Willem Thies (1973) was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat. In 2006 debuteerde hij met de dichtbundel Toendra, die is bekroond met de C. Buddingh’-prijs. In 2008 volgde zijn tweede bundel, Na de vlakte, genomineerd voor de J.C. Bloemprijs, en in 2012 Twee vogels één kogel. Vorig jaar verscheen zijn vierde bundel: Meer mensen dan reddingsvesten. Vandaag brengen we twee gedichten van Thies.

*

Altijd denk je   aan de vriend   die zou sterven   die stierf
nog één maal   wilde hij een glas   heffen    een heildronk
stommelend   op de drempel   de hand al zwak de wijn zwaar
resoluut     gebiedend de vinger     :opnieuw
nerveus had je de kelk   niet de steel   omvat   kristal
vooral het laatste kristal   moet klinken   moet zingen
je stramme vingers     verschoven     omklemden zacht
de steel      een kalme      kalmerende      glimlach
het is goed     het zong     ijl  helder  hoog     het zong

Brief

Lieve Broer, beste vriend, ik verdraag dit leven niet,
en er is geen ander. Soms wekt mij het geluid van alarmbellen
van een spoorwegovergang in mijn hoofd. Een geluid
dat nooit dooft. Mijn vervallen nekwervels seinen pijn
tot in de uiteinden van de vingers van mijn rechterhand.
Neem mijn boeken (veel van Reve) en mijn fiets.
Ik wil alleen maar zitten naast een oceaan
onder een wirwar van sterren terwijl kolossale
vrachtschepen voorbijvaren.
Ik wil zitten zonder ribben, zenuwen en kraakbeen
zonder dit lichaam van mij, te ruim
en vijandig, dit lichaam dat mij belaagt.

28 april werd Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Bij gelegenheid van de tweede druk is dit ‘Struinen op IJsland’, Klein-Zandvoort-IJsland.

*

In de bibliotheek vond ik het boek Struinen op IJsland. Op weg ernaar toe had ik de met kermis gevulde Dam gekruist. De bratwürsten, een geel-rode Churroswagen en een met chocoladedakpannen belegd houten huisje brachten me moeiteloos naar andere landen, maar IJsland, dat is een leegte in mijn hoofd. Een leeg land. Ik moest gedachten lenen om het te vullen. Een vriendin die er ooit met vakantie was geweest, de video’s op haar telefoon, boeken, internet, films.

Het boek had grote foto’s en korte bijschriften:

Dikke grijze mosdekens langs de kust.
Van water geschrokken lava.
Trollenwapens.
Goed gevoerde schapen.
Verenkleed van bergeend, verenkleed krakeend.
Groepje wandelaars kijkt over de rand.
Lichamen onmossig en kaal, bekleed met lagen Fjällräven.

Struinen, daar zit iets doelloos in, iets van wel zien waar je terechtkomt, iets van een kater en mul zand, van een landweg maar ook een drukke markt. Er zit iets in van op zoek zijn, maar niet goed weten naar wat. Stelen, gappen, betekende het gek genoeg heel lang in het noord-oosten van dit land. Alsof de ervaring had geleerd dat wandelaars die geen zichtbaar doel op hun gezicht hadden staan, de appels uit de boomgaard gristen in een handomdraai, dezelfde waarmee ik nu de Googleresultaten naar mijn bureaublad sleep. Plek waar het rookt, bubbelt en stoomt. Roze schuimpjes stappen uit warmwaterbaden. Een kudde echte IJslandse schapen, die als je met ze achteruit lopen zou, over Vikingen uit zouden weiden.

Is ons hoofd niet voor het grootste deel gevuld met sporen van anderen? Zinnen en beelden die zich naar verloop van tijd stilletjes inpassen tussen eigen gedachten. De omheiningen niet meer zo stellig zichtbaar, worden ze deel van hetzelfde landschap van informatie en zwarte gaten, een bijna binaire code. Ik maak mijn IJsland uit de eenheden gletsjeroversteek, slaapzakaccomodatie en pseudokrater. Algennotities op een rotswand. Uit spaarzame plukjes schapenvacht, achtergelaten in een leeg landschap. Uit de korstmossen op de tuintegels, waarin ik de vorm van het land met haar onregelmatig gekartelde randen, steeds tegenkom. Het is een krakkemikkig plaatje, hangt met stukjes tape aan elkaar. Maar ik zou zweren dat ook het noorderlicht, zoals het zich bewoog op de foto’s en over het telefoonscherm van de vriendin, iets zoekends leek te hebben.

De positie van boekhandelaren is de laatste tien jaar erg veranderd. Boekhandelaren zijn steeds belangrijker in het boekenvak: ze geven quotes achterop boeken, ze verschijnen op feestjes, ze kopen boeken in die getipt zijn door de collega’s van het boekenpanel van DWDD. Boekhandelaren spreken zich uit over boeken, Jan van Mersbergen spreekt zich uit over boekhandels in de nieuwe rubriek Boekhandel van de maand. Iedere laatste dinsdag van de maand.

Vandaag de vierde aflevering: Koops in Venlo.

*

Begin mei werd de verkiezing tot Boekverkoper van het jaar weer geopend. Meteen mobiliseerde ik Venlo om massaal te stemmen op Rogier Knipscheer van boekhandel Koops. Met een reden.
Iedere schrijver hoopt dat zijn boek omarmd wordt door lezers en recensenten, en ook door de boekhandel, dan wordt het boek ingekocht. De boekhandel die ongelofelijk belangrijk was voor Naar de overkant van de nacht was Koops in Venlo. Niet alleen wat betreft inkoop, vooral vanwege het vertrouwen.

Ruim voor de roman verscheen had ik contact met Rogier. Er kwam een roman aan over de Venlose vastelaovend, of hij het boek al wilde lezen, dan zouden we wel verder kijken.
Rogier las het en was zeer enthousiast. Hij stemde in met een presentatie, op 11-11-’11 natuurlijk, in de winkel. Met joekskapel en een tap. Kon allemaal geregeld worden. Maar hij wilde meer.
Rogier zei: ‘Ik ga dit boek verkopen en ik wil een speciale Venlose editie, met een voorwoord in dialect.’ Dat voorwoord werd geschreven door Frans Pollux. Achterin de roman kwam een quote van de net afgetreden vors van Vastelaovesvereniging Jocus: Harry Pouwels.

Frans Pollux en Rogier Knipscheer met het eerste exemplaar dat Venlo bereikte.

Die speciale editie was binnen de korste keren uitverkocht. 500 exemplaren liet Koops drukken, en die werden alleen in die winkel verkocht. Dat is uniek. Koops is de enige boekhandel van Nederland waar ik meer boeken verkocht dan Peter Buwalda’s Bonita Avenue, en dat terwijl Peter oorspronkelijk van Blerick komt, het dorpje aan de andere kant van de Maas dat tegenwoordig bij Venlo hoort.
De presentatie was een enorm feest. De Ellufde van de Ellufde zat net in de lift in Venlo, en het viel dat jaar op een vrijdag. Ideaal. Iedereen verkleed, de tap van mijn vrienden van café de Locomotief werd naar de boekhandel gereden, de andere hoek van het blok. D’n Heiten Haspel kwam muziek maken. Vier fusten bier werden er doorheen gejaagd, tussen elf uur in de ochtend en halftwee ‘s middags. De meeste genodigden haalden de avond niet, dus voor hen was het Naar de overkant van de middag.
Met details van die presentatie zal ik u verder niet lastig vallen, je moet erbij geweest zijn, zal ik maar zeggen. Het gaat in dit verhaal om Rogier Knipscheer. Hij had met zijn team een geniaal vastelaovespekske verzonnen dat zeer toepasselijk en handig was in de winkel; alle medewerkers waren verkleed als Wally, van de zoekboeken Waar is Wally?

Ergens in die vreselijk drukke zoekplaatjes is een man in een gestreept pak verstopt. Kinderen vinden het leuk die man te zoeken. Hij is herkenbaar, ook al is hij verstopt, en dat is een mooie rol voor winkelpersoneel tijdens Vastelaovend: de klanten moeten je kunnen vinden, maar je moet ook een pekske hebben. Het werkte, kijk maar:

Waar is Wally?

Waar zou Wally nou zijn?

Die boekpresentatie was een uniek evenement, een opmaat voor een legendarische nacht. Om een uur of halftwee vertrokken Wally, mijn kinderen en ik naar de Markt.

Naast boeken verkopen organiseert Koops lezingen en bestieren ze een VVV-kantoor. Ze doen de kaartverkoop voor evenementen in Venlo, veelal locaal. Terwijl andere boekhandels klagen dat ze te weinig klanten hebben en te weinig verkopen, neemt Rogier die rol er gewoon bij. Ook stuurt hij boeken op, waar je ook zit, dus hoef je geen bol.com in te schakelen. Via twitter een berichtje en het boek wordt verstuurd of Rogier legt de bestelling klaar.

De verkiezing van Boekverkoper van het jaar loopt nog tot 6 juni. Stemmen op Rogier Knipscheer van Koops kan hier. Stem op Rogier Knipscheer! Stem op Wally!

Pim te Bokkel (1983) publiceerde drie dichtbundels bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. In 2007 werd zijn debuut genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Dit is hoe een storm ontstaat verscheen als laatste. Bij de olieverfschilderijen van dode dieren en verwelkte bloemstukken van Pieter Knorr schreef hij de onderstaande gedichten. Nieuwsgierig naar de gehele reeks? Neem een abonnement.

*

Vervluchtigen

de magnolia blijft in de massieve vaas
in het moment waarop ze net het blad niet laat
ik wil het schilderij uit de lijst lichten
de twijg van het doek bevrijden
met de bloesem in een ruimte zijn
niet dat ze me stil en levenloos bekijkt
ze kijkt omhoog en strekt haar vleugelblad
alsof ze dreigt op te vliegen
het wit van de bloem gaat al op in de mist
die de grens met de achtergrond is
stof in de lucht die het licht weerkaatst
vocht uit de vaas dat als eau de cologne verdampt
voorbij mijn lippen gaat het
op in een weefsel vertakkende haarvaten
alles ademt opgelucht
opgenomen neemt de lucht ons op

 

Bij de geboorte van een veulen

uit de vrieskist gelicht
dooit uit de permafrost een veulen dat nog dood is maar de
hoop voedt dat de tijd wordt teruggedraaid wanneer je lang en
ernstig kijkt, alsof de herfst terugkeert als je het blad terug aan de
skeletten van de eiken hangt
een eerste lik
de streken die je tekenen als je zo opspringt
het negatief dan: tussen zwarte vegen de ruimte die je achterlaat
als je er niet meer bent en waar je nu verschijnt en nat nog droomt
dat je op ranke benen staat, als dorre takken die op breken staan
vastgelegd ben je, herboren
opgebaard
in de bekisting van een lijst

28 april wordt Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Dit is ‘De vier laatsten’, Nooy-IJsland.

*

Omdat je ooit in een druk café gekscherend verklaarde dat je een hekel hebt aan gelukzoekende IJslandse spitsen, die zich enkel en alleen in Nederland vestigen om lokale keepers te vernederen en onze eigen spitsen het brood uit de mond te stoten, wordt je gevraagd iets te vertellen over IJsland. ‘Kon Ronald Giphart niet,’ vraag je nog aan de redacteur, die dat iets te stellig ontkent en het bovendien geen bezwaar lijkt te vinden dat je nog nooit in IJsland bent geweest. Dat zou een probleem kunnen zijn, ware het niet dat je een aantal troeven in handen hebt, die jou de uitgelezen persoon maken om deze geiser te dempen, dit zeehondje te wassen, deze Finnbogason te tackelen.

♠ A — Je bent blogger geweest voor een grote luchtvaartmaatschappij en hebt, zonder je bureaustoel te verlaten, reisverhalen geschreven over tientallen landen. Kortom, je bent frequent flyer bij Internet Airlines.
♠ H — Je bent een roman aan het schrijven die zicht afspeelt in een vijftiental landen. De helft daarvan ken je alleen via het journaal, verhalenbundels en Google Streetview.
♠ V — Je bent ooit begonnen aan een verhaal bestaande uit louter openingszinnen, maar kwam er al snel achter dat dit veel weg heeft van een voetbalwedstrijd waarbij steeds opnieuw wordt afgetrapt, met alle spanning en belofte van dien, maar zonder doelpunt of uitslag.

Dat laatste geldt eigenlijk alleen als troef binnen de IJslandse context omdat je tijdens je onlinezoektocht een wonderbaarlijke ontdekking doet: IJsland heeft al eeuwenlang een heuse beginzinnencultuur.

IJsberend van schots naar schots ontdek je dat deze Opnun Setningar Menning ooit uit nood is geboren. Omdat er vroeger bijna geen bomen op het eiland groeiden was er vaak papierschaarste. Ook de toevoer vanaf het vasteland was onbetrouwbaar, waardoor er regelmatig ruzies ontstonden tussen IJslandse dichters en schrijvers, die meestal uitmonden in vechtpartijen waarbij de zwakkere, minder goed bewapende letterbroeders aan het kortste eind trokken. Hierdoor was er in IJsland lange tijd sprake was van een krijgersliteratuur.

Aan deze ongelijke strijd kwam in 1536 een eind toen de verlichte krijgsheer Gunnar Skallagrímsson de eerste Vetur Fundur organiseerde in Reykjavik. Deze Winterbijeenkomst werd daarna jaarlijks gehouden zodra de eerste sneeuw was gevallen. Alle schrijvers trokken dan naar de hoofdstad met hun beste beginzin op zak en troffen elkaar in de Rithöfundar Sal, alwaar de beste beginzinnen werden gekozen om te bepalen welke boeken in het voorjaar gedrukt zouden worden.

Hongerig naar meer duik je steeds dieper onder het ijs en komt terecht op de site van schrijversgroep Nýtt Upphaf (Nieuw Begin), die de traditie in ere houdt met een jaarlijks festival waar schrijvers nog steeds hun openingszinnen uitspreken zodra de eerste sneeuw is gevallen. Onder het kopje ‘Nice to know’ staat een negental fascinerende feiten.

  1. Sommige schrijvers huurden predikanten en later acteurs in om hun zin uit te laten spreken.
  2. Nadat alle beginzinnen waren uitgesproken, mochten de aanwezigen een zogenaamde kjörseðilinn invullen met de namen van hun vijf favorieten.
  3. Omdat alle schrijvers hun eigen naam bovenaan hun stembiljet zetten, ging het vooral om de zogenaamde Síðustu Fjórum — de Vier Laatsten.
  4. Traditioneel werden de stemmen geteld door de burgemeester, de predikant van de Lutherse Kerk en de hoogste rechter van Reykjavik.
  5. Tijdens het tellen werden de schrijvers getrakteerd op een feestmaal, waarbij stevig werd gedronken en gespeculeerd over de uitkomst.

Je leest dit alles met stijgende verbazing en stelt je voor hoe de stoere schrijvers in hun dampende bontjassen aan tafel zitten — zingend, schransend en drinkend uit de bovenmaatse schedels van hun gevallen kameraden. Je hoort hoe hun beginzinnen zich nestelen tussen de zware scheepsbalken in de nok van de Rithöfundar Sal

  1. Tot op de dag van vandaag komen de Síðustu Fjórum nog steeds met hun namen in de krant en staan ze in hoog aanzien bij boekhandelaren en lezers.
  2. De IJslandse staat koopt een deel van de eerste druk op en distribueert die aan lokale bibliotheken en scholen.
  3. De namen van de Vier Laatsten worden nog steeds bijgeschreven in een eeuwenoud register.
  4. Nýtt Upphaf tracht de IJslandse literatuur te ontsluiten door alle winnende beginzinnen sinds 1536 te vertalen in het Engels.

‘Click here to download the full list.’

Je ruikt je prooi. Tergend langzaam sluipt het downloadbalkje zich vol. Dan is het klik-klik-dubbelklik en ineens sta je, brullend van genot, middenin de zeehondenkolonie. Het liefst zou je alle beginzinnen hieronder in Nederlandse vertaling willen weergeven, maar je besluit de IJslandse traditie in ere te houden door je te beperken tot je vier favorieten — je eigen Síðustu Fjórum.

  • ‘Omdat hij al zoveel had verwoest, werd Ragnar Olafsson aangewezen om de Snæfellsjökull het zwijgen op te leggen.’ (Einar Magnusson, 1613)
  • ‘De walvis hing als een donderwolk boven hun roeiboot.’ (Halldór Eiríksson, 1848) | Bedenk hierbij dat Moby Dick van Herman Melville in 1851 verscheen.)
  • ‘Er is een vrouw onder ons!’ (Ingólfur Pétursson, 1805 | Deze uitspraak mondde uit in een heftige discussie en er verschenen in het daaropvolgende jaar een vijftal boeken waarin dichters en schrijvers zich probeerden voor te stellen waar vrouwen over zouden schrijven.)
  • ‘Toen de mannen terugkeerden van de jachtwateren ontdekten zij dat de Verdwaalde Hollander vanuit zijn ziekbed de vrouwen van Reyðarfjörður met handen en voeten had leren liegen.’ (Magnus Hallgrímsson, 1667)

Ellen Deckwitz (1982) is een van de belangrijkste hedendaagse jonge dichters. Ze was Nederlands Kampioen Poetry Slam in 2009 en won metDe steen vreest mij de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. Ze is een geziene gast op festivals als Lowlands, de Nacht van de Poëzie en Saint Amour, ze draagt haar werk regelmatig voor op televisie, bijvoorbeeld bij Man bijt hond en De Wereld Draait Door en schrijft gedichten over het nieuws voor nrc.next.

*

Ontwaken

De stoel, de lift, dit tijdschrift: ze zijn niet levenloos
maar rusten gewoon even. De wijk doet haar dutje,
gerangschikt in huizenblokken, trottoirs en bruggen.
Het huis kraakt als het zich omdraait in haar slaap.
De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf
om te kunnen doordromen, de mannen met baarden
zagen het al. Onze wereld is aan het sluimeren,
haar ontwaken zal zich openbaren in brokstukken,
puin, ijzeren staken. Niet uit de bewusteloze treden
van de brandtrap, de comateuze betonplaten. Banken
ziekenhuizen, scholen, het bleken slechts cocons.
Wacht maar tot ze zijn ontdaan van slaap. Ons huis
is een knop, waarin de ontploffing al bloesemt.

Dit blad werd ruim veertig jaar geleden gepresenteerd als tijdschrift dat niet in het teken stond van ‘ideologische of esoterische wijsheid’. Toch ontstond er vrij snel een duidelijke Revisor-poëtica: het tijdschrift verzette zich tegen realistische, anekdotische literatuur. Althans, zo is het mij later verteld. Toen ik in 1990 geboren werd bestond Revisor al zestien jaar, ik ken alleen de verhalen. Net zoals ik alleen de verhalen ken van wat er na dat idealistische begin met het tijdschrift gebeurde – de inzinkingen en oplevingen, de interne ruzies en redactiewijzigingen, de wisselende uitgevers, de grote schrijvers die in Revisor debuteerden, de thematische koerswijzigingen die het blad onderging.
De afgelopen jaren is daar steeds nadrukkelijker een ander, breder verhaal bovenop gekomen: dat van het de ondergang van het literaire tijdschrift. En, meestal in dezelfde zin nog genoemd, het optimisme van dat-ene-blad of dat-ene-initiatief dat de boel eens flink op de schop gaat nemen en het allemaal anders gaat doen.

Wij beweren niet dat we het allemaal anders gaan doen. Traditie is niet iets om je tegen af te zetten, ook niet om je nadrukkelijk in te voegen. Het is eerder iets om je bewust van te zijn en vervolgens niet al te veel van aan te trekken. Wat de verhalen, gedichten en beschouwingen in dit nummer bindt, is niet één gedachtegoed, behalve dat wij ze de moeite waard vinden. Dat ze de moeite waard zijn. ‘Levendigheid en afwisseling’ noemde oprichter Dirk Ayelt Kooiman de belangrijkste selectiecriteria in het eerste Revisor-redactioneel dat ooit verscheen, en dat zijn criteria die wij, hoe algemeen ze ook klinken, nog steeds nastreven. Of het nu de zoekende hoofdpersoon is uit het indrukwekkende korte verhaal van Roelof ten Napel, de in burgerlijkheid gevangen personages uit het werk van Sanneke van Hassel, of de mysterieuze drukinkt bij Gyrðir Elíasson – in alle teksten zien we eenzelfde doordachte, levendige taal, een heldere achterliggende gedachte over de opbouw, het perspectief, de spanningsboog.
Jong, oud, bekend, onbekend, dat is dan allemaal van secundair belang. Het gaat om de verhalen zelf. Daar stond Revisor voor, daar zullen wij voor blijven staan. Wij presenteren u dat wat wij tot de beste literatuur rekenen, en zijn ervan overtuigd dat u net zo enthousiast zult worden als wijzelf.
En dat terwijl ‘wij’ ook verandert. Jan van Mersbergen en Daan Stoffelsen blijven in de redactie, en zijn nu aangevuld met Marieke Rijneveld en mijzelf. In de nieuwe samenstelling werken we aan een vernieuwde Revisor. De eerste veranderingen zijn al zichtbaar. Verhalen die verder gaan op Revisor.nl of die, omgekeerd, een nieuw publiek krijgen op papier. Redacteurs die zich, verderop in dit nummer, als lezer manifesteren. Wist u waarover Jan van Mersbergen en Stephen King van mening verschillen? En wat Jungle book en Ronald Gipharts laatste roman gemeen hebben? Ik niet. Vragen, antwoorden en nieuwe vragen, verhalen en stijl, dat was en blijft Revisor.

Namens de redactie,
Thomas Heerma van Voss

Hoe de overledenden te eren? Door hun poëzie te lezen bijvoorbeeld, bij Revisor en bij Terras en bij de DBNL. We gedenken Wim Brands (1959-2016), als vriend en dichter.

Marieke Rijneveld schreef voor hem. Dit is ‘Achteraf geschreven’.

De hond was zo aardedonker dat er geen ommetjes meer, want 
wie de nacht uit zou laten werd bang voor het licht, we hadden 
rekening kunnen houden met de slootkant, met het vuil dat van 
je voeten afkwam en zeggen dat je nooit meteen met de beste 
in zee moet gaan, wat hadden we de hond wijs kunnen maken
zodat je niet meeliep maar de stok zo ver van je af gooide dat we
de afstand met mijmeringen hadden kunnen weerleggen, je vader
op een ladder zetten en één voor één de treden afbreken tot hij op
gelijk hoogte kwam te staan, de tik in de leidingen controleren als
polsen, de tik voor lief nemen: wie de taal van de gekte sprak
zou zichzelf kunnen verstaan en je hield jezelf voor even overeind
als de ansichtkaart van je moeder die ze schreef voordat ze op
vakantie ging over het mooie weer en dat jullie het goed hadden,
zo hebben we je naast ons neergelegd met het bericht dat je terug
zou keren, uitzending gemist aangezet zonder geluid, gewoon het
beeld ik wil gewoon het beeld en dat je mijn arm weer pakt en zegt
dat als de vogels uit de lucht vallen, je over de wind moet praten,
dat je ooit ook eentje in inkt laat zetten als ze ondersteboven vliegen
als krammetjes om de verte vast te houden van dat wat we kennen,
wetend dat de meeste ansichtkaarten onderweg geschreven worden
als regenpakken weer ingepakt zijn en vaarwel zeggen verscholen
zit in de stoelen voor de laatste keer aanschuiven: niet de tafelrand
raken, de slootkant, de nagelriemen. Dan zou je zien dat de beste
oefening in eenvoud niet de dood maar het woord is, dat de
wind het soms overneemt van de hond en niet naar lig luistert,
tussen gebouwen door en mensen is het haast niet te merken
maar eenmaal op open veld stormt het soms zo dat zelfs de kraaien
op verkeerde plekken neerstrijken, het zicht wordt nu benomen en
hoe we ook wrijven, ooghoeken zijn schuilkelders.

De positie van boekhandelaren is de laatste tien jaar erg veranderd. Boekhandelaren zijn steeds belangrijker in het boekenvak: ze geven quotes achterop boeken, ze verschijnen op feestjes, ze kopen boeken in die getipt zijn door de collega’s van het boekenpanel van DWDD. Boekhandelaren spreken zich uit over boeken, Jan van Mersbergen spreekt zich uit over boekhandels in de nieuwe rubriek Boekhandel van de maand. Iedere laatste dinsdag van de maand. Vandaag de eerste aflevering: Boekhandel Schimmelpennink, Amsterdam.

Het was de boekhandel in mijn buurt, aan het Weteringcircuit. Ik woonde er eerst schuin tegenover en later een paar blokken van de winkel vandaan. Vier jaar geleden verhuisde ik naar Amsterdam Zuid en sindsdien kom ik minder vaak in de winkel. Boeken koop ik in een opwelling, ik loop binnen. Nu moet ik weten wat ik wil hebben, dat aan de winkel mailen en af gaan halen als ik in de buurt ben. Dat werkt voor mij niet.

Ton Schimmelpennink is een legende. Grote grijze man met bril. Hij is de enige uitgesproken boekhandelaar die ik ken. De meeste boekhandelaren zeggen wel zachtjes dat ze Vijftig tinten helemeel niks vinden, ze verkopen het wel gewoon aan de volgende klant. Ton koopt die boeken niet in en stuurt de mensen die erom vragen weg, zoals hij ook mensen wegstuurt die een tramkaart willen kopen.

Boeken verkopen is selectief inkopen, en niet alleen omdat de ruimte beperkt is. Ruimte telt niet bij boeken. Ieder boek is een onmetelijke ruimte. Schimmelpennink heeft ruim tienduizend boeken op voorraad, maar als ik op de rieten stoel bij de gaskachel aan de koffie zit en Ton een sigaartje opsteekt en me vraagt hoe het gaat, dan heb ik niet het idee dat ik tussen zo veel boeken zit. Wel zit ik tussen een selectie boeken. Naast de kasten met literatuur en thrillers staat er poëzie, geschiedenis, filosofie en een ruime hoek met kinderboeken.

Er kwam ooit een vrouw binnen die Ton vroeg of hij De Celestijnse belofte had. Hij had het nog wel ergens liggen, mompelde hij en hij zocht het boek op, scheurde papier van de rol en zei; Ik pak het maar even in want ik neem aan dat het niet voor u zelf is.
De vrouw was in shock. Ze zei: Dat boek heeft mijn leven veranderd.
Ton knikte wat en lachte wat. Nou dat is dan twaalf vijftig.

In 2001 presenteerde ik mijn debuut bij Schimmelpennink. Dat was omdat ik zo dichtbij woonde – in de winter kon ik vanuit het raam van de tweede, illegaal bewoonde verdieping aan de Stadhouderskade, de rode luifel zien, maar ook omdat ik verder geen idee had hoe een boekpresentatie zou moeten zijn of wat gangbaar was. Ik wilde iets te drinken, ik wilde muziek. Dus ik vroeg Ton of hij bier kon inkopen en ik vroeg mijn vrienden van de Amsterdamse band Lazy Sunday Dream of ze konden komen spelen.

Het werd een drukke levendige presentatie. Ton had de boekentafel tegen de kast geschoven om ruimte te maken. Op de tafel schalen leverworst en Amsterdams zuur, flessen bier. Het gezicht van de boekhandelaar was vrolijk, zoals zijn gezicht ook straalde tijdens de herhaling van mijn debuutpresentatie: de presentatie van een Revisornummer in de zomer van 2013, toen twee leden van hetzelfde bandje samen met Tim Knol een paar liedjes zongen in de kleine boekwinkel.

Naast mijn debuutpresentatie dronk ik vaak koffie bij Ton. Senseo. Meestal niet alleen. Mance Post was er iedere woensdag, tot kort voor haar overlijden drie jaar geleden. Haar rollator stond vaak in de weg. Mance was illustrator, onder andere van Krassen in het tafelblad. Dat boek kent iedereen, het omslag met het meisje dat bij opa op de tafel zit kent ook iedereen. Een oja-omslag. Verder kwam meneer Schouter er vaak, een classicus die altijd sprak over Reve en Carmiggelt. Nooit over de huidige generatie en ook niet over de generatie Zwagerman-Giphart. Een beetje oud en stoffig dus, maar ik zat daar graag tussen, als jonge schrijver.

Na het lezen van mijn vijfde roman – Zo begint het – zei Ton dat ik een op de stoel moest gaan zitten, hij moest me iets vragen. Hadden ze bij mijn uitgeverij soms geen redacteur meer? Hij vond die roman niet goed, kwam er niet doorheen. Al die vrouwen en die namen leken op elkaar. En dan ook nog een baby. Er ontbrak iets aan.

Ik stelde hem gerust, redactie bij Cossee is uitstekend verzorgd, maar tegelijkertijd was ik geprikkeld om van mijn zesde roman een overdonderend boek te maken zodat ik trots en rustig op die stoel kon zitten, twee jaar later. Dat lukte. Mijn carnavalsroman vond Ton meesterlijk. De quote is in de latere edities van de roman opgenomen.

Later vond hij De laatste ontsnapping ook een moeilijk boek, al die namen in het begin en die verschillende plekken. Hij zei het me gewoon.
Ik antwoordde dat hij inmiddels al een dagje ouder is.

 

Uit de reacties:

Wat een eer, dit stukje over onze boekhandel van de maand. En dan ook nog geschreven door de beroemde romancier Jan van Mersbergen (3 tot 5 ballen). Maar toch ook: wat een omissies Jan!
Te beginnen met die anekdote over de ‘Celestijnse belofte’. De vrouw die dit boek ooit kocht was inderdaad niet gediend van mijn commentaar. Ze had ook volkomen gelijk en ik schaamde me kapot. In jouw versie gedraag ik me als een hufterige eikel. Ik heb deze anekdote toevallig ook beschreven in mijn recente boek ‘Moedig zijwaarts’ (5 ballen). Niet gelezen? Shame on you!
Maar nog veel droeviger vind ik je luiheid. Want ook jij weet dat onze winkel wel wat meer bijzonderheden in zich draagt, dan die paar geslaagde presentaties waar je uitgebreid aan refereert. Ik denk dan met name aan ons kwartaalblad ‘De Bode’ (welke boekhandel heeft dat?). Ik denk aan onze literaire (eet)salons (welke boekhandel organiseert dat?). Ik denk aan onze afwijkende website, aan onze kunst in de etalage, aan ons nazitgenootschap, aan onze eenzame strijd tegen de bruinhemden in het boekenvak.

Maar goed Jan, ik zal ‘Moedig zijwaarts’ voor je apart leggen. Praten we nergens meer over.

ton schimmelpennink, – 29-03-’16 20:57

Dank voor het apart leggen, Ton. Ik ben binnenkort weer in de buurt. Onmissie is – ik heb het opgezocht – verzuim of nalatigheid. In deze persoonlijke stukken over boekhandels telt alleen mijn verhaal en mijn gevoel, net zoals ik dat bij het lezen van een boek heb. Ik ken natuurlijk de site, salon en bode, maar vermeld die niet, juist omdat er gelukkig veel boekhandels zijn die dat organiseren en uitgeven.

jan, (url) – 13-04-’16 10:33

Toen ik m’n vorige reactie had gepost op het wereldwijde web, bedacht ik me:
schrijft die Jan een aardig stukje over je boekwinkel, geef je ‘m de wind van voren. ‘Wat vindt u daar nou van?, vroeg ik m’n biechtvader.
‘Doe jij maar drie weesgegroetjes’, sprak hij.
Dus dan weet je dat.

ton schimmelpennink, – 06-05-’16 22:48

Tuurlijk weet ik dat Ton! Dank je!

jan, – 10-05-’16 07:32

Pijn onthoud je niet. De aap die zich de pijn kon herinneren stierf vast uit.
Je zit in de auto naar Reykjavík, je man stuurt met links, zijn rechterhand is de pook waarmee je jezelf in het gareel houdt. Bij de rotonde trekt hij zich los, je grijpt in het luchtledige, kind en ingewanden schuiven, in spin de bocht gaat in, je blikveld kantelt vertraagd achter je aan, je vraagt: Was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de eerste rotonde.
De auto schudt, je concentreert je op de ruitenwissers die sneeuw van de ruiten zwiepen, tam-tam, tam-tam, de vallende vlokken die in het licht van de koplampen een meteorietenregen lijken, Lieverdje van me, hoor je wat ik zeg? Je zingt om jezelf tot ademen te dwingen, Als ik buiten schapen had dan zou ik ze nu binnenbrengen – je hebt van horen zeggen dat weeën tijdelijk stoppen op weg naar het ziekenhuis, daar merk je niks van, je vraagt: Was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de tweede rotonde.
Ik wil persen, mag ik al persen?

Je man geeft gas, het is glad, hij neemt de bochten als een animatieauto in een computerspel, bang ben je niet, doodgaan lijkt een aardige oplossing, je ziet tussen de vlokken het lichtgevende bord met de klok die achterloopt en verspringt naar de temperatuur, graden hoger aangeeft dan het is, de automobilist in de bocht een hart onder de riem steekt – zó laat is het nog niet, je hebt alle tijd, en zó koud is het nou ook weer niet – je hebt van horen zeggen dat je tussen de weeën geen pijn voelt maar het is één langgerekte wee, in bochten, je vraagt: Was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de derde rotonde.
Je schiet in reflexen te kort, je weet niet of je ergens in of ergens uit probeert te vluchten, terugdeinzen wil je, wegspringen, je ervan afmaken, uit spuit, maar deinzen leidt tot niets, je springt van jezelf niet weg, nergens de drie spinsters om het spinnen van je over te nemen, nergens een visser aan wiens hengel je je op kunt trekken, je vraagt: Was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de vierde rotonde.
Een potje met vet, retteketet, nu het vijfde couplet, al je openingen kokhalzen om binnenstebuiten te geraken, hoe een gesloten ellips dezelfde figuur is als de hyperbool, hoor je de wiskundeleraar uitleggen – krijt dat over het bord piept, de druppelende spons – vanuit een ander perspectief? Hoe dualiseer je een worm tot twee wormen, hoe drijf je er ruimte tussen? Als je oplet moet het lukken, je vraagt: was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de vijfde rotonde.
Wil dit niet, probeer je jezelf-in-de-toekomst te seinen: wil dit nooit meer, en terwijl je jezelf dat blijft inprenten, weet je weer hoe je dit eerder prevelde, tijdens de vorige bevalling. Kan alleen het baren zelf de cue zijn voor de herinnering, de decodering van gedachte? Een punt is een lijn, gezien van opzij – hoe beklijft een boodschap aan jezelf in een andere tijdzone, aan de overkant van de bevalling? Telt een tweemaal gewaarschuwd mens voor vier en hoe vaak moet ik gewaarschuwd worden om zwermintelligentie te ontwikkelen? Je vraagt: was dit de laatste rotonde?
Je man zegt: Dit was de zesde rotonde.
Het is niet dat je het vergat, je hebt het zelfs hardop gezegd: Tijdens de bevalling dacht ik steeds: Dit ga ik nooit meer doen, hahaha! Nu ben je diezelfde weer, ontvang je de boodschap luid en duidelijk – in films gillen vrouwen als ze bevallen, je zou niet weten waar je een gil vandaan zou moeten halen, je denkt: Wordt het niet eens tijd om verbanden te leggen? Je denkt: Wanneer stopt het denken nou?
Vanuit de verte hoor je je man zeggen: Dit was de laatste rotonde.
Je staat te klappertanden op de drempel van het ziekenhuis.
Kom op, zegt je man, kom mee, de lift in.
Ik wil persen, blijf je zeggen.
Wait a bit, zegt zijn mond, die ergens los van zijn hand in de lucht hangt.
Terwijl je lijf omhoog schiet lijkt het binnenste beneden te blijven, je kijkt tussen je voeten of het kind er al is uitgefloept, maar nee, je leunt met je voorhoofd tegen de knoppen, geeft de lift opdracht om door te zoeven, de deuren gaan open, sluiten zich weer, je man steekt er een elleboog tussen, die hand moet je hebben, een puls onder je vingers, hij probeert je uitgestrekte arm te grijpen maar de afstand is peilloos, zo ver als hij bij je vandaan is, daar bij de liftdeur, die hij, praktische man, met zijn voet openhoudt.
In de gang staan twee vrouwen in smetteloos roze, voor wie je je nog net geneert (Denk je dat dit pijn is? Dat wordt nog wat!) – je piept: Mag ik persen?
Binnen, plat op bed, meten de vrouwen met duim en wijsvinger of het mag.
En ze knikken je toe, je bent, rotonde na rotonde, volledig ontsloten.
Wie je een slok water wil geven kan een kaakslag krijgen, je man bakert je in, komt handen te kort om je ledematen in bedwang te houden – zolang je zijn palm op je wang voelt weet je dat hij alert is, dat hij de vrouwen in de peiling houdt, een half oog op de monitor, hij staat aan het roer, je vaart op hem, je bent de kangoeroe in de buidel – er wordt gezongen, je weet niet of je het zelf bent, het zal wel, Maar wij, wij zijn nog lang niet moe!
De verdwijnpunten zijn uit je blikveld getrokken, je trekt zijn handen voor je ogen, je staat op de lange, brede weg die je niet smaller ziet worden, alles is voorgrond, de vrouwen in het roze, de lamp met de bruine duimafdruk, gedroogd bloed dat niet van jou is, de accelererende harteklop, het geluid van de schaar, KNIP – het kind is van later zorg, of het hartje klopt niet jou pakkie-an, daar letten anderen op, het laat je koud en daarover voel je geen verbazing, de vrouwen zijn uit elkaar gevallen, de kamer is opgelost in het niets, het ziekenhuis, IJsland, alles is onder je versplinterd, je voelt alleen de spanningsboog, je bent de pijl op weg naar het eindpunt, de pijl die de helft van de afstand aflegt, en weer de helft, de helft, je raast door een zwerk op goed geluk, verslap je dan donder je uit de lucht en het zal geen val met een landing zijn maar een val van de aardkloot af, de verkeerde kant op – je hebt van horen zeggen dat het denken zal stoppen, daar wacht je op, dat dier te worden maar het gebeurt niet, je bent dat dier voorbij en toch zit het ergens, het sidderende beest dat weet waar het persen vandaan moet komen, niet buiten maar binnen je om; naast die malende mens, in tegenbeweging, achter je ogen, in elke cel.
Dan, zoals je een boer laat, flops, ligt het kind op je navel. Met de vuistjes in je handen glijdt de diepte terug in je beeld, de kamer krijgt zijn proporties terug, het hoofdje, rond, is vlakbij, piepkleine teentjes in de verte, zijn lijf gekromd om de globe die je bent.
Een van de vrouwen kijkt op haar horloge: Drie uur twaalf.
Nu ik daar, pats boem, mijn volle verstand heb teruggewonnen, vraag ik alsof ik naar een brood bij de bakker informeer: Is het gezond? Is het gaaf? Heeft het longen? Twintig nagels?
Mijn man heeft alles al geteld.
Onze zoon besnuffelt zijn eerste oppervlakte buitensbuik.
Uit mijn baarmoeder sjorren de vrouwen nog een ellipsvormig stalletje, een van ontelbare rode draden gehaakte hangmat aan een streng.
Van scheuren, van knippen voelde ik niets in al het tumult, maar het hechten komt weinig gelegen. Steeds als de vrouw de punt van haar naald in mijn vel steekt, zie ik dat ze grimast en sorry mimet. Ze trekt de draad er te langzaam doorheen, zegt dat het geen ideale omstandigheden zijn, met al dat bloed.
Ik vraag me af of hechten niet altijd met bloeden gepaard gaat. Links van haar is uit het niets een derde vrouw opgedoken. Ze is ouder, ziet nooit meer iets nieuws. Ze leunt tegen de rand van het bed en tegen mijn dij. Zo nu en dan wijst ze rond de zoekende naald, mompelt iets.
Ik vind mijn manieren terug en probeer een praatje te maken, ik stel mijn zoon aan ze voor, spreek zijn naam uit. De drie vrouwen vragen verbaasd of het traditie is in Nederland om je kind direct een naam te geven. In IJsland heb je maanden de tijd je kind in het geboorteregister te laten opnemen, de meeste mensen doen er dagen, zo niet weken over voor ze een naam geven – waar christenen zich altijd hebben gehaast hun telgen te dopen, hoe zwakker, hoe haastiger, was het voor de heidenen hier gebruikelijk te wachten tot ze zeker wisten dat het kind het in de kou zou redden.
Onze zoon, een stevige Viking, drinkt. Er wordt een beker water aan mijn lippen gezet, ik neem een slok terwijl er een slok van me wordt genomen. Een meisje brengt ons een nachtelijk ontbijt, we eten als wolven. Dan slapen we, alledrie.
´s Ochtend buigt onze dochter zich over haar broertje, ze vraagt: Waarom heeft hij geen staart?
Suf zeg ik: Jij hebt toch ook geen staart?
Ze vraagt: Waarom niet?
Vroeger hadden mensen staarten, zeg ik, lang geleden.
Terwijl de kinderarts met één streek over het rugje, met vioolbouwersblik taxeert wat de schepper ervan gebakken heeft, hoor ik mijn dochter vragen: En waar was ik, mama, toen jij een staart had?
Op de kop af twaalf uur nadat onze zoon zijn eerste teug lucht in zijn longen zoog, staan we buiten op de stoep. Er is genoeg bloed in mijn aderen overgebleven om me te kunnen ontslaan – de kamer is alweer bezet.
Net zoals pijn vergeet je kou zodra hij wegtrekt, je onthoudt het in zoverre dat je de sensatie herkent wanneer hij zich opnieuw manifesteert. Voor mijn voeten staat een autostoeltje met een zoon, die twaalf uur geleden uit een negen maanden lange zomer van zevenendertig graden is gekomen.
Mijn man draagt hem op een draf naar het open portier van de auto, zijn lippen op één van de wangetjes om de warmte vast te houden.
Onze dochter rent mee, helpt dragen, helpt warm houden, geeft al hollend kusjes, ze vraagt: Waarom kijkt hij zo benieuwd?
Ik wankel erachter, voel niet wat mijn hielen zijn en wat mijn tenen. Wat ik kan onderscheiden is kou.
Hallo winter! roept onze dochter.
We rijden naar huis als gezin.

*

Laura Broekhuysen, die al meerdere malen voor de Revisor schreef, verhuisde naar IJsland. Daar leeft en schrijft ze, tien afleveringen Winter-IJsland op Revisor.nl. Lees alle afleveringen: ééntweedrieviervijfzeszevenachtnegen en tien. En nog steeds. Ter voorbereiding op een bundel die in april 2016 zal verschijnen bij Uitgeverij Querido vervolgt ze nu met Zomer-IJsland: afleveringen één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen en tien.