu! Kijk! Look! In haar opwinding bedient ze zich van drie talen. In de verte loopt de buurvrouw. Ze loopt daar om haar dode labrador niet uit te laten. Toen hij leefde zagen we haar zelden. Wie een hond heeft doet zijn deur open en dicht, tot er een blaf klinkt. Honden laten zichzelf uit. Soms wordt er een doodgereden door die ene buurman z´n jeep.
Mijn dochter vraagt: Waar is de hond?
Deur dicht! roept mijn man.
Ze klimt op de keukentafel en kijkt door het raam. Ze volgt de wandeling met handgebaren. Langs het pad loopt de buurvrouw, naar de beek, omlaag. Linkaf loopt ze over het strand, voor haar voeten spuiten fonteinen van honderden watervogels de lucht in, mijn dochter gooit haar handen omhoog en roept: Hoera! We horen het ruisen van veren, de landing van een zwerm op het wateroppervlak.
We rennen naar het woonkamerraam. We zien alleen een hoofd dat deint, achter de terp waarop ons huis is gebouwd. Ik kijk over haar schouder mee, gebiologeerd door het zien van beweging, iets levends dat geen vogel is. Samen haasten we ons naar de slaapkamer, om de buurvrouw achter de bosjes langs te zien lopen, de kaplaarzen te zien stappen, haar glimmende neus op en neer te zien gaan.
Waar is de hond?
We hebben het haar uitgelegd, maar onze dochter blijft het vragen. Het is, na de kerstdis, haar eerste ervaring met dood. We hebben geen vermolmde herfstbladeren bij de hand om haar te laten zien wat vergaan is, wat vruchtbare grond betekent. Aan een God begin ik niet, we zullen haar te zijner tijd al dertien Sinterklazen moeten afnemen.
Van de dakrand lekken druppels. Boven ons schuine plafond raast een lading sneeuw naar beneden. Het is twee graden. Ik denk dode hond te ruiken.
Hoog op de helling zie ik de buurvrouw met haar spade in de grond. Ze komt niet diep.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

Zoals je in je dromen telkens terugkeert naar je ouderlijk huis, een plek die alsmaar vreemder is geworden – zo keer ik regelmatig tijdens het scheren terug naar het Vertalershuis. Ik heb me daar maar één keer geschoren, ik mocht er overnachten tijdens een congres, maar de sfeer is blijkbaar essentieel geweest. Er zijn minder literaire aanleidingen geweest voor een essay, en toen ik daarbij in de mooie novelle van Bert Natter, Remington, een intieme vader-zoonscheerscène trof, ben ik verder gaan lezen. Daarbij is die ene scheerdroom langzaam uit het essay verdwenen, ten faveure van opvallende herhalingen, stroeve taal, en Ochkhams scheermes – en na het schrijven leek ook het Vertalershuis uit mijn ritueel te zijn verdwenen. Komende week verschijnt het in druk, maar het mes heeft niet stilgestaan, het zoeken ging door. Zeven extra hoofdstukjes: Marcel Möring, A.F.Th. van der Heijden, Gustaaf Peek, Sander Kollaard, losse opmerkingen, bronnen. De handeling en het detail, het ritueel en de herhaling.

I.

‘Vind je het erg als ik kijk?’
Hij pakt zijn scheermes en inspecteert het. ‘Als je alleen wilt zijn ga ik wel iets doen. Een salade maken of zo. Of een gezellige kaars aansteken.’
Ergens in het huis stijgt een wilde kreet op, een vrouwenstem roept iets, iemand schatert. Hij trekt zijn colbert uit en slaat de mouwen van zijn overhemd om.
‘Als je ertegen kunt om mij te zien scheren mag je blijven,’ zegt hij.
Ze laat zich zakken tot ze op de drempel zit, rug tegen de ene deurpost, voeten tegen de andere.
Hij draait de kraan open en mengt het warme water met koud. Hij slaat de boord van zijn overhemd neer en wast zijn gezicht en hals. Als hij klaar is, draait hij de koudwaterkraan dicht, legt het mes in de wastafel en houdt zijn scheerkwast in de dampende warmwaterstraal. Hij opent een zwart doosje en roert erin met de kwast. Als hij voldoende schuim heeft gemaakt, begint hij zich in te zepen. Langzaam verschijnt er een wolkige witte baard op zijn kaken. Hij zet de kwast op de wastafel, neemt het mes, steekt zijn kin omhoog en begint lange sporen in het sneeuwlandschap van zijn wangen te trekken.
De bel gaat. Iemand loopt door de hal en opent de voordeur. Een bal van verraste kreten rolt door het huis.
‘Fred en Li Mei, zoals gewoonlijk laat,’ zegt Kat. Ze kijkt hoe hij zich nogmaals, maar nu van beneden naar boven, scheert. ‘Doe je dat altijd, twee keer?’
‘Ik heb een zware baard,’ zegt hij.
‘Hormonen,’ zegt ze hees.

(Marcel Möring, Dis)

Wie zich scheert, bekijkt zich. In Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans zit een scène waarin een eerste scheerbeurt gezien wordt door een moeder, en die blik wordt erkend, en beantwoord. Er zit spanning in die scène, net als in deze uit Marcel Mörings Dis, al zou je het hier eerder erotisch noemen. De spanning tussen Marcus en Kat is vaker voelbaar in het boek, meen ik me te herinneren, maar hier volstaan Kats zinnen. De openingsvraag, de luchtige opmerkingen daarna, haar hese vaststelling aan het slot. Zijn stugheid, concentratie.

Detail. Je kunt het scheren inclusief schuim en water in een bijzin afdoen, je kunt het schrapen zelf in het voorbijgaan brengen, zoals Gustaaf Peek hieronder doet, of je kunt inzoomen op de handeling. Möring kiest daarvoor, heel precies beschrijft hij wat Marcus doet. Welk efffect heeft dat, welke indruk geeft dat? Concentratie, dat is één, negatief gezegd de weigering in te gaan op de toon van zijn tegenspeelster.

Vertraging. Möring zet de tijd even stil, en zoomt in op de situatie: een man die zich bekeken scheert, elk detail ziet zij, zien wij. (Er zijn ook letterlijke voorbeelden hiervan: de scherende man onttrekt zich door het scheren aan het verhaal, zoals in David Vogels Huwelijksleven.) Beeldspraak. Hoe maak je het ritueel van het scheren literair? Niet door het mooier te maken. Een ‘wolkige witte baard’, een ‘sneeuwlandschap’, nee, dat haalt ons eruit. Want wij scheren mee. Wij kijken, wij zijn erbij, we zijn ons bewust van het risico. De spanning.

II.

Voor de spiegel hief hij zijn kin, en duwde met gespreide vingers zijn nagels opwaarts door de stoppels, die al zacht waren door hun lengte. Een baard van zo’n dag of vijf. Het had hem steeds minder kunnen schelen als een zwerver bij de mensen voor de deur te staan, met zijn enquêteformulieren in de hand. Het was een stoppelbaard waar het mes nog net vat op had. Een elektrisch scheerapparaat niet, of het nou twee of drie koppen had… het zou de haren er pijnlijk uit rukken… Bovendien, de schilferige huid die het achterliet… de baardschurft die je riskeerde na tussentijds gebruik door derden…! Nee, dan het mes! De blanke huid die het blootlegde… Niet alleen de haartjes werden weggekrabd, ook de schaduwen en de plooien. Het was net of je jeugd weer even oplichtte en ging stralen, en dat kon geen kwaad aan de vooravond van je tienduizendste levensdag. Je durfde weer spiegels tegen elkaar op te zetten… jezelf van alle kanten te bekijken… Nadat de overtollige scheerzeep was weggeveegd, zag je de gezichtshuid strak trekken… de wangen leken al minder week… de ogen stonden helderder in je kop. Wie het mes goed gezet had, mocht zich weer even een kleine god voelen. Scheren was een heilige daad. Zelfreiniging… Ook de geest werd er schoner en helderder van, zo leek het, alsof ook daar aangekoekte scheerzeep verzadigd van baardhaartjes werd weggespoeld…

(A.F.Th. van der Heijden, Hof der barmhartigheid)

Die spanning hangt ook samen met die concentratie, met de herhaalde herhalingen, de attributen, met het hele rituele van het scheren. Een heilige daad, James Joyce opent er zijn Ulysses mee, Gustaaf Peek wijst erop, en ook A.F.Th. van der Heijden weet in Hof der barmhartigheid een simpele scheerbeurt in een monoloogje intérieure een transformerend effect te geven. De beletseltekens… De uitroeptekens! De als vanzelfsprekende overgang van het mes als onderwerp, het, naar de jijvorm, ‘het was net of je jeugd weer even oplichtte’. De mooie overgang van de praktische bezwaren van het apparaat via de effecten van het mes naar de exaltische gevolgen: een kleine god, heilige daad, zelfreiniging, de geest – en weer terug naar aangekoekte scheerzeep.

Vergelijking: waar bij Möring het scheren de scène maakt, de spanning van de beschouwer benadrukt, schrijft Van der Heijden amper over het scheren zelf. Hij zet een personage neer, een sensatie.

(Scheren en scheermessen lijken overigens een terugkerend thema in Van der Heijdens Onder het plaveisel het moeras. Daarin blijkt het scheren ook niet altijd een helend effect te hebben:

‘Nog geen Zwanet bij zijn thuiskomst. In het zijkamertje was alles in diepe rust. Albert probeerde zich te scheren, de vermoeidheid van zijn gezicht te krabben, alle sporen van de nacht weg te snijden, maar niet alleen dat zijn handen te erg trilden, hij wist de concentratie niet op te brengen. Zijn gezicht naar de spiegel brengen bleek al een enorm karwei. Hij kon de natgemaakte kwast binnen het doosje met scheerzeep niet in de juiste draaibeweging krijgen. De borstelharen namen te weinig zeep op, zodat er bij het inzepen waterig schuim langs zijn hals en borst afliep. Toen hij het krabbertje met het nieuwe mesje tegen zijn bovenlip plantte, en merkte hoe hij beefde, overviel de angst hem in volle hevigheid.’

)

III

.

‘Hij gedroeg zich dan als een ouderwetse barbier, met heet water en warme handdoeken en een ernstig, peinzend gezicht. Op zijn knieën tussen haar benen op de badkamervloer bracht hij schuim aan, schoor haar schaamhaar weg tot een duimdikke streep. Daarna de warme handdoek, zijn masserende handen en een blussende crème voor de tere huid. Even serieus en ernstig leidde hij haar dan naar bed, waar ze zijn tong zou voelen. Nooit ging hij tijdens of net na het scheren met een vinger over haar labia of clitoris. Hij leek zo jongensachtig in gedachten verzonken dat ze hem niet durfde te storen, hem niets meer durfde te vragen, ook al wilde ze, spannend angstig vanwege de onvoorspelbare banen van het mes, zijn pik tussen haar dijen voelen, rauw en wit van het schuim. Hij hield zich altijd in, bouwde lust op, mannen en rituelen.’

(Gustaaf Peek, Godin, held)

Herhalingen. Gustaaf Peek, zelf lijdend voorwerp in mijn essay, schreef het zo: ‘Het onderwerp, in dit geval: scheren, is een aanleiding om in een en dezelfde tekst meerdere keren van mening te veranderen, de stijlen en inzetten van schrijvers steeds fluïde te benaderen en zo tot iets werkelijks te komen.’

Ik heb me bij deze scène uit Godin, helddruk gemaakt om de ernst en zijn variaties: ‘een ernstig peinzend gezicht’, ‘serieus en ernstig leidde hij haar’, ‘in gedachten verzonken’. Ik vond het eerst wat gemakzuchtig, is er geen andere term voor ernst? Waarom de nadruk vergroten, dreigt hier niet de monotonie? Of verhoogt het de intensiteit van de scène, geeft het gewicht en samenhang aan het ritueel? Geeft het juist een rationeel, of liever nog functioneel tegenwicht aan de erotiek? Ik ben er nog niet helemaal uit welk effect overheerst, maar dát het werkt is duidelijk.

IV.

In de late zomer van 2005, op een woensdagochtend, sneed ik mij bij het scheren in de rechterwang en slaakte een kreet van pijn. De kreet was niet erg hard of hoog of rauw, het was een tamelijk bescheiden kreet, maar toch schokte hij me: het was een kreet waarin ik mijn eigen stem niet herkende. Nee, sterker, het was een kreet waarin ik mijzelf niet herkende. Ik sneed me wel vaker, maar slaakte nooit een kreet van pijn; hooguit vloekte ik binnensmonds of maakte ik een ongedurig gebaar. Verrast door de merkwaardige kreet verstarde ik, keek mijzelf aan in de spiegel en kreeg een tweede schok: ik herkende mijn spiegelbeeld niet – althans niet volledig. Ik herkende weliswaar mijn trekken, mijn gezicht, ik besefte dat ik het was die terugkeek, maar in die trekken, in dat gezicht, in dat vertrouwde ik school een ander, een vreemdeling, iemand die ik beslist niet kende.

[…]

De volgende ochtend gebeurde het opnieuw. Ik scheerde me, sneed me, slaakte een kreet die ik niet herkende, verstarde, keek in de spiegel en zag een vreemdeling. De ervaring van vervreemding was des te sterker door de herhaling; er vond niet alleen een verdubbeling plaats – ik en die vreemdeling maar die verdubbeling werd nog eens gespiegeld in de herinnering aan het voorval een dag eerder, zodat een soort Droste-effect ontstond.

(Sander Kollaard, Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde)

Herhaling. Zelden vind je meer dan één scheerscène in een boek. In Maria Stahlie’s Scheerjongen vervult die herhaling een belangrijke rol in het boek, in Sander Kollaards verhaal ‘Hoe ik een man met baard werd’, in Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde evenzeer. Er is ook herhaling op zinsniveau, ‘kreet’ komt regelmatig voor, of neem deze zin: ‘Ik herkende weliswaar mijn trekken, mijn gezicht, ik besefte dat ik het was die terugkeek, maar in die trekken, in dat gezicht, in dat vertrouwde ik school een ander, een vreemdeling, iemand die ik beslist niet kende.’ Leve de trikolon. En deze zinnen van pijn en kreet en vervreemding komen de ochtenden na die eerste ochtend in bijgeschoren varianten terug.

Wat opvalt aan dit proza, is dat het precies is, analytisch, zelfreflectief. Kollaards verteller schrijft al op wat ik zelf zou willen zeggen over de herhaling – maar zonder ironie. De stijl is ook wat stijf, gedragen – ‘tamelijk bescheiden’, ‘sterker’, ‘slaakte’, ‘hooguit’, ‘merkwaardige’ – en dat versterkt mijn eerste indruk. Die toonzetting verdwijnt niet helemaal uit het verhaal, al wordt het wat losser tegen het slot aan als, u raadt het al, de ik gestopt is met scheren. Hij ontspant, wordt verliefd. ‘Integendeel, ik voelde vertedering, ik glimlachte terwijl ik naar haar keek, ik vond haar buitengewoon mooi en lief.’

Ze trouwen. Nee, scheren en seks is geen vaste combinatie. V. Een paar losse opmerkingen:

  • natuurlijk kan men met een scheermes van allerlei gruwelijks doen, zoals Gerard in Claus’ Het verdriet van België, die zijn ballen afsnijdt, of Kasabian die in Erik Lindners verhaal ‘Kasabian bij de Amoebes’ zijn huid eraf schraapt.
  • men kan er zelfmoord mee plegen, en dat is de voornaamste reden dat er over scheermessen wordt gesproken in Herman Hesses Steppenwolf of in Hans Fallada’s De drinker.
  • maar zelden wordt het eeuwige conflict tussen huisgenoten in de literatuur uitgebuit, dat de vrouw het scheermes van de man voor haar benen gebruikt. Arnon Grunberg doet het, in Fantoompijn. ‘Ze plensde in bad. Het water liep over de rand. Ja, we hadden hooglopende ruzie over een scheermesje die ochtend voor ze vertrok naar Wenen.’
  • überhaupt komen er weinig vrouwen aan scheren toe, die van Grunberg, Peek en Roche daargelaten .
  • men heeft een tong als een scheermes (Van der Heijden) of een stem (Claus).
  • vogels en vliegtuigen scheren.
  • behalve Ockham’s scheermes schijnt ook Tsjechovs scheermes te bestaan, verwant aan diens geweer: ‘first, he said, throw out the first three pages’. (Ontdekt op internet, maar zonder bronvermelding, dus met een korreltje zout.)
  • in Hermans’ De donkere kamer van Damokles is scheren ook een thema. ‘Scheren hoeft niet, ik heb geen baard.’

VI.

Deze voorbeelden kwamen uit het corpus van Ewoud Sanders, die ik zeer dankbaar ben voor zijn hulp. Eerdere voorbeelden voor mijn essay ontleende ik ook aan de antwoorden op een vraag op twitter van onder anderen Theo Hakkert en Pieter Steinz. Johan Eeckhout wees me op het blog Occamsrazorlibrary, waar onder andere al meer dan driehonderd scheermesquotes staan. Op twitter werden ook wat filmvoorbeelden genoemd, in de antwoorden van Gustaaf Peek en Auke Hulst. Ik heb die nu niet meegenomen. Dit zijn de gebruikte titels voor het essay, aangevuld met andere vindplaatsen:

  • Hugo Claus, Het verdriet van België (1983)
  • Hans Fallada, De drinker (2012)
  • Arnon Grunberg, Fantoompijn (2000)
  • A.F.Th. van der Heijden, Hof der barmhartigheid (1996)
  • A.F.Th. van der Heijden, Onder het plaveisel het moeras (1996)
  • Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn (2013)
  • Herman Hesse, Der Steppenwolf  (1927), vertaald door Pieter Grashoff (1964)
  • Gijs IJlander, De kapper (1988)
  • James Joyce, Ulysses (1922), vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes als Ulixes (2012)
  • Sander Kollaard, ‘Hoe ik een man met baard werd’, in Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012)
  • Geerten Meijsing, Tussen mes en keel (1998)
  • Herman Melville, ‘Benito Cerno’, in The Piazza Tales (1856)
  • Marcel Möring, Dis (2006)
  • Vladimir Nabokov, ‘Het scheermes’, vertaald door Anneke Brassinga (1995)
  • Bert Natter, Remington (2015)
  • Gustaaf Peek, Godin, held (2014)
  • Marieke van der Pol, Bruidsvlucht (2007)
  • Charlotte Roche, Feuchtgebiete (2008), vertaald als Vochtige streken (2010) door Marcel Misset
  • Maria Stahlie, Scheerjongen (2011)
  • A.P. Tsjechov, ‘Bij de kapper’ (1883), vertaald door Aai Prins in Verzamelde werken I  (2005)
  • David Vogel, Huwelijksleven (2007)

VII.

Het gebroken wit van de sobere kamer in het Vertalershuis, de houten kozijnen, het kleine, geblindeerde raam in de badkamer, de iets te hoge cv-temperatuur, het Amsterdamse ochtendlicht, de details zijn het begin van een verhaal. Het mes geeft leven, herinnering, herhaling, het mes geeft een verhaal. Ik zet de kraan open. Ik schuim me in. Ik schrijf mijn herinnering weg. Glad.

Een dorp in een fjord is een wereld op schaal. Er is een kerk, een winkel, een school. Uit de stoep steekt een geloofwaardige lantaarnpaal, maar zoals in maquettes loopt niemand op straat. De mensen doen alsof ze binnen zijn. In hun huisjes kijken ze naar afdrukken van alles wat warmbloedig is, lichtbrekingen in pixels, dieptesuggesties, digitale schaduwen. De baan van de zon, het verstrijken van tijd voltrekt zich achter de berg. De dorpelingen stellen zich tevreden met reflecties van de zon op een wolk, schuivend geel op de rotswand. Ze missen niets, zoals een Nederlander geen mango’s in zijn tuin mist. Dat je een leven zou kunnen leiden waarin je een struik een boom ziet worden, je op sandalen naar de markt gaat, een scala aan artikelen voor een habbekrats binnen handbereik, waarin je stroopwafels koopt en luchtballonnen ziet zweven, een leven waarin je geluiden hoort die je niet kunt duiden, waarin je een onbekende tegen het lijf kunt lopen, komt niet in de mensen op.

Hier is geen Reykjavík op een half uur afstand. Hier is niets. De meeste jongeren gaan werken op de grote vissersboten, zoals hun vader en hun broers. De buit wordt wereldwijd verkocht en sinds de economische crisis is de krónur zo verzwakt dat vissers de rijkste zijn van het land. Hun tijd aan wal is onvoldoende om hun loon erdoorheen te jagen. Studeren betekent schulden maken en hoger opgeleid verdien je minder. Dus waarom zou je?
Soms wordt de tunnel ondergesneeuwd en kan geen mens het fjord in of uit. De twee kleine supermarkten worden per boot bevoorraad. Hoe verder je het fjord invaart, hoe kalmer het water, hoe minder wind. De berg is een kromme arm rondom die het dorp beschermt, ze leven in de holte van zijn elleboog. Wie hier opgroeit mist die beschutting elders en keert terug naar de schaduwwereld, nafli alheimsins, de navel van het universum.
Mijn dochter is voor het eerst bij haar Amma en Afi, haar IJslandse grootouders. Afi kapt een kerstboom op een landje dat niet van hem is, maar van hem had moeten zijn. Hij heeft de sparren er zelf geplant, decennia geleden, met het oog op de toekomst. Sinds iemand anders het voor zijn neus heeft weggekaapt, kapt hij er jaarlijks een van zijn eigen bomen.
Elke ontmoeting met mijn schoonfamilie is een herhaling van de eerste. Je verwacht vertrouwelijker te worden naarmate je iemand vaker ziet, maar dat gebeurt niet. Als draagmoeder van het nageslacht ben ik in waarde gestegen maar persoonlijk wordt het nooit. Vraag ik mijn man: Hoe zeg ik dit in het IJslands? is het antwoord negen van de tien keer: Dat zegt nooit iemand.
Wie zwanger is in een vissersdorp wordt één en al neus. Er is de lucht van de vissersboot die wordt gelost, de lucht van de netten die opgehoopt op kade blijven liggen. Er is de lucht van het bloedwater waarmee de vissen na de vangst één kant op worden gespoten, water dat rood van het vissenbloed uit de slangen spuit omdat het wordt hergebruikt. De lucht die opstijgt uit de kleren van mijn jongste zwager, terug van de nachtdienst, nadat hij dat urenlang heeft gedaan. In de vriezer ligt haai, met een geur die ontsnapt zodra je de koelkast opent.
Van de vismeelfabriek is de filter is kapot. De stank hangt in het fjord. Je ruikt het smelten van de vis, het vocht wordt eruit gestookt totdat het poeder is, vismeel. Mijn man vertelt dat hij is opgegroeid in deze vismeeldamp: peningalykt, de geur van geld.
Op de dag voor kerstavond, de drieëntwintigste, wordt er rotte rog bereid. Amma kookt het in de bijkeuken, met open deur. Toch is het huis ervan doordrongen, de geur van ammoniak hangt in de melk, het brood en de kussens, in onze kleren, tot diep in mijn koffer. We vluchten naar buiten. Uit iedere open deur walmt rog.
Onder de sneeuw ligt een dikke laag ijs, je zou kunnen schaatsen over de weg. Onze dochter ligt in de slee, in dekens gewikkeld. Ze zingt dertien coupletten over de jólasveinar, die beurtelings iets in haar kous doen, de dertien nachten voor kerst. De huizen zijn opgetuigd met zoveel lichtjes, bewegende sneeuwpoppen, rendieren en muurprojecties dat het niet onderdoet voor de Efteling.
Op straat zien de broers de auto die hun ouders vroeger bezaten, stapvoets rijdt hij over het ijs. Hun eigen, knarsende Suzuki, met datzelfde nummerbord; ze trommelen op de motorkap, ze roepen: Dit was onze auto! Dit was onze auto! De man achter het stuur remt. Hij draait het raampje open, uit zijn mond komt stoom met de geur van rog.
Binnen wordt er geschaakt. Het jaarlijkse kersttoernooi dat dagen duurt. Afi, die in zijn jonge jaren internationale wedstrijden speelde, is de enige die niet meedoet. Hij schaakt niet, hij leest over schaak. Af en toe loopt hij giechelend langs. Als hij over een schouder meekijkt zie ik zoons verstrakken. Eén blik op het bord en hun vader weet de enige acceptabele zet: Einn leikur!
Wordt er met Jezus gevloekt, apporteert onze dochter gedienstig het kindeke uit de kerststal: Riep je hem?
In alle huizen is het nu zaak de vislucht voor kerstavond te verdrijven. Dat kan alleen door hem te overtreffen met een andere, minstens zo pregnante lucht, zoals die van een zwijn in de oven. Amma kerft er patronen in, een volledig zwijn, herkenbaar uit ‘mijn boerderijdieren’. Onze dochter helpt. Ze stelt me gerust: Die slaapt, mama.
Er zijn specifieke wensen omtrent het kerstweer. Het moet kalm zijn, windstil, om zes uur moet het dikke vlokken sneeuwen, traag en loodrecht. Zelf ben ik inmiddels immuun voor elke pittoreske associatie waar het neerslag betreft. Alleen de met sneeuwmachines gegenereerde dwarreling in films bezorgt me een kerstgevoel.
De inhoud van iedere maaltijd staat vast. ’s Middags eten we koude rijstepap met warme bessensaus. Er wordt door elkaar gepraat en gelachen, mijn dochter vertaalt: ‘Allemaal nonsens, mama.’ Ze bladert in een boek. Ze weet dat de plaatjes verwijzingen zijn: de echte sneeuw valt buiten, de echte maan schijnt buiten. Het echte varken ligt in de oven. Ze stuit op een klok en vraagt: Waar is de echte klok?
Ik wijs naar de muur, maar het platte uurwerk met zijn geschilderde wijzers, met zijn seconde die net zo mensgemaakt is als het boek op haar schoot, hoort volgens haar thuis in het rijk der afbeeldingen.
Is de echte klok buiten?
Ik probeer haar uit te leggen dat ze haar eigen klok is, haar eigen kleine wijzer, een schuivende schaduw over de wijzerplaat waarop we wonen. Haar schaduw heeft ze al lang niet gezien. Ik zeg:Je hebt een schaduw omdat de zon niet door je heen kan schijnen.
Wat is de zon? vraagt ze. Aan die exotische vuurbol is de gespikkelde herinnering, vanonder haar strooien hoed, vervaagd.
Mijn man kijkt met zijn broers en zijn vader naar het schaaktoernooi op televisie. Na elke zet barsten ze in lachen uit. Ze lachen hoog, ik hoor niet wie wie is.
Ik zeg: De zon komt vanzelf. We wachten erop.
Mijn dochter laat de gevleugelde kerstengelen snateren zoals de watervogels die ze kent.
’s Avonds laat, als alle kadootjes zijn uitgepakt en het zwijn verorberd, legt ze de schare te slapen met hun neuzen onder hun vleugels gestoken.
In bed fluistert ze: Ik ruik nog steeds vis.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

Maarten Inghels is dichter en schrijver. In oktober 2013 verscheen het reportageboek De eenzame uitvaart, 40 verhalen en gedichten bij vergeten levens over zijn werkzaamheden als coördinator van ‘De eenzame uitvaart’ in Antwerpen. In het najaar van 2015 verschijnt bij De Bezige Bij zijn dichtbundel Nieuwe rituelen.

*

De dood van een schommel

Luchtballon, angstaanval. Opgezogen
worden door het heelal.
(Ik ben volstrekt alleen.)

Maar ook in de trein kruip ik
door de iris van de tijd.
Ik snak naar lucht.

Het vliegtuig gaat nog net.
Achterovergedrukt in de stoel,
ingesnoerd, bedenk ik een toespraak

voor bij de koffie, cake, cognac
na het dichten van mijn graf.
Moet ik een keer een cruise proberen?

Misschien kies ik wel voor
de dood van een schommel;
hang ik wiegend in de wind

aan een appelboom.
Verpest ik de zaterdagmiddag
van het zachtjes ademende kind.

 

I.M.

Nu al oefen ik voor mijn houten jas,
de kist: ik trek de schouders in,
buig mijn hoofd tot waar de kin
zal rotten op mijn borstkas,

vlecht mijn handen rond mijn pen.
Nee, geen gedachte waait door
mijn verfomfaaide hoofd. Enkel
wormen spoken rond in mijn karkas.

Ik neem dit niet licht: repeteer
in een kast het urenlange liggen
op mijn rug, spreid mijn benen
uit elkaar waar mijn lederen tas

komt, vol boeken die ik nooit lezen
zal, papier dat nog beschreven
moet. Rook lachend een sigaret,
hef met mijn geliefde het glas.

Tot slot spreek ik dit I.M. uit,
beeld me het snikken in om mijn graf,
zoek het zwijgen op en droom
weg, toon mijn lelijkste grimas

Op hoge snelheid rijden over land waarop niets groeit, dat zo weids is dat na een uur nog steeds de zee rechts van je ligt en de bergrug links, geeft je de sensatie een adelaar te zijn, in het bezit van ogen met een groter oplossend vermogen dan een mensenoog. We kennen die grotere opname van beelden per seconde in momenten van paniek: wanneer iets op je gaat botsen, je vader belt in het holst van de nacht. Je beleving van tijd is afgesteld op hoeveel beelden je brein per seconde verwerkt. Je ervaart het als traag wanneer je tijdelijk meer data absorbeert – ik zie meer, dus dit duurt langer. Die illusie van vertraging voel je wanneer je langs de zuidkust van IJsland rijdt. Tijd verstrijkt, beelden dienen zich aan, maar ze blijven onveranderd. Links de bergrug, rechts de zee. Je bent gewend dat hoe sneller je je voortbeweegt hoe sneller de wereld langszij passeert. Hier is geen wereld. Hoe harder we rijden, hoe langzamer we verouderen; als er een man aan de kant van de weg zou staan, dan zagen we hem in onze achteruitkijkspiegel vergrijzen.

’s Ochtends zijn we van huis gegaan. We zijn langs boerderijen gereden, langs kleine dorpen. Reykjavík hebben we afgesneden. We hebben geslipte auto’s langs de weg zien liggen, soms gekanteld. De berg fungeert als glijbaan voor de wind, die tegen auto’s aanjaagt met een kracht die bussen de lucht in kan tillen.
De zon komt ons tegemoet, we rijden tegen het licht in. Het is maanden geleden dat ik zon op ons kind heb zien schijnen. Het licht valt op haar dichte oogleden. Ik draai mijn gezicht als een zonnebloem naar de warmtebron.
De temperatuur fluctueert tussen 3 °C en –14. We rijden stormen in en uit. We zien een verkeersbord waarop ons een boom met bankje wordt beloofd. De boom zien we niet. Wel het bankje. De laatste sparren hebben we lang geleden achter ons gelaten. We hebben het laatste dorp gezien, het laatste tankstation. Ons kind, net zindelijk, komt erachter dat onze wc niet de enige op aarde is. Ze verhoort de eigenaar: Hoe heet je? Hoe heet je vader? Hoe heet je moeder? Ze stelt zichzelf voor als Jip, soms Gilitrutt, naar de trol.
We rijden langs een kudde rendieren. Ze lijken met hun gewijen plat op het wit geplakt. Je ziet geen diepte in een spierwit landschap. Het maakt witblind. Tegenliggers op de weg zijn grondeloze cartoons die opduiken uit het niets en ons de stuipen geven.
Rechts is de zee, maar we zien hem niet. De wind, van links, blaast op de auto in. Van de berg stuift poedersneeuw af die als suiker over ons wordt uitgestort. De weg is glad en onzichtbaar onder golvende witte slangen. De reflectoren op de paaltjes zijn bedolven. Ik zeg: Ik zie de vangrail niet eens.
Mijn man tuurt, de auto schudt. Hij stuurt tegen de wind in om recht op de weg te blijven. Hij zegt: Hier is geen vangrail.
We zien we de contouren van een vachtwagen. Vanuit de stuifsneeuw schuift hij hellingafwaarts, naar ons toe. Hij kan de bocht niet maken, slipt en schuift naar onze helft van de weg. Het gevaarte nadert in slow motion, blijkbaar ben ik bang. Verder merk ik daar niks van. Niets wijst erop dat dit geen droom is. Mijn man wijkt uit maar veel ruimte is er niet. Hij remt, wil stoppen, op hoop van zegen achteruit, maar verliest zelf zijn grip op de weg. We beginnen te schuiven, te draaien, hij stuurt en vloekt, hij staat op de rem maar geen wiel reageert. Het wegdek is een schans.
De enkele keer dat mijn man zijn kalmte verliest, word ik kalmer dan ooit. We zijn een gesloten circuit: heb ik het heet, heeft hij het koud en vice versa. Stijgt mijn stemming, keldert de zijne en andersom. Is één van ons sterk, grijpt de ander de kans om zwak te zijn. Wakker knikkebollen we door de donkere dagen, we slapen en waken bij toerbeurt.
Aan de rand, in het grind staan we stil. Even zie ik tussen de stuivende sneeuw een glimp van de diepte, de zee. We hangen in een hoek van dertig graden. De auto deint.
Wat is dit, mama?
Ik zeg: De auto hangt scheef.
Onze dochter zegt: Dat is lollig.
We klimmen eruit. Buiten vriest het, waait het. Mijn man telefoneert, hij schreeuwt tegen de wind in. De vrachtwagen heeft zijn greep op de weg herwonnen en is opgegaan in stuifsneeuw. Mijn eigen handen zijn niet te zien, ik grijp de capuchon van mijn dochter voor ze me ontglipt. We stampen om warm te blijven, ik zing wat bij me opkomt: Als hier een pot met bonen staat en daar een pot met brie.
We hebben geluk met de jeep die langsrijdt. Een boer stapt uit met zijn zoon. Ze glibberen naar ons toe en beginnen zonder omhaal te helpen met het sjorren aan onze auto. Alsof ze oude bekenden zijn. Zoals je de kamer van je broer binnenloopt en vraagt: Heb jij de hamer ergens gelaten? Je vraagt niet eerst hoe het gaat. Misschien dat het IJslandse volk zo praktisch communiceert omdat het geëvolueerd is in barre omstandigheden. Visser zegt: Pak aan dat touw. Wie Hoezo? vraagt, vergaat. Reflectieve genen hebben het niet overleefd.
De mannen missen tanden onder hun zolen. Ze trappelen, leunend tegen onze auto, als ongeduldige paarden langs het spiegelgladde oppervlak. De boer, bedaarde man, heeft allerhande kabels, duw- en trekgerei in zijn laadbak. Een klus als deze klaart hij vaker.
Onze dochter zegt: Ik heet Possibility.
De mannen trekken de auto, met behulp van touw en jeep, terug op de weg.
Onze dochter blaast kushandjes.
We roepen: Gleðileg jól, vrolijke kerst. Stapvoets rijden we de wind uit.
In het fjord waar Neskaupstaður ligt, loopt de hoofdweg dood. Je moet twee fjorden terugsteken om de rondweg langs de kust te hervatten. Er is één weg, erin en eruit, door de tunnel in de berg. In die tunnel kunnen tegenliggers elkaar slechts op een paar plaatsen passeren. Eénrichtingsverkeer met hier en daar een inham en een blinde heuvel in het begin vanwege een onbedoelde curve in het wegdek.
Als we de tunnel uitrijden zien we Neskaupstaður, een hand vol trillende lichten in de diepte. Dat mijn man hier geboren en getogen is, in deze dode hoek van de wereld, is voor hemzelf een nog grotere schok dan voor mij.
Op de radio horen we dat de weg waarover we zijn gekomen achter ons is afgesloten.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

Van het kind in aantocht kan mijn dochter zich niets anders voorstellen dan dat het direct na de geboorte in de sneeuw zal vallen. Ze oefent hoe ze het op zal vangen, hoe ze de sneeuw van het buikje klopt, het laarzen aantrekt, muts en wanten. Kom maar, zegt ze, zo word je lekker warm. Voor de zekerheid stopt ze het terug in mijn buik. Een wereld zonder sneeuw kan ze zich niet herinneren. De ochtenden zijn donker. De middagen tersluiks. We hebben de grond in geen maanden gezien. Ons duister is wit, ons licht is wit, ons zicht is verdwenen. Alles vlokt. Wie luistert hoort alleen zichzelf. Soms vallen vlokken traag in de vorm van grote hondenpoten, soms wervelen ze bij miljoenen; ze dwarrelen, stapelen zich op tegen de kozijnen, plakken aan de ruiten, sneeuwen ons in. Buitenshuis bestaat niet meer. We bakken koekjes. We vouwen sterren. We pogen de velletjes van onze ellebogen te bijten.

Als ik geen kind had dan hield ik een winterslaap. Opstaan en lopen heeft nauwelijks effect. Er is geen voorwerp in huis te vinden waar we de achterkant niet van kennen. Niets floept tevoorschijn met het verschuiven van je perspectief, waarom zou je je verroeren? Het portret aan de wand blijft je beloeren. De schilder heeft recht in die ogen gekeken, de blik gevangen; zo’n schilderij werkt als een telescoop: vanuit elke positie in de kamer behoud je het standpunt van de schilder. Het hangt er omdat het er al hing.
’s Nachts dromen we hoe met het draaien van ons hoofd ons zicht statisch meedraait.
De sneeuwstormen duren een dag, of dagen. De weg tussen het fjord en Reykjavík wordt afgesloten als het zo hard waait dat voertuigen van de weg kunnen worden geblazen. Soms komt mijn man niet thuis. Hij wacht in de auto met draaiende motor tot de weg wordt geopend. Of hij slaapt bij zijn broer. Ik rijd geen auto en bussen komen hier niet. Ik ben gewend aan het feit dat ik vast zit. Dat we een beroerte kunnen krijgen of een slagaderlijke bloeding, daar denken we niet over na. We denken nergens aan. Ik zit met mijn dochter in de vensterbank. We staren naar de sneeuwval. Ik hoor haar zeggen: Ik word heel langzaam drie jaar.
Ik zet bonen in de week. Ik pak een flespompoen uit de kist en hak hem in stukken. Rijst is er altijd nog wel.
’s Avonds laat klaart het op. Niet altijd. Maar als het windstil is, het tien graden vriest en alle uitstulpingen uit het landschap zijn gesneeuwd, dan stappen we in onze laarzen. Mijn man is thuis. Onze dochter slaapt. We slaan een sjaal om en staan op de drempel van de open deur. Het tocht niet. De baai vonkt in het noorderlicht. We kunnen een koe aan de overkant horen loeien. Zonder jas lopen we de tuin in. Het is zo stil dat we de kou niet voelen.
Onder een helder firmament sta je precies in het midden. In alle richtingen kun even ver zien en even ver horen, je staat in het centrum van je zintuigen. Dat maakt je omgeving rond. De horizon trek je met een passer, jezelf middenin geprikt, niet met een lineaal. De lucht is een koepel, geen vierkante doos. Zet je een stap, dan schuift de koepel met je mee. Is het daarom zo moeilijk te bevatten dat je niet het centrum van het universum bent? Omdat je vanaf je geboorte in die optische illusie leeft?
We leggen het hoofd in de nek. Poollichten maken de grootste gebaren die je waar kunt nemen. Ze beginnen achter je en beschrijven een baan tot het hoogst boven je en het verste van je vandaan. Kleine deeltjes zonnewind die naar de polen worden gezogen, zoals je in de natuurkundeles het ijzervijlsel hebt zien manoeuvreren rond een magneet. Een reusachtig zwiepend springtouw, van pool tot pool, waaronder de aardkloot draait. Met ons er wankelend aan vastgeklonken, knikkende kop en draaiende oogbollen om niets te missen van dat schommelende groen. We leunen verder achterover, springend om ons evenwicht te herwinnen, in spin de bocht gaat in, hink stap sprong met holle rug, we blijven landen.
Ik voel dat mijn spieren afkoelen. Binnen tintelen we. De winter is de strengste in zesentwintig jaar. We krommen onze rug. We schudden met onze kaak. Licht in het hoofd rollen we in bed.
’s Nachts wekt lawaai ons, alsof er een bak grind tegen het raam wordt leeggesmeten. Van drie kanten slaan rukwinden, gevuld met hagelstenen tegen de ruiten. We schuiven het bed van ons kind in de meest beschermde hoek. Ze slaapt diep. We luisteren naar de bevroren sneeuwlagen die van het dak schuiven en kletterend breken. Winden stormen vanuit zee op ons huis af, sneltreinen die niet stoppen op het station waar je staat te wachten, we horen ze komen en gaan. Het huis kraakt. We openen geen enkel raam – zodra de wind een ingang vindt kan hij van binnenuit het dak eraf laten waaien.
Een stormnacht duurt eindeloos, wachtend in ons warme, zachte, ruime bed. Hoe lang duurt zo’n nacht voor een paard? De schapen zijn binnengehaald, maar paarden overwinteren buiten. Ze staan op een kluit in hun berige vellen.
In een weide dichter bij Reykjavík zoekt een kudde beschutting. De boer heeft er niet voor gezorgd. Ze ploegen door de wind. Ze begeven zich op ijs. Ze zakken er met z’n twaalven doorheen. Ze verdrinken, bevriezen. Na de storm worden ze losgebikt en opgetakeld.
Het zijn niet de paarden die wij op heldere dagen vanuit ons keukenraam kunnen zien. Wat buiten de cirkel van mijn zintuigen valt, zijn televisiebeelden.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.

Dat gedachtes een andere vorm kunnen aannemen dan iets wat vanachter gevels en sprekende monden tevoorschijn springt, is gebleken. Gezichten en gebouwen zijn geweken. Je blijkt een horizon te kunnen denken, van waar een gedachte gestaag op je afstevent, alsof je in een autootje door een IJslands landschap schuift, met hier en daar iets om aan te wijzen: een paard met zijn kont in de wind, vallend water, een kraterveld. Halverwege kun je nog zeggen: ho. Ik prefereer die andere gedachte, die ernaast, die erachter. Zoals je in een stad denkt in straatjes en steegjes, gevels, deuren, gezichtsuitdrukkingen, stembuigingen – zo denk je in een fjord in vlakken. Bergruggen achter ruggen. Hier is het punt op oneindig, waar je parallelle lijnen elkaar ziet snijden.

’s Ochtends ligt er zout op de ruiten van zeewater dat ertegenaan is gewaaid. We gaan naar buiten met krabbers en kokend water. De wind is gedraaid, we staan in de luwte. Omdat het niet vriest zegt onze dochter: ‘Wat een lekker weer!’
Over onze schouder zien we een door de wind opgetild beekje langsvliegen. Wind rukt het water van de bergwand en trekt het in een dikke sliert door de lucht.
Mijn man neuriet het lied waarmee hij onze dochter dagelijks in slaap krijgt, een wijsje dat ik door alle herhaling fonetisch ken; ik hoor mezelf, al boenend, meeprevelen. Het lied zingt rond, het heeft geen einde, of we zijn het einde vergeten. Onze dochter knikkebolt.
Ik vraag: ‘Wat zing ik eigenlijk?’
Mijn man vertaalt: Wordt het niet eens tijd om verbanden te leggen? Verbanden, verbanden, verbanden.
We hebben de kleur uit het landschap en van onze wangen zien verdwijnen. De baai is een ets van zwart zand en uitgespaarde sneeuw. Zee en lucht zijn twee loodgrijze vegen. De bergen, omhooggeklapte stukken verte, opgestrekt naar de zakkende zon, geven ons reflecties van wat we tekort komen. Zon hebben we in geen geen weken gezien, het sneeuwt of hagelt op ons dak, maar over de toppen zien we allerlei weersoorten trekken. Soms regenbogen zonder zon of regen.
Ik zet een schaal water buiten voor de meeuwen, die in de bevroren beek pikken. We hangen voer aan een paal, hoog tegen de nertsen, met vissersknopen vastgemaakt – de wind lig hier nooit lang. Ook raven komen erop af en zwermen sneeuwpiemeltjes.

Hellingopwaarts, dicht bij de weg, staat onze brievenbus. Als de postbode is geweest, steekt hij naast de bus een ijzeren vlaggetje omhoog, dat lam is en op halfzeven wordt gezwiept. We zien het alleen door onze verrekijker. Het is een klim, we wandelen erheen op windstille dagen. We binden ijzeren tanden met rubberbandjes onder onze laarzen voor grip. We smeren paardenzalf op onze lippen. We geven elkaar een hand en glibberen over bobbelig ijs, ingeklonken, verregende en opnieuw bevroren sneeuw. Het is een spannende tocht: soms ligt er een pakje in de bus, soms niet. De postbode is onze Sinterklaas. Misschien, zingt onze dochter. Misschien misschien misschien. Haar adem wolkt, haar stem bibbert. Het leuke van de postbode is dat hij bestaat.

Ik vraag me af of bij gebrek aan ons eigen diersoort, de spiegelneuronen in onze hersenen zich kunnen richten op andere visuele prikkels. Vuren zij signalen af bij het zien van golfslag, wervelwind, het stuiven van droge hagelbolletjes? Een hoofd gaat synchroniseren met de plek waar het zich bevindt. Binnen en buiten worden inwisselbaar. In de stad stuit je voortdurend op muur, op mensen die je niet niet kunt zien en daarom niet niet kunt denken. De locatie van elke gedachte is een plek in je kamer, ze nestelen zich in aantekenboekjes, stapels papieren, ze worden gepersonifieerd door huisgenoten, ze hebben de vorm van de krakende stutbalk boven je bed, van vochtvlekken in het plafond, ze staan gekrabbeld op briefjes en in kantlijnen. Al is het voor derden een zwijnenstal, je weet ze blind te vinden; de lagen stof in je archief zijn een indicator van hoe lang iets daar onaangeroerd heeft gelegen, bij welke gedachtegang het hoort, en wee de Mrs. Hudson die orde probeert aan te brengen in jouw associatiesysteem.
De Franse filosoof Lyotard schreef afgelopen eeuw: ‘Alleen het ontvankelijk zijn voor datgene waarop het denken niet voorbereid is, verdient denken genoemd te worden.’ En was het niet Einstein die zijn vriend bekende, dat als hij twee gedachtes in zijn leven had gehad, het veel was?
Goed, denken is een groot woord. Maar wat zich aan hersenactiviteit manifesteert krijgt in dit onbewoonde, onbegroeide land de ruimte. Je hebt, zonder het te weten, met een gecomprimeerde versie geleefd, een vacuüm getrokken gedachtewereld waaruit de zuurstof is geknepen om het te laten passen. Als de materie van de hele mensheid zoveel is als een suikerklont, dan verbaast het me niet dat een brein in een kop kan worden gepropt. Al je denksels hebben zich hier, niet lang na aankomst, als duveltjes uit doosjes over je uitzicht verspreid. Je hoofd is baaigroot geworden. Er zijn gebieden waarin niets gebeurt.
Vanuit het zijkamertje hoor ik man en dochter klappen, zingen om het hardst: Heyrir þú hvað ég segi þér, þú hefur étið úldið smér, og dálítið af snæri.
De zee is woest. Het gaat stormen.
Lieverdje van me, hoor je wat ik zeg?
Je hebt ranzige boter gegeten en een stukje touw.
Als ik buiten schapen had dan zou ik ze nu binnenbrengen.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.