In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 7: Wand.

 

 

In de theaterwereld spreekt men van de vierde wand. De eerste drie wanden zijn achterkant en de zijkanten van het toneel, de vierde wand is een denkbeeldige wand tussen het publiek en het podium. Deze krijgt vooral betekenis als ze wordt doorbroken, want daarmee wendt een personage zich plots tot het publiek en erkent daarmee dat de realiteit van het toneelstuk een illusie is. 

In Japan bestaat een bedrijf waar je familieleden kunt huren: Family Romance. Dit klinkt als een verhaal uit een film, wat filmregisseur Werner Herzog ook moet hebben gedacht toen hij hier een film over maakte met de gelijknamige titel. Ik heb de website van het bedrijf gevonden en scroll nu door de verschillende opties. Zo kun je bijvoorbeeld gasten huren voor je bruiloft, of een partner die je vergezelt naar een receptie. Een ‘scolding agent’ behoort ook tot de mogelijkheden: voor 10.000 Yen huur je iemand om je een uitbrander te geven als je een fout hebt gemaakt (al lijkt het mij niet nodig een echte fout te maken, als je voor de uitbrander toch iemand inhuurt). De mogelijkheden zijn eindeloos: het huren van ‘ouders’ om aan je nieuwe partner voor te stellen, het huren van een ‘partner’ om aan je ouders voor te stellen. Het huren van vrienden voor een picknick in het park of alleen voor de foto hiervan om te stralen op Instagram.  

Het is een populaire service. In de reacties lees ik dat klanten blij zijn dat ze hun ‘man’ mee konden nemen naar een etentje met hun baas, zodat ze een goede indruk maakten, terwijl ze eigenlijk al jaren gescheiden zijn of hun man een zware alcoholist is.

Is het geen zelfverloochening om fictieve mensen te huren, alleen voor de indruk die je achterlaat bij anderen? En wat heb je aan die goede indruk als de werkelijkheid miserabel is? Is het dan niet zinniger om iets aan de werkelijkheid te veranderen, door nieuwe vrienden te maken, te scheiden of te verhuizen? Terwijl deze vragen bij me opkomen, vraag ik me af of zoiets in Europa denkbaar zou zijn of dat dit iets zegt over de Japanse cultuur. 

Ook realiseer ik me de hypocrisie van mijn eigen vragen, want hoeveel vormen van sociaal bedrog gebruik ik op een dag? Ik kom een kennis tegen op straat die enthousiast zwaait en roept dat het zo lekker gaat met mij, wat ze af kan lezen aan wat ik deel op social media. Ik knik een beetje en probeer tevredenheid uit te stralen, terwijl ik in werkelijkheid met mijn tong op mijn schoenen loop omdat ik net op tijd twee deadlines heb gehaald, wat me slapeloze nachten en veel gepieker heeft gekost. Het beeld van succes is niet eens een bewuste illusie, maar het gepieker houd ik voor mezelf terwijl ik het resultaat online deel, omdat me dit relevant lijkt. Zo creëer ook ik een aangepaste versie van mezelf. 

Dat is vergelijkbaar met fotoalbums van mijn jeugd. Als ik ze doorblader lijkt het leven in de jaren tachtig een aaneenschakeling van kerst, verjaardagen, zomervakantie en weer kerst. Er was nooit een druilerige zondagmiddag of een oersaaie schooldag, of althans, dat was geen foto waard waardoor elk verleden een collage van hoogtepunten is geworden. 

Ik stel me voor dat ik in een werkelijkheid leef die uit vier wanden bestaat. Ook al huur ik geen vrienden, toch is het altijd een keuze welk deel ik van mezelf laat zien op social media. Of het een positief of negatief bericht is, het is altijd uit de werkelijkheid gemonteerd en kan zo door een ander bekeken worden. Mijn vierde wand is het nieuwsoverzicht van Facebook, de stories op Instagram, mijn LinkedIn-profiel; een scherm waarop je gemonteerde varianten van jezelf projecteert en waarvan de kijker weet dat het niet meer dan facetten zijn van de ander.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 6: Huid.

 

Nu het al een tijd niet mogelijk is naar een ander land te reizen, lijkt mijn verlangen naar een andere omgeving alleen maar toe te nemen. Nu ben ik zelf geen globetrotter, zoals ik laatst al beschreef (aflevering 4, Grens) maar toen ik afgelopen week voor een werkafspraak in het zuidwesten van Brabant moest zijn en de routeplanner me via België leidde, zat ik te juichen achter het stuur toen ik de grens passeerde. Het is meer dan een jaar geleden dat ik op een nieuwe plek was. Verandering van omgeving voelt altijd verfrissend. Niet om de nieuwigheid van de plek, maar vooral door wat ik achterlaat: mijn dagelijkse leefomgeving, het vaste decor waarin ik beweeg. Alsof ik, nadat ik mijn context heb afgeschud, niet alleen door onbekende straten dwaal, maar ook mezelf herontdek. 

Hoe verfrissend dat ook is, het blijkt meestal maar een dun laagje. Vroeg of laat sijpelt het besef door dat ik helemaal niet veranderd ben, of zoals mijn vader zegt: het nadeel van reizen is dat je altijd jezelf meeneemt. 

Sinds een aantal jaren is het mogelijk om te reizen zonder je fysiek te verplaatsen. Je kunt voorgeprogrammeerde avonturen beleven via virtual reality: de Mount Everest beklimmen, een tocht maken in een luchtballon of de piramides van Gizeh bezoeken. Toch heb ik surfend over het internet nog niet gevonden wat ik zocht; het zijn vooral sportieve, prikkelende avonturen op die bekende plekken terwijl ik het liefst het voor mij al voldoende zou zijn om te dwalen door onbekende straten in een stad die zich onder mijn voeten openvouwt. Misschien is het zelfs mogelijk virtueel te verdwalen en zo het gevoel te krijgen dat de plek me heeft geabsorbeerd. 

Een futuroloog van communicatiebureau Futurizon voorspelt een techniek die het virtuele reizen binnen tien jaar nog realistischer maakt: Active Skin. Dit zou moeten bestaan uit een speciale spray die op je huid wordt aangebracht en die vervolgens signalen doorgeeft aan je zenuwstelsel, zodat je tastzin gemanipuleerd kan worden. Zo kun je imitaties ervaren van zonlicht op je lichaam, een briesje in je gezicht of bijvoorbeeld het zand van het strand onder je voeten. Met deze sensaties op je huid kun je een virtuele reis ook lichamelijk ervaren. 

Intussen zit ik levensecht in mijn kamer, waar niets specifieks te voelen is. Of misschien komt het doordat ik minder alert ben op een plek die zo vertrouwd is als mijn huis. Bij thuiskomst was het hier koud, nu gloeit de zon warm op mijn benen en hoor ik het suizen van de verwarming. Ik refresh nog maar eens de NOS-site, uit verveling en een behoefte aan een beetje sensatie. 

Ik lees dat de Mars-helikopter zijn eerste vlucht heeft gemaakt, dertig seconden in de ijle, donkere lucht. Bij het artikel staat een still uit een filmopname: een roodbruin woestijnlandschap geprojecteerd op een scherm, eromheen klappende mensen in oranje polo’s, bevroren op het moment dat hun handen nog maar tien centimeter uit elkaar zijn. Snel klik ik het venster weg. Beelden uit het heelal verdraag ik slecht. De onvoorstelbare omvang van het heelal, de donkere dieptes, de rotatiesnelheid van de bol waar we ons op bevinden, de bewegingen van die bollen ten opzichte van elkaar, het razendsnelle vallen van melkwegstelsels, het uitdijen van het geheel en vooral de vraag waarin het dan uitdijt en dat ik van dit alles niets voel, afgezien van duizelingen die misschien uit angst voortkomen maar die ik me ook wel eens voorstel als zintuiglijke uitingen van het roteren, vallen, draaien – ik kan het alleen maar negeren. Het venster in mijn beeldscherm sluiten, misschien zelfs het gordijn dichttrekken en kijken naar de muren van mijn kamer waarin ik gelukkig geen enkele beweging kan ontwaren. 

Rond mijn hoofd zoemt een fruitvliegje, de eerste van het seizoen. Even houdt hij stil op tafel naast mijn toetsenbord. Ik sla hem dood met vlakke hand en veeg met mijn vinger de kruimels van het geplette lijfje op de grond. Daarna voel ik nog de afdruk van het minuscule vliegje tegen mijn vingertop. Met mijn hand strijk ik langs het gladde tafelblad zodat mijn huid het vergeet.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 5: Plaatsmaken.







Plaatsmaken

Nog steeds zwerf ik digitaal door Japan, nu in de regio Nagasaki. Daar struin ik door een themapark dat bestaat uit replica’s van Nederlandse gebouwen, samengevoegd tot een stadje omzoomd met nagebouwde polders. De tulpen staan in bloei (misschien bloeien ze onafgebroken of zijn ze van plastic). Bij de entree doemt een replica op van het Amsterdamse Centraal Station waar een luxe hotel in gevestigd blijkt te zijn. Even verderop ontwaar ik de Utrechtse Domtoren, een Amsterdamse gracht, de Oude Kerk van Delft en de Sneker Waterpoort, alles op een steenworp afstand van elkaar.    

Aan de rand van het park op een pad dat verder nergens naar toe leidt, vind ik het Amsterdamse Concertgebouw. Op de achtergrond zijn steeds de heuvels van Nagasaki in beeld, als enige constante in een landschap dat door elkaar gehusseld lijkt. De bekende gebouwen waarvan zelfs de bakstenen uit Nederland komen, stralen een vreemd soort vertrouwdheid uit. Ik krijg er haast de rillingen van om bekende gebouwen zo plompverloren bij elkaar te zien, als elementen uit een haperend geheugen, de brokstukken gehusseld tot een geheel dat zich niet verstaanbaar kan maken, een verwarde stad. 

 Afgezien van de vraag of mijn elastiek zich ooit laat oprekken tot aan Japan, vraag ik me af of het me zou geruststellen om tussen die vertrouwde elementen rond te wandelen. Het bekende in het vreemde zien kan er natuurlijk ook voor zorgen dat ik op mijn benen tollend van desoriëntatie mijn reis acuut moet afbreken.

Fietsend over de Stadhouderskade word ik ingehaald door een touringcar waarop in vette letters staat: DESTINATION MANAGEMENT. Achter de donkere ramen zie ik, afgezien van de chauffeur, geen gezichten. ‘Destination Management’ klinkt mij in de oren als iets dat te maken heeft met het organiseren van een lotsbestemming of een ‘laatste rustplaats’. Misschien komt het door de lockdowns en het grauwe weer dat mijn associatie bij het woord ‘bestemming’ niet zo zonnig is.

Eenmaal thuis zoek ik de term op en beland ik op verschillende Engelstalige websites met afbeeldingen van tulpen, tjalken en windmolens. Binnen enkele muiskliks komt steevast het Rijksmuseum en een uitzicht over de gracht in beeld. Misschien komt het door het Google-algoritme waarin ik verstrikt ben geraakt, maar het ‘Destination Management’ lijkt een oer-Hollandse, of Amsterdamse aangelegenheid. De service die wordt aangeboden behelst meer dan die van een reisbureau. Maar wat dat meer inhoudt, daar kom ik niet achter.    

De lucht zit dicht. Geen zon, geen regen. Ik lees ‘Langs de rivier’ van Esther Kinsky en wandel met de vrouw in het boek mee. De plekken waar ze wandelt komen tegelijk verlaten en drukbevolkt op me over. Ik volg haar langs de rand van de stad, langs onbedoelde uitzichten, vergeten bouwsels. Met elk hoofdstuk groeit het beeld van een onbestemde voorstad, een niet-plek. 

Door te wandelen door vreemde straten raak je er thuis. De bus nemen of fietsen heeft niet hetzelfde effect. Alsof het aanraken van de straat met je schoenzolen, een stempel is van je lichaam die zich herhaalt met elke stap. Hier was ik, en hier en hier en hier. Zo markeerde ik eens op de kaart mijn bewegingen door Berlijn om me sneller thuis te voelen. Met zwarte stift tekende ik een web. Toen het af was, sneed ik met een stanleymes mijn web uit de stad en stapte op de trein naar huis. 

De onbestemdheid van een niet-plek kan slinken onder je voetstappen, maar dan moet je er wel naartoe willen gaan. Gemeenten en projectontwikkelaars huren marketingspecialisten in om een verhaal te maken waarmee de niet-plek verandert in een bestemming, zodat mensen er graag een huis willen kopen. Dit proces heet ‘placemaking’. Om de betekenis van deze term te duiden, wordt vaak een dichtregel van Wendell Berry aangehaald: ‘if what we see and experience, if our country, does not become real in imagination, then it never can become real to us, and we are forever divided from it…’

Heb ik mijn verbeelding nodig om de werkelijkheid te kunnen zien? Ik kijk naar het Concertgebouw vanaf een brug over de Utrechtse Oudegracht. Schuin erachter de groene heuvels van Nagasaki, bebouwd met witte flats waar misschien iemand woont die ooit tijdens een rondreis door Europa zijn vertrouwde uitzicht terugziet in een vreemde stad.

*

 


Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 4: Grens.





Hoezeer ik ook kan verlangen naar een Parijse bakker, de wispelturige rukwinden op Land’s End of een wandeltocht over mistig Dartmoor – de opluchting dat ik daar nu niet naartoe kan is meestal groter. Ik reis het makkelijkst als ik mijn lichaam thuis kan laten.

Al jaren stil ik mijn reishonger via uitzichten van webcams en Google Street View. Daarbij geldt zelfs: hoe verder weg, hoe beter. Het liefst flits ik mezelf naar onherbergzame vlaktes diep in Mongolië, de gevaarlijkste straathoeken van Mexico-Stad of naar een bergkam op de Faeröer Eilanden. Plekken waarvan ik weet dat ik er in het echt niet naartoe durf, zijn het meest aanlokkelijk. Vandaag muisklik ik door een Boliviaans dorp in sepiatint, volg ik door stoffige straten een vrouw die zich met een vuurrode paraplu beschermt tegen de felle zon. 

Op een ander tabblad gooi ik een bestelling kattenbrokken in mijn digitale winkelmand. In het afrekenscherm trekt een advertentie mijn aandacht: een onzichtbaar hek. Dat klinkt als een magische afrastering, een vriendelijke manier om je dier in de tuin gevangen te houden. Zodra ik verder lees, begrijp ik dat het gaat om een halsband die stroomstootjes geeft zodra de hond of kat een tevoren gemarkeerd gebied, een tuin of erf verlaat. Een onzichtbare grens. 

Voor een echte reis moet ik ver voor vertrek obstakels overwinnen. Het is alsof ik met een elastiek verbonden ben aan thuis. De rekbaarheid van het elastiek verschilt van dag tot dag, van jaar tot jaar, maar het bepaalt mijn actieradius als een onzichtbare grens. Als ik het elastiek niet vaak genoeg oprek, wordt het strakker. Ik moet het dus af en toe onder spanning zetten, testen tot waar het reikt, en dan nog een stukje verder en hopen dat de rek er in blijft voor de volgende keer, als een paar stugge schoenen die eenmaal ingelopen niet meer knellen.

Het is niet altijd makkelijk inschatten, want het elastiek heeft zo haar eigen logica. Het gaat niet alleen om een hemelsbreed gemeten afstand. Plekken die goed bereisbaar zijn, lijken minder ver weg. Een stad waarvandaan elke dag vijf vluchten naar huis vertrekken, vind ik makkelijker te bereizen dan een eiland dat in kilometers dichterbij is, maar waar slechts één boot per week vaart. Bij de gedachte alleen al begint het knellen. En hoewel lange afstanden me nerveus maken, reis ik liever twee uur in een vliegtuig dan dat ik dezelfde afstand in twee dagen afleg per auto. In de lucht voelen de kilometers lichter, alsof het helpt dat ik niets hoef te zien of aan te raken van de wereld waarin ik me verplaats onderweg naar mijn bestemming. 

Op een kruispunt in Tokyo verspringt een verkeerslicht in grijstinten. Van bovenaf zie ik hoe een rij taxi’s van rechts naar links door het beeld zoeft. Daarna zijn de andere aan de beurt, elke auto trekt een lijn, beweegt in zijn eigen baan, horizontaal, verticaal, diagonaal. Maar ik wacht op het moment dat de voetgangers mogen. Ik heb het vaker gezien: even lijkt het beeld bevroren, daarna breken ze los van vier straathoeken. Ze stuiven het kruispunt over in alle richtingen, als ontsnappende mieren. De wegmarkering en zebrapaden negerend, ieder zijn eigen spoor trekkend. Het duurt maar een paar seconden tot het verkeerslicht weer verspringt. Altijd is er dan een laatste figuurtje rennend naar de overkant. 

Hierna begint de kruispuntdans opnieuw, alsof het voortdurend dezelfde mensen en dezelfde auto’s zijn die oversteken. De rechthoek in mijn beeldscherm is een postzegel in Tokyo, is de hele wereld. Ik ga naar bed en laat het tabblad met de webcam open staan. De hele nacht steken mensen over terwijl ik slaap.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 3: ‘Lens’.

*

Vaak vergeet ik mijn buitenkant. Als ik mijn ogen sluit, voel ik niet eens waar mijn lichaam eindigt. Behalve op de plekken waar ik iets aanraak: de ribbel van de f- en j-toets onder mijn vingertoppen, de stoel die tegen mijn zitbotten drukt, de rand van het koele tafelblad tegen mijn onderarmen. De stof van mijn coltrui raakt mijn hals waardoor ik voel waar mijn denkende hoofd aan de rest van mijn lichaam vastzit.

Ooit vond mijn linkerhand voor het eerst mijn rechtervoet, misschien zelfs nog voordat ik geboren was. Stap voor stap bewoon je als baby je lichaam. Later strek je op het juiste moment je hand uit om een bal te vangen, zet je stappen zonder te vallen. Na mijn kaakoperatie at ik maandenlang met een spiegeltje in mijn hand. Door de verplaatsing van mijn kaken (die maar een paar millimeter behelsde), wist een deel van mij niet waar het zich bevond. Lichaamsschema, noemt Merleau-Ponty dit, de eenheid van je lichaam ervaren zonder dat je daarbij hoeft na te denken. 

Terwijl ik dit schrijf, dwaalt mijn blik naar een portret op mijn boekenplank: een gezicht waar een gat in zit. Van de vrouw in zwart-wit is alleen haar onderlip en kin te zien. Over haar gezicht ligt een ansichtkaart met het uitzicht vanuit een grot, door een poort van rotsen zie je blauwe lucht en een rechthoekje zee. Ik denk aan de witte zaal in het fotomuseum waar de tentoonstelling van John Stezaker te zien was, waar de gezichten met hun landschappen me op een fijne manier duizelden. In de museumwinkel kon ik bij de kaarten niet kiezen uit de reeks gezichten waarin een uitzicht lag. 

Toen ik me eens verdiepte in de werking van het oog, hoe dit zintuig signalen doorgeeft aan je hersenen en het tot me doordrong dat de hele visuele werkelijkheid zich afspeelt in je hoofd, voelde ik mijn hersens breken. Het idee dat de hele wereld door een gaatje ter grootte van een luciferkop mijn hoofd binnentreedt, daarna vertaald wordt door mijn hersenen en naar buiten geprojecteerd wordt, duizelt me elke keer dat ik er bij stilsta. Er zal maar een hapering optreden in dit haarfijne systeem en je bent de weg kwijt. Je stapt naast de kade in plaats van langs de rand, ziet vertraagd een auto aankomen of loopt door een wereld die ondersteboven hangt. Stel dat je brein de schok die je lichaam bij elke stap maakt, niet meer dempt. Dat je gezichtsveld niet meer visueel wordt gladgestreken. Buiten je lichaam is een pulserende wereld waardoor je alleen nog vooruitkomt langs muren, relingen of kruipend. 

Een paar dagen geleden stapte ik impulsief op de trein naar Den Bosch. Ik had haast, want bij toeval had ik op Facebook gezien dat het gebouw van de kunstacademie waar ik studeerde, werd gesloopt. Ik moest en zou het bijzondere pand, ooit gebouwd als typemachinefabriek, nog zien voordat het niet meer bestond. Het was niet alleen sentiment dat me met haast naar het gebouw dreef, ook beviel het idee me niet dat de volgende keer dat ik door mijn geboortestad zou lopen, de weg ineens zou zijn omgelegd, met compleet andere bebouwing en dat er nieuwe uitzichten zouden zijn, de oude voor altijd weg. 

Wat wordt er afgebroken als een gebouw wordt afgebroken? Wat gaat er verloren en wat is het dat ik zo angstvallig wil bewaren? Bij de kunstacademie aangekomen, zie ik dat de voorgevel, een paar muren en een deel van de gang nog overeind staan. Ik maak een foto. Het lukt me om helemaal om het gebouw heen te lopen, al kom ik niet dichtbij doordat het met hekken is afgezet. De achterkant is al weg. Achter de voorgevel strekt zich een heuvelig landschap uit van stukken muur en tegels. Aan de hand van de sporen op de grond probeer ik de muren weer op te trekken. Wat was hier, de hout- en grafiekwerkplaats, of de keramiekoven? Hoe groot was het, waar zaten de ramen, waar kwam je binnen? 

Het lukt me niet de brokstukken tot gebouw te denken. Kan het zijn dat wanneer een gebouw verdwijnt, ook de herinneringen aan de ruimtes vervagen? Zoals fragmenten van een foto, snippers waar teveel aan ontbreekt om ze weer aan elkaar te lijmen. Achter het hek onderdruk ik de drang om door de gang te lopen, een paar stappen in het verleden te zetten. Ik troost mezelf met de gedachte dat er van de onbereikbare gang toch al niet veel over is: een paar meter uitkomend in de open lucht. Kraaien scharrelen tussen het puin. Ik ben jaloers op die kraaien, zij kunnen alle stukjes gebouw nog aanraken. Misschien gebruiken ze fragmenten voor een nest. 

Terwijl mijn trein vaart maakt op de brug over rivier De Dieze, zie ik het gebouw vervagen. Op elke foto dezelfde nevel, mijn vingerafdruk op de lens. 

 

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 2: ‘Façades’.

*

Mijn helderste herinnering aan de Efteling is een mislukte rit in Droomvlucht. Terwijl we door een lila, fonkelend sterrenstelsel zweefden langs grote bollen die half maan half sprookjeskasteel waren, kwam onze gondel met een schok tot stilstand. De noodverlichting sprong aan en ik zag de ware aard van de kasteelmanen: grijze, bolvormige constructies bungelden in tl-licht aan het plafond van een loods. In de diepte lag grauwe vloerbedekking zoals in een kantoor en in de hoek was een deur met een lichtgevend nooduitgangbordje. Daar stond een stofzuiger, het snoer nog uitgerold, een spoor van mensen die na sluitingstijd de sprookjeswereld poetsen.

Na een paar lange minuten stil hangen, floepte de sprookjeswereld weer aan en zweefden we verder. Hierna waren de fonkelende planeten nooit meer hetzelfde, en toch, ik had iets gezien dat veel bijzonderder was. Misschien is het verbreken van de betovering wel net zo betoverend als de betovering zelf.

Ook op andere plekken schuurt de echte wereld tegen de namaakwereld aan. De gevel van een appartement in Greenwich Village werd gebruikt als denkbeeldige locatie voor de serie Friends. Elke aflevering was het shot meermalen te zien, ook al werd de hele serie in een studio opgenomen. Op Tripadvisor kun je dit uitzicht in New York als attractie beoordelen. Marco W uit België schrijft in zijn review: Gewoon gebouw in de straat. Je bent er zo voorbij, maar wel leuk als je de serie terug ziet, dat je daar was. Iemand anders: I was surprised at how many people were on the street taking photos. When you look at it in real life you don’t get the same perspective as you do on TV, but if you take a picture and look at it you can see it. Het lijkt alsof het tegenvalt in het echt. Alsof de beroemde gevel thuishoort in een andere werkelijkheid. Alleen als je er een foto van maakt en die bekijkt, dan is het uitzicht weer voorzien van de magische gloed.

Wat is de aantrekkingskracht van gebouwen en plekken die we kennen uit een film of serie die ervoor zorgt dat velen ze willen zien in de realiteit? Misschien gaat het om het gevoel zelf een stap te zetten in een verhaal waar je tot dat moment alleen van een afstand naar kon kijken. Staand voor een appartementengebouw uit een serie, wordt de echte wereld fictiever, minder echt. Twee realiteiten vallen kort samen, zoals de rode en groene afdruk van een beeld zodra je een 3d-bril opzet.

Op een ochtend verliet ik mijn huis terwijl een filmcrew zich in het trappenhuis installeerde. Later zag ik in een politieserie Yolanthe Cabau in politieuniform over de galerij rennen en naar beneden roetsjen langs de regenpijp die ik al jaren uit mijn raam zie.

Een andere ochtend, vorig jaar in Londen, ontdekte ik dat mijn hotel vlakbij een bijzondere filmlocatie van Sherlock stond. Het ging om een huis dat geen huis was. In een rij Victoriaanse panden bestaat één huis uit enkel een façade. Ik had het in de serie gezien en nam aan dat het een decor was, zo mooi en geraffineerd zag het eruit, totdat ik als Sherlock-fan dwalend door Wikipedia op het gebouw stuitte. Daar las ik dat in de straat waar dit gebouw staat, in de negentiende eeuw bij de bouw van een metrolijn een huis uit de rij moest worden gesloopt. Om de deftige straat er niet als een gehavend gebit uit te laten zien, werd de façade herbouwd.

Na tien minuten wandelen vanaf mijn hotel sta ik in Leinster Gardens, een autoluwe straat met oude bomen en geschakelde, witte villa’s. Ik kijk omhoog naar de statige façades, zoek het huis dat een dummy is. Het duurt even, maar op huisnummer 23 en 24 zie ik ze: de grijs geschilderde ramen, de voordeur waarachter zich een diepte bevindt. Eén stap en je valt meters diep de tunnel in van de metrolijn tussen Bayswater en Paddington Station. Ik maak een foto. Onder mijn voeten trilt de grond. In twee tellen is de Circle Line me onzichtbaar gepasseerd en wordt de grond weer vast.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Zij publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie). Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 1: gezicht.

*

 

Haar blauwgroene ogen kijken me vanaf mijn beeldscherm aan, een lok van haar donkerblonde golvende haar valt nog net binnen het ronde kader van de profielfoto. Haar blik is uitnodigend, de foto lijkt gemaakt net voordat haar glimlach doorbreekt. Ze komt me bekend voor. In een flits zie ik Scarlett Johansson, de actrice die jaren geleden haar grote doorbraak beleefde in de film Lost in Translation. Ze speelde een jonge vrouw die eenzaam en gedesoriënteerd in het enorme Tokyo beseft dat ze ook in haar leven verdwaald is. Jaren later, in andere films, vond ik haar gezicht zo anders, alsof de meest opvallende trekken waren verzacht, uitgevlakt. Ik denk dat ze in die ene film haar eigen gezicht nog had, vóór haar wereldwijde faam, voordat een team stylisten haar uiterlijk zou gaan bepalen en de reeks verjongende ingrepen aan haar gezicht zouden beginnen. Al weet ik natuurlijk niet of dit waar is, of dat mijn waarneming veranderd is.

Tien jaar geleden moest ik een grote kaakoperatie ondergaan. Ik wist dat mijn uiterlijk zou veranderen, maar ik had geen idee hoe. Zouden mensen me nog herkennen, en vooral: zou ik mezelf nog herkennen? De weken na de operatie onthulde mijn gezicht zich geleidelijk door het wegtrekken van de zwellingen. Stap voor stap kon ik wennen aan mijn nieuwe gezicht, maar het oude was in één keer en voor altijd weg. De laatste glimp ervan is te zien op een foto die mijn moeder van me maakte in een lichtblauw operatiehemd, vlak voor mijn bed werd weggereden. Zo zwaaide mijn moeder mijn gezicht uit.

Katie Jones heet de vrouw op de profielfoto waaronder zich een indrukwekkend c.v. ontvouwt. Alleen, ze bestaat niet. Haar gezicht is een deepfake – niet dat de foto een bewerkte versie is van een echt mens, maar haar gezicht is gemaakt met een geraffineerd computerprogramma dat uit het niets gezichten en personen creëert. Katie Jones is een instrument van Russische spionnen, lees ik in een nieuwsbericht. Via haar Linkedin-connecties wint haar profiel aan geloofwaardigheid en kan ze doordringen tot de netwerken van hooggeplaatste personen.

Ik heb de foto al meermalen bekeken, ingezoomd, met één oog dicht, maar ik zie niets afwijkends. Dat haar oorbel onscherp is en de achtergrond er bewerkt uitziet, is voor mijn ongetrainde ogen niet alarmerend. Hoe ik ook blijf zoeken en vergelijken met andere profielfoto’s, het verschil tussen echt en nep is voor mij niet zonneklaar.

Op een avond in een verlaten trein sta ik op want de trein remt af voor station Amsterdam Amstel, ik ben bijna thuis. Als ik opzij kijk, schrik ik van de weerspiegeling in het raam, ik was toch de enige in deze coupé? De schrik duurt maar een seconde, zolang duurt het voor ik doorheb dat ik naar mezelf kijk. Nu, jaren later heb ik in zoveel spiegels gekeken en al die keren heb ik mezelf bevestigd: dit ben ik.

De momenten waarin ik in een flits van vervreemding en verrassing naar mijn gezicht kijk, zijn nagenoeg verdwenen. Ik ben aan mezelf gewend, al vraag ik me soms af: is dit gezicht echt van mij? Lijk ik nog op mijn familie, op mijn moeder, zus, nichtjes, of is mijn gezicht deels kunstmatig, gevormd door de handen van een chirurg als een stuk boetseerklei. Soms voel ik het nog, het krioelen van gehandschoende vingertoppen tegen mijn verhemelte. Dat is het herstel van zenuwen, zei de chirurg toen ik op controle kwam, het verhemelte bewaart geen herinneringen.

 

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Zij publiceerde
poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor,
Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze
de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie). Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag
verscheen in februari bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 7 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Hij zag hoe George en Marc de hinde naar de jeep sjouwden, ze hadden de voor- en achterpoten met touw aan elkaar vastgebonden en wiegden het dode dier heen en weer totdat ze het loslieten en het met een harde smak in de achterbak belandde. Hij dacht aan vroeger, aan het buitenzwembad aan de rand van het dorp waar de polders begonnen, de buurtvriendjes die hem bij handen en voeten hadden gepakt en in het water gooiden, hoe ze daarna op het grasveld annemarie koekoek speelden en hij om de paar seconden voor standbeeld speelde. De hitte van augustus die hij toen nog aangenaam vond; nu waren de zomermaanden hem een kwelling. Hij hield niet van korte broeken en mouwen.

Marc en George gaven hem en Marleen een hand toen de hinde in de jeep was geladen, alsof ze een transactie verzegelden – hulp bij een aanrijding in ruil voor zeventig kilo vlees.

Wat gaat er nu met het dier gebeuren, vroeg hij aan Marleen toen ze daarna stapvoets terugreden naar de AirBnB.

Volgens mij bewaren ze het. Om op te eten.

Een walgelijk idee: George die met een scherp jagersmes de hinde vilde, in stukken verdeelde en invroor.

Die nacht werd hij bezweet wakker. Hij droomde dat de hinde bij hem in bed lag. Nadat hij het deken had weggeslagen om te kijken of Marleen er nog was , duurde het even voordat hij zeker wist of hij echt wakker was. Dat overkwam hem vaker, wakker worden, een droom of nachtmerrie verwerken, om een moment later voor de tweede keer te ontwaken, dan pas echt. De rest van de nacht vroeg hij zich dan in halfslaap af of zijn werkelijkheid wel de werkelijkheid was.

De volgende ochtend deukte George in de garage van Sylvia de bumper van hun auto uit. Langzaam liet hij water dat net van de kook was over de grootste deuken stromen, met zijn vrije hand duwde hij zachtjes tot de deukjes met een zacht plopgeluid verdween. Over de grootste scheur smeerde hij een mysterieus wit goedje dat hij droogblies met een haarföhn. Man maakt auto. Ruben belde ondertussen met de verzekeringsmaatschappij.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 6 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Op 27 augustus 2019 werd om iets over twee in de middag in het ziekenhuis van Rouen een meisje van drie opgenomen met hevige hoofdpijn en veertig graden koorts. Na vierentwintig uur ebde de koorts even weg, maar kwam in de nacht met hulptroepen terug. Het meisje, dat Juno Kortenaar heette en uit Breukelen kwam, kreeg een dag later last van hevige duizelingen en een stijve nek. Ze werd bovendien exteem gevoelig voor licht – toen de dienstdoende verpleger per ongeluk het gordijn opende in haar kamer, schreeuwde ze het uit alsof het licht haar lichaam verbrandde. Door een plotselinge toename van witte bloedcellen werd de kleine Juno per helicopter naar de intensive care van het kinderziekenhuis in Rouen overgebracht, waar ze twee dagen later na een korte coma overleed aan een herseninfarct.

Alexandre Boucher, een jonge arts uit Saint-Pierre-en-Pont, ontdekte postmortem dat het om een infectie van de naegleria fowleri ging, ook wel bekend als de hersenetende amoebe. Het eencellige organisme komt voor op plekken met chloorvrij, stilstaand zoetwater zoals meren, modderpoelen en slecht onderhouden zwembaden. Alleen als de amoebe het lichaam via de neus binnendringt, kan het schade aanrichten. Het baant zich via het zenuwstelsel naar de hersenen waar het de beschermlaag om het centrale zenuwstelsel opeet en zich daar verder vermedigvuldigt. Door een tegenaanval van het immuunsysteem raken de hersenen ontstoken en zwellen op. In vrijwel alle gevallen leidt een infiltratie van de amoebe tot de dood.

Bouchers ontdekking leidde tot een effectieve behandeling die wereldwijd honderden levens zou redden. Hij schreef er een paper over in the New England Journal of Medicine en mocht de jaren die volgden op allerlei symposia als keynotespreker vertellen over zijn vondst.

Hij werd er gek van. Van de op elkaar lijkende hotelkamers in verschillende steden, hetzelfde slechte ontbijt, zijn powerpoint met informatie over antischimmelmedicatie Amfotericine B, het opdreunen van de tekst, dezelfde vragen uit het publiek. Toen hij op de luchthaven van Lille was aangekomen na nog zo’n uitputtingsslag (ditmaal een seminar van drie dagen op de universiteit van Düsseldorf), en hij vanuit de auto onderweg naar huis belde met een collega uit het ziekenhuis om erover te klagen, werd hij op een landweg vlakbij zijn woning dodelijk aangereden door een dronken automobilist.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 5 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Rustig maar, rustig maar.

            Het was niet om aan te zien, dit stervende dier. De hinde staarde met wijdgesperde ogen naar Ruben en rochelde tijdens het in- en uitademen. Toen rolden haar ogen naar achter als van een pop. Je kunt een stervend, wild dier niet kalmeren, besefte Ruben: zijn aanraking en aanwezigheid maakten haar waarschijnlijk alleen maar angstiger. Het frustreerde hem dat de hinde zijn gefluisterde woorden niet begreep, en dat hij niet durfde om te doen wat nu nodig was, de handeling die het dier zou verlossen. Wat als hij te weinig kracht had of het verkeerd deed? Hij voelde zich zwak dat een of andere Fransman op weg was om het klusje te klaren, een man die er niet naar omkeek om de nekken van aangereden dieren om te draaien.

Geclaxonneer, knipperend groot licht in de verte. Hij zag hoe een zwarte jeep hem met hoge snelheid naderde – Ruben wist niet of hij weg moest duiken omdat de remmen van de jeep niet meer werkten, of dat dit een test van zijn mannelijkheid was; het kostte hem al zijn wilskracht om te blijven staan totdat de jeep een paar meter voor hem eindelijk remde en aan de kant van de weg werd geparkeerd.

            Er werden handen geschud, er werden namen uitgewisseld. De man heette George en zag er heel anders uit dan Ruben zich had voorgesteld. Ouder, klein en ingedeukt.

            George hurkte voor het dier neer en aaide het over haar hals.

            C’est dommage, c’est dommage. Marc, viens me aider, s’il vous plait.

            Hij zag hoe George de vacht van de hinde streelde. Daarna legde hij een hand op de snuit en de andere tussen haar oren. Marc hurkte naast hem neer en hield het spartelende lijf van de hinde in bedwang. Net voordat hij het geluid van de knak hoorde, sloot Ruben zijn ogen.