En Nescio dan? Werd er in zijn werk niet veel gewandeld?
Ik heb De uitvreterTitaantjesDichtertjeMene Tekel, maar vooral Titaantjes meermalen gelezen, een stuk herlezen in het Engels, en ja, er werd veel gewandeld, ook in Boven het dal en bijna uitsluitend in het Natuurdagboek. Maar nu viel me iets anders op. Het vijfde Titaantje was er, en tegelijk ook niet.

Ooit las ik Titaantjes als een verhaal over een collectief: ‘Jongens waren we, maar leuke jongens.’
Vervolgens las ik het als het verhaal van Bavink, met zijn ongezonde verhouding met de zon, zijn Lien, en zijn Gezicht op Rhenen: ‘Behalve Bavink, die mal geworden is.’ In dat perspectief zijn Hoyer en Bekker maar bijfiguren, voor het contrast, voor de nodige andere meningen en instellingen. Koekebakker is niet meer dan verteller. En Kees Ploeger? Die was me nooit opgevallen.

Het vijfde wiel

Het lijkt wel alsof Nescio dat zo bedoeld heeft. Kees Ploeger – de enige van de vrienden die voor- én achternaam heeft – heeft wel degelijk een rol in Titaantjes. Zo doet ook hij inmiddels hun jongensjaren af als een uitspatting, en had ook hij destijds een stevige mening over zijn baas en zijn werk. Verderop blijkt zíjn kamer het hoofdkwartier van de vriendenclub, en uiteindelijk eindigt hij als enige als arbeider – de rest als burger of zelfs elite. Maar dat kan niet verhullen dat hij geen deel uitmaakt van het gesprek, of van de actie.

Op de tweede pagina van het verhaal:

‘En we vonden dat ‘t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging.’

Kees is het buitenbeentje.

  • Op het strand bij Zandvoort: ‘Kees was er niet bij.’
  • ‘Af en toe zei iemand eens wat. Bavink vond schilderen ‘t stomste dat iemand doen kon. Kees begreep er weer niks van.’
  • De opening van ‘Buiten-IJ’ (Mene Tekel): ‘Bavink en Bekker liepen voorop, daarachter kwam Kees in z’n eentje, mij hadden ze met Hoyer opgescheept.’

Kees is de meeloper.

  • ‘Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond bij elkaar. Kees had ook een “hok” moeten hebben. Zijn hok was ‘t grootste en voor allen makkelijk te bereiken.’ Bekker had daarbij wijsgerig interieuradvies gegeven, en een citaat op de muur gezet, in het Frans. ‘Kees kon ‘t niet lezen.’
  • ‘Bavink, Hoyer en Bekker hadden alle drie al zoo vaak naar ‘t oudheidkundig museum in Leiden gewild en nu zou ‘t er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de anderen deden.’

Kees is het vijfde wiel aan de wagen. Wat doet hij daar? Twee al te voor de hand liggende hypotheses:

  1. Kees Ploeger, H.W. Rombout, was in de echte vriendengroep van Grönloh te belangrijk om buiten dit verhaal te laten. Rombout was ook de enige van het stel die het kolonistenbestaan, wat Frederik van Eeden in Walden (waarvoor Grönloh op de wachtlijst stond) initieerde met praktischer mensen, in de praktijk bracht. Hij was tussen 1902 en 1904 de enige vaste bewoner van de gezamenlijke kolonie Tames, bij Huizen. Een nogal essentiële rol in de sociaal bewogen groep die de Titaantjes vormden.
  2. Ook de andere hypothese houdt verband met die sociale bewogenheid: in het schema van opkomst en neergang (Bavink, ‘een groot kunstenaar zijn en dan te vallen’, Hooyer de geslaagde sociaaldemocraat, Bekker een kleine ondernemer) vertegenwoordigt Kees, die via zijn vader een betrekkinkje had gevonden bij de gasfabriek, het andere uiteinde van het spectrum.

Maar de werkelijkheid is een mager argument bij kunst – dan had Kees bijvoorbeeld ook in De uitvreter gemoeten -, en je kunt Titaantjes moeilijk een sociale vertelling noemen.

De contrastfiguur

Kees, die eenmaal volwassen ‘praat van die rare kerels die ’m op den slechten weg brachten’, en destijds ‘zijn baas z’n eigen klokken [wilde] laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z’n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen’, is er niet bij. Zoals Bavink volledig aanwezig is, een kleurrijk personage dat bijna niemand naast hem duldt, is Kees een grijs figuur waar je snel overheen leest. Ik althans heb er overheen gelezen. Meer nog dan Bekker en Hoyer is hij dé contrastfiguur. De normaalste der Titanen: hij valt wel in slaap, zijn hok is gewoon de zolder van zijn vaders huis, hij doet gewoon mee – of helemaal niet.

Dus op een minder maatschappelijke manier past Kees in een schema. En Nescio geeft hem, als hij hem noemt, ook een ironisch-prominente plek in de opvolging van zinnen:

‘En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die ’m op den slechten weg brachten.’
‘Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken, Ploeger wilde zijn baas z’n eigen klokken laten inpakken en er bij gaan staan met een sigaar in z’n hoofd en vloeken op die kerels die nooit iets goed konden doen.’

Maar Kees slaapt, Kees is er niet bij. Is hij de running gag die de Nescio’s ironische blik op de vriendengroep moet personifieren?

Tussen haakjes: letterkundige exercitie

De marginale rol van Kees komt in een nog scherper licht als je het niet bij leven gepubliceerd werk van Nescio erbij pakt. In het Verzameld werk en nagelaten proza staat het verhaal ‘Heimwee’, uit 1903, dat deels op de ‘Kropotkine hoeve’ speelt, met zes mannen: (de jonge) Termaat, Kees Ploeger, Gerhard Heldring, Bekker, Jan Verschure (die zich uiteindelijk van de Diemerbrug stort) en de oude Termaat.

‘Kees Ploeger, met z’n blauwe kiel, z’n leeren gordelriem, z’n breeë schouers, z’n heele stevige lichaam in overeenstemming met z’n kaplaarzen waar i z’n broek in had, z’n groote vuisten en z’n aankomende baard, hij was toen 23.’

Kees, immers de vaste bewoner van de kolonie, is de praktische van het stel. Hij spreekt van koren en hout halen in Naarden, waar anderen lezen, dromen en verliefd worden. In het koloniehuis hangt dezelfde Franse spreuk als inTitaantjes op Kees’ hok.

Vervolgens neem je de eerste versie van Titaantjes (waarschijnlijk uit voorjaar 1912, schrijft bezorger Lieneke Frerichs), die begint met

‘Het was een wonderlijke tijd. En het was een wonderlijk gezelschap dat dat jaar bijna avond aan avond op de zolder van Kees Ploeger bij elkaar kwam.
Daar had je Kees, wiens vader een “goeie betrekking” had bij de Gemeente als opzichter over ‘t een of ander en die zelf achtereenvolgens instrumentenmaker, handelsreiziger, smidsknecht en inpakker bij een grossier was geweest, tot groot nadeel van al zijn bazen.’

Kees op één! Het duurt twee paragrafen, waarin Kees met Bekker bevriend raakt, en Kees en Bekker Bavink ontmoeten, voor we bij het definitieve begin van het verhaal komen. Veel wat daarop volgt (het slapen, het hok) is hetzelfde, maar uitgebreider. Titaantjes lijkt met herschrijving aan kracht te hebben gewonnen, en Kees aan kleur verloren.

De afwezige als motief

Op één uitspraak na – de klokken en de baas, meteen op pagina 1 – is Kees Kees gebleven. Je zou in zijn ongelukkige arbeiderswereld, in pijnlijk contrast met de burgerwereld van vh. de Titaantjes, een morele terechtwijzing kunnen zien. Te weinig ambitie? ‘’t Chronische tekort in ’t huishouden van den werkman’ is je lot. Kees zelf ziet dat anders: ‘Hij moppert dat-i ’t zooveel beter had kunnen hebben, als-i eerder naar z’n vader geluisterd had.’ Een grap, zoals Nescio er meer maakt met de arme Kees. Kees heeft zijn noodlot, net als Bavink overigens, maar die was wel een hemelbestormer, en is gevallen. Vanuit het perspectief van Klassiek Grieks toneel is Bavink Nescio’s tragische personage, Kees zijn komische: plat, gewoon, dom.

En zoals de drama’s van Euripides’ helden moesten verschrikken en ontroeren, tot katharsis aan toe, zo riepen de komedies van Aristofanes herkenning op. Kees, dat zijn wij, niet Kees Bakels maar Kees Ploeger. Wij zijn de afwezigen, en dat is de humor.

Of, hoe de lezer, nieuwsgierig naar meer, aan het einde van de rit met minder tevreden is: hoe minder we weten, hoe meer betekenis er aan toe te kennen is.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Het duurde niet lang, misschien een uur, mijn wandeling door het Leenderbos. Het was nog koel, zoals de ochtend van een zomerdag behoort te zijn, de heide begon voorzichtig te bloeien, maar verder was alles groen in een volle zon. Ik zag dat en ik dacht aan wanneer ik mijn vader weer zou zien en wat ik moest zeggen, hoe ik een strengere redactionele keuze kon maken bij mijn werk, of ik naar een popfestival moest met een ander literair tijdschrift, hoe ik een essay over wandelende literatuur van de grond moest krijgen.

Want dat wil ik, ik wil onderzoeken hoe de essayerende literatuur van Teju Cole en de documentaire fictie van W.G. Sebald zijn stilistische neerslag krijgt, hoe het fysieke ritme in stijl en introspectie zijn vorm krijgt. En ik wil weten hoe het met de Nederlandse wandelliteratuur zit, want dit is geen tijdschrift voor wereldliteratuur. Dat ga ik uitzoeken, en daarom mag dit wel het begin van een serie blogs zijn.

Ritme, introspectie, stijl: Alstein, Cole, Sebald

Wandelen heeft iets introspectiefs. Het is een fysieke bezigheid die ruimte schept voor een andere bezigheid: denken. Net als schrijven of lezen is het geen eenvoudige, maar een complexe handeling. Veel schrijvers wandelen, maken trektochten, critici ook trouwens. Elsbeth Etty kampeert en slaapt op driekwart matjes. Bert Natter fietst. Alstein stapt. Bij die laatste zie je dat ook terugkomen in zijn logboeken; hij is onderweg en observeert, ontmoet iemand en noteert zijn verhaal.

In de romanvorm heb ik dat recent bij Teju Cole gelezen, die zijn bijna plotloze Open stad (Open City – excerptvoorpublicatie) structureert met wandelingen. En die zijn zinnen de tijd geeft, alsof hij loopt totdat hij naar rechts moet, of links. Kort daarop kocht ik W.G. Sebalds De ringen van Saturnus (Die Ringe des Saturn, vertaald door Ria van Hengel), dat in z’n geheel een trektocht door een desolate streek in Zuid-Engeland volgt, en waarin de plaatsen die Sebald aandoet stuk voor stuk herinneren aan destructie. Bij voorkeur veelvoudige destructie, wat we onder mensen massamoord noemen, maar Sebald gaat ook in op bomen en zijderupsen. Ook zijn zinnen meanderen. Zijn wandeling begint zo:

‘Het was een dag met zeer laaghangende bewolking toen ik in augustus 1992 naar de kust reed met de oude, tot aan de ramen met roet en olie besmeurde dieselrailbus die destijds de verbinding tussen Norwich en Lowestoft onderhield. Mijn schaarse medepassagiers zaten in het halfdonker op de versleten lila zittingen, allemaal in de rijrichting, zo ver mogelijk van elkaar af en zo stil alsof er hun hele leven nog nooit een woord over hun lippen was gekomen. De onzeker op de rails voortschommelende wagen reed de meeste tijd in de vrijloop, want naar zee toe gaat het bijna voortdurend licht bergafwaarts.’

Er wordt hier nog niet gelopen, maar de zinnen zijn lang, van aaneengeschakelde zinsdelen die je in een ritme brengen, een wiegend wandelen.

Wandelen in de wereldliteratuur

Dit is geen tijdschrift voor wereldliteratuur, schreef ik. Want dat is er al, en het heet Armada. Het is een rustig, bedachtzaam tijdschrift dat zelden sensationalistisch is, of actueel – een uitzondering als het recente nummer over Chinese literatuur daargelaten -, en het gaat over literatuur. In het nummer dat ik ter voorbereiding op dit essay-in-wording las, ‘Schrijvers te voet’ (#55), leer ik dat wandelen voor schrijvers lange tijd not done was – Laurence Sterne voert wandelingen op om personages belachelijk te maken – en een romantische uitvinding is. Dat Austens heldinnen (in boeken die tussen 1811 en 1818 gepubliceerd werden) alleen en te voet bij iemand op bezoek gingen, was nog steeds onderwerp van gesprek in die boeken. Maar als Robert Louis Stevenson met een ezel door de Cevennen trekt, schrijft hij daar ernstig over.

Ook in dit nummer: Marita Mathijsen over Jacob van Lenneps tocht door Nederland, Willem G. Weststeijn over de wandelende jood, Henri Bloemen over de flaneur bij Walter Benjamin, en Hans Bertens (die ook het voorwoord, waaruit ik bovenstaande feiten optekende, schreef), over twee klassieke Afghanistan-reisverslagen. Meestal introducerend, een enkele keer diepgravend, zoals het Benjaminessay,en Dennis Kersten over hoe Stevensons wandeling in biografische fictie en fictieve biografie gevangen werd.

En er is poëzie, en proza. Daaruit komt een voorbeeld van wat ik niet zoek. Robert Walsers ‘Kleine voettocht’, vertaald door Machteld Bokhove:

‘Ik liep vandaag door de bergen. Het weer was miezerig, en het hele landschap was grauw. Maar de weg was zacht en hier en daar heel goed. Eerst had ik mijn jas aan; maar al snel trok ik hem uit, vouwde hem op en hing hem over mijn arm. Het lopen op de wonderschone weg deed me meer, steeds meer genoegen, nu eens ging het omhoog, dan weer steil naar beneden. De bergen waren groot, ze leken te draaien. De hele bergwereld kwam mij voor als een reusachtig theater.’

De zinnen zijn kort, inhoudsledig (tót dat draaien van die bergen). Ze varen eerder op het ritme van de adem dan de route, ze voelen meer dan dat ze denken. Natuurlijk, dit is literatuur, en zoals Henri Bloemen mooi onderstreept in zijn commentaar, er staat veel meer dan er staat, maar in plaats van de uitweiding kiest Walser voor de samenvatting.

Ik zoek dus weids, introspectief, meanderend wandelend proza. Suggesties zijn welkom, een volgende aflevering zal ik aan Adriaan van Dis’ De wandelaar wijden. Ook niet wat ik zoek, vanwege de stijl en omdat de hoofdpersoon van die boek wel een wandelaar wil zijn maar wordt gedwongen dat niet te zijn.

Het gebeurt je toch, je ziet overeenkomsten, verbanden, samenhangen. Ook al lees je voor je lol, het potlood blijft tussen je vingers hangen. De actie in het voorlaatste Vlaamse Boekenweekgeschenk vindt op het platteland plaats, in een verbouwde boerderij, een ‘gerestaureerde villa’, in het nieuwste ook, in een ‘fermette’, maar een met ambitie, naar het voorbeeld van een haciënda, gebouwd met Boomse baksteen. En ook bij de mannen die hun vrouwen achterlaten in huizen die ze nooit gewild hebben, bij het landmetersbureau en de amateur-landmeter, bij de ijsblokjes in de whisky van de slechte vrouwen. Maar heeft het zin, dat potlood? Het is ongetwijfeld geen toeval dat Lanoye hier Claus echo’t, maar komt dat door de klankkast van de literatuur of is het werkelijk betekenisvol? En doet dat ertoe?

Ik zet streepjes in Boekenweekgeschenken, maar waarvoor?

Voor het grote schema van de wereldliteratuur, en zo ja, mag ik daar wel in geloven? Of voor het spel van herkenning en associatie, een eindejaarscitatenpuzzel met parafrase en verwerking?

Vragen, vragen. Ik draai het om. We beginnen met een verschil. In beide novellen overvleugelt een scheiding – bij Claus de gevolgen ervan, bij Lanoye de aanzet ertoe – alle andere verhaallijnen. (Of die indruk na de laatste pagina’s terecht blijkt te zijn geweest, laat ik in het midden.) Maar de aanleiding tot de breuk is bij Claus bijna mythisch gemotiveerd, bij Lanoye domineert de gelijkmatigheid van de moderniteit. Over Vera en Carla, Sybille en Cybele, over het expliciete en de mythe, over het nut van vergelijken.

In De zwaardvis is de scheiding allang achter de rug. Sybille is achtergebleven in de boerderij met haar zoontje met de te grote fantasie, ze brengt haar dagen ledig door, bakkend in de zon. De verschillen tussen haar en haar ex worden vanaf het begin van de novelle uitgespeld, maar de toedracht van de breuk blijft tot laat in het boek onhelder. Waarom is Gerard vertrokken? Omdat elk afwisselend hoofdstuk gewijd is aan de ondervraging van de gedoodverfde moordenaar, denk je al snel dat er fatale oorzaken of gevolgen aan haar alleenstaandheid zijn verbonden.

Bij Heldere hemel moet het allemaal nog beginnen, en er zijn geen doden gevallen. Vera’s Walter belt haar met een bekentenis en zij vervangt de sloten en begint zijn dure whiskeys op te drinken. Met de komst van Carla, Walters nieuwe geliefde, en haar kant van het verhaal, krijgen we zicht op de situatie. Walter is een man van middelbare leeftijd, verliefd geworden op een vriendin van zijn zoon, van half zijn leeftijd dus, heel klassiek, twintigste-eeuws klassiek. ‘De mannelijke menopauze,’ merkt Vera op. ‘Nog zo’n oerkracht waar geen kruid tegen gewassen is.’ En dat Walters vriendinnetje zelf verhaal komt doen, in een wonderbaarlijk gelijkwaardige strijd met haar oudere rivale, ook dat is iets van nu.

1989 – het jaar van verschijnen van De zwaardvis – is het jaar waarin Heldere hemel speelt, maar deze plot van verraad en jaloezie is moeiteloos te transponeren naar 2012. Zo moeiteloos, dat ik ergens in de toneeldialoog tussen de bedrogen echtgenote en de maîtresse een diepe zucht niet kon onderdrukken. Tot dan toe was de novelle zeer onderhoudend, geest, meerlagig. Hier blijft alleen ‘goed geschreven’ overeind, in een weinig natuurlijke woordenwisseling, met formidabel verwoorde eigen gelijken, verrassende troefkaarten – het spel kon me niet boeien, zo plat en voorspelbaar.

‘Ik zeg u enkel dit – u, die aan het begin staat van de calvarie waarin elke passie kan verkeren. Begin nooit met de liefde van uw leven aan de bouw van een fermette. Akkoord, indien je dat gevecht als koppel overleeft, bezit je een ijzersterke band. Je hebt het recht verdiend om samen oud te worden, zij aan zij, tot in het graf. Maar nooit word je nog het koppel dat je was voordien.
[…]
Ik heb te veel geïnvesteerd, mijn lieve schat, en niet alleen in dit huis, om me zomaar aan de kant te laten schuiven in ruil voor jonger vlees.’

In De zwaardvis wordt de meerlagigheid nogal expliciet geïntroduceerd door een verliefde schoolmeester, die een muziekstuk op Sibylle heeft gecomponeerd, en alludeert op de hoofdpersoon, de gruwelijke vruchtbaarheidsgodin Cybele. ‘”Zij is geen lief persoon, maar wel aantrekkelijk. […] Cybele was nogal autoritair. Haar priesters verplichtte zij zichzelf te castreren.” “Dat gaat te ver,” zegt Sibylle Ghysselen. “Of rond te lopen verkleed als vrouwen.”‘

Als even later blijkt dat de scheiding volgde na een castratie, figuurlijk, maar niettemin vernederend, lijkt Claus te triomferen in zijn dubbele leesmogelijkheden. Heel klassiek, voor-Christelijk klassiek. (Overigens heeft Claus zijn klassieke thema door het hele boek verweven, Achille van den Branden analyseert.)

Claus’ daadwerkelijke triomf volgt uiteindelijk in een totaal verrassende transformatie van de Whodunnit tot een Who’s-done-in.

Lanoyes ontknoping is minder spectaculair verrassend, maar hij heeft mijn scepsis overwonnen bij tweede lezing. Van de motto’s, helemaal vooraan, wel te verstaan. Ja, uit Lanoyes eigen toneelbewerkingen De Russen! en Mamma Medea, ijdel is dat, dacht ik, jezelf citeren. Maar nu zie ik het: Medea, de oer-bedrogen-echtgenote, schemert door de dialogen: de bedrogen moeder, de dood van haar kroost, de hemelwagen. In de het ene Boekenweekgeschenk is de Oudheid nadrukkelijk, af en toe té nadrukkelijk aanwezig, in het andere is het een kanttekening in de marge die de diepere laag suggereert.

Twee keer kijken dus: achter het platte realisme van Lanoyes dialogen zit een ander verhaal, en niet een uit 1989.

Of hoe een al te bewuste lezer nog altijd ergens overheen kan lezen.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

We hadden dus een nieuwe rubriek, Zin. Ik zocht naar zinnen en dacht aan Belcampo (pseudoniem van Herman Pieter Schönfeld Wichers), huisarts, schrijver, die nu eenentwintig jaar dood is, en die ooit mijn literaire held was. Hij schreef fantastische verhalen, ik bedoel ongewone, bizarre, onmogelijke verhalen, waarin stoelen, auto’s, stof de macht overnemen, waarin de apocalyps in Rijssen plaatsvindt, waarin een schrijver tienduizend dagen van zijn leven neemt om één dag tienduizend levens mee te leven, waarin een welgestelde jongeman zijn zelfmoord uitbesteedt, verliefd wordt maar aan zijn contract gehouden wordt. (Dat laatste, ijzersterk gecomponeerde verhaal heet ‘De ideale dahlia’, en inderdaad, Belcampo was minder goed in titels.)

‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’, uit zijn eerste verhalenbundel, Verhalen (1936), opent met deze zin, even droog als beloftevol: ‘Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als sexuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond.’

Dit verhaal, denk je, is heel gewoon, saai bijna, en kraakt van de oubolligheid, en dat stelde ik bij eerste herlezing dan ook vast, die titel alleen al! Maar ik dwong mezelf te herlezen. Objectief nu, zonder vooroordelen die stoppen bij ouderwetse stijl en interpunctie. Er gebeurt niets in die eerste zin, dat is waar. Maar ‘zelfmoord als sexuele afwijking’? Dat dienstmeisje wordt meteen in een duister hoekje gedrongen – wordt dit pikant?

Dienstmeisje af, oude vriend op.

‘Ze had de voordeur niet open durven maken, omdat het al zo laat was.
Ik ging zelf naar voren en vond een oude vriend waarmee ik vroeger veel plezier had gemaakt en die ik nu in een jaar niet had gezien. Hij lag geknield op de stoep en lachte me toe. We schudden elkaar de hand en ik zei: “Kom binnen en schei uit met die kinderachtigheden,” want ik was ernstiger geworden.
Hij zei: “Ik kan niet,” en meteen draaide hij zich om. Toen zag ik, dat hij al zijn ledematen miste.
Ik moest me aan de wand vasthouden om niet te vallen. ’t Kwam me aan als een keiharde droom.

Er is in deze zinnen genoeg grond om mijn Kees ’t Hartiaans verwrongen interpretatie voort te zetten: veel plezier, liggen, geknield, lachen, schudden. Dat vraagt wel veel van de tekst, maar een dubbelzinnigheid van spel en ernst kun je er zeker in lezen – tussen het stroeve woordgebruik door (‘vond’ voor ‘trof aan’, ‘in een jaar’ voor ‘al een jaar’, ‘geknield liggen’, ‘uitscheiden’, ‘kinderachtigheden’, ‘ernstiger’). En de clichés: die muur, die droom!

Toch: het gegeven – dat is Belcampo’s grote kwaliteit, zijn ideeën voelen altijd fris en nieuw aan – doet je doorlezen. Nu worden de beelden beter, de gevoelens oorspronkelijker, de details preciezer:

‘Maar ik heb toch zo net een arm aan hem geschud, flitste het door mijn hoofd. Dat bracht me weer tot bezinning. Ja, daar zat er nog één, de laatste, eenzaam op zijn ontredderde romp.
Hij had mijn emotie gemerkt en vroeg verlegen: “Mag ik toch binnenkomen? Excuseer… m’n toilet.” Ik knikte. Vlug bewoog hij zich door de gang voort, als een stuk kinderspeelgoed dat nog niet kapot is gemaakt.
Ik sloot de deur met een gevoel alsof ik het niet deed. Toen ik mijn studeerkamer binnenkwam, was hij al in een fauteuil geklommen, die hij van vroeger kende. Met grote moeite bood ik hem een sigaar aan, maar hij glimlachte weer en zei: “Wees niet bang voor mij, ik ben nog dezelfde.”
Een tijdlang zeiden we niets, maar eindelijk begon hij.’

Het blijft expliciet, weinig strak. Ik schrap in de tekst, ik onderstreep de krachtige zinnen.

‘Maar ik heb toch zo net een arm aan hem geschud, flitste het door mijn hoofd. Dat bracht me weer tot bezinning. Ja, daar zat er nog één, de laatste, eenzaam op zijn ontredderde romp.
Hij had mijn emotie opgemerkt en vroeg verlegen: “Mag ik toch binnenkomen? Excuseer… m’n toilet.” Ik knikte. Vlug bewoog hij zich door de gang voort, als een stuk kinderspeelgoed dat nog niet kapot is gemaakt.
Ik sloot de deur met een gevoel alsof ik het niet deed. Toen ik In mijn studeerkamer binnenkwam, was hij al in een fauteuil geklommen, die hij van vroeger kende. Met grote moeite bood ik hem een sigaar aan, maar hij glimlachte weer en zei: “Wees niet bang voor mij, ik ben nog dezelfde.”
Een tijdlang zeiden we niets, maar eindelijk begon hij.’

Dat stuk kinderspeelgoed, ‘nog niet kapot’, dat roept een hele wereld op, die sigaar is een tastbaar detail, en dat ‘Wees niet bang’, dat heeft een evangelische bijklank, van de uit dood herrezen Jezus. Seks, kinderspel, jeugd, dood en wederopstanding – de lichamelijkheid is overdadig aanwezig, in schril contrast met die romp in de fauteuil. Is het niet wat vol? Ja, maar na een witregel blijkt de verminkte oude vriend een stilistisch veel sterkere verteller dan de arts. Let op de herhaling, de nadrukkelijke, eenvoudige belofte van het ongehoorde, let op het nuchtere, simpele, het onthechte:

‘’t Kwam heel eenvoudig, de ontdekking, de ontdekking van wat nog niemand weet. ’t Kwam zo.’

Zo’n schrijver moet je herlezen, zorgvuldig, zin voor zin.

Of: hoe de ik, gebukt onder zondige gedachten en slepend met post-paradijselijke ledematen, een oude vriend tegen het lijf loopt, onherkenbaar en als vanouds goed.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten? Vandaag probeert hij te doorgronden hoe hij gepakt en meegesleept werd door Peter Buwalda’s Bonita Avenue. ‘“Jij hebt die foto gemaakt,” zei de man. Of was het een vraag?’ Over vaststellingen en vragen en kantelpunten.

Ik probeer met afstand te lezen, om een afgewogen oordeel en een degelijke analyse mogelijk te maken, maar ik wil me ook laten onderdompelen, laten overtuigen, want dat is de ware leeservaring. Die leesmanieren lopen parallel, maar in de meeste boeken zit er een kantelpunt, waarbij het objectieve lezen plaats maakt voor de subjectievere manier. Het moment waarop je gepakt wordt en meegesleept, dat werk.

Nu heb ik met Bonita Avenue, dat meermalen genomineerd is voor grote prijzen, en momenteel nog in de race is voor de NS Publieksprijs, de AKO Literatuurprijs en de Academica Literatuurprijs, kennisgemaakt als boekverkoper. Vanwege een optreden van de auteur, Peter Buwalda, bij het Haarlemse filiaal van Athenaeum Boekhandel, zette ik een uitgebreid fragment op Athenaeum.nl. Pas later ben ik het boek echt gaan lezen, en ik had daar geen enkel professioneel doel mee: het was zo’n boek dat mag, voor tussendoor. Ik las het voor de lol, maar mijn criticus-ik las mee. Die ergerde zich meteen aan de uitgebreide beschrijving van een schoonvader. Die uiterlijke details, die uitgewerkte verklaringen, wat moet ik ermee?

‘Siem Sigerius was een gedrongen, donkerbehaarde kerel met een stel oren waarnaar je meteen moest kijken; ze waren kroppig, ze leken gefrituurd, en omdat Aaron gejudood had wist hij dat het bloemkooloren waren. Je kreeg ze van stugge mouwen van ruig katoen die er almaar langs schuurden, door de schelpen steeds weer te laten opfrommelen tussen harde lichamen en ruwe matten, er hoopte zich bloed en pus op tussen het kraakbeen en de babyzachte huid. Wie daar niets aan deed bleef zitten met verharde zwellingen en bulten.’

En even later:

‘Sigerius’ oren bewogen kort. Zijn kroezende haar zat viltig kortgeknipt op zijn platte, brede hoofd. Hoewel hij gekleed ging in kostuums of corduroy broeken en poloshirts van Ralph Lauren, de tuniek van de werkgever, van de arrivé, zou je hem op grond van die oren en dat buffelachtige lichaam niet inschalen als iemand die leiding gaf aan een universiteit, laat staan dat je zou geloven dat hij gold als de grootste Nederlandse wiskundige sinds Luitzen Brouwer. Een man met zijn fysiek verwachtte je in de bouw, of ’s nachts aan de snelweg in een fluorescerend hesje achter een bak met teer.’

In hoeverre is deze beschrijving anders, beter dan Mörings clichégedreven ‘kettingrokende vvd’er in blazer en grijze flanellen pantalon’? Mij maakt het niet uit hoe iemand eruitziet. Toch is die eerste reactie, moet ik later toegeven, voorbarig. Eigenlijk gaat het niet om de oren, de haren en poloshirts, maar om de contrasten die Buwalda erbij noteert. Dit is een tegenstrijdig, of in ieder geval complex personage. Er is iets met deze man. En bovendien werd mijn lezer-ik al meegelokt door de zinnen ervoor en erna. De eerste zinnen van dit boek roepen vragen op, die pas pagina’s later beantwoord worden (overigens zijn deze passages allemaal in die Athenaeum-voorpublicatie te vinden).

‘Toen Joni Sigerius hem op een zondagmiddag in 1996 meenam naar de woonboerderij van haar ouders om hem officieel voor te stellen, gaf haar vader hem een hand die hem aan de stevige kant leek. “Jij hebt die foto gemaakt,” zei de man. Of was het een vraag?’

Een vaststelling, of een vraag – maar wat voor vraag dan? Het antwoord – na de korte excurs over judo-oren – is ontwijkend, en dat is het begin van een patroon.  ‘Om te verbergen dat hij onder de indruk was, antwoordde hij: “Ik maak aan de lopende band foto’s.”’ De ongemakkelijke verhouding tussen schoonzoons en schoonvaders. Niets bijzonders. Maar deze schoonvader is dat wel, en met die schoonzoon is ook van alles, maar dat blijkt even later. Elke pagina die hierop volgt, refereert Buwalda wel naar die foto, maar hij vermijdt het antwoord op die vraag, hij vertelt vooral over deze Siem Sigerius, ooit een briljant judoka, een kanshebber op Olympisch metaal, vervolgens een wiskundige op wereldniveau die de rector van een universiteit in Enschede wordt. Pas drie boekpagina’s later wordt het duidelijk wát voor foto het is. Een naaktfoto.

‘De rattenvanger van Tubantia in zijn blote lul. Hij zei: “Goed werk,” en liet Aarons hand los.’

En dan hóé die foto tot stand kwam. Dan weet je het, en met een witregel – het zoveelste kantelpunt – blijkt dat je nog helemaal niets weet. Dit gesprek vond in een ver verleden plaats, en er is heel veel gebeurd.

‘Dit alles schoot door Aarons hoofd toen hij de vrouw tegenover hem herkende. Ondanks haar metamorfose wist hij ogenblikkelijk wie ze was. Op de plaats schuin tegenover hem, naast een meisje in het steenrode pakje van een of andere winkelketen, zat Joni’s moeder. Een stroboscopisch wit licht van schrik verblindde hem, en dat licht moest een optische bundeling zijn van ongeveer deze herinneringen.’

Hoe je je dat ‘stroboscopisch wit licht van schrik’ moet voorstellen – een oprisping van mijn kritische ik -, dat vergeet je al snel. Want even later breidt Buwalda die schrik uit: ‘Aarons eerste reflex was vluchten, wegwezen […]. Zijn lichaam gedroeg zich of het in blinde paniek een steile heuvel op stormde. Zo zat hij minutenlang, transpirerend, snel ademend, zichzelf tot rust manend, in afwachting van de confrontatie.’

Er is even veel mis met deze Aaron als er speciaal is aan zijn schoonvader van destijds. En alles, werkelijk alles in deze eerste paar pagina’s straalt uit naar de rest van het boek. Als een stroboscoop. Of, eigenlijk, als een onverklaarbare pijn ergens in je lijf, in je geslacht. En telkens zal Buwalda een kantelpunt inbouwen. Het wordt erger, viezer, gênanter, maar je wílt het weten.

Al wil die andere lezer nog begrijpen waarom dan, hoe, al heeft die een schuldgevoel, dat ik toegeef aan de lekkere trek van een fastfoodlezer, terwijl ik nog niet weet of dit Big Mac of driesterren-risotto is, De Da Vinci Code of literaire prijzenmateriaal, ik lees door.

Maar het gaat niet om complotten en moorden, het gaat om hoe mensen met elkaar omgaan, schoonvaders en -zonen, maar ook vaders en dochters. Een hoofdstuk later, ná het online gepubliceerde fragment, vinden we Sigerius terug op een receptie. Hij ziet zijn dochter. Maar wat ziet hij?

‘‘Dan ziet hij het. Het donkerbruine, Siberische mutsje boven Joni’s gezicht herschikt iets in zijn geheugen. Blijkbaar produceert zijn mond een geluid, want de vrouw in wier oor het terechtkomt deinst terug. Hij gaat rechtop staan, knikt haar afwezig toe, spert zijn mond open en klapt hem weer dicht. De gelijkenis die hij meent te zien dringt zijn bewustzijn binnen als iets heets, als een vloeistof die hem probeert uit te schakelen. Kokend lood. Hij is duizelig. Het fenomenale vermogen van het brein om gezichten te herkennen, zonder moeite, zonder haperen. Het heeft hem altijd gefascineerd, maar nu vermoordt het hem. Het is niet eens herkenning, het is op alle fronten méér. Wat hij gewaarwordt is… identificatie. De aandachtige blik van Joni, vijf, zes meter bij hem vandaan, de donkere bontmuts waarvan de rand over haar gladde voorhoofd loopt zodat hij haar voor het eerst ziet als brunette. De steviger dan gewoonlijk aangezette make-up, de gestifte lippen die van concentratie iets wijken. Al haar trekken, de brede ongereptheid van haar krachtige, zelfverzekerde gezicht, alles wat samen het signalement van zijn dochter bepaalt, schuiven over dat ándere gezicht, een gezicht dat hij in zekere zin óók kan dromen — totdat het “klik” zegt in zijn transpirerende hersenen. Ze is het.

Wat? Wie? Het is om razend van te worden – Buwalda geeft geen enkele aanwijzing, hij maakt het Sigerius praktisch onmogelijk om deze identificatie te bevestigen, en pas als hij daartoe gelegenheid heeft, begrijp je er iets van. Iets. Buwalda excelleert in vertraging, op een A.F.Th.-achtige manier, door details, door analyse. Hij zegt alles wat je op dat moment moet weten, en hij rekt die categorie op – de fysieke reactie van de rector magnificus, wat doet dat ertoe? Haar make-up, wat moeten we eraan herkennen? -, hij maakt het allemaal veel belangrijker (die cursivering van die laatste zin, gecombineerd met de leegte van die mededeling!) en laat tegelijk iets weg. Maar wat? Dus lees je door, je nieuwsgierigheid krijgt alsmaar urgentere, preciezere en schaamtevollere vorm, ze worden beantwoord, elk detail valt op zijn plaats, maar ze roepen nieuwe vragen op, en Buwalda stoomt voort naar het volgende demasqué. En je kan jezelf niet helpen, je bent niet meer de lezer, maar die man op die foto, je voelt je aangevallen, geconfronteerd met je diepere, duistere ik, je leugenaar, geweldenaar, pornoproducent en -consument. Ja, je weet nog helemaal niets – over jezelf. Je stond al die tijd in je blote lul.

Lees dat boek. Geef die man een prijs.

(Waarin de dolende ridder op een marktplein een gestameld stemadvies uitbrengt en eenmaal afgedropen beseft dat voorlezen had volstaan.)

N.B. Stemmen kan op de Academica Literatuurprijs en de NS Publieksprijs.