Ik weet weinig van de liefde, maar de liefde weet ook weinig van mij. De schuimkoppen staan op de roosters van de koeienstal: de onderkeldering met stront moet nodig geleegd worden. Het schuim komt tot bierglashoogte van de poten. Ik veeg het terug de roosters in en denk aan de komende week waarin ik van twee dingen afscheid moet gaan nemen: van de gedachte dat ik ook maar iets kan veranderen in de hoofden van familieleden, en van iemand die veel in mijn hoofd heeft veranderd: de verdrietmevrouw.

Soms vraag ik me af in hoeverre afscheid iets over de ander zegt, of je iemand echt kan missen. Mis je niet diegene die jij bij hem of haar was? Iemands humor die jou aan het lachen maakte, iemands lichtvoetigheid die jouw zwaarmoedigheid tot het gewicht van een badmintonfluimpje vormde, iemands zorgen als je weer eens onbereikbaar was, iemands verhalen waarin jij jezelf herkende of waarover je je verbaasde en waar je lessen uithaalde, om de grenzen die zij gaf en dat je dat boos maakte, je het liefst wilde dat het stampvoeten haar ondergrond liet trillen, de wederzijdse trots als iets aangereikt werd en aangenomen. In alles waar ik haar de afgelopen weken mee overstelpte, probeerde ik mezelf in haar achter te laten. Er komt altijd een moment dat je alleen bent met jezelf, en op die plek moet je je altijd fijn kunnen voelen. Voor mij voelt dat nog te vaak aan als station Duivendrecht: tussen Utrecht en Amsterdam in, tussen vertrek en aankomst, thuis en logé. Ik zal haar en mezelf missen.

‘Waarheid als een koe,’ zei mijn vader pas na het Bijbellezen. Waarop ik vroeg: ‘Waarom is een koe waarheid?’

Hij wist het niet. Hij deed er ook geen moeite voor om het antwoord te vinden. Tijdens het schoonspuiten van de iglohokken met de hogedrukspuit, millimeterwerk dat net zo mijn gedachten stukje voor stukje schoonspoelde, begreep ik het: de koeien kunnen alleen maar zijn. Als ik naar de koeien kijk, kan ik niet anders bedenken dan dat de mens tevreden zou moeten maken. Ze nemen het kuilgras zoals het hun voorgeschoteld wordt: soms droog en licht als suikerspin, soms vochtig en zwaar als plakken osawacake. In het ‘zijn’ maken ze zich niet druk over de dag van morgen, over de oogst, de melkprijzen, de weersomstandigheden. Zij nemen geen afscheid van de seizoenen of hun soortgenoten, de oude boer die in het harnas van de overall tussen de koeien in is gestorven.

Voor mij heeft lang gegolden dat afscheid de enige waarheid is. In alles wat voorbijgaat, verandert voor even het geluid, de sfeer, de bomen. Zo lust het paard ineens geen slobber meer, een dode koe ligt onder zeil aan de weg, het kuilgrasmes is te bot voor touw, de kat op de hooizolder is niet aaibaar meer en hoe vaak ik me ook douche, de koeiengeur blijft maar aan me kleven als verdriet dat door een meststrooier is gehaald. Ik denk aan de vorige keer dat ik afscheid moest nemen en niemand mij dat verteld had. Abrupt als een doodlopende weg stopte het. Daarna liep ik marathons door de polders heen, met ingetapete enkels tegen blessures en de sjaal die ik breidde in de avonden om dat lichaam dat vol zat met onuitgesproken laatste woorden, te snoeren. Insteken, omslaan, doorhalen, afglijden.

Ditmaal is het anders. Van haar leerde ik dat de koe nog zo zijn waarheid mag kennen, soms is het gewoon te donker om hem te vinden, en dat je dan niet in je eentje moet gaan zitten herkauwen, ergens op het erf in je hoofd hangt een bouwlamp verscholen, dat hoe vaker hij je stappen verlicht, hoe beter je het op de tast kunt vinden. Dat je mag huilen om de steeds veranderde structuur van kuilgras, van de dingen, en boos mag worden, de waarheid in een donkere stal opgeborgen, maar nooit de lente ontkennen, dat die komt, zeer zeker. Wanneer je herinneringen als foto’s bekeek, mocht je treuren om de verloren versies van jezelf. Om de versies die je daar wilde laten zien maar voor het beeld van de camera uiteenvielen of nog snel veranderden, van de versies die daarop volgden en toch als beklemmende kledingstukken in een hoek belandden, dat het kind de volwassene belerend toesprak en zij je de rug toekeerde, hoe dat mocht en hoe je je heupen afmeet om op haar schoot te passen, daarna verdrietig omdat haar buik groeide: een meisje en dat was jij niet. Dat je soms tegen beter weten in mocht doen alsof je dat wel was, dat je haar tot nachtwaker maakte, en je soms zo klein maakte, maar ze je nooit over het hoofd zag. Ik neem geen afscheid van de liefde, de liefde neemt afscheid van mij. Ik heb haar te aanvaarden zoals ik de schuimkoppen ervaar die steeds weer terugkeren. Zolang je er niets aan doet, het niet leegt, blijft het gisten.

In alles nemen we afscheid. Bewust en onbewust. Zoals vanochtend het dochtertje van de boerin op de wc zat, de rol toiletpapier met spanning in haar handen vast.
‘Welke letter is het?’ vroeg de boerin.
‘Te,’ zei het dochtertje.
De drol moest nog even blijven liggen voordat hij doorgespoeld mocht worden. In een kinderleven neem je constant afscheid. Ineens heeft het Legokasteel zijn glans verloren, ligt de voetbal lek in de stalput. Pas later zal je daar om kunnen treuren, als je er nog wel mee wilt spelen maar je niet meer weet hoe dat moet, dat het niet meer terugkeert, de blijdschap van toen je in de ochtend in pyjama naar beneden sloop en daar in je schoen een vierkant pakje vond, het even heen en weer bewoog, de steentjes hoorde verschuiven. Dat je enkel nog terugverlangt naar de tijd dat de Lego nog je echte wereld was en je zelf de vijand uit kon kiezen.

De waarheid heeft vele verpakkingen: een koe, moeder, afscheid, het weiland dat niet met één blik te vangen is, dan weer mistig of helder als glas in lood in het raam van de verte, het onbekende. Zo zal het ‘zijn’ ook steeds veranderen. Je kunt nooit te lang op één plek grazen. Af en toe moet je verder of omkeren, zodat het gras weer aan kan groeien. Te weten dat het paard straks weer trek heeft.

’s Ochtends brengen we onze dochter naar leikskóli, speelschool, aan de rand van het fjord. De wijk, een dorp zonder kerk of kroeg, hoort bij Reykjavík. Aan de overkant van de zee kun je de stad zien liggen.
Binnen een paar dagen heeft onze dochter zich aangepast: elk kind dat haar nadert, hoe klein of hoe groot ook, geeft ze een trap.
Het klasje is een met drenzen gevulde bijenkorf. We leveren haar af bij de kauwom kauwende Snædís, die ternauwernood groet. Met haar ene hand scrollt ze in haar iPhone, terwijl ze met haar andere hand een speen in een dreinende mond steekt. Mijn dochter zegt: Snædís is zó lief, Snædís troost ons allemaal.
Opgewekt zwaait ze ons uit: Bless bless!
Mijn man rijdt door naar de universiteit in Reykjavík.
Ik blijf paraat, drentel rond de school, telefoon in de hand voor als onze dochter een doodsmak maakt.
Drie uur stukslaan in Kjalarnes is niet eenvoudig. Behalve het schooltje, met het dak van gras, is er de grote school, voor kinderen van zes tot zestien uit de wijde omgeving. Verder een tankstation en een bushalte – onze dichtstbijzijnde, een tweeuursdienst die je niet per fiets kunt bereiken.

Buiten wandelen kan even, maar het is ploegen met de wind van opzij. Mijn buik trekt aan me. Er staat een bankje. Ik laat me zakken en kijk naar de skyline van Reykjavík, de paar flats, de toren van Hallgrímskirkja. Ik moet toegeven dat ik hier niet drie uur kan zitten.
Het is vreemd om zonder mijn dochter rond te lopen. Even denk ik dat zij nog in mijn buik zit en ik me de afgelopen drie jaar alleen heb voorgesteld.
Ik loop naar het grote schoolgebouw. Binnen vraag ik de conciërge of er misschien een bibliotheek is waar ik kan wachten. Hij stuurt me door naar iemand die aarzelend overeind komt, door een glazen deur naar een nog hogere macht seint.
De andere werknemers hebben hun billen een paar centimeter van hun draaistoelen gelicht en slaan me gade tussen staan en zitten in.
De vrouw die de zaak komt afhandelen zal niet veel ouder zijn dan ik, maar ze komt op me over als de generatie van mijn leraren uit het verleden. Ze zegt: De bibliotheek is alleen voor de leerlingen.
Ik knik. Zoals wanneer ik achter de computer zit en iets doms heb gedaan, denk ik: Undo. Maar in de fysieke wereld is geen handeling ongedaan te maken, woorden zijn niet terug te nemen, gehoord is gehoord.
De vrouw weet wel een bank in de sporthal. Ze vist: Een uurtje?
Zoiets, blijf ik vaag.
Ze vraagt door, wat ik hier doe. Het lukt me niet anoniem te blijven – ze heeft een kind in de klas van mijn dochter.
Op naar de sporthal. Per telefoon ben ik aangekondigd, hoogzwangere vreemdeling in aantocht. Vol verwachting word ik onthaald door drie personeelsleden die niets te doen hebben en mij in slagorde, met gesynchroniseerde handgebaren de bank bij het raam wijzen, in koor roepen: Maak het jezelf maar gemakkelijk hoor!
Ik ken de bank in kwestie. Hij kijkt uit op het kleine buitenbad, dat openbaar is maar ’s ochtends gesloten. Als we hier op zondagen zwemmen zijn we vrijwel altijd de enige.
Ik installeer me met mijn cursus IJslands en wacht tot mijn schaamte zakt. De wind jaagt over het wateroppervlak, zwembadblauw. Ik heb zin om erin te springen, mijn gloeiende wangen te koelen.
Na een uur, ik heb zicht op een klok, stap ik op.
Ik bedank, duw tegen de deur – dranger en wind douwen beide de andere kant op, maar het lukt me om er met buik en al tussenuit te knijpen.
Nog twee uur te gaan.
Ik loop langs de bushalte, naar het tankstation.
Binnen staan drie barkrukken bij een raam dat uitkijkt op de glasbak. Ik weet precies hoe die glasbak eruitziet want ik heb er gisteren drie uur naar zitten kijken.
De dame achter de balie herkent mij niet. Dan zie ik, bij de vrieskist, een tweede dame, identiek aan de eerste: genen, kleding en kapsel. Ook zij geeft geen sjoege.
Mijn IJslands begrijpen ze geen van beide.
De thee is duurder dan de koffie, de dames vragen of ik het zeker weet: Kijk eens hoe duur de thee is. Toch niet liever koffie?
Ik zeg: Tea please.
Ik ga zitten op een van de krukken. Ik drink mijn thee. Ik zit boven de verwarming te stoven. Ik trek mijn jas uit, daarna mijn trui. Daarna mijn T-shirt. Ik heb een toonbaar hemd aan, ik ben op hitte voorbereid. Vanwege de lage stookkosten zijn openbare ruimtes in Reykjavík warm als ovens.
Steeds als iemand binnen komt betalen voor het tanken, klapt de deur. Dat gebeurt verbazend vaak. Na elke klap krijg ik van binnenuit een trap tegen mijn ribben, ik denk: Dit is de laatste dag dat ik dit doe.
Dat dacht ik gisteren ook.
Als ik het schooltje instap, ruik ik vis. Aan lange tafels zitten de kinderen te eten.
Mijn dochter maakt een tekening van vis etende kinderen. Zelf eet ze niks.
Omdat de andere kinderen pas tegen sluitingstijd worden opgehaald en er morgenochtend al zullen zijn als wij komen, gaat de huilende Amanda in mijn dochters beleving nooit naar huis.
Buiten op de schommels happen we van boterhammen met pindakaas en appelstroop uit Nederland. Het is niet moeilijk om het eens te worden over waar de wind vandaan komt. De bomen zijn kromgegroeid, alle paarden kijken dezelfde kant op. Schommelend wachten we op mijn man. De wind helpt. Nú er hún Grýla dauðzingt mijn dochter, Nu is Grýla dood, ze gaf het schommelen op.
In de auto vertelt mijn man dat hij een vast contract krijgt. Hij werd door collega’s gefeliciteerd. Zelf wist hij nog van niks, zijn afdelingsleider zei: O ja, je moet nog even komen tekenen.
Ik roep: Hoera!
Onze dochter wil ook iets roepen: Jesus Christ!
Ik kan niet doen alsof alle vloekwoorden van school komen, ze heeft een arsenaal in drie talen. Ik help haar herinneren dat we niet vloeken, schijnheilig zegt ze: Maar mijn pop heet Jesus Christ en ik riep hem gewoon.
Zo hebben we ook een voetbal die Holy Shit heet als het haar uitkomt. Is dat niet hoe het denken begint, achteraf pretenderen dat er verband is tussen het een en het ander? Om je gedrag te rechtvaardigen?
Als ze in bed ligt verzeker ik haar dat ook de huilende Amanda nu thuis in bed wordt gelegd door haar moeder.
Ze vraagt: Hoe heet die moeder?
Ik zeg: Dat kun je haar morgen vragen.
Ze steekt haar speen in haar mond, mompelt: En als ik dat niet vraag, dan weet ik dat niet.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

Waar je in Nederland boom, perk, huis en stoep in één oogopslag vat, zie je hier niets anders dan de flank van een berg. Met het draaien van je hoofd schuiven honderden meters drab langs, eb tot aan de overkant van de baai.
Ik schat de afstand tussen mezelf en de vogels, om ze de maat te nemen. Ik denk een adelaar te spotten maar het is een raaf, dichterbij. Ik mis bakens.
Mijn dochter is er beter in, ze weet of een vogel groter is dan zijzelf, hoe snel ze thuis kan zijn.
Ik wil naar de top van de berg, ik denk: daar loop ik in een half uur heen.
Een helling van niks, waarover het busje van de ijscoman nauwelijks vooruit lijkt te komen.
De stukken verte, verstopt in mijn blikveld, ontvouwen zich onder mijn voetzolen. Contouren zijn van elastiek, bewegen mee. Maar welk perspectief ik ook kies, ik haal de rek niet uit het landschap, berg blijft berg, strand blijft strand, wind wind. Dit land is door niemand ontworpen.

Aan de rand van onze tuin stuit ik op een hond die zijn tanden ontbloot. Ik ken zijn geluid, ’s nachts blaft hij de wind aan. Hij hoort bij het nieuwe, grijze huis, dat tussen twee beken is opgedoken. De ingeklemde strook land is zo smal dat het huis vreemd langwerpig uitvalt, als een vertekening. Het lijkt zichzelf te hebben gebouwd, van bewoners heb ik nog niets gezien. In ons uitzicht leek het me een kabouterverblijfje maar nu ik het nader zie ik hoe groot het is.
Ik tel twaalf geschaarde schuttingen. Als je dan toch tegen een blinde muur aan gaat kijken, waarom dan hier?
Buren hebben me verteld dat er een architect intrekt – is het bijna raamloze, grijze bouwsel een daad van verzet, in protest tegen de Pippi Langkoushuisjes met rode daakjes die over het fjord zijn uitgestrooid?
De hond blijft grommen. Ik sta stil. Ik zou op mijn hurken willen gaan zitten om hem te kalmeren, maar mijn hurk is tijdelijk in onbruik, mijn buik puilt.
Van achter de schuttingen komt de architect half tevoorschijn. Hij fluit. Als zijn hond geen sjoege geeft, steekt hij plonzend met zijn laarzen een van de beken over, grijpt het beest bij zijn nekvel.
Ik zeg: Takk.
Gebukt schudt de man mijn hand. Boven zijn laarzen draagt hij een pyjama.
’s Avonds zie ik gestreepte gedaantes met kruiwagens achter de schuttingen lopen. Ik hoor scheppen in gruizelige grond. Twee jongens staan bij de enige niet-beschutte buitenmuur aan een ijsje te likken.

Ik drink een beker anijsmelk.
In een hoek van onze kamer werkt mijn man. Zijn zwijgzaamheid went niet. Ik blijf hem aanspreken, zoals je dat doet met een onbetrouwbare internetverbinding, die het even doet, ha! En dan weer uitvalt, zonder dat je weet waar het aan ligt.
Overdag verdeel ik me als water over de ruimte, maar ’s avonds is het huis leeg. Ik spreid mezelf er niet in uit, ik stol.
Wolken trekken als zware wenkbrauwen over het fjord. Ik zit in de eerste schemering. De zomer taant. Onze ruiten beginnen te spiegelen, sluiten de baai buiten. Ik zie mezelf gereflecteerd, meubels, binnenleven. Het profiel van mijn man, dat zich ontspant in het tempo waarin het licht uit de kamer verdwijnt.
Onze dochter roept vanuit haar bed: Wat is er aan de hand?
Ze is het donker ontwend, zoals ze ’s winters de zon is vergeten.
Voor het eerst in twee maanden knip ik het licht aan. Met een zoem schrikt het peertje zich stuk.
Met mijn neus tegen de ruit zie ik nog een glimp van de hond, een schim op een mountainbike, een vrouwtje dat over een beek springt, de architect, van wie ik even denk dat hij een blote bast heeft, maar het is een vleeskleurig overhemd.
Ze bukken zich, plukken bessen, misschien de eerste paddenstoelen?
Ik hoef maar te knipperen of ze zijn, zigzag, tussen de schuttingen verdwenen.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

Nu mijn man de hele zomer zijn kwast in bruine beits doopt, is onze dochter gesterkt in haar overtuiging dat bruin de kleur der kleuren is. Ze tekent uitsluitend met haar bruine potlood, inmiddels een stompje. Ook haar schilderijen, waarin het meestal uitdraait op storm, worden wanneer ze maar lang genoeg met de kleuren kliedert bruin.
Ze maakt een landkaart van het fjord. De kartelige kustlijn, de aluminiumfabriek, de baai met de roeiboot voor anker, verstrooide huizen, de zalmrivier. Ze tekent de rondweg, buurman Jón, een kruin met tenen, zijn traktor, zijn bomen, van bovenaf; het huis van zijn verbolgen broer, de boerderij die eruitziet als een kerk met een toren waar het dak van weg is gewaaid, een lange cilinder waarin hooi wordt opgeslagen. De boer zelf, die ’s zomers de winter voorbereidt, gras maait en hooit, in balen samenbindt.

Buurman Jón komt helpen met de fundering voor de broeikas. Onze dochter sleept haar stoeltje naar buiten om te kijken. Zijn graafmachine manoeuvreert niet zo schonkig als de graafmachines die ze in de stad heeft gezien, maar traag en bedachtzaam. Knoertharde grond graaft hij af, stenen bikt hij los met het geduld, de precisie van een tandarts die de bek van de midgaardslang in de tang heeft, giftanden trekt.
Binnen gaat ze verder met cartograferen. Gebogen over de lage tafel tekent ze onze hellende tuin, de trampoline en het perceel voor de broeikas, zo langzaam als ze het Jón heeft zien doen. Ze tekent, met bruin, de witte bloemen op lange stelen waarmee de baai bezaaid is, twee oude mestvaalten vol boterbloemen, gele bergjes, waaromheen de struiken verpieterd zijn, bladloos, hun wortels verschroeid in de mestige grond. Ze tekent het hol van de nerts en de regenwulp die bijna tegen de waslijn is gevlogen.
Ze rent naar buiten om te kijken wat ze vergeten is, helling op, helling af, om zich later in duizendvoud te herinneren. Mijn man rent achter haar aan, we verwachten de vuilniswagen vandaag. Ze plukken de bosbessen tussen het mos, rennen, plukken en rennen. Soms lijkt het alsof ik twee Border Collies heb in plaats van een man en een kind.
Weer binnen voegt ze met volle mond de bessen aan de tekening toe door haar bosbesblauwe vingertoppen op het papier te drukken – het zijn er geen miljarden, zoals andere jaren, waarin mensen met bessenharkjes erop uit trokken, het kreupelgewas leegharkten en jam maakten om de hele winter dik op brood te smeren. Dit jaar zijn ze alleen te vinden in een bemoste kom, in de luwte.
Ze tekent ons huis als plattegrond, de gordijnen die naar buiten waaien, de piano, ons bed, de lange tafel. Met een rood potlood zet ze kruisjes waar ze iets gaat neerleggen, verstopt, soms pontificaal. Als de hele plattegrond vol rode kruisjes staat en elke oppervlakte in huis met prullaria is geplaveid, pak ik een gele tekstmarker en streep aan waar alles teruggelegd mag worden. Ze zegt: Dat hoeft niet, vanavond komt Jón met de bulldozer om alles weg te schuiven.
Ze tekent haar kamer, niet alleen de meubels maar ook haar poppen, het wagentje, de noesten in de houten vloer, haar puntenslijper op tafel, het slijpsel ernaast.
Haar potlood is niet fijn genoeg, haar ogen zijn niet scherp genoeg om het hele fjord tot in detail op papier te krijgen.
Het doet me denken aan de sprookjes die mij als kleuter werden verteld. De leraar begon zijn lessen met een gouden kistje, dat hij op de palm van zijn hand zette. De verhalen die volgden, speelden zich in dat kistje af. Koninkrijken zaten erin, te klein om te bevatten. Ik probeerde die miniatuurwereld te visualiseren, die uitgestrekte landerijen, bossen, bergketens, de koningszoon te paard, die allemaal in dat kistje pasten, ik probeerde microscopisch te denken, kreeg kramp in mijn voorstellingsvermogen. Iedere nieuwe landweg, elk personage, elk wateroppervlak waar de koningszoon op stuitte, liet het voorgaande krimpen. Omdat het verhaal in datzelfde kistje moest blijven passen. Het formaat van dat kistje stond vast.
Eén keer klom ik op een stoel en mocht ik het dekseltje openen. Toen heb ik alles gezien: een picowereld in beweging, ademende mensjes, stromend water, tijdsbestek.
’s Nachts, in bed, liet ik het huis krimpen, stouwde ik wat alle kanten opfladdert in dat kistje. De wereld, duveltje in een doosje, bleef opveren. De keren dat het me lukte om alles om me heen te comprimeren, winkelstraatjes vol rijdende autootjes, mensjes met minuscule nagels en hoge, steeds onverstaanbaarder stemmetjes, dun besnaarde viooltjes die te klein zijn om aan te strijken, werd ik reus en moest ik mijn moeder roepen om de juiste verhoudingen terug te vinden.
Liefst zou mijn dochter honderden vellen aan elkaar plakken voor een plattegrond op ware grootte, of groter nog, met alles wat ze onder haar vaders nieuwe microscoop heeft gezien, gladde oppervlaktes met verborgen reliëf, kleuren in kleuren verstopt.
Alles wat ze los kunnen trekken in huis en op ons land rondom, nemen ze samen onder de loep, zwarte zandkorrels, haar van de nerts, een glassplinter van een speciaal voor deze gelegenheid op de grond gesmeten glas, een stofje van een kubieke nanometer, waar je een paardje uit kunt snijden, mits je een mesje hebt dat klein genoeg is en wat meer geduld.
Ze pakt het hoofd van haar vader beet en duwt hem onder de microscoop, probeert hem uit te vergroten, in kaart te brengen. Als hij onbedaarlijk moet lachen probeert ze hem in zijn neus bijten, zijn rimpeltjes, hij moet nog harder lachen, zodat ze nog liever in zijn neus wil bijten.
Krimpen de opgeslagen beelden in ons geheugen als er nieuwe indrukken bijkomen? Moet alles verschrompelen om erin te passen? Op de oren na zijn onze hoofden gestopt met uitdijen, al blijven we kijken en luisteren, snuiven.
Vorige week is in Mosfellsbær het hoofdomtrekje van onze dochter met meetlint gemeten en opgetekend in een grafiek. Het is aan de kleine kant voor een kind dat drie wordt. Toch lijkt het werelden te bergen.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

Oma belde me van de week op. Ze zei: ‘Je staat weer zo bleek in de krant.’ Ik hield mijn adem in. Dat denk ik achteraf, dat ik mijn adem inhield, in werkelijkheid ademde ik gewoon door. Toch schreef ik later: ‘Oma belde, ik hield mijn adem in.’ Zodat de angst goed over zou komen. Al sinds mijn kindertijd heb ik het gevoel dat ik niet genoeg heb aan mijn eigen woorden. Ik moet ze uitleggen en groter maken.

‘Wij komen er weer slecht vanaf,’ zei oma.

Ik vroeg haar waarom en ze zei: ‘Truus belde, wat we er van vonden, ik kon wel janken.’

Even bleef het stil. Er ontsnapte wat valse lucht uit haar mond, toen vervolgde ze: ‘Ze geloven alles, dat over mijn moedervlekken bijvoorbeeld.’

Ik zei haar dat zij toch weet wat waar is. Dat ik heus niet alles vertel.

Ze zei: ‘Nee, dat bewaar je voor later. Je bent net je moeder, die bewaart ook altijd een klein stukje van haar cordonbleu op de rand van haar bord tot het laatst.’

Ik probeerde uit te leggen dat ik over alles moet schrijven, of het nu wel of niet gebeurd is. Het kan niet anders. Dat is mijn werk. Mijn leven. Waarop oma zei: ‘Denk toch aan de buren. Het is ook ons verhaal.’

Oma ging over op fluistertoon. Ik wist niet waarom ze fluisterde. Er was niemand die ons afluisterde.   

‘Truus vond het wel aardig. Alleen die gele regenjas. En je haar weer niet gekamd. Maar voor je broer vind ik het zo erg, waarom je hem noemt,’ ging oma verder.

‘Dat spijt me.’ Een lichte trilling klonk door mijn stem.

Ik hoorde aan de andere kant van de lijn het knisperen van een toffeepapiertje. Oma zei dat het mij niet speet, en ze had gelijk. Het speet me alleen dat zij er zo treurig van werd. Dat ze niet begreep dat ik niet anders kan. Ze zei, terwijl ze op de toffee kauwde: ‘Potverdorie, mijn moedervlekken, daar blijf je vanaf hoor.’

Ik had pas later door dat oma Truus gebruikte om haar eigen gevoelens uit de drukken. Via de ander praten was altijd makkelijker dan via jezelf. In mijn gedachten was de krant tot een prop verfrommeld, voor in de houtkachel.

*

Toen ik een jaar of tien was, stond ik met vrees toe te kijken als mijn vader het scheerapparaat uit de metalen kast achter de zes paar stalknechten, iedereen had een stalknecht voor zichzelf, haalde. Ik was bang dat hun vlekken hierdoor verdwenen. Dat het niet meer dezelfde koeien waren waar ik aan gehecht was, zoals oma die een paar moedervlekken weg liet halen door de huisarts. Ze voelde daardoor minder aan als oma. Eerder moest ik ze altijd tellen. Op een keukentrapje met een zaklamp in mijn hand. Ze was doodsbenauwd dat ze er één bij had gekregen. Ik turfde ze af in de korst van een 45+ kaas. Toen er geen nieuwe meer bij kwamen, vond ze dat ook een eng idee. Het was alles of niets. Op een gegeven moment mocht ik ze tekenen met een bruine watervaste viltstift. Iedereen die ze in het dorp tegenkwam maakte zijn duim nat. Het ging er niet vanaf. 

‘Moedervlekken,’ zei oma. Ze keek er treurig bij. Daar was ze goed in. Zo leerde ik van jongs af aan dat je jezelf goed voor de gek kunt houden. Dat je kunt lachen terwijl je eigenlijk moet huilen. Dat je de kruiwagen nog zo vol kunt laden, maar je draagkracht uiteindelijk toch getest wordt op de balansplank richting het einde van de mesthoop. Dat je de blik van een koe kunt ontwijken door het onderwerp te verleggen naar kuilgras, het uitzicht, een handje krachtvoer, en vooral niet over jezelf praten want voor je het weet ben je als het pak kuilgras dat als je hem goed opensnijdt, in lagen uit elkaar valt. Mensen die zeggen dat je nooit te veel hooi op je vork moet nemen, hebben het niet begrepen. Hooi is juist heel licht. Het gaat erom hoe goed je de vork hanteert. Dat is de kunst van het leven. 

*

Vandaag mag ik voor het eerst zelf koeien scheren. Tijdens het scheren van de ruglijn streel ik met mijn andere hand de inham tussen heupbot en staart in. Naast de oren vinden ze dat het fijnste plekje om aangeraakt te worden. Als ik stop om het werk van een afstandje te bekijken, duwt de koe met haar kop tegen mijn been, net zo lang tot ik weer mijn hand naast haar staart leg. Mijn overall krijgt een dun beschermlaagje door de haren die tijdens het scheren alle kanten uitspringen. Ik manoeuvreer om de plekken heen waar opgedroogd stront aan de haren vastkleeft, de mesjes mogen niet bot worden. De koe rechts van mij duwt zijn tong dwingend in mijn rechter knieholte. Ik vraag me af hoe het zou zijn om met een koe te tongen. Of het net zo slijmerig zal zijn als mijn allereerste kus in groep acht op de hooizolder. Of ik daarna ook extra lang zal bidden tot God, mijn ouders die destijds dachten dat ik eindelijk was begonnen met het Onze vader binnensmonds op de zeggen. Die avond at ik de patat anders: met vork en mes. Ik miste diegene van een uur geleden, het kind dat ik was en die geen tong had die als een gloeiendhete frituurtang in de mond lag. Ik durf de koe niet zoenen. Sommige kalveren hoesten zo hard dat hun poten trillen als afrasteringspaaltjes in de wind. Ik zou mezelf meteen verraden.

*

Ik denk aan de iglo’s die als ijsschotsen op het erf staan. Ik peddelde er vandaag wat tussendoor met mijn kruiwagen als vrachtsloep, en voelde me verdwaald in de kou die me met tussenpauzes in de kommetjes van mijn handen liet blazen. Ik had de kol van een oude trui geknipt en draag hem nu als sjaal. De koeien zijn niet meer dan een mijmering in een bontjas. Ik liet een spoor achter me van strohalmpjes. Steeds vaker hoop ik dat iemand me vind. Dat iemand mij mezelf kan laten vinden, zegt: ‘Koud, koud, lauw, warm, warmer, heet.’ En daar ben ik en alles valt op zijn plek. Terwijl ik weet dat die plek constant verschuift, als de ren van het driehoekig konijnenhok op het stuk gras naast het erf: het is voor even vers en groen. 

Na het scheren haal ik in de oude paardenstal een stoel uit elkaar zodat de boerin hem naar de sloop kan brengen. Hij staat naast de kaarspers die al tijden niet meer gebruikt wordt. Er kleeft nog een stukje opgedroogde wrongel aan de rand. Ineens vind ik mezelf: dit ben ik, die versleten stoel die uit elkaar wordt gesloopt, de bouten netjes op een rijtje naast elkaar gelegd, maar te verroest om te hergebruiken. Er wordt plaats gemaakt voor een nieuwere versie. En ook die nieuwe versie zal ooit plaats maken voor een nog gavere versie: zo verandert de mens constant, en hoe zeer ik het oude ook mis, het nieuwe zal ik ook ooit weer missen. Met een nijptang verwijder ik de laatste schroef. Ik geef een flinke schop tegen de zijkant waardoor de leuning los komt te zitten. Naast mij op de grond staat de gereedschapskist van de boerin. Ik moet er zuinig op zijn. Ze kreeg hem van de boer voor haar verjaardag, en ze vertelde dat iedereen aan zichzelf sleutelt. Sommige in het zicht, maar de meeste in een afgelegen schuur, een donkere garage. We doen het allemaal op onze eigen manier. Als de boer zich niet fijn voelt, zal hij dat niet zeggen. Je merkt het alleen aan zijn boterhammen: hij laat de korstjes liggen. Gaat dan onderuitgezakt in de rookstoel bij het raam zitten. Ineens klinkt het geklikklak van de drinkbakken van de koeien indringender, groeit datgene wat anders aan je voorbij ging, zoals de leidingen, als kloppende aders lopen ze door het huis.

*

Ik druk mijn broodtrommel zachtjes dicht. Op de voorkant staat een glimlachend rund afgebeeld. De haartjes van de koeien blijven achter op mijn kleding. Als ik thuiskom ben ik voor het eerst opgelucht om de boerderij van me af te spoelen, de resten te zien verdwijnen in het afvoerputje. Ik weet tegelijkertijd ook dat ik nog geen paar uur later weer hevig verlang naar de nuchterheid, naar de gierlucht, naar de warmte van het boerengezin, naar het zoontje van drie dat deze week tot twee keer toe zei: ‘ik heb over je gedroomd.’ Als de ander over mij droomt, dan moet ik wel bestaan.

Vanavond gaat de zon niet onder. Vandaag zal zo lang duren dat de nacht wordt overgeslagen. We rijden over de weg in de Westfjorden, waar je de zon kunt zien dalen en stijgen zonder onder te gaan. That explains the crowd, zegt mijn man. Hij wijst op vier tentjes.
Bij de pier staat het huis, het bergt de familie. Iedereen is er, ook wie lang gebrouilleerd is geweest.
Onze dochter heeft haar speen uit mijn tas gepakt, ze stopt hem in haar zak, ze vraagt: Mag ik mijn speen in mijn zak stoppen?
Nee, zeg ik, je speen is om mee te slapen.
Ze zegt: Dan is het mijn geheim.

Nu we uit Hvalfjörður komen doet het vissersdorp me levendig aan, met de kleine haven waar boten in en uit varen, de vlaggen, diesellucht, de kajaks op het water, langsrijdende vakantiegangers en het vossenmuseum – al zitten de vossen altijd verstopt.
De familie heeft zich verzameld op de waranda, die overgrootvader een paar dagen voor zijn dood nog heeft getimmerd. Hij was kapitein, hij bracht zijn vrouw Italiaans antiek en hagelslag uit Nederland, stoffen van over de hele wereld. Zij ontwierp en naaide jurken voor de vroege Miss World-verkiezingen; finalisten vlogen naar IJsland om te komen passen in haar atelier.
De oudtantes, opgegroeid in een spiegelpaleis vol glanzende lovertjes, werden zelf verkozen tot de mooisten van het fjord, het land. Geknield, met rechte rug, spreiden ze doeken in het hoge gras om ze dauw te laten drinken, midzomerdauw, die je volgens hun moeder een winter lang tegen ziektes beschermt. Ze hebben de jaren als etmalen verwerkt, de lichte zomers en donkere winters als dagen en nachten, het knippen van een ooglid. Ze wiegen kun kindskinderen als maagden Maria, met kalme jukbeenderen en porieloze neuzen.
Behalve rood als bloed, wit als sneeuw en zwart als ebbenhout zijn hun dochters jurist, doen yoga en kneden het deeg voor hun dagelijks brood nog voor het ontwaken van het kroost: schichtige, snottige kleuters die binnen tien jaar de mooisten ter wereld zullen zijn – niemand zal het zien gebeuren, spiegeltje spiegeltje, maar op een dag zijn ze wakker gekust en klaar om te regeren.
Op de hellingen van het fjord worden midzomervuren gestookt, er klinkt geknetter van alle kanten. De kinderen hollen over de zigzagpaden die de schapen hebben gemaakt. Ze springen over elk vuur dat ze tegenkomen, met de wind in de rug, met rook op hun hielen.
Ik krijg de stamboom als mantra ingeprent, tot zeven generaties terug, de dubbele namen in brede vertakkingen, bastaards incluis. De stamboom loopt dood in de zestiende eeuw, bij Svarthöfði, zwarthoofd, de man uit het zuiden, wiens oorsprong niemand bekend is, de bron van alle ravenzwarte kruinen op het veld. In de geitwitte helft van de familie, de wimpers en wenkbrauwen rossig licht, de wangen alsof erin is gehamsterd, domineert de Viking.
Ook binnen zijn de ruimtes gevuld met nazaten. Er branden gaskachels. De oude tapijten liggen er nog, de lucht is zwaar. Ooit waren dit meerdere huizen. De verdiepingen, op allerlei hoogtes, zijn doorgetrokken met treden en kronkelige trappetjes, hellende gangen. Eenmaal binnen krijg je het gevoel er geblinddoekt in te zijn gezet en tienmaal rondgedraaid, een knikker in een schommelend schip, die er alleen per toeval uitrolt. Met elke deur die je opentrekt werk je je dieper het huis in, overal stuit je op fornuizen. De wanden zijn bedekt met poppen, aan het nekvel opgehangen. In aardenwerken potten staan kunstplanten. Onze dochter bevoelt de blaadjes met kennersblik, ze fluistert: Dit zijn geen echte bomen, dit zijn beelden van bomen.
Alle kamers hebben een kleur, blauw, turquoise, botergeel. Het roze vertrek wordt gehandhaafd in de staat waarin de kapiteinsvrouw het achterliet. De tantes aan wie het bed is toebedeeld durven zich nauwelijks te keren, ademen licht, fluisteren zacht uit vrees dat hun stemmen het broze antiek zal doen verpulveren.
Onze dochter, haar geheim op zak, is haar neven en nichten nagerend.
Ik zeg nog: Pas op de weg!
Over haar schouder roept ze: Als er een auto op mij botst dan pak ik gewoon mijn speen!
Op de flank van de berg, laag bij de grond, zijn ruïnes van huizen te zien, die twintig jaar geleden door een lawine zijn weggeslagen. Voor de heropbouw van het dorp, een steenworp verderop, daar waar de bergwand minder steil is, werd een week gecollecteerd. De overgebleven huizen zijn zomerverblijven geworden, ’s winters is dit verboden terrein. Middenin het rampgebied is een speeltuin aangelegd, opgedragen aan de omgekomen kinderen.
Leuker dan de schommels en de kabelbaan is de telefooncel, een oud, gerenoveerd hok, dat als minibibliotheek fungeert. De planken zijn volgestouwd met boeken in tientallen talen. Toeristen kunnen de boeken die ze uit hebben achterlaten en met andere verder reizen.
De telefoon werkt. De neefjes en nichtjes, sleutelkinderen met mobiel en creditcard op eigen naam, vinden het spannend om er een munt in te stoppen en hun moeders op te bellen, die aan de fornuizen in het huis hoge stapels wafels bakken.
De neven vangen vis in de motorboot. Ze gooien hengels uit en fluiten Jingle bells op de fluitjes aan hun zwemvesten. Ze springen van de wiebelende boot in zee en komen happend boven. Het is midzomer, warmer dan dit wordt het niet.
Mijn dochter, binnen een paar uur baby-af, houdt me op armlengte afstand. Ze wil geen Nederlands praten, ze zegt: Jij moet weggaan.
Als ik haar een welterustenkus wil geven roept ze: Nee!
Nú er sumarið komið! zingen de oudtantes, Nu is de zomer gekomen!
We weten wel beter, de noordenwind waait ons ene oor in en het andere uit. Op onze armen schijnt de zon, maar onder ons vel staat ons bloed stil. We picknicken rillend. Mijn man staat in een vuur te poken, we eten doorrookte, halfgare broodjes van een stok, nog heet.
De zon zakt. Uit de neuzen van onze neven druppelt zee.
We slurpen chocolademelk, er wordt genipt aan warme wijn, aan koffie om wakker te blijven. De nacht is licht. Zoals op oudejaarsavond zijn we eerder moe dan gewoonlijk, we gapen, we knipperen tegen de zon. Knikkebollend wachten we op de dauw.
Door de babyfoon hoor ik mijn dochter op haar speen zuigen.
De zon, groot, rood, raakt de zee maar zakt niet weg.
Diep in het fjord klinkt het gejuich van jongens uit de visfabriek.
Het is ochtend. Om ons heen worden wollen truien uitgetrokken. De familie, een set donkere en lichte schaakstukken, laat zich zakken in het klamme gras.
Een dauwbad neem je rollend, hellingafwaarts, richting zee.
Ik doe niet mee al ben ik rolbaar. Ik zit met buik en al in een stoel. Ik stal zoals de doeken mijn vacante gedachtes uit in het landschap, om zich vol te zuigen, om later lekkend en wel boven de liefhebber uit te knijpen.
Het fjord gloeit. De lucht is licht. Uitgerold en schoongewassen liggen drie generaties aan de voet van berg, hijgend en giechelend, de haren rond de halzen gesnoerd.
In hun bedden maken de kinderen zoveel kabaal dat de babyfoon rood uitslaat. Onze dochter, steinsofandi, slaapt er als een steen doorheen.
We trappen nog wat dauw na, mijn man en ik. We lopen langs het monument met de namen van alle mensen die ademloos onder de sneeuw zijn gevonden. Gezinnen, in bed of aan het ontbijt – hebben zij de ijsvloed naar zich toe horen schuiven?
Onder onze schoenen droogt het gras. De zee vonkt. We zien hoe de reddingsbrigade, die ’s zomers weinig te doen heeft, een negentigjarige vrouw in rolstoel naar de top van de steile berg rijdt. Ze is hier geboren en getogen en heeft altijd een keer op die top willen staan. Nu staat ze er.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

We rijden aan de verkeerde kant van de berg. We hebben een afslag gemist en zijn terecht gekomen op de slechtst begaanbare weg van IJsland. De auto hotst over stenen, in mijn buik klotst het vruchtwater. De foetus is van schrik in slaap gevallen. We moeten om de berg heen, er is geen doorsteken aan. Ik hoor mijn schoonvader giechelen door de telefoon als mijn man vertelt waarom we later zijn.
Ook de natuur ondergaat inflatie als je er veel van hebt. Een dal zonder water vind ik nu ik in IJsland woon niet veel bijzonders, terwijl we hunkerden naar zo’n plek toen we dagelijks het Vondelpark doorkruisten. Wijs ik mijn dochter op een regenboog, kijkt ze ternauwernood op – weer een regenboog? Ik heb er vandaag al vijf gezien.

Halverwege laten we haar plassen op het potje. Ik zoek iets om achter te hurken, geen struik te bekennen, de stenen zijn laag. Ik plas over verschillende generaties lava, terwijl mijn man een uitgespreide handdoek tussen mij en de weg omhoog houdt, al zien we alleen een papegaaiduiker, clown der zeevogels, met zijn geschminkte bek.
Weer op asfalt vraagt ons kind: Waar zijn die lijnen voor?
Mijn man legt uit wat tegenliggers zijn, dat de lijnen de weg in tweeën verdelen, dat we rechts moeten aanhouden.
Ze vraagt: En als je dat niet doet, is dat dan stout?
Het land, dat relatief kort geleden boven water kwam, is zoveel jonger dan de rest van Europa dat je het gevoel krijgt terug in de tijd te reizen, naar een era waarin de wereld jeugdig was, bemost en onbewoond.
Onze dochter vraagt: Waar zijn die tegenliggers eigenlijk?
Mijn man remt, voor ons rijdt een tractor, op kop van een vertraagde stoet auto’s. De weg is zo bochtig dat niemand kan inhalen. Als een statige hofhouding rijden we achter de boer aan, de koning die niet op of omkijkt, gewend aan zijn gevolg.
Onze dochter kijkt naar de zee, ze vraagt: Is blauw mooi?
Zoals ze moet leren wat lijnen op de weg betekenen, probeert ze te begrijpen wat mooi is. Zodra ik het beaam roept ze door het opengedraaide raam: Prachtig! Want dat is wat je roept in zo’n geval. En ze vraagt: Waarom is de zee nooit rood?
Langs de kant van de weg staat een jeep geparkeerd. In de berm zien we de rug van een vrouw. Onze dochter wijst: Huilt die?
Naast de jeep staat een meisje.
Moeten we stoppen? vraag ik.
Mijn man geeft geen antwoord, stopt niet. Ook de tractor en de andere auto’s rijden door, stapvoets. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik het langzaam krimpende tableau: de schokschouderende vrouw in het mos, geen jas, haar handen in elkaar gevouwen, naast de jeep het gestolde meisje, wind in de ogen.
Ik zeg: Wil je mij antwoord geven?
Mijn man zegt: Ik hoorde je wel.
Onze dochter, seismograafje, schopt tegen de achterkant van mijn stoel, ze vraagt: Waarom huilde die vrouw?
Ik zeg: Soms huilen mensen; jij huilt ook wel eens.
Bij een houten cabine stoppen we, stappen we uit. De vloer van het huisje bestaaat uit een gemetseld bad vol water. Het stroomt vanuit een warme bron door een buis het bad in en wordt door een andere buis weer naar buiten geleid. We hangen onze kleren over haken aan de houten wand en trekken onze zwempakken aan. Ik draag een bikini omdat mijn zwempak me niet past. Het valt me op dat ik zijkanten heb. Ik hou mijn buik vast en stap in het water. De stenen bodem en randen zijn korrelig, we glijden niet uit. Een tijd staan we in de stoom te wennen aan de hitte. Als ik ga zitten reikt het water tot mijn kin. Het is half duister, er komt alleen wat licht door de uitgezaagde gaten in de wanden, licht en lucht.
Onze dochter zit in zwempak, met zwemvleugels op de rand van het bad. Ze doopt alleen haar benen in. Ook de foetus krijgt het warm, hij elleboogt op zoek naar koelte. Ik hijs me overeind. Naast onze dochter wasem ik uit.
Ze vraagt: Wat is water?
Ik zeg: Voel maar.
Mijn man zit met zijn ogen dicht in het hete bad te glimlachen.
Nat is het tegenovergestelde van droog, zeg ik en ik maak een weegschaal van mijn handen: Nat, droog. Donker, licht. Vroeg, laat. Licht, zwaar. Water is zwaarder dan lucht, daarom stroomt het over de grond, omlaag, naar zee, uiteindelijk altijd naar zee. Dat komt door de zwaartekracht.
Dat laatste zei ik per ongeluk, ik vrees voor de vraag wat zwaartekracht is.
Maar ze herhaalt: Wat ís water?
Ik prevel iets over H2O, zeg dan verslagen: Ik ga het zo in de auto googelen.
Steeds vaker eindigen onze gesprekken achter de computer.
Op de deur van de cabine hangt het geschreven verzoek of we het huisje willen achterlaten in de staat waarin we het vonden.
Buiten wacht een mororrijder op zijn beurt, zijn helm in de hand.
In de auto eten we kanilsnúðar, spiraalvormige kaneelbroodjes, mijn dochter hapt, ze zegt: Ik gaap van de honger.
Kauwend lees ik haar voor over het blauw van water: Water absorbeert rood licht honderd maal meer dan blauw licht en verstrooit blauw licht vijf maal meer dan rood licht.
Aha, zegt mijn dochter, nú snap ik het.
Ze kent de gebaren van begrip, zonder te begrijpen, ze voert een choreografie uit met een gesprek als resultaat. Zoals ze eerder de oppervlakte van materialen betastte, erop knaagde om hun vorm en textuur te onderscheiden, besnuffelt ze nu de oppervlakte van de taal door woorden in de mond te nemen. Taal is een vluchtlijn, zinnen zijn liedjes die ze fonetisch leert zingen; ze praat over morgen en gisteren, over de maan die om de aarde draait, over haar broertje in mijn buik, zonder te weten wat haar boven het hoofd hangt.
En hoeveel verder komen we zelf? We hebben de parameters in kaart gebracht, het meetbare meten we – hoe zacht we zijn, hoe lang, hoe moe, de omvang van mijn buik, hoeveel tanden we hebben, vlekken op ons vel, hoe snel we scherpstellen op het grijzen aan de slapen, de curve van de neus, de droogte van de lippen, welke kleur voedsel we in onze monden stoppen, hoe hoog onze stemmen klinken, hoeveel liter te weinig we drinken, hoe licht ontvlambaar we zijn.
Met volle mond vraagt onze dochter: Huilt die vrouw nog?
We eten zoute pinda’s.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

Ook nu mijn enkels dik zijn van het vocht, blijven het cirkels van driehonderdzestig graden. Elk object vult alle driehonderdzestig graden uit, er valt geen graad tussen te krijgen, tussenuit te bietsen.
Binnen maken we plaats voor de piano. We ruimen kasten uit om er beweging in te krijgen. Schuiven leidt tot schuiven, steeds schiet er een meubelstuk over. De afstanden lijken te veranderen maar de kamer blijft het speelveld waarin je om dezelfde as tolt. Lengte maal breedte maal hoogte is de formule waarin we gestalte krijgen. Draait mijn dochter een pirouette dan weet ze wanneer ze rond is. Om graden aan een cirkel toe te voegen, visuele valeur ajoutée, zul je de ruimte zelf moeten buigen. Zoals je met het toevoegen van een woord aan een zin de ruimte ombuigt, taal laat zuigen.

Onze dochter heeft het kompas van haar IJslandse grootvader onder de leden, bij elke wending van haar lichaam wordt opgeslagen waar ze zich in haar cirkel bevindt, met de zuidoostenwind als permanente geheugensteun. De zeldzame westenwind noemt ze de Jónwind, naar buurman Jón, die ten westen van ons woont.
In en achter kasten stuiten we op vergeten boeken, foto’s, LP’s en tekeningen, dichtgekalkte tijdsplanningen uit mijn studiejaren, waarin ik met gekleurde tape, waarop geen enkele pen pakte, schrijftijd afplakte – late avonduren, kwartiertjes tussendoor. We openen dozen en lezen, beluisteren alles.
Ons kind heeft op elke lege plank van de boekenkast een blote pop opgebaard, zachtjes zingt ze in haar mortuarium: Verður margt að meiniveel zal er worden gehavend. Van een nichtje heeft ze nieuwe woorden opgestoken, ze doet alsof ze op iets kauwt en zegt: Ik heb tyggjó.
In ons drietalige huishouden hebben we de regel dat je de zin afmaakt in de taal waarin je hem begint. Ik vraag: Hoe zeg je tyggjó in het Nederlands?
Ze roept naar de keuken: Pabbi, hvað er tyggjó á ensku, wat is tyggjó in het Engels?
Mijn man roept: Chewing gum!
Aha, zeg ik, heb je kauwgom?
De akoestiek is met het verschuiven van meubels veranderd, geluidsgolven botsen op andere plekken tegen obstakels, omloopgeluiden nemen een nieuwe route. Ik zet de tuindeur open. Losse geluiden siepelen binnen, Messiaens Quatuor pour la fin du temps verspreidt zich over de baai. Ik luister niet naar de musici, naar hun interpretatie, intonatie, vibrato, stokvoering; ik luister niet naar de componist. Ik hoor iets wat door een mens is gemaakt in een context waar niets door een mens is gemaakt. Muziek krijgt in dit fjord zijn identiteit terug door hoe het zich emancipeert van zijn omgeving, door het verschil tussen wat er klinkt en wat er niet klinkt, zoals het contrast tussen bergrug en lucht.
Op het conservatorium, een stapeling van vibrerende kamertjes, studeerde je boven de trillingen uit, tegen de klok in, met gegleufde vingertoppen, een ontstoken plek in je nek en kloppende oren – allang met luisteren gestopt, staarde je naar de omhoog en omlaag wijzende vinger van de Maistro. Door geopende ramen liet je je begeleiden door geklingel van trams, ruis van banden over asfalt, gerikketik van op groen springende stoplichten, fietsgerammel, motorzagen, het zuchten van bussen, bellen, sirenes, het piepen van remmen, het ritselen van de bomen, hoe ze zich krakend vertakten, wortel schoten onder de stoep alsof het vanzelf sprak. Je oor trok elk geluid naar zich toe. Je snapte niet dat er zoveel inpaste. En het paste ook niet. Je hebt jezelf tijdens een concert betrapt op de gedachte: Ik zie wanneer de dirigent aangeeft dat ik moet inzetten, maar in zo’n kerk met hoge gewelven komt alle visuele informatie wat vertraagd, dus ik moet wat eerder zijn – o nee, dat betrof het geluid, niet het beeld. Knikkebollend heb je de studie afgerond.
De vermoeidheid die een zwangerschap met zich meebrengt is er niets bij. Er komt weinig van de grond, een simpele maaltijd bereiden is een queeste, me omdraaien in bed schier onmogelijk. Maar vioolspelen terwijl ik de uitputting nabij ben is vertrouwd, ik heb geleerd mijn fysiek te negeren als ik studeer. Ik hoef de viool maar onder mijn kin te voelen of mijn buik verdwijnt. Mijn arm, opgedikt, maakt toon. Uit het contactpunt tussen haar en snaar trek ik een lijn zoals je met ijzerdraad een stuk klei van een homp snijdt, ontfutsel ik het stuk hout een paar maten Mozart, konijn uit de hoed. De foetus maakt een salto, onze dochter lacht en klapt in haar handen. Eerder heeft ze het instrument, ons enige bezit van waarde, op de grond laten stuiteren, over de lengte laten barsten.
We hebben gezocht naar een clownsviooltje, een zestiende, voor spek en bonen; ze zijn op IJsland uitverkocht.
De scholeksters stuiven op rond het huis, ik probeer hun gegil op mijn e-snaar na te bootsen, geklapwiek van ganzen, het sidderen van hemelgeiten.
Uit onze speakers klinken de vogels van Messiaen, die zich niet lieten vangen in vierkwartsmaten. Her en der zijn er korte duurtjes bijgeplakt, valeur ajoutée, voor cadansloos gezang. De plaat kraakt, er zit een tik in; mijn dochter zegt: De vogels hebben de hik.
Een zestiende noot toegevoegd aan een vierkwartsmaat: een extra graad in een cirkel – met tijd kun je goochelen. De plaat zal door al die toegevoegde waarden een paar seconden langer duren. We zullen een paar seconden later eten. Maar ergens zullen we die tijd moeten inlopen. Want de aarde gaat er niet langzamer van draaien. Gaan we een paar seconden later naar bed, dan zal de nacht korter zijn. We kunnen geen duur aan het etmaal toevoegen, al doen we nog zo ons best de avond kwartieren op te rekken.
De haan van de boer, met zijn circadiane klok van vierentwintig uur precies,  kraait klokke zes.
Buiten regent het, waait het. We horen onze dochter mompelen in haar ledikant: Ik dacht dat die wind was afgelopen.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.

In deze nieuwe reeks keert Marieke Lucas Rijneveld terug naar haar roots. Tussen het schrijven door werkt ze op een koeienbedrijf achter haar studentenhuis. Ze schrijft over haar bevindingen, verlangens, twijfels en onzekerheden. Vandaag deel 4.

*

Als de boer koude handen heeft, legt hij ze tussen de uier en de achterpoot van een koe. Ik vraag ik me af hoe het zou zijn als hij mijn handen vastpakt en met tussenpauzes in de kommetjes blaast, of dat hij net zo zorgvuldig bekijkt als de koe die kreupel loopt en vastgebonden staat aan de stang van de ligbox. Met een mesje snijdt de boer stukken nagel van zijn hoef als koolraap, lepelt de zweer uit als een te zacht gekookt eitje. Even voel ik aan mijn rechterwang dat nog brandt van de koeienstaart die hard tegen mijn gezicht sloeg toen ik de grup uit wilde mesten. Er loopt een rode striem aan de zijkant van mijn slaap richting mijn kin. Ik breng een volle kruiwagen met stront naar de mesthoop en balanceer over de planken naar het einde om het te lossen. Maar de kruiwagen is te vol waardoor hij in het midden van de plank valt en ik hem niet meer kan houden: balanceren is niet mijn sterkste kant. Ik ben te bang om mijn voeten verkeerd neer te zetten en ga voorzichtig lopen en maak juist een misstap. In mijn hoofd hoor ik de juf van de basisschool zeggen: ‘Als je in evenwicht wil blijven moet je je handen naast je lichaam houden als een vogel, tussen kop en bil negentig graden, denk aan je geodriehoek. Buigzaam ben je tot op zekere hoogte.’

Ik denk aan de week die voor me ligt, waarin ik moet laten zien dat ik bereid ben om met verve de overkant van de plank te halen. Ik mag het voetje voor voetje doen maar niet bang zijn voor de diepte. Ik spuit de kruiwagen schoon en zet hem onder de voersilo, laat hem tot aan de rand vollopen met Bix. Op het voergedeelte zit een duif die uit zijn nest is gevallen hoog in de nop van de stal. Volgens de boer overleeft hij het niet als ik hem niet meeneem. Hij is liever een duif kwijt dan rijk. 
‘Rotbeesten. Ze vreten al het mais op,’ zegt hij.
Ik houd de duif onder mijn jas stevig tegen mijn borstkas gedrukt en voel zijn hart tegen de binnenkant van mijn handpalm bonken. Tussen zijn veren steken gele haartjes uit: hij is nog te jong om te vliegen. Thuis vul ik het afwasteiltje met lauwwarm water en een paar druppels Zwitsalshampoo. Ik laat de duif langzaam in het water zakken, spoel de koeienpoep van zijn vleugels en wikkel hem in een oude handdoek. Wrijf hem zachtjes droog. Bij het grofvuil zoek ik een oude doos die ik vul met kranten en zaagsel. Ik smeer een snee brood met pindakaas voor de duif: de biologische variant met stukjes noot, extra smeuïg. Tijdens het eten houdt hij mij continu in de gaten. Zodra ik mijn hand naar hem uitsteek, deinst hij verschrikt in de hoek van de doos, en hoe ik ook hardop tegen hem praat, hij blijft piepen als een muis die in de val wordt gelokt. Pas in mijn handen wordt hij stil. Ik stel hem de vragen die ik die ochtend zelf gesteld kreeg: Ik ben eenzaam. Juist of onjuist. Ik ben bang op pleinen en in openbare ruimtes. Juist of onjuist. Ik heb vaak het idee dat ik niet in de werkelijkheid leef. Juist of onjuist. Ik houd van intieme relaties. Juist of onjuist. Andere mensen maken misbruik van me. Juist of onjuist. Ik spreek op feestjes veel verschillende mensen. Juist of onjuist. Als het niet goed gaat, keren gedachten aan zelfmoord terug. Juist of onjuist. Niemand kent mij zoals ik werkelijk ben. Juist of onjuist. Ik word achtervolgd. Juist of onjuist. De antwoorden vul ik zelf in terwijl ik hem over zijn verendek streel. Hij kijkt nog steeds angstig. Ik deins ook vaak terug voor de hand die me aan wil raken, houdt mijn armen stijf langs mijn lichaam en trek mijn schouders hoog op als muren om mezelf achter te verbergen. Ik kruip niet in een hoekje maar de ruimte in mijzelf verkleint zich wel. Soms is een blik van iemand hetzelfde als een uitgestrekte hand.   De duif heeft geen vader of moeder die naar hem omkijkt. Die hem nog leert om zijn vleugels te spreiden. Als mensen bij me weggingen, zeiden ze vaak: ‘Vlieg maar.’ Ze vertelden nooit waar naartoe, of hoe ik mijn vleugels moest bewegen en met mijn angst moest omgaan om niet neer te storten. Over twee maanden moet ik van een belangrijk iemand afscheid nemen. Moet ik weer het nest verlaten. Van haar heb ik alle vliegtechnieken geleerd: nu nog evenwicht houden en weten wat te doen bij storm of als het windstil is. Als je nooit heb geleerd aan welke kant de zon opkomt, trek je vaker naar de schaduwkanten, zet je je planten ook sneller in de verkeerde vensterbanken. Ik praat te veel in mezelf en te weinig hardop. De meubels zijn in het schemerlicht net ruggen van afwezige ouders: ze doen alsof ze luisteren maar ze hebben al te veel te dragen, zeggen ja en amen, zuchten.  

Iedere avond mag de duif door de gang vliegen, liggen de vloeren bezaaid met kranten en is de kapstok zijn uitkijktoren. Het is een doffer. Ik noem hem Willem. Niet alleen Willem krijgt vliegles maar ook ik zat vandaag in een kamertje met mijn armen stijf voor mijn borst gevouwen met tegenover mij een mevrouw die mij de komende tijd gaat leren balanceren. Ik voelde mijn oksels jeuken. Ze was er in getraind haar blik niet af te wenden. Op het witte Ikea-tafeltje lag naast de vetplant een opneemapparaat. Ik moest eerst mijn naam zeggen en mijn geboortejaar, en haar dan vertellen wat ik zag op het papier dat zij omhoog hield: er stond een jongetje op dat sip aan tafel zat met zijn handen aan weerskanten van zijn hoofd. Voor hem op het tafelblad lag een kapotte viool. Ik dacht tenminste dat hij kapot was, dat er een snaar was gesprongen, de strijkstok lag er slordig naast. Onder de viool was inpakpapier te zien. Als het inpakpapier was kon de viool niet kapot zijn, maar waarom keek het jongetje dan sip? Misschien omdat hij geen viool kon spelen, omdat hij liever een ander instrument wilde hebben, of omdat zijn moeder een beroemde violiste was en hij niet als haar wilde worden, of juist wel maar dat nooit zou kunnen evenaren.
‘Hoe loopt het verhaal af,’ vroeg de mevrouw toen ik stopte met praten.
‘Hij ruilt hem in voor een piano,’ zei ik.

Op het volgende plaatje stond een meisje dat op haar knieën voor een twijfelaar zat. Met haar hoofd op haar arm leunde ze op het dekbed. Haar lichaam was gekromd van het verdriet als een eikenhouten plank dat door vocht krom was getrokken. Ze droeg een nachtjapon met een rafelige zoom.
‘Hoe loopt het verhaal af,’ Vroeg de mevrouw weer.
‘Ze huilt, staat op en gaat weer verder,’ zei ik.

De mevrouw knikte tevreden, of ik dacht dat ze tevreden was, al wist ik dat ze niets van haar tevredenheid mocht laten merken, dat zou mij te veel bevestiging geven en juist dat moest uitgehold worden in het onderzoek. Toen pas viel het me op dat haar vingers aan de randen zwart zagen. Ze vroeg niet wat ik van haar plaatje vond: van degene die zij hier omhoog hield. Ik dacht dat het olie was. Naast het oplichten van de motorkap van de mens en het kijken wat er ontbrak, sleutelde ze vast ook aan auto’s. Hoe loopt het af, vroeg ik mezelf: ze opent zo de deur, wenst mij succes en zal denken: Iemand moet haar handen warm houden. Even kijken, de volgende…

Na afloop van de onderzoeken stond ik met een meisje in het rokershok. Zij met haar sigaret en ik met mijn Liga. Ze vertelde dat ze gisteravond, toen ze zich leeg een eenzaam voelde, de overige vakjes van de Kerstkalender aan de muur openmaakte, waarachter chocolaatjes zaten in de vorm van sneeuwpoppen en kerststerren. Nog zes dagen te gaan, maar ze dacht: Stik aan Kerst, waarom zou ik de dagen nog afwachten, als ik ze nu opeet is Kerst al grotendeels voorbij.
Ze at ze allemaal in één keer op. De kinderlijke spanning die ze vroeger voelde bij het openen van een vakje, was er alleen nog maar in haar verlangens. De valse gezelligheid drong nu pas tot haar door. De kalender stopte ze onderin de vuilniszak, en de vuilniszak zette ze aan de weg, ze liet de punaise in de muur zitten. Ze stak haar sigaret tussen haar lippen en spreidde haar armen: ‘Zo groot is de leegte,’ zei ze. Ik glimlachte naar haar, spreidde mijn armen en zei: ‘Zo groot is ook de ruimte.’ Ik deelde mijn Liga in tweeën. Ze had al heel wat jaren vliegles maar mocht nog steeds niet op.

Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde eerder proza, poëzie en artikelen in diverse literaire tijdschriften, waaronder De Parelduiker, Liter, Kluger Hans en Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman.

*

mijn hand een tong

in het huis zonder ramen moet ik komen spelen
zonder mijn autootjes mijn treinen mijn muziekdoos
jij bent het raam zegt de man van het huis
doe maar alsof alleen ik door je heen mag kijken

doe maar alsof er achter jou regen was en ik
overal snel de druppels moet tellen met mijn vingers
doe maar alsof je een steenkoud raam bent met erachter
veel wit en dat je kleiner wordt dat je kozijn kraakt
ril maar ja tril maar en kraak vooral met je mond

en dat het dan buiten leeg is maar ik wel blijf zoeken
doe alsof ik iemand mis met mijn hand als een tong
aan het glas ik sein naar je ogen die de lucht zijn
en mijn ogen waarin geen vergeving slaapt
je mond open is een tunnel waar ik doorheen moet

en dat ik dan mijn adem op je druk als een stempel
ik zal eerst even de kachel uitzetten zodat het echt is
doe maar alsof ik het ovengordijn ben als de lichten aan gaan buiten
doe alsof wij moeten wachten alsof hier niemand woont