Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 7 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Hij zag hoe George en Marc de hinde naar de jeep sjouwden, ze hadden de voor- en achterpoten met touw aan elkaar vastgebonden en wiegden het dode dier heen en weer totdat ze het loslieten en het met een harde smak in de achterbak belandde. Hij dacht aan vroeger, aan het buitenzwembad aan de rand van het dorp waar de polders begonnen, de buurtvriendjes die hem bij handen en voeten hadden gepakt en in het water gooiden, hoe ze daarna op het grasveld annemarie koekoek speelden en hij om de paar seconden voor standbeeld speelde. De hitte van augustus die hij toen nog aangenaam vond; nu waren de zomermaanden hem een kwelling. Hij hield niet van korte broeken en mouwen.

Marc en George gaven hem en Marleen een hand toen de hinde in de jeep was geladen, alsof ze een transactie verzegelden – hulp bij een aanrijding in ruil voor zeventig kilo vlees.

Wat gaat er nu met het dier gebeuren, vroeg hij aan Marleen toen ze daarna stapvoets terugreden naar de AirBnB.

Volgens mij bewaren ze het. Om op te eten.

Een walgelijk idee: George die met een scherp jagersmes de hinde vilde, in stukken verdeelde en invroor.

Die nacht werd hij bezweet wakker. Hij droomde dat de hinde bij hem in bed lag. Nadat hij het deken had weggeslagen om te kijken of Marleen er nog was , duurde het even voordat hij zeker wist of hij echt wakker was. Dat overkwam hem vaker, wakker worden, een droom of nachtmerrie verwerken, om een moment later voor de tweede keer te ontwaken, dan pas echt. De rest van de nacht vroeg hij zich dan in halfslaap af of zijn werkelijkheid wel de werkelijkheid was.

De volgende ochtend deukte George in de garage van Sylvia de bumper van hun auto uit. Langzaam liet hij water dat net van de kook was over de grootste deuken stromen, met zijn vrije hand duwde hij zachtjes tot de deukjes met een zacht plopgeluid verdween. Over de grootste scheur smeerde hij een mysterieus wit goedje dat hij droogblies met een haarföhn. Man maakt auto. Ruben belde ondertussen met de verzekeringsmaatschappij.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 6 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Op 27 augustus 2019 werd om iets over twee in de middag in het ziekenhuis van Rouen een meisje van drie opgenomen met hevige hoofdpijn en veertig graden koorts. Na vierentwintig uur ebde de koorts even weg, maar kwam in de nacht met hulptroepen terug. Het meisje, dat Juno Kortenaar heette en uit Breukelen kwam, kreeg een dag later last van hevige duizelingen en een stijve nek. Ze werd bovendien exteem gevoelig voor licht – toen de dienstdoende verpleger per ongeluk het gordijn opende in haar kamer, schreeuwde ze het uit alsof het licht haar lichaam verbrandde. Door een plotselinge toename van witte bloedcellen werd de kleine Juno per helicopter naar de intensive care van het kinderziekenhuis in Rouen overgebracht, waar ze twee dagen later na een korte coma overleed aan een herseninfarct.

Alexandre Boucher, een jonge arts uit Saint-Pierre-en-Pont, ontdekte postmortem dat het om een infectie van de naegleria fowleri ging, ook wel bekend als de hersenetende amoebe. Het eencellige organisme komt voor op plekken met chloorvrij, stilstaand zoetwater zoals meren, modderpoelen en slecht onderhouden zwembaden. Alleen als de amoebe het lichaam via de neus binnendringt, kan het schade aanrichten. Het baant zich via het zenuwstelsel naar de hersenen waar het de beschermlaag om het centrale zenuwstelsel opeet en zich daar verder vermedigvuldigt. Door een tegenaanval van het immuunsysteem raken de hersenen ontstoken en zwellen op. In vrijwel alle gevallen leidt een infiltratie van de amoebe tot de dood.

Bouchers ontdekking leidde tot een effectieve behandeling die wereldwijd honderden levens zou redden. Hij schreef er een paper over in the New England Journal of Medicine en mocht de jaren die volgden op allerlei symposia als keynotespreker vertellen over zijn vondst.

Hij werd er gek van. Van de op elkaar lijkende hotelkamers in verschillende steden, hetzelfde slechte ontbijt, zijn powerpoint met informatie over antischimmelmedicatie Amfotericine B, het opdreunen van de tekst, dezelfde vragen uit het publiek. Toen hij op de luchthaven van Lille was aangekomen na nog zo’n uitputtingsslag (ditmaal een seminar van drie dagen op de universiteit van Düsseldorf), en hij vanuit de auto onderweg naar huis belde met een collega uit het ziekenhuis om erover te klagen, werd hij op een landweg vlakbij zijn woning dodelijk aangereden door een dronken automobilist.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 5 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Rustig maar, rustig maar.

            Het was niet om aan te zien, dit stervende dier. De hinde staarde met wijdgesperde ogen naar Ruben en rochelde tijdens het in- en uitademen. Toen rolden haar ogen naar achter als van een pop. Je kunt een stervend, wild dier niet kalmeren, besefte Ruben: zijn aanraking en aanwezigheid maakten haar waarschijnlijk alleen maar angstiger. Het frustreerde hem dat de hinde zijn gefluisterde woorden niet begreep, en dat hij niet durfde om te doen wat nu nodig was, de handeling die het dier zou verlossen. Wat als hij te weinig kracht had of het verkeerd deed? Hij voelde zich zwak dat een of andere Fransman op weg was om het klusje te klaren, een man die er niet naar omkeek om de nekken van aangereden dieren om te draaien.

Geclaxonneer, knipperend groot licht in de verte. Hij zag hoe een zwarte jeep hem met hoge snelheid naderde – Ruben wist niet of hij weg moest duiken omdat de remmen van de jeep niet meer werkten, of dat dit een test van zijn mannelijkheid was; het kostte hem al zijn wilskracht om te blijven staan totdat de jeep een paar meter voor hem eindelijk remde en aan de kant van de weg werd geparkeerd.

            Er werden handen geschud, er werden namen uitgewisseld. De man heette George en zag er heel anders uit dan Ruben zich had voorgesteld. Ouder, klein en ingedeukt.

            George hurkte voor het dier neer en aaide het over haar hals.

            C’est dommage, c’est dommage. Marc, viens me aider, s’il vous plait.

            Hij zag hoe George de vacht van de hinde streelde. Daarna legde hij een hand op de snuit en de andere tussen haar oren. Marc hurkte naast hem neer en hield het spartelende lijf van de hinde in bedwang. Net voordat hij het geluid van de knak hoorde, sloot Ruben zijn ogen.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 4 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Marleen, Ruben, Freek en Kimiko; een etentje in Breukelen, het was bijna middernacht en er stond een wankele Jenga-toren en een halfvolle fles whiskey op tafel. In de hoek nog wat opgestapelde verhuisdozen. Het gesprek ging over filosofie, over empathie, over de inherente schaamte van geluk. Kimiko had wijsbegeerte gestudeerd en was al een paar jaar bezig met een boek over het nut van verveling voor de moderne mens. Ze werkte drie dagen in de week als serveerster in een Bagels & Beans. Ik vind dat we vaker parallel moeten denken, zei Ruben. Awee Prins propageert dat we vaker moeten denken aan ongelukkige mensen als we zelf juist gelukkig…
Hè, komt-ie weer met z’n Awee Prins, onderbrak Marleen hem, net voordat hij zijn punt wilde maken. Ze schonk een glas whiskey in en nam een grote slok. Drie vingers over in het glas.

Wat bedoel je?
Awee Prins, die noem je iedere keer als het over filosofie gaat.
Het is mijn favoriete filosoof. Hij heeft boeiende inzichten.
Je hebt niet eens een boek van hem. Hoe heet zijn laatste boek eigenlijk?
Hij wist het antwoord niet en voelde zijn gezicht rood worden. Hij begon te morrelen aan een blokje hout in het midden van de toren. Niemand zei wat, het leek wel minuten te duren.
Zijn longread in De Volkskrant vond ik erg interessant, zei Kimiko. Ze keek hem aan en glimlachte. Hij vond dat ze een mooie glimlach had.
Toen het haar beurt was liet Marleen de toren instorten. De katten die de hele avond vredig in de vensterbank hadden geslapen, sprongen op en renden de trap op. Ze gleden in de bocht met hun pootjes over de houten vloer als dieren in tekenfilms, als driftende rallywagens in de spelletjes die hij vroeger op de Playstation speelde. Een half uur later, toen Freek en Kimiko met de laatste bus naar Utrecht Centraal waren vertrokken en Ruben net klaar was met de afwas, twijfelde hij of hij Marleen moest aanspreken op haar gedrag – hoe ze hem in het bijzijn van hun vrienden belachelijk had gemaakt, hoe beschaamd hij zich voelde. Zou het een ruzie waard zijn? Vooral als Marleen veel gedronken had, groeide een kritische opmerking of kleine ergernis al snel uit tot geschreeuw en het dichtslaan van deuren – ze had zelfs een keer een volle theemok zijn kant op gegooid, de kamille had een vlek gemaakt in het dure vloerkleed, die Ruben pas na  uren voorzichtig wrijven en deppen eruit kreeg.

Met die gedachte in zijn achterhoofd besloot Ruben tijdens het poetsen van zijn tanden om
ook deze keer zijn mond te houden.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 3 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Marleen overlegde in het Frans met de eigenaresse van de AirBnB waar ze sliepen, een Italiaanse vrouw van achter in de vijftig die Sylvia heette en twintig jaar geleden samen met haar man naar Normandië was geëmigreerd. Hij was vijf jaar geleden overleden, Sylvia was gebleven. De afgelopen dagen kregen Marleen en Ruben iedere ochtend naast chocoladebroodjes, goede espresso en verse pruimen uit de tuin ook advies over de omgeving, een grote kaart van het gebied op tafel opengeklapt terwijl ze alles met Google Maps deden. Parli Italiano? Si, un po. De krijtrotsen in Étretat, de militaire begraafplaats in Colleville-sur-mer, Omaha Beach, visrestaurants in Fécamp en Honfleur: Marleen luisterde, plande een route en reed hen dezelfde dag overal naartoe.

Qui, qui, sur la D33, direction á Limerville.
Marleen hing op en ging weer achter het stuur zitten. Een zucht.
En?
Er komt iemand aan.
Wie?
Een vriend van Sylvia met zijn broer. Die weten wat ze moeten doen.
Hij stelde zich Sylvia’s vriend voor, vast een grote, vriendelijke man boven de honderd kilo die de grootste tegenslag joviaal weg kan lachen. Grijze baard en blauwe tuinbroek. Iemand die iedere avond Calvados dronk na het avondeten. 
Hoe lang gaat het duren? vroeg Ruben.
Een half uur. Ze zei dat iemand bij het dier moet blijven om het te kalmeren.
Weer een zucht, langer deze keer.
Wat is er?
Wat denk je? Weet je hoeveel geld het kost om die auto te repareren? Hoe leg ik dit uit als we hem terugbrengen naar mijn moeder? En dan moeten we van jou hier ook nog eens wachten omdat het zogenaamd zo zielig is. Er worden hier om de haverklap dieren aangereden. Dat hoort er gewoon bij.
Voordat Ruben iets kon terugzeggen, werden ze allebei opgeschrikt door een harde klap tegen de bumper. De hinde gaf een teken van leven.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte. Dit is haar slotbijdrage.

*

Deze week bivakkeer ik samen met een dierenarts, een kinderpsycholoog, twee waterbouwkundigen en een vorkheftruckchauffeur in Artun om er onder leiding van Ben Wilde, oprichter van de Archipelago Folkschool, mijn eigen houten Groenlandse kajak te bouwen.

De vier lange delen, op de millimeter precies gezaagd met een CNC, een computergestuurde machine, vormen de romp van de boten. Om die in de juiste vorm te dwingen, zagen we elk twee lariks latten aan de uiteindes in totdat ze voldoende buigen. Als de punten van de latten op lengte zijn, zie ik mijn medebootbouwers net als ik splinters uit de vingers bijten.

In een werkplaats met uitzicht op de kliffen van Burg zijn de zes kuipen al de eerste ochtend aan elkaar gelijmd. De tweecomponentenlijm die huist in het epoxykasteel, zoals Ben de kist met lijmpomp gekscherend noemt, is ongetwijfeld het belangrijkste bestanddeel van de boten.

De volgende fase gebeurt met vlakschaaf en spookschaaf. Eindelijk snap ik hoe die schaaf met twee handvatten aan zijn vreemde naam komt. Spokeshave heet het gereedschap in het Engels, verwijzend naar de spaken van een wiel waarvoor de schaaf oorspronkelijk werd gebruikt. Wat een genot om de houten krullen die we maken in de boten te zien ophopen. Het samenvallen van de ritmische beweging van het scherpe mes, het materiaal dat we verwijderen, het gladde hout dat zodoende tevoorschijn komt en de mannen naast me in hun blauwe overalls lijken uit een gedicht van Monika Rinck ontsnapt.

De timmermansplaat

kort na zessen, hier zijn ze weer, deze timmermannen,
deze timmermansstemmen, in de onbehandelde kuil
van mijn halfslaap gedreven, onderranden van spot vervuld.
in de monochrome ochtend raken vlakken elkaar,
ontmoeten de zagen zich voor het gebed, dat noemt men wel
spraakzaamheid. dat noemt men oprechtheid. toch wanneer ze,
zo vroeg al, ramen vertrappen, komen panische dromen
me tegemoet. heel anders het hameren, in welk
ritme ik denk, heel anders het slijpen, op welk
stoffig spoor ik naar het ontwaken toe glijd – ze zijn
dagelijks de eersten, die laten zien: de dingen zijn hier.

En zo is het. De schaven hebben het vandaag voor het zeggen. Onze kajaks krijgen vorm en wij vormen onze schouders, armen, heupen steeds vertrouwelijker om de boten tijdens het bouwproces. Op een been staand ondersteun ik de onderzijde met mijn opgetrokken knie en het voelt als een pas de deux.

Veel handelingen zijn complex en vergen extreem veel tijd, dus werken we het merendeel van de week twee aan twee. We wisselen de taken van epoxyroerder, smeerder en monteur af zonder te pauzeren tot alle zes kajaks zijn bespannen. Aan het eind van dag vier hebben we alle voor- en achterdekken weten te bollen. We zien wit van spanning en onze knieën knikken van het lange staan. Voldaan staan we naar onze arbeid te kijken. Meer dan zestig spanbanden houden de ranke schepen in bedwang.

Op zaterdag vindt onze lancering plaats in de baai van Uisken. We rijden in konvooi met de haast identieke bouwsels de op het dak van onze auto’s naar het brede strand. Pas nu ik met mijn gloednieuwe kajak op de schouder naar de branding loop, voel ik hoezeer ik naar dit moment heb toegeleefd. Voorzichtig leg ik de boot op het water. De tekening van het hout, die door de epoxy nog meer opvlamt, loopt in de rimpeling van de golven over. Wanneer de zee tot mijn knieën reikt, stap ik op. Vanaf het achterdek schuif ik mijn benen langzaam de cockpit in. Een minuut of tien wiebel ik onwennig. Ik voel de golfslag door de dunne scheepshuid tegen de onderkant van mijn benen klotsen en peddel de Atlantische Oceaan tegemoet om me heel even te wagen aan de lange deining.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

‘Kunnen jullie twee dagen missen,’ vraagt Aimil, de ranger, ‘om me te helpen met het tellen van black quillemots rond Staffa?’ Ze weet niet zeker of de zeekoeten al zijn teruggekomen uit het zuiden. De telling zelf kost hooguit een uur, maar omdat de vogels voor het broedseizoen alleen rond zonsopkomst op het water gaan zitten, zullen we moeten kamperen. Overnachten op een onbewoond eiland, wie zegt daar nee op?

Het is druk op de pier naar Iona. De houten boot ligt al langszij. We nemen plaats op het achterdek. Met onze afgedragen waxjassen, grote rugzakken en laptoptas zijn wij vreemde vogels onder de schepelingen. Onderweg naar Staffa worden we vergezeld door dolfijnen die onvermoeibaar door het kielwater duiken. Na vijftig minuten op volle kracht legt de schipper de boot voor de zeegrot stil. Een aantal basaltzuilen braken af in een storm. Nog steeds zijn de trappen niet hersteld waardoor de toegang tot de grot alleen via het water mogelijk is. Nadat iedereen een foto van Fingal’s Cave heeft gemaakt, meren we af op de oostpunt en torsen onze bagage omhoog. We zetten de tenten tussen twee kliffen in de buurt van een rietlandje waar ook de zoetwaterbron is. R. loopt terug naar de basaltzuilen om er vis aan de haak te slaan. Met een meegenomen tube tomatenpuree kunnen we als hij iets vangt nog wat mosselen en zeewier plukken om een bouillabaisse te maken.

Aimil en ik rapen de aangespoelde plastic flessen langs de stranden op. We vinden ook een afgewaaid dak en twee boeien met de opschriften ‘Top Dog’ en ‘Virxen da Blanca’. Wanneer we vijf vuilniszakken rommel gevuld hebben, komt R. met twee koolvissen aanlopen en we slaan aan het koken op twee gasstelletjes. Na een voortreffelijke zeesoep struinen we over het eiland tot de eerste ster verschijnt en de wind te scherp wordt om nog langer buiten te blijven.

Heel de nacht vliegt een watersnip om de tent. Met een speciale trilveer probeert de vogel indruk te maken. Het spookachtige geluid belet ons het slapen, maar we liggen zacht en warm. Rustig wachten we op het afgaan van de wekker.

Klaarwakker lopen we om half zes gedrieën naar het hoogste punt om daar op te splitsen. Aimil neemt de westkant van het eiland voor haar rekening en wij de oostkant. Alsof ze een lokvogel voor ons heeft uitgezet, zie ik net na het startsein de eerste zwarte zeekoet. De witte ovale vlekken op de vleugel zijn onmiskenbaar.
We hebben geen tijd om te blijven kijken. De telling moet vlot gebeuren anders vliegen of zwemmen de vogels dubbel voorbij. In onze verrekijkers rimpelen duizenden golven waarachter vogels verstopt kunnen zijn. Als trage jaknikkers scannen we het water. Het vergt absolute concentratie. ‘Daar, kijk! op twee uur, een enkel exemplaar, verderop een groepje van twee of drie nee, vier!’ Twee zeekoeten vliegen rechts uit beeld. Het aantal loopt rap op. Aimil komt ons voorbij het midden glunderend tegemoet. ‘48,’ roept ze. Oost en west opgeteld noteren we 81 zwarte zeekoeten.

Na het ontbijt worden de overgebleven taken verdeeld. R. repareert met een rolletje zwarte tape staalkabelrailing langs de zuilen. Ik help Aimil met het aftappen van het rode oog, het apparaatje dat het aantal bezoekers telt. Het vloekt nogal: haar laptop op het zestig miljoen jaar oude basalt om actuele data binnen te halen. Vorig jaar zetten 100.000 mensen voet aan wal op Staffa. Behalve de aanwezigheid van een collectebus is er voor de toeristen in tweehonderd jaar tijd niets veranderd. Na de steiger kun je of naar de grot lopen of naar de rots met de papegaaiduikers die profijt hebben van alle aandacht omdat de meeuwen door de mensenmenigte niet in de buurt van hun holen durven te komen.

Als laatste klusje moeten de greppels worden uitgegraven. De geulen leiden het water van hogerop dwars over het pad, zodat de bezoekers droge voeten houden. Met mijn laarzen schop ik het lange gras weg dat de greppels blokkeert. Op plekken waar te weinig ruimte lijkt voor het water steek ik pollen weg met de spa. Druk doende vergeet ik haast waar ik ben. Hoog rijst het eiland boven zee op. ‘Fingal Weller of battle, I gave him the dark rolling sea. A pillar of darkness. Alone on the sea- beat rock.’ Zinnen over Staffa van andere schrijvers die ik heb verzameld schieten door mijn hoofd. James Macpherson, John Keats, Jules Verne, Theodore Fontane en Joseph Banks schreven alle vier hoe moeilijk het was de pracht van het eiland te verwoorden.
Mijn pen heeft vanmorgen de vorm van een spade. Ik kopieer het handschrift van mijn voorgangers, de anonieme gravers. De lijnen die ik trek zijn tijdelijk en zullen worden overschreven. Jaar na jaar. Is dat niet het ultieme schrijverschap?

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Op weg naar het dorp kom ik John, de imker, tegen. De afgelopen twee maanden is hij met zijn vrouw en dochtertje Wren op rondreis geweest door Schotland. ‘I am totally skinned,’ zegt hij, ‘daarom werk ik nu overal en nergens.’ Vandaag sloopt hij het muurtje naast de winkel in ruil voor wat boodschappen. Achter de roze granieten muur, die al voor de helft is neergeslagen, staan Johns broodtrommel en thermosfles. Bij het zien ervan denk ik aan hoe ze later vandaag zonder de beschutting van de muur zullen afsteken tegen de lucht, eenzaam rechtop als een standing stone in het veld.

Op Lewis, het eiland dat ik bij helder weer achter Iona kan zien liggen, staan dertien stenen opgesteld in een cirkel. In het midden torent een centrale monoliet. Geschat wordt dat de stenen tussen de drie- en vijfduizend jaar geleden zijn gegroepeerd. ‘Fir bhrèige’ (‘foute mannen’) noemen de bewoners de stenen van Calanais, inderdaad lijken ze op een samenzwering van duistere figuren.
Ik heb gelezen dat men de grote stenen heeft kunnen verplaatsen door het gebruik van kelp. Door lange banen aan te leggen van glibberig zeewier was het mogelijk om de zware menhirs over langere afstanden te verplaatsen. De grote steen op het strand van Fionnphort lijkt op een bed van zeewier te liggen, maar is juist door de gletsjer daar naartoe geschoven.

In Aridhglas, vlakbij Fionnphort, staat een exemplarische steen, inmiddels onderdeel van een muur geworden. Het silhouet is al van verre zichtbaar. Steeds als ik de steen zie, lijkt deze zich op te splitsen. Ik zie niet de steen, maar de mensen die de kolos hielpen positioneren.
Vanwege het aflammeren mag ik niet dichterbij komen. De boer wuift me weg als ik het hek nader.
‘Ga liever naar Pottie,’ roept hij. ‘De punt van de steen daar wijst naar de poolster.’

Voor de T-splitsing naar Pottie pluk ik de eigele bloemen van een paar gaspeldoorns om er pigment van te maken. Vanachter het struikgewas klinkt opeens een schelle stem die zegt: ‘Wat een akelig werkje verricht je daar.’ Een oude dame met wandelstok knikt vriendelijk. Ik antwoord dat ik de bloesem pluk om mee te verven. ‘Dat vermoedde ik al,’ zegt ze. Haar terriër heeft om de linker achterpoot een plastic zak gebonden gekregen en ons gesprek wikkelt de gewonde poot uit de geïmproviseerde beschermlaag. Na een korte uitwisseling over splinters en zweren stellen we ons voor.

‘Weet je de twee ruïnes aan de andere kant van het pad,’ vraagt Elspeth. Ik antwoord dat ik van de vlier in het meest vervallen huis elk jaar tien bloemschermen knip om siroop mee te maken. ‘Precies,’ zegt Elspeth, ‘daar woonde Mary Walls. En in het andere huis woonde Mary Cameron. Ze konden elkaar niet uitstaan. Bij het huis van Mary Cameron hoorde een bron waar Mary Walls absoluut geen water uit mocht putten. Zij moest anderhalve mijl lopen met een juk. Stel je voor: twee zielen op steenworp afstand aan het einde van de wereld, die niet met elkaar overweg kunnen! Als ik me eenzaam voel, denk ik aan hen en voel ik me niet zo miserabel meer.’

‘Hoe hielden ze zichzelf in leven,’ vraag ik.
‘Mary Walls was handig met naald en draad.’ Om de mond van Elspeth verschijnt een glimlach. ‘Ze naaide voor zichzelf een reiskostuum. Van de meest dichte tweed die je je kunt voorstellen. Een hele stijve broekrok, terwijl ze nooit op reis ging. Ze trok haar tenue aan als ze naar Creich hall liep. Iedereen lachte achter haar rug om.’

De steen van Pottie, volledig begroeid met bleek baardmos, staat op het plateau waar vroeger de paarden los mochten na een lange werkdag. De mensen die de steen daar plaatsten, waren van het bestaan van het paard echter nog niet op de hoogte.

In gedachten rol ik het kelppad uit naar de baai en duw de puntige steen omhoog naar Pottie. Later naar beneden lopend lijkt de steen in mijn rug te prikken. Ik realiseer me dat Elspeth Campbell door over de ruziënde Mary’s te vertellen net twee voor mij nog sluimerende karakters rechtop heeft gezet.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na twee autoloze weken heeft buurvrouw Sineag me vanmorgen bij de Kennedy’s garage van Salen afgezet. De hydraulische cylinder van de koppeling moest worden vervangen. Veel dichter in de buurt bevindt zich de beruchte MacDougalls garage. Volgens de dorpelingen moet je nooit je wagen aan hen toevertrouwen, omdat terugkeer niet gegarandeerd is. Sommige mensen wachtten een half jaar op de reparatie of kregen na maanden te horen dat hun auto naar de sloop was gebracht. De monteurs uit Salen daarentegen handelen gebreken ogenblikkelijk af. Optredende vertraging wordt louter veroorzaakt door de aanvoer van vervangende onderdelen vanaf het vasteland.

Met Sineags blauwe Renault in de achteruitkijkspiegel verschijnend en verdwijnend rijd ik over de eenbaansweg terug naar Knockvologan. In sierlijke curves werken we het sporadische tegemoetkomende verkeer weg. We geven de passerende auto’s aan elkaar door als een estafettestokje. Aan elke inhaalmanoeuvre gaat een overleg via knipperlichten vooraf, zodat de passage in een vloeiende beweging plaats kan vinden. Er is altijd een van de twee weggebruikers die het voortouw neemt en halt houdt bij een daarvoor bestemde zwart-wit gemarkeerde inham. Hierop volgt dan steevast een vriendelijke zwaai van beide partijen of minutenlang gesprek, want heel vaak blijkt de tegenligger een bekende te zijn.

Voorbij Kinloch zie ik in de bocht iets op de weg liggen. De roodbruine-rode kleurstelling kan maar een ding betekenen. Ik minder vaart. Het blijkt inderdaad een fazantenhaan te zijn. Binnen luttele minuten ligt de grote vogel naast me op de bijrijdersstoel. Het dier is nog warm en heeft net de ogen gesloten. Vorige week meende buschauffeur Crìsdean dat fazantenmannetjes suïcidaal zijn. In de baltstijd heeft hij tijdens elke rit last van overstekend kleinwild. ‘Remmen heeft geen zin,’ beweerde hij, ‘ze doen het erom’. Sineag snapt onmiddellijk waarom ik stil sta en wiekt met beide handen.

In de eerstvolgende inham staat een wit busje geparkeerd met de vermoedelijke daders. Ik zie twee toeristen op leeftijd verbouwereerd voor zich uitkijken. Ze antwoorden niet als ik mijn raampje opendraai en vraag of alles goed is. Heb ik hun avondeten ontvreemd?

Met een ongekend gevoel van triomf zet ik me een half uur later aan het plukkarwei: het pluimen. Mijn korte rukjes zijn lang niet kort genoeg. Ik trek in de richting waarin de veren wijzen, maar ze komen slecht los. Beginnend bij de poten zit ik al gauw zelf onder de dons. Mijn handen bedekken zich en het kriebelt rondom mijn neus en mond. Een salvo van niezen volgt en alles stuift op.

De veren rond de buik en vleugels zitten iets losser en komen in trosjes naar buiten. Wat een prachtig spectrum aan bruintinten en markeringen. Volgens de vogelgids roesten fazanten op boomtakken. Roesten betekent hier het overnachten van vliegend wild, maar vanaf vandaag zal ik het roestkleurige verenkleed van de fazant daar altijd bij optellen.

Onder de borstveren en flanken vind ik fijnere egaal grijze donsveren. De kop met vuurrode lellen, die ook uit veren bestaan, is iriserend blauw van kleur en staat strak op een witte kraag.

Ik onderdruk de neiging om de gehele pluimage te willen bewaren en maak een selectie van elke veersoort, behalve voor de lange zwart bruin gestreepte staartveren. Die houd ik allebei. Dan strijk ik de getipte oren naar achteren en snijd de hals door, onder de krop, want als die holte in de keel opengaat, kan het vlees bederven.

Pas wanneer de fazant haast kaal geplukt is, schiet me het verhaal te binnen van Catriona, de archivaris uit Balevulin. Haar oom was jager. Elke herfst stuurde hij een deel van zijn buit naar familie elders in het land. Via de Royal Mail. Hij wikkelde het afgehangen vlees in bruin sack paper dat bij bezorging steevast doorweekt was. Na bijna twee weken kwam de hertenbout high aan; ‘op smaak’, verduidelijkte ze.

Mijn fazant ruikt naar brandnetels en aarde, een tintelende geur. Nog geen spoor van verwaaiing. Het verwijderen van de ingewanden is zo gepiept. In mijn handpalm rust het inmiddels niet meer zo warme dieprode hart. Het weegt zwaar.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na een dag werken in het reservaat snak ik naar een bank om op neer te ploffen. Ik heb er zelf een geïmproviseerd van drie rode viskratten en een reservematras die ik met tweed uit de plaatselijke weverij heb gestoffeerd. Een tweede matras tegen de muur biedt enig comfort, maar de verhoudingen zijn net niet ideaal, waardoor het zoeken blijft naar ontspanning voor een rug die krom is gaan staan van het bomen planten.

Mijn huisraad bestaat sinds ik uit huis ben vooral uit boeken. Ik heb in de loop der jaren meubels verzameld van straat toen er nog grof vuil aan de stoep gezet mocht worden. Vanmorgen spoelde er een stoelleuning aan. Bezorging via de zee gaat langzaam, maar op den duur zal ik wel een fauteuil compleet hebben. In de tussentijd vind ik op internet een schommelstoel van eikenhout, een strak ontwerp en ik ben op slag verkocht. Via de telefoon doe ik mijn bestelling, omdat de knop voor de keuze van de stoffering niet werkt door de trage verbinding.
De stoel kan niet naar Mull worden verscheept, dus schakel ik een koerier uit Glasgow in die het bouwpakket in Edinburgh ophaalt en in Oban zal afleveren. Daar handelt een tweede koerier de bezorging af, zodat ik eerdaags een beetje kan uitrusten.
Maandag heb ik een afspraak met de tandarts en steek met de veerboot The Firth of Lorn over naar het vasteland. Na een kortstondige röntgensessie rijd ik linea recta naar het depot en haal daar de bestelling op. ’s Avonds wanneer ik de grote doos open, blijkt de stoel niet compleet te zijn. De kussens ontbreken.
Dinsdagochtend bel ik naar de meubelzaak. De kussens staan op de bon. Het blauwe pakket is door de distributeur opgehaald. De bestelling is absoluut verzonden.
Ik bel naar het depot in Oban en krijg de man, die mij hielp met inladen, aan de lijn. Hij verzekert me dat er geen blauw pakket is afgeleverd. Hij heeft de vrachtwagen zelf uitgeladen.
Dan bel ik met de koeriersdienst om hen van het euvel te verwittigen, maar krijg geen respons.
Het blauwe pakket spookt de hele dag door mijn hoofd. Ik schrijf een mail naar de koerierdienst en de opslag in Oban. ‘Iedereen heeft overal gezocht,’ luidt het tweestemmige antwoord. Het pakket wordt als verloren beschouwd. Punt uit. De meubelzaak vergoedt de kussens en stuurt
een nieuw set op naar Knockvologan. Ik moet de verzendkosten zelf betalen.
Woensdagmiddag krijg ik bijval uit Oban. ‘Hi, it’s Ceiteac here. About the cushions mystery.’ Hij stuurt me ter bevestiging de videobeelden als bewijs dat hij het pakket echt niet aangeleverd heeft gekregen.
Ik bekijk de opnames van de sjouwende mannen, die alles zonder heftruck uit de vrachtwagen tillen. Ze zijn er haast een uur mee bezig. De dozen worden voorzichtig opgestapeld. Sommige links, sommige rechts. Het is zwaar werk. Bij de twee laatste pakketten verandert hun lichaamshouding. Ik kan de moeheid van hun schouders zien vallen. Begeleid door een treurig briefje (niet boos worden!) stuur ik de beelden door naar Edinburgh en hoor de verdere dag niets meer.

Zojuist, een week later, ontving ik een email van het transportbedrijf: de kussens zijn gevonden. Ze schoven in de vrachtwagen achter een wand en reden op en neer. Binnen drie minuten heb ik een opgetogen Grace van de distributie, een grinnikende Ceiteac in Oban, en een gillende Lisa in Edinburgh aan de lijn. Het voelt toch een beetje, of we verspreid door het land tot een ultieme samenwerking zijn gekomen.