Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Boven op de Ben More staat een schaap, ontsnapt aan de schaapscheerders, waardoor het dier sprekend op een titanische merengue is gaan lijken; niet wit maar roze-grijs gemêleerd door de in vele regens uitgelopen rode stip op haar rug. De enorme toef wol op korte grijze pootjes kijkt me angstig aan, maar doet geen stap opzij. Dit is haar bergtop.

Ik leg mijzelf neer op het graniet en meteen word ik uitgekleed door de wind. Hier werd ook een hert geofferd. Het verdween in de steenarend en kalmeerde. Op de heenweg vond ik een reep huid op de rotsen en pal daaronder een paar wervels.

Op Mull is het landschap onderverdeeld in drie lagen. De bovenste laag, de lucht, is voorbehouden aan de vogels. Als je te dicht bij hen in de buurt komt, vallen ze aan.

De middenruimte wemelt van de hoefdieren die, als je niet oplet, je net geplante bomen opeten. Het hek stond open vannacht, maar de dieren hebben er geen gebruik van gemaakt.

De onderste laag is merendeels aan het zicht onttrokken en bestaat uit veen. Het draagt misschien wel het meeste leven. Samen met R. en Seathan meet ik de diepte van de moergrond. We hebben van de vogelbescherming een meetgereedschap te leen gekregen dat uit negen oranje, plexiglazen stokken bestaat van net geen meter. Deze peilstokken zijn met messing schroefdraad aan elkaar te koppelen. Vlak voordat de stok helemaal in de grond verdwijnt, draaien we de volgende stok vast en duwen we door, meter voor meter voor meter tot het puntje van de eerste stok op rots stoot. Met behulp van de door Seathan opgestelde tabel noteren we de meting. Bij het omhoog halen borrelt het smalle boorgat lang na. We blijven luisteren tot de peiling geen geluid meer maakt, alsof we de morsecode die het veenwater naar het heden zendt, proberen te ontcijferen.

Sphagnum, het mos waaruit het veen is opgebouwd, groeit per jaar gemiddeld een millimeter. Op een van de dertig punten in het raster dat we met een gps hebben uitgezet, meten we haast negen meter hoogveen. We kijken elkaar ongelovig aan en prikken nog eens net naast het eerste gat. Terug naar de ijstijd. Als proef op de som steek ik mijn vinger in het mos, en mijn pols en mijn onderarm glijden erachteraan. Het veen voelt warm en als ik mijn arm terugtrek, is mijn huid glad geworden van de tijdreis langs mos, pollen, insecten, zaden en neergedaalde vulkanische as die samen het afgelopen millennium hebben bepaald.

‘Ik wil de natuur niet dicteren wat is geweest,’ luidt de geheimzinnige slotzin van Elke Erbs gedicht ‘16.12’. Ik draag haar versregel met me mee. Meer dan ooit wil ik van het landschap doordrongen raken en me in de oorsprong van de plaatsgebonden taal verdiepen. Letterlijk en figuurlijk. Op het eiland hoop ik mijn schrijven op te kunnen rekken en als een zeiler (reagerend op de wind en de zeestroming), strandjutter (oprapend wat aanspoelt) en visser (sorterend wat er in het net komt) nieuwe woorden te vinden. Vandaag zijn het er vier: volle moer is een nog niet ‘aangesneden’ veengebied. Alvorens veen ontgonnen kan worden, moet men eerst alle plantengroei verwijderen. Een nog met lang heidekruid of gagel begroeid veengebied heet rauwe moer en dan bestaat ook nog de gezonken moer, onder water en de gezeten moer, boven water. Ik wrijf in mijn handen.

(Noot van de redactie: literair tijdschrift Raster publiceerde in 2004 zes vertalingen van Erbs gedicht. Willem van Toorn vertaalde nog vier gedichten.)

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staan het tweede en het derde deel. Dit is het vierde en laatste deel.

*

Het is zaterdagavond, na het eten, en ik heb de groep niet kunnen tegenhouden. Ik zei dat ik een korte boswandeling zou gaan maken, Ina gilde: ‘Hè, ja, een avondwandeling! Wat een top-idee!’, Leo zei iets over ‘benen strekken’ en ‘leuk element voor in de vlog’. Charlotte kwam met ‘hout sprokkelen’ en ‘kampvuur’, Sabor keek me alleen lang aan met die zwarte ogen van hem. Toen dribbelden ze levenslustig achter me aan. Ik zei het al: dit is geen vakantie, dit is werk.

‘Je draagt het uniform,’ zeg ik tegen Rainer als ik voor hem sta. Het takje dat ik nog in mijn hand had heb ik weggegooid, mijn collega’s zijn niet meer te horen en uit zicht verdwenen.
‘Voor jou,’ zegt hij. Hij kijkt om zich heen. ‘En een beetje voor hem.’ Ik zie het doodshoofdje op zijn pet, de zilveren ruiten op zijn kraag, het kleine hakenkruisje rechts boven de borstzak. Hauptsturmführer. Het geweer onder de riem lijkt kleiner dan in de schuur, ernaast bungelt een flacon. Hij heeft zijn snor getrimd, zijn gezicht is knap, hij lijkt jonger.
‘Ik heb voor jou ook wat.’ Hij overhandigt me een jas. Het is een groot en zwaar colbert, er staat een adelaar op de voorkant met een hakenkruis in zijn poten. Het is duidelijk getailleerd. Als ik het jasje opensla valt er een zwart mutsje uit, het heeft de vorm van zo’n hoedje dat medewerkers van de Albert Heijn-slagerijafdeling moeten dragen.
‘Kleren voor mijn Blitzmädel,’ zegt Rainer.
‘Wat?’
Hij kijkt streng, ik trek het colbert aan, de stof is dik en stug. Rainer zet me het hoedje op. ‘Voor mijn Blitzmädel,’ zegt hij nog eens. ‘BlitzBlitz, van bliksem, van dit.’ Hij wijst naar het SS-symbool dat op de mouw van mijn jasje is gestikt. Blitzmädels, hier moet ik het met Charlotte over hebben, denk ik.
‘Onze bliksemmeisjes,’ zegt Rainer. ‘Zonder hen hadden we het niet gekund.’

Van de twee weken waarin ik niet werkte kan ik me weinig herinneren, behalve dat ik elke ochtend gewoon om kwart voor zeven opstond, brood smeerde en in mijn auto ging zitten. Ik startte de motor, reed een rondje door de buurt en parkeerde weer in mijn straat. Dan liep ik naar huis en zette koffie. Ik deed alsof ik al had gewerkt, en dat ik dan nu vrij was. Ik bleef me de rest van de dag trillerig afvragen hoe het kon dat ik moest uitrusten terwijl ik in feite zo ongelofelijk weinig in mijn leven had bereikt.
‘Je moet leuke dingen gaan doen,’ zei Sabor toen hij bij me kwam eten. ‘Naar het theater, of de sauna, zoiets.’
‘Wil jij met mij naar de sauna?’ Ik meende de vraag serieus, maar Sabor proestte. ‘Met dit lijf wil jij niet in een sauna zitten.’
Aan het einde van de avond zei hij dat ik het echt moest gaan doen, die leuke dingen, en vroeg hij of ik het had gemeend, dat samen naar de sauna gaan.
‘Ja,’ zei ik.
‘Echt?’ zei hij. Hij keek me heel lang aan. Ik wist niet wat ik moest doen en liep naar de gang om zijn jas te pakken. We zijn nog niet naar de sauna geweest.

‘Heb je het helmpje?’ vraagt Rainer. Ik haal het uit mijn zak. Hij pakt het, haalt een veiligheidsspeld uit zijn broekzak en prikt het op mijn borst. ‘Daar gaan we,’ zegt hij.
Ik loop achter hem aan door de bladeren. Zijn hondjes rennen voorop. Een specht tikt ergens tegen een boomstam. Na een tijdje zwijgend te hebben gelopen staat hij stil. ‘Als je dit verraadt ben je dood,’ zegt hij.
Ik speel mee. ‘Jawohl Herr Hauptmann.’
We naderen een heuvel. Er groeien struiken en een paar boompjes. Aan de achterkant liggen de boomwortels bloot en is de grond een stuk lager. De voorkant van de bunker is nauwelijks te zien, overal takken en mos. Het beton is begroeid met schimmels en planten.
‘Hier zit hij,’ zegt Rainer. ‘Hier is hij.’
Ik duw een struik aan de kant. ‘Leeft hij nog?’ Rainer pakt mijn hand en trekt me in de richting van een kleine opening, niet groter dan een vuist. Een raam zonder glas.
‘Hier kun je kijken, dan zie je hem,’ zegt hij. Ik kijk door het gat, maar alles is zwart. Ik denk aan Sabor, in zijn grote zwarte overhemden. Ik had hem moeten vragen mee te gaan.
‘Ratten moest hij eten, muizen, aarde. De deur zit potdicht. Die klote-Amerikanen hebben alles verpest.’ Rainer komt naast me staan, ik ruik een scherpe zeepgeur. ‘Vati,’ zegt hij in het gat van het raam. ‘Ik heb iemand meegebracht. Een Blitzmädel. Ze bestaan nog, ze zijn er nog.’ Hij kijkt me aan, rukt dan het helmpje van mijn borst en duwt het door het gat. ‘Kijk maar!’ roept hij.
‘Hee!’ zeg ik. ‘Die is van mij.’
‘Die is niet van jou,’ fluistert Rainer. ‘Die is nooit van jou geweest. Net zoals dit uniform niet van mij is. Het is van hem, het is allemaal van hem. Hij was Hauptsturmführer.’
‘Waar was hij dat?’ fluister ik. Ik wil het ergste antwoord horen.
‘In Auschwitz,’ antwoordt Rainer. ‘Hij was de beste.’
‘Waar in Auschwitz?’ vraag ik.
‘Wat maakt dat uit, hij werkte daar en die hele plek is hem afgepakt. Kom, begroet hem eens.’
Mijn borst gaat op en neer, ik probeer mijn stem strak te houden. ‘Hoeveel mensen heeft hij vermoord?’
Rainers hoofd komt dicht bij het mijne. Hij tuurt me een paar seconden met een holle blik aan. ‘Wat vraag jij?’
Nu ben ik te ver gegaan. Nu zal hij niets meer zeggen.
‘Hee, wat vraag jij? Wat vraag jij?’
‘Ik….’
‘Wil jij hier wel zijn? Met ons? Jij wilt toch hier zijn, en niet daar bij je vrienden, oder? Jij wilt ons helpen, oder?’
‘Ik zou graag het verhaal…’
Rainer doet een stap achteruit. ‘Ach so,’ zegt hij. ‘Het verhaal.’
‘Nou kijk, ik zou graag uw vader beter willen leren… Hoe was het voor u, om met hem op te groeien?’
‘Ach so, ach so. Dorothee wil een verhaal, een interview.’ Rainer snuift. ‘Er is hier geen verhaal. Mijn vader zit al drieënzeventig jaar in deze bunker, dat is het verhaal. En jij vraagt hoeveel hij er vermoord heeft? Begroet hem eerst eens!’
‘Guten Abend,’ fluister ik in het gat, ‘Wie geht es Ihnen?
Rainer komt weer naar me toe en pakt mijn bovenarm. ‘Lieve Dorothee,’ zegt hij. Met zijn andere hand aait hij me weer over mijn wang. ‘Hij moet hier weg. Jij zou ons helpen, hij moet hier weg.’
‘Helpen? Rainer, ik zou niet weten hoe we…’
‘Jij zou ons helpen, maar je verhoort ons. Waarom verhoor je ons?’
Ik wil mijn arm wegtrekken, maar hij verstrakt zijn greep. Ik kijk weg, naar de nieuwe huisjes, de recreatiehal met paintballmogelijkheden, het restaurant met serre, de volledig ingerichte tenten, ver weg achter de bomen.
‘Waarom verhoor je ons? Ben je een verrader? Wat zoek je?’
Er komt geen geluid meer uit mijn mond.
‘Wat zoek je? Zoek je spannende verhalen? Of zoek je bescherming? Een warme familie? Wil je bij mij zijn? Heb je soms afluisterapparatuur in je broek?’ Hij grijpt naar mijn kruis. Ik hoor het ruisen van de Oostzee, het geluid van hondenpootjes op dode bladeren. Het bos maakt zich klaar voor de nacht. En hoewel ik op dat moment aan Ina denk, kom ik niet eens op het idee om te gillen.

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staat het tweede deel ook. Dit is het derde deel.

*

Hitler heeft zich aan het begin van zijn regime meermaals uitgelaten over de jeugd. ‘Onze toekomstige jongens,’ riep hij in een toespraak in 1935, ‘moeten slank en rank zijn, behendig als windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal.’ Er was volgens de nationaalsocialisten een nieuwe opvoeding nodig, weg van het geestelijke en terug naar het fysieke. De mensen van de toekomst moesten hun volk kunnen beschermen tegen de ‘verwilderingen’ die in de maatschappij gaande waren, en tegelijkertijd moest frisse, kinderlijke, onbevangen reinheid worden behouden. Een intellectuele opvoeding paste niet in dat ideaal.

Nadat ik dat gelezen had wist ik dat ik me niet meer met joodse supergetto’s, maar met de verankering van het nationaalsocialisme in kinderen wilde bezighouden. Nachtenlang las ik boeken en keek ik documentaires over de Hitlerjugend, ‘de misbruikte generatie’ noemen ze die. Mijn interesse verplaatste zich naar kinderen van gezaghebbende nazi’s; hoe waren die door hun opvoeding beïnvloed? Ik stuurde wat brieven, uitnodigingen voor gesprekken, maar ik kreeg weinig respons, de meesten wilden niet meer met hun ouders geassocieerd worden. Kinderen die van weinig weten, dacht ik toen ik rondkeek op school, dat is een goed onderwerp. Eersteklassers bam, in Auschwitz neerzetten. Wat doet dat? Hoe reageren ze? Hoe draait hun wereldbeeld? Leo vond het geen goed idee, pedagogisch te aangrijpend. ‘Geen geld,’ zei hij ook, ‘helaas. We kunnen naar Westerbork?’

Toen ik de plannen voor mijn boek had laten varen, gestopt was met documentaires kijken en boeken lezen en me weer alleen bezighield met toetsen nakijken en rapportvergaderingen, ging het mis. Dat was afgelopen jaar. Sabor was de eerste die het merkte. ‘Je ziet eruit alsof je dood bent,’ zei hij. ‘Moet jij niet even een adempauze?’ Ik keek hem stil aan, wist dat hij zijn academische ambities lang geleden had laten varen en gelukkig was tussen die behoeftige, schreeuwende, onnozele kinderen.
De rest van de week bleef ik thuis, Sabor kwam bij me eten, ik werd zenuwachtig van hem. Hij hoorde op school, in mijn woonkamer leek hij te groot, te aanwezig, te echt. Ik ontdekte dat je geen ‘adempauze’ kunt nemen van de geschiedenis, dat dat het domste is wat je kunt doen. Ik begon weer met lezen, bestelde via eBay het miniatuurhelmpje, hing het in mijn auto om me er dagelijks aan te herinneren dat er meer was dan deze school, deze tijd, deze kinderen, dat er iets boven mijn hoofd rondzweefde dat nog in woorden moest worden gevangen, dat ik dat niet kwijt moest raken. Twee weken later was ik weer op school.

Ineens aaide Rainer me over mijn wang. Ik zat nog op het krukje, het was nog steeds vrijdagochtend, ik had hem gevraagd waar zijn vader zich dan ophield, hij had niet geantwoord en was weer lange tijd stil geweest. Toen aaide hij me over mijn wang, heel teder, en zei: ‘Du bist ja meine Helferin.’
Ik verstrakte. Helferinnen waren vrouwen die bij de Wehrmacht in dienst waren. Ik zei niets, keek hem aan en zag dat hij van oor tot oor lachte.
‘Ik kan je het laten zien. Morgenavond breng ik hem weer water, dan kun je mee.’ Hij aaide me nog eens, ergens in mijn lijf begon het te tintelen, het gevoel verspreidde zich snel. Dorothee wordt door een primaire bron geaaid. Dorothee staat het toe.
‘Kom je mee? Morgen? Zaterdagavond?’
‘Waar dan?’ Mijn stem was schor, ik moest mijn vraag twee keer stellen. ‘Waar zit hij dan?’
‘Hij zit in een bunker.’
‘Een bunker?’
‘Een totaal afgesloten bunker.’
‘Een totaal afgesloten bunker?’
‘Hier in het bos.’ Rainer straalde nog steeds. ‘Niet ver, het is niet ver. Een totaal afgesloten bunker. Maar het is niet ver.’
‘En jij brengt hem water?’
‘Ja, en soms ook een broodje, meer past niet door het raam. Ze laten hem gewoon doodhongeren anders.’
Het was even stil. Ik keek naar de geweren, ik dacht aan mijn boek. ‘Oké,’ zei ik.
‘Oké,’ zei Rainer. Hij pakte mijn hand, trok me omhoog en liet mijn hand weer los. We stonden nu tegenover elkaar, we grijnsden allebei. We spraken een tijd af, zaterdagavond, na het eten, in het bos, dichtbij het pad achter het terrein. ‘Ik vind je wel,’ zei hij. Hij stak zijn hand weer naar me uit. ‘Neem je helmpje mee. Dat zal hij fantastisch vinden.’

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van het minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Dit is deel 2.

*

Ons eerste avondmaal, afgelopen donderdag, bestond traditiegetrouw uit ingrediënten die we uit Nederland meenamen, in blauwe kratten in de auto van Leo. Hij zou samen met Ina koken, Charlotte en ik zouden het snijwerk doen en Sabor zou er als Technische Dienst voor zorgen dat alles het deed. Zoals ieder jaar zouden we tijdens het eten een toost uitbrengen, waarbij we allemaal een wens formuleerden voor het nieuwe schooljaar.
‘Het gasstel doet het niet,’ zei Sabor toen we de kratten van de auto naar de keuken hadden getild. ‘Gaskraantje vol open, geen gas.’

Ik dacht aan een moment kort daarvoor, die middag. We waren net aangekomen, de motoren van onze auto’s draaiden nog, er was bij de slagboom een mannetje op ons afgekomen. Wat je je voorstelt bij het woord ‘mannetje’: klein, vriendelijk, pretogen, slordige snor, overall. Toen ik hem door mijn geopende autoraam in het Duits begroette en onze reservering doorgaf, deed hij geen moeite meer om Engels te spreken.
Folgen Sie mir bitte,’ zei hij, ‘ich werde Ihnen Ihr Ferienhaus zeigen.’ Hij keek me lang en fel aan, en wierp toen een blik op de hanger aan de achteruitkijkspiegel: een klein, antracietkleurig helmpje aan een koordje. Pas toen ik ‘super, ich folge Ihnen’ had geantwoord, nog een beetje beduusd van zijn blik, liep hij naar voren en stapte in een klein vrachtwagentje. Er stond R.A.I.N.E.R. op het nummerbord en twee blaffende hondjes staken net met hun koppen uit de open bak. We reden achter hem aan over het hobbelige terrein en toen onze auto’s voor het huisje stonden wees hij zonder uit zijn wagen te stappen naar de voordeur, lachte, keerde om en scheurde het pad weer af naar beneden. De oren van de hondjes flapperden in de wind.
Ina keek heel moeilijk naar Sabor, toen heel moeilijk naar het gasstel en toen plots uitzinnig naar mij. ‘Dorothee kan dat mannetje in dat karretje weer even opzoeken!’ riep ze. ‘Jij met je goeie Deutsch, Dorothee! Hij helpt ons vást aan gas.’
 
Ik vond Rainer in een schuurtje achter de receptie. Ik klopte op de openstaande deur, hij kwam schichtig naar buiten. Zijn honden waren nergens te vinden. Ik zei iets over het fornuis, hoopte dat ‘Gasstelle’ het juiste woord was en keek hem verwachtingsvol aan. Hij bleef stil. Hij keek me zo lang stil aan dat ik ongemakkelijk werd.
‘Ik heb het helmpje gezien,’ zei hij uiteindelijk langzaam, in duidelijk, accentvrij Duits. Ik slikte. Weer was het een moment stil. ‘Ik heb het herkend.’
Om toch maar iets te zeggen mompelde ik: ‘Het beschermt me tegen ongelukken.’
‘Ongelukken,’ herhaalde hij, ‘ongelukken.’ Weer zei hij een tijdje niets. Ik kreeg het koud, dacht aan Sabor, het fornuis, en wilde net vragen of Rainer meekwam om ernaar te kijken toen hij weer iets zei: ‘Mijn vader had zo’n helm. Wehrmacht, Stahlhelm, M-40 mit getanztem Lüftungsloch. Hoe kom je aan dat miniatuur?’
Dit wilde ik niet. Die helm was van mij, waar bemoeide hij zich mee.
‘Zelf heb ik een uniform,’ zei hij. ‘Ik herken de helm. Ik herken de adelaar. Zelf heb ik een uniform.’ Ik staarde hem aan. Zijn ogen waren prachtig helder, maar deze man was een volslagen idioot. ‘Ik heb het uniform,’ zei hij weer. ‘Ik heb het bewaard. Ik heb het uniform bewaard.’
‘Welk uniform?’ vroeg ik zacht.
‘Het uniform van mijn vader. Hij was Hauptsturmführer.’
Er verzakte iets in mijn maag. ‘Wat?’ fluisterde ik.
‘Hauptsturmführer,’ zei Rainer, hij hijgde terwijl hij sprak, ‘hij is doodgeschoten. Dat denkt iedereen tenminste.’
Ik wist niets meer uit te brengen.
‘Hij is er nog, hij is er nog. Ik voel hem.’
Ik moet hier weg, dacht ik.
‘Hij was een nazi, een nazi,’ siste Rainer, hoewel er niemand in de buurt was die ons kon horen. ‘Een nazi, een nazi, een nazi!’

Pas bij het huisje merkte ik dat ik gerend had. Buiten adem liep ik naar de achterdeur, waar Sabor met terrasstoelen bezig was.
‘We hebben weer gas,’ zei hij blij. ‘Er bleek hier aan de zijkant nog een hoofdkraantje te zitten.’ Vanuit de keuken stond Ina met een paprika naar me te zwaaien. ‘Joehoe! Er kan gesneden gaan worden!’
Toen we met volle borden aan tafel zaten en het proostmoment was aangebroken, was het Ina die als eerste haar glas hief. ‘Ik wens een jaar waarin we als sectie nog dichter naar elkaar groeien,’ zei ze. ‘Dat we een warme familie mogen zijn.’
‘Ik wens een rustig jaar waarin ik mijn taken langzaam kan gaan afbouwen,’ zei Leo. Hij hoorde zijn pensioen al aan de horizon zingen. ‘Ik wens een supergoede geschiedenisdocent te worden,’ zei Charlotte, ‘en me nog meer te ontwikkelen op het gebied van klassenmanagement en vakdidactiek. En daarbij wens ik de vrouwen van onze geschiedenis een belangrijke rol te kunnen geven in ons curriculum. Er zijn bijvoorbeeld superveel vrouwelijke ontdekkingsreizigers geweest! Maar weten jullie er een te noemen?’
‘Ik wens een gezond jaar,’ zei Sabor alleen.
‘Dat we met de leerlingen naar Auschwitz kunnen,’ wenste ik, zoals ieder jaar. ‘Daar moeten die kinderen naartoe, anders begrijpen ze de wereld niet.’

Vrijdagochtend wilde ik een stuk wandelen over het vakantiepark, maar moest ik aan Sabor duidelijk zien te maken dat ik dat alleen wilde doen. ‘Ga je weer nadenken over je boek?’ vroeg hij.
‘Ja,’ loog ik.
‘Ik moet ook nadenken over jouw boek,’ zei hij. Hij rookte zijn derde sigaret. En toen met een lachje: ‘Echt.’
‘Ik moet bedenken waar het zwaartepunt komt te liggen,’ zei ik, ‘dat moet ik echt alleen doen.’
Sabor keek teleurgesteld. Ik wandelde het pad af, draaide me glimlachend naar hem om en liep toen direct naar de schuur van Rainer. Die was leeg. Na een flinke ronde over het terrein hoorde ik gekef, het kwam bij de fietsenstalling vandaan. Rainer stond gebogen over een fiets, zijn twee hondjes stonden als cheerleaders aan weerszijden van hun baas, ze kwispelden met hun hele achterlijven.
Guten Morgen Rainer,’ zei ik.
Guten Morgen Dorothee,’ zei hij. Ik vroeg me af hoe hij mijn voornaam wist. ‘Kom binnen.’ Hij loodste me door de stalling, naar achteren, naar een hok. Mijn borst bonkte weer maar toch voelde het logisch wat ik deed. Elke stap die je zet, elk woord dat je zegt, moet een primaire bron benaderen of verklaren, had een hoogleraar me eens verteld. Dorothee benadert een primaire bron, bonkte het, eindelijk benadert Dorothee eens een primaire bron.
Hij klikte het licht aan. Het eerste wat ik zag was het kostuum. Het hing aan de achterwand, tussen een geweer en een verrekijker. De dubbele S op de boord viel me direct op, net als de speld met het zwarte kruis.
‘Hij leeft nog, hij is hier,’ zei hij zacht. ‘Ich spüre das.’ ‘Setz dich.’ Ik ging zitten op het krukje dat hij aanwees. Zelf bleef hij staan. Tegen de wand, naast het uniform, stonden twee grote kasten. Naast de kasten, ik zag het ineens maar ik schrok er niet van, ook dit leek logisch, stonden nog meer wapens. Oude mitrailleurs, donker staal.
‘Uw vader was… Hauptsturmführer?’ Mijn stem was zacht maar zakelijk, zo klinkt hij altijd. Rainer knikte, liep naar de muur, haalde het uniform van de haken. Hij bleef er stil mee in zijn handen staan en wreef over de ronde, zilveren knopen. Ik vroeg hoe zijn vader heette maar hij gaf geen antwoord. Welke werkzaamheden hij uitvoerde, geen antwoord. Of hij hier gewoond had, stilte. Rainer aaide de stof en keek voor zich uit.
‘Er zijn mensen die historische gebeurtenissen naspelen. Gekleed in kostuum. Doet u dat misschien?’
Hij keek me strak aan maar bleef stil.
Re-enactment heet het, doet u dat? Met anderen?’
Sag mal, soll das jetzt ein Verhör werden oder wie?’ Hij klonk ineens boos.
Nein, nein,’ zei ik. Daarna zei ik een hele poos niets. Rainer ook niet. Ik hoorde krekels, het begin van de dag, mensen die hun ontbijtafwasje deden.
‘De oorlog is helemaal niet afgelopen,’ zei hij zachtjes. ‘Dat denkt iedereen, maar dat is niet zo. En nu zit mijn vader hier, ondergedoken. In zijn ondergoed, want zijn uniform hebben ze afgepakt. De Scheißidioten.’

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van het minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Lees het vervolg de komende weken op Revisor.nl.

*

Een man ontmoeten zou natuurlijk niet het doel van deze avondwandeling moeten zijn. Ik ben hier met de groep, de sectie, dat weet ik heus, ik kan dit zelfs werk noemen. Maar als ik Rainer zie, heb ik mijn excuus klaar: even plassen.

Toen ik net mijn hand op mijn blaas legde vroeg Charlotte al of ik misschien moest, dus het zal niet uit de lucht komen vallen. Dorothee gaat even achter een boom jongens, we lopen verder, die haalt ons wel weer in. Ik zal me omdraaien, de boswal op klimmen, met een zacht sprongetje in de bladeren landen en naar hem toe marcheren. Hij zal het uniform dragen, wunderbar.
Charlotte heeft dikke takken onder haar armen, om de paar stappen houdt ze halt om er een nieuwe bij te proppen. Achter haar wandelen Ina en Sabor met middelgrote. Sabors ademhaling klinkt als de trappomp van een luchtbed. Ik treuzel achteraan met twee stammetjes. Naast me loopt Leo, die bezig is een vlog voor zijn kleinkinderen op te nemen. ‘Duitsland, zaterdagavond, 22 augustus,’ zegt hij terwijl hij met zijn camera van links naar rechts zwiept, ‘verlaten bos. Wilde leraren, bevrijd van hun leerlingen maar aan de vooravond van een nieuw jaar gevangenschap.’
Het laatste zonlicht schijnt in dunne plakken tussen de bomen door. De grond is heuvelig en vochtig, de Oostzee hoorbaar, een ingedikt ruisen ergens, het vakantiepark is net niet meer in zicht. Er zijn de afgelopen jaren nieuwe huisjes gebouwd, de recreatiehal is uitgebreid met paintballmogelijkheden, het restaurant heeft een serre gekregen, op het kampeergedeelte zijn nu ook volledig ingerichte tenten te huur. Maar dit bos ligt al decennia in coma. Ergens ver weg klinkt geblaf, mijn hartslag versnelt. Charlotte draait zich om en wijst naar mijn handen. ‘Die zijn te dik, Dorothee. We willen een vuur maken, geen vlot bouwen.’

Charlotte is nieuw in onze sectie. Ze is afgestudeerd op de rol van de vrouw op VOC-schepen. ‘Vrouwen konden officieel niet in dienst zijn van de VOC,’ vertelde ze ons een keer tijdens een vergadering, ‘en toch voeren ze soms mee. Veel van hen werden pas in Indië ontmaskerd, bleken er ineens tieten onder die mannenblouse te zitten. Officieel protocol was dat ze dan op een schip terug naar Nederland werden gezet en daar werden veroordeeld. Maar veel vrouwen haalden de overtocht niet. Die werden voor vertrek stiekem als slaaf verhandeld of doodgeslagen en achtergelaten. Kennen jullie het liedje Daar was laatst een meisje loos? Dat liedje sláát ergens op. Zo gaaf!’
Het is de eerste keer dat Charlotte mee is op de Rügenweek. Ze verheugt zich op alles. Misschien is dat wat me het onzekerst maakt als ik met jonge mensen ben, hun vaardigheid de wereld zo vergenoegd tegemoet te treden.

Sabor is populair ondanks zijn extreem dikke lijf. Leerlingen vinden hem een toffe gast, hij kan met ze meelachen en hij kan ze laten zien dat ze dom bezig zijn. Hij zegt dan niet: jullie zijn dom bezig, hij trekt zijn wenkbrauwen op en draait ze de rug toe. Alleen dat. Aandacht van Sabor moet je verdienen, zo werkt het. Ik heb kinderen zien huilen omdat Sabor ze negeerde. Massa’s leerlingen die vanwege hem geschiedenis kiezen. Zelf trek ik ook het liefst op met Sabor, we delen de Tweede Wereldoorlog. Hij zit aan de verzetskant, deed onderzoek naar de rol van Hannie Schaft in de Velser Aff aire. Ik heb meer met nazi’s. Het is al even geleden, maar voor mijn scriptie over de rol van Himmler in het Madagaskarplan, het plan om alle Joden uit Europa naar Madagaskar te deporteren en zo een soort supergetto te vormen, kreeg ik een negenenhalf. Sabor is geloof ik de enige die dat weet. ‘We staan aan andere uitersten van de strijd,’ zei hij, ‘maar we schenken uit dezelfde fles.’

Ik zet mijn stammen neer, pak een takje en loop door. Tussen de bomen is het graanveld te zien, Ina heeft het ook ontdekt. ‘Lieve mensen kijk nou,’ gilt ze. ‘De zee is van goud!’ Door Ina twijfelde ik over deze baan. Leerlingen gillen omdat ze stiekem bang zijn alleen te worden gelaten, Ina veroordeelt dat soort gillen – al gillend. Deze sectieweek in de laatste week van de zomervakantie is haar project. Ze heeft het over ‘mijn Rügen’ en ‘ik ben zo blij dat ik hier nog steeds geld voor weet los te peuteren’. Ina weet ook dat Leo het sectiehoofd is en dat Leo ervoor zorgt dat er geld is. Maar Leo weet op zijn beurt dat zij dit project nodig heeft, dat zij in feite al alleen gelaten is, dat ze alleen ons nog heeft.

Het geblaf is nu dichterbij. Ik draai mijn hoofd naar het geluid, het klinkt jackrussellachtig. Fabelhaft. ‘We moeten doorlopen als we het vuur nog bij daglicht willen maken,’ zegt Charlotte.
‘Vuur in duisternis is toch een prima concept?’ zegt Leo.
‘Gaat-ie Dorotheetje?’ vraagt Sabor, die naast me is komen lopen. ‘Je bent wat stil.’
‘Last van mijn blaas,’ zeg ik, ‘heb ik vaker.’
‘Ik heb last van mijn longen,’ zegt Sabor. ‘Zo’n wandeling is me toch net te heftig.’ Hij legt zijn hand op zijn borst en glimlacht naar me. Ik houd er niet van om te liegen. Het keff en van de jack russells is nu heel dichtbij. Ik blijf stilstaan en kijk naar Sabors te grote, zwarte overhemd. De zweetplekken, het gehijg. Hij gunt me dit, denk ik, hij gunt me dit vast.
‘Ik moet plassen,’ zeg ik, ‘lopen jullie maar terug. Dan kom ik zo.’
‘Ik wacht even op je,’ zegt Sabor. Hij laat het hout een eindje zakken.
‘Ach nee joh, ga vast. Het is mijn blaas. Het doet een beetje pijn en dan duurt het wat langer. Vrouw-op-middelbare-leeftijd-probleem.’ Ik lach, Sabor lacht. ‘Verdwaal niet,’ zegt hij.
Als ze om de bocht zijn verdwenen – lange silhouetten met vreemde uitsteeksels – draai ik me om. Daar is het eerste hondje, en ook het andere. En dan zie ik Rainer, hij draagt het uniform, met pet en SS-insignes en al.

Wordt vervolgd.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar, in V vertelt Aaron zijn dunne kakverhaal en verschijnt Marguerite Duras. In VI schrapt Lisa schrapt, en wordt het zwart. Dit is VII, waarin we in Lisa’s kamer zijn en denken over de kamer in haar Glock. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Aaron trekt mijn luxaflex omhoog en kijkt naar buiten. Er staat een Volkswagen Golf op de stoep. In de auto brandt het dashboardlampje, in het zwakke licht zitten twee jonge jongens elk aan hun eigen lachgasballon te zuigen. De jongen achter het stuur aan een witte, die de bijrijdersstoel aan een blauwe. Ze hebben hun capuchons tot over hun ogen getrokken, ademen in en uit. De ballonnen worden klein en groot, klein en groot.
Als ik Louises verhaal overneem, hoe vertel ik dat dan het beste, vraagt hij.

Ik vind het verschrikkelijk dat hij er nog is, hier in mijn werkelijkheid. Ik vind het verschrikkelijk dat Louise er nog is. Alhoewel, ik heb liever Louise hier, dan Aaron. Met haar kan het nog ergens heen in het leven, daar valt nog een mouw aan te passen, iets op te verzinnen. Een begin te maken.

Buiten laat de jongen in de bijrijdersstoel zich langzaam achterover zakken. Zijn vriend geeft gas. Met een slip en een piepend geluid rijdt de auto de straat uit.
Ik trek Louise zacht omhoog aan de kraag van haar jas, duw haar opzij, ga op mijn stoel zitten en open de onderste lade van mijn bureau. Onder mijn iPhoneverpakkingen, kabels, enveloppen, schriften, brieven en foto’s haal ik een pistool vandaan. Ik denk aan Mina, aan Alejandro Zambra, aan Marguerite Dumas en aan Doeschka Meijsing, aan wat zij in haar essay ‘Herlezen’ schrijft over de eerste keer dat ze de woorden ‘de aap in de bus’ op papier schreef. Ik open het magazijn en tel zeventien patronen.

De plek waar de eerstvolgende kogel die uit de loop komt zich bevindt, zeg ik, heet de kamer, of de ruimte. Vreemd, vinden jullie niet? Alsof het een plek is waar de kogel daadwerkelijk moet wachten. Een plek die je in kan richten, waar je de muren van kan verven, of slopen. Een patroon kan daar lang of kort verblijven.
Aaron draait zich om en kijkt naar het pistool in mijn handen. Hij beweegt opeens niet meer onhandig of grotesk, maar schuift langzaam achteruit en drukt zijn lichaam zo ver mogelijk in de hoek van mijn kamer tussen het raam en de deur naar het washok. Ik beweeg mijn hand op en neer, weeg het pistool in mijn handpalm, voel het koude ijzer tegen mijn huid drukken. Met de wijsvinger van mijn andere hand wrijf ik over de loop, de kolf, de trekker.

Weten jullie trouwens dat dit ding herlaadt in een tiende van een seconde? Een kolibrie slaat tachtig keer per seconde met zijn vleugels, oké, maar dit is ook best snel, toch?
Ik hef het pistool tussen mijn handen, knijp mijn linker oog dicht, druk mijn rechterwang tegen mijn rechterbovenarm en richt op Louise, die achteruit stuift, probeert naar haar eigen pistool te grijpen en ontdekt dat het verdwenen is.
Geeft niks, Louise, zeg ik, je bent er al, het maakt geen verschil als ik schiet. Het is zoals Doeschka Meijsing schreef in ‘Herlezen’: Jan, aap, Piet, bus. Een aap, een aap, een aap in de bus. Ik schreef, moeizaam, maar ik schreef en daardoor, door niets anders, zat er die aap in die bus. Al zal het einde der tijden aanbreken, die aap zal in die bus zitten.

Ik draai de Glock weg van Louise, kijk naar de grond, naar buiten, naar de briefjes aan mijn muur.

Jij en Aaron, zeg ik, jullie blijven toch wel.
Ik open mijn mond, leg de loop tussen mijn tanden, voel hoe een koude pijnscheut door mijn tanden schiet en haal de trekker over.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar, in V vertelt Aaron zijn dunne kakverhaal en verschijnt Marguerite Duras. Dit is VI, waarin Lisa schrapt, Louise en Aaron kiezen wat behouden moet blijven, en het zwart wordt – en een invuloefening. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Op Louise, Aaron en mij na is de tunnel leeg. De geluiden verdwijnen. Alles valt stil, alsof iemand de stop uit deze fictieve situatie getrokken heeft. Er klinkt geen geroezemoes en geschuifel verderop in de tunnel. Buiten waait het niet, het water is een gladde, onbeweeglijke spiegel geworden.
Kennen jullie Alejandro Zambra, vraag ik. Louise schudt haar hoofd.

Hij schreef het boek Begrijpend Lezenzeg ik.
Het woestijnzand verdwijnt.
Het is een opgaveboek met meerkeuzevragen. Je leest eerst een deel van het verhaal dat hij schrijft en vervolgens vraagt hij je te selecteren wat wel en niet moet blijven in de tekst, of om woorden in te vullen op lege plekken.Opdracht vier gaat zo: ‘Schrap de overbodige zin of zinnen. Geef van opgave 55 tot opgave 66 aan welke zin of paragraaf geschrapt kan worden, omdat hij geen informatie toevoegt of omdat hij niet gerelateerd is aan de rest van de tekst.’ Louise, wat uit dit verhaal moet ik voor je bewaren?
Het moment waarop ik het pakketje uit de postbus haal.
Het pakket met instructies en de uitnodiging van Aaron?
Nou, vooral dat zij daar dan is. Die nette oude dame die correspondeert met gevangenen uit de vrouwengevangenis. Haar verhaal, dat wil ik bewaren.
Haar verhaal?
Ja, dat ze schrijft aan die gevangenen. Ik kon dat helemaal voor me zien, toen ik naast haar stond voor al die postbussen. Hoe ze thuiskomt, aan de keukentafel gaat zitten met maar één lamp aan in het hele huis. Op de achtergrond een langspeelplaat van Billie Holiday. Een dampende kop koffie naast zich. En dat ze dan honderduit vertelt en vragen stelt aan vrouwen die elke dag maar zes vierkante meter om te bewegen hebben, maar een heel hoofd vol gebeurtenissen en herinneringen bezitten. En met die vrouwen gaat ze op zoek naar overeenkomsten en tegenstellingen tussen hun levens
Je bedoelt, dat je je voorstellingsvermogen wenst? vraag ik.
Misschien ja, misschien dat.

De tunnel verdwijnt. Even zijn we stil, kijken we om ons heen.
Het matras nog, zegt Aaron, en de deken.

Het matras en de deken verdwijnen. De ruimte is wit. Of nee, helemaal zwart. Of – wat je wilt, wat je je voor kunt stellen. Ik raad je aan je iets voor te stellen, de grenzen van je verbeeldingsvermogen eens op te zoeken. En ja, nu heb ik het tegen jou, lezer. Ik ga heel even meta, maar dat is zo weer voorbij.
Ik hoef geen dode vader, zegt Louise.
Ik wil dat verhaal wel hebben, antwoordt Aaron, het is zo ongelooflijk, dat jij die jongens neerschoot voordat ze jou neerknalden. Dat je nog zo kon handelen, zelfs toen je vader recht voor je lag te sterven. Ik wil jouw overlevingsdrang hebben.
Dat kan ook zonder dode vader hoor, dan is het allemaal wat minder cliché, zeg ik, ik had dat verhaal nooit moeten bedenken. Verschrikkelijk lelijk. Ik had jullie überhaupt niet moeten schrijven, optekenen, wat dit ook is. Dit had een essay-serie moeten worden.
We springen van zwart naar wit of van wit naar zwart of van wat er ook in de lezer opkwam naar mijn schrijfkamer. Een kleine kamer. Een kledingrek, een bed, één kast met elk vak tot de nok toe volgepropt met boeken, rondslingerende sneakers en mijn schrijftafel. Boven de schrijftafel, aan de muur, hangen tien witte vierkante briefjes. Op vier van de tien briefjes staan de namen Aaron en Louise, op de andere zes aantekeningen. Allemaal dingen die geen onderdeel van het verhaal zijn geworden. Louise kijkt mijn kamer rond en schuift de stoel van mijn bureau naar voren en naar achteren, gaat er op zitten, kijkt nog eens naar de briefjes.
Ik lijk wel een invuloefening, zegt ze.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar. Dit is V. Waarin Aaron zijn dunne kakverhaal vertelt en hoe taal en beeld zich tot elkaar verhouden en Lisa het over een andere boeg gooit. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Aaron is terug. Hij houdt een matras en een deken onder zijn arm. Achter hem staat een jongen met een uitgekauwd gezicht in een paars trainingspak.
Ik heb geld op zak, toch, vraagt hij, die vent vraagt honderdtien dollar voor deze meuk. 
Een hele rol in je rechterbroekzak, je hebt jarenlang belachelijk veel verdiend, maar je was zo veel aan het werk, soms wel tachtig uur per week, dat je geen tijd had om het uit te geven.

Deed ik ooit iets, buiten werktijd?
Niet echt. Netflix kijken, twijfelen of je een kat zou nemen, hoeren bestellen, die je dan weer weg stuurde als ze arriveerden. Tinder installeren en de-installeren. Wat had je willen doen?
Aaron overhandigt het geld aan de jongen. Die gromt een dankjewel terug en geeft hem er gratis een fles eau de cologne bij: voor het matras, zegt hij, geloof me, het riekt eerst als een bejaard wijf, maar zodra het went slaap je heerlijk.
Wat ik had willen doen, gaat Aaron verder, van alles. Van alles wat mensen eigenlijk willen doen maar vergeten te doen, weet je wel.
Zou je zo’n goede gast willen zijn, vraagt Louise.
Zoiets, uren werken en dan toch nog iets doen voor duurzaamheid, of rampgebieden, weeskinderen. En dan zou ik op een dag inzien, dat wat ik ook doe, wat ik ook probeer, het verschil toch te klein is. Dan zie ik hoe alles verslapt is om mij heen: de onverschilligheid, de verveling van de mensen. Een bloem die eerst nog enthousiast was, maar al snel gewoon een beetje richting het zonlicht gaat hangen omdat het comfortabel is. En dan zou ik willen stoppen met alles.
Hij leunt tevreden achterover op zijn matras en kijkt richting de Nevada-woestijn. Ik heb iemand tevreden gemaakt met de kennis dat hij altijd op hetzelfde pad uit zal komen. Dat er geen andere uitweg is tot dit moment, deze tunnel. Ik heb zin om mijn laptop in tweeën te breken en uit het raam te flikkeren.
Beetje een dun kakverhaal, roept Louise, jij hebt wel heel weinig zetjes nodig, vind je ook niet?
Ja ja, zeg ik, ja ja Louise, nu weten we het wel. Aaron is, wat er ook gebeurt, altijd op een treurige, fatale manier teleurgesteld in het leven.

Kunnen jullie nu anders even ophouden, mompelt Aaron.
Hij rolt zich in de deken en hoest een tijd van de eau de cologne geur van het matras. De laatste rand zon verdwijnt achter de horizon. Louise is tegen me aan in slaap gevallen. Haar haren liggen als een waaier over mijn schoot. Ze ademt rustig. We zijn aan elkaar gewend geraakt. Te gewend, misschien. Ik blijf wakker, in de hoop een uitweg te verzinnen. Vooral voor mijzelf: ik begin me stierlijk te vervelen. Die nacht denk ik voor het eerst niet aan de film met Mina, maar aan Le Camion van Marguerite Duras.

In de ochtend draait Aaron zich op zijn buik, richting de tunnel.
Heeft Louise gelijk, fluistert hij, ben ik een teleurgestelde, slappe washand?
Dat interesseerde me eigenlijk niet toen ik hier aan begon, zeg ik, mij fascineerde vooral het gegeven: het inhuren van die huurmoordenaar, die hele tocht door Las Vegas, het moment waarop omstanders denken dat jullie een spel spelen en zich afvragen waar ze dit kunnen kopen, of het te krijgen is in de winkel van hun hotel, of ze van tevoren online hadden moeten boeken. Een ultieme shoot-out. Dat zijn veel te grote woorden, maar het is de tijd waarin we leven, Aaron, niets is extreem genoeg. Maar zonder achtergrondverhaal is het blijkbaar niet te verteren. Het gaat om de grijpbaarheid, denk ik.
De watte?
Hoe minder ik prijs geef over jou en Louise in dit verhaal , hoe meer een lezer moet bedenken. En dat lijkt steeds minder te lukken, dat activeren van verbeelding. Marguerite Duras worstelt daarmee in haar film Le Camion, en besluit alleen te werken met taal, door met Gérard Depardieu te spreken over wat het scenario van haar film zou kunnen zijn. Zo moet de kijker zelf bedenken wat voor beeld daar bij hoort.
Ik heb die film niet gezien, weer zoiets, stribbelt Aaron tegen. Louise begint te kwijlen op mijn broek, ik druk mijn hand op haar schouder. Ze schokt en gaat rechtop zitten.
Oke, zeg ik, iets anders: laatst was ik in de Hermitage in Amsterdam. Daar hing een doek ter aankondiging van een expositie in de ruimte erachter. Op het doek stond de tekst: ‘Reclining Nude with a Man Playing the Guitar.’ Bijna iedereen liep er aan voorbij, ik vond het het beste werk van het hele museum. Hoe groot is de fantasie van iemand die naar een leeg canvas kijkt? Ik weet wat we gaan doen, we gaan alles over een andere boeg gooien.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening. Dit is IV. Waarin plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar strijden. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Ik vind dit gewoon redelijk laf, zeg ik, vinden jullie ook niet?
Mijn idee om die kogel eindelijk door zijn kop te jassen?
Nee, niet dat idee, dat is trouwens niet van jou, maar van mij. Tenminste, dat je je afvraagt of je hem niet gewoon neer kunt knallen. Er is iets lafs aan een verhaalstructuur in het algemeen, aan het idee dat iets moet eindigen, dat er een logische climax van het plot moet zijn.

In ons geval hier in die tunnel. Ik denk dat een lezer hoopt dat een van jullie nog iets magnifieks tegen de ander zegt. Iets moreels, iets verhalends, iets wat iets zegt over iets groters. En dat iedereen dan tevreden is. Of ontevreden, maar daarmee dan wel ook weer tevreden, omdat het een aanwijsbare ontevredenheid is. Dat je kan zeggen: wat een slecht einde, ik had dit zo en zo gedaan. En nog erger: ik zei dit eerder ook al, over trucjes en clichés, dus ik herhaal mezelf ook nog eens.
Dus jij denkt niet dat dit hier, dit wat Louise en ik doormaken, iets zegt over iets groters, kermt Aaron terwijl hij zijn handen nog eens in de lucht gooit, hoe veel mensen laten zich nou neerknallen in een soort levende Grand Theft Auto, met een zelf-ingehuurde moordenaar? Ik bedoel, een opdrachtgever die ook het doelwit is? Dat is toch, op zijn zachtst gezegd gestoord en briljant tegelijk.
Zeg, Aaron, begint Louise, is het jou eigenlijk te doen om dood geschoten worden, of omdat het uniek is dat jij je eigen dood ensceneert? Misschien had je moeder toch gelijk, Lisa, wie bedenkt dit überhaupt?
Nou, het is dus niet bedacht, zeg ik, ik las dit op het internet. Een man had dit, precies dit, voor zichzelf geregeld. Hij betaalde zonder recht op restitutie, sloeg een arsenaal aan wapens in, trok naar Las Vegas en zou zich daar laten vermoorden door een huurmoordenaar.
En dat geloofde jij?
Het leek me in ieder geval een goed verhaal.
Ha!
Wat?
Is dit een fantasie van iemand gebeurt dit echt?
Is het echt dat Mina stopt met acteren, in die film, of is het als compleet werk in scène gezet?
Begin je weer over die film.
Luister, op het moment dat Mina in de camera zegt dat ze niet meer wil acteren, haar gips afdoet en de bus uitloopt, de stad in, is dat dan plotseling documentair? Of maakt het helemaal niet uit?
Louise laat het pistool een beetje losjes tussen haar handen bungelen.
Maakt het nou uit of ik hem doodschiet of niet?
Zo, dit wordt me wel even te semantisch allemaal hoor, moppert Aaron. Hij loopt de tunnel uit en verdwijnt om de hoek. Louise wil opstaan en hem achterna lopen.
Die komt wel terug, zeg ik, die weet helemaal niet waar hij heen moet.
O ja. En wij maar denken dat we een eigen wil en psyche hebben.
Ze gaat weer zitten. Buiten, net om de hoek van de tunnel drukt Aaron zijn handpalmen tegen zijn dichte ogen tot hij sterretjes ziet.
So there’s the start to the huge shit show I created for myself, fluistert hij tegen zichzelf, en herhaalt: so there’s the start to the huge shit show I created for myself. And like I said, it’s been loads of fun. I’ve been in this tunnel for about two hours now and I need to get going as I can’t stay in one location for too long. I’ll update tomorrow with the rest of my story so far if people are interested.
Goed jatwerk wel, zegt Louise. Ze port me in mijn zij.

Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton. In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, hoe doden voelt, en clichés, clichés, clichés, trucjes. Dit is III. Waarin Lisa’s moeder haar mening geeft, Aaron over zijn kantoor vertelt, en Louise en Aaron het verkeerde antwoord geven. 

*

Aaron blijft heen en weer lopen, Louise blijft richten. Een toneelstukje om de lezer nog even in de limbo van de mogelijke uitkomsten te laten hangen. Het zou in dit freeze frame moeten eindigen. Enter, witregel, afgelopen. Dat je naar de bladzijde kijkt en denkt: wel godverdomme wat een laffe streek.

Ik draai een rondje om mijn as in de tunnel, schep wat water omhoog met mijn voet.
Weet je, zeg ik, ik vroeg aan mijn moeder: wat zou jij doen, hoe zou jij het laten eindigen? Die zei: die huurmoordenaar, die Louise, moet dood. Toen ik haar vroeg waarom, zei ze: ja dat is toch logisch? Het is een verschrikkelijk beroep. Toen vroeg ik haar wie er zou moeten sterven als ik Louise een heel geloofwaardig levensverhaal zou geven, waardoor ze begrip voor Louises keuzes zou krijgen. Nou, toen mocht jij ook wel dood, Aaron.
Wat hebben we met je moeder te maken, mompelt Aaron.
Ja, vult Louise aan, die is hier toch niet?

Als zij dit leest, zeg ik, staat ze hier. In deze tunnel, onder de Nevada Woestijn, tussen al deze zwervers en verdwenen mensen, vergeten individuen. Dan staat hier iemand die alles wil begrijpen: de context, jullie gedachten, jullie drijfveren, wat ik op metaniveau bedoel. Ze zei trouwens dat het überhaupt debiel is, een man die een huurmoordenaar inhuurt om zichzelf dood te laten schieten.
O, de beïnvloedbare en behoeftige lezer! Aaron fronst en drukt zijn handen in zijn zij.

De zon is onder. Een koude wind waait in een vreemde hoek de tunnel in. Louise ritst haar jas dicht en laat haar Glock daarbij even zakken. Aaron humt de melodie van ‘Eye of the Tiger’.

Louise, weet je nog wat ik net zei, begin ik, dat ik steeds aan De Spiegel moet denken, die film met dat meisje met die gipsen arm, dat nepgips. Er is iets geks wat de regisseur, Jafar Panahi in een later interview zei.
Even ben ik stil, probeer ik zijn woorden omhoog te lepelen.
When I see my picture, the picture resembles me, drilt Louise op.

Toch navelstaarderig, of nodig? Wat komt er hier overeen met mij? Waarom was dit verhaal ook al weer nodig? Welke spiegel houden we hier voor? Waar begon dit überhaupt?

Een bebaarde man met een winkelwagen vol kapotte casinostoelen loopt voorbij. Hij focust op zijn handen, zijn aderen drukken door zijn grauwe huid heen van het stevige vasthouden van het karretje. Aaron volgt zijn tred. Het linker voorwiel van de kar draait steeds weg van de as en maakt een piepend geluid dat door de tunnel resoneert. Ik kijk naar Aaron. Naar zijn verzorgde handen, die hij samen vouwt en weer losmaakt. Hij humt nog steeds.
Ik ben toch een spiegel, de overwerkte, nooit voldane millennial kantooreikel, zegt hij, het voelde zo goed. Voor de laatste keer het lampje van dat betonnen, Scandinavische-kleurenkantoor uitknippen. Nog één blik over die hippe tegelwerkvloer, de printer die altijd vastliep, de dure koffiemachine in de hoek, de inspirerende slogans aan de muur, de televisieschermen met daarop slow-motion video’s van hipsters met baarden en te modieuze outfits die heel traag typen op laptops en te breed glimlachen. Ik voelde mijn handen tintelen, verloor bijna mijn evenwicht van de spanning en zenuwscheuten die door mijn nek en mijn schouders trokken. Ik kon bijna niet ademen! Het licht in mijn hoofd was gewoon, floep, uit! Louise, ik had te veel gezien, te veel cokesnuivende vrienden, te veel drone gestuurde ontploffingen op tv, te veel onthoofdingsvideo’s op twitter, slechte dreigementen van Kim Jong Un, en die man, weet je nog, die man die via livestream op Facebook een andere man pointblank doodknalt, te veel verveling, te veel doelloosheid, te veel brilmonturen, te veel manieren om je slapen op te scheren.
Ik snap de afschuw, zeg ik, maar ik heb je overmoedig laten worden.
Aaron, valt Louise bij, kijk nou eens naar jezelf. Je bent zo’n jongen die dan dandy denkt te zijn door in een maatpak in een koffiezaak te gaan zitten met Dorian Gray in je handen.
En nog wat: je vergat iets, of nou ja ik vergat iets, zeg ik, Kijk, Patrick Bateman bijvoorbeeld, wat hij ook doet: van het in mootjes hakken van opscheppende zakenpartners, tot het in stukken zagen van hoeren, hij leeft in een uit de hand gelopen vulgaire fantasie. Hij is inderdaad een spiegel van een verveelde psychopathische yup, maar hij wordt nooit voor zijn daden gestraft, zelfs niet als hij daar om vraagt. Daar zit de crux van het verhaal van Brett Easton Ellis. Het is een cirkel, een limbo die niet ophoudt. Een limbo die je verkeerd kan interpreteren: als een spel, maar het is niet echt. Het is niet echt, het is een commentaar op iets anders. Dát is een spiegel. Het is niet eindig. Waar wil jij de banden mee doorsnijden?
Ja maar dat is gewoon een andere vorm van spel, moppert Louise, kunnen Aaron en ik dit niet afmaken?
Een spel, is dat alles, vraag ik, eindbaas doden, game uitspelen, televisie uitklikken?
Louise en Aaron knikken. Dat was niet mijn bedoeling.