Michael Tedja (Rotterdam, 1971) schreef de experimentele romans A.U.T.O.B.I.O.G.R.A.F.I.EHosselen, en de bundels De Aquaholist, prozagedichten, Tot hier en verder, gedichten. Hij gaf voordrachten op het Crossing Border Festival en het Read My World festival. In de bundel De 100 beste gedichten van 2015 werden een aantal van zijn gedichten opgenomen.

*

Plek

Een zware regenton als metafoor
voor de voortgang des levens was geen grap.
Zij maakten er een gortdroge analyse van.
Ondanks dat ik in het team zat stond ik buiten.

Ik was één stap verder. Ik ging er vanuit
dat het team nooit bereid zou zijn
mij te omarmen. Werd ik er stil van?
Eén stap maakte nog geen avondvierdaagse.

Was ik de wortel van de boom die onderzoek
verrichtte op de bodem van het bestaan?
Moest ik van de aardbodem verdwijnen
zodat er alleen het werk restte?

Wanneer men achteloos een boom nadeed
spraken we van geschiedvervalsing.
Zij die geschiedenis wilden schrijven
moesten het zelf doen. Met steken onder water.

    Milou Voskuilen (1989), schrijft poëzie, korte verhalen en essays. Haar werk werd eerder gepubliceerd in TiradeHet Liegend Konijn en op de websites van Deus ex Machina en Meander Magazine.

    *

    Kroost

    De langste dagen was ik hier, als een vos
    slim en ernstig in het gras. Ik ving
    kleine wespen, hield ze als mijn vader
    onder glas. Soms dacht ik aan de kinderen
    die we hadden kunnen krijgen, bastaards
    nooit verwerkt, glippend door de spijlen.
    Ik liet de kansen krimpen, wilde enkel
    liefde maken, hing jouw lichaam aan de wilgen
    sloop ‘s nachts over de daken. Ik wachtte tot de herfst,
    tot het te donker was om hier te blijven, gaf je
    een glas, een tand, scherp en hoekig
    als de vouwen in mijn laken. Soms dacht ik aan de kinderen
    glijdend in boten over water, wiegend
    tot ze uit mijn zicht verdwenen.

    Vruchten

    Ik reis heen en weer, van het ene moment
    naar het andere en vraag je
    hoe het voelt om in een meisje te zijn. Je zegt
    dat het lijkt op de binnenkant van een mond; het zachte,
    roze vlees van een wang. Je kent alle geheimen;
    streelt mijn haar, mijn borsten, mijn armen,
    mijn buik. Jouw kamer is hetzelfde
    als altijd. Het massieve bureau, inktvlekken
    op het blad. In de schaal op tafel ligt het fruit,
    een sinaasappel donzig in zijn vacht.
    Het ruikt naar sap, oud sap, overrijpe appels
    donkere vloeistof die plakt aan de huid
    als de hars uit een boom. – Ik dacht dat het bloed was
    jij zegt Het zijn pleisters.

    In deze nieuwe reeks keert Marieke Rijneveld terug naar haar roots. Tussen het schrijven door werkt ze op een koeienbedrijf achter haar studentenhuis. Ze schrijft over haar bevindingen, verlangens, twijfels en onzekerheden. Vandaag deel 1.

    *

    Ze staan fier overeind, mooi geplaatst op de uier: de opgezwollen tepels die op overrijpe flespompoenen lijken, de melk gutst er in stroompjes uit terwijl er nog maar een stukje van de poten uit de schede van nummer tachtig steekt. Daaronder hangt de waterblaas, een boiler die het kalf maandenlang warm hield. Ik sta te kijken, met een fles lauwwarm water voor een kalf dat aan de diarree is. Vannacht droomde ik dat ik gevangen zat in een iglo op het erf en dat de boer mijn kin vast hield, zijn duim tussen mijn kaken duwde om de speen van de fles in mijn mond te krijgen. 

    Hij bleef net zolang naar me kijken totdat de hele fles leeg was. Tien minuten uitgerekt. Steeds als ik wilde zeggen dat ik geen kalf was, leken mijn woorden als brokken eiwitpoeder samen te klonteren, ik maakte te weinig speeksel aan om ze vloeibaar uit de mond te krijgen. In de droom mocht ik tenminste nog wankelen. Ik droeg een halsband met een chip erin zodat alles wat ik deed geregistreerd werd. Was het maar zo makkelijk, dacht ik toen ik wakker werd en een glas troebel water aan mijn mond zetten om de vanillesmaak van eiwitpoeder uit mijn gedachten te spoelen.

    Bij iedere perspoging worden de ogen van moederkoe groter. In de stal heeft de boer waar ik twee dagen in de week werk een kraambed gemaakt van stro. Aan de overkant staat de vader vastgemaakt met een ketting aan de spijlen.  De stier heeft alleen maar oog voor het plak hooi dat voor hem ligt.  Even denk ik aan vanochtend toen ik een kruiwagen met stront naar de mesthoop bracht, zo over de plank balancerend, en door een paar centimeter gier naar de berg waar ik vooraan het dunne beschermlaagje van een kalf zag liggen, een vergeten regenjas in een park nadat het gestopt was met regenen. Het was afkomstig van een doodgeboren kalf, en dat dat hier op de mesthoop lag tussen ondergepoepte mais, stro en mandarijnenschillen, na negen maanden bescherming maar nog geen twee dagen rouw, raakte me. Misschien omdat Joost Zwagerman twee dagen geleden was begraven. In de eerste dagen ontplofte het overal: interviews, gedichten, eerbetuigingen en waaromvragen. Langzaam werd dat minder. En dat was misschien wat me nu zo trof, dat er inderdaad verder gegaan moet worden en we rouw niet net zo lang kunnen laten duren als het ontbindingsproces. Aan de ene kant: gelukkig maar. Aan de andere kant: waarom vind ik eigenlijk dat die aandacht langer door moet gaan, en het niet genoeg is dat iemand bij de nabestaanden blijft?

    Een vorm van narcisme is dat, bedacht ik, omdat de dood niet alleen voor verdriet staat om het gemis en de lege plek die iemand achterlaat, maar ook eigenbelang raakt: als ik dood ga, dan gaat de wereld ook verder, er wordt iets over je geschreven, foto’s opgehangen, herinneringen worden opgehaald, maar op een dag volgt weer het nieuws van de dag, kom je in een archief terecht tot de laatste bewaker daarvan zelf in het dossier terecht komt. Zwagerman blijft bestaan zoals meer schrijvers na hun dood levendiger zijn dan daarvoor, hier heeft de dood status, terwijl het dode kalf enkel aangemeld wordt bij het destructiebedrijf dat morgenvroeg door een vrachtwagen opgehaald wordt met daarin meerdere kadavers om ze zonder hun naasten naar de eeuwigheid te rijden. Zij laten alleen een identificatiecode achter in het register van de boer, worden alleen nog eens opgehaald als ze stierven aan een bijzondere ziekte, onder een tractor kwamen of geraakt zijn door de bliksem.

    De geboorteresten van het kalf deden me net zo wankelen als in mijn droom. En ik zag dat ik precies hetzelfde deed: de iglo die klaarstond werd doorgeschoven naar het volgende kalf, het kalf dat nu half uit zijn moeder hangt als een drenkeling die vaste land in zicht heeft. Het dode kalf lag nu in een kruiwagen aan de verkeerde kant van de weg. Ik slikte een paar keer. Zowel uit verdriet als uit zelfmedelijden, en dat was nog het ergste om te merken, al weet ik dat ieder mens bij een begrafenis ergens de gedachte heeft aan zijn eigen einde. Dat een dode nooit alleen zijn eigen dood draagt maar ook die van alle mensen die je moet missen. Niet voor niets stond de zelfmoordlijn roodgloeiend na het nieuws over Zwagerman. Mensen dachten meer aan hun eigen einde, en je had ook de mensen die er juist kracht uit haalden omdat zij dat nooit zouden willen- beide groepen keken naar zichzelf. Er werd gespeculeerd over opwellingen. Ik vroeg me af: hoeveel opwellingen zijn er nodig om van een welbewuste keuze te spreken? Opwellingen zijn de grootste dieptepunten in iemand depressie: het is een gierput waar je midden in staat en waarin je hardnekkig moet zorgen dat je laarzen niet vastgezogen worden zodat je niet langzaam naar beneden wordt getrokken totdat je stikt. Dieren gaan zo gemakkelijk om met dood en leven. Een kraai zit op de mesthoop en loert naar de resten waar ik de kruiwagen met mest overheen stort, opdat wij niet vergeten, fluister ik en klap twee keer in mijn handen om de kraai af te schrikken, de nieuwsgierige ramptoerist.  

    Het kalf uit nummer tachtig komt steeds een stukje verder naar buiten, glijdt uiteindelijk met een scheurend geluid naar buiten zo de wereld in. Verdwaasd hapt het naar adem. Ik grijp de navelstreng vast die sluimerig aanvoelt als de inktvisslierten die ik ooit in Zeeland klaar mocht maken en vertikte om op te eten, ik trek er flink aan waardoor hij loslaat, de telefoonlijn uit het stopcontact, en sleep het natte kalf naar de moeder toe. Ze begint haar kind meteen af te likken. Alles gaat zoals het moet gaan. Behalve de hond, die vergist zich in zijn taak en schrokt navelstreng en moederkoek naar binnen om na een paar minuten alles weer uit te kotsen. Na een uur melkt de boer de eerste melk, de biest, extra voedingsstoffen om het kalf als een kind met snoep naar de iglo toe te lokken. Ik weet nog dat mijn oma daar pannenkoeken van maakte die zo dik en hard waren als frisbees.

    ‘Tegen al het geweld in de wereld, zit bomvol afweerstoffen,’ zei ze dan.

    De wereld had haar nooit kunnen raken, maar dat was omdat ze altijd binnen bleef, liefst met de fluitketel aan zodat de ramen constant beslagen waren, gesloten gordijnen vond ze weer zo asociaal staan.

    Jarenlang zullen moeder en dochter tegenover elkaar in de stal staan met tussen hen in een onoverbrugbare oceaan van kuilgras. Moederkoe krijgt tegen het klagelijk geloei een half emmertje bixvoer: een koeienhart is makkelijk van de wijs te brengen, maar het mijne bonkt opstandig tussen mijn ribben, het kalf tussen de vier plastic muren dat het liefst terug wil naar de warmte van de waterblaas. Dit is hoe het gaat, net als de dood. Soms moet je  nu eenmaal de stier spelen, achter iets aanrennen terwijl je kleurenblind bent, maar als alles stilstaat, moet je de rust nemen om de omgeving in je op te nemen: is de aanvaller wel echt de aanvaller? Wie en wat verdedig ik eigenlijk en waarom? Naast de stal staat de riek klaar om het kraambed op de mesthoop te gooien, naast de regenjas van de dode. Dood en leven: brandnetel en weegbree, het gif en tegengif die je in de natuur bij elkaar in de buurt kunt vinden, het leed van de één bestrijd je met de ander, en omgekeerd.

    Nieuwsgierigheid, daar begon het mee. Een luxepositie, iets afstandelijks. We zouden alleen maar naar de cijfers kijken, Thomas Franssen en ik, voor ons artikel in De Groene, De witte motor. De verblindende blankheid van het boekenvak. Maar het wringt. Vier reacties en een zich verdiepend twijfelpunt: wat moet ik in deze discussie, en wat zijn de consequenties van deze denkwijze? Over slachtoffers en daders. Wij tegen hen, ik tegen ons, ik…

    1. Ouariachi: Nóóit klagen

    ‘Ik heb er zelf voor gekozen mijn leven aan de schrijverij te wijden, dan [moet ik] zo goed mogelijk mijn best doen en het vooral niet opgeven. Afdwingen dat lezers me op kwaliteit beoordelen en niet op mijn afkomst. En vooral: niet klagen. Nóóit klagen.’

    In zijn Trouw-column van vrijdag 21 augustus veroordeelt Jamal Ouariachi Karin Amatmoekrims pamflettistischer bijdrage aan De Groene (‘Een monoculturele uitwas‘, en pleit hij ook tegen ‘activerende prijzen en organisaties’. Die stimuleren slachtofferschap. (Niet als ze opleiden tot daderschap, ik bedoel: schrijvers in spe de weg wijzen in het literaire veld.) Het is niet netjes, denk ik dat Ouariachi wil zeggen. Het is een negatieve, niet-kunstzinnige manier van aandacht vragen, dat ook. Naar aandacht is maar één goede weg: goed schrijven. Niet klagen. Strijden in stilte. Ik in mijn eentje.

    2. Koren: Het helpt als schrijvers achtergrond en politieke thema’s expliciet maken

    Timo Koren, in Trouw, vrijdag 4 september, benadrukt dat er meer is dan goed schrijven. Hij expliciteert de achterliggende kwaliteitsnormen:

    ‘Bij literaire romans zijn de selectiecriteria die uitgevers het belangrijkst achten vooral taalkundig en esthetisch: stijl, vorm, universaliteit, originaliteit en individualiteit. De politieke of sociaal-culturele waarde van een boek wordt als niet-literair gezien, en draagt dus niet bij aan de kwaliteit ervan.’

    Die zijn, betoogt Koren, en hij heeft gelijk, niet natuurlijk, neutraal, universeel. Ook hij zet Amatmoekrim (met Astrid Roemer en Abdelkader Benali) tegenover Ouariachi: ‘Juist door hun achtergrond en politieke thema’s expliciet onderdeel te maken van hun werk en de gevestigde literaire orde te bekritiseren, wijzen zij erop dat ook witte auteurs geen neutrale, universele positie innemen.’

    Dat is nuttig. Maar moeten we kiezen tussen taal en esthetiek enerzijds en sociaal-culturele waarde anderzijds? Als dat de tegenstelling is, als het niet samengaan kan, ja dan is de Revisor wit. Niet omdat we ergens tegen zijn, maar omdat we ergens voor zijn. Dan ben ik partij in deze strijd.

    3. Kuitenbrouwer: Allochtonen zijn dus toch minder literair

    Enige weken na de column van Ebissé Rouw in NRC Handelsblad (die ook ons stuk inspireerde, NRC.nl) reageerde Jan Kuitenbrouwer in diezelfde krant (30 mei, NRC.nl). Amatmoekrim reageerde:

    ‘Volgens columnist Jan Kuitenbrouwer, die reageerde op Rouws stuk, is het aannemelijk om te denken dat ze er eenvoudig niet zijn. Hij suggereert dat allochtonen misschien helemaal geen toegang tot de letteren zoeken, waarmee hij feitelijk stelt dat kleurlingen of migranten minder interesse in literatuur zouden hebben, een stelling die verwerpelijk en borderline racistisch is.’

    De aanname die Amatmoekrim hier parafraseert is vooral racistisch als de feitelijke stelling is dat kleurlingen of migranten niet kúnnen schrijven. Niet dat een gebrekkige taalbeheersing of een stokkende onderwijscarrière ze belemmeren, maar dat ze er intrinsiek te dom voor zijn. Mocht Kuitenbrouwer dat daadwerkelijk gedacht hebben: dat is natuurlijk gelul. Er zijn genoeg tegenvoorbeelden.

    Update 10-09: terecht merkt Jan Kuitenbrouwer [in het commentaar bij het oorspronkelijke stuk – DS] op dat ik niet hem, maar Amatmoekrim citeer, die twee punten van zijn column vermengt, en vragen als stellingen uitlegt. Kuitenbrouwer schreef het anders, en uit niets blijkt dat hij dit gedacht heeft. Maar of zijn vragen journalistiek zijn? Dit is een column, en deze vragen zijn retorisch:

    ‘Is de basketbalsport een afspiegeling van de Amerikaanse bevolking? De klassieke muziekwereld een afspiegeling van de Nederlandse? Nee? Is dat erg? […] Wat is zo’n constatering [de literaire wereld is witter dan de echte] waard als je niet aannemelijk maakt dat allochtoon literair talent entree zoekt tot het literaire circuit, en daarbij wordt tegengewerkt? Wat als “allochtonen” gewoon minder belangstelling hebben voor de literaire wereld?’

    (Logischer lijkt me, dat staat juist ook in het stuk, dat er andere, sociale en institutionele belemmeringen zijn die verklaren waarom het percentage schrijvers met Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Iraanse, etcetera wortels de helft is van het aantal Nederlanders met die wortels.)

    De toon is schril en vijandig. Wij tegen hen. De gevestigde, dus witte literaire poortwachters doen het fout. De zwarte aanklagers zoeken zondebokken terwijl ze het bij zichzelf moeten zoeken. Ik wil er niet tussen zitten. Straks kom je in een valpartij terecht. Ja, Jan van Mersbergen gebruikte onlangs de wielrennersmetafoor van de kopgroep voor de shortlist van een literaire prijs: zat hij van voren in de wedstrijd? Ik fiets niet zo hard, ik kijk tv, en ik vraag me af: zit er een Nederlander bij? Of die sympathieke Duitser? En nu ik vrienden in de fietserij heb, denk ik: fijn dat Bert Natter en Bart Koubaa in de eerste groep zitten, natuurlijk met Gustaaf Peek en Kees ‘t Hart. En oh, een mooie outsider, Naomi Rebekka Boekwijt. Ik gun het ze.

    Als mens. Als buitenstaander zie ik de gekke statistiek. Als analyticus tel ik de vrouwen (4 van de 25) en de Marokkanen (0). Niet als witte, jonge, universitair geschoolde Nederlander. Ik ben vertegenwoordigd, ik kan verontwaardigd zijn over de ongelijkheid die mij niet treft. Luxeprobleem.

    4. Stolk (Rotterdamse vader)

    “Ik wil eventuele etno-socio-raciale cultuurverschillen niet bagatelliseren als ze ertoe doen, maar toen ik het debuut van Jamal Ouariachi las, heb ik er geen seconde over gepiekerd of hij wel of niet ergens “vandaan” kwam; volgens mij deed dat er in zijn debuut niet toe; en nu lees ik opeens: “Jamal Ouariachi (Marokkaanse vader)”. WtF! Ik zou pislink worden als iemand zou schrijven: “Fabian Stolk (Rotterdamse vader)”.’ (In den vroolijken hermeneut)

    Stolks redenering is: niet-westers van afkomst is hoogstens relevant als het boek oosterse/zuidelijke onderwerpen of thema’s onderzoekt. Niet in Ouariachi’s debuut, meer in zijn recentste roman, wel in Hafid Bouazza’s Paravion. Wel in de nieuwste romans van Annelies Verbeke en Christine Otten, niet in hun voorgaande.

    Kom binnen, verwarring. Om nog even die ellendige term te gebruiken: is migrantenliteratuur iets anders dan migratieliteratuur? En zijn er dan nog meer overeenkomsten? Fouad Laroui signaleerde in 2010 dat de reflex van (professionele) lezers juist is om de literatuur van migranten juist in de context van hun migratie, deel zijn van een minderheid, etcetera te plaatsen: ‘Het ging niet om hun “diepere ik” dat zo dierbaar aan Proust was (het enige wat volgens hem iets waard was), maar juist om hun “organische” of sociale leven, iets wat er voor de schrijver nou juist niet zoveel toe doet.’

    Kom binnen, schaamte. Zo simpel is het, iemand slachtofferen. Voor een hoger doel, oké, maar op het moment dat je Ouariachi definieert – want dat doen die hatelijke haakjes – volgens zijn afkomst, vereng je hem tot een klein deel van zijn identiteit. Niet zijn moeder, niet zijn opleiding, niet Amsterdam, niet Barlaeus, niet de UvA, niet de burelen van Uitgeverij Querido, niet het vele lezen dat hem schrijver maakte. En bovenal niet De vernietiging van Prosper MorèlVertedering25Een honger, de enige vier gegevens waarvan we met zekerheid weten dat de schrijver ze wilde openbaren.

    Kom binnen, grote woorden. Etnische profilering is het, niet minder. Ik zal in het komende nummer van de Revisor zijdelings betogen dat in Annelies Verbekes nieuwste roman Dertig dagen de uitspraak ‘Jij zult nooit een slachtoffer blijven, en nooit een aanvaller worden, want jij bent een held’ niet houdbaar is. Dat er altijd oorlog is, en dat je aanvalt of sneuvelt. ‘You have been cast into a race in which the wind is always at your face and the hounds are always at your heels. And to varying degrees this is true of all life. The difference is that you do not have the privilege of living in ignorance of this essential fact,’ schrijft Ta-Nehisi Coates zijn zoon in zijn spraakmakende Between the World and Me. Het boek ligt hier nog ongelezen; ik dank aan Arjen van Veelens Groene-stuk (€) het citaat.

    Ik kies het liefst voor de luxe van afstand, maar ik ben partij. Helden bestaan maar voor de duur van een boek, en in literatuur zelfs dat niet. Ik ben geen slachtoffer, ben ik dus een dader?

    5. Paradoxen. Actiepunten.

    1. Er is natuurlijk een reden voor het etnisch profileren in ons Groene-stuk: door enkele succesvolle uitzonderingen te benoemen, hoopten we te laten zien hoe pijnlijk wit de regel is. Alleen door onderscheid te maken, konden we laten zien dat wie denkt geen onderscheid te maken, het ongemerkt wel doet. Onderscheid maken is discrimineren (eens, Kuitenbrouwer). Wij discrimineerden om discriminatie aan te tonen. (En die discriminatie is belangrijk omdat ik bang ben dat de literatuur talent mist.)
    2. Een andere paradox is dat die discriminatie des te zichtbaarder is omdat Thomas Franssen en ik geen deel uitmaken van de onderscheiden groep. Omdat we wit zijn, klagen we niet, we beklagen, maar we hebben daar minder recht toe. Hoe moet het dan?

    Er is wat te doen. Meer erover schrijven, de discussie gaande houden, maar verandert dat wat? Er zijn zeer radicale oplossingen, lees de bevlogen en geestige Amerikaanse dichteres Elisa Gabbert in haar column ‘Should White Men Stop Writing? The Blunt Instrument on Publishing and Privilege’ (en een interview erover). Het kan misschien al zo:

    • Meer niet-westerse schrijvers lezen, meer erover schrijven. Tips, ook vertaald vanuit het Frans en Duits en Engels, zijn welkom. Reageer gerust. Hoe meer schrijvers de Revisor leest, hoe meer we kunnen benaderen voor verhalen, poëzie, essayistiek.
    • Meer inclusief bespreken, met oog voor politieke en sociaal-culturele waarde. Arjen van Veelen schreef over Coates: ‘Dit is poëzie, eerder dan journalistiek, maar geschreven met de licentie van de geleefde ervaring.’ Telt die licentie, telt die zwaarder dan stijl?
    • Aansluiting zoeken bij de initiatieven die er zijn. Abonnementen weggeven aan genomineerden voor de El Hizjra-Literatuurprijs. Exemplaren bij workshops neerleggen. Voorstellen dat deelnemers, zoals bij het Parijse De Burenproject verplicht inzenden naar literaire tijdschriften.
    • Een stuk schrijven over niet-westerse daders en slachtoffers in recente literatuur van welke kleur dan ook.

    Het mag misschien niet mijn strijd heten, maar een worsteling is het wel.

    Je kunt de overledenen eren door hen te lezen, zoals nu de Kellendonklezing van Joost Zwagerman, ‘Tegen de literaire quarantaine’, of andere stukken van zijn hand via de DBNL (hij schreef tussen 1984 en 2007 14 stukken voor De Revisor). Hij overleed gisteren.

    Je kunt ook voor hen schrijven. Dat doet Marieke Lucas Rijneveld. Dit is ‘Achter je hand gehalveerd’.

    *

    Desnoods zwemmen we iedere ochtend baantjes zodat de
    zwaartekracht van al dat wat je draagt door twee wordt gedeeld
    en iedere keer voordat je te water gaat zal ik een scheepsdoop
    houden: een koele flessenpost tegen je rug als boeg fluisteren
    over hoe graag ik je lief had willen noemen die zaterdag toen we
    elkaar voor het eerst ontmoetten en we ‘miezeren’ een mooi woord
    vonden, er is heel wat kubieke water nodig om ons omhoog te
    houden en toch blijven we iedere keer drijven, dood willen is als
    onderwater zwemmen, ik zou je vertellen over de Legotrein die
    door mijn slaapkamer rijdt waar ik iedere avond de sprong oefen
    om mezelf te troosten met een goed uitgevoerd rust in vrede en
    dat kunst zit in dat wat je verlangt maar nooit helemaal neer kan
    zetten zoals je het zou willen of voor eeuwig houdbaar blijft, kom
    laten we de dood oefenen om uiteindelijk lachend op de bank te
    zitten met toastjes leverpastei die net zo breekbaar zijn als onze
    wispelturige tongen, zeggen: blij dat we nog leven. En als je moe
    wordt zal ik mijn best doen om je stramme knieën los te schroeven
    zodat ik ze in slaapstand kan buigen, ik zal over je waken en bij het
    wakker worden vragen: ben je vandaag een slaapwandelaar of de
    nachtmens die het donker nodig heeft om zich op te laden, dat daar
    het feest in schuilt van het volhouden je zwartgalligheid als koffie-
    filters steeds recyclen, als je liever wil blijven slapen zal ik je niet
    laten schrikken en je voorhouden dat je vanaf nu niets meer zal
    voelen, alleen maar lichte dagen en dat ik naar je zal kijken net
    zolang staren tot je je te veel gezien voelt en je mijn hoofd achter je
    hand halveert, weet alsjeblieft dat ik op je blijf wachten aan de rand
    van het zwembad waar de zon mijn schaamte wit laat, vroeg of laat
    zullen we al je gemiste geliefdes opduiken om jezelf niet langer meer
    te troosten met de gedachte dat je hen gaat worden net als dat
    voor mij geldt omdat ik jou ben en dat nooit de bedoeling was.

    Eva Meijer is beeldend kunstenaar, filosoof, schrijver en singer-songwriter. Momenteel werkt ze aan haar derde roman, een non-fictieboek over taal en dieren, en een proefschrift.

    *

    Effen

    In de lucht hangt zo lang je kunt kijken een vliegtuig
    In de klimop maakt een merel een nest in een winter
    In de boom zitten twee duiven die bij elkaar horen

    Over de grijze stenen van de muur ligt een groene waas
    Je zou het een schutkleur kunnen noemen
    De gordijnen van de buurvrouw zijn gesloten

    Achter stenen die elkaar omhoog houden
    Praten mannen in een steeg, er zijn mensen die hun leven
    Met iemand delen, die elkaar voortdurend verstaan

    Antwoord

    Ik sta op het balkon van een bestaand huis in een bestaande stad en ik hang de was op. Ik kijk uit over een taal die als een stad is:
    Alle nieuwe wijken netjes om de kronkelige kern,
    Alle nieuwe namen toegevoegd in volgorde van belangrijkheid,
    Alle wasmachines ratelend in pas aangelegde keukens,
    En op de balkons twee rijen lijnen, gespannen als gedachten.
    Ten eerste de vraag, ten tweede het antwoord. Ik begrijp dat je benieuwd bent. Maar je kunt de was niet laten liggen als hij nat is. Als je er toch bent kun je me trouwens best helpen. Je mag ook even rustig ergens gaan liggen.

      Twee nieuwe gedichten! J.V. Neylen (1989) studeerde theaterwetenschappen aan de universiteit van Gent. Momenteel schrijft ze gedichten en werkt ze aan haar eerste roman. Naast het schrijven werkt ze als redactrice voor Uitgeverij C. de Vries-Brouwers en voor het literair magazine Kluger Hans.

      *

      De jaren

      Ik likte de dagen tot op het bord,
      proefde een veelheid aan smaken –
      kersen met chocolade, thee met marsepein –

      bedot. Mijn dagen zijn uitgelepeld.
      Het bord oneindig bijgevuld,
      dezelfde hete soep.

      Ik hak ajuin met mijn nagels.
      Mijn lichaam – een klaproos,
      buigt over de tafel heen.

      Ontzielde pop. Doodop.

       

      Gazelle

      Mijn voeten zitten geworteld in de grond,
      toch trekt hij mij mee in zijn sprong,
      lost mijn gedachten

      wanneer zijn romp gekromd
      op een ovalen luchtmassa drukt, zijn poten –
      slechts even gebroken – reiken naar de grond.

      Onaanraakbaar dier, reik niet
      naar wat van ovalen meetkunde maakt.
      Blijf daar woordloos hangen.

      De grond is niet voor jou bedoeld.

      ‘Het wemelt van de herten hier, soms zie je vossen. Je vindt de afdrukken van wilde zwijnen en vaak als we hier wandelden vroeg ik me af welke beesten zich verderop in de heuvels verscholen. Ik stelde me die dieren altijd voor als vriendelijk, zoals de pratende wezens uit mijn oude kinderboeken.’ Wie is de vos? Geen vriendelijk pratend dier als Vos van Haas van Sylvia Vanden Heede, of de listige Reinaert, of, ertussenin, Roald Dahls Fantastic Mr Fox. Nee, Wytske Versteegs verhaal, waaruit ik hier citeer, heet niet voor niets ‘Beesten’ (Revisor #9 (2015-1)). Maar welke wildernis vertegenwoordigt het dier bij Versteeg dan? En bij Sarah Hall, en bij D.H. Lawrence? Hoe sterk kan een verhaal worden? Moet dat wilde meteen mysterieus zijn, of seksueel? Is wild niet wild genoeg? Drie ontmoetingen.

      (Waarom de vos? Hoewel pratende dieren de afgelopen jaren meermalen mijn stem kregen in de dagelijkse voorleessessies voor een twee-, inmiddels driejarige, begon de interesse voor het dierlijke personage pas echt op gang te komen door Annelies Verbekes Dertig dagen. Daarin speelt een veldleeuwerik een belangrijke rol. En een hond, trouwens. En nu ga ik erop letten, en nu zijn die dieren overal. Ja, vallen die jonge en oudere schrijvers niet te categoriseren door hun omgang (of niet) met dieren? Wat zeggen de honden van Eva Meijer en Emily Kocken over hun literatuur? Wat het paard in Marente de Moors De Nederlandse maagd? De das en de ganzen in Gerbrand Bakkers De omweg? Dieren kunnen figuranten zijn, symbolen, of levensgrote personages, maar bovenal zijn ze blanco wezens op wie wij – en de menselijke personages – van alles kunnen projecteren. Vriendelijkheid, kameraadschap, seksualiteit. Of veel vager en groter het andere, het vreemde, het wilde.
      En dan zijn deze vossen, twee uit eigen leeservaring, een derde gesuggereerd door collega Ruth, een mooi begin.)

      *

      ‘Sneeuw in een bos waar niemand komt is magisch, de wereld zo anders, het enige geluid dat van mijn eigen voetstappen. Ik was niet verbaasd toen ik een vos zag, een stukje verderop. Zijn vacht stak helder oranje af tegen de sneeuw, het was een prachtig dier. Eerst dacht ik dat hij me niet gezien had. Ik stond heel stil, staarde naar hem en na een tijdje keek hij op.
      “Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.
      Alles was zo stil. Ik was dankbaar voor het moment, de schoonheid ervan.’

      We zijn op de naborrel van een literaire avond, een vijftigster vraagt de schrijver: ‘Wil je een verhaal horen?’ (Waarom is ‘een verhaal’ in deze vraag eigenlijk altijd ‘een sterk verhaal’?) Dit is haar verhaal, een sprookje, een kinderboek. De vertelster benadrukt de schoonheid van de omgeving, van het dier, van het moment. De stilte. De tederheid van alles.

      ‘Er bestaan plekken waar vossen brutaal zijn, zelfs huizen binnendringen, maar de vossen hier zijn schuw. Dit dier niet; het leek alsof er een elektrische schok door hem heen ging toen hij me zag. Toen kwam hij in beweging, rende niet van mij weg maar naar me toe.
      Eerst begreep ik niet eens wat er gebeurde.’

      Brutaal, schuw, dat was dit dier niet. Van de observatie naar de achtergrondinformatie, daar heeft de ik nu nog tijd voor, opeens naar beweging toe. Weg stilte.

      ‘Ik stond stil en wachtte, keek naar het dier dat op mij afstormde, zijn bek wagenwijd open. De vos maakte een keelgeluid tussen grommen en blaffen in, zijn oren lagen plat op de zijkant van zijn kop. Even was ik te verbaasd om te bewegen, toen begon ik te rennen. Terwijl ik rende bedacht ik hoe belachelijk het was om zo bang te zijn voor een vos, maar ik rende zo hard als ik kon. Het dier kwam snel dichterbij; nog voor ik me kon omdraaien viel hij aan. Ik trapte naar hem, maar hij was niet bang.
      De vos had moeite om door de dikke stof van mijn skibroek te komen, maar het lukte hem wel. Zijn tanden zonken diep in mijn kuit. Ik struikelde, viel bijna over de vos heen. Terwijl ik viel lukte het me om het dier tegen de grond te duwen. Hij blafte, siste naar me, zijn nekharen recht overeind. Ik drukte hem met al mijn gewicht tegen de grond, maar ik wist niet hoe lang ik dat kon volhouden.
      Ik schreeuwde.’

      Dit is actie. Dit is een aanval, redeloos. Dit is de mooie wildernis die terugbijt. De verdediging van de vrouw is alleszins redelijk – ‘hoe belachelijk’, ‘niet bang’, ‘ik wist niet hoe lang’ -, maar het haalt weinig uit.

      ‘Ik was ervan overtuigd dat het dier me naar de keel zou vliegen zodra ik hem liet gaan. Hij zag er ziek en tegelijkertijd woedend uit, er was iets mis met zijn ogen. De hele tijd maakte hij dat keelgeluid, happend naar mijn wanten, zijn oren nog steeds plat tegen zijn kop. Ik probeerde hem te sussen, zachtjes tegen hem te praten. Het was zinloos. Het hele wezen van het dier, al zijn samengebalde energie was erop uit mij te verwonden.’

      De wereld zo anders.

      *

      ‘Since the war the fox was a demon. He carried off the hens under the very noses of March and Banford.’ In ‘The Fox’, een lang kort verhaal of novelle van D.H. Lawrence dat het eerst verscheen in 1922, is het dier in de eerste plaats een kwelgeest voor March en Banford, twee vrouwen van bijna dertig op een boerderij. Nou ja, Lawrence’ vos is niet slechts het onredelijke kwaad, het spirituele van een demoon speelt zeker een rol, als March plotseling oog in oog met hem staat.

      ‘She lowered her eyes, and suddenly saw the fox. He was looking up at her. Her chin was pressed down, and his eyes were looking up. They met her eyes. And he knew her. She was spellbound — she knew he knew her. So he looked into her eyes, and her soul failed her. He knew her, he was not daunted.
      She struggled, confusedly she came to herself, and saw him making off, with slow leaps over some fallen boughs, slow, impudent jumps. Then he glanced over his shoulder, and ran smoothly away. She saw his brush held smooth like a feather, she saw his white buttocks twinkle. And he was gone, softly, soft as the wind.’

      Waar Versteeg een confrontatie beschrijft, een worsteling, zien we hier een ontmoeting. Ja, voor March kan de vos een mens zijn. Hoe we kijken is belangrijk, ook, juist in de literatuur. Kijken is iets anders dan zien. ‘She […] suddenly saw the fox. […] They met her eyes.’ Ze kijkt, ze herkent, ze erkent, ze weet, ze valt voor hem. Verwarring. Dan kijkt hij terug. Hij is mooi. Bij Lawrence wordt de betovering niet doorbroken als bij Versteeg: de verwarring is over de ervaring, terwijl bij Versteeg de verbazing pas komt als het kijken voorbij is. Sterker, de vos blijft in March’ gedachten: ‘But whenever she fell into her half-musing, when she was half rapt and half intelligently aware of what passed under her vision, then it was the fox which somehow dominated her unconsciousness, possessed the blank half of her musing.’

      Wat je ziet, wat je je bewust bent. Half gegrepen en half denkend bewust, zou je dat zo vertalen? Dan klopt er een man aan, een jonge man.

      ‘The youth stared at them without changing colour or expression. If he had any expression, besides a slight baffled look of wonder, it was one of sharp curiosity concerning the two girls; sharp, impersonal curiosity, the curiosity of that round young head.
      But to March he was the fox. Whether it was the thrusting forward of his head, or the glisten of fine whitish hairs on the ruddy cheek-bones, or the bright, keen eyes, that can never be said: but the boy was to her the fox, and she could not see him otherwise.’

      De vos ís een mens. Ook hier contrasteert Lawrence de feitelijke uiterlijkheden met wat March ziet. Wat ze ín hem ziet. En dat bepaalt hun verhaal. Hun sterke verhaal.

      De aantrekkingskracht van dit verhaal zit in de strijd tussen verschillende personages, waarbij de vos nu eens symbool staat voor de jager, dan weer voor de prooi. Lawrence levert prachtige details, zoals het moment dat March opeens haar werkkleding verruild heeft voor een jurk en nóg aantrekkelijker en tegelijk onbereikbaarder is voor de jongeman. (Doris Lessing schreef hier mooi over in The Guardian.) En die vos komt dus terug. De jongeman, die uit de oorlog komt en vooral een uitstekende jager is, schiet hem. March droomt dat haar huisgenote dood is, en dat al waar ze haar mee bedekken kan de vossehuid is. De volgende ochtend streelt ze de zijn staart. ‘She passed her hand softly down it. And his wonderful black-glinted brush was full and frictional, wonderful. She passed her hand down this also, and quivered. Time after time she took the full fur of that thick tail between her fingers, and passed her hand slowly downwards. Wonderful, sharp, thick, splendour of a tail.’

      Ja, je kunt hier een grondige seksuele lezing aan verbinden. Maar je kunt ook volstaan met de fascinatie voor iets prachtigs. En ja, je kunt in de volgende passage, als de jongeman March uitnodigt om ‘s avonds met hem naar buiten te gaan, een verlengde jachtmetafoor zien: ‘”I think I’ll go and look if I can see the she-fox,” he said. “She may be creeping round. Won’t you come as well for a minute, Nellie, and see if we see anything?”‘ Maar hij komt niet veel verder bij March dan de betovering die ze voelde voor de vos. En zijn jacht verlegt zich naar March’ huisgenote, als een demoon probeert hij zijn enige concurrent te treffen.

      Het sterke aan ‘The Fox’ is dat de personages zich niet in één schema laten duwen, en zeker, mijns inziens tenminste, niet in het schema van onderdrukte, op de vos geprojecteerde seksuele verlanges.

      *

      ‘De volgende ochtend is de zon warm. Je hebt hoofdpijn. Je nek is stijf van het liggen op de houten latten en je arm is helemaal verdoofd. Je hebt maar een paar uur geslapen. Je komt behoedzaam overeind. Dan zie je het. Daar, in de hoek van de haag, een afwijking in het kleurenpatroon, een meter of drie van de plek waar je hebt liggen slapen. Je denkt eerst dat je je vergist. Maar dat is niet zo. Het is een vos. Een roestrode, felrode vos. En hij is groot, hoewel hij zo te zien nog jong is, met te grote oren en klauwen. Hij zit kaarsrecht overeind, zijn kaak gewelfd, zijn snuit vooruit, en spiedt met zijn schitterende topazen ogen door de tuin.’

      We zijn in Londen. De jij, een jonge vrouw, misschien is ze niet ouder dan Lawrence’ March, is Noord-Engeland en haar echtgenoot ontvlucht. ‘En met deze verhuizing heeft een luguber verborgen deel van jou je huid opengeritst en is naar buiten gestapt. Een rood, cruciaal ding.’ Op de binnenplaats bij het appartement waar ze woont, liggen dode bijen. ‘Bees’, ‘Bijen’ in de vertaling van Wim Scherpenisse (De prachtige onverschilligheid, 2013). Dit is de slotscène. Jij wordt wakker, en daar, midden in de stad, zie je een vos. Sarah Hall beschrijft geen confrontratie, geen ontmoeting, maar een observatie. Een aanwezigheid.

      ‘Je blijft doodstil zitten. Je probeert geen geluid te maken. Hij kijkt niet naar je, al moet hij voelen dat je vlakbij bent en hebben ingeschat in hoeverre je een bedreiging bent of niet. Geen onmiddellijke bedreiging. Hij kijkt naar iets anders. Je huisgenote heeft je verteld dat er vossen zijn in Londen, een heleboel zelfs, brutale stadse aaseters die vuilniszakken openscheuren en hun routes met scherpe geurvlaggen markeren, zo tam dat je bijna met ze zou kunnen spelen, maar jij gelooft niet echt dat ze zo onverschrokken zijn.’

      Onverschrokken. De vrouwen in deze verhalen moeten in de vos telkens hun meerdere erkennen, al was het maar, zoals hier, geestelijk. Die ongelijke verhouding kenmerkt vooral Lawrence’ verhaal. De vos is de ander, in elke verhouding. Halls verhaal eindigt zo:

      ‘Je kende vossen tot nu toe alleen uit het noorden. Daar waren ze bleekoranje en schichtig, ze slopen langs wegbermen of als nietige schaduwen over de hei, of ze doken weg voor de jachthonden. Deze vos heeft geen last van verlegenheid, hij zit daar vanzelfsprekend, alsof deze besloten stadstuin van hem is. Het lijkt alsof hij door de omgeving is opgepookt, zijn vacht gloeit als een oven, zijn ogen vonken. Je kijkt toe terwijl hij de lucht afspiedt. Hij volgt de zware, harsige vlucht van een bij. Hij is een jager in hart en nieren. Hij duikt even in elkaar en springt dan omhoog op zijn achterpoten. Zijn kaken gaan open en klappen dicht, en terwijl hij weer neerkomt schudt hij woest met zijn rode kop.’

      Het is een prachtig dier. En er blijkt ook een verband met Lawrence te zijn. ‘The fox is not the cause of the dead bees, but is rather a Lawrentian emblem of dangerous, predatory sexuality,’ stelt blogger Charles May. Blijkt of lijkt? Is elke vos een ‘Lawrentiaans embleem’? Ik vind het al dubieus om het arme dier met een erotische lading op te zadelen in een verhaal van liefde en concurrentiestrijd, maar in dit verhaal? De jij is verre van frigide, maar ze is wel weggegaan uit het Noorden na huiselijk geweld en overspel door haar man. Voor de hand liggender vind ik identificatie: deze vos is net als de jij uit de wildernis naar een veilige omgeving gekomen. Iets is losgekomen en daar zit het. En wat nu?

      *

      Moet je, kortom, een sterk verhaal niet gewoon een sterk verhaal laten? Het geweldige aan deze slotscène is dat hij het mysterie vergroot: en wat nu? Het is het inzicht van Versteegs vertelster: dit is geen bekend vriendelijk dier, dit is een beest. Het is iets vreemds. Dat onbekende sluit niet uit dat hij ook aantrekkelijk is. Fascinerend. De vos kan iets hebben wat jij ook wil hebben: vrijheid, zelfverzekerdheid, succes. En dat dan onbereikbaar is – dat maakt literatuur interessanter dan de schema’s die de Charles Mays en Daan Stoffelsens van deze wereld proberen op te zetten.

      Dat het in je hoofd pikdonker is valt ’s nachts pas op. Je laveert als vleermuis door het huis; wordt er een kruk verschoven, stoot je je, vloek je, of je hoort dat je vader zich stoot en vloekt. Of was je het nou toch zelf?
      Je voelt een glas langs je knokkels glijden, je hoort het kantelen en breken. Het heeft geen zin een hand uit te steken naar iets dat zojuist versplinterde, toch doe je het.
      ‘Mijn vader griste elk glas vlak na de laatste slok van mijn lip om af te wassen.’ Het is niet gelogen, toch had je het niet moeten zeggen. Of had je het juist wel moeten zeggen en zei je het niet?

      Het meisje naast je geeft geen antwoord. Je kent haar, maar niet goed. Ze kan doof zijn.
      De radio vangt lubberend licht waar de rek uit is. Niemands geheugen, een onophaalbare herinnering met frambozensmaak en de geur van rotjes. ‘Dus zo klinkt verstand waar geen pan omheen zit.’ Je grinnikt.
      ‘Wat zeg je?’ Het meisje buigt zich naar je toe.
      Je zegt: ‘Ik denk steeds dat het toch een feestje is.’
      ‘Dat komt door het vuurwerk.’
      ‘Wie steekt dat af?’
      Ze weet het niet.
      ‘Mijn vader hield niet van vuurwerk,’ hoor je jezelf vertellen. ‘Hij was bang dat ik een oog zou verliezen.’
      Ze lacht. Dan zegt ze: ‘O ja, gecondoleerd nog.’
      Je draait op je stoel van links naar rechts.
      Je brein, inert, rolt in je schedel van rechts naar links.
      Op de radio blijft het sneeuwen. Je zoekt een stem die je geruststelt – geroezemoes ruik je niet, kleuren versta je niet, dit kom een oog in, dit je oor, hoor je, proef je het verschil? Dat je het gebroken glas niet hoort terugveranderen in een ongebroken glas verbaast je niet: je hebt een vorm want je hebt een duur, je duurt.
      Het meisje vraagt: ‘Kan ik iets voor je doen?’
      Leg een microscoop op je kruin en je ziet de buitenste duisternis. Loer je door een telescoop, neem je een kijkje in je kop. Je oog snijdt langs een vluchtlijn het krioelen in gelijke stukken. Het kleinste donker hak je nog doormidden.
      Je schraapt je keel. ‘Geef me je jas.’
      ‘Het heeft geen zin om iets kouds in een jas te stoppen.’
      ‘Een halve jas is ook goed.’
      ‘Denk aan limonade in een thermoskan.’
      Je klappertandt. ‘Wist je dat het in de ruimte naar goedkope kauwgom smaakt?’
      ‘Kom, we gaan buiten kijken.’ Ze trekt je de straat op.
      Je mompelt je door de menigte. Kijk je over je schouder dan schampt je koon langs spanrib, stoplicht, vloeibaar hout.
      Je hoort haar zeggen: ‘Ik heb nog precies vijf uur om heel rustig te zijn.’
      Samen kijk je naar het vuurwerk.
      Je vraagt je af of er ergens in die explosie, per abuis, een mensheidje gedijt, in een picoseconde evoluerend van aap tot geek, met een ander perspectief op de tijd, klem op een schaal waarin de dagen lengte krijgen, een maantje aan hun bloed trekt, vloed en eb.
      Hardop zeg je: ‘Denkt een eendagsvlieg: opschieten, ik heb maar een dag?’
      ‘Geef me je hand, we staan niet goed.’
      Vliegt er in die knal een draaiende kloot met daarop een speeddomino van zich te slapen leggende insomniakken, een golf van gestrekte nekken, een canon van gapen, een stroom van vallen en opstaan, van mensjes die met lijm, tape, soldeerbout, lak, hun uit elkaar vallende van zichzelf wegvliegende wereld proberen te vernissen, van pannenkoeken bakkende vaders met hartklachten die zich tegen de klok in beschaven, blauwe maandagen vullen met dertien ambachten, een knallend stuk heelal in rugzak over de schouder geslagen, die wat aan draden hangt naar de poppendokter brengen, uit het ene lijf een lever trekken, rambimmel rabammel rabom, om het in derden te laten slaven, die gat met gat dichten, harten ontfutselen uit afgestorvenen om het in andere rompen te laten pompen, die ranglijsten opstellen van wie wat mist en wie de liefste is, wie de roe krijgt, wie de gard, een mensheidje op de fiets met een leeglepelverbod op zak?
      Een flits, een trilling, je hoort een knal, gepruttel. Wat ruik je, zwavel, salpeter? De webbige rookafdruk vervaagt al.
      ‘O ja, ik ben donor,’ hijgt ze, ‘dat wilde ik nog zeggen.’
      Je lacht: ‘Ik bel je als ik een nier nodig heb.’
      Wat nadert – alles – nadert rap. Mens dromt. Je zoekt op de tast een horizon, je kent hem van horen zeggen, de verhaallijn waarvan je kantelende randen spot, glimmende leidmotiefjes. De plot ontglipt je – al had je ogen in je ellebogen, oren in elke porie.
      Je hebt schaduwen van zwaluwen over de muren zien flitsen, je hebt het gegier gehoord. Misschien een glimp van buurkinderen, die met rooie wangen hun vliegers de lucht ingooien. Later een vader met een steelpan bij een vuurkorf, zijn ogen dichtgeknepen tegen de rook. Straks zul je hem horen mompelen: ‘Verwacht niet dat ze gaar worden.’ En hij zal een wat te dik flensje naar je toe frisbeeën, je zult uit het raam hangen om de flens te vangen, je hoort je moeder: ‘Kiep niet!’ Uit je vuist stuift poedersuiker.
      Je betast je achterhoofd, je huid, zeven ruiten tussen buitenste en binnenste baaierd. In een bal te zitten die je niet ziet aankomen: je vader blijft Pas op! roepen.

      *

      Naast poëzie en beschouwend proza brengt de Revisor ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden, dat vragen we onze schrijvers. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte. Laura Broekhuysen publiceerde al proza, poëzie en een feuilleton voor de Revisor.

      De lente is een orkaan.
      We zijn naar buiten gerend, struikelend, de wind douwt ons voor zich uit. De deur is achter ons dichtgeslagen. Ons kind, op de plaats rust, kijkt vanaf de vensterbank, haar neus en handen plat op de ruit. We graaien naar alles wat losligt. We binden schommels aan palen, we sjorren een kei op de klep van de zandbak. Tillen valt me zwaar, mijn buik wordt groter. Ik probeer bij de voordeur terug te komen maar ik kantel en val op mijn knie. Voorovergebogen crawl ik tegen de windstroom in. Verslap ik mijn spieren dan waai ik achterover. Mijn man grijpt mijn elleboog. Maaiend met armen en benen banen we ons een weg naar het huis.

      Dagen wind en hectoliters regen zijn geboden om de sneeuw van de helling te spoelen, de baai te ontdooien. We missen een schuur, de kamer ligt vol autobanden, groezelige plantenpotten, trampoline-onderdelen, fietsen. Wennen doe je nooit aan storm, het additieve ritme van rukwind is onvoorspelbaar kabaal. Van elke uithaal schrik je. De wind lijkt massa te krijgen door de druk op je trommelvliezen, een hels, kortademig beest is het. Allerhande spullen zien we langs de ramen tuimelen, holderdebolder over ons land. Roeispanen, barbecues, emmers, naaldloze kerstbomen – alles waait in zee. Langs de weg slaan honderden meters electriciteitspalen tegen de grond. Bushokjes kapseizen, daken worden van huizen getrokken. Onze plastic tuinstoelen, met nauwelijks te tillen stenen verzwaard, liggen in stukken en brokken over de tuin verspreid, een deel is verdwenen.
      Na de storm is elke inkeping op de helling met water gevuld. Kreken waar ganzen en eenden al zijn neergestreken. We zetten het raam open. Het is negen graden. We horen de beek die maanden onder een ijskap zat. Alles wat stilstond breekt open en stroomt, stoomt, ergens rekt een wakker gekust Doornroosje zich uit. Het wit is weg. We zien de donkere bergwand, modder, mos. Er steken punten van crocussen uit de drassige grond.
      Aan de waslijn hang ik natte lakens, overwinningsvlaggen, binnen het uur zijn ze drooggewaaid.
      De baai krijgt zijn geur terug, kleurloos mos van vorig jaar, het wier op het strand, het veld vol dorre lupines dat nu pas toekomt aan rotten. We horen het klokkend geratel van de sneeuwhoen, lekkend water, vleugelslagen. De lucht is gevuld met hemelgeiten, fute fute klinkt het uit de lange bekken. Met sidderende staartveren laten ze zich meters omlaag vallen.
      We lopen over het strogele gras dat vanonder de sneeuw tevoorschijn is gekomen. De grip onder onze zolen geeft ons de illusie marathons te kunnen rennen. Onze dochter springt over poelen, van mos naar mos, bij elke landing roept ze: Hallo mos!
      We plukken zilverkatjes, de takken, taai, zijn van stronk tot punt bekleed met bont.
      De zalmrivier, die uitmondt in de baai, dondert vol gesmolten sneeuw vanuit het binnenland naar ons toe. Om in rivieren te mogen vissen heb je een vergunning nodig. Daar waar de rivier in zee stroomt zien we vergunningloze hengelaars vissen naar zalm. Bij de boer staan splinternieuwe vogelverschrikkers met rode overalls, in een danspas verstard. Ook de berg bewaart zijn kalmte in al het tumult, maar onder zijn pokerface gloeit hij, schuift hij een tergend langzame tango naar zijn partner aan de overkant.
      De nachten worden lichter, we slapen minder. We horen tot ver na twaalven een canon van sidderende staartveren, crescendo’s in valversnelling. Aan de horizon blijft het gloren.
      Onze dochter slaapt het liefst nog minder dan een hemelgeit, ze zegt: Ik vind het lekker om niks te slapen. Ze zoekt haar imaginaire knuffelhemelgeit, ze is vergeten waar ze hem heeft neergelegd. Hij kan ook weggvlogen zijn. We helpen haar zoeken; doen alsof je hem vindt is zinloos. Als ze in bed ligt hoort ze hem buiten mekkeren, in de zwerm.
      Ik aai haar voorhoofd, mijn buik gebogen over het hoge ledikant. Ik sluit mijn ogen half, ik neurie: Slaap kindje, slaap 
      Mijn dochter zingt: Bí bí bí bí, vorið er komið víst á ný, zeker, de lente is terug.
      Ze mist het donker. Klaarwakker vraagt ze: Wat is denken?
      Ik hou me doof. Daarbuiten loopt een schaap –
      Wat is denken? Wat is denken? Ze geeft me klapjes op mijn wang. Mama! Wat is denken? Bí bí bí bí!
      De eerste zomerdag, de laatste donderdag van April, valt op mijn verjaardag. Hemelgeiten wekken ons. De zon schijnt door de lamellen onze ogen in. Talloze vogelpoten wandelen over ons schuine dak. Ik steek mijn hoofd uit het raam, de dakrand is gevuld met spreeuwen.
      We kleden ons aan en slepen stoelen naar buiten. De helling stoomt, de stenen dampen. Boven de weg trilt de lucht. Als je je oor op het mos legt is er niets te horen.
      De buren, hoger op de bergflank, maken het hout van hun huis schoon met een hogedrukspuit. Aan de overkant van de baai klinkt de eerste maaier. De mensen komen uit hun winterholen gekropen.
      De eerste crocus bloeit. Mijn dochter hurkt en zegt: Perfect.
      Mijn man maakt van platte stenen een vuurplaats.
      De luwte, schichtig, blijft nooit lang op één plek. Als het eb wordt trekt de zee een luchtstroom met zich mee in zijn kielzog, wind wordt de helling afgetrokken over ons land. Soms komt hij van vier kanten, we doen een stoelendans om het huis in het ritme van het getij. In het najagen van luwte is de wind sneller dan wij – welke hoek we ook omslaan, hij is ons voorgeweest.
      We zien een nest van gemetselde steentjes, dicht bij onze achterdeur. Twee scholeksters vliegen gillend cirkels, om raven op afstand te houden, adelaars, uilen. Het is er paniekerig broeden. Een van de eieren breekt, één wordt gekaapt, we vrezen voor de laatste. Ik ben blij dat ik geen eieren leg, het kind in aantocht zit achter mijn navel verstopt voor snavels en ravenklauwen.
      We eten buiten. Het is vijf graden, de lucht is koud maar de zon is warm. Onze wangen worden roze. De houten buitenmuur van het huis gloeit na, ik zit er met mijn rug tegenaan. Vaag ruik ik beits, mest, wier. Het gras is geel, de baai is blauw. Mijn man pookt in een rokerig vuur dat hij stookt van oude lupinestengels. Hij legt er een aangewaaide kerstboom op, die laaiend vlam vat. We luisteren naar het gesis. We proberen de sneeuwvlokjes, zo klein als stofjes, te negeren. Ons kind houdt de moed erin, ze zegt: Koud, maar lekker fris. Vorst is haar vertrouwd. Ze springt zich warm op de trampoline. Af en toe komt ze de helling afgerend voor een slok van mijn gemberbier, ze zegt: Ik heb vast dorst.
      Mijn man citeert: Vetur og sumar frusu saman. Dat de zomer aan de winter is vastgevroren is in de volksmond een goed teken. Maar wetenschappers die dagelijks de temperatuur van de zee meten, voorspellen ons een koude zomer.
      Er ekki kominn tími til að tengja, horen we onze dochter zingen. Wordt het niet eens tijd om verbanden te leggen, verbanden, verbanden, verbanden.


      *

      Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien.