Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorige week vroegen we de lijstenmaker alias pompbediende en zijn geletterde vrouw te eten. Het was een heel gemoedelijke avond waar veel mensen die we nog niet kenden over de tong gingen. Zo ook Sorcha en Ringean: volgens onze visite sturen ze gecodeerde berichten naar de maan. Deze kaatsen terug en worden door andere zenders opgevangen die vervolgens als bewijs een postkaart retourneren. Het maakte ons nieuwsgierig naar de mensen met de satelliet in de tuin en we zagen al voor ons hoe we gezamenlijk een project zouden kunnen opzetten. Al binnen een week werd een ontmoeting geregeld. Vrijdagavond zouden we met zijn vieren bij het ‘orbit’-echtpaar dineren. ‘Is er een dresscode,’ vroeg ik Seònaid toen we een tijd afspraken. Nee, was het antwoord en toen opeens: ‘Nou ja misschien, ja, meestal tutten we ons wel op.’

Er zijn niet veel gelegenheden meer waarbij ik iets anders aanschiet dan mijn werkkloffie. Het belangrijkste hier is warm te blijven en omdat we zo veel aan het klussen zijn, zitten we meestal onder het stof, aarde of verfspatten. Heel soms is er een barn dance of een bruiloft en dan halen we de koffers tevoorschijn met de opgeborgen feestpakken uit ons vorige leven.

R. zag er goed uit in zijn driedelige donkerbruine wollen maatpak met vers gestreken overhemd en bijpassende manchetknopen. Ik voelde me een beetje opgelaten in de glanzende donkerblauwe plooirok, maar de rok zwierde zo gewillig rond bij de kleinste beweging, dat ik me plots kon identificeren met het lot van een galatenue dat tot in de eeuwigheid moet wachten.

Op de tenen van onze gepoetste schoenen probeerden we door de modder de auto te bereiken.  Wat niet lukte natuurlijk.

Bij aankomst in het dorp stonden Seònaid en Ailean al op ons te wachten. We zagen hun silhouetten door het raam van het halletje schemeren en nog voor we aanklopten, zwaaide de deur open. Seònaid droeg een bordeauxrode victoriaanse japon met diep decolleté en een zwart hoedje met voile waarachter haar gerimpelde gezicht schuil ging. Achter haar dook Ailean op, in rokkostuum met een cilinder. Zijn zwarte das was dubbel geknoopt. ‘Faithfully Double Windsor.’ Wij werden even vluchtig gescand. Deftig genoeg! Blijkbaar schepten de stoffen die onder onze regenjassen uitpiepten, voldoende vertrouwen en we schikten ons op de achterbank tussen de ingepakte lijsten die op volgorde van route klaar stonden om te worden bezorgd.

Een halfuur later werden we verwelkomd door Sorcha die eveneens een victoriaanse japon droeg, nog dieper van kleur dan die van Seònaid. Een groen fluwelen tuniek zorgde als complementaire tegenhanger voor een optimaal contrast. Met nog twee haarspelden in haar mond verontschuldigde ze zich voor het slechte weer. ‘Ha, wij hebben al veel over jullie gehoord,’ klonk het vanachter de deur waar een heer met een duikbril van tandwielen op zijn voorhoofd in een hoogglanzend paars gilet verscheen.

We werden omhoog geleid naar de zolderkamer en moesten naast elkaar op de bank plaatsnemen. Ringean zette een antiek apparaat op tafel dat we absoluut niet mochten aanraken omdat dat het einde van ons leven zou kunnen betekenen. We wachten braaf af tot iedereen zich rond de salontafel had opgesteld. Ringean draaide aan een van de slingers en er begon een vonk heen en weer te springen tussen de twee koperen bollen in. Trots bracht hij zijn zelfgebouwde elektriseermachine op volle toeren. Daarna was Ailean met zijn papieren exemplaar aan de beurt.

Na de vonkenregen vroeg Sorcha langzaam: ‘Zijn jullie niet bekend met Steampunk?’ Ze glimlachte, maar haar stem klonk teleurgesteld. Wij bleken niet de langverwachte zielsverwanten te zijn. R.’s zelfgebouwde periscoop en cracklebox en mijn hang naar de negentiende eeuw waren totaal verkeerd geïnterpreteerd, ‘maar,’ zei Seònaid, ‘jullie kunnen je bekeren en met ons uitverkoren eilanders terug in de tijd reizen, klokken bouwen, spelen dat er geen stroom is, alleen stoom, en je samen met ons zo af en toe in brokaat hullen.’

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorig jaar hebben we twee opleggers met brandhout laten bezorgen uit Tiroran Wood, een van de vier productiebossen op Mull. Bij wet moeten gevelde bomen door nieuwe gemengde aanplant worden gecompenseerd. Naast het kaalgeslagen veld met stobben die nog uitgegraven moeten worden, is een deel van Tiroran al weer aan het verrijzen. Oranje kokers beschermen de iele twijgen de eerste jaren tegen vraat van herten en hazen en geven de locatie van de toekomstige bomen aan. Ze doen de kapvlakte iets minder onheilspellend ogen.

Onze boomstammen liggen tien hoog opgestapeld naast het huis. Er zit, als we niet al te kwistig zijn, zeker vijf winters warmte in de stapel. Elke maand breng ik een dag door achter de kliever. Bij droog weer installeer ik het apparaat in de tuin, maar vandaag zit ik in de schuur te midden van de nog te hakken houtblokken. Boven mijn hoofd tingelen hagelstenen op het golfplaten dak. Rechts tegen de muur groeit de stapel gespleten stammen. Het is een louterende bezigheid. De kliever moet met twee handen worden bediend, maar inmiddels werk ik met een hand en een knie, zodat het mes niet helemaal terug schuift en ik in de luttele seconde die ik daarbij win, net een nieuwe schijf kan neerleggen met mijn vrije hand. De meeste stammen kwartier ik, het grotere hout splijt ik in achten.

Genadeloos scheurt het kliefmes het hout middendoor. Het kraakt en knarst van jewelste. Op grote knoesten loopt de machine vast. Dan moet ik het vastgelopen blok hout met een moker losslaan. Tijdens het klieven komt heel soms uit het midden van de stam de jonge tak compleet met alle zijtakjes tevoorschijn waarvanuit de boom groeide. Het ontroert me steeds weer hoe een eerste aanzet tot boom zich bevrijdt uit nauwsluitende jaarringen.

De Italiaanse beeldhouwer Guiseppe Penone maakte een aantal sculpturen waarbij hij als het ware de begintak uit een volwassen boom pelde. Hij sneed het hout rondom de kern verticaal weg, maar liet de stam aan de buitenzijde intact, zodat er een doorzicht ontstond waarin de eerste groeifase door de oudere boom wordt ingelijst. Het zijn de meest tederste sculpturen die ik ooit heb gezien.

Een uur gaans van Knockvologan bevindt zich een eik die zich in de luwte heeft kunnen ontwikkelen tot magische afmetingen. Ik loop er regelmatig naartoe om even onder de boom te zitten en er een paar judasoortjes en galappels vanaf te plukken. De stam is net boven de grond in tweeën gespleten, maar houdt desondanks vier zware horizontale hoofdtakken in de lucht. De diepgegroefde schors is op sommige plekken totaal bemost en gonst van torretjes en kleine vliegen die eruit tevoorschijn komen als je er een paar minuten blijft kijken. Een van de takken raakt halverwege de mossige bosbodem en lijkt aan het vermolmen, maar meters verderop kruipt de tak omhoog tegen de granietwand en begint het blad al haast weer uit te lopen.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte. Lees ook aflevering 1.

*

Mijn hoed is al weken zoek; weggewaaid waarschijnlijk nadat ik hem ergens in de tuin naast me neer had gelegd. Stom. Hoeden zijn onmisbaar op Mull. Lopen en werken met een hoed biedt bescherming tegen hagel en regen en garandeert rust voor de oren, want de wind is luid en onstuimig en slaat losse haren als gesels in je gezicht.

De enige manier om op dit eiland aan een nieuwe hoed te komen is of naar de ‘mess’ rijden, de tweedehands winkel in Craignure, wat drie uur reizen betekent, of het internet opgaan en naast het gewenste artikel een leverancier vinden die de bestelling op het eiland wil afleveren. Meestal veroorzaakt dat laatste problemen, maar daarover later meer.

Ik vind na lang zoeken een soortgelijk model: licht, waterdicht in een groen dat niet te veel op zal vallen in het landschap. Een reservehoed komt eerdaags zeker van pas, dus bestel ik er meteen twee. Na een week al arriveert er een zending uit China, zorgvuldig verpakt in zwart papier en dichtgebonden met plakband waar grappige figuren op staan die me aan de poppetjes op prenten van Hiroshige doen denken. Voorzichtig snijd ik de verpakking open. Uit het papier komen welgeteld drie opgevouwen olijfgroene hoeden tevoorschijn met een schouderbrede rand zodat je in de schaduw van je hoed op een snikheet zonovergoten veld kan werken. Ik pas de hoed. De maat is perfect, maar met zo’n rand wordt het niks.
Wanneer ik via de bestelgegevens achter het adres kom van de afzender volgt een cryptische briefwisseling over waarom de hoed niet voldoet ondanks de riante rand. Ik schrijf dat de hoed te veel flappert en spreek af met Sun Jie dat ik twee hoeden terugstuur. Ze vraagt expliciet de derde te houden omdat ze die als cadeau heeft meegestuurd en het afslaan ervan ongeluk betekent.

Met twee hoeden in de originele verpakking rijd ik naar het postkantoor van Bunessan. Het loket bevindt zich in de hoek van het winkeltje van Glen en is niet groter dan een pashokje volgestapeld met dozen. Sìle zit achter het loket en werpt een blik op het etiket. Een beetje beschaamd vraagt ze: China? Het is het eerste pakje ooit dat ze die kant op stuurt. Ze moet in een boek het verzendtarief opzoeken. Er zijn twee opties: per vliegtuig of per schip. ‘Hoe lang doet de zending er per schip over,’ vraag ik. ‘Drie maanden,’ zegt ze terwijl ze een wenkbrauw optrekt. Zo lang kan ik Sun niet laten wachten, hoe charmant ook het beeld van twee zeevarende hoeden me toeschijnt. Weer thuis kijk ik nog eens naar het geschonken hoofddeksel. Misschien kan ik de rand inkorten. Met een schaar knip ik rondom 7,5 centimeter weg. De hoed is eigenlijk best bruikbaar zo. Later op de dag zoom ik de rand om met een biesbandje en ik vervang meteen het stugge koord van de klikstopsluiting. ‘Hold on to your hat,’ roept het weerstation bij windvlagen boven de 50 knopen. Vandaag is het kalm. Met de hoed van Sun op mijn hoofd loop ik naar het strand.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Boven op de Ben More staat een schaap, ontsnapt aan de schaapscheerders, waardoor het dier sprekend op een titanische merengue is gaan lijken; niet wit maar roze-grijs gemêleerd door de in vele regens uitgelopen rode stip op haar rug. De enorme toef wol op korte grijze pootjes kijkt me angstig aan, maar doet geen stap opzij. Dit is haar bergtop.

Ik leg mijzelf neer op het graniet en meteen word ik uitgekleed door de wind. Hier werd ook een hert geofferd. Het verdween in de steenarend en kalmeerde. Op de heenweg vond ik een reep huid op de rotsen en pal daaronder een paar wervels.

Op Mull is het landschap onderverdeeld in drie lagen. De bovenste laag, de lucht, is voorbehouden aan de vogels. Als je te dicht bij hen in de buurt komt, vallen ze aan.

De middenruimte wemelt van de hoefdieren die, als je niet oplet, je net geplante bomen opeten. Het hek stond open vannacht, maar de dieren hebben er geen gebruik van gemaakt.

De onderste laag is merendeels aan het zicht onttrokken en bestaat uit veen. Het draagt misschien wel het meeste leven. Samen met R. en Seathan meet ik de diepte van de moergrond. We hebben van de vogelbescherming een meetgereedschap te leen gekregen dat uit negen oranje, plexiglazen stokken bestaat van net geen meter. Deze peilstokken zijn met messing schroefdraad aan elkaar te koppelen. Vlak voordat de stok helemaal in de grond verdwijnt, draaien we de volgende stok vast en duwen we door, meter voor meter voor meter tot het puntje van de eerste stok op rots stoot. Met behulp van de door Seathan opgestelde tabel noteren we de meting. Bij het omhoog halen borrelt het smalle boorgat lang na. We blijven luisteren tot de peiling geen geluid meer maakt, alsof we de morsecode die het veenwater naar het heden zendt, proberen te ontcijferen.

Sphagnum, het mos waaruit het veen is opgebouwd, groeit per jaar gemiddeld een millimeter. Op een van de dertig punten in het raster dat we met een gps hebben uitgezet, meten we haast negen meter hoogveen. We kijken elkaar ongelovig aan en prikken nog eens net naast het eerste gat. Terug naar de ijstijd. Als proef op de som steek ik mijn vinger in het mos, en mijn pols en mijn onderarm glijden erachteraan. Het veen voelt warm en als ik mijn arm terugtrek, is mijn huid glad geworden van de tijdreis langs mos, pollen, insecten, zaden en neergedaalde vulkanische as die samen het afgelopen millennium hebben bepaald.

‘Ik wil de natuur niet dicteren wat is geweest,’ luidt de geheimzinnige slotzin van Elke Erbs gedicht ‘16.12’. Ik draag haar versregel met me mee. Meer dan ooit wil ik van het landschap doordrongen raken en me in de oorsprong van de plaatsgebonden taal verdiepen. Letterlijk en figuurlijk. Op het eiland hoop ik mijn schrijven op te kunnen rekken en als een zeiler (reagerend op de wind en de zeestroming), strandjutter (oprapend wat aanspoelt) en visser (sorterend wat er in het net komt) nieuwe woorden te vinden. Vandaag zijn het er vier: volle moer is een nog niet ‘aangesneden’ veengebied. Alvorens veen ontgonnen kan worden, moet men eerst alle plantengroei verwijderen. Een nog met lang heidekruid of gagel begroeid veengebied heet rauwe moer en dan bestaat ook nog de gezonken moer, onder water en de gezeten moer, boven water. Ik wrijf in mijn handen.

(Noot van de redactie: literair tijdschrift Raster publiceerde in 2004 zes vertalingen van Erbs gedicht. Willem van Toorn vertaalde nog vier gedichten.)

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staan het tweede en het derde deel. Dit is het vierde en laatste deel.

*

Het is zaterdagavond, na het eten, en ik heb de groep niet kunnen tegenhouden. Ik zei dat ik een korte boswandeling zou gaan maken, Ina gilde: ‘Hè, ja, een avondwandeling! Wat een top-idee!’, Leo zei iets over ‘benen strekken’ en ‘leuk element voor in de vlog’. Charlotte kwam met ‘hout sprokkelen’ en ‘kampvuur’, Sabor keek me alleen lang aan met die zwarte ogen van hem. Toen dribbelden ze levenslustig achter me aan. Ik zei het al: dit is geen vakantie, dit is werk.

‘Je draagt het uniform,’ zeg ik tegen Rainer als ik voor hem sta. Het takje dat ik nog in mijn hand had heb ik weggegooid, mijn collega’s zijn niet meer te horen en uit zicht verdwenen.
‘Voor jou,’ zegt hij. Hij kijkt om zich heen. ‘En een beetje voor hem.’ Ik zie het doodshoofdje op zijn pet, de zilveren ruiten op zijn kraag, het kleine hakenkruisje rechts boven de borstzak. Hauptsturmführer. Het geweer onder de riem lijkt kleiner dan in de schuur, ernaast bungelt een flacon. Hij heeft zijn snor getrimd, zijn gezicht is knap, hij lijkt jonger.
‘Ik heb voor jou ook wat.’ Hij overhandigt me een jas. Het is een groot en zwaar colbert, er staat een adelaar op de voorkant met een hakenkruis in zijn poten. Het is duidelijk getailleerd. Als ik het jasje opensla valt er een zwart mutsje uit, het heeft de vorm van zo’n hoedje dat medewerkers van de Albert Heijn-slagerijafdeling moeten dragen.
‘Kleren voor mijn Blitzmädel,’ zegt Rainer.
‘Wat?’
Hij kijkt streng, ik trek het colbert aan, de stof is dik en stug. Rainer zet me het hoedje op. ‘Voor mijn Blitzmädel,’ zegt hij nog eens. ‘BlitzBlitz, van bliksem, van dit.’ Hij wijst naar het SS-symbool dat op de mouw van mijn jasje is gestikt. Blitzmädels, hier moet ik het met Charlotte over hebben, denk ik.
‘Onze bliksemmeisjes,’ zegt Rainer. ‘Zonder hen hadden we het niet gekund.’

Van de twee weken waarin ik niet werkte kan ik me weinig herinneren, behalve dat ik elke ochtend gewoon om kwart voor zeven opstond, brood smeerde en in mijn auto ging zitten. Ik startte de motor, reed een rondje door de buurt en parkeerde weer in mijn straat. Dan liep ik naar huis en zette koffie. Ik deed alsof ik al had gewerkt, en dat ik dan nu vrij was. Ik bleef me de rest van de dag trillerig afvragen hoe het kon dat ik moest uitrusten terwijl ik in feite zo ongelofelijk weinig in mijn leven had bereikt.
‘Je moet leuke dingen gaan doen,’ zei Sabor toen hij bij me kwam eten. ‘Naar het theater, of de sauna, zoiets.’
‘Wil jij met mij naar de sauna?’ Ik meende de vraag serieus, maar Sabor proestte. ‘Met dit lijf wil jij niet in een sauna zitten.’
Aan het einde van de avond zei hij dat ik het echt moest gaan doen, die leuke dingen, en vroeg hij of ik het had gemeend, dat samen naar de sauna gaan.
‘Ja,’ zei ik.
‘Echt?’ zei hij. Hij keek me heel lang aan. Ik wist niet wat ik moest doen en liep naar de gang om zijn jas te pakken. We zijn nog niet naar de sauna geweest.

‘Heb je het helmpje?’ vraagt Rainer. Ik haal het uit mijn zak. Hij pakt het, haalt een veiligheidsspeld uit zijn broekzak en prikt het op mijn borst. ‘Daar gaan we,’ zegt hij.
Ik loop achter hem aan door de bladeren. Zijn hondjes rennen voorop. Een specht tikt ergens tegen een boomstam. Na een tijdje zwijgend te hebben gelopen staat hij stil. ‘Als je dit verraadt ben je dood,’ zegt hij.
Ik speel mee. ‘Jawohl Herr Hauptmann.’
We naderen een heuvel. Er groeien struiken en een paar boompjes. Aan de achterkant liggen de boomwortels bloot en is de grond een stuk lager. De voorkant van de bunker is nauwelijks te zien, overal takken en mos. Het beton is begroeid met schimmels en planten.
‘Hier zit hij,’ zegt Rainer. ‘Hier is hij.’
Ik duw een struik aan de kant. ‘Leeft hij nog?’ Rainer pakt mijn hand en trekt me in de richting van een kleine opening, niet groter dan een vuist. Een raam zonder glas.
‘Hier kun je kijken, dan zie je hem,’ zegt hij. Ik kijk door het gat, maar alles is zwart. Ik denk aan Sabor, in zijn grote zwarte overhemden. Ik had hem moeten vragen mee te gaan.
‘Ratten moest hij eten, muizen, aarde. De deur zit potdicht. Die klote-Amerikanen hebben alles verpest.’ Rainer komt naast me staan, ik ruik een scherpe zeepgeur. ‘Vati,’ zegt hij in het gat van het raam. ‘Ik heb iemand meegebracht. Een Blitzmädel. Ze bestaan nog, ze zijn er nog.’ Hij kijkt me aan, rukt dan het helmpje van mijn borst en duwt het door het gat. ‘Kijk maar!’ roept hij.
‘Hee!’ zeg ik. ‘Die is van mij.’
‘Die is niet van jou,’ fluistert Rainer. ‘Die is nooit van jou geweest. Net zoals dit uniform niet van mij is. Het is van hem, het is allemaal van hem. Hij was Hauptsturmführer.’
‘Waar was hij dat?’ fluister ik. Ik wil het ergste antwoord horen.
‘In Auschwitz,’ antwoordt Rainer. ‘Hij was de beste.’
‘Waar in Auschwitz?’ vraag ik.
‘Wat maakt dat uit, hij werkte daar en die hele plek is hem afgepakt. Kom, begroet hem eens.’
Mijn borst gaat op en neer, ik probeer mijn stem strak te houden. ‘Hoeveel mensen heeft hij vermoord?’
Rainers hoofd komt dicht bij het mijne. Hij tuurt me een paar seconden met een holle blik aan. ‘Wat vraag jij?’
Nu ben ik te ver gegaan. Nu zal hij niets meer zeggen.
‘Hee, wat vraag jij? Wat vraag jij?’
‘Ik….’
‘Wil jij hier wel zijn? Met ons? Jij wilt toch hier zijn, en niet daar bij je vrienden, oder? Jij wilt ons helpen, oder?’
‘Ik zou graag het verhaal…’
Rainer doet een stap achteruit. ‘Ach so,’ zegt hij. ‘Het verhaal.’
‘Nou kijk, ik zou graag uw vader beter willen leren… Hoe was het voor u, om met hem op te groeien?’
‘Ach so, ach so. Dorothee wil een verhaal, een interview.’ Rainer snuift. ‘Er is hier geen verhaal. Mijn vader zit al drieënzeventig jaar in deze bunker, dat is het verhaal. En jij vraagt hoeveel hij er vermoord heeft? Begroet hem eerst eens!’
‘Guten Abend,’ fluister ik in het gat, ‘Wie geht es Ihnen?
Rainer komt weer naar me toe en pakt mijn bovenarm. ‘Lieve Dorothee,’ zegt hij. Met zijn andere hand aait hij me weer over mijn wang. ‘Hij moet hier weg. Jij zou ons helpen, hij moet hier weg.’
‘Helpen? Rainer, ik zou niet weten hoe we…’
‘Jij zou ons helpen, maar je verhoort ons. Waarom verhoor je ons?’
Ik wil mijn arm wegtrekken, maar hij verstrakt zijn greep. Ik kijk weg, naar de nieuwe huisjes, de recreatiehal met paintballmogelijkheden, het restaurant met serre, de volledig ingerichte tenten, ver weg achter de bomen.
‘Waarom verhoor je ons? Ben je een verrader? Wat zoek je?’
Er komt geen geluid meer uit mijn mond.
‘Wat zoek je? Zoek je spannende verhalen? Of zoek je bescherming? Een warme familie? Wil je bij mij zijn? Heb je soms afluisterapparatuur in je broek?’ Hij grijpt naar mijn kruis. Ik hoor het ruisen van de Oostzee, het geluid van hondenpootjes op dode bladeren. Het bos maakt zich klaar voor de nacht. En hoewel ik op dat moment aan Ina denk, kom ik niet eens op het idee om te gillen.

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staat het tweede deel ook. Dit is het derde deel.

*

Hitler heeft zich aan het begin van zijn regime meermaals uitgelaten over de jeugd. ‘Onze toekomstige jongens,’ riep hij in een toespraak in 1935, ‘moeten slank en rank zijn, behendig als windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal.’ Er was volgens de nationaalsocialisten een nieuwe opvoeding nodig, weg van het geestelijke en terug naar het fysieke. De mensen van de toekomst moesten hun volk kunnen beschermen tegen de ‘verwilderingen’ die in de maatschappij gaande waren, en tegelijkertijd moest frisse, kinderlijke, onbevangen reinheid worden behouden. Een intellectuele opvoeding paste niet in dat ideaal.

Nadat ik dat gelezen had wist ik dat ik me niet meer met joodse supergetto’s, maar met de verankering van het nationaalsocialisme in kinderen wilde bezighouden. Nachtenlang las ik boeken en keek ik documentaires over de Hitlerjugend, ‘de misbruikte generatie’ noemen ze die. Mijn interesse verplaatste zich naar kinderen van gezaghebbende nazi’s; hoe waren die door hun opvoeding beïnvloed? Ik stuurde wat brieven, uitnodigingen voor gesprekken, maar ik kreeg weinig respons, de meesten wilden niet meer met hun ouders geassocieerd worden. Kinderen die van weinig weten, dacht ik toen ik rondkeek op school, dat is een goed onderwerp. Eersteklassers bam, in Auschwitz neerzetten. Wat doet dat? Hoe reageren ze? Hoe draait hun wereldbeeld? Leo vond het geen goed idee, pedagogisch te aangrijpend. ‘Geen geld,’ zei hij ook, ‘helaas. We kunnen naar Westerbork?’

Toen ik de plannen voor mijn boek had laten varen, gestopt was met documentaires kijken en boeken lezen en me weer alleen bezighield met toetsen nakijken en rapportvergaderingen, ging het mis. Dat was afgelopen jaar. Sabor was de eerste die het merkte. ‘Je ziet eruit alsof je dood bent,’ zei hij. ‘Moet jij niet even een adempauze?’ Ik keek hem stil aan, wist dat hij zijn academische ambities lang geleden had laten varen en gelukkig was tussen die behoeftige, schreeuwende, onnozele kinderen.
De rest van de week bleef ik thuis, Sabor kwam bij me eten, ik werd zenuwachtig van hem. Hij hoorde op school, in mijn woonkamer leek hij te groot, te aanwezig, te echt. Ik ontdekte dat je geen ‘adempauze’ kunt nemen van de geschiedenis, dat dat het domste is wat je kunt doen. Ik begon weer met lezen, bestelde via eBay het miniatuurhelmpje, hing het in mijn auto om me er dagelijks aan te herinneren dat er meer was dan deze school, deze tijd, deze kinderen, dat er iets boven mijn hoofd rondzweefde dat nog in woorden moest worden gevangen, dat ik dat niet kwijt moest raken. Twee weken later was ik weer op school.

Ineens aaide Rainer me over mijn wang. Ik zat nog op het krukje, het was nog steeds vrijdagochtend, ik had hem gevraagd waar zijn vader zich dan ophield, hij had niet geantwoord en was weer lange tijd stil geweest. Toen aaide hij me over mijn wang, heel teder, en zei: ‘Du bist ja meine Helferin.’
Ik verstrakte. Helferinnen waren vrouwen die bij de Wehrmacht in dienst waren. Ik zei niets, keek hem aan en zag dat hij van oor tot oor lachte.
‘Ik kan je het laten zien. Morgenavond breng ik hem weer water, dan kun je mee.’ Hij aaide me nog eens, ergens in mijn lijf begon het te tintelen, het gevoel verspreidde zich snel. Dorothee wordt door een primaire bron geaaid. Dorothee staat het toe.
‘Kom je mee? Morgen? Zaterdagavond?’
‘Waar dan?’ Mijn stem was schor, ik moest mijn vraag twee keer stellen. ‘Waar zit hij dan?’
‘Hij zit in een bunker.’
‘Een bunker?’
‘Een totaal afgesloten bunker.’
‘Een totaal afgesloten bunker?’
‘Hier in het bos.’ Rainer straalde nog steeds. ‘Niet ver, het is niet ver. Een totaal afgesloten bunker. Maar het is niet ver.’
‘En jij brengt hem water?’
‘Ja, en soms ook een broodje, meer past niet door het raam. Ze laten hem gewoon doodhongeren anders.’
Het was even stil. Ik keek naar de geweren, ik dacht aan mijn boek. ‘Oké,’ zei ik.
‘Oké,’ zei Rainer. Hij pakte mijn hand, trok me omhoog en liet mijn hand weer los. We stonden nu tegenover elkaar, we grijnsden allebei. We spraken een tijd af, zaterdagavond, na het eten, in het bos, dichtbij het pad achter het terrein. ‘Ik vind je wel,’ zei hij. Hij stak zijn hand weer naar me uit. ‘Neem je helmpje mee. Dat zal hij fantastisch vinden.’

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van het minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Dit is deel 2.

*

Ons eerste avondmaal, afgelopen donderdag, bestond traditiegetrouw uit ingrediënten die we uit Nederland meenamen, in blauwe kratten in de auto van Leo. Hij zou samen met Ina koken, Charlotte en ik zouden het snijwerk doen en Sabor zou er als Technische Dienst voor zorgen dat alles het deed. Zoals ieder jaar zouden we tijdens het eten een toost uitbrengen, waarbij we allemaal een wens formuleerden voor het nieuwe schooljaar.
‘Het gasstel doet het niet,’ zei Sabor toen we de kratten van de auto naar de keuken hadden getild. ‘Gaskraantje vol open, geen gas.’

Ik dacht aan een moment kort daarvoor, die middag. We waren net aangekomen, de motoren van onze auto’s draaiden nog, er was bij de slagboom een mannetje op ons afgekomen. Wat je je voorstelt bij het woord ‘mannetje’: klein, vriendelijk, pretogen, slordige snor, overall. Toen ik hem door mijn geopende autoraam in het Duits begroette en onze reservering doorgaf, deed hij geen moeite meer om Engels te spreken.
Folgen Sie mir bitte,’ zei hij, ‘ich werde Ihnen Ihr Ferienhaus zeigen.’ Hij keek me lang en fel aan, en wierp toen een blik op de hanger aan de achteruitkijkspiegel: een klein, antracietkleurig helmpje aan een koordje. Pas toen ik ‘super, ich folge Ihnen’ had geantwoord, nog een beetje beduusd van zijn blik, liep hij naar voren en stapte in een klein vrachtwagentje. Er stond R.A.I.N.E.R. op het nummerbord en twee blaffende hondjes staken net met hun koppen uit de open bak. We reden achter hem aan over het hobbelige terrein en toen onze auto’s voor het huisje stonden wees hij zonder uit zijn wagen te stappen naar de voordeur, lachte, keerde om en scheurde het pad weer af naar beneden. De oren van de hondjes flapperden in de wind.
Ina keek heel moeilijk naar Sabor, toen heel moeilijk naar het gasstel en toen plots uitzinnig naar mij. ‘Dorothee kan dat mannetje in dat karretje weer even opzoeken!’ riep ze. ‘Jij met je goeie Deutsch, Dorothee! Hij helpt ons vást aan gas.’
 
Ik vond Rainer in een schuurtje achter de receptie. Ik klopte op de openstaande deur, hij kwam schichtig naar buiten. Zijn honden waren nergens te vinden. Ik zei iets over het fornuis, hoopte dat ‘Gasstelle’ het juiste woord was en keek hem verwachtingsvol aan. Hij bleef stil. Hij keek me zo lang stil aan dat ik ongemakkelijk werd.
‘Ik heb het helmpje gezien,’ zei hij uiteindelijk langzaam, in duidelijk, accentvrij Duits. Ik slikte. Weer was het een moment stil. ‘Ik heb het herkend.’
Om toch maar iets te zeggen mompelde ik: ‘Het beschermt me tegen ongelukken.’
‘Ongelukken,’ herhaalde hij, ‘ongelukken.’ Weer zei hij een tijdje niets. Ik kreeg het koud, dacht aan Sabor, het fornuis, en wilde net vragen of Rainer meekwam om ernaar te kijken toen hij weer iets zei: ‘Mijn vader had zo’n helm. Wehrmacht, Stahlhelm, M-40 mit getanztem Lüftungsloch. Hoe kom je aan dat miniatuur?’
Dit wilde ik niet. Die helm was van mij, waar bemoeide hij zich mee.
‘Zelf heb ik een uniform,’ zei hij. ‘Ik herken de helm. Ik herken de adelaar. Zelf heb ik een uniform.’ Ik staarde hem aan. Zijn ogen waren prachtig helder, maar deze man was een volslagen idioot. ‘Ik heb het uniform,’ zei hij weer. ‘Ik heb het bewaard. Ik heb het uniform bewaard.’
‘Welk uniform?’ vroeg ik zacht.
‘Het uniform van mijn vader. Hij was Hauptsturmführer.’
Er verzakte iets in mijn maag. ‘Wat?’ fluisterde ik.
‘Hauptsturmführer,’ zei Rainer, hij hijgde terwijl hij sprak, ‘hij is doodgeschoten. Dat denkt iedereen tenminste.’
Ik wist niets meer uit te brengen.
‘Hij is er nog, hij is er nog. Ik voel hem.’
Ik moet hier weg, dacht ik.
‘Hij was een nazi, een nazi,’ siste Rainer, hoewel er niemand in de buurt was die ons kon horen. ‘Een nazi, een nazi, een nazi!’

Pas bij het huisje merkte ik dat ik gerend had. Buiten adem liep ik naar de achterdeur, waar Sabor met terrasstoelen bezig was.
‘We hebben weer gas,’ zei hij blij. ‘Er bleek hier aan de zijkant nog een hoofdkraantje te zitten.’ Vanuit de keuken stond Ina met een paprika naar me te zwaaien. ‘Joehoe! Er kan gesneden gaan worden!’
Toen we met volle borden aan tafel zaten en het proostmoment was aangebroken, was het Ina die als eerste haar glas hief. ‘Ik wens een jaar waarin we als sectie nog dichter naar elkaar groeien,’ zei ze. ‘Dat we een warme familie mogen zijn.’
‘Ik wens een rustig jaar waarin ik mijn taken langzaam kan gaan afbouwen,’ zei Leo. Hij hoorde zijn pensioen al aan de horizon zingen. ‘Ik wens een supergoede geschiedenisdocent te worden,’ zei Charlotte, ‘en me nog meer te ontwikkelen op het gebied van klassenmanagement en vakdidactiek. En daarbij wens ik de vrouwen van onze geschiedenis een belangrijke rol te kunnen geven in ons curriculum. Er zijn bijvoorbeeld superveel vrouwelijke ontdekkingsreizigers geweest! Maar weten jullie er een te noemen?’
‘Ik wens een gezond jaar,’ zei Sabor alleen.
‘Dat we met de leerlingen naar Auschwitz kunnen,’ wenste ik, zoals ieder jaar. ‘Daar moeten die kinderen naartoe, anders begrijpen ze de wereld niet.’

Vrijdagochtend wilde ik een stuk wandelen over het vakantiepark, maar moest ik aan Sabor duidelijk zien te maken dat ik dat alleen wilde doen. ‘Ga je weer nadenken over je boek?’ vroeg hij.
‘Ja,’ loog ik.
‘Ik moet ook nadenken over jouw boek,’ zei hij. Hij rookte zijn derde sigaret. En toen met een lachje: ‘Echt.’
‘Ik moet bedenken waar het zwaartepunt komt te liggen,’ zei ik, ‘dat moet ik echt alleen doen.’
Sabor keek teleurgesteld. Ik wandelde het pad af, draaide me glimlachend naar hem om en liep toen direct naar de schuur van Rainer. Die was leeg. Na een flinke ronde over het terrein hoorde ik gekef, het kwam bij de fietsenstalling vandaan. Rainer stond gebogen over een fiets, zijn twee hondjes stonden als cheerleaders aan weerszijden van hun baas, ze kwispelden met hun hele achterlijven.
Guten Morgen Rainer,’ zei ik.
Guten Morgen Dorothee,’ zei hij. Ik vroeg me af hoe hij mijn voornaam wist. ‘Kom binnen.’ Hij loodste me door de stalling, naar achteren, naar een hok. Mijn borst bonkte weer maar toch voelde het logisch wat ik deed. Elke stap die je zet, elk woord dat je zegt, moet een primaire bron benaderen of verklaren, had een hoogleraar me eens verteld. Dorothee benadert een primaire bron, bonkte het, eindelijk benadert Dorothee eens een primaire bron.
Hij klikte het licht aan. Het eerste wat ik zag was het kostuum. Het hing aan de achterwand, tussen een geweer en een verrekijker. De dubbele S op de boord viel me direct op, net als de speld met het zwarte kruis.
‘Hij leeft nog, hij is hier,’ zei hij zacht. ‘Ich spüre das.’ ‘Setz dich.’ Ik ging zitten op het krukje dat hij aanwees. Zelf bleef hij staan. Tegen de wand, naast het uniform, stonden twee grote kasten. Naast de kasten, ik zag het ineens maar ik schrok er niet van, ook dit leek logisch, stonden nog meer wapens. Oude mitrailleurs, donker staal.
‘Uw vader was… Hauptsturmführer?’ Mijn stem was zacht maar zakelijk, zo klinkt hij altijd. Rainer knikte, liep naar de muur, haalde het uniform van de haken. Hij bleef er stil mee in zijn handen staan en wreef over de ronde, zilveren knopen. Ik vroeg hoe zijn vader heette maar hij gaf geen antwoord. Welke werkzaamheden hij uitvoerde, geen antwoord. Of hij hier gewoond had, stilte. Rainer aaide de stof en keek voor zich uit.
‘Er zijn mensen die historische gebeurtenissen naspelen. Gekleed in kostuum. Doet u dat misschien?’
Hij keek me strak aan maar bleef stil.
Re-enactment heet het, doet u dat? Met anderen?’
Sag mal, soll das jetzt ein Verhör werden oder wie?’ Hij klonk ineens boos.
Nein, nein,’ zei ik. Daarna zei ik een hele poos niets. Rainer ook niet. Ik hoorde krekels, het begin van de dag, mensen die hun ontbijtafwasje deden.
‘De oorlog is helemaal niet afgelopen,’ zei hij zachtjes. ‘Dat denkt iedereen, maar dat is niet zo. En nu zit mijn vader hier, ondergedoken. In zijn ondergoed, want zijn uniform hebben ze afgepakt. De Scheißidioten.’

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van het minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Lees het vervolg de komende weken op Revisor.nl.

*

Een man ontmoeten zou natuurlijk niet het doel van deze avondwandeling moeten zijn. Ik ben hier met de groep, de sectie, dat weet ik heus, ik kan dit zelfs werk noemen. Maar als ik Rainer zie, heb ik mijn excuus klaar: even plassen.

Toen ik net mijn hand op mijn blaas legde vroeg Charlotte al of ik misschien moest, dus het zal niet uit de lucht komen vallen. Dorothee gaat even achter een boom jongens, we lopen verder, die haalt ons wel weer in. Ik zal me omdraaien, de boswal op klimmen, met een zacht sprongetje in de bladeren landen en naar hem toe marcheren. Hij zal het uniform dragen, wunderbar.
Charlotte heeft dikke takken onder haar armen, om de paar stappen houdt ze halt om er een nieuwe bij te proppen. Achter haar wandelen Ina en Sabor met middelgrote. Sabors ademhaling klinkt als de trappomp van een luchtbed. Ik treuzel achteraan met twee stammetjes. Naast me loopt Leo, die bezig is een vlog voor zijn kleinkinderen op te nemen. ‘Duitsland, zaterdagavond, 22 augustus,’ zegt hij terwijl hij met zijn camera van links naar rechts zwiept, ‘verlaten bos. Wilde leraren, bevrijd van hun leerlingen maar aan de vooravond van een nieuw jaar gevangenschap.’
Het laatste zonlicht schijnt in dunne plakken tussen de bomen door. De grond is heuvelig en vochtig, de Oostzee hoorbaar, een ingedikt ruisen ergens, het vakantiepark is net niet meer in zicht. Er zijn de afgelopen jaren nieuwe huisjes gebouwd, de recreatiehal is uitgebreid met paintballmogelijkheden, het restaurant heeft een serre gekregen, op het kampeergedeelte zijn nu ook volledig ingerichte tenten te huur. Maar dit bos ligt al decennia in coma. Ergens ver weg klinkt geblaf, mijn hartslag versnelt. Charlotte draait zich om en wijst naar mijn handen. ‘Die zijn te dik, Dorothee. We willen een vuur maken, geen vlot bouwen.’

Charlotte is nieuw in onze sectie. Ze is afgestudeerd op de rol van de vrouw op VOC-schepen. ‘Vrouwen konden officieel niet in dienst zijn van de VOC,’ vertelde ze ons een keer tijdens een vergadering, ‘en toch voeren ze soms mee. Veel van hen werden pas in Indië ontmaskerd, bleken er ineens tieten onder die mannenblouse te zitten. Officieel protocol was dat ze dan op een schip terug naar Nederland werden gezet en daar werden veroordeeld. Maar veel vrouwen haalden de overtocht niet. Die werden voor vertrek stiekem als slaaf verhandeld of doodgeslagen en achtergelaten. Kennen jullie het liedje Daar was laatst een meisje loos? Dat liedje sláát ergens op. Zo gaaf!’
Het is de eerste keer dat Charlotte mee is op de Rügenweek. Ze verheugt zich op alles. Misschien is dat wat me het onzekerst maakt als ik met jonge mensen ben, hun vaardigheid de wereld zo vergenoegd tegemoet te treden.

Sabor is populair ondanks zijn extreem dikke lijf. Leerlingen vinden hem een toffe gast, hij kan met ze meelachen en hij kan ze laten zien dat ze dom bezig zijn. Hij zegt dan niet: jullie zijn dom bezig, hij trekt zijn wenkbrauwen op en draait ze de rug toe. Alleen dat. Aandacht van Sabor moet je verdienen, zo werkt het. Ik heb kinderen zien huilen omdat Sabor ze negeerde. Massa’s leerlingen die vanwege hem geschiedenis kiezen. Zelf trek ik ook het liefst op met Sabor, we delen de Tweede Wereldoorlog. Hij zit aan de verzetskant, deed onderzoek naar de rol van Hannie Schaft in de Velser Aff aire. Ik heb meer met nazi’s. Het is al even geleden, maar voor mijn scriptie over de rol van Himmler in het Madagaskarplan, het plan om alle Joden uit Europa naar Madagaskar te deporteren en zo een soort supergetto te vormen, kreeg ik een negenenhalf. Sabor is geloof ik de enige die dat weet. ‘We staan aan andere uitersten van de strijd,’ zei hij, ‘maar we schenken uit dezelfde fles.’

Ik zet mijn stammen neer, pak een takje en loop door. Tussen de bomen is het graanveld te zien, Ina heeft het ook ontdekt. ‘Lieve mensen kijk nou,’ gilt ze. ‘De zee is van goud!’ Door Ina twijfelde ik over deze baan. Leerlingen gillen omdat ze stiekem bang zijn alleen te worden gelaten, Ina veroordeelt dat soort gillen – al gillend. Deze sectieweek in de laatste week van de zomervakantie is haar project. Ze heeft het over ‘mijn Rügen’ en ‘ik ben zo blij dat ik hier nog steeds geld voor weet los te peuteren’. Ina weet ook dat Leo het sectiehoofd is en dat Leo ervoor zorgt dat er geld is. Maar Leo weet op zijn beurt dat zij dit project nodig heeft, dat zij in feite al alleen gelaten is, dat ze alleen ons nog heeft.

Het geblaf is nu dichterbij. Ik draai mijn hoofd naar het geluid, het klinkt jackrussellachtig. Fabelhaft. ‘We moeten doorlopen als we het vuur nog bij daglicht willen maken,’ zegt Charlotte.
‘Vuur in duisternis is toch een prima concept?’ zegt Leo.
‘Gaat-ie Dorotheetje?’ vraagt Sabor, die naast me is komen lopen. ‘Je bent wat stil.’
‘Last van mijn blaas,’ zeg ik, ‘heb ik vaker.’
‘Ik heb last van mijn longen,’ zegt Sabor. ‘Zo’n wandeling is me toch net te heftig.’ Hij legt zijn hand op zijn borst en glimlacht naar me. Ik houd er niet van om te liegen. Het keff en van de jack russells is nu heel dichtbij. Ik blijf stilstaan en kijk naar Sabors te grote, zwarte overhemd. De zweetplekken, het gehijg. Hij gunt me dit, denk ik, hij gunt me dit vast.
‘Ik moet plassen,’ zeg ik, ‘lopen jullie maar terug. Dan kom ik zo.’
‘Ik wacht even op je,’ zegt Sabor. Hij laat het hout een eindje zakken.
‘Ach nee joh, ga vast. Het is mijn blaas. Het doet een beetje pijn en dan duurt het wat langer. Vrouw-op-middelbare-leeftijd-probleem.’ Ik lach, Sabor lacht. ‘Verdwaal niet,’ zegt hij.
Als ze om de bocht zijn verdwenen – lange silhouetten met vreemde uitsteeksels – draai ik me om. Daar is het eerste hondje, en ook het andere. En dan zie ik Rainer, hij draagt het uniform, met pet en SS-insignes en al.

Wordt vervolgd.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar, in V vertelt Aaron zijn dunne kakverhaal en verschijnt Marguerite Duras. In VI schrapt Lisa schrapt, en wordt het zwart. Dit is VII, waarin we in Lisa’s kamer zijn en denken over de kamer in haar Glock. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Aaron trekt mijn luxaflex omhoog en kijkt naar buiten. Er staat een Volkswagen Golf op de stoep. In de auto brandt het dashboardlampje, in het zwakke licht zitten twee jonge jongens elk aan hun eigen lachgasballon te zuigen. De jongen achter het stuur aan een witte, die de bijrijdersstoel aan een blauwe. Ze hebben hun capuchons tot over hun ogen getrokken, ademen in en uit. De ballonnen worden klein en groot, klein en groot.
Als ik Louises verhaal overneem, hoe vertel ik dat dan het beste, vraagt hij.

Ik vind het verschrikkelijk dat hij er nog is, hier in mijn werkelijkheid. Ik vind het verschrikkelijk dat Louise er nog is. Alhoewel, ik heb liever Louise hier, dan Aaron. Met haar kan het nog ergens heen in het leven, daar valt nog een mouw aan te passen, iets op te verzinnen. Een begin te maken.

Buiten laat de jongen in de bijrijdersstoel zich langzaam achterover zakken. Zijn vriend geeft gas. Met een slip en een piepend geluid rijdt de auto de straat uit.
Ik trek Louise zacht omhoog aan de kraag van haar jas, duw haar opzij, ga op mijn stoel zitten en open de onderste lade van mijn bureau. Onder mijn iPhoneverpakkingen, kabels, enveloppen, schriften, brieven en foto’s haal ik een pistool vandaan. Ik denk aan Mina, aan Alejandro Zambra, aan Marguerite Dumas en aan Doeschka Meijsing, aan wat zij in haar essay ‘Herlezen’ schrijft over de eerste keer dat ze de woorden ‘de aap in de bus’ op papier schreef. Ik open het magazijn en tel zeventien patronen.

De plek waar de eerstvolgende kogel die uit de loop komt zich bevindt, zeg ik, heet de kamer, of de ruimte. Vreemd, vinden jullie niet? Alsof het een plek is waar de kogel daadwerkelijk moet wachten. Een plek die je in kan richten, waar je de muren van kan verven, of slopen. Een patroon kan daar lang of kort verblijven.
Aaron draait zich om en kijkt naar het pistool in mijn handen. Hij beweegt opeens niet meer onhandig of grotesk, maar schuift langzaam achteruit en drukt zijn lichaam zo ver mogelijk in de hoek van mijn kamer tussen het raam en de deur naar het washok. Ik beweeg mijn hand op en neer, weeg het pistool in mijn handpalm, voel het koude ijzer tegen mijn huid drukken. Met de wijsvinger van mijn andere hand wrijf ik over de loop, de kolf, de trekker.

Weten jullie trouwens dat dit ding herlaadt in een tiende van een seconde? Een kolibrie slaat tachtig keer per seconde met zijn vleugels, oké, maar dit is ook best snel, toch?
Ik hef het pistool tussen mijn handen, knijp mijn linker oog dicht, druk mijn rechterwang tegen mijn rechterbovenarm en richt op Louise, die achteruit stuift, probeert naar haar eigen pistool te grijpen en ontdekt dat het verdwenen is.
Geeft niks, Louise, zeg ik, je bent er al, het maakt geen verschil als ik schiet. Het is zoals Doeschka Meijsing schreef in ‘Herlezen’: Jan, aap, Piet, bus. Een aap, een aap, een aap in de bus. Ik schreef, moeizaam, maar ik schreef en daardoor, door niets anders, zat er die aap in die bus. Al zal het einde der tijden aanbreken, die aap zal in die bus zitten.

Ik draai de Glock weg van Louise, kijk naar de grond, naar buiten, naar de briefjes aan mijn muur.

Jij en Aaron, zeg ik, jullie blijven toch wel.
Ik open mijn mond, leg de loop tussen mijn tanden, voel hoe een koude pijnscheut door mijn tanden schiet en haal de trekker over.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar, in V vertelt Aaron zijn dunne kakverhaal en verschijnt Marguerite Duras. Dit is VI, waarin Lisa schrapt, Louise en Aaron kiezen wat behouden moet blijven, en het zwart wordt – en een invuloefening. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Op Louise, Aaron en mij na is de tunnel leeg. De geluiden verdwijnen. Alles valt stil, alsof iemand de stop uit deze fictieve situatie getrokken heeft. Er klinkt geen geroezemoes en geschuifel verderop in de tunnel. Buiten waait het niet, het water is een gladde, onbeweeglijke spiegel geworden.
Kennen jullie Alejandro Zambra, vraag ik. Louise schudt haar hoofd.

Hij schreef het boek Begrijpend Lezenzeg ik.
Het woestijnzand verdwijnt.
Het is een opgaveboek met meerkeuzevragen. Je leest eerst een deel van het verhaal dat hij schrijft en vervolgens vraagt hij je te selecteren wat wel en niet moet blijven in de tekst, of om woorden in te vullen op lege plekken.Opdracht vier gaat zo: ‘Schrap de overbodige zin of zinnen. Geef van opgave 55 tot opgave 66 aan welke zin of paragraaf geschrapt kan worden, omdat hij geen informatie toevoegt of omdat hij niet gerelateerd is aan de rest van de tekst.’ Louise, wat uit dit verhaal moet ik voor je bewaren?
Het moment waarop ik het pakketje uit de postbus haal.
Het pakket met instructies en de uitnodiging van Aaron?
Nou, vooral dat zij daar dan is. Die nette oude dame die correspondeert met gevangenen uit de vrouwengevangenis. Haar verhaal, dat wil ik bewaren.
Haar verhaal?
Ja, dat ze schrijft aan die gevangenen. Ik kon dat helemaal voor me zien, toen ik naast haar stond voor al die postbussen. Hoe ze thuiskomt, aan de keukentafel gaat zitten met maar één lamp aan in het hele huis. Op de achtergrond een langspeelplaat van Billie Holiday. Een dampende kop koffie naast zich. En dat ze dan honderduit vertelt en vragen stelt aan vrouwen die elke dag maar zes vierkante meter om te bewegen hebben, maar een heel hoofd vol gebeurtenissen en herinneringen bezitten. En met die vrouwen gaat ze op zoek naar overeenkomsten en tegenstellingen tussen hun levens
Je bedoelt, dat je je voorstellingsvermogen wenst? vraag ik.
Misschien ja, misschien dat.

De tunnel verdwijnt. Even zijn we stil, kijken we om ons heen.
Het matras nog, zegt Aaron, en de deken.

Het matras en de deken verdwijnen. De ruimte is wit. Of nee, helemaal zwart. Of – wat je wilt, wat je je voor kunt stellen. Ik raad je aan je iets voor te stellen, de grenzen van je verbeeldingsvermogen eens op te zoeken. En ja, nu heb ik het tegen jou, lezer. Ik ga heel even meta, maar dat is zo weer voorbij.
Ik hoef geen dode vader, zegt Louise.
Ik wil dat verhaal wel hebben, antwoordt Aaron, het is zo ongelooflijk, dat jij die jongens neerschoot voordat ze jou neerknalden. Dat je nog zo kon handelen, zelfs toen je vader recht voor je lag te sterven. Ik wil jouw overlevingsdrang hebben.
Dat kan ook zonder dode vader hoor, dan is het allemaal wat minder cliché, zeg ik, ik had dat verhaal nooit moeten bedenken. Verschrikkelijk lelijk. Ik had jullie überhaupt niet moeten schrijven, optekenen, wat dit ook is. Dit had een essay-serie moeten worden.
We springen van zwart naar wit of van wit naar zwart of van wat er ook in de lezer opkwam naar mijn schrijfkamer. Een kleine kamer. Een kledingrek, een bed, één kast met elk vak tot de nok toe volgepropt met boeken, rondslingerende sneakers en mijn schrijftafel. Boven de schrijftafel, aan de muur, hangen tien witte vierkante briefjes. Op vier van de tien briefjes staan de namen Aaron en Louise, op de andere zes aantekeningen. Allemaal dingen die geen onderdeel van het verhaal zijn geworden. Louise kijkt mijn kamer rond en schuift de stoel van mijn bureau naar voren en naar achteren, gaat er op zitten, kijkt nog eens naar de briefjes.
Ik lijk wel een invuloefening, zegt ze.