Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 2 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

‘De wal’ noemen ze het vasteland hier. Alsof het eiland een schip is. Of een losliggend vlot. Alsof het elk moment op drift kan raken.

Misschien is het waar dat dingen op eilanden minder vast liggen. Ook de tijd lijkt zich er anders te gedragen.

Vannacht werd ik — voor de zoveelste keer sinds ik hier ben — wakker van de stilte. Zo stil moet het zijn op de bodem van de oceaan, dacht ik. Of in de ruimte. Door de kier tussen de gordijnen flitste de morsecode van het vuurtorenlicht langs de wanden van de slaapkamer.

Ik dacht aan de astronaut die ik eens heb horen vertellen over zijn werk op het International Space Station. Hij kon slechts werken in etappes. Elke 45 minuten schoof de aarde voor de zon en zag je geen hand voor ogen in het heelal. Na drie kwartier kwam de zon weer op en kon hij verder met zijn werkzaamheden. Hij zag zestien zonsopgangen en zestien zonsondergangen per dag.

Ik viel in slaap. Terwijl ik sliep flitsten de etmalen voorbij. Bij het ontwaken was de wereld stokoud en ik nog jong.

Op Malta geven alle 365 kerkklokken een ander tijdstip aan. Dat is om de duivel in verwarring te brengen. Zo weet hij niet wanneer het tijd is om iemand te komen halen.

Hoe vaak heb ik mijn eigen duivel hier niet om de tuin kunnen leiden? Hoe vaak heb ik hier niet kunnen vergeten dat het waar is wat ze zeggen: dat van uitstel afstel komt.

Ik lees, ik zwerf over het eiland, loop kilometers per dag langs de zee. Het water trekt me aan. Niet alleen mij. Je ziet het bij alle strandwandelaars. We kunnen overal lopen, het strand is breed, toch lopen we eerst naar de branding. Bijna als onder hypnose lopen we naar het water. Bruusk wordt de betovering verbroken wanneer we — te dichtbij gekomen — terugdeinzen, geschrokken van het zuigende zand dat aan onze voeten trekt.

Sommige wetenschappers beweren dat we door de zee worden aangetrokken doordat we eruit voortkomen. De percentages natrium, kalium, magnesium, jodium, chloor en andere mineralen in ons bloed komen overeen met die van zeewater.

Ik weet niet of dat waar is. Wél weet ik dat mijn tranen net zo zout zijn.

Het is ons brein, zegt de Zweedse dichter Thomas Tidholm. Onze hersenen zijn niet wat we denken: Als we ze eruit lieten, zouden ze wegkruipen richting de zee. Daar zouden ze worden ontvangen door neteldieren en nautilussen, anemonen en octopussen. Bevrijd zouden ze hun kronkels losgooien en wegzwemmen tussen de koraalbanken.

Ik ken iemand die geen weerstand meer besloot te bieden aan de roep van het water. Op een Engels eiland trok hij zijn schoenen uit, rolde zijn sokken op, legde zijn broek en shirt netjes opgevouwen op het strand en liep de zee in totdat hij niet meer kon staan. Toen is hij gaan zwemmen, steeds verder weg. Totdat er alleen nog water was.

De verdrinkingsdood is de mooiste dood, zeggen mensen die het niet kunnen weten. Hoe kunnen ze het anders navertellen?

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoek ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 1 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

Er hangt al dagen een dikke mist. De wereld klinkt zoals na een vers pak sneeuw. Toen ik hier op de eerste dag aankwam waren er duinen zover je kon kijken. Daarachter, onzichtbaar ruisend, de zee.

Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Het eiland heeft me leren schrijven. Mijn eerste verhaal — ik zal tien geweest zijn, hooguit elf — ging over het eiland. Over een strandjutter die Willem heette en een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Later schreef ik er mijn eerste ‘echte’ gedicht. Ook nu zit ik in een huisje in de duinen. In het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af.

Ik ben op het eiland om te schrijven. En ook: om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen. Om moed te verzamelen. Om te durven beginnen met schrijven.

Het is misschien de eenzaamheid. Dat eilanden omgeven zijn door niets dan water. En dat je alles moet achterlaten om er te komen.

Aan de noordkant zag ik mannen met metaaldetectors van links naar rechts zwiepend het strandzand scannen. Aan de zuidkant tastten lepelaars met precies diezelfde pendelbeweging het Wad af, zoekend naar garnalen. De vogels hielden stil toen ik dichterbij kwam, op hun hoede, maar vlogen niet weg.

Oesters zijn zowel mannelijk als vrouwelijk. Zo kunnen ze zichzelf bevruchten. Dat is handig omdat ze zich niet kunnen verplaatsen. Zeepokken kunnen kiezen of ze mannelijk of vrouwelijk zijn. Ze hebben een dak dat open kan zoals bij een cabriolet. Soms, als ze zin hebben, schuiven ze het dak naar twee kanten open en steken hun piemel naar buiten, 25 keer zo lang als hun lijf. Daarmee kloppen ze op de daken van de buren. Totdat er eentje besluit een vrouwtje te zijn en hem binnen te laten.

My love for traveling to islands amounts to a pathological condition known as nesomania, an obsession with islands. This craze seems reasonable to me, because islands are small self-contained worlds that can help us understand larger ones.

— Paul Theroux

Misschien dat dat het is. Dat ik zo van eilanden houd omdat ze me helpen de wereld te begrijpen.

Nog altijd niets dan mist. Het uitzicht is spierwit. Zo wit en leeg dat ik me vanmorgen bij het wakker worden afvroeg of de wereld voorbij mijn huis nog wel bestond. Maar vanmiddag daverden er paarden langs het keukenraam.

 

Dorien Dijkhuis schrijft poëzie, proza en essays. Haar werk verscheen onder meer in Het Liegend Konijn, De Revisor, Papieren Helden, Tirade en Terras. Ze debuteerde met de bundel Waren we dieren bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Momenteel werkt ze onder andere aan een serie muzikale vertellingen en een poëtische virtual reality-installatie die tijdens het festivalseizoen van 2022 op verschillende plekken te zien zal zijn. Meer info vind je op www.doriendijkhuis.nl.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week de laatste afleveringEcht.



Jaren geleden, in het eerste jaar van mijn studie, pendelde ik dagelijks met de trein tussen het Limburgse dorp waar ik was opgegroeid en mijn nieuwe stad Nijmegen. Wanneer de trein afremde in de laatste bocht voor mijn bestemming, zag ik boven het spoortalud een torentje uitsteken. Als een pagode prijkte het in de lucht, twee etages met een gekromd dak, vuurrood met groene belijning. Altijd in die bocht keek ik omhoog en nam ik aan dat ik de top van een tempel zag of een enorm Oosters restaurant. Het werd een vanzelfsprekend onderdeel van mijn reis, het torentje als teken dat ik er bijna was.

Een jaar later woonde ik in die stad. Ik zocht er mijn weg, vond nieuwe ankerpunten langs mijn verschillende fietsroutes. Zoals de lichtgele letters van de BIOTEX-fabriek, de rookpluimen van de elektriciteitscentrale aan de Waal en de spoorlijn die de stad in drie stukken verdeelde. Doordat ik het torentje niet meer zag, was het ook uit mijn gedachten verdwenen. Totdat ik op een maandagochtend vanaf het station naar mijn Nijmeegse huis liep en besefte dat ik vlakbij die bocht in het spoor woonde. Ik rekende uit waar de trein ongeveer begon te remmen, in welke bocht de tempel moest liggen. Toen bleek dat ik er al vele malen ongemerkt langs was gefietst. Daar stond het, iets van de weg af: een klassiek schoolgebouw met rechte, bakstenen muren, hoge ramen met witte kozijnen. Er was niets Oosters aan, maar op het dak, in het midden, stond het torentje. Bovenop het gebouw de belofte van een heel andere plek.

Tot mijn schrik zie ik dat er over een paar weken een korte reis in mijn agenda staat. Ik ben al maanden niet meer ver van huis geweest. Het elastiek dat me met thuis verbindt is al die tijd niet meer opgerekt, waarschijnlijk is het zelfs gekrompen. Het idee om in een vliegtuig te stappen en tweeduizend kilometer af te leggen, voelt als een vrije val.

Geleidelijk zal ik de cocon die mijn huis is moeten verlaten om over drempels te stappen, naar plekken te gaan waar veel mensen zijn, niet wetend of ik iemand drie zoenen moet geven, in de armen val of toch een hand uitsteek, en zal ik weer vaker rennen voor een laatste trein naar huis. Ik zal nog steeds reizen via Google Street View, want dat deed ik al jaren, alleen zou dit in de normale wereld nieuwe vragen kunnen oproepen, want waarom zou je digitaal reizen als het ook weer kan in het echt?

In het echt. Steeds vaker hoor ik mezelf de woorden zeggen. ‘We drinken gauw weer eens koffie, in het echt.’ ‘Hopelijk tot snel, in het echt.’ Natuurlijk is het logisch om na een tijd van op afstand leven, van wachten, van uitstellen, van digitale ontmoetingen, van het mijden van aanrakingen, te verlangen naar het moment dat er geen scherm meer is tussen mijn gezicht en dat van de ander, of het nou een beeldscherm is of een laag plexiglas om te zorgen dat onze adem gescheiden blijft.

Binnenkort betreed ik weer nieuwe plaatsen, hoor ik andere stemmen, zie ik meer gezichten op één dag dan nu in een hele week. Mijn dagen en weken zullen weer versnipperen, over meerdere plekken en meerdere mensen. Ik zal bestaan als een gebouw met torentjes die uit allerlei werelden afkomstig lijken, door de verschillende mensen waarmee ik omga, het uiteenlopende werk dat ik doe, de plekken waar ik graag ben. Het leven in het echt was altijd al in stukken. Ongemerkt is mijn kijken voorzien van een schaar en knip ik zo een geheel bij elkaar. 

 

 

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 9: Gruis.

*

In de trein naar Zuid-Limburg lees ik over planetair geologe Nathalie Cabrol in een boek van Helen Macdonald. Cabrol vertelt hoe ze tijdens haar studie gefascineerd raakt door de planeet Mars. Terwijl ze overdag aan haar masterscriptie werkt, brengt ze haar nachten door in een observatorium waar ze zittend in haar slaapzak door een telescoop Mars bestudeert en zo het oppervlak leert kennen als haar handpalm. Op een dag haalt haar professor een kistje uit zijn kluis om haar maanstof te laten zien. Ze is eerst opgetogen, maar wanneer ze het grijze poeder ziet is ze onbewogen, zelfs teleurgesteld. Die avond onderweg naar huis, ziet ze de maan boven de stad. Met terugwerkende kracht maakt het maanstof diepe indruk op haar. Ze is overdonderd door het besef van de enorme reis die is gemaakt om het stof naar de aarde te krijgen en het vervolgens te doen belanden in een kistje dat je in je handen kunt houden.

Een paar dagen later fiets ik met een haast kinderachtige pret de grens over en eet ik een ijsje in het buitenland. Vervolgens stap ik op een pontje om opnieuw in Nederland aan te komen en fiets ik naar het zuiden om de grens op een ander punt weer over te steken. Zo zigzag ik heen en weer, mijn bewegingen als een kruissteek die Nederland en België met elkaar verbinden. Tegen het einde van de dag op de terugweg naar mijn logeerplek zie ik in de verte Maastricht dichterbij komen: de rode toren van de Sint Janskerk, de witte gevels van het MECC en nog twee kerktorens die ik niet kan thuisbrengen. Als de grens er niet was geweest, zou het ook een mooi uitzicht zijn, maar nu krijgt het een extra lading en sper ik mijn ogen wat verder open. Ik kijk van het ene land naar het andere en daardoor voelt het alsof mijn blik een enorme afstand overbrugt.

Bij de grens tussen Zuid-Korea en Noord-Korea bestaat een plek die veel toeristen trekt. Dat komt niet door de plek zelf, maar door het uitzicht dat zij biedt over het land dat zich daar voor je uitstrekt, maar dat ontoegankelijk en mysterieus is alsof je naar een andere planeet kijkt. Er is een uitkijkpost waar verrekijkers in een rij zijn opgesteld om bezoekers uitzicht te geven over het  niemandsland bezaaid met landmijnen, daarachter een gebergte. De meeste bezoekers richten de kijker iets lager, aan de voet van het gebergte ligt het dorp Kijong-dong: ‘Vredesdorp’ wordt het in Noord-Korea genoemd. Er zouden vooral militairen gehuisvest zijn. Vanaf de andere kant van de grens heet het ‘Propagandadorp’. Turend door de verrekijker hebben mensen opgemerkt dat er geen glas in de ramen zit. Ook zouden de lampen in alle huizen tegelijkertijd aan gaan. Het valt op dat in de flatgebouwen het licht op de bovenverdiepingen veel feller is dan beneden, waardoor men vermoedt dat achter de gevels een leegte gaapt waar één enkele lamp het hele gebouw verlicht. De vlaggenmast van het dorp is buitenproportioneel hoog en bij regen wordt de vlag meteen naar beneden gehaald. Ze zeggen dat de constructie zou bezwijken onder een vlag die zwaar is van de regen. Er gaan verhalen over de weinige mensen die door de straten bewegen. Ze zouden zijn ingehuurd als figuranten, om bijvoorbeeld de smetteloze straten te vegen.

Urenlang zou ik naar het dorp kunnen kijken, vertwijfeld of de heuvels op de achtergrond wel echt zijn, of de blauwe lucht geen doek is, zoals in de film The Truman Show. Helaas reikt zelfs Google Street View niet ver genoeg en blijf ik steken op een weg die uitmondt in een wazig landschap.

Ik pak de stofzuiger, zet hem aan en hoor hoe het Limburgse gruis dat ik meenam in de groeven van mijn wandelschoenen, door de stofzuigerslang rammelt en zich ophoopt in de zak.

 

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands MaandbladDe RevisorLiegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 8: Vertrek.






Rakelings zoef ik op de fiets langs een paaltje en direct kijk ik achterom om te zien of ik er niet tòch tegenaan ben gereden, of ik niet bloedend en dubbelgeklapt van de pijn op de grond lig. Blijkbaar houd ik de mogelijkheid open dat ik in tweeën splits: een deel dat nietsvermoedend doorfietst en een deel dat aan mijn bewustzijn is ontsnapt, dat los van mij beweegt.

Ik werd eens wakker uit een droom, staand voor het raam van een hotelkamer met het gordijn in mijn hand. Ik keek naar buiten, over een Spaans plein omzoomd met straatlantaarns die een oranje gloed verspreidden. Even daarvoor zat ik in een nachtmerrie opgesloten in een donkere kist. Terwijl ik me slaand en schoppend uit mijn pikdonkere gevangenschap probeerde te bevrijden, was ik in de andere werkelijkheid uit bed gestapt en in de donkere hotelkamer op zoek gegaan naar licht of een uitgang. Ik opende mijn ogen op het moment dat ik voor het raam stond.

Gelukkig gebeurt het me niet vaak dat ik slaapwandel, want de verwarring bij het wakker worden draag ik nog dagenlang bij me. Ook deze keer kon ik het gevoel niet loslaten dat er twee werkelijkheden waren die allebei even echt leken: de droom en de hotelkamer. Gelukkig bleek ik vooral te bestaan in het hotel in die Spaanse stad en keerde de pikdonkere opsluiting niet terug. Het onwerkelijke gevoel bleef nog dagenlang bij me. Misschien is er zelfs nog een residu aanwezig, een twijfel over in welke werkelijkheid ik me nu bevindt, als een bodempje twijfel onderin elke dag.

Op YouTube kijk ik naar het beeld van een Canadese woonkamer. Er is niemand thuis. Een rode muur en grijze bank met een abstract schilderij erboven trekken het eerst mijn aandacht. Aan weerszijden van de bank staan schemerlampen die een symmetrisch schijnsel op de muur projecteren. Naast de bank geeft een aquarium een felgroene gloed af en links en rechts in beeld zijn grote ramen. Even lijkt het beeld een foto, maar dan zie ik beweging achter de ramen, takken slaan tegen het raam, daarna rookwolken. Het geluid van iets dat valt. Geknetter van vuur, brekend glas. Vlammen likken zich door het raam naar binnen. De kleuren van het huis veranderen naar grijstinten door de dikke rook.

Wanneer de kamer voor de helft met rook is gevuld, begint de rookmelder te piepen. Minutenlang gaat het piepen door, zonder reactie, en benadrukt zo de verlatenheid van het huis. Waar zijn de bewoners? Een paar kilometer verderop blijkt het stel net op tijd de stad te zijn ontvlucht. Op hun telefoon kijken ze live naar de beelden van de beveiligingscamera in hun woonkamer, zien hoe hun huis in enkele minuten wordt verslonden door een bosbrand. Zittend in de auto met de weinige spullen die ze hebben gered, houden ze in hun hand het beeld van hun verdwijnende thuis.

Regelmatig vergeet ik iets als ik van huis ga, want bijna altijd vertrek ik met haast. Op het moment dat ik mijn fiets in mijn hand heb, is er in mijn hoofd pas ruimte om het lijstje af te vinken met dingen die ik mee moet nemen, alsof mijn onderbewustzijn dan pas rust heeft. Meestal moet ik dan terug: voor een sleutel, mondkapje, oplader of portemonnee. Ik ben er zo aan gewend dat ik zonder morren de zeven trappen weer op sprint. Zodra ik de deur van mijn woonkamer open, gebeurt er iets vreemds: ik betrap de kamer op mijn afwezigheid. Het is alsof de kamer een eigen bestaan heeft en ik stap naar binnen midden in een gebeurtenis waar ik geen deel van uitmaak. Soms is het niet meer dan een nadrukkelijke stilte en de lichtinval door het dakraam die mijn aandacht trekt. Het gevoel duurt nooit lang, want met één stap over de drempel val ik weer samen met de kamer en ben ik vergeten dat zij ook zonder mij bestaat.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 7: Wand.

 

 

In de theaterwereld spreekt men van de vierde wand. De eerste drie wanden zijn achterkant en de zijkanten van het toneel, de vierde wand is een denkbeeldige wand tussen het publiek en het podium. Deze krijgt vooral betekenis als ze wordt doorbroken, want daarmee wendt een personage zich plots tot het publiek en erkent daarmee dat de realiteit van het toneelstuk een illusie is. 

In Japan bestaat een bedrijf waar je familieleden kunt huren: Family Romance. Dit klinkt als een verhaal uit een film, wat filmregisseur Werner Herzog ook moet hebben gedacht toen hij hier een film over maakte met de gelijknamige titel. Ik heb de website van het bedrijf gevonden en scroll nu door de verschillende opties. Zo kun je bijvoorbeeld gasten huren voor je bruiloft, of een partner die je vergezelt naar een receptie. Een ‘scolding agent’ behoort ook tot de mogelijkheden: voor 10.000 Yen huur je iemand om je een uitbrander te geven als je een fout hebt gemaakt (al lijkt het mij niet nodig een echte fout te maken, als je voor de uitbrander toch iemand inhuurt). De mogelijkheden zijn eindeloos: het huren van ‘ouders’ om aan je nieuwe partner voor te stellen, het huren van een ‘partner’ om aan je ouders voor te stellen. Het huren van vrienden voor een picknick in het park of alleen voor de foto hiervan om te stralen op Instagram.  

Het is een populaire service. In de reacties lees ik dat klanten blij zijn dat ze hun ‘man’ mee konden nemen naar een etentje met hun baas, zodat ze een goede indruk maakten, terwijl ze eigenlijk al jaren gescheiden zijn of hun man een zware alcoholist is.

Is het geen zelfverloochening om fictieve mensen te huren, alleen voor de indruk die je achterlaat bij anderen? En wat heb je aan die goede indruk als de werkelijkheid miserabel is? Is het dan niet zinniger om iets aan de werkelijkheid te veranderen, door nieuwe vrienden te maken, te scheiden of te verhuizen? Terwijl deze vragen bij me opkomen, vraag ik me af of zoiets in Europa denkbaar zou zijn of dat dit iets zegt over de Japanse cultuur. 

Ook realiseer ik me de hypocrisie van mijn eigen vragen, want hoeveel vormen van sociaal bedrog gebruik ik op een dag? Ik kom een kennis tegen op straat die enthousiast zwaait en roept dat het zo lekker gaat met mij, wat ze af kan lezen aan wat ik deel op social media. Ik knik een beetje en probeer tevredenheid uit te stralen, terwijl ik in werkelijkheid met mijn tong op mijn schoenen loop omdat ik net op tijd twee deadlines heb gehaald, wat me slapeloze nachten en veel gepieker heeft gekost. Het beeld van succes is niet eens een bewuste illusie, maar het gepieker houd ik voor mezelf terwijl ik het resultaat online deel, omdat me dit relevant lijkt. Zo creëer ook ik een aangepaste versie van mezelf. 

Dat is vergelijkbaar met fotoalbums van mijn jeugd. Als ik ze doorblader lijkt het leven in de jaren tachtig een aaneenschakeling van kerst, verjaardagen, zomervakantie en weer kerst. Er was nooit een druilerige zondagmiddag of een oersaaie schooldag, of althans, dat was geen foto waard waardoor elk verleden een collage van hoogtepunten is geworden. 

Ik stel me voor dat ik in een werkelijkheid leef die uit vier wanden bestaat. Ook al huur ik geen vrienden, toch is het altijd een keuze welk deel ik van mezelf laat zien op social media. Of het een positief of negatief bericht is, het is altijd uit de werkelijkheid gemonteerd en kan zo door een ander bekeken worden. Mijn vierde wand is het nieuwsoverzicht van Facebook, de stories op Instagram, mijn LinkedIn-profiel; een scherm waarop je gemonteerde varianten van jezelf projecteert en waarvan de kijker weet dat het niet meer dan facetten zijn van de ander.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 6: Huid.

 

Nu het al een tijd niet mogelijk is naar een ander land te reizen, lijkt mijn verlangen naar een andere omgeving alleen maar toe te nemen. Nu ben ik zelf geen globetrotter, zoals ik laatst al beschreef (aflevering 4, Grens) maar toen ik afgelopen week voor een werkafspraak in het zuidwesten van Brabant moest zijn en de routeplanner me via België leidde, zat ik te juichen achter het stuur toen ik de grens passeerde. Het is meer dan een jaar geleden dat ik op een nieuwe plek was. Verandering van omgeving voelt altijd verfrissend. Niet om de nieuwigheid van de plek, maar vooral door wat ik achterlaat: mijn dagelijkse leefomgeving, het vaste decor waarin ik beweeg. Alsof ik, nadat ik mijn context heb afgeschud, niet alleen door onbekende straten dwaal, maar ook mezelf herontdek. 

Hoe verfrissend dat ook is, het blijkt meestal maar een dun laagje. Vroeg of laat sijpelt het besef door dat ik helemaal niet veranderd ben, of zoals mijn vader zegt: het nadeel van reizen is dat je altijd jezelf meeneemt. 

Sinds een aantal jaren is het mogelijk om te reizen zonder je fysiek te verplaatsen. Je kunt voorgeprogrammeerde avonturen beleven via virtual reality: de Mount Everest beklimmen, een tocht maken in een luchtballon of de piramides van Gizeh bezoeken. Toch heb ik surfend over het internet nog niet gevonden wat ik zocht; het zijn vooral sportieve, prikkelende avonturen op die bekende plekken terwijl ik het liefst het voor mij al voldoende zou zijn om te dwalen door onbekende straten in een stad die zich onder mijn voeten openvouwt. Misschien is het zelfs mogelijk virtueel te verdwalen en zo het gevoel te krijgen dat de plek me heeft geabsorbeerd. 

Een futuroloog van communicatiebureau Futurizon voorspelt een techniek die het virtuele reizen binnen tien jaar nog realistischer maakt: Active Skin. Dit zou moeten bestaan uit een speciale spray die op je huid wordt aangebracht en die vervolgens signalen doorgeeft aan je zenuwstelsel, zodat je tastzin gemanipuleerd kan worden. Zo kun je imitaties ervaren van zonlicht op je lichaam, een briesje in je gezicht of bijvoorbeeld het zand van het strand onder je voeten. Met deze sensaties op je huid kun je een virtuele reis ook lichamelijk ervaren. 

Intussen zit ik levensecht in mijn kamer, waar niets specifieks te voelen is. Of misschien komt het doordat ik minder alert ben op een plek die zo vertrouwd is als mijn huis. Bij thuiskomst was het hier koud, nu gloeit de zon warm op mijn benen en hoor ik het suizen van de verwarming. Ik refresh nog maar eens de NOS-site, uit verveling en een behoefte aan een beetje sensatie. 

Ik lees dat de Mars-helikopter zijn eerste vlucht heeft gemaakt, dertig seconden in de ijle, donkere lucht. Bij het artikel staat een still uit een filmopname: een roodbruin woestijnlandschap geprojecteerd op een scherm, eromheen klappende mensen in oranje polo’s, bevroren op het moment dat hun handen nog maar tien centimeter uit elkaar zijn. Snel klik ik het venster weg. Beelden uit het heelal verdraag ik slecht. De onvoorstelbare omvang van het heelal, de donkere dieptes, de rotatiesnelheid van de bol waar we ons op bevinden, de bewegingen van die bollen ten opzichte van elkaar, het razendsnelle vallen van melkwegstelsels, het uitdijen van het geheel en vooral de vraag waarin het dan uitdijt en dat ik van dit alles niets voel, afgezien van duizelingen die misschien uit angst voortkomen maar die ik me ook wel eens voorstel als zintuiglijke uitingen van het roteren, vallen, draaien – ik kan het alleen maar negeren. Het venster in mijn beeldscherm sluiten, misschien zelfs het gordijn dichttrekken en kijken naar de muren van mijn kamer waarin ik gelukkig geen enkele beweging kan ontwaren. 

Rond mijn hoofd zoemt een fruitvliegje, de eerste van het seizoen. Even houdt hij stil op tafel naast mijn toetsenbord. Ik sla hem dood met vlakke hand en veeg met mijn vinger de kruimels van het geplette lijfje op de grond. Daarna voel ik nog de afdruk van het minuscule vliegje tegen mijn vingertop. Met mijn hand strijk ik langs het gladde tafelblad zodat mijn huid het vergeet.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 5: Plaatsmaken.







Plaatsmaken

Nog steeds zwerf ik digitaal door Japan, nu in de regio Nagasaki. Daar struin ik door een themapark dat bestaat uit replica’s van Nederlandse gebouwen, samengevoegd tot een stadje omzoomd met nagebouwde polders. De tulpen staan in bloei (misschien bloeien ze onafgebroken of zijn ze van plastic). Bij de entree doemt een replica op van het Amsterdamse Centraal Station waar een luxe hotel in gevestigd blijkt te zijn. Even verderop ontwaar ik de Utrechtse Domtoren, een Amsterdamse gracht, de Oude Kerk van Delft en de Sneker Waterpoort, alles op een steenworp afstand van elkaar.    

Aan de rand van het park op een pad dat verder nergens naar toe leidt, vind ik het Amsterdamse Concertgebouw. Op de achtergrond zijn steeds de heuvels van Nagasaki in beeld, als enige constante in een landschap dat door elkaar gehusseld lijkt. De bekende gebouwen waarvan zelfs de bakstenen uit Nederland komen, stralen een vreemd soort vertrouwdheid uit. Ik krijg er haast de rillingen van om bekende gebouwen zo plompverloren bij elkaar te zien, als elementen uit een haperend geheugen, de brokstukken gehusseld tot een geheel dat zich niet verstaanbaar kan maken, een verwarde stad. 

 Afgezien van de vraag of mijn elastiek zich ooit laat oprekken tot aan Japan, vraag ik me af of het me zou geruststellen om tussen die vertrouwde elementen rond te wandelen. Het bekende in het vreemde zien kan er natuurlijk ook voor zorgen dat ik op mijn benen tollend van desoriëntatie mijn reis acuut moet afbreken.

Fietsend over de Stadhouderskade word ik ingehaald door een touringcar waarop in vette letters staat: DESTINATION MANAGEMENT. Achter de donkere ramen zie ik, afgezien van de chauffeur, geen gezichten. ‘Destination Management’ klinkt mij in de oren als iets dat te maken heeft met het organiseren van een lotsbestemming of een ‘laatste rustplaats’. Misschien komt het door de lockdowns en het grauwe weer dat mijn associatie bij het woord ‘bestemming’ niet zo zonnig is.

Eenmaal thuis zoek ik de term op en beland ik op verschillende Engelstalige websites met afbeeldingen van tulpen, tjalken en windmolens. Binnen enkele muiskliks komt steevast het Rijksmuseum en een uitzicht over de gracht in beeld. Misschien komt het door het Google-algoritme waarin ik verstrikt ben geraakt, maar het ‘Destination Management’ lijkt een oer-Hollandse, of Amsterdamse aangelegenheid. De service die wordt aangeboden behelst meer dan die van een reisbureau. Maar wat dat meer inhoudt, daar kom ik niet achter.    

De lucht zit dicht. Geen zon, geen regen. Ik lees ‘Langs de rivier’ van Esther Kinsky en wandel met de vrouw in het boek mee. De plekken waar ze wandelt komen tegelijk verlaten en drukbevolkt op me over. Ik volg haar langs de rand van de stad, langs onbedoelde uitzichten, vergeten bouwsels. Met elk hoofdstuk groeit het beeld van een onbestemde voorstad, een niet-plek. 

Door te wandelen door vreemde straten raak je er thuis. De bus nemen of fietsen heeft niet hetzelfde effect. Alsof het aanraken van de straat met je schoenzolen, een stempel is van je lichaam die zich herhaalt met elke stap. Hier was ik, en hier en hier en hier. Zo markeerde ik eens op de kaart mijn bewegingen door Berlijn om me sneller thuis te voelen. Met zwarte stift tekende ik een web. Toen het af was, sneed ik met een stanleymes mijn web uit de stad en stapte op de trein naar huis. 

De onbestemdheid van een niet-plek kan slinken onder je voetstappen, maar dan moet je er wel naartoe willen gaan. Gemeenten en projectontwikkelaars huren marketingspecialisten in om een verhaal te maken waarmee de niet-plek verandert in een bestemming, zodat mensen er graag een huis willen kopen. Dit proces heet ‘placemaking’. Om de betekenis van deze term te duiden, wordt vaak een dichtregel van Wendell Berry aangehaald: ‘if what we see and experience, if our country, does not become real in imagination, then it never can become real to us, and we are forever divided from it…’

Heb ik mijn verbeelding nodig om de werkelijkheid te kunnen zien? Ik kijk naar het Concertgebouw vanaf een brug over de Utrechtse Oudegracht. Schuin erachter de groene heuvels van Nagasaki, bebouwd met witte flats waar misschien iemand woont die ooit tijdens een rondreis door Europa zijn vertrouwde uitzicht terugziet in een vreemde stad.

*

 


Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 4: Grens.





Hoezeer ik ook kan verlangen naar een Parijse bakker, de wispelturige rukwinden op Land’s End of een wandeltocht over mistig Dartmoor – de opluchting dat ik daar nu niet naartoe kan is meestal groter. Ik reis het makkelijkst als ik mijn lichaam thuis kan laten.

Al jaren stil ik mijn reishonger via uitzichten van webcams en Google Street View. Daarbij geldt zelfs: hoe verder weg, hoe beter. Het liefst flits ik mezelf naar onherbergzame vlaktes diep in Mongolië, de gevaarlijkste straathoeken van Mexico-Stad of naar een bergkam op de Faeröer Eilanden. Plekken waarvan ik weet dat ik er in het echt niet naartoe durf, zijn het meest aanlokkelijk. Vandaag muisklik ik door een Boliviaans dorp in sepiatint, volg ik door stoffige straten een vrouw die zich met een vuurrode paraplu beschermt tegen de felle zon. 

Op een ander tabblad gooi ik een bestelling kattenbrokken in mijn digitale winkelmand. In het afrekenscherm trekt een advertentie mijn aandacht: een onzichtbaar hek. Dat klinkt als een magische afrastering, een vriendelijke manier om je dier in de tuin gevangen te houden. Zodra ik verder lees, begrijp ik dat het gaat om een halsband die stroomstootjes geeft zodra de hond of kat een tevoren gemarkeerd gebied, een tuin of erf verlaat. Een onzichtbare grens. 

Voor een echte reis moet ik ver voor vertrek obstakels overwinnen. Het is alsof ik met een elastiek verbonden ben aan thuis. De rekbaarheid van het elastiek verschilt van dag tot dag, van jaar tot jaar, maar het bepaalt mijn actieradius als een onzichtbare grens. Als ik het elastiek niet vaak genoeg oprek, wordt het strakker. Ik moet het dus af en toe onder spanning zetten, testen tot waar het reikt, en dan nog een stukje verder en hopen dat de rek er in blijft voor de volgende keer, als een paar stugge schoenen die eenmaal ingelopen niet meer knellen.

Het is niet altijd makkelijk inschatten, want het elastiek heeft zo haar eigen logica. Het gaat niet alleen om een hemelsbreed gemeten afstand. Plekken die goed bereisbaar zijn, lijken minder ver weg. Een stad waarvandaan elke dag vijf vluchten naar huis vertrekken, vind ik makkelijker te bereizen dan een eiland dat in kilometers dichterbij is, maar waar slechts één boot per week vaart. Bij de gedachte alleen al begint het knellen. En hoewel lange afstanden me nerveus maken, reis ik liever twee uur in een vliegtuig dan dat ik dezelfde afstand in twee dagen afleg per auto. In de lucht voelen de kilometers lichter, alsof het helpt dat ik niets hoef te zien of aan te raken van de wereld waarin ik me verplaats onderweg naar mijn bestemming. 

Op een kruispunt in Tokyo verspringt een verkeerslicht in grijstinten. Van bovenaf zie ik hoe een rij taxi’s van rechts naar links door het beeld zoeft. Daarna zijn de andere aan de beurt, elke auto trekt een lijn, beweegt in zijn eigen baan, horizontaal, verticaal, diagonaal. Maar ik wacht op het moment dat de voetgangers mogen. Ik heb het vaker gezien: even lijkt het beeld bevroren, daarna breken ze los van vier straathoeken. Ze stuiven het kruispunt over in alle richtingen, als ontsnappende mieren. De wegmarkering en zebrapaden negerend, ieder zijn eigen spoor trekkend. Het duurt maar een paar seconden tot het verkeerslicht weer verspringt. Altijd is er dan een laatste figuurtje rennend naar de overkant. 

Hierna begint de kruispuntdans opnieuw, alsof het voortdurend dezelfde mensen en dezelfde auto’s zijn die oversteken. De rechthoek in mijn beeldscherm is een postzegel in Tokyo, is de hele wereld. Ik ga naar bed en laat het tabblad met de webcam open staan. De hele nacht steken mensen over terwijl ik slaap.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 3: ‘Lens’.

*

Vaak vergeet ik mijn buitenkant. Als ik mijn ogen sluit, voel ik niet eens waar mijn lichaam eindigt. Behalve op de plekken waar ik iets aanraak: de ribbel van de f- en j-toets onder mijn vingertoppen, de stoel die tegen mijn zitbotten drukt, de rand van het koele tafelblad tegen mijn onderarmen. De stof van mijn coltrui raakt mijn hals waardoor ik voel waar mijn denkende hoofd aan de rest van mijn lichaam vastzit.

Ooit vond mijn linkerhand voor het eerst mijn rechtervoet, misschien zelfs nog voordat ik geboren was. Stap voor stap bewoon je als baby je lichaam. Later strek je op het juiste moment je hand uit om een bal te vangen, zet je stappen zonder te vallen. Na mijn kaakoperatie at ik maandenlang met een spiegeltje in mijn hand. Door de verplaatsing van mijn kaken (die maar een paar millimeter behelsde), wist een deel van mij niet waar het zich bevond. Lichaamsschema, noemt Merleau-Ponty dit, de eenheid van je lichaam ervaren zonder dat je daarbij hoeft na te denken. 

Terwijl ik dit schrijf, dwaalt mijn blik naar een portret op mijn boekenplank: een gezicht waar een gat in zit. Van de vrouw in zwart-wit is alleen haar onderlip en kin te zien. Over haar gezicht ligt een ansichtkaart met het uitzicht vanuit een grot, door een poort van rotsen zie je blauwe lucht en een rechthoekje zee. Ik denk aan de witte zaal in het fotomuseum waar de tentoonstelling van John Stezaker te zien was, waar de gezichten met hun landschappen me op een fijne manier duizelden. In de museumwinkel kon ik bij de kaarten niet kiezen uit de reeks gezichten waarin een uitzicht lag. 

Toen ik me eens verdiepte in de werking van het oog, hoe dit zintuig signalen doorgeeft aan je hersenen en het tot me doordrong dat de hele visuele werkelijkheid zich afspeelt in je hoofd, voelde ik mijn hersens breken. Het idee dat de hele wereld door een gaatje ter grootte van een luciferkop mijn hoofd binnentreedt, daarna vertaald wordt door mijn hersenen en naar buiten geprojecteerd wordt, duizelt me elke keer dat ik er bij stilsta. Er zal maar een hapering optreden in dit haarfijne systeem en je bent de weg kwijt. Je stapt naast de kade in plaats van langs de rand, ziet vertraagd een auto aankomen of loopt door een wereld die ondersteboven hangt. Stel dat je brein de schok die je lichaam bij elke stap maakt, niet meer dempt. Dat je gezichtsveld niet meer visueel wordt gladgestreken. Buiten je lichaam is een pulserende wereld waardoor je alleen nog vooruitkomt langs muren, relingen of kruipend. 

Een paar dagen geleden stapte ik impulsief op de trein naar Den Bosch. Ik had haast, want bij toeval had ik op Facebook gezien dat het gebouw van de kunstacademie waar ik studeerde, werd gesloopt. Ik moest en zou het bijzondere pand, ooit gebouwd als typemachinefabriek, nog zien voordat het niet meer bestond. Het was niet alleen sentiment dat me met haast naar het gebouw dreef, ook beviel het idee me niet dat de volgende keer dat ik door mijn geboortestad zou lopen, de weg ineens zou zijn omgelegd, met compleet andere bebouwing en dat er nieuwe uitzichten zouden zijn, de oude voor altijd weg. 

Wat wordt er afgebroken als een gebouw wordt afgebroken? Wat gaat er verloren en wat is het dat ik zo angstvallig wil bewaren? Bij de kunstacademie aangekomen, zie ik dat de voorgevel, een paar muren en een deel van de gang nog overeind staan. Ik maak een foto. Het lukt me om helemaal om het gebouw heen te lopen, al kom ik niet dichtbij doordat het met hekken is afgezet. De achterkant is al weg. Achter de voorgevel strekt zich een heuvelig landschap uit van stukken muur en tegels. Aan de hand van de sporen op de grond probeer ik de muren weer op te trekken. Wat was hier, de hout- en grafiekwerkplaats, of de keramiekoven? Hoe groot was het, waar zaten de ramen, waar kwam je binnen? 

Het lukt me niet de brokstukken tot gebouw te denken. Kan het zijn dat wanneer een gebouw verdwijnt, ook de herinneringen aan de ruimtes vervagen? Zoals fragmenten van een foto, snippers waar teveel aan ontbreekt om ze weer aan elkaar te lijmen. Achter het hek onderdruk ik de drang om door de gang te lopen, een paar stappen in het verleden te zetten. Ik troost mezelf met de gedachte dat er van de onbereikbare gang toch al niet veel over is: een paar meter uitkomend in de open lucht. Kraaien scharrelen tussen het puin. Ik ben jaloers op die kraaien, zij kunnen alle stukjes gebouw nog aanraken. Misschien gebruiken ze fragmenten voor een nest. 

Terwijl mijn trein vaart maakt op de brug over rivier De Dieze, zie ik het gebouw vervagen. Op elke foto dezelfde nevel, mijn vingerafdruk op de lens. 

 

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.