Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Vaargeul’.

*

Midden in januari, nog niet eens zoveel jaar geleden, sta ik aan de oude zeedijk ten noorden van Durgerdam. Ik heb mijn jonge zoon, net tien geworden, meegenomen om naar kruiend ijs te kijken. Dat is er vast, want het dooit na een vrij lange periode van vorst en het heeft de dag ervoor gewaaid. Vooraf thuis was er protest, hij wilde niet mee naar buiten waar het vanwege de mist en het jaargetijde de hele dag al schemert. En de sneeuw kon hem ook niet trekken, die is kletsnat en plakt allang niet meer. Voor hem was er met een bezoek aan die dijk niks te winnen op zijn stadse binnenhuis, verwarmd en met volop lamplicht om de dreiging van de schemerhoeken af te wenden. Waar zijn lego veelkleurig wacht op het bouwen van een kasteel, een strijdwagen, een helikopter of een gevangenis. 

© Marcelle Verberne

Ik zoek het geweld van krakende ijsplaten, brekend en kreunend tegen de basaltblokken die de talud aan de kant van het water bedekken. De eerste keer dat ik dat zag, was ik zelf kind, door mijn ouders meegenomen naar dezelfde dijk. Op de foto’s van toen is het geklauter van mij en mijn zusje over de ijspunten te zien.  Als ik eraan terugdenk denk ik niet aan dat spelen maar besef ik hoe klein wij eigenlijk zijn, hoe volslagen weerloos en ongepantserd als we uit de omhulling van onze stadse wereld komen. En hoe ontzagwekkend groot de krachten kunnen zijn van het water, de aarde, de lucht en de wind en vooral: hoe nietsontziend en ongenadig. Binnen de wetten van de elementen heeft een mens geen plaats. 

Als ik bovenop de dijk kom blijken er helemaal geen ijsrotsen te zijn. Er zijn wel dikke schotsen maar die liggen nog steeds, dof geworden, geluidloos op het water te dooien. Het is windstil. 

Die stilte ligt als een dikke laag over een zwaar brommen in de verte. Daar, waar de schemering de overgang van lucht naar water grofkorrelig verstopt, gaat een konvooi vrachtschepen. Er vaart geen  ijsbreker meer voorop, want het is boven nul en het vaarwater is kennelijk al vrij, maar zo te zien is het nog wel nodig om kop aan staart te gaan. Zes, of zeven donkere dozen met zand op weg van Amsterdam naar Lelystad. Op de grote afstand die ik er van af sta, ver van de dieseldampen en de dreigende omvang van de metalen romp, is het lage geluid van de motoren geruststellend. Het is de geruststelling van door mensen bestuurde machines in een verder leeg schemerlandschap. Daar wordt gewerkt.

De vaarroute van de vrachtboten loopt van Amsterdam voorlangs Pampus en daarna in een vrijwel rechte lijn naar het noordoosten, naar Lelystad, door de Houtribsluizen, en dan naar Lemmer. Vlak langs het nieuwe land, en vlak langs het daarin opgenomen vroegere eiland Urk. 

Dat is ook ongeveer de route van de eerste zoektocht naar de drie vermiste Durgerdammers. De zee was tot dan almaar vol ijs geweest, en varen was nog steeds riskant. Maar ondanks het risico voor zijn eigen boot is een visser uit hetzelfde dorp, Arie Pauw, met een paar maten in zijn botter uitgevaren om het drietal te zoeken.  Op dat moment waren de Bordings al vijf dagen zoek en de kans dat ze nog in leven waren, was al niet meer groot, en áls ze nog leefden, moesten ze ook nog gevonden worden. 

Dat lukte niet. De boot raakte al snel midden in het drijfijs en kwam maar langzaam vooruit: de bemanning moest met haken de zwaarste schotsen wegstoten. De botter kon weliswaar in noordoostelijke richting doorvaren maar er was vrijwel geen zicht door de mist, met een blikveld van soms maar een paar meter. Zonder iets te hebben gezien of gehoord kwam de botter de dag erna op Urk aan. Pas toen het kruien van het ijs na een paar dagen wat ophield, konden ze weer terugvaren. Ook toen zagen ze weinig. Op de twaalfde dag kwamen ze terug in Durgerdam. Niemand geloofde toen meer in een behouden terugkomst van de Bordings. Achteraf gezien waren  ze waarschijnlijk niet heel ver langs elkaar heen gevaren, de botter met zes dorpsgenoten op weg naar Urk en de schots met de drie Bordings die rond die dagen in de richting van Enkhuizen dreef. 

Ik sta  ingesloten door stilheid,  en tegelijkertijd veilig aan de wal. Het water beweegt nauwelijks na die langsvarende vloot in de verte. Het deint alleen. Zo ziet een golf er dus uit die ijs moet tillen. Aan de voet van de dijk wiegen grote schollen, mat en grijs geworden, langs elkaar. Bij elke wrijving het geluid van brossend waterijs. Alleen hoorbaar door veelvuldigheid.

In deze klamme stilte is het water overal: als vloeistof, onder en tussen de schotsen, als sneeuw, als ijs en  nevel. Maar ook lijkt het, in mist en schemering, alsof al die staten – vloeibaar, vast en damp – in elkaar overlopen. Alsof er tussenstaten zijn: het ijs ziet eruit of het al zacht gaat stromen, en de lucht lijkt zelf vloeibaar van het vocht. 

Mijn kind heeft geen stilte gehoord. Hij heeft een potje verspringen gedaan tegen zichzelf, met luid geschreeuwde aanmoediging, ook van hemzelf. Met zijn rug naar het ijs toe sprong hij telkens opnieuw vanaf de bult naar beneden, in de dikke sneeuw van de dijkhelling. Nu trekt hij aan mijn arm: hij heeft koude voeten in zijn regenlaarzen en zijn speelgoed roept. 

Morgen, misschien overmorgen, is het ijs verdwenen.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 5 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

Biddende buizerds weten wat wachten is. Reigers langs slootkanten weten wat wachten is. Tapuiten, die van de Afrikaanse savanne naar de Hollandse duinen vliegen om in konijnenholen te broeden, weten wat wachten is. Maar van alle dieren die weten wat wachten is, wachten beerdiertjes vermoedelijk het langst. In tijden van droogte rollen ze zich op zoals we vroeger deden met de felgekleurde knuffels die we Popples noemden. Hun winterslaap kan jaren duren. Soms wel een eeuw. Ontwaken doen ze pas zodra de omstandigheden beter zijn.

Beerdiertjes worden vanwege hun bijzondere gave om zich schijndood te houden veel gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Ze zijn ingevroren tot –272 °C en verhit tot meer dan 150 graden Celsius. Ze zijn in een ijskomeet de ruimte in geschoten waar ze werden blootgesteld aan stralingsdoses, duizend keer hoger dan de fatale dosis voor een mens. Ze zijn samengeperst met een druk die zes keer groter is dan op de bodem van de oceaan.
Het deert ze niet. Ze rollen zich op, stoppen met ademen en komen met een druppel water telkens weer tot leven.

Is er een onderzoeksgebied waarin meer gewacht wordt dan in de astrofysica? De grootste ontdekkingen nemen decennia in beslag. Soms zelfs eeuwen. Het vergt uren en uren van wachten. Al is het alleen maar op antwoord. Bijvoorbeeld van de ruimtesonde die je het heelal in schiet op een reis ver voorbij ons zonnestelsel.

De New Horizons-ruimtesonde die vijftien jaar geleden gelanceerd werd om onderzoek te doen op Pluto, heeft de dwergplaneet allang achter zich gelaten heeft om nog verder het heelal in te trekken. Inmiddels bevindt hij zich vijftig keer verder van de aarde dan de zon. Kwam een teken van leven in 2006 vrijwel onmiddellijk, nu duurt het veertien uur voordat er een antwoord terugkomt naar de aarde.

Intussen: stilte, niet-weten, afstand.

Wat doe je tijdens het wachten? Je stelt je alvast voor wat je aan zult treffen. Je hebt geen idee, dus fantaseer en speculeer je, je creëert scenario’s die nog niet plaatsgevonden hebben. Wachten stelt ons in staat ons voor te stellen wat nog niet bestaat. Anders gezegd: tijdens het wachten worden angsten bezworen. Dromen gedroomd. Verlangens gevoed.

Wat Freud over verlangen heeft gezegd: hoe meer het gefrustreerd wordt, hoe meer waarde we aan dat verlangen gaan hechten.

Ik weet maar al te goed hoe waar dat is. Ik begrijp nu trouwens pas écht wat verlangen met tijd te maken heeft. VER & LANG. Afstand & tijd. In wezen is alle verlangen wachten. En andersom: alle wachten is verlangen naar het moment waarop het wachten wordt beloond.

Freud, opnieuw: de frustratie van het verlangen vergroot niet alleen de waarde die we aan het verlangde hechten, we kunnen ons het ook dán pas voorstellen: het visualiseren, erover fantaseren.

Kon het maar, gewoon gaan slapen als de omstandigheden ongunstig zijn. En dan, jaren later, als de situatie is verbeterd, wakker te worden gekust door een druppel regenwater.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Als’.

*


© Marcelle Verberne

Als
(Markermeerdijk)

Als het Hoogheemraadschap
eindelijk kan bouwen aan de oude dijk,
na ambtelijke nota’s, inspraakavonden,
rapporten, vergeefse procedures tot de Kroon,
als de machines en hun
geelgehelmde mannen weer vertrokken zijn,
opgewoeld water gekalmeerd,
wordt het breder, hoger, sterker. Recht.

Een met de hand getrokken lijn van keer
op keer reparatie, dijkdoorbraak,
overstroming, onderhoud, is overschreven.
De streek van het penseel dat meebewoog met
oude kreken, eigendomsbegrenzing, waterlopen,
dat kapen en dat baaien maakte, uitgewist.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Woest en ledig’.

*

Woest en ledig 

Durgerdam, januari. Het dorp ligt maar een paar kilometer ten noorden van het centrum van Amsterdam, maar het is een andere wereld. Een rij houten huizen staat tegen de dijk, voor is water en achter  weiland. Een bocht, en nog zo’n rij huizen. De klinkerweg loopt tussen de dijk en de bebouwing. Het zijn huizen zoals je ze voor een kind zou tekenen: een vierkant met een driehoek erop, de begane grond met twee ramen en een deur, het schuine dak met een schoorsteen. Een enkele racefietser komt voorbij met ingehouden vaart vanwege het gehobbel.  Een sliertje jongens op huurfietsen rijdt langs, ingepakt in mutsen en sjaals, kaartjes op het stuur. Toeristen van de zelfontginnende soort.


© Marcelle Verberne

In zo’n huis wachtte zij, vrouw Bording. Eerst op de terugkomst van haar man en haar oudste zonen. Later op het bericht dat ergens misschien hun lichamen gevonden waren. Het werd een andere brief, een brief die niemand meer verwachtte: dat ze gevonden waren en dat ze leefden.

Ik hoorde voor het eerst van Durgerdam door de verhalen van mijn moeder, en ik denk dat ik ze te horen kreeg toen ik nog vrij klein was en ons huis er ver vandaan stond, hoog op het zand in een ander deel van het land. Mijn ouders hadden toen ze net getrouwd waren in een tuinhuisje gewoond aan het Kinselmeer, vlak boven Durgerdam. Dat was in 1958, er was nergens een woning te krijgen en het was niet heel ver weg van het werk van mijn moeder in de schooltuinen van Amsterdam-Noord.  Het was nog redelijk bereikbaar, met bus, trein, bus en lopen, voor mijn vader die in dienst zat en in het weekeinde op verlof kwam.

Uit wat mijn moeder vertelde, kwam het over als een bijna buitenaards verblijf van oneindige duur:  ver van de bewoonde wereld, met geen andere geluiden dan die van vogels, en op koude dagen een gure wind die vanaf de watervlakte dwars door het huisje van hardboard blies. In mijn verbeelding werd Durgerdam een plek waar de tijd niet zozeer stil stond, maar geen betekenis meer had. En waar de buitenwereld oneindig groot en leeg was, en de huizen alleen maar dienden als tijdelijke schuilplek voor wind en regen. Dat haar verhaal misschien gekleurd was door hun eerste samenwonen en hun pasgetrouwde staat kwam niet in mij op. Het was ver van alles dat in de jaren daarna de aandacht opeiste: de bom, de pil, de oorlog in Vietnam, het nieuwe wegennet, een rijtjeshuis voor iedereen, de man-vrouw-maatschappijverhouding, verwijdering en scheidingen alom. Durgerdam leek mij het paradijs van water, wind en kou.

Maar ook een ander verhaal leerde ik kennen, uit de boekenkast. Daar stond een kinderboek dat van mijn grootvader was geweest, bedoeld voor ‘jongens in de leeftijd van tien tot twaalf jaren’. Op het schutblad staat in potlood met zijn kinderhandschrift niet alleen zijn naam maar ook een getal: ‘No. 3’, het was kennelijk een van zijn eerste eigen leesboeken. Ik heb het boek als kind niet echt gelezen, de gewichtigheid van de donkerrode linnen omslag en de ouderwetse spelling maakten de drempel hoog. Maar de titel vond ik geweldig: ‘Veertien dagen op een ijsschots.’ Ik kon me niet voorstellen dat zoiets mogelijk was. En de tekening, als diepdruk in het harde kaft van die uitgave uit 1898, maakte het nog spannender: dat waren ze, de echte mensen die daar hadden gezeten. Daar zag je drie mannen, bij elkaar schuilend op een slee, een vlag in top, op een vlot van ijs met rondom water. En als ik, toch weer aangetrokken door de titel en die tekening, het boek pakte, zei mijn moeder: ‘Dat was in Durgerdam, daar woonden wij.’ Ik wist het zeker: het moest daar woest en ledig zijn.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Vooraf’ en ‘IJsgeluiden’.

*

Vooraf

Drie mannen: een vader en twee zoons. Een berg dode vis, een slee, wat netten en stokken. En leegte. Twee weken drijven ze op een afgebroken stuk ijs over het brakke water van de Zuiderzee. Aan de andere kant van de zee worden ze gevonden. Eén man overleeft.

Midden in de winter, begin januari 1849, raakt de Zuiderzee bevroren. Maar een visser met geldzorgen moet vissen, ook als er ijs ligt. Dus gaat Klaas Bording uit Durgerdam met zijn twee oudste zoons uit ‘botkloppen’. Het is zwaar werk: ze lopen eerst uren over het ijs voor een goede plek, dan hakken ze op een paar plaatsen een bijt, ze trekken de netten met stokken onderlangs het ijs van het ene naar het andere open gat en ze jagen de vis in het net door hem op te schrikken met harde klappen op het ijs.

De vangst is enorm en misschien gaan ze daarom te lang door. De Bordings moeten overnachten op het ijs, zonder beschutting op hun houten slee. Maar het dooit al, en in de nacht gaat het ook nog regenen. De volgende dag kunnen ze niet meer aan land komen: het ijs is losgebroken en ze drijven op een enorme schots. Veertien dagen lang. Ze gaan met de wind eerst naar noord, dan naar zuid, dan naar oost, maar nergens komen ze in de buurt van de wal. Niemand ziet ze, niemand hoort ze. De ijsschol smelt langzaam weg en wordt steeds kleiner. Uiteindelijk worden ze gered aan de overkant van de Zuiderzee, door vissers uit Vollenhove. De oudste zoon en de vader overlijden daar, ver van huis, door infecties aan hun bevroren voeten. De jongste zoon herstelt en komt terug.

Het is nu ruim anderhalve eeuw later en er is steeds minder ijs. Er kwamen nieuwe, hoge dijken bij die de Zuiderzee tot IJsselmeer maakten. Grote stukken water werden land: eerst kwam de Noordoostpolder, en later Flevoland. Het Markermeer werd afgetekend met een dijk van Lelystad naar Enkhuizen. Het water ging van zout naar zoet. Eb en vloed zijn er niet meer, de vis van toen verdween, de vissersvloot is weg. Maar rondom Durgerdam lijkt de essentie van het open water, met kronkeldijkjes afgescheiden van de weilanden rondom, niet veranderd. Het is groot genoeg om een waterhorizon te zien, en het is leeg, en stil. Groot genoeg ook om je te kunnen voorstellen hoe ontstellend leeg het is vanaf een ijsvlot, drijvend in de wind, met het verkeerde weer, in regen en mist. En hoe ontstellend stil, als je, wanhopig van de kou, de torenklokken van een dorp hoort luiden maar er niemand is die je roepen kan verstaan.

© Marcelle Verberne

IJsgeluiden

Een landschap is alles dat je waarneemt van de ruimte buiten: vormen en kleuren, materie en licht, wie of wat er woont. Gek genoeg gaat een beschrijving ervan meestal alleen over zien, heet het daarom een vergezicht? Soms gebruikt iemand zijn neus en zegt hoe het er ruikt, maar dat lijkt altijd ondergeschikt.

Toch ervaar  je, denk ik, ook heel veel met je oren: sommige klanken zijn niet los te maken van het bijbehorend beeld. Of ze zíjn zelfs  het beeld. En vaak is het mogelijk om door te denken aan die geluiden, door ze in je hoofd te horen, het bijpassende landschap op te roepen. De buitenruimte heeft een stem. Denk aan water: het geruis van de waterrand tegen een kade bij zachte wind, het gesis van het schuim van klappende golven bij storm of hoge vloed, het fluisteren van een lange hekgolf achter een zwemmende vogel als het windstil is.

Bevroren water heeft zijn eigen klanken. Elke schaatser kent het zingen van een pas bevroren watervlakte, het geluid van een scheur die als een bliksem op hoge toon door het ijs schiet. En kruiend ijs, hoog opgetast en onder druk, gaat kreunen, onder een voortdurend breken en verpulveren diep onderin die berg schotsen. Maar ook het allereerste en het allerlaatste ijs heeft stem, voor wie het horen wil.

Beginnend ijs op een windstille en heldere dag na een nacht strenge vorst, klinkt zoals het er uit ziet: schilferig. Bij een lichte deining in het water ritselen kleine, scherp afgesneden en glanzende scherven van papierdun ijs tegen elkaar. Het vriest en de lucht is helder, kraakhelder, en droog. Elk deeltje waterdamp zal meteen bevriezen en neerslaan, en in de schaduw zie je rijp. Ieder ander geluid, de klank van je stappen op de dijk, een vogel in de verte, is licht en hoog, het tinkelt in de lucht.

Laatste ijs vormt een totaal andere klankwereld. Het is zo zacht van toon, dat het alleen te horen is op een dag zonder wind. Het dooit, de lucht is warm, of in elk geval warmer dan het smeltend ijs dat op het water ligt. De atmosfeer is verzadigd van waterdamp, er hangt vaak mist en de horizon is niet te zien. De klanken worden gedempt door al die nattigheid. Het is alsof de tonen niet vooruit komen, je voetstap op de klinkerdijk klinkt mat, een vogelroep in de verte is gesmoord, als onder uit een doos. Het ijs is bros, en dof, en de afgebroken stukken schuifelen op de golving tegen elkaar. Door dat laagtonige lispelen van tegen elkaar aanschuivende brokkelkanten wordt het gevoel van ingeslotenheid door mist en vocht versterkt.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 4 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

Ik zag een biddende vogel. Een buizerd, denk ik. Hij hing boven het weiland. Ik vroeg me af waarom het bidden heet. De vogel spreidt zijn vleugels, vouwt ze niet. Ik kon niets bedenken. Alleen dat een biddende vogel in wezen wacht. In die zin heeft het misschien met geloof te maken. Wachten is hopen. Is je een mogelijke toekomst voorstellen. Is reikhalzend uitkijken. Is verlangen. Is geloven dat er iets voorbij het wachten ligt.

Dingen die voorbij zijn voordat je het weet
Iemands leeftijd
Een boot met geheven zeil
Lente, zomer, herfst, winter.

— Sei Shōnagon, Het Hoofdkussenboek

Dat iets wat meer dan duizend jaar geleden is geschreven je zo kan ontroeren, je zo aan het lachen kan maken, zo levend is. Sei Shōnagon, hofdame aan het hof van keizerin Teishi tijdens de Heian-periode, schreef Het Hoofdkussenboek rond het jaar 1000. Een verzameling essays, bespiegelingen en notities over de rituelen en de amoureuze verwikkelingen aan het Japanse hof. Het barst daarnaast van de lijstjes: Dingen waarvan je hart sneller gaat kloppen, Aanstellerige dingen, Onuitstaanbare dingen, Dingen die er verstikkend heet uitzien, Zonder meer schitterende dingen, Nutteloze dingen, Dingen die je in verlegenheid brengen, Onheilspellende dingen…

Hofdame: lady-in-waiting.

Sei Shōnagon schreef het ongeveer ten tijde van ons hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu.

Ja, vraag ik je, wat wachten we nu?

Wij zijn het die voorbijgaan als we zeggen dat de tijd voorbijgaat.
— Henri Bergson

Toen de wereld in de afgelopen maanden stukje bij beetje openging, kreeg ik het gevoel dat ik de hele pandemie alleen maar heb zitten wachten. Tot de wereld weer normaal werd. Tot ik mijn vrienden weer mocht omhelzen.

In werkelijkheid wist ik vóór de pandemie al wat wachten was.
In werkelijkheid heeft de pandemie er vrij weinig mee te maken.
De tijd vliegt, zeggen ze. Maar het was de tijd niet. Ik was het zelf.

Clichématige dingen
Je stapt nooit twee keer in dezelfde rivier
Geduld is een schone zaak
De tijd gaat sneller naarmate we ouder worden

Ooit, toen ik het gevoel had dat ik mijn eigen leven niet kon bijbenen omdat ik te traag leek voor de tijd, zei ik tegen mijn opa dat ik vreesde binnen niet al te lange tijd wakker te worden om me te realiseren dat ik tachtig was, dat mijn leven ten einde liep en dat ik allerlei kansen had laten liggen. Mijn opa’s bulderende lach: daar gaan nog wel een zaterdag en een zondag overheen.

Aan de andere kant is het misschien gewoon waar dat de jaren steeds vlugger voorbij gaan. Zandlopers gaan ook sneller lopen naarmate ze ouder worden. Het fijne zand slijt het glas van hun hals.

Dingen die mensen zeggen ter hoop of troost
Komt tijd komt raad
Wie wacht wordt beloond
De tijd heelt alle wonden

Nog even over die biddende vogels. Soms is de waarheid stukken minder hoopvol of poëtisch. Berust alles weer eens op slordig vertaalwerk. Birds of prey. Niet pray.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 3 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

There is more in the child than any man has been able to keep.
            —William Empson

Ik zag een meisje op het strand. Ze droeg een stethoscoop die ze hardhandig op de borst van haar babypop drukte. Ik wilde ook dokter worden toen ik zes was. Ik zag mezelf als kinderarts in een stoffige dokterspost in Afrika. Later overwoog ik een studie Italiaans om als vertaler of correspondent in Rome te gaan wonen. Het werd een studie Nederlands in Utrecht. Daar gebeurden alle dingen die leidden tot wie en wat ik nu ben. Ik ben schrijver en journalist. Ik heb een leven. Ik ben ik. Niet de dokter in Afrika, niet de vertaalster die in Rome woont.

We beginnen met een oneindigheid aan mogelijkheden, zegt filosoof Adam Phillips. Als we geboren worden zijn er duizenden verschillende levenspaden te bewandelen. Maar onderweg nemen we afslagen, kiezen richtingen. Het aantal mogelijke levens krimpt naarmate we langer onderweg zijn. Tot er slechts één over is: het leven dat we leiden.

 

Ik nam de telescoop mee naar het eiland. Als het niet bewolkt of mistig is kun je met het blote oog de Melkweg zien. Wolkjesblazend in de koude oktoberlucht speur ik ’s avonds de hemel af. De dubbele ring van Saturnus. De groene gloed van Uranus. En de maan. Zo dichtbij dat hij amper in de zoeker past.

Naar de maan kijken troost. Ik doe het sinds mijn opa me belde, jaren geleden, tijdens een oudejaarsnacht die ik door een treurige samenloop van omstandigheden in mijn eentje doorbracht. Hij zei me naar het raam te lopen en naar de maan te kijken. We zien nu allebei dezelfde maan, zei hij. We kijken er samen naar.

Op bewolkte avonden richt ik de telescooplens op het hotel met appartementen langs het strand. Ik zie de mensen. Ze zitten op de bank, lezen de krant, schenken een glas in of wiegen hun baby.

Doe je het tegen de eenzaamheid? vraagt een vriendin die belt. Maar dat is het niet. Het geeft me hetzelfde gevoel als wanneer ik, toen ik nog thuis woonde, inbrak bij de buren tijdens de zomervakantie. Niet om iets te stelen. Alleen maar om erachter te komen hoe een ander leven voelt. Om te ervaren hoe mijn leven ook had kunnen zijn: op een andere bank te zitten dan de mijne, in een ander bed te liggen dan mijn eigen, de geuren van een keukenkastje op te snuiven dat door een andere moeder is ingericht. Zo is het ook met de telescoop. Ik kijk naar een leven dat evengoed het mijne had kunnen zijn. Als ik andere keuzes had gemaakt.

Soms vraag ik me af wat er van me zou zijn geworden als ik geneeskunde was gaan studeren en als arts naar Afrika zou zijn vertrokken. Of als ik Italiaans gekozen had en me als vertaler in Rome had gevestigd. Of als ik, jaren eerder al, besloten had een gezin te willen.

Als ik andere keuzes had gemaakt…

As, as, as, zou mijn opa zeggen. As is verbrande turf.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 2 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

‘De wal’ noemen ze het vasteland hier. Alsof het eiland een schip is. Of een losliggend vlot. Alsof het elk moment op drift kan raken.

Misschien is het waar dat dingen op eilanden minder vast liggen. Ook de tijd lijkt zich er anders te gedragen.

Vannacht werd ik — voor de zoveelste keer sinds ik hier ben — wakker van de stilte. Zo stil moet het zijn op de bodem van de oceaan, dacht ik. Of in de ruimte. Door de kier tussen de gordijnen flitste de morsecode van het vuurtorenlicht langs de wanden van de slaapkamer.

Ik dacht aan de astronaut die ik eens heb horen vertellen over zijn werk op het International Space Station. Hij kon slechts werken in etappes. Elke 45 minuten schoof de aarde voor de zon en zag je geen hand voor ogen in het heelal. Na drie kwartier kwam de zon weer op en kon hij verder met zijn werkzaamheden. Hij zag zestien zonsopgangen en zestien zonsondergangen per dag.

Ik viel in slaap. Terwijl ik sliep flitsten de etmalen voorbij. Bij het ontwaken was de wereld stokoud en ik nog jong.

Op Malta geven alle 365 kerkklokken een ander tijdstip aan. Dat is om de duivel in verwarring te brengen. Zo weet hij niet wanneer het tijd is om iemand te komen halen.

Hoe vaak heb ik mijn eigen duivel hier niet om de tuin kunnen leiden? Hoe vaak heb ik hier niet kunnen vergeten dat het waar is wat ze zeggen: dat van uitstel afstel komt.

Ik lees, ik zwerf over het eiland, loop kilometers per dag langs de zee. Het water trekt me aan. Niet alleen mij. Je ziet het bij alle strandwandelaars. We kunnen overal lopen, het strand is breed, toch lopen we eerst naar de branding. Bijna als onder hypnose lopen we naar het water. Bruusk wordt de betovering verbroken wanneer we — te dichtbij gekomen — terugdeinzen, geschrokken van het zuigende zand dat aan onze voeten trekt.

Sommige wetenschappers beweren dat we door de zee worden aangetrokken doordat we eruit voortkomen. De percentages natrium, kalium, magnesium, jodium, chloor en andere mineralen in ons bloed komen overeen met die van zeewater.

Ik weet niet of dat waar is. Wél weet ik dat mijn tranen net zo zout zijn.

Het is ons brein, zegt de Zweedse dichter Thomas Tidholm. Onze hersenen zijn niet wat we denken: Als we ze eruit lieten, zouden ze wegkruipen richting de zee. Daar zouden ze worden ontvangen door neteldieren en nautilussen, anemonen en octopussen. Bevrijd zouden ze hun kronkels losgooien en wegzwemmen tussen de koraalbanken.

Ik ken iemand die geen weerstand meer besloot te bieden aan de roep van het water. Op een Engels eiland trok hij zijn schoenen uit, rolde zijn sokken op, legde zijn broek en shirt netjes opgevouwen op het strand en liep de zee in totdat hij niet meer kon staan. Toen is hij gaan zwemmen, steeds verder weg. Totdat er alleen nog water was.

De verdrinkingsdood is de mooiste dood, zeggen mensen die het niet kunnen weten. Hoe kunnen ze het anders navertellen?

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoek ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 1 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

Er hangt al dagen een dikke mist. De wereld klinkt zoals na een vers pak sneeuw. Toen ik hier op de eerste dag aankwam waren er duinen zover je kon kijken. Daarachter, onzichtbaar ruisend, de zee.

Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Het eiland heeft me leren schrijven. Mijn eerste verhaal — ik zal tien geweest zijn, hooguit elf — ging over het eiland. Over een strandjutter die Willem heette en een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Later schreef ik er mijn eerste ‘echte’ gedicht. Ook nu zit ik in een huisje in de duinen. In het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af.

Ik ben op het eiland om te schrijven. En ook: om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen. Om moed te verzamelen. Om te durven beginnen met schrijven.

Het is misschien de eenzaamheid. Dat eilanden omgeven zijn door niets dan water. En dat je alles moet achterlaten om er te komen.

Aan de noordkant zag ik mannen met metaaldetectors van links naar rechts zwiepend het strandzand scannen. Aan de zuidkant tastten lepelaars met precies diezelfde pendelbeweging het Wad af, zoekend naar garnalen. De vogels hielden stil toen ik dichterbij kwam, op hun hoede, maar vlogen niet weg.

Oesters zijn zowel mannelijk als vrouwelijk. Zo kunnen ze zichzelf bevruchten. Dat is handig omdat ze zich niet kunnen verplaatsen. Zeepokken kunnen kiezen of ze mannelijk of vrouwelijk zijn. Ze hebben een dak dat open kan zoals bij een cabriolet. Soms, als ze zin hebben, schuiven ze het dak naar twee kanten open en steken hun piemel naar buiten, 25 keer zo lang als hun lijf. Daarmee kloppen ze op de daken van de buren. Totdat er eentje besluit een vrouwtje te zijn en hem binnen te laten.

My love for traveling to islands amounts to a pathological condition known as nesomania, an obsession with islands. This craze seems reasonable to me, because islands are small self-contained worlds that can help us understand larger ones.

— Paul Theroux

Misschien dat dat het is. Dat ik zo van eilanden houd omdat ze me helpen de wereld te begrijpen.

Nog altijd niets dan mist. Het uitzicht is spierwit. Zo wit en leeg dat ik me vanmorgen bij het wakker worden afvroeg of de wereld voorbij mijn huis nog wel bestond. Maar vanmiddag daverden er paarden langs het keukenraam.

 

Dorien Dijkhuis schrijft poëzie, proza en essays. Haar werk verscheen onder meer in Het Liegend Konijn, De Revisor, Papieren Helden, Tirade en Terras. Ze debuteerde met de bundel Waren we dieren bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Momenteel werkt ze onder andere aan een serie muzikale vertellingen en een poëtische virtual reality-installatie die tijdens het festivalseizoen van 2022 op verschillende plekken te zien zal zijn. Meer info vind je op www.doriendijkhuis.nl.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week de laatste afleveringEcht.



Jaren geleden, in het eerste jaar van mijn studie, pendelde ik dagelijks met de trein tussen het Limburgse dorp waar ik was opgegroeid en mijn nieuwe stad Nijmegen. Wanneer de trein afremde in de laatste bocht voor mijn bestemming, zag ik boven het spoortalud een torentje uitsteken. Als een pagode prijkte het in de lucht, twee etages met een gekromd dak, vuurrood met groene belijning. Altijd in die bocht keek ik omhoog en nam ik aan dat ik de top van een tempel zag of een enorm Oosters restaurant. Het werd een vanzelfsprekend onderdeel van mijn reis, het torentje als teken dat ik er bijna was.

Een jaar later woonde ik in die stad. Ik zocht er mijn weg, vond nieuwe ankerpunten langs mijn verschillende fietsroutes. Zoals de lichtgele letters van de BIOTEX-fabriek, de rookpluimen van de elektriciteitscentrale aan de Waal en de spoorlijn die de stad in drie stukken verdeelde. Doordat ik het torentje niet meer zag, was het ook uit mijn gedachten verdwenen. Totdat ik op een maandagochtend vanaf het station naar mijn Nijmeegse huis liep en besefte dat ik vlakbij die bocht in het spoor woonde. Ik rekende uit waar de trein ongeveer begon te remmen, in welke bocht de tempel moest liggen. Toen bleek dat ik er al vele malen ongemerkt langs was gefietst. Daar stond het, iets van de weg af: een klassiek schoolgebouw met rechte, bakstenen muren, hoge ramen met witte kozijnen. Er was niets Oosters aan, maar op het dak, in het midden, stond het torentje. Bovenop het gebouw de belofte van een heel andere plek.

Tot mijn schrik zie ik dat er over een paar weken een korte reis in mijn agenda staat. Ik ben al maanden niet meer ver van huis geweest. Het elastiek dat me met thuis verbindt is al die tijd niet meer opgerekt, waarschijnlijk is het zelfs gekrompen. Het idee om in een vliegtuig te stappen en tweeduizend kilometer af te leggen, voelt als een vrije val.

Geleidelijk zal ik de cocon die mijn huis is moeten verlaten om over drempels te stappen, naar plekken te gaan waar veel mensen zijn, niet wetend of ik iemand drie zoenen moet geven, in de armen val of toch een hand uitsteek, en zal ik weer vaker rennen voor een laatste trein naar huis. Ik zal nog steeds reizen via Google Street View, want dat deed ik al jaren, alleen zou dit in de normale wereld nieuwe vragen kunnen oproepen, want waarom zou je digitaal reizen als het ook weer kan in het echt?

In het echt. Steeds vaker hoor ik mezelf de woorden zeggen. ‘We drinken gauw weer eens koffie, in het echt.’ ‘Hopelijk tot snel, in het echt.’ Natuurlijk is het logisch om na een tijd van op afstand leven, van wachten, van uitstellen, van digitale ontmoetingen, van het mijden van aanrakingen, te verlangen naar het moment dat er geen scherm meer is tussen mijn gezicht en dat van de ander, of het nou een beeldscherm is of een laag plexiglas om te zorgen dat onze adem gescheiden blijft.

Binnenkort betreed ik weer nieuwe plaatsen, hoor ik andere stemmen, zie ik meer gezichten op één dag dan nu in een hele week. Mijn dagen en weken zullen weer versnipperen, over meerdere plekken en meerdere mensen. Ik zal bestaan als een gebouw met torentjes die uit allerlei werelden afkomstig lijken, door de verschillende mensen waarmee ik omga, het uiteenlopende werk dat ik doe, de plekken waar ik graag ben. Het leven in het echt was altijd al in stukken. Ongemerkt is mijn kijken voorzien van een schaar en knip ik zo een geheel bij elkaar. 

 

 

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.