‘Wij zwegen.’ In het openingsverhaal van dit nummer, van de Chileens-Amerikaanse schrijver Ariel Dorfman, is het zonnig ‘alsof de winter nooit zou komen, alsof er nooit honden zouden blaffen naar voorbijdenderende tanks’, en gaat een klas in verzet. Dorfmans verhaal en het daaropvolgende, van debutant Florimond Wassenaar, lijken paradoxaal genoeg te stellen dat zwijgen effectief is. Hun engagement is universeel, maar actueler en indringender dan het intiemere, persoonlijker engagement van de andere schrijvers in dit nummer. Vaak gaan deze verhalen om een jongen en een meisje, hun geheimen en de buitenwereld die inbreekt – en hen breekt. Slechts een enkele keer, zoals in Richard de Nooys afsluitende, en online voortgezette bijdrage, slagen ze erin hun dromen intact te houden. Maar telkens verrassen ze, door wreedheid of tederheid – of omstandigheden. Zoals, terzijde, onze auteurs ons verrasten: Wassenaar, Spaans, Kegel, Meijen, Van der Heiden, Neylen hebben nog geen boek gepubliceerd. Dit nummer is een van hun eerste, veelbelovende stappen.

Zij zwegen niet. Want dit zijn de omstandigheden: het is winter, maar er zijn geen tanks. Dorfman trok 16 december in The New York Times de parallel tussen de Russische hacks ten faveure van Trump en de inmenging van de cia in Chili, 1970. Zo ver is het nog niet. Duitsland, Frankrijk, Nederland zijn nog niet om, er zijn nog wetten, bezwaren. En zwijgen is het antwoord niet, de paradox is dat juist het schrijven werkt en het spreken, dat de lessen van de verdwenen docent Garciá werken. Dorfmans verhaal is een handreiking voor verzet, een ode aan een leraar, en een pleidooi voor standvastigheid en gezamenlijkheid. En de vorm is de inhoud: een wij-perspectief en de herhaling: ‘Wij bleven zwijgen.’

Vandaag meldde Uitgeverij Querido dat Robert Anker op zeventigjarige leeftijd overleden is. Anker debuteerde in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, maar zijn eerste publicatie was in 1977 in De Revisor. In de jaren daarna droeg hij regelmatig bij. Vanaf medio jaren tachtig werd Tirade zijn vaste podium, en daar werd hij ook redacteur. We gedenken een origineel, geëngageerd en goed schrijver, en herlezen – bijvoorbeeld op de DBNL, waar al zijn tijdschriftbijdragen te vinden zijn.

Er lopen wolven door mijn huis. Ik hoor de deur piepen, de trap kraken. Ik hoor hun poten op de vloer tikken. Beeld ik me dingen in? Nee. Er is heel wat nodig op me op de kast te krijgen. Is er een kans dat er daadwerkelijk wolven door mijn huis lopen?  Ja. Die kans is groot.

Al dagen dwalen er wolven door de wijk. Niet twee of drie. Een roedel. In de krant staat een foto van een wolf die voor mijn huis een driewieler besnuffelt. Twee straten verderop heeft een wolf een oude man in zijn kuit gebeten. Mijn katten zijn al dagen niet meer thuisgekomen. De wijk is bang. Zodra het begint te schemeren, lopen buurtbewoners met zaklampen over straat. Een paar keer per nacht dringt zo’n lichtbundel mijn kamer binnen.
Hoe lang hoor ik al geluiden? Het is drie uur en ik lig als een koelkastmagneetje op bed. Mijn spieren spannen zich stuk voor stuk aan. Beneden klinkt chipszakgeritsel. Even is het stil. Dan maakt het piepen kraken ritselen plaats voor een ander, bekender geluid. Pianoklanken. Op een onregelmatig tempo, als water uit een slecht dichtgedraaide kraan, druppelen de tonen mijn oren binnen. Na een uitgesponnen intro komen er meer instrumenten bij: een saxofoon, een contrabas. Ik stap uit bed, druk mijn rechteroor tegen de vloer en constateer dat het geluid van beneden komt. In die houding word ik me bewust van de situatie. Er lopen wolven door mijn huis. En die wolven houden, blijkbaar, van mooie, kalme jazz.
Omdat ik te nieuwsgierig ben geworden om weer in bed te gaan liggen, sluip ik op mijn sokken naar de slaapkamerdeur. Ik draai het slot eraf, leg mijn hand op de koude, metalen klink en trek de deur een paar centimeter naar me toe. Ik doe het voorzichtig, me voorbereidend op het moment dat ik de deur tegen de snuit van een wolf moet smijten. In de overloop zwelt de muziek aan. Gelukkig zijn de wolven niet naar de eerste verdieping gelopen. Bovenaan de trap blijf ik stilstaan. Ik ga op mijn buik liggen en kijk door een kier tussen de ballusters naar de woonkamer. Zo lag ik ook toen ik vroeger, na bedtijd, mijn ouders bespiedde. Steeds hoopte ik iets te ontdekken wat ze in mijn bijzijn verborgen hielden en steeds ging ik na vijf minuten weer in bed liggen, omdat ze, naast zwijgzaam televisie kijken, niets bijzonders deden. Nu is het anders. Wat ik zie is zo mooi, zo bijzonder, dat de angst plaatsmaakt voor verwondering. Het voelt alsof er om mijn buik een touw zit waar de wolven aan trekken. Weerloos daal ik de trap af.
Onderaan de trap voel ik me veiliger dan ik me bovenaan de trap voelde. Een saxofoonsolo verwarmt de woonkamer. De wolven staan oog in oog tegenover elkaar, op hun achterpoten. Ze zien me niet. Beter gezegd: ze schenken geen aandacht aan mijn aanwezigheid. Met hun voorpoten houden ze elkaar staande. Ze bewegen hun onderlijf. De een begraaft zijn kop in de hals van de ander. Ik neem het waar en sla het op: hun golvende haren, de manier waarop ze elkaar overeind houden, willekeurig naar links en rechts bewegen, onhandig dansen. Prachtige sneeuwwitte halzen.
Ik ga op de vloer zitten, in kleermakerszit. Nooit eerder had ik zo weinig behoefte iets te verklaren. Laat het maar zo zijn, dacht ik. Laat het maar voor altijd zijn wat het nu is.
Op dat moment klinkt er getik. Iemand staat voor de deur. Waarschijnlijk een politieman. Om zijn vinger moet een ring zitten. Als een kogel schiet een bundel licht door het groene deurglas. En daarna nog een, en nog een. Dat licht zoveel kabaal kan maken.
De wolven, helemaal wit nu, dansen onwankelbaar door. Dit is waarschijnlijk het laatste moment dat ze vrij kunnen bewegen, de laatste keer dat ik zoiets bijzonders zie. Ze boezemen me geen angst meer in. Meer vrees ik voor de mannen die voor de deur staan. Ze hebben geen idee. De vredige dans, de jazzmuziek. Wie buiten staat, zal nooit geloven hoe mooi het binnen is.
Het licht doorboort nu ook het keukenraam. Ik loop naar de gang met mijn handen voor mijn ogen. Zoveel licht. De wanden en de meubels en de wolven. Alles glanst als zilverfolie.
Als een bejaarde, bang voor overvallers, blijf ik een paar seconde voor de deur staan. De lichten doven. Iemand drukt zijn voorhoofd tegen het glas.
‘Goedenavond, meneer. Kunt u de deur voor me openen?’
Ik open de deur.
‘En kan de deur ook verder open?’
De deur kan verder open.
‘Dank je wel. Ik zal me even voorstellen.’
De man reikt me zijn rechterhand aan.
‘Johan, wijkagent. Mag ik vragen waarom u op dit tijdstip nog muziek luistert?’
Vluchtig, bijna onmerkbaar, werpt de man een blik op de woonkamer. Ik draai mijn hoofd als een uil die een onverwacht geluid hoort.
‘Muziek?’
‘We hebben klachten ontvangen.’
Opnieuw kijkt de wijkagent over mijn schouder naar de woonkamer. Ik weet niet wat hij heeft gezien, maar er verandert iets in zijn blik. Tussen zijn ogen tekenen zich twee plooien af.
‘Luister, meneer. Kunt u rustig met me naar buiten lopen? Ik vraag dit voor uw eigen veiligheid.’
In de tuin maakt de man een gebaar naar zijn collega’s. Als een zwerm wespen vliegen ze voorbij. Aan de andere kant van de voortuin is de buurman het tafereel aan het bekijken. Sigaret in de hand, badjas aan. De politieman opent het portier en gebiedt me in te stappen. Ik weiger en vraag wat er met de wolven gaat gebeuren.
‘Daar kan ik op dit moment niets over zeggen.’
‘Maar u bent toch de wijkagent?’
‘Dat klopt, maar dat betekent niet dat ik elke week een wolf vang. Kom, stap de wagen in. Ik ben zo bij je terug.’
Minutenlang blijf ik op de achterbank zitten. Door de condens op de ramen zie ik alleen wat lichten en bewegende contouren. Het is koud in de auto. Te koud om zo lang te moeten wachten. Als ze me nog tien minuten laten zitten, loop ik terug naar binnen.
En ze laten me tien minuten zitten. Ik stap uit de auto en ruik de frisse najaarslucht. Waar is iedereen? Voor mijn voeten blaast de sigaret van de buurman zijn laatste adem uit. De blauwe ochtend neemt een hijs en zuigt het laatste wolkje rook in zich op. De muziek blijft doorgaan. Via de openstaande voordeur waaien de klanken naar buiten. Jazzmuziek. Herhalend. Bezwerend. Alsof geen mens, natuurwet of god het geluid kan stoppen. Behoedzaam loop ik naar mijn eigen huis.
Eenmaal binnen, in de gang, ontdek ik wat er aan de hand is. Er zijn geen doden gevallen. Niemand is gewond geraakt. In de maanverlichte kamer heeft zich een kring gevormd. Een grote zilveren armband. De politiemannen zwijgen. Vervoeren zich niet. Aanschouwen de wolven met glimmende ogen. Ik voeg me bij de groep en kijk de mensen vragend aan. Voordat er een woord uit mijn mond valt, legt de buurman zijn wijsvinger op mijn lippen. Stil maar, kijk maar.

2016 was het jaar waarin ik erachter kwam dat pissebedden geen longen hebben maar kieuwen, dat er raadsels bestaan die opgelost kunnen worden en dat je nog zo goed jezelf vorm kunt geven, maar er altijd wel een moment komt dat de dag geen maatpak blijkt te zijn en hij je niet past, want wat je straalt, dat draag je. Ik zit in de trein en denk terug aan het afgelopen jaar waarin ik onder andere nieuwe verhalen en gedichten schreef voor tijdschriften, door de Volkskrant uitgeroepen werd tot literair talent van het jaar, de C.Buddingh’-prijs won met Kalfsvlies, de Saint Amour-tour mocht meemaken en een groot deel van mijn debuutroman afschreef. Kortstondig geluk dat ik alleen op de momenten zelf ervoer, of als een presentator het nog eens benoemde als hij mijn optreden aankondigde. Maar zoals de pissebed continu transpireert om vochtig te blijven en niet dood te gaan, zo werkt het met geluk: we moeten het zelf maken. Zodra ik mijn pak uitdeed of mijn opkomst weg was geapplaudisseerd, was ik het weer vergeten.

Ik moest verder, de lat hoger. In de psychologie heet dat zelf- en objectconstantie. Een baby denkt dat als zijn moeder of vader de deur uitgaat, dat ze niet meer bestaan. Wanneer ze weer terugkomen, herleeft de persoon. Het gebeurt ook met voorwerpen: als je speelgoed verstopt denken ze dat het er niet meer is, ze gaan er niet naar zoeken. Zodra ik mijn bordeauxrode pak uitdoe, is de schrijver verdwenen en wanneer ik mijn pak aantrek, ben ik weg, als bij een goed uitgevoerde verdwijntruc, alleen maakt het hier de goochelaar minderwaardig. Dit voel ik al mijn hele leven zo: mensen en ruimtes bestaan niet meer als ze uit het zicht zijn. Wanneer ik mezelf verlies, of de schrijver, lijken ze er ook nooit te zijn geweest. Baby’s leren op een gegeven moment objectconstantie. Als vader en moeder de deur uitgaan, keren ze gewoon weer terug, ze kunnen boos worden maar dat betekent niet dat ze je niet graag meer zien en dat speelgoed niet weg is, maar op een andere plek. Ik denk aan de avonden op de boerderij van mijn ouders toen ze naar kennissen in het dorp gingen. Ik was een jaar of negen – mijn slaapkamer zat aan de kant van de kiezelstenen, de oprijlaan – en lag naar het plafond te staren, terwijl ik dacht hoe ik me als wees zou gaan redden, wat ik de juf over hun doodsoorzaak zou vertellen, en duwde mijn hoofd in mijn kussen: als de tandenfee me zou bezoeken dan zou ik haar platdrukken, dan moest ze blijven en kon ik nieuwe ouders wensen. Ik werd wakker met rode ogen en stond op om mijn eerste dag als wees te beginnen. Ik was mijn verdriet vergeten zoals ik mijn vader en moeder kwijt was. Toen ik aan het ontbijt ging zitten en mijn moeder zoals gewoonlijk de kaasschaaf hanteerde – zij schaafde als enige niet de dun en niet te dik – waren ze weer tot leven gewekt. Bij zelfconstantie gaat het erom dat je een constant beeld van jezelf vast kunt houden, dat niet beïnvloed wordt door anderen. Nu vraag ik mij of dit ervoor gezorgd heeft dat ik schrijver werd, omdat dat de enige manier was om alles bij me te houden wat ik anders voor doodverklaarde. Zo raak ik niets aan in mijn kamer, ik zit nooit op de bank, de bank zit er zelf, als een onuitgenodigde gast. Alles wat ik ooit heb gekocht, is bij het verlaten van mijn studentenhuis, niet meer van mij. Dat wat uit het zicht is geraakt is uitgezwaaid. Als ik niet blijf presteren, als ik niet gezien word, ben ik geen schrijver meer. Presteren is ‘zijn’.

Zo voor het einde van het jaar probeer ik als mijn vader, die in de laatste week van december vooral terugkijkt op de struikelpartijen in het gezin en ze met rode pen noteert in rapporttaal, alsof hij weer even de meester is, terug te blikken op alles wat er afgelopen jaar is gebeurd, zowel privé als in het schrijven. Die twee zijn haast niet los van elkaar te zien. Even lijk ik dan ook uiteen te vallen. Zonder het pak van de schrijver, ben ik als een pissebed in zijn proces van vervellen: kwetsbaar en bang om vertrapt te worden. Alles wat ik het afgelopen jaar heb bereikt, maken mij wie ik ben. En wat daarvan wordt gevonden, dat vormt mijn eigenwaarde. Dit is het besef: ik schrijf mezelf een bestaansrecht toe en iedereen kan mij ongenuanceerd recenseren. Zo graag als dat ik ooit Jan Wolkers wilde worden, zo graag wil ik nu mezelf zijn. Iedere dag raak ik het leven als speelgoed kwijt en kan me niet voorstellen dat het gewoon verplaatst is, dat alles wat bereikt is, niet weg is en dat er om de hoek van de straat, weer een nieuwe straat is: Mensen verdwijnen niet zomaar uit het zicht.

Als ik de trein uitstap zie ik bij station Utrecht de vaste muzikant staan, gehuld in een wollig winterjack. Hij herhaalt al jaren iedere dag hetzelfde nummer: ‘Old Man’ van Neil Young. Ondertussen is de man zelf ook ouder geworden, zijn haren grijzer, de gitaarhoes die voor hem op de grond ligt is versleten. Er liggen een paar euro’s en wat centen in. Hij herhaalt iedere dag zijn kunstje, maar zet steeds met dezelfde overtuiging zijn lied in. I need someone to love me the whole day trough. Hij zingt het nummer prachtig, waarom zou hij dan ook iets anders zingen? Niet voor zijn publiek, dat is altijd gehaast en weinig aandachtig – en toch neemt hij er genoegen mee. Even voel ik me samenvallen met deze man die met halve vingerwanten gitaar speelt. Het doet ook pijn, maar dat is een echt gevoel en dat zegt meer over mij dan over het maatpak dat altijd in de juiste rol over een hangertje hangt, het theater keurig gestreken met de split opengeknipt voor wat bewegingsruimte, maar nooit te veel. Ik veeg mijn tranen af met een servetje van de oliebollenkraam op de hoek. Het is goed dat ik huil, te veel ingehouden tranen is als een regenmeter in de achtertuin die nooit geleegd wordt: op een gegeven moment weet je niet meer welke buien er nu nog wel of niet toedoen en komt alles bij elkaar. Ik weet ook dat ik deze pijn zal vergeten en dat het de volgende keer zich als nieuw aandient, dat ik samenvallen met de muzikant niet kan vasthouden net als de structuur van het servetje, maar één ding heb ik wel geleerd: fantaseren. Ik klamp me daaraan vast, als de man in de oliebollenkraam aan zijn frituurtang. Fantasie is de tandenfee die op bezoekt komt als je er zelf in gelooft. En misschien vergeet de muzikant wel dat hij iedere keer het lied herhaalt, of herhaalt hij het om het niet te vergeten, wordt hij het daarom nooit zat. Ik weet niet waar hij het voor doet. Of hij een hond heeft of een zieke vrouw waar hij voor moet zorgen of torenhoge schulden of staat hij er omdat hij daar wil staan?

Ik weet alleen dat ik hem koester daar naast de vuilnisbak, ik mis hem als hij er niet staat en hoop dat er op een dag ook zo’n plek voor mij is, waar ik ook zonder pantser mag zijn en er sta omdat ik het kan, omdat ik datgene bij me kan houden wat me lief is, zelfs als het even niet in beeld is, dat ik mezelf in beeld kan houden zonder een publiek. Ik luister naar zijn lied, alsof ik het nog niet eerder heb gehoord. Ik ben als hem. Vijfentwintig jaar en er is zoveel meer.

David Bowie, Huub van der Lubbe: de redactie las liedteksten bij gelegenheid van het verschijnen van Jan van Mersbergens essay ‘En als zij dan leest hoeveel ik van haar hou’. Over grote woorden, verrassende beelden en vooruitziende blikken.

*

Thomas Heerma van Voss: David Bowie, ‘I Can’t Give Everything Away’

Er zijn momenten waarop ik me een stuk liever bezighoud met muziek dan met literatuur. Bijvoorbeeld bij het maken van eindejaarlijstjes: ik kan best tot een boeken top 10 uit 2016 komen, maar ik heb altijd het idee dat dat een tikje willekeurig is, want ik lees vooral boeken die al eerder zijn verschenen (zie nagenoeg alle edities van deze rubriek) en sla zelfs van de nieuwe boeken die ik wil lezen een groot deel uiteindelijk over, gewoon omdat ik er geen tijd voor heb of in elk geval – Emma Cline’s The Girls ligt nog steeds op mijn nachtkastje, ECI-prijswinnaar Michael Driessen moet ik zelfs nog steeds aanschaffen. Hoe anders is dat bij muziek: ik heb het gevoel dat ik de belangrijkste albums van 2016 allemaal beluisterd heb, dat ik dat landschap overzie – een aangenaam gevoel. En in dat landschap was er een onmiskenbare uitblinker, een verkapt monument voor de dood dat tegelijkertijd een prachtige levenslust toont: David Bowie’s Blackstar.

Het slotnummer van de plaat is misschien wel het meest exemplarisch voor die combinatie: de muziek heeft met zijn vlugge drums, snerpende synthesizerstonen iets bijzonder vitaals, de tekst laat zich lezen als een naargeestig gedicht. Het openingscouplet:

I know something is very wrong
The pulse returns the prodigal sons
The blackout hearts, the flowered news
With skull designs upon my shoes

Was het werkelijk een gedicht geweest, had ik het intrigerend gevonden, maar wel erg expliciet zwaar: ‘prodigal sons’, ‘blackout hearts’, ‘skull designs’, kan dat een onsje minder? Maar zoals bekend gelden er andere wetten wanneer woorden alleen worden uitgesproken, in dit geval door de zachtzoekende stem van Bowie, die de woorden precies een goeie nadruk meegeeft en ze niet te zwaar uitsmeert. Vervolgens komt het refrein, de herhaalde zin: ‘I can’t give everything. Away.’ (Die punt is bedoeld, de ‘y’ is langgerekt.) Een prachtige zin, juist omdat de betekenis niet helemaal duidelijk is: waar gaat het nu over? Over het lichaam dat hij aan het achterlaten is? Over zijn muzikale nalatenschap? (Het zal geen toeval zijn dat in de muziek van het nummer ook muziekflarden van Bowie’s oude ‘A New Career in a New Town’ zijn verwerkt, een nummer van eind jaren zeventig.) Meer en meer neemt het nummer, terwijl de productie in onverminderd tempo doorgaat, de gedaante aan van een zwanenzang:

Seeing more and feeling less
Saying no but meaning yes
This is all I ever meant
That’s the message that I sent

En het laatste couplet begin met de zin: ‘I know something is very wrong.’ Wat, dat explicieert Bowie niet. Dit nummer gaat ook niet over de dood, die op het hele album Blackstar meespeelt, die in ieder nummer zijdelings naar voren komt, maar nergens een hoofdrol krijgt; Bowie gebruikt de dood juist om naar zichzelf te kijken, naar het leven, naar wat hij heeft dertig jaar lang heeft gedaan – en hij doet dat op zo’n levenslustige, niet sentimentele wijze dat dit album de persoonlijke tragedie ver ontstijgt. Er zijn de afgelopen jaren genoeg mensen publiekelijk gestorven: ze hebben het aangezicht van de naderende dood gebruikt voor hun werk – denk aan Pieter Steinz, die er prachtige stukken aan wijdde. David Bowie wist ook dat zijn dood kwam en besloot dit niet te benoemen, maar het veranderde zijn werk ingrijpend, tot een gedaante die zo krachtig werd dat die ook volgend jaar nog zal nadreunen.

Blackstar werd uitgegeven door Columbia. Hij is bijvoorbeeld bij Concerto/Plato te koop.

Daan Stoffelsen: Huub van der Lubbe, ‘Melkboer met de blues’

Ik hoorde De Dijk voor het eerst op het Sportveld tijdens Koninginnedag. Sindsdien volg ik ze. In Den Bosch signeerde Huub van der Lubbe zijn bundel Melkboer met de blues, jaren later gaf ik hem de hand in zijn eigen huis (ik ging jureren, hij vertrok). We spreken de teksten van ‘Onderuit’ (‘je vangt me op / ze gooit me terug / en langzaam langzaam gaan we // onderuit / dood in haar armen / doodgaan en opstaan / in een t-shirt van haar’) en ‘Mag het licht uit’ (‘te veel mensen / te veel zinnen / te veel woorden / voor een mens alleen // mag het licht uit / mag het licht uit / mag het licht uit / als ik je in mijn armen sluit’) regelmatig tegen elkaar uit. Maar liedteksten lezen?

De beste schrijvers herhalen frases en woorden, ze variëren, ze rijmen. De beste liedschrijvers doen dat ook, maar veel, veel meer, couplet refrein, en ze weten niet altijd de gemeenplaatsen te vermijden. In ‘Onderuit’ staat er na het weinig indrukwekkende ‘haar lichaam groot / haar lippen rood’ de oorspronkelijke combinatie ‘ik maak mijn tiende whisky uit’, en een dichter zou niet achtmaal het woord ‘dood’ gebruiken op een kleine honderd woorden. Een tekstdichter juist wel. En het gebruik van grote woorden, expliciete frases – dat hoeft van mij niet. Of, zoals Huub van der Lubbe zingt: ‘Woorden zijn een zeldzaam iets / wie te veel zegt / zegt niets.’
Persoonlijke waarheid en literaire schoonheid vallen zelden samen.

Genoeg gezeurd. Dit is ‘Melkboer met de blues’, een van die liedjes die goed te lezen zijn, maar op muziek tegenvallen. (Het grote voorbeeld daarvan is Raymond van het Groenewouds traag uitgevoerde goede grap ‘Arme Penis’: ‘Van jongs af aan gevangen in het donker / Weggedrukt in onze maatschappij / Weggedrukt, onmondig en verwrongen / Is er iemand weerlozer dan hij […] Het is een triest verhaal dat vrijwel algemeen is / Arme penis.’) Van der Lubbes tekst vertelt het verhaal van een piekerende melkboer.

– is dit 92? vroeg de melkboer aan de vrouw
– dit is 35 melkman hoe heb ik het nou?
ik loop nog in mijn duster, wat bent u vroeg vandaag
– dat is voor u een weet mevrouw voor mij is dat de vraag
zullen niet de eerste nu straks de laatste zijn?
– melkman alles goed met u of heeft u ergens pijn?
– de pijn is overal mevrouw en veel erger dan bij mij
het rommelt in de verte en het komt alsmaar dichterbij

De stapeling van spreektalige gemeenplaatsen van de vrouw, en het contrast met de filosofische wartaal van de melkboer, de humor (ook in 1992 droeg men geen dusters meer, en de buurman komt thuis, en ‘hij gaf zijn vrouw een ros, de melkboer kreeg een lel’, dat is een heel fijne variatie met subtiele assonantie), en vooral die elk couplet herhaalde apocalyptische slotzin maken deze tekst sterk. En nog steeds actueel, dit is 16 melkman maar het klopt nog steeds: ‘Het is die hebzucht van het westen, je schaamt je voor je kleur / en ik ga met de welvaart in mijn melkkar langs de deur / het komt op het nieuws, staat in de krant, maar niemand heeft het door.’

De maatschappij in een melkkar gevat, misschien is het geen poëzie, maar het is wel raak.

‘Melkboer met de blues’ stond op Zeven levens en de singel Zoals nog nooit (2002). Nijgh & Van Ditmar gaf Melkboer met de blues uit, het is ruim beschikbaar op Boekwinkeltjes.nl.

Anke Cuijpers studeerde aan de Schrijversvakschool in Amsterdam en schreef voor de Poëziekrant. In 2015 publiceerden we haar verhaal ‘Het meisje dat niet dansen wou’. Ze schrijft een roman. Vandaag publiceren we twee gedichten van haar: ‘Schuilen’ en ‘Een dag in het jenevermuseum’.

*

Schuilen

er zijn ogenblikken dat ik op een donderdag in Parijs wil zijn
maar alleen de dagen dat het regent
de dagen dat Vallejo met een stokbrood daar de dood
ging halen en niet vond
de dood die zo veel honger later kwam
er zijn woorden die voor altijd uit een mouw verdwijnen
waar geen oprollen tegen helpt, woorden die mijn kikker zong
kaal en gehurkt naast de put die vroeger het zwembad was,
te klein voor welke slag dan ook
er is geen bal, we lezen een gedicht, we missen de liefde, het aanhalige
soms denk ik aan de oorlog, hoe mijn vader zei dat ze toen tussen koeien
schuilen moesten, sommigen in het gangpad, tussen de poten, onder de
uiers, onder hun staarten, veel plek was er niet, maar dat de slechtste plek
nooit voor kinderen was

Een dag in het jenevermuseum

zelfs nadat ik op weg was gegaan en vergat af te sluiten
mijn sleutel een werkeloos ding, de deur een gapende wond
behield het huis zijn adem,

ik kwam terug en het wachtte op me als een hongerig dier

had ik gehoopt op sporen van inbraak, verdwenen spullen en angst
de zweterige lucht van in haast doorzochte kasten
was ik begerig naar iemand die nam

wie echt liefheeft graaft in elkaars begeerte, er is geen surplus
niets dat bij verhuizen vergeten kan worden, niemand die ooit
zijn zere voeten vergat op de trap, maar hier was ik en

het wachtte op me als een hongerig dier, elke klink en lade
zag er verlaten uit, alsof iemand verdwenen was, weg was gegaan
de metafoor van de oude jas was ondoenlijk, ik droeg hem

in het jenevermuseum terwijl ik zocht naar wat verteld kon worden
en ik fietste naar huis door een onweer, alles wat gezegd werd die dag
was van meet af aan van ons, alles flonkerde door het glas

het licht dat er naar binnen viel terwijl buiten een man zijn hond
uit liet of hoe ik jou bewegen zag, alles was mooi en intact zoals het hoort
op zo’n dag

Bij mijn ouders woonden twee grote schrijvers om de hoek. Althans, twee succesvolle schrijvers – die adjectieven gebruikten ze nog weleens door elkaar, wanneer ze bij fietstochtjes door de buurt wezen op de huizen van die twee: statige, naast elkaar gelegen herenhuizen in de Johannes Verhulststraat. De ene auteur zag ik weleens op televisie – en in zijn geval ken ik tot vandaag de dag nog steeds meer de mediapersoonlijkheid dan zijn werk; de andere schrijver kende ik niet eens van gezicht. Hij scheen vrijwel permanent binnen te zitten, achter zijn typemachine, met een immer uitdijende stapel lopende projecten op zijn bureau. Hij schreef dan ook niet zomaar losse boeken, hij schreef een oeuvre, nee, meer nog, hij creëerde een volwaardig universum op papier, een wereld van romancyclussen waarin waargebeurde gebeurtenissen een net iets andere gedaante kregen, een andere context – een wereld waarin gefilosofeerd werd over en zelfs geëxperimenteerd met de tijd, met logica.
Die grootse inzet van Adri van der Heijdens oeuvre stond me aanvankelijk tegen. Op de middelbare school liet ik zijn boeken links liggen, tijdens mijn studie keek ik er amper naar om. Ik was zowel bang iets niet te begrijpen als te weinig tijd over te houden voor andermans boeken. Wat al te graag had ik toen het indringende essay gelezen dat Jamal Ouariachi schreef over Het Onmogelijke in Van der Heijdens werk; over zijn eindeloze ambitie en waarom dat hem nu juist zo charmant maakt; over hoe uitnodigend onbegrensdheid kan werken. Nu pas zie ik hoeveel krachtiger sommige van Van der Heijdens boeken worden wanneer men ze als geheel beschouwt, als verzameling verslagen van een zoektocht naar een antwoord op onbeantwoordbare vraagstukken. En wat te denken van onze redacteur als lezer van dit nummer: Daan Stoffelsen, die met een vergrootglas kijkt naar enkele passages uit Advocaat van de hanen, nagaat hoe ze vanaf hun oorspronkelijke versie veranderd zijn voor ze in de roman terechtkwamen, en zo, hoe kan het ook anders, bijzonder veel onthult over Van der Heijdens schrijverschap, zijn werkwijze, de thematiek die hij wil benadrukken of juist probeert te camoufleren.

Met eenzelfde belangstelling las ik het fictieverhaal van Wytske Versteeg: weloverwogen, scherp, en met soms letterlijk de taal van Van der Heijden erin verweven, die daardoor alleen maar aanspoort meer van hem te gaan lezen, al was het maar om na te gaan in welke context Versteegs citaten oorspronkelijk stonden. Ook bijzonder: het komische, compacte verhaal van Christiaan Weijts, die voor de gelegenheid geheel in de stijl van Van der Heijden is gaan schrijven en hem, zo blijkt gaandeweg, zelfs als personage opvoert.
Deze speciale Revisor staat vol met stukken zoals de hierboven genoemde: nu eens fictie, dan weer non-fictie; het ene moment expliciet over Van der Heijden, het volgende slechts verhuld. En allemaal geschreven door auteurs die begonnen zijn met schrijven toen Van der Heijden al bezig was – twintigers, dertigers, veertigers en vijftigers van nu, die stuk voor stuk zijn opgegroeid toen Van der Heijden al (tot op zekere hoogte) bij de gevestigde orde hoorde. En tussen dit alles, als bindend element, staat een romanfragment van Van der Heijden zelf, uit zijn aankomende De tandeloze tijd 7.
Een romanwereld als die van Van der Heijden is niet in definitieve vorm vast te leggen, in elk geval nog niet, maar met dit nummer hopen we zijn immer uitdijende universum enigszins te kunnen vatten – een samenvatting, een handleiding en een eerbetoon ineen.
De schrijver die ik vooral van televisie kende is overigens verhuisd, weg uit de buurt van mijn ouders. Van der Heijden zit er nog. Ik fiets weleens langs zijn voordeur, maar zie hem nooit. Hij zit natuurlijk achter zijn typemachine. Zijn wereld is nog lang niet af.

Thomas Heerma van Voss
Namens de redactie

Julian Barnes, A. Igoni Barrett, Auke Hulst, James Salter, Nescio, Chimamanda Ngozi Adichie. De redactie las, en laveerde tussen herkenning en teleurstelling, en stond stil bij perspectief en pijn.

*

Marjolijn van Heemstra: Julian Barnes, Hoogteverschillen

Vijftien jaar geleden las ik Een geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk en werd Julian Barnes een van mijn literaire helden. Zoiets gaat natuurlijk altijd een keer mis. In het geval van Barnes duurde dat nog verrassend lang. Tot begin van dit jaar om precies te zijn, toen zijn laatste boek verscheen: Het tumult van de tijd, een fictionele biografie van Dmitri Sjostakovitsj die Barnes’ ‘meest diepgaande werk tot nu toe’ zou zijn. Ik vond het zijn minst interessante, meest oppervlakkige boek. Misschien had het te maken met de vorm. Het waanzinnige leven van een figuur als Sjostakovitsj heeft geen fictie nodig, en als je dat er per se van wilt maken dan moet die fictie iets toevoegen wat ver boven de realiteit uitstijgt en er op die manier een laag aan toevoegt.
Dat deed Barnes niet.

” “

Alles wat hij over Sjostakovitsj schrijft is precies wat je verwacht dat de componist gedacht of gevoeld heeft, alleen had ik dat liever in een echte biografie gelezen zodat ik me niet de hele tijd hoefde af te vragen waar nou precies de scheidslijn lag tussen fictie en realiteit. Ik dacht tijdens het lezen aan de fantastische documentaire Shostakovich Against Stalin: The War Symphonies, waarin de worstelingen en verlangens van de componist zo scherp zijn vastgelegd dat ik er twee dagen lang van ondersteboven was. ‘Het tumult van de tijd’ voelde als de karaoke versie van die film.

Vijf sterren in de Volkskrant, het zal wel; Barnes kan beter. Gelukkig lees ik deze week Hoogteverschillen (vertaling Ronald Vlek), het kleine boek dat hij drie jaar voor Het tumult van de tijd uitbracht. Het kreeg een stuk minder aandacht en dat is onterecht, het is prachtig. In een vloeiende vertelling vermengt de schrijver de geschiedenis van de ballonvaart met de opkomst van de fotografie en het verlies van zijn vrouw. Alleen een echt goede schrijver kan zulke uiteenlopende thema’s zo vanzelfsprekend verweven. Ik heb het bijna uit, dit is de voorlopig laatste zin die ik las:

‘Je voegt twee mensen samen die nog niet eerder zijn samengevoegd. Soms is dat zoiets als die eerste poging om een heteluchtballon op te tuigen met een waterstofballon: geeft u de voorkeur aan neerstorten of verbranden, of aan verbranden en neerstorten? Maar soms lukt het, wordt er iets nieuws gemaakt en is de wereld veranderd.’

En ik heb Barnes weer teruggevonden.

Uitgeverij Atlas Contact gaf Hoogteverschillen uit. Het is nog goed leverbaar.

Thomas Heerma van Voss: A. Igoni Barrett, Blackass

Onlangs zag ik Trading Places (1983) opnieuw, een van mijn favoriete films toen ik jong was en mede daardoor vind ik hem nog steeds onovertroffen. Eddie Murphy als hand ophoudende, zich door het leven liegende dakloze; Dan Ackroyd als zijn absolute tegenpool: blank, succesvol, alles goed geregeld. Door een weddenschap waarvan Ackroyd noch Murphy op de hoogte zijn, wisselen de twee van levens: plotseling vervalt Ackroyd in hevige armoede, terwijl Murphy juist een aanzienlijke zakenman wordt. Wat me opviel nu ik de film voor de zoveelste keer keek- ik gok dat ik hem zeker twintig keer heb gezien – is het onvervalste racisme dat in sommige scènes zit. ‘He’s a negro,’ verzucht een oude heer na een tijdje over Eddie Murphy, ter verklaring waarom hij niet echt zal slagen, en wanneer Eddie Murphy even later neuriet, knik diezelfde heer begripvol en zegt iets als: ze zijn altijd ritmisch.

Na afloop bleef ik voortdurend aan die zinnen denken – niet zozeer omdat ze weer zo vers in mijn hoofd zaten, maar vooral omdat ik, stom toevallig vlak nadat ik de film had gezien, voor De Groene begon in A. Igoni Barretts Blackass. De roman leek wel een bewerking van Trading Places. Ook hier gaat het om het verschil tussen een zwarte en witte huidskleur, ook hier gaat het om iemand die van de ene dag op de andere – na een leven vol armoede en tegenslag – plots succesvol wordt. Maar hier komt dat niet doordat twee personen van leven wisselen, het komt doordat één iemand zelf verandert: de 33-jarige Nigeriaan Furo Wariboko wordt op een dag wakker en is ineens blank.

Trading Places meets Kafka, dus eigenlijk – zeker in de eerste hoofdstukken is Die Verwandlung steeds dichtbij. Barrett loodst mij die hoofdstukken soepeltjes door, hij schrijft behendig, doelgericht, met veel oog voor scènes en prettige zinnen – ik ging makkelijk mee in het verhaal van die Wariboko, ondanks het ongeloofwaardige startpunt (maar zoals bekend: wanneer je een verhaal ongeloofwaardig begint, haken de lezers niet af), en ondanks het feit dat er eigenlijk niet veel verrassends gebeurt. In het begin niet, in het midden niet, in het einde niet. Dat is ook meteen het voornaamste bezwaar bij deze roman. Mijn meer afgeronde, voltooide gedachten moet ik nog formuleren – en zullen in De Groene belanden – maar voor een roman waarin zo expliciet gespeeld wordt met hoe we de ander zien, met het verschil tussen zwart en wit, wordt er in Blackass weinig inzichtelijks gezegd: ja, Wariboko wordt ineens een slag succesvoller wanneer hij blank is, ja, in welgestelde blanke kringen wordt anders gesproken dan in vervallen buurten in Lagos.

Het traject is hetzelfde als bij Eddie Murphy in Trading Places, maar daar ging het gepaard met een flinke hoeveelheid geslaagde grappen en schrijnende, racistische opmerkingen die het verhaal diepte gaven. Even moest ik denken aan een recente discussie rondom Karin Amatmoekrim en Abdelkader Benali, een discussie die ik maar vanaf de zijlijn gevolgd heb: over de vraag hoe we de ander in fictie moeten weergeven, of racisme in romans mag. Mijn gedachte is doorgaans: een fictieschrijver moet alles kunnen schrijven, zolang het maar goede romans oplevert. En ik denk dat Blackass een pijnlijker of in elk geval iets minder tam verhaal was geworden als een van de personages maar wat meer hards, discrimerends had gezegd, als Barrett iets meer Trading Places had toegelaten.

Graywolf Press gaf Blackass uit. Op hun site staat een fragment.

Daan Stoffelsen: James Salter, Spel en tijdverdrijf (en Nescio, Het geluk van in Amsterdam te leven, Chimamanda Ngozi Adichie, We moeten allemaal feminist zijn)

Ik las de zetproef van Nescio’s Het geluk van in Amsterdam te leven, een selectie door Lineke Frerichs uit zijn Natuurdagboek die 10 november ter ere van het jubileum van Athenaeum Boekhandel verschijnt. Het was een genoegen om hem weer te lezen, zijn fascinatie voor het water en het licht. Zo is hij 28 juli 1950 op het Centraal Station: ‘Fantastische belichting, zon recht voor de kap, gouden rails etc. Fantastisch uitrijden en twee maal ombuigen van den trein (1e perron).’ En komt hij 2 (‘Gebroken wolkenlucht, fantastische belichting. Later in ¾ donker kopje koffie en fleschje bier op 1e perron.’), 5 en 8 augustus ervoor terug. Nescio’s kracht zit in de herhaling. Meer te zijner tijd.
Ik las ook Chimamanda Ngozi Adichie’s We moeten allemaal feminist zijn (vertaling Hien Montijn), dat me wat teleurstelde. Het is een uitgeschreven speech, en hoewel ik het helemaal eens ben met Adichie’s standpunten (‘Mensen worden niet gevormd door cultuur. Cultuur wordt gevormd door mensen. Als het waar is dat het niet in onze cultuur ligt dat vrouwen volledig mens zijn, dan moeten we dat tot onze cultuur maken.’) en haar voorkeur voor anekdotisch betogen deel (boven het academische: ‘En elke keer dat ik die zogeheten “”klassieke feministische teksten”” onder ogen krijg, verveel ik me en kost het me moeite ze helemaal tot het eind toe te lezen.’), vond ik het literair niet heel interessant. Het klopt retorisch: het is geestig, de voorbeelden zijn treffend, maar ze zijn niet heel erg uitgewerkt. De taal blijft eenvoudig, zijzelf en haar personages krijgen geen gezicht. Als speech is het geweldig, als literaire tekst had dit effectiever kunnen zijn.
Ik las ten slotte, ik begon vorige week al, James Salters Spel en tijdverdrijf uit, in de vertaling van Else Hoog. Jan schreef op Twitter dat hij Alles wat is oubollig en traag vond. Ik kan me er wel iets bij voorstellen, hoewel ik van die roman ook genoot, schoot het niet op. Spel en tijdverdrijf is eerder klassiek dan oubollig: een Amerikaanse jongeman wordt verliefd op een jonger Frans meisje. Hij heeft geen werk, geen wens in Frankrijk te blijven, zij trekt zich aan hem op. Ze hebben geweldige seks. Het andere gegeven, dat dit verhaal interessanter maakt, is dat de verteller een soort obsessie voor het tweetal heeft, en scènes invult waar nodig. ‘Ik kan alleen zeggen dat ik sommige dingen zelf gezien heb en andere heb ontdekt, want tenslotte kan de verminking, de vertraging van zelfs een enkel woord, het bestaan onthullen van iets wat het waard is verborgen te worden, en ik raakte bezeten van het ontdekken, net als de grote detectives. Ik las ieder snippertje papier. Ik merkte ieder detail op.’
Twee bedrijven de liefde. ‘Als ze klaar zijn ligt ze stil en slap, erdoor uitgeput. Ze is nu helemaal van hem, en ze liggen als dronkaards, met hun blote benen over elkaar. In de koude verte beginnen de klokken de duisternis te vullen, zo helder als psalmen.’ (Mooi zo’n beeld dat iets te goed klopt, psalmen en klokken passen bij kerken maar niet op elkaar.)
Drie dromen ervan.
Drie vrezen het einde, en omdat de derde, de verteller, er telkens op zinspeelt, wordt het op meerdere niveaus spannend. Traag is het zeker niet, het jeukt en dampt. En oubollig? Nee. De taal is concreet, met pikken en kutten, met een droom van een auto en talloze kleine Franse steden. Het is een boek dat herlezing en bedevaart opwekt; dat eerste kan alleen maar verrijken, het tweede kan alleen maar teleurstellen. Lezen dus.

Spel en tijdverdrijf is door De Bezige Bij uitgegeven, er staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl. De selectie uit Nescio’s Natuurdagboek verschijnt 10 november bij Nijgh & Van Ditmar, We moeten allemaal feminist zijn is bij De Bezige Bij verschenen.

Jan van Mersbergen: Auke Hulst, En ik herinner me Titus Broederland

Pas net gepresenteerd, ik kreeg het boek een paar dagen later mee na een bezoekje aan de uitgeverij. Nog lang niet uit, slechts in gebladerd. Tijdens dat eerste bladeren vielen me de dialogen op, en de verteller. Die laatste verdwijnt in die dialogen steeds.
Dat heeft – zoals altijd – te maken met perspectief. Als een van de personages in de verleden tijd een verhaal uit de doeken doet, dan wordt het tempo niet bepaald door de gebeurtenissen of de tijd zelf, dan bepaalt de verteller. Dan kan die verteller melden: En toen zei hij dit en toen zei ik dat, en gingen we verder. Zo vertel je een verhaal, tenminste, in ieder geval als je toehoorders wilt. In mijn ogen is het beste referentiekader voor het vertellen van verhalen de bar van de kroeg. Op die plek moet je als verteller aanwezig blijven. Op die plek kun je nooit een derdepersoons-verteller worden.
Ingewikkeld? Valt wel mee.

In de nieuwste roman van Auke Hulst blader ik herhaaldelijk langs dialogen waarbij waarbij de verteller niet aangeeft wie wat zegt, waarbij uitgesproken zinnetjes los op een regel staan, zonder verteller.
Voorbeeld, van bladzijde 122:

Titus had besloten een bordeel binnen te gaan. Ik vroeg hem waarom en hij keek me aan alsof ik achterlijk was.

Mooie zinnen, mooi begin van een verhaal. Duidelijke verteller, duidelijk ander karakter. Het gaat verder:

Een meter of dertig van het bordeel steeg hij af. Hij had mooie laarzen aan, maar het opstuivend zand had ze dof gemaakt. Ik steeg ook af.

Hier gaat de verteller de details aan: stof op laarzen. Dertig meter, dat is erg precies voor iets wat een tijd terug gebeurd is, maar het kan allemaal. Het is de vrijheid en het temporiseren van een ik-verteller. Dan beginnen ze te praten:

‘Zeg eens eerlijk?’ zei hij.
‘Wat?’
‘Jij en dat sproetige wicht…’
Ik schudde nee.
‘Nooit?’
‘Die ene keer was de enige keer dat ik haar heb gesproken.’
‘Je kletst,’ zei Titus. ‘Ik heb jullie vaker samen gezien. Ze leek me de moeilijkste niet. Van lotje, toch?’
Ik zei niks. Hij kletste zelf.
‘Maar je had het zeker gewild.’
‘Kweenie,’ loog ik. ‘Jij dan?’
‘Niet met dat mislukte portret, in elk geval.’ Hij reikte me de teugels van zijn paard. ‘Wacht hier.’

Twee zaken vallen op: de details en de verdwenen verteller.
De handeling (dit gesprek) vond een tijd geleden plaats. Welke verteller weet er achteraf nog exact wat er toen gezegd is? En waarom geen twijfel bij de verteller? Geen enkele keer: ‘Hij zei zoiets als…’ Of: ‘Volgens mij antwoordde hij…’ Of: ‘Ik moet mijn hoofd geschud hebben…’
De verteller moet zelf invulling geven, maar deze verteller is erg zeker van zijn zaak, en hoewel zelfs een onbetrouwbare verteller zeker van zijn woorden moet zijn, is het juist opvallend dat in deze dialoog de verteller niet alleen geen onzekerheid toont, maar ook echt weg is. Het is een derdepersoons-tekst geworden.
Eigenlijk: de verteller is hier dus de schrijver.
Eigenlijk: de schrijver is dominant.
Het is geen probleem dat Hulst niet aangeeft wie wat zegt, dat is in proza gebruikelijk, dat leest makkelijk. Al die toevoegingen van ze die en zei die ander: gewoon weglaten. Maar dat is alleen te doen als de verteller sowieso onzichtbaar is: een derdepersoons verteller die op afstand de gebeurtenissen en hetgeen gezegd wordt registreert en verwoord, als een camera.
De ‘ik’ van Hulst komt alleen even aanvullen dat hij zijn hoofd schudde en soms niks zei.

De schrijver hoeft natuurlijk niet na iedere zin te melden: ‘zei hij’ of ‘zei ik’, maar als dat erbij zou staan is wel steeds duidelijk dat de verteller degene is die de lezer dit gesprek doorbrieft.
Het beste vertelcriterium is vanzelfsprekend de bar. Probeer deze dialoog maar eens aan een bar te vertellen, als een verhaal. Na ‘Jij en dat sproetige wicht…’ krijg je de vraag: ‘Wat bedoel je met jij en dat wicht? Of bedoel je mij? Over wie heb je het?’
Op deze manier vertel je simpelweg geen verhaal. Het is wel proza, het is literair proza, het is geen verhaal dat aan iemand verteld wordt.

Twee alinea’s verder:

‘Jij bent te jong,’ zei hij – hij had mijn gedachten weer eens gelezen.
‘We zijn even oud.’
‘Het is maar net hoe je rekent.’
‘En hoezo bepaal jij?’
‘Omdat je drijvers en jagers hebt, brae.’

Mooi, dat gedachten lezen. Dat is de extra informatie van de verteller die ik nodig heb. Ik-vertellers mogen duiden. Ook in dit gesprek begrijp ik wie wat zegt en ik bedenk er zelfs de gebaren bij die deze karakters maken – het is indirect en kaal proza dat ruimte laat, maar ik verlang tijdens zo’n dialoog naar een dominante verteller die mij zonder verstoppertje te spelen vertelt hoe die ander handelde. Iemand die mij, zonder literair te doen, in een enkele zin zegt hoe die Titus in elkaar steekt.

Dat was wat me opviel tijdens het eerste bladeren door deze roman. Er staan nog meer van zulke dialogen in. Gebeurt overigens in heel veel boeken, en ook dan valt het me op en mis ik de verteller. Ik heb De ruwe weg van Willy Vlautin erbij gepakt, een bijzonder goed boek, waar dezelfde soort dialogen in staan, ook vanuit een ik-verteller in de verleden tijd. Over dat boek volgende week in deze rubriek waarschijnlijk meer.
Ik ga En ik herinner me Titus Broederland vanaf het begin lezen, rustig. Ik kijk vooral uit naar de dikke blokken tekst waarvan ik nu al weet dat de verteller mij mee gaat nemen. Ik kijk uit naar een verteller die naast me aan de bar zit.

Uitgeverij Ambo Anthos gaf En ik herinner me Titus Broederland uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Kevin Canty, Alejandro Zambra, James Salter: de redactie las verhalen en meerkeuzevragen als romans en essays – en een stuk roman.

*

Jan van Mersbergen: Kevin Canty, Een vreemde in deze wereld

Bij korte verhalen heb ik soms het idee dat de schrijver zich er met het vergroten van een anekdote tot een paar bladzijden vanaf heeft gemaakt. Een gevoel van: een roman is toch wel erg veel werk, met tien verhalen heb ik ook een boek, en zo’n verhaal schrijf je in een ochtend.

Dat geldt natuurlijk alleen voor slechte verhalen. Goede korte verhalen hebben de kracht van een roman, gebundeld in een paar pagina’s. Zoals Annie Proulx in een verhaal van anderhalve bladzijde het complete leven van een cowboy kan vatten, weids en toch gedetailleerd, en gevoelig, dat is de ware kunst van het korte verhaal.

In mijn boekenkast staan een paar bundels die ik nog wel eens in wil kijken, en dan is het voordeel van verhalen: je hoeft er maar één te lezen om weer volledig gegrepen te worden. Een van die bundels is Een vreemde in deze wereld, van Kevin Canty in de vertaling van Rien Verhoef. ‘Het slachtoffer’ is mijn favoriete verhaal. Ik sloeg het boek laatst weer open en herkende meteen de bladspiegel: korte hoofdstukjes met allemaal een aparte titel in klein kapitaal: tv, gekanteld, veiligheid, zijn lichaam, Tina doet haar ogen dicht. Een kort verhaal opgebouwd uit een heleboel korte schetsen, dat is een ode aan het korte verhaal.

” “

Dit proza is hard, gewelddadig en direct. Zonder mooischrijverij, en ook dat bevalt me.

Zwarte overjassen begint zo:

‘Zwart, als hij op het strand beukt tot grauw schuim kolkend, deint en buldert de oceaan. Met tussenpozen glinstert de maan tussen de traag bewegende wolken. Daar ergens in de nacht, weet Tina, moet het donker van het water op het donker van de hemel stuiten, en als ze voldoende haar hoofd erbij houdt verbeeldt ze zich dat ze hem kan zien: de dunne, onberispelijke zwarte lijn van de horizon. ‘Bobby,’ zegt ze. ‘Bobby, ik wil naar huis.’

Canty weet wat hij wil bereiken met zijn verhaal, en daartoe is ieder woord ten dienst gesteld. Ook dat is voorwaarde bij een kort verhaal.

Uitgeverij De Harmonie gaf Een vreemde in deze wereld uit. Het is niet meer nieuw leverbaar, maar wel via Boekwinkeltjes.

Daan Stoffelsen: Alejandro Zambra, Begrijpend lezen, en James Salter, Spel en tijdverdrijf

De lijstjesliteratuur zoals we die van Richard de Nooy kennen (Rojstni-Dan | Slovenië, ???????| Servië, De vier laatsten), heeft een fascinerende, verder uitgewerkte pendant in Chili. Daar schreef Alejandro Zambra Facsímil, nu door Luc de Rooy vertaald als Begrijpend lezen. Het bestaat uit 90 meerkeuzevragen, gemodelleerd naar de ‘Prueba de Aptitud Verbal’, een verplichte toelatingstoets voor de universiteit die tussen 1967 en 2002 in Chili werd afgenomen. Sinds de dictatuur was er weinig aan veranderd, en dat ongemakkelijke gegeven verwerkt Zambra in deze gemengde essay- en verhalenbundel. Neem opdracht 1, welke term hoort in dit rijtje niet thuis, en opgave 1: ‘Lezen. a) les, b) leren, c) leven, d) je verbergen, e) begrijpen.’ Dat is geen semantiek, dat is filosofie. En geestig bovendien. Tegelijk is er een duistere onderstroom, met de evidente uitschieters, zoals hier ‘je verbergen’, bij opgave 2. Begrijpen ‘vergrijpen’, bij 3. Facsimile ‘bedrog’. Latere opdrachten, met verhalen van één zin met ontbrekende woorden tot enkele pagina’s met interpretatievragen, reppen van ruzie, onderdrukking, dood, verdriet, vaders en zonen in eeuwig conflict.
Ik schoot menigmaal in de lach bij de opgaven waarbij feitelijk altijd geldt ‘all of the above’, en ik waardeer die fragmentarische vorm (Valeria Luiselli! (zelfde uitgeverij) Max Porter!), zij het dat het spel en het sinistere elkaar uitsluiten: echt eng, echt spannend wordt het niet. Niettemin: lezen en herlezen.

Inmiddels ben ik ook begonnen aan James Salters Spel en tijdverdrijf (1967, vertaling 1997-2016 door Else Hoog), dat zich afspeelt in Frankrijk, en al met een sterk en herkenbaar beeld begint: ‘Ik heb het behaaglijke gevoel dat ik mezelf toevertrouw aan de zorgen van de mannen die deze grote, slaperige treinen besturen, waarin mensen zitten te staren achter het heldere glas, zo uitgeput en stil als zieken.’ Zij het dat we die indruk anno 2016 met mobiele telefoons proberen weg te nemen. Kort daarop, minder sterk: ‘Het is alsof we bij de dokter in de wachtkamer zitten.’ En ‘kanalen, weelderig als jade’, wat moet ik me daarbij voorstellen? Salters verteller trekt zich terug in een provinciestadje, kijkt goed om zich heen en raakt bevriend met Phillip Dean, die een verhouding begint met de achttienjarige Anne-Marie. Veel is vaag, de richting is nog onduidelijk, maar Salters sfeertekening is ijzersterk. Wordt vervolgd.

Uitgeverij Karaat gaf Begrijpend lezen uit. Op hun eigen site staan een filmpje en een fragment. Spel en tijdverdrijf is door De Bezige Bij uitgegeven, er staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.

Bregje HofstedeMarijke SchermerBruce Springsteen, Kenneth Cook, Jan Donkers, Peter Ackroyd: de Revisorredactie las. Deed het werk van de Svenska Akademien: genres scheiden – liedjes zijn geen literair proza, journalistiek is geen essayistiek, biografie is geen literatuur – en grote vragen en slordigheidjes wegen. Maar was ook gewoon fan.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, De herontdekking van het lichaam (en John Jeremiah Sullivans ‘Feet in Smoke’ en Montaignes ‘Over droefheid’)

Je vroeg me, Thomas, of dit een essay was. Ik besloot het op te zoeken en uit te printen (dank god voor het internet, het weet alles van mij, en waar John Jeremiah Sullivans essay ‘Feet in Smoke’ te lezen valt). Maar ik was eigenlijk Bregje Hofstedes De herontdekking van het lichaam aan het lezen. Weer zo’n klein boekje, nu non-fictie, dat niettemin tot nadenken noopt. Ondertitel: Over de burn-out. Nou ja, over Hofstedes burn-out gaat het grootste deel van het boek, het is een stuk dat eerder bij De Correspondent werd gepubliceerd, over de verhouding tussen lichaam en geest, mind over matter, streven en ontspannen. Ze bepleit een holistischer levenstijl, aandacht voor het fysieke én het mentale.
Ga ik daarin mee?
Ik twijfel. Thomas, dit beschouw ik dus niet als essayistiek, dit vind ik eerder diepgravende journalistiek met een opinie. Hofstede voert bronnen op – wetenschappers, filosofen, een romancier -, voert eigen ervaringen op, maar gaat er niet mee in discussie – zoals Maggie Nelson dat in De argonauten doet, bij een Freudiaanse theoretische bewering bijvoorbeeld: ‘Ik ben verbijsterd en gegeneerd als ik bedenk dat ik dit soort vragen jarenlang niet alleen begrijpelijk vond, maar ook fascinerend.’ Zo’n opmerking geeft een scherpte die ik mis aan dit artikel.

Veel interessanter, minder vlak ook zijn de twee daaropvolgende essays, over wandelen als therapie (met stukjes loepzuiver proza, gecursiveerd door het betoog heen) en een reis in Israël, als vrouw bekeken en geïntimideerd (hét antwoord op kleedkamerpraat als die van Trump, indrukwekkend). Door het wandelessay voelde ik de noodzaak erop uit te trekken, het Israël-essay wijst me weer hard op de kwetsbaarheid van vrouwen in onze maatschappij. Maar ook hier stelt ze: ‘Vitaliteit – het tegengestelde van de burn-out – vraagt echter niet om een keuze, maar juist om aandacht voor geest én lichaam.’ Die algemenisering van een individuele ervaring, gecontrasteerd met de individuele ervaring van iemand als Susan Sontag, kan ik niet meevoelen. Zelfs nu Hofstede dit zo ervaren heeft, zelfs nu ze al die bronnen noemt, kan ik deze lifestyle-waarheid niet aannemen als algemeen geldig.
In deze twee essays raak ik wel betrokken bij de ik, en ik denk dat door de stijl komt en het perspectief, door de grotere dosis literaire techniek. Waarmee ik terugkeer bij ‘Feet In Smoke’, een geweldig verhaal over John Jeremiah Sullivans broer die geëlectrocuteerd wordt door zijn microfoon – maar overleeft. De maand in het ziekenhuis is die broer kinderlijk, in de war, maar zichzelf. Mooie anekdotes. Dus Thomas: hier zijn het over eens. Ik zou ook meer introspectie, inzicht, botsing verwachten in een tekst die toch als essay gepresenteerd wordt. Maar ik geloof Sullivan volledig, hij heeft zichzelf tot personage gemaakt, en ik stap met hem door de vierde wand. Daarvan weerhouden Hofstedes bronnen me, of als het echt om het genre gaat, Montaignes anekdotes. Ik duik even in zo’n anekdote, maar daarna is Montaigne met echt kwijt:

‘Maar toen koning Psammenitus van Egypte verslagen was en gevangengezet door koning Cambyses van Perzië, en hij zijn dochter in slavinnenkleren aan hem voorbij zag lopen om water te halen bleef hij, naar verluidt, te midden van zijn huilende en weeklagende vrienden kalm en staarde zwijgend naar de grond; en hij volhardde in die houding toen hij vlak daarna ook nog zijn zoon ter dood gebracht zag worden; maar toen hij zag hoe een van zijn huisgenoten onder de krijgsgevangenen werd meegevoerd, begon hij zich voor het hoofd te slaan onder het uiten van de meest smartelijke kreten.’

Tja. Ik kom pas echt weer boven als Montaigne besluit: ‘Ik ben niet erg ontvankelijk voor zulke heftige emoties. Ik heb van nature een dikke huid, en door mijn verstand te gebruiken maak ik die met de dag stugger en harder.’ In de kanttekening zet ik dan ‘hahaha’, of, met Jans verteller, ‘hihihi’. Ik ken mezelf een beetje, ik ben meer Montaigne dan Hofstede. En nu weet internet dat ook. Die ‘ik’ als personage, zoals bij Sullivan (zonder overwegingen), bij Hofstede (overwoekerd door overwegingen) of Montaigne, die hoort in een essay. Hoeveel conflict, scène, anekdote, memoire en bronnenmateriaal er dan bij moet om een perfect essay te maken – dat is aan de jury van de Jan Hanlo Essayprijs. Inzenden kan weer, tot 16 januari 2017.

Uitgeverij Cossee gaf De herontdekking van het lichaam uit, het werd gisteren gepresenteerd. Hofstedes burn-outstuk is in drie delen (123) bij De Correspondent te lezen. Hier gebruikt is de Hans van Pinxteren-vertaling van Montaigne bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, maar dit jubileumessaytje ‘Over boeken’ bij Athenaeum Boekhandel is ook mooi.

Thomas Heerma van Voss: Kenneth Cook, Aangeschoten; Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied; Peter Ackroyd, Hitchcock

Een helder verhaal, Daan, dank voor het ingaan op mijn vorige stukje, en in zulke gevallen toch prettiger om enige bijval te krijgen dan op hevig verzet te stuiten – maar voor deze rubriek al te veel op een groepschat begint te lijken, zet ik snel de stap van de essayistiek vandaan. (Al zeg ik nog wel: Bregje Hofstedes boek wil ik nog steeds lezen, wat ik er al van las op De Correspondent vond ik veelbelovend.) En dat terwijl ik Sullivan nog steeds niet helemaal uit heb; ik merkte alleen na 300 bladzijdes verhalende essayistiek (of als essays gepresenteerde non-fictie-verhalen): ik heb mijn portie nu wel even gehad, mijn aandacht ging weer naar fictie.

Maar welke? Al tijden lukt het me niet helemaal te verdwalen in een boek. Door drukte, afleiding of onrust – die drie komen vaak op hetzelfde neer – kan ik me al tijden niet werkelijk toeleggen op een specifiek boek. Ik begon aan Kenneth Cooks Aangeschoten, een recent door Podium heruitgegeven ‘cultklassieker’ (dixit Podium) over een jonge leraar in Australië, die strandt in een klein plaatsje. Veel drank, veel eenzaamheid, veel broeierigheid: een mooie roman, zeker, ik begrijp waarom hij weer opnieuw is uitgegeven, en ik ga beslist ook snel verder lezen, maar toch legde ik hem na enkele tientallen bladzijdes weer weg. Misschien doordat ik het zelf las in desolate hotelkamers en bij vrij eindeloze treinritjes, die twee interfereerden wat te veel, ik verlangde naar iets anders, iets met meer fantasie. Ik begon in de laatste verhalenbundel van Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied, ik las met genoegen de eerste twee verhalen, en schoof het daarna toch weer even opzij, omdat ik de biografie van Hitchock kreeg aangereikt van mijn vader, met een aanbeveling erbij. Direct sloeg ik het open, maar na een pagina of tien was mijn aandacht alweer aan het wegebben: zelden las ik zo’n feitelijke, taaie opsomming. Er was geen moment nagedacht over een spanningsboog, over compositie, over variatie in tempo en toon.

Het liet me eens te meer zien hoe makkelijk een intrigerend iemand kan leiden tot een bijzonder saai boek. Ik verlangde weer enigszins terug naar Sullivan, en meer nog: naar een doordachte roman. Volgende week meld ik me met een fictiewerk waar werkelijk over de vorm en opbouw is nagedacht. (En suggesties zijn welkom.)

Cook werd dus uitgegeven door Podium, Donkers door De Harmonie, en Peter Ackroyds Hitchcockbiografie door Querido.

Marjolijn van Heemstra: Marijke Schermer, Noodweer

Noodweer van Marijke Schermer is een compact boek. Honderdnegenvijftig pagina’s en nergens een letter te veel. Ook geen letter te weinig trouwens, het is precies de juiste dosering, iets wat je maar weinig tegenkomt in een boek. Het woord ‘hecht’ kwam tijdens het lezen een aantal keer bij me op. Hechte taal, hechte hoofdstukken. Een stevig vlechtwerk dat gelukkig nergens te hermetisch wordt. Het verhaal: een vrouw verzwijgt voor haar man een gebeurtenis uit het verleden omdat ze bang is dat die anders tussen hen in zal komen te staan. Maar het verleden laat zich niet makkelijk verdringen. Intussen stijgt het water in de rivier voor hun buitendijkse huis en overal schemert onheil. Er komen grote vragen voorbij, over waarheid, autonomie, herinnering.
‘Wat is geluk,’ vraagt de vrouw op een avond aan haar favoriete broer. Het blijkt een meerkeuzevraag. A: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat niets dat evenwicht kan verstoren. B: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat het elk moment aan flarden kan. Of C: iets lichamelijks. Een gevoel van gedachteloosheid.
Zelf kiest ze voor C.
Het filosoferen gebeurt tussen de alledaagse dingen door, nergens al te nadrukkelijk, maar genoeg om je als lezer met een paar mooie dilemma’s achter te laten.
Jammer van de slordigheidsfouten hier en daar in het boek, die waren er bij zorgvuldige nalezing denk ik uitgevist, ze vloeken met het verder zo strakke, zorgvuldige verhaal.
Trouwens, ik ken Marijke, we zitten samen in een boekenclub. Ik mag haar graag en gun haar veel. En hoewel ik ervan overtuigd ben dat ik Noodweer met net zo veel plezier had gelezen als ik haar niet had gekend moet ik toegeven dat ik bevooroordeeld ben. In zekere zin is dit dus gewoon reclame. Reclame voor een goed boek, dat wel.

Noodweer is uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot.

Jan van Mersbergen: Bruce Springsteen, Born to Run

Ik ben een fan dus ik ga niets zeggen over Springsteens muziek of zijn geweldige optredens. Ik luister graag naar zijn muziek, ik ben er graag bij als hij speelt. Ik kreeg zijn autobiografie in handen en wil alleen iets zeggen over de verleden en de tegenwoordige tijd, want zoals ik hier vaker heb aangestipt: perspectief is alles.
Springsteens verhaal speelt in het verleden, deze muzikant kijkt terug op zijn leven. Dus vertelt hij in hoofdstuk 1 over zijn straat, zijn huis, zijn veranda. Allemaal in de verleden tijd. En dan plots lees ik een lang stuk dat in de tegenwoordige tijd geschreven is, dat begint met:

‘In onze voortuin, niet meer dan een meter of wat van onze veranda, staat de grootste boom van de stad, een enorm hoge beuk.’

Die zin trekt me naar het heden toe, en zo gaat het eerste hoofdstuk, dat ‘Mijn straat’ heet, verder.
Een bijzonder goede perspectiefkeuze, want ik lees het nu van Springsteen zoals hij dat toen beleefde.
Toch nog iets over zijn stijl, die lijkt erg op zijn liedjes: complete levensverhalen in een paar regels, soms zwaar aangezet en meestal raak. In deze autobiografie is dat soms wat veel, zoals in de laatste alinea van ‘Mijn straat’:

‘Hier wonen we in de schaduw van de torenspits, waar het heilige rubber het wegdek teistert, waar alles stiekem gezegend is met Gods genade, in het verbazende, razende, rassenrellen veroorzakende, vreemde vogels verdringende, swingende, naar liefde en angst speurende, hartverscheurende stadje Freehold, New Jersey.’

Dat leest op den duur wat vermoeiend als proza, zo’n alinea is een liedje en de liedjes van Sprinsteen hebben een ongekend bereik, in proza vraagt de lezer om iets meer rust.

Springsteens biografie werd uitgegeven door Unieboek Spectrum. Een leesfragment vind je hier (PDF).