Ik reageer liever op geweldige kopij dan op de nieuwsbrief van Das Magazin, maar ditmaal was de verleiding te groot. Toine & Daniël stuurden me een paar handenvol schrijftips vroegen me: ‘Wat zou jouw belangrijkste schrijftip zijn?’ Ik heb me altijd verre van schrijf- en schoonmaaktips gehouden: het alfabet en allesreiniger volstaan doorgaans. Maar ondertussen probeer ik geweldige kopij nog geweldiger te maken, daar heb je meer voor nodig dan allesreiniger. Ik neem de uitdaging aan. En twijfel. ‘Met beelden wil je in een verhaal een residu achterlaten in de lezer?’ ‘Wees ook niet huiverig om te jatten of imiteren?’ ‘Een goede opening is het halve werk?’ ‘Negen van de tien keer kun je de laatste zin schrappen?’ ‘De magie van een verhaal is wat overblijft als alles is uitgelegd?’ Of: ‘Write drunk, edit sober, proofread naked in a public place, promote your book relentlessly while high on crack.’
Over auteursgebonden schrijftips, schrijven wat je kent en wat je niet kent, en verder gaan dan de tips. Over saaiheid en Sebald en mijn vijf belangrijkste schrijftips. Nummer 5: ‘Zoek op tijd hulp.’

‘8. Every story begins with the first word. Choose wisely. Then go on Facebook and ask friends if this is the right word. Never go back.’ — Richard de Nooy

‘Ik.’ — Daan Stoffelsen

Ik heb me verre van die tips gehouden, omdat ze vooral over proza gaan. Ik heb wel eens wat geprobeerd hoor, een verhaal waarin een loodgieter en een Nobelprijskandidaat elkaar treffen in het apartement van de persklaarmaakster, die verdwenen blijkt, en die, het verhaal is duidelijk vastgelopen, als een Alice in de Wasmachine verdwenen moet zijn. Poging, mislukt. Ik houd me dikwijls wel aan de regels voor literaire kritiek – hoewel mijn redacteur bij de krant vond dat ik beter in essays ben. Essayeren, proberen, dat kan ik wel. (Ellen Deckwitz: ‘Hoe begin je met schrijven? Begin gewoon.’)

Ik heb me ook verre van tips gehouden, omdat ze persoonlijk zijn, voor elke schrijver anders. Joost de Vries vraagt zich af, en tipt:

‘Gebruik ik VIVA-gevoelens?

Blaas emoties niet al te groot op, wees recht toe en recht aan. Zinnetjes als “mijn adem stokte” of “ik hield mijn hart vast” zijn vaak overbodig en kunnen implicieter worden overgebracht.’

Kan ik me helemaal in vinden. Maar De Vries’ personages zijn dan ook academische cowboys. Eerder Donald Duck, gekruisd met Science, dan Viva. Schrijftips als deze staan in het verlengde van het door-en-doorlezen van geliefde schrijvers, het overschrijven (Thomas Heerma van Voss: ‘Wees ook niet huiverig om te jatten of imiteren.’), nadoen. Als je een schrijver en zijn stijl waardeert, dan zijn zulke tips wel zeer waardevol. Ik vind de tips van W.G. Sebald van universele waarde – maar ik kan niet uitsluiten dat in dat oordeel iets subjectiefs ingeslopen.

Omdat het tegenovergestelde even waar is. Maurits de Bruijn zegt: write what you know:

‘Durf dicht bij jezelf te beginnen. Kies voor de verhalen die je hebt meegemaakt, of kies in ieder geval voor verhalen die je zo sterk raken dat het voelt alsof je ze zelf hebt ervaren. ’

Is dat een kwestie van durf? Begin niet altijd met ‘ik’, zou ik zeggen, want jij bent gelukkig saai, en dat is al een goede reden om het gros van de boeken van en over tieners en twintigjarigen niet te lezen.
(Richard de Nooy, 103: ‘If you are under the age of 20 and working on your first novel, you may want to travel abroad as part of an infantry unit.’)
Bret Anthony Johnson schreef in The Atlantic: ‘I don’t know the origin of the “write what you know” logic. A lot of folks attribute it to Hemingway, but what I find is his having said this: “From all things that you know and all those you cannot know, you make something through your invention that is not a representation but a whole new thing truer than anything true and alive.”’ En Ellen Deckwitz: ‘”Waargebeurd” is geen motivatie voor een slecht geschreven verhaal, zorg dat de lezer het verhaal zonder kennis van de auteur goed kan volgen.’ Hier wat tips.

Er is overigens nog een reden om buiten je eigen autobiografie te kijken. Literatuur biedt ons de kans om als Alices andere werelden in te geraken. Oorlog: Johnson beschrijft de dunne lijnen tussen reportage en fictie in oorlogsliteratuur. Genocide, dictatuur, slavernij, racisme, discriminatie. Ziekte, dood, zwangerschap (voor mannen), homoseksualiteit. Daar moet over geschreven worden, en gelukkig ben jij saai, dus je hebt 99% hiervan niet aan den lijve ondervonden. Dat is geen toeëigening, mits goed geresearcht, met empathie en respect gedaan.

Omdat, ten slotte, ze niet ver genoeg gaan. W.G. Sebald, Jasper Henderson:

‘It’s hard to write something original about Napoleon, but one of his minor aides is another matter.’
‘Gebruik niet altijd het voor de hand liggende vertelperspectief. Voorbeeld: vertel een verhaal over de oorlog vanuit het perspectief van de paardenverzorger in plaats van de soldaat.’

Nee, schrijf vanuit zijn paard (Rosalind Belben, Jan van Mersbergen). Laat cowboys academisch zijn, Viva-forumleden revolutionairen, en wasmachines deuren naar een ander universum, en dan kan het alleen maar lukken – of mislukken. Maar het wordt tenminste niet saai of braaf.

Technische tips vind ik het interessantst. Barber van der Pol noemt in een column in de nieuwste Filter. Tijdschrift voor vertalen de standaardgreep eens van tegenwoordige naar verleden tijd te gaan (of vice versa). En de meeste andere schrijftips – magie, residu incluus – vind ik grenzen aan de #uselesswritingtips die Richard de Nooy op Twitter en Facebook verspreidt (een verzameling staat bij de Zuid-Afrikaanse Sunday Times): hilarische nonsens:

210. Losing your manuscript in a digital disaster may be a personal drama, but it is also a blessing to many others.
203. Every writer should bear in mind that all great works of fiction have one thing in common. They were not written by you.
148. Two-thirds of what you write will be utter crap. The remainder is unfit for human consumption. Draw the line carefully.
141. If at first you don’t succeed, write and write again until you are liberated from your reckless folly by death.
104. One of the best-kept secrets of world-class authors is that, at some point in their career, they all worked with wild animals.

Ik geloof — dit zijn mijn vijf belangrijkste schrijftips, Toine & Daniël:

  1. Lees heel veel, probeer te begrijpen wat je goed en slecht vindt. (Recensenten zijn geen gemankeerde romanciers, maar goede romanciers lezen als recensent.)
  2. Schrijf heel veel, herschrijf, stap van je oorspronkelijke plan af, blijf pogen. (Maar stuur niet alles naar Revisor.)
  3. Probeer eens de verleden tijd. (Of de tegenwoordige tijd, of een ander perspectief. Schrijven is een ambacht.)
  4. Schaam je niet: gebruik jezelf en misbruik de rest van de wereld. Schrijf: ik. Vergeet jezelf.
    Schaam je niet: zoek meelezers, redacteurs, een tijdschrift, een uitgeverij. (Kortom:)
  5. Zoek op tijd hulp.

Voor Revisor 12 (koop dat nummer! Neem een abonnement!) schreef Chris Honingh de reeks ‘Een zo goed als droge dag’. Vandaag kunt u hier de eerste gedichten eruit lezen.

*

I

Ik liep naast je. Je had vlechten. Echte.
Bij het donkere kanaal stond een gemaal
te pompen, het bruisende water spatte
naar alle kanten. Toch klapte je van plezier
in je handen. Ik floot tussen mijn tanden,
in de verte reed een trein over een zwart
viaduct, tot mijn schande zweefde tussen
de sterren mijn gebarende hand. Toen
smolt je schouder in het duister ook je rug
zag ik niet meer. De nacht is een brug
tussen twee dagen. Je ontsnapte me weer.

II

Ik leef in vereniging met mezelf. Zo
groet ik me vaker dan een ander me
groeten kan. Misschien zou mijn eencellige
bestaan wel bijzonder bevallen
als ik op straat niet de doelloosheid
zie, de kannibalen die zelfs de stoeptegels
op zouden eten. We staan met
onze rug naar de beschaving, graaien
in de stront van eerdere generaties en
zeggen dan: de geschiedenis herhaalt
zich! Ja, ammehoela, stelletje blinden.

III

Ik zat in een kamer. Buiten was het nacht
zonder sterren. De stilte werd gratis thuis
gebracht. Ik had met mezelf een verbond
gesloten; mijn moeder was de avond, mijn
vader de hond die piepend voor de haard
lag in een trui die mijn moeder gebreid
had voor als het koud werd. Het journaal
zei dat er in China grond was gevonden
en dat de hiaten in verpleeghuizen dicht
moesten. Mijn ouders vielen meteen na
de koffie in slaap en ik liet de hond uit.

IV

In hogere luchtlagen gaat een ketting ganzen
met de wind in de rug. Ze vliegen langs stapels
wolken, uitrustdraden en vallen als leeuwen op
een grasland neer. Boem, zegt de boer en zet zijn
geweer in de keuken. Alleen in de lucht zitten
deuken. De ganzenleider schakelt in de vierde
versnelling en weg zijn ze weer, steeds hoger
zonder navigatiesysteem, een hecht vogellint.
Weggezogen in een wenkend perspectief, over
een bomenberg op deze zo goed als droge dag.

Rosa Schogt (1980) is theaterwetenschapper en actrice. Ze speelt, redigeert, schrijft teksten en geeft poëzie- en taallessen aan kinderen. Sinds 2012 schrijft ze poëzie, en belandde dat jaar bij de beste twintig van de Turing-gedichtenwedstrijd. Ze draagt graag en vaak voor, afgelopen zomer nog bij Dichters in de Prinsentuin. Ellen Deckwitz nam een gedicht van haar op in Olijven moet je leren lezen. Vandaag publiceren wij ‘Op weg naar huis’ en ‘Zin’.

Op weg naar huis

Het gaat steeds harder regenen
Anderen schuilen onder een boom
Jij fietst door: je bent immers al nat
Wachtend voor een stoplicht
vraag je je af waarom je in de vorige zin het woord immers gebruikte
Het water loopt inmiddels
van je enkels je schoenen in
Of waarom inmiddels
Dat moet toch anders kunnen?
Als je straks de trap op loopt
maken de zolen een zompig geluid
dat in het Engels beter klinkt.

Je zegt tegen niemand in het bijzonder
dat je zin in inktvis hebt.

Zin

En al die mensen die er nu nog zijn, en die ik nooit
zal zoenen en met wie ik nooit naar bed zal gaan, en
nooit meer die verwachtingsvolle avonden, de wijn, de
geile sms’jes van tevoren en de onbekende bedden, dat
gehannes met condooms en nooit meer dat
verzadigde gevoel van geile schaamte achteraf, en dan

vooral die woest aantrekkelijke rooie viking met
die boot, die me beloofde alle hoeken
alle gaten overal te nemen laten zien, ook hij
zal nooit meer proeven van mijn lijf omdat ik

jou nu ken, jouw trillend lichaam van het licht, je
glimlach haperend, je hand een vraag waarop ik
altijd antwoord geven wil, de druppels die
je lekt op mij, in mij, zijn helder
helderder dan ooit, de blijvende verbijstering:
ik ben het echt, ik kijk naar jou, ik zie je graag.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter.

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

White Teeth is onder andere bij Vintage verschenen. De eerste pagina’s zijn na te lezen bij The New York Times, een ander fragment vind je bij Salon. De Nederlandse vertaling van Sophie Brinkman verscheen bij Prometheus. Het boek is nog goed verkrijgbaar in de boekhandel.

Jan van Mersbergen: R.J. Ellory, Een mooie dag om te sterven

Verreweg de meeste thrillers zijn opgebouwd volgens twee vertelprincipes: 1. de opening schetst een gruwelijke scène en in het vervolg blikken we terug hoe dit allemaal zo gekomen is, en 2. de opening schetst een gruwelijke scène in het verleden en in het heden blijkt dit nog aan te houden. Of de stap in de tijd nu terug of vooruit is, meestal zijn de beschrijvingen van de vreselijke zaken die de basis moeten zijn van het boek het minste deel. Oorzaak: gebrek aan afstand.

Zo ook bij Ineke van den Elskamps vertaling van The Anniversary Man, waar in een fors eerste deel verteld wordt wat er jaren geleden gebeurde om vervolgens een sprong te maken naar het nu. John Costello had in 1984 een vriendinnetje. Samen werden ze aangevallen door een man die haar hoofd insloeg met een hamer en Costello ook te lijf wilde gaan, maar hij ontsnapte en overleefde het. De moordenaar werd gevonden en veroordeeld, hij pleegde zelfmoord in zijn cel. Zaak opgelost, verhaaltje uit, zou je zeggen, maar het dikke boek doet iets vermoeden, en inderdaad: het moorden in de geest van deze ‘Hamer van God’ gaat ruim dertig jaar later door.

Het eerste deel is typisch de opening van een thriller: er moet en zal spanning zijn. John had de duivel gezien, meldt de derde regel, en daarna volgen zinnen als:

‘Nadien was John niet meer hetzelfde.’ (pagina 7),
‘Nadien werd alles anders.’ (pagina 10),
‘Hun tijd was geweest, voorbij. Hun tijd was op.’ (pagina 12),
‘Want op het eerste gezicht ziet hij eruit zoals iedereen. Net als de duivel.’ (pagina 14),
‘Als ze dat was gebleven, was ze misschien wakker gebleven.’ (pagina 16),
‘Maar zij was weg. Voorgoed.’ (pagina 17),
‘Iemand zien sterven, iemand van wie je houdt, en die persoon op zo’n verschrikkelijke, onmenselijke manier te zien sterven, is iets wat je niet kunt vergeten.’ (pagina 19),
‘Toen wist John Costello dat Nadia dood was.’ (pagina 20),
‘Dat, zo bleek, zou het werk van iemand anders zijn.’ (pagina 21),
‘De meeste mensen die moorden plegen zien er normaal uit.’ (pagina 21).

Bijna allemaal zinnetjes die een passage afsluiten, dan volgt een witregel, even ademhalen, en dan komt de volgende spannende scène, die mij al na een paar bladzijden niets meer doet omdat de spanningopbouw te geforceerd is, de herhalingen talrijk en overbodig, en de beschrijvingen opgefokt.

Een ander voorbeeld van herhalingen die storend zijn:

Over het meisje dat vermoord wordt zegt R.J. Ellory op pagina 8: ‘Ze heette Nadia, en dat was Russisch voor ‘hoop’.’
Twee bladzijden verder zegt Nadia zelf: ‘Ik heet Nadia. Dat is Russisch voor “hoop”.’
Op pagina 13 meldt Ellory: ‘Nadia. Russisch voor ‘hoop’.
Op pagina 17 sluit hij een passage af met: ‘Net als Nadia, wat Russisch was voor ‘hoop’.

Nadia leeft inmiddels niet meer en met haar naam vervliegt de hoop en ook vervliegt de hoop voor dit eerste deel van Een mooie dag om te sterven.

Sleutel is, zoals altijd, het perspectief. Dat vraagt om afstand. Ellory wil beschrijven hoe slecht het slachtoffer, overlevende van een bijna-dubbele moord, eraan toe is. Het slachtoffer heeft echter geen afstand tot de materie en als een verteller daarop focust (daarop in blijft hameren) is de spanning binnen drie alinea’s verdwenen, dan interesseert de lezer zich niet meer voor zijn toestand.

Het Algemeen Dagblad prijst dit boek met: ‘Een mooie dag om te sterven verdient een plekje naast Thomas Harris’ De schreeuw van het lam.’ Opvallend, want juist in Silence of the Lambs worden de gruwelijkheden heel minimaal beschreven, is de spanning nergens opgeklopt en wordt de suggestie benut omdat de hoofdpersoon – jonge onzekere agente – afstand heeft tot de bizarre huidverzamelaar die een meisje vasthoudt en de gevangen kannibaal die de zaak aan het rollen kan brengen.

In 2006 is Costello journalist en weer wordt er iemand met een hamer bewerkt en wordt er gemoord. Deze hoofdstukken zijn afstandelijker en daardoor subtieler geschreven, met de nadruk op de agenten die de zaak onderzoeken en deels op John Costello die een vreemde dwangneurose heeft overgehouden aan zijn verleden maar die nu toch meer een gewoon karakter is, met handelingen, een persoonlijkheid, een leven. Hij is niet enkel slachtoffer. De eenvoudige beschrijvingen staan in dit vervolg niet bol van de spanning maar roepen dubbel zoveel spanning op.

Een mooie dag om te sterven begint eigenlijk pas op pagina 48.

Een mooie dag om te sterven is uitgegeven door De Fontein en is bij elke boekhandel te verkrijgen.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Het vogelhuis

Het boek dat uit is, is Grasses and Trees, van A.L. Snijders en Lydia Davis in de rol van bloemlezer en vertaler. Ik ga er elders een recensie aan wijden, daar moet ik nog wat over nadenken, in ieder geval wil ik schrijven over de vraag of een vertaling als ‘He had taken eggs for his money’ (te vinden bij Shakespeare, maar inmiddels toch echt een batavism) de Engelse Snijders houteriger maakt, of Davis zich daar niet te veel als auteur opstelt, hoe het werk van de oud-politieschooldocent en de Flaubert-vertaalster op elkaar lijkt, en waar we Snijders, na lezing van deze bloemlezing, feitelijk een best of, nu eigenlijk moeten plaatsen in het Nederlandse landschap.

Behalve, natuurlijk, tussen bomen, buizerds en boeken. Ik wil hier schrijven over het boek dat halverwege is, Eva Meijers Het vogelhuis. In haar vorige roman, Dagpauwoog, radicaliseerde een dierenliefhebber tot terrorist, in dit boek lijkt ze het rustiger aan te doen. Het vogelhuis is een onderzoek in romanvorm naar de achtergronden en drijfveren van Len Howard (1894-1973), die twee internationale bestsellers schreef aan de hand van observaties van de mezen en mussen in en rond haar huis. Het is een kalm boek, dat na een Proloog in 1965 langzaam een leven opbouwt vanaf 1900, doorsneden met mezenobservaties. Een jonge vrouw uit een gefortuneerd, cultureel geïnteresseerd gezin wil verder met haar vioolspel, vertrekt daarvoor naar Londen, maar kiest uiteindelijk voor haar andere interesse: de taal en het gedrag van vogels. Ik begin steeds meer sympathie voor haar te voelen, alhoewel ze op afstand blijft, haar passies en ergernissen zijn bepaald niet beeldvullend. Maar wat ze ziet bij mensen is minstens zo scherp als bij vogels. 1911, een soirée bij de familie thuis: ‘Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen.’ Later dat jaar, net zo’n soirée: ‘Om ons heen praten mensen met elkaar terwijl ze over de schouder van hun gesprekspartner uitkijken naar betere mensen om mee te praten — de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’

Treffende beelden, misschien nog treffender voor de solitaire Len dan voor de mensen om haar heen. Kalme beelden ook, niet wereldschokkend. Niet als de bompakketjes in Dagpauwoog, en toch met liefde en zorg geschreven: een mooie roman. [Update: er zit nog wel een aanslag in, het bloed kruipt…, maar ook na uitlezen blijft mijn conclusie staan. Fascinerende hoofdpersoon, mooie, kalme roman.]

Stoffelsens recensie van Grasses and Trees is nog niet afmaar op Athenaeum.nl staan al wel drie ZKV’s eruit – met vertaling. Het vogelhuis is zojuist verschenen bij Cossee.

Thomas Heerma van Voss: Martin Roach & David Nolan, Damon Albarn. Blur, Gorillaz and other Fables

Een van de meest meest originele, overtuigende muzikanten van de afgelopen decennia: de Britse zanger (en keyboardspeler) Damon Albarn. Ooit voorman van de Britpop-band Blur, daarna soloartiest, bedenker van Gorillaz, maker van een opera en nog lid van allerlei samenwerkingsgroepen – een intrigerende carriere, vooral omdat hij steeds een stap bij de publieke verwachtingen vandaan doet, zonder al te krampachtig op zoek te gaan naar hoorbare muzikanten. Een voorbeeld, in deze biografie teleurstellend summier behandeld: toen Blur nog steeds actief was en Gorillaz wereldwijd was doorgebroken, trok hij naar Mali om daar met een stel locale muzikanten het werkelijk fantastische Mali Music te maken.

Tot zover de opsomming van zijn leven, want deze biografie laat nu juist zien hoe saai dat kan werken. Hoe een intrigerende muzikant en een niet oninteressant levensverhaal toch een vrij saai boek kunnen opleveren: Roach en Nolan lepelen chronologisch de feiten uit Albarns leven op – tot 2007 nota bene, het is ook allemaal alweer flink achterhaald – en voegen daar geen groter verhaal aan toe, geen originele gedachte. Het sterkt me in de gedachte: wanneer ik over muziek schrijf, moet ik niet zulke allesomvattende stukken proberen te schrijven, en het een slag persoonlijker proberen te maken. Toch blijf ik doorlezen, meer ter voorbereiding voor het stuk dat ik eens aan Albarn wil wijden dan omdat deze biografie zo verfrissend is. Al met al meer een luister- dan een leesdavies, eigenlijk. Wie Albarn niet kent, sla dit  boek gerust over, en toets zijn naam eens in op YouTube.

De biografie van Damon Albarn is verschenen bij Music Press.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

Eng is de poort is uitgegeven bij achtereenvolgens Allert de Lange, Contact en Bert Bakker. Bij Boekwinkeltjes.nl zijn verschillende edities te vinden.

Marjolijn van Heemstra: Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog

Het wordt mij nooit helemaal duidelijk volgens welk principe boeken worden uitgestald op de lage tafels in de hal van de OBA. Een allegaartje van nieuwe en oude dingen, fictie en non-fictie, jeugd- en volwassen literatuur. Nu lag daar plotseling Fanny Schoonheyt tussen, een boek uit 2011, dat mijn aandacht trok vanwege de lange ondertitel: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog. Sinds ik George Orwells prachtige Hommage to Catalonia las, ben ik gefascineerd door die idiote oorlog, dus nam ik Fanny Schoonheyt mee.

In het boek onderzoekt journaliste Yvonne Scholten de vergeten geschiedenis van een Rotterdams meisje dat het aan het Spaanse front schopte tot ‘koningin van de mitrailleur’. Het is voorlopig (ik ben nu op tweederde) journalistiek in de strikte zin: veel feiten en weinig persoonlijke bespiegelingen van de schrijfster. Dat laatste had ik graag iets meer gezien, maar het is al met al fijn om te lezen, helder van taal en structuur. Fanny zelf blijft voorlopig nog een mysterie, maar zoals wel vaker in zo’n zoektocht is het de ‘bijvangst’ die het interessantst is. Verhalen van mensen die haar gekend hebben en terugblikken op die tijd; het residu van brieven, artikelen, foto’s en anekdotes dat de schrijfster rondom deze geschiedenis ophaalt.

Fanny Schoonheyt verscheen bij uitgeverij Meulenhoff en is, zeer lovenswaardig bij zo’n relatief oud boek, nog steeds te koop. Er staat een fragment (PDF) uit op hun site.

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, The Argonauts

Nog een stuk over bevallingen? Na alles wat ik voor de Revisor er al over schreef stuitte ik op de indrukwekkende novelle van Pamela Ehrens, Eleven Hours (die elf uur is dan de duur van een bevalling, in dit geval, inclusief de botsing tussen claimcultuur, medicalisering, traditional birth assistance, geboorteplannen – en eenzaamheid, natuurlijk eenzaamheid), en bedacht ik me dat er nog meer over te schrijven viel, persoonlijker, maatschappelijker én over literatuur. En toen vertelde collega Marjolijn aan Trouw dat ze Maggie Nelsons The Argonauts ging lezen, juist omdat het ook over zwangerschap en bevalling gaat. Ik hoorde het gonzen rond dit boek, schrijvers van ‘onze’ generatie (Nina PolakNiña Weijers, Miriam Rasch) hebben het gelezen.

Marjolijn nog niet, en ik begon met aarzeling. Nelson spreekt vanuit een achtergrond – de homoseksuele/LTGB-gemeenschap – en met achtergrondkennis – feministische en genderstudies, filosofie, cultuurwetenschap – die ver van me af staat. Het gaat over Judith Butler, over heteronormativiteit, over de worsteling met de seksuele identiteit en oriëntatie van de genderfluïde vader van haar kind. Bent u daar nog? Ik weet niet of ik het half begrijp. Maar het gaat ook over de liefde, en als Nelson citeert, dan citeert ze raak:

‘Barthes describes how the subject who utters the phrase “I love you” is like “the Argonaut renewing his ship during its voyage without changing its name.” Just as the Argo’s parts may be replaced over time but the boat is still called the Argo, whenever the lover utters the phrase “I love you,” its meaning must be renewed by each use, as “the very task of love and of language is to give to one and the same phrase inflections which will be forever new.” I thought the passage was romantic. You read it as a possible retraction. In retrospect, I guess it was both.’

De metafoor van de Argo blijft ijzersterk, ook in deze variant, juist in deze variant, juist ook met deze twijfel.

En ze schrijft dit: ‘Is there something inherently queer about pregnancy itself, insofar as it profoundly alters one’s “normal” state, and occassions a radical intimacy with – and radical alienation from – one’s body? How can an experience so profoundly strange and wild and transformative also symbolize or enact the ultimate conformity?’ Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk? Volgens mijn e-reader heb ik nog 10% te gaan – en de bevallingsscène moet nog komen. Dat essay komt er.

The Argonauts verscheen bij Melville House. Er verschijnt een Nederlandse vertaling bij Atlas Contact, komende maand, door Nicolette Hoekmeijer. Lees hier en hier fragmenten uit de Engelse editie. Pamela Ehrens’ boek verscheen bij Tin House Books, hier een fragment, en hier een essay over waarom er niet over bevallingen wordt geschreven. (Onzin, heb ik al wel eens betoogd, maar goed, een heel boek lang, dat doet niemand haar na.)

Thomas Heerma van Voss: Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín

Een Nederlandse roman waar ik al een poos naar uitkijk is de nieuwe Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín. Volgens mij verschijnt de roman pas volgende maand, misschien nog later, maar ik heb het voorrecht als (late) meelezer te fungeren. Eerder verschenen van Van der Loo’s hand de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind, die ik beide met veel genoegen las; ik houd van Van der Loo’s scherpe observaties, zijn kalme toon, de sprekende scènes – en blijkbaar had ik dat waarderende oordeel ooit laten blijken, en dacht Van der Loo ook nog dat ik (als buitenstaander) iets zinnigs te zeggen zou hebben over zijn nieuwe werk, want hij vroeg me tot mijn verbazing dus of ik wilde meelezen.
Ik ben nu op drie kwart van Het jasje van Luis Martín en wat me bevalt is de afwisseling. Van tempo, van toon, van tijd, zelfs van perspectief. De hoofdlijn in de tegenwoordige tijd: Issa heeft een kind dat amper slaapt, die slaapproblemen drijven zijn ouders ook tot waanzin, maar dan begint Issa te vertellen over de titelheld, Luis Martín. Intussen duikt Luis Martín ook veelvuldig op in de gedachten van Issa, en schrijft hij deels onbewust zelfs over hem – niet de enige suggestie dat dit om een autobiografisch boek gaat, maar dat terzijde. Het heeft, zo wordt algauw duidelijk, alles te maken met het verleden: Issa heeft deze Luis Martín nooit ontmoet, maar kent hem via zijn inmiddels overleden beste vriend, Gijs.
Verhaallijn 2, de verleden tijd: in Amsterdam ontwikkelde zich, rond het jaar 2000, een hechte vriendschap tussen Issa en deze wat ondoorgrondelijke (maar innemende) Gijs, die dan nog bruist van het leven, en vanzelfsprekend niet eens vermoedt dat hij op een dag uit het niets zal overlijden. Prachtige scènes zitten daar tussen, waarin hun werk in de Amsterdamse horeca met veel gevoel voor geur en smaak wordt beschreven. Nooit eerder waande ik me bij het lezen zozeer in Amsterdamse cafés, in De Pels, in Zeppos, noem het maar op. Knap gedaan, en de afwisseling tussen de tijden werkt sowieso goed – want naast de twee net genoemde verhaallijnen zin er ook nog losse hoofdstukken over die Luis Martín in de roman. Van die verhaallijn raken de scènes me het minste, maar ik sluit niet uit dat in het laatste gedeelte van deze strakke en met een aangename vaart vertelde roman het geheel en alle onderlinge verbanden nog duidelijk worden.

Volgens de laatste informatie verschijnt Het jasje van Luis Martin 1 november, bij Van Oorschot. Reserveren kan daar.

Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat. In 2006 debuteerde hij met de dichtbundel Toendra, die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. In 2008 volgde zijn tweede bundel, Na de vlakte, genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, en in 2012 Twee vogels één kogel. Vorig jaar verscheen zijn vierde bundel: Meer mensen dan reddingsvesten. Vandaag brengen we nog twee gedichten van Thies.

*

Na het paringsritueel

voor Miguel Declercq

Iedereen weet: na de paartijd gaan lezer en schrijver huiswaarts,
somber geschminkt. Zij keren niet weder. Lang hield het water
je onder, maar je raakte aan land, hoestte, hapte lucht.
Een prent in het zand waar je lichaam zijn adem hervond,
zich hees op het continent. Je ontvluchtte de elektrische gesel
van de kwallen, hun drijvende koepels, klokken en schotels,
hun lange vangdraden, de kaken
van torpedovormige roofvissen.
Er was een welkomstfeest. Muziek. Rook.
Maar na het paringsritueel
gingen lezer en schrijver huiswaarts, ieder, terwijl de reptielen
op het droge kropen.

Aas

Een kreet als van een betrapte kat, de buizerd, vanuit zijn uitkijkpost in de lucht, hangend
tot de grashalmen wijken —

om zich omlaag te storten, of verstard op een hekpaal
wachtend op een wegkadaver. De wind

van een vrachtwagen, het uitvagen van een klein
leven, poten en kop intact, de vacht bij de romp

opengespleten als een rijpe gevallen vrucht.

Voor mijn kinderen ben ik net zo goed forens als vader. Bij elke trein die voorbijraast, roepen ze ‘Dag papa’ – zelfs als ze bij mij voor op de fiets zitten. Het zou een dubbelganger van Merijn de Boer kunnen zijn, of een beeld in Miriam Rasch’ essay: een ik in de trein parallel aan mij. Die verdubbeling is kenmerkend voor literatuur, en niet alleen voor autobiografisch proza: de auteur is aanwezig bij Thomas Verbogt, ongetwijfeld ook bij Annelies Verbeke – haar hoofdpersoon heet ‘de auteur’. Maar hoeveel Emily Kocken zit er in ‘Stewart’? Waar is Flor Declerqs ik in ‘Passant’? Heeft Frank Heinen een cameo in ‘De plechtigheid’? Is Chris Honingh de ik in ‘Een zo goed als droge dag’? Hoeveel zien we van het Britse talent KJ Orr in ‘Aan het kanaal’?

Is zij dezelfde als vóór haar debuut? Wat doen gebeurtenissen met ons? vraagt Miriam Rasch (Jan Hanlo Essayprijs Klein 2015) zich af. Als herlezing van een oeuvre zo’n gebeurtenis is, hoe is Thomas Heerma van Voss dan veranderd? ‘Wellicht is dat uiteindelijk de reden waarom [Au pair] me zo stoorde, niet vanwege de kwaliteit, maar omdat Hermans niets lijkt te hebben herzien, alsof hij dat gezien zijn reputatie niet meer nodig achtte.’ Wanneer word ik een ander? De Revisor heeft een nieuwe vorm. De trein rijdt vanaf nu viermaal per jaar, in een frisse vormgeving. Vaker nog op revisor.nl. Bij elk blog, essay, gedicht en verhaal, elke nieuwe versie roepen we: Dag Revisor. Dag Jan, dag Bernke, dag Jente, dag Jori, dag Alja, dag Willem Tieske, dag Daan. Dag veelkoppig monster, waarvoor veel herzien, herschreven werd – en dat herlezen verdient.

De positie van boekhandelaren is de laatste tien jaar erg veranderd. Boekhandelaren zijn steeds belangrijker in het boekenvak: ze geven quotes achterop boeken, ze verschijnen op feestjes, ze kopen boeken in die getipt zijn door de collega’s van het boekenpanel van DWDD. Boekhandelaren spreken zich uit over boeken, Jan van Mersbergen spreekt zich uit over boekhandels in de nieuwe rubriek Boekhandel van de maand. Iedere laatste dinsdag van de maand.

Vandaag de zevende aflevering: Boekhandel Veenendaal in Amersfoort.

*

Een weekend op de Veluwe sloot ik af met een zondagmiddag in Amersfoort, en vanzelfsprekend was ik benieuwd naar de boekwinkels in die stad. Deze regio staat erom bekend dat het gereformeerde geloof nog zeer levendig is, en bepalend, en wat betreft de boekhandel gaan er nog steeds verhalen rond dat moderne Nederlandse romans gecensureerd worden; vloeken en ruig taalgebruik worden met zwarte stiften onleesbaar gemaakt. Klopt dat?

Op internet vond ik een paar winkels: twee filialen van de Algemene Boekhandel, waarvan er een in Schothorst en de ander aan de zuidkant van het centrum, een Bruna die ook ver buiten het centrum ligt, een winkel die ’t Ezelsoor heet en me een tweedehands winkel leek (wat bleek te kloppen), een AKO in de stad en daar vlakbij boekhandel Veenendaal. Die laatste wilde ik graag bezoeken, maar google gaf direct de openingstijden: op zondag gesloten.

Nu was ik toch in de stad en ik dronk koffie op de Varkensmarkt en liep de winkelstraat in om wellicht even bij de winkel naar binnen te gluren, en tot mijn verrassing was de boekhandel gewoon open. Op zondag!

Boekhandel Veenendaal, het stond echt op de gevel. De naam is verwarrend. Ik was in Amersfoort. Misschien was er in Veenendaal wel een boekhandel die Amersfoort heet, of was Veenendaal een achternaam. Ik weet het niet. In ieder geval ging ik naar binnen. Boekhandel Veenendaal is een ruime winkel met links direct meters kasten met literatuur: alles wat zojuist verschenen is. Een mooi aanbod. Het eerste wat ik in een boekwinkel doe: kijken of ze mijn romans verkopen. Het is een eerste keurmerk; een heel arrogant en volstrekt persoonlijk en niet-representatief keurmerk. Zo van: als ze mijn boeken hebben staan is het goed. Ik liep naar de middelste kast, zag allerlei schrijvers die met de M beginnen, en ik keek zelfs bij de V van Van, maar er bleek geen enkele roman van me in de kast te staan. Het was alsof ze alle schrijvers kennen en mij vergeten zijn.

Het duurde even voor ik daar overheen was, en wat hielp: de papieren buikbandjes op de boeken die op tafel of op de plank onder de kasten lagen. Op de bandjes leeservaringen van werknemers van de winkel.

Op het eerste boek stond geen leeservaring maar een kijktip.

Het was inmiddels zondag 14 augustus en de aflevering van Zomergasten met Arjen Lubach als gast was een week voorbij, toch bleef het buikbandje om het boek.

Ook andere buikbandjes gaven meer kreten dan leeservaringen:

‘Indrukwekkend, met de nadruk op indruk.’

‘Een fantastisch boek. Letterlijk en figuurlijk.’

‘Heerlijk. Wat een plot.’

‘Geweldig.’

Heel veel boeken in de winkel bleken versierd met een dergelijke spreuk, en het aantal bandjes en de eenvoud ervan leken te duiden op een soort overmoedigheid: zo veel mogelijk boeken moesten zo’n bandje hebben.

Die gedachte bleek niet te kloppen. Er waren ook bandjes met uitgebreidere en betere aanprijzingen.

Dat gaf een beter beeld en ook lieten deze buikbandjes zien dat het personeel van boekhandel Veenendaal daadwerkelijk leest en zich uit durft te spreken over boeken.

Verderop in de winkel een muur met daarop de boeken die op dat moment door de werknemers gelezen worden.

Ik raakte in gesprek met de boekhandelaar die op die zondag achter de toonbank stond. Ze vroeg mijn vriendin of ze haar ergens mee kon helpen en ze had de indruk dat een boek over pinguïns haar zou liggen. ‘Een lief boek,’ dat zou bij haar passen. Het was een mooie opening en in het vervolg kon de vrouw heel precies en vol overtuiging aangeven waarom De pinguïnlessen zo’n goed boek is. Ze kenden het verhaal over een man die voor een jonge pinguïn moet gaan zorgen, ze kende het drama, ze kende de obstakels die de hoofdpersoon moest overwinnen.

Op een kaartje achter de stapel pinguïnboeken stond precies waarom deze boekhandelaar (Elsebeth Mirck) zo vol is van dit boek, en op een buikbandje dat om een ander boek zat bleek dat ze erg meegeleefd had met de personages uit Willy Vlautins Vrij.

‘De mensen in Vrij wil ik telkens een schuilplaats, rust en geld bieden.’

Dat is precies het gevoel dat Vlautin je met deze roman geeft. Wat volgde was een mooi gesprek over het boek en ook over De ruwe weg, een eerder boek van Vlautin dat Mirck ook gelezen had.

Het is geweldig om in een boekhandel te merken dat het personeel weet wat ze verkopen. Dat maakt het onderscheid tussen de stationsboekhandel waar een boek op dezelfde manier over de toonbank gaat als een pakje sigaretten en een echte boekhandel, waar geen boeken verkocht worden maar leeservaringen. Op deze zondag bleek boekhandel Veenendaal een winkel voor lezers en van lezers.

Alja Spaan (1957) is schrijver en kunstenaar. Haar huis in Alkmaar werd Atelier9en40 waarin ze tot 2013 kunst- en poëzieprojecten deed. Onder die naam gaf ze anderen en zichzelf uit. Ze verscheen ook in verzamelbundels maar werd bekend door de Turing 2015 waar zij de tweede prijs kreeg. We brengen twee gedichten van haar: ‘Richtingwijzer’ en ‘Speelgoed’.

richtingwijzer

Wij hadden geen honden. Wij kenden traag
lopende koeien die elkaar volgden op het
gladde pad, hun poten wegglijdend.

Ze kwamen altijd thuis. Hun lijven dampten,
de geur was vertrouwd. Je liep achter hen
en klapte in je handen.

Hij kent alleen de hijgende beesten die
schuddend en nat een ander pad namen
en pas na een tijdje naast je liepen.

Na nog langer is het vanzelfsprekend dat
de hond afslaat naar links als jij denkt
links te gaan. Zo is het ook bij mensen,

meent hij. Snuivend nemen we elkaar
waar maar het duurt even alvorens
wij aan elkaars bewegen

gewend zijn. Eerst is er nog het onduidelijk
passeren, dat wij nog steeds niet weten
hoe. En daarna weten wij het.

speelgoed

Zij laat haar borsten hangen, kniekousjes
net onder het weke vlees, alle

knoopjes gesloten over een blouse van
onbestemde kleur, bruine

randen langs pantoffels die ze aan haar
voeten laat, ze komt

niet buiten, zegt ze. Ze schuift naar mij omdat
ze daar eens woonde, kind bij

ouders die opeens dood waren. Met een
vinger tekent ze nog het behang, er

hing een hertje in borduursteken op de
kinderkamer, een vriend van draad.

Ik zie hoe jong ze was en hoe alleen
de dood maakt. Het lampje was oranje.

    In het dubbeldikke zomernummer van De Groene Amsterdammer stond een momentopname van de Nederlandse literatuur: ‘Erg hè?’ Christiaan Weijts schetst een cultuur van familieromans (nee, moederromans), wars van dystopie, alternate history en experiment: ‘De Nederlandse literator prefereert het realisme boven de grote greep van de verbeeldingskracht, waarvoor de dystopie en de alternate history bij uitstek geschikt zijn, omdat die vereisen dat je een complete wereld integraal tot leven wekt.’ We lezen een in zichzelf gekeerde literatuur. Weijts’ stelling is aantrekkelijk, omdat het de engagementdiscussie, de kleurdiscussie en de experimentkritiek combineert, en vanzelfsprekende voorbeelden levert – Revisor beoordeelt deze stelling als bijna helemaal waar. Bijna. Enkele kanttekeningen in de marge.

    *

    0. Nuance

    Ik heb me eerder uitgesproken tegen opgelegd engagement, en in het verlengde maak ik bezwaar tegen boeken die ergens over gaan. ‘Ergens’ is doorgaans een nare plek waar literatuur meer vorm dan kunst is, meer middel dan doel. Ik heb onderzoek gedaan naar het gebrek aan kleur in de Nederlandse literatuur. Ook heb ik wel eens bepleit dat er wel degelijk ‘gevaarlijke’, ‘experimentele’ romans verschijnen dezer jaren. Maar toen beperkte ik me niet tot de Nederlandse literatuur. Weijts zegt simpelweg zinnige dingen in zijn stuk. Hij generaliseert, maar als je dan toch moet generaliseren, dan graag zo. Toch is er een disbalans waar ik wat tegenover wil stellen. Een nuance.

    1. Dystopia

    ‘Vijfhonderd jaar na Thomas More’s Utopia (1516) is het dystopie troef. Overal. Behalve in Nederland.’

    Weijts komt met indrukwekkende namen: Dave Eggers, Howard Jacobson, Michel Houellebecq, Juli Zeh, Margaret Atwood, David Mitchell en Tom McCarthy schreven onlangs dystopische romans. (De geweldige Claire Vaye Watkins noemt hij nog niet eens.) Mijn tegenbod, ontleend aan een stuk van Fleur Speet eind vorig jaar, is wat schameler: Wytske Versteeg, Tommy Wieringa, Elvis Peeters, Roderick Six, Willem Bosch. En oh, Bert Natter heeft dus al het ‘decor van een mislukt Europa, met de Europese Unie als een schimmige droom uit het verleden, verkruimeld tot losse natiestaten’ toegepast in zijn roman Goldberg (2015). En Auke Hulst heeft in Slaap zacht, Johnny Idaho (2015) een indrukwekkende dystopie geschetst, waarin de City en Wall Street effectief verplaatst zijn naar een eilandengroep die door bankiers bestuurd wordt.

    Is de dystopie nog wel een separaat subgenre te noemen? Een dystopisch Amsterdam heeft al zijn hedendaagse pendanten in de kampen in Griekenland, de parlementen van Turkije, Hongarije, Polen, de delta van Bangladesh, de boardrooms in Londen en New York, de labs van Silicon Valley. Het is elders nu al onvoorstelbaar erger, en paradoxaal genoeg wonen er nog steeds mensen: vaders, moeders, kinderen. Welgekozen realisme voorkomt de noodzaak van de dystopie. Wordt er hier goed gekozen?

    Tegelijk: de laaglandse letteren laten zich moeilijk vergelijken met de angelsaksische, met een veel groter publiek en meer schrijvers, op wel vijf continenten, met een grotere postkoloniale erfenis. Getalsmatig is ook een marginaal subgenre al snel groot in het Engels, zoals je al snel een aantal succesvolle zwarte schrijvers uit Londen en New York kunt opnoemen (Karin Amatmoekrim noemde vorig jaar augustus in De Groene Teju Cole, Zadie Smith, Taiye Selasi, Hanif Kureishi en Toni Morrison), terwijl dat in die grotere literatuur nog steeds als een kleine kopgroep gevoeld wordt. In Groot-Brittannië komen er inmiddels allerlei initiatieven op gang om minderheden aan het schrijven te krijgen.

    2. De wereld

    ‘In de jaren dat de roman buiten onze landsgrenzen de gedaante aannam van experimentele universums, proefopstellingen om de wereld in te onderzoeken, boven gasvlammen te hangen en hun gebruis en geborrel te laten reageren met de gifdampen van de verbeelding, schreven onze coryfeeën allemaal een boek over hun moedertje. Maarten ’t Hart, Adriaan van Dis en Arnon Grunberg, en ook aan de Vlamingen Tom Lanoye en Erwin Mortier ging het mamavirus niet voorbij. Daar zitten prachtboeken tussen; begrijp me niet verkeerd, ik ben hier slechts de cartograaf van het contrast, want als je wilt weten wat typisch Nederlands is, moet je het leggen naast wat het níet is.’

    Vergeet ook niet het wereldvirus, dat niet de minste auteurs te pakken nam: Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Tom Lanoye, P.F. Thomése, A.F.Th. van der Heijden (zijn feuilleton!), maar ook Annelies Verbeke, Kristien Hemmerechts, Elvis Peeters, Gustaaf Peek, Pieter Waterdrinker, Jamal Ouariachi, Hanna Bervoets, Leon de Winter, Aukelien Weverling. Christiaan Weijts? Christiaan Weijts. Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer wonnen de Librisprijs met migratieromans. Niet allemaal recente boeken, niet allemaal coryfeeën, maar laat deze cartografie profiteren van de geologie: Nederland werd niet in één dag ingepolderd, het literaire landschap verdient een langere sluitertijd.

    Vergeet ook niet dat het mamavirus uit de grote wereld kwam. De wereld, de Indische wereld, had de moeder in Van Dis’ Ik kom terug geïnfecteerd, de moeder in Moedervlekken had de Tweede Wereldoorlog meegenomen. En is de god van ‘t Harts moeder nu grote verbeeldingskracht of bekrompen familiedenken?

    3. Verbeeldingskracht

    ‘Niet de verbeelding, wel het realisme. In onze boekhandels liggen de tafels vol met moeders, ziekten, vaders, depressies, kinderen, stervenden en gestorvenen, huwelijken, dertigers­dilemma’s en scheidingen.’

    Een van Weijts’ internationale voorbeelden is Valeria Luiselli’s De gewichtlozen (2014), een prachtig voorbeeld van wat verbeelding vermag – maar uiteindelijk gaat het over moeders en kinderen en twee door decennia van elkaar gescheiden schrijvers in een appartement. S.J. Naudé’s verhalenbundel Het vogelalfabet (2016) laat de dood samengaan met thema’s als racisme, ongelijkheid, corruptie. Het persoonlijke sluit de verbeelding niet uit. Bart Koubaa’s Maria van Barcelona (2010) speelde met een virusuitbraak, loopt experimenteel uit de hand – maar speelt grotendeels in één kamer met een grote voorraad Westmalle Triple.

    Een Mexicaanse, een Zuid-Afrikaan en een Belg. Ze mogen als een gefluisterd weerwoord gelden: de verbeeldingskracht bloeit ook binnenskamers.

    4. Kamers

    ‘Binnen dat Hollandse realisme zijn de variëteit en diversiteit uiteraard enorm, en in die zin is het aanmatigend om “de” identiteit van de Nederlandse literatuur te willen duiden. A.F.Th. van der Heijden heeft vaak gezegd: “Het huis van de literatuur heeft vele kamers.” Dat is waar, en onbedoeld zegt hij precies wat ons literatuur­landschap zo gelijkvormig maakt: het zijn allemaal kamers. En de kamer is misschien wel precies de metafoor om die Nederlandse identiteit in te vangen.’

    Kamers dus, besloten werelden, daar gaat onze literatuur over. Nu is het onze beider vriendin Luiselli die in haar debuut Valse papieren (2012) de kamers aan de overkant inkijkt, en die voyeur keert kort terug in De gewichtlozen. In de traditioneelste romans en de grootste vormexperimenten kijken mensen naar buiten, en dat heeft niets angstigs of geëngageerds. In fictie is de kamer of omgrenzing eerder – tegenintuïtief – een iets om aan te ontsnappen.

    Er is een passage in Schaduwkind (2003) in de ziekenhuiskamer waar het kind zal overlijden, en waarin Thomése naar buiten kijkt:

    ‘Ik sta achter het grote raam. Een gestalte die naar buiten staart. Aan de hemel geen maan, er is alleen het neon van straatlantaarns en verlichte kantoorgebouwen. De wolken worden enkel van onderen beschenen. Daarachter duisternis tot aan het einde der tijden. […] In de diepte kriebelt het doorgaand verkeer dat als bloed door de stad stroomt, de asfaltwegen en de straten een netwerk van slagaders, aderen en bloedvaten om de stad tot in alle uithoeken van levende mensen te voorzien. […] Daar achter me gaat ons kind nu dood.’

    In de kamer is het kwaad, daarbuiten gaat alles veilig, op afstand, door. Is die conclusie te extrapoleren? Ja, ik geloof van wel. Er wordt gevochten buiten, gevlucht, er zijn overstromingen, bosbranden en wilde dieren – maar het meeste leed vind je – evenals geluk trouwens – binnenskamers.
    De stap van kamerliteratuur naar familieliteratuur is eenvoudig gemaakt, Weijts maakt hem met een ijzersterke analyse van hoe de Knausgard-reeks in verschillende talen vertaald wordt. De stap van familieliteratuur naar psychologische fictie is nog eenvoudiger. Maar is niet alle literatuur psychologisch, ook de dystopische literatuur, speelt ook daarin niet de essentie zich af in de besloten wereld van het hoofd van een moeder, vader, kind? De confrontatie die de Nederlandse coryfee zoekt, is dezelfde als de Engelse Booker Prize-winnaar – alleen decor en schaalgrootte verschillen.

    5. Stijl

    ‘Ongekunsteld, is ook zo’n lievelingskreet van recensenten. Het mag niet al te nadrukkelijk kunst zijn, niet al te opzichtig gemaakt of verzonnen. Dus terwijl buiten onze landsgrenzen ook de taal zelf stoomt en schuimt in de ­retorten — de straattaal van Zadie Smith in NW, de vorm­experimenten van Ali Smith in How to Be Both, de fragmentatie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli, de onstuimige monoloog van Sandro Veronesi’s Zeldzame aarden — blijft in onze literaire vorm en stijl alles rimpelloos op z’n plek.’

    De verleiding is groot om, zoals ik al sinds de aankondiging van dit stuk anderhalve maand geleden doe, naar Nederlandse voorbeelden te zoeken. Van der Heijden, Bouazza, Al Galidi.

    Maar dit dreigt een reactie om de reactie te worden. De basis van die reactie is: er zijn veel andere plaatjes te bedenken tegenover Weijts beeld, vanuit de marges, de onderstromen, de jeugd. Je kunt je afvragen in hoeverre coryfeeën het gezicht bepalen van een land. Je kunt je perspectief correcter, feministischer, antiracistischer, politieker of juist kaler inzetten: dit land is vrouwelijker, zwarter, bewuster dan ooit. Of: het Nederlands van Nescio en Elsschot vervlakt tot geasfalteerd straatniveau. Je kunt die stellingen uitgraven, maar die beelden bestaan naast elkaar. Elke roman (verhalenbundel, dichtbundel, essaybundel) ontlokt nieuwe beelden van de literatuur, het liefst meerdere tegelijk. Wat typisch Nederlands is, durf ik niet meer te zeggen, maar een typisch literair landschap is doortrokken door loopgraven, zonder dat er een schot gelost is.