De reeks 500-1.000 woorden gaat ook in de zomer onverminderd door met nieuw proza, met ditmaal een verhaal van Rosa van Toledo.

*

Op een ochtend, toen hij over het fietspad van de Burgermeester van Heusdenlaan reed, fietste Jeremy een rat aan. Het was iets voor acht, over een kleine tien minuten zou op school de eerste bel gaan en Jeremy, die haast had, omdat zijn zusje had staan treuzelen in de badkamer, had de rat niet zien aankomen: ineens schoot er een bruine vlek vanuit de berm over het wegdek.

Hij voelde vooral de hobbel. Eerst onder het voorwiel, daarna onder het achterwiel. Hij remde meteen.
Jeremy zette zijn beide voeten op de grond en keek achterom. Midden op het asfalt kronkelde de rat. Haar rug lag met een scherpe knik gedraaid en met haar voorpoten krabbelde ze in de lucht. Heel even overwoog hij zijn moeder te bellen. Een vrachtwagen denderde over de autoweg naast hem voorbij, gevolgd door een bus en een slinger auto’s. Hij stapte af, legde zijn fiets en rugzak in de berm en liep langzaam op de rat af.
‘Shit,’ fluisterde hij, ‘oh shit.’
Hij keerde om naar zijn fiets. Hij wilde opstappen, verder rijden, maar in de verte zag hij dat er een fietser naderde. Hij wende zich weer naar de rat die nu met haar kop korte, trekkende bewegingen maakte. Hij liep naar de berm en zocht tussen het hoge gras. Een auto toeterde. Graspalmen striemden langs zijn kuiten. Hij vond een tak, gooide deze weg, vond een grotere en liep ermee naar het fietspad.
De rat lag stil. Haar kop had ze op het asfalt gelegd, alleen haar klauwen bewogen traag. Hij had nog nooit een rat van zo dichtbij gezien. Haar vacht was nat, haar ogen donker en glanzend. De stok liet hij even boven haar lijf zweven, twijfelend waar te raken, toen duwde hij voorzichtig tegen de achterzijde van haar rug.
Een stuip deed hem achteruit deinzen. De rat krulde haar voorpoten en opende haar bek. Een donkere vloeistof verscheen onder haar buik. Jeremy gooide de stok in de berm, greep zijn tas en haastte zich naar school.
In het klaslokaal was het benauwd. De docent opende de ramen en liet de klas een kansberekening maken. ‘We bekijken een vaas met zes verschillend gekleurde knikkers waaronder een rode,’ zei ze terwijl ze op het bord de formule uitschreef, ’en nu vragen we ons af, hoe groot is de kans dat we bij de zesde trekking de rode knikker pakken?’ Sadik, die naast Jeremy zat, stootte hem aan, knikte naar het meisje voor hen. Boven haar broek was een stuk van haar onderbroek zichtbaar. Hij grijnsde met hem mee.
Na wiskunde volgde geschiedenis en onder de klasgenoten werd een discussie gevoerd over het standbeeld van Piet Heyn bij Delfshaven. Een meisje stond op van achter haar tafel en stelde dat het beeld weggehaald moest worden, omdat haar voorouders door de WIC waren verscheept.
‘Moordenaars mogen niet worden vereerd,’ zei ze, ‘en hij heeft mensen vermoord.’
Een ander meisje vond dat zijn daden in de context moesten worden gezien. De docent vroeg haar wat ze met context bedoelde. Jeremy keek uit het raam. De zon was nu bijna op z’n hoogst. Een scooter reed voorbij, het blik flikkerde zo fel dat hij zijn ogen moest afwenden.
In de grote pauze liep hij met Bart en Sadik naar de frietzaak tegenover de school. De eigenaar gooide de soufflés in het vet en zette de Fernandes op de toonbank. In de hoek van de zaak drukten de jongens op de knoppen van de fruitautomaat. Bart vertelde dat hij gistermiddag bij Fornite had gewonnen. Jeremy vroeg hoeveel kills hij had en wie er meespeelde. Hij trok zijn jas uit. Hij zweette, hij rook zijn eigen zweet, een sterke, harde geur.
In de laatste twee uur mochten ze voor gym buiten op het veld voetballen. Hij scoorde twee keer via de paal. Jongens sloegen hem op zijn schouders. Meisjes dromden samen, keken hem schalks aan. Sadik, die bij de tegenpartij aanvaller was, stak zijn middelvinger op. De wedstrijd werd stil gelegd, omdat een meisje een bal tegen haar hoofd kreeg. Met twee vriendinnen aan haar zijde liep ze huilend naar de wc. De jongen die de bal had geschopt, geinde met zijn vriend. Jeremy volgde de boksbeweging die hij met zijn armen maakte, links, rechts, links, en één slag tegen de kaak.
Op de terugweg reed hij met Sadik naar huis. Bij de Burgemeester van Heusdenlaan raasden nu af en aan auto’s voorbij. Net op tijd zag hij de rat. Ze lag op haar rug aan de linkerkant van het fietspad en een stuk verder dan hij haar in de ochtend had aangereden. Hij keek achterom en zag vlees uit haar buik rimpelen. Sadik zei dat hij liever keep stond morgenavond. Jeremy knikte. Bij de kruising met de Westlandseweg, gingen ze ieder een andere kant op.

Thuis rook het huis naar gebakken ui. Zijn vader moest boven aan het werk zijn. Jeremy pakte een fles Sprite uit de koelkast en zette de opening tegen zijn mond. Vanuit de steeg klonk geblaf.  Zijn zusje opende de keukendeur en liet Bombay voorgaan aan de lijn. Ze had één speaker in haar oor en hield haar telefoon voor haar mond. Toen ze Jeremy met de fles aan zijn mond zag staan, trok ze haar wenkbrauwen op en vormde met haar lippen geruisloos ‘gatver’, en leidde Bombay met een ruk naar de woonkamer. Eenmaal los rende Bombay van de woonkamer terug naar de keuken, en sprong tegen hem op. ‘Ja ja,’ zei Jeremy en hij duwde zachtjes met zijn been tegen het lijf. Maar Bombay wist niet van ophouden. Hij blafte en kwispelde en zette telkens zijn poten tegen zijn scheenbeen.
‘Jezus,’ zei hij, maar hij pakte de hond op. Onmiddellijk begon Bombay zijn neus, zijn oren, zijn mond en zijn wangen te likken. Hij wilde zijn hoofd afwenden, maar hij voelde de rugspieren van de hond onder zijn handen wringen.
‘Jezus Bombay’, zei hij weer. De buik van Bombay drukte warm tegen zijn borstkas. Het hondje piepte, likte en hijgde. Jeremy verstevigde zijn greep en verborg zijn gezicht in de vacht van het beest.

Deze warme week las de redactie een verrukkulluk boek van een jubilerend schrijver en een bijzonder boek over het schrijven zelf, van de koning van de thriller.

*

Daan Stoffelsen: Remco Campert, Het leven is vurrukkulluk

Ik kijk te weinig films, of ik lees te weinig boeken, want de laatste verfilmingsteleurstelling is al weer even geleden. Maar herlezen – nu voor het Campertnummer – werkt op eenzelfde manier, denk ik: je herneemt het verhaal, en ziet andere dingen. Meer dingen. Wat was blijven hangen van eerdere lezingen: de sfeer, zomer in het Vondelpark, seks, de flauwe woordgrappen, de mooie gimmick van een bejaarde Kees de Jongen. Wat erbij komt: de fijne karaktertekening van het melancholische duo Mees en Boelie, de perspectiefwisselingen, het geweldige interview dat Boelie geeft – brutaal-overdreven (à la Das Mag), na eerst schuchter te hebben gespeeld (à la Revisor??) -, hoe elk personage een perspectief op jeugd geeft, en hoe tweemaal een wonder gebeurt.

Ik begon overigens met het zoeken naar fijne zinnen om te analyseren voor ons themanummer in augustus. Maar heel opzienbarend zijn de prozazinnen van de dichter niet in deze roman. De fonetische spelling (nijslollie, vanielje, rokkenrollen, Marie-Johanna) is bijkans een Campert Cliché, maar de zinnen zijn overwegend kort, functioneel, met oog voor de kracht van herhaling. Veel interessanter dan de zinnen is het hoe Campert na de eerste scènes in de derde persoon, met Boelie en Mees en de bijna-zestienjarige Panda (een geweldig, lekker, kil en cynisch meisje, ietwat eendimensionaal) opeens een ik opvoert: Mees.

‘Het is altijd anders. Toen waren het koude dagen: eerst natte kou, zoals de mensen op de tram het noemen, harde striemende regen, de kioskjuffrouwen halen de tijdschriften binnen, dan wind die de lucht tracht open te scheuren, de laatste herfstblaren slieren door de straten, seizoen van thuiszitten en televisiekijken.’

(Ja, er zitten wel lange zinnen in dit boek, maar Campert heeft betere geschreven.) Toen was: ‘s nachts piano spelen in een bar, overdag een affaire met de vrouw van een vriend, die ongelukkig afliep. De perspectiefwisseling is effectief: Mees blijkt veel meer dan de hedonist die ik me herinnerde, en die hij ook speelt in de rest van het boek. Verderop voert Campert een ander personage in de derde persoon denkend op. Dat had ook de derde kunnen zijn, maar de afstand past haar beter. Tussendoor zijn er de larger than life-scènes met de grijsaard (Kees) en de overijverige Tjeerd Overbeek. En aan het slot beschrijft Campert een feest in snippers dialoog, dat werkt ook goed. Campert wisselt in tempo en toon, en daardoor is Het leven veel veelstemmiger en rijker aan reliëf dan ik in mijn hoofd had.

(Ongetwijfeld geeft de verfilming een nog een groter contrast, nee die moet ik maar niet gaan zien.)

En dan dat wonder. Campert is een meester in de herhaling, een stijlvorm die bij hem niet slechts eenvoudige overvloedigheid betekent, maar subtiele nuances oplevert, omkeringen ook wel. Meer daarover in het augustusnummer. Hier: eerst een onhandige dialoog tussen Mees en Panda:

‘”En verder? Hoe vind je me verder? Vind je me fijn?”
“Ja. Bijzonder.”
“Voor mijn leeftijd, bedoel ik?”
“Ik vind je een wonder, leeftijd of niet.”
“Waarom?”
“Omdat je een wonder bent.”
“Een wonder is een wonder?”
“Een wonder is een wonder.”
Tevreden glimlach. Een kinderhand is gauw gevuld. Ieders hand is gauw gevuld.’

En dan aan het slot een geweldige, beeldende scène:

‘”Ik droom,” mompelde Boelie en ging weer liggen.

…….

‘Mees stond voor het raam en zag hoe op nog geen twee meter afstand van hem de jongen, aan zijn paraplu hangend, langzaam en statig naar beneden kwam zweven en veilig in de tuin daalde.
“Een wonder.”
Mees hief zijn glas naar de jongen, die zijn paraplu dichtklapte en een kleine buiging maakte.’

De droom, het wonder: Campert viert met grote woorden, en al door simpelweg te herhalen geeft hij ze een schaduw, een context, en plaatst ze in het leven zelf.

De Bezige Bij gaf Het leven is vurrukkulluk uit.

Jan van Mersbergen: Stephen King, Over leven en schrijven

In vier bladzijden en een paar regeltjes weet Stephen King in zijn boek On writing (vertaald als Over leven en schrijven, waarschijnlijk omdat Over schrijven veel lezers al zal schrikken) uit te leggen wat schrijven is. Iedereen moet dit lezen, dacht ik, dus vlak voordat ik afgelopen zaterdag naar een motorclubfeest afreisde, zei ik tegen mijn vriendin: Ik heb in dat boek een bladwijzer gelegd, bij een kort hoofdstuk. Zou je dat hoofdstukje willen lezen?

Dat is goed.

Toen ik de volgende dag weer thuis kwam had ze het gelezen en was haar beeld van schrijven, en misschien ook wel van mijn schrijven, veranderd.

Het korte hoofdstukje heet ook: Wat schrijven is. King heeft een kort antwoord: telepathie. Hij vertelt hier subliem over.

Als iets wat hij op papier noteert, een verhaal, een beschrijving, een eenvoudige gebeurtenis, bij een lezer terecht komt, die ergens anders woont en leeft, in een andere tijd bovendien, dan komt het geschrevene bij die lezer aan als de werkelijkheid. Wonderbaarlijk. Het verhaal, dat weer speelt in een andere tijd, de verzonnen personages, de handelingen en de intriges, alles wordt getransporteerd naar de lezer toe, over grote afstanden, zonder een woord te zeggen. Dat uitgangspunt vat hij samen: ‘Jouw geest en mijn geest ontmoeten elkaar.’ Heel mooi.

Hij geeft het voorbeeld van een konijn in een kooi. De kooi wordt summier beschreven, want de meeste mensen weten wel hoe een kooi eruit ziet. Geen overbodige details dus. Het konijn is wit met hier en daar wat roze, om de neus en ogen. Het konijn knaagt aan een wortel. Op zijn rug staat met duidelijke blauwe letters het cijfer 8. Dat is de beschrijving. Geen afmetingen van de kooi, want zo zegt King, dan wordt het geen proza maar een gebruiksaanwijzing. ook dat ziet hij heel scherp. Het belangrijkste is het rugnummer. Dat is geen vier of zes, maar 8. Dat onthouden lezers. Dat cijfer, die kleur, dat beeld.

Stephen King kan uitzonderlijk goed uitleggen wat schrijven doet, en vooral dat schrijven het verbond is tussen schrijver en lezer. Niet enkel zenden, er zijn veel schrijvers die dat doen. Vertellen, en maar kijken wat de woorden bij de eventuele lezer doen. Duidelijk zijn, vertellen wat er toe doet, overdrachtelijk zijn. Het zijn eenvoudige maar rake bewoordingen van wat bij schrijven belangrijk is.

Dat voorbeeld van het konijn is een klein stukje uit dit rijke boek. King vertelt ook waarom een toevoeging in een zin als: ‘Geef dat terug, smeekte hij angstig.’ belachelijk en te veel is, wederom naar de lezer toe. Die heeft genoeg aan; ‘Geeft dat terug, zei hij.’ Hij geeft toe zelf ook dit soort toevoegingen te gebruiken, omdat ook hij soms bang is dat de lezer hem niet begrijpt.

Ook vertelt hij dat het zinnetje: ‘Met een hamer doodde hij Frank’ het nooit zal winnen van ‘Hij doodde Frank emt een hamer.’ Dezelfde woorden, andere zin, slapper proza. Hoe kan dat?

Tip van Stephen King voor mensen die schrijver willen worden: veel lezen en veel schrijven. De meeste mensen die schrijven, willen vooral schrijver zijn, valt mij iedere keer weer op, vooral als ik les geef aan schrijfopleidingen. Ze willen wel een beetje schrijven maar herschrijven doen ze amper en lezen al helemaal niet. Kan dus niet.

King stelt dat een eerste versie van een boek drie maanden in beslag zou moeten nemen, niet langer. Vind ik een prima uitgangspunt. Er zijn natuurlijk schrijvers die eens in de tien jaar met een boek komen, ik zou me al die jaren dood vervelen. Tweeduizend woorden per dag, is Kings streven. Dat is flink, maar zeker haalbaar.

Wacht niet op de muze,’ is ook een goed idee van Stephen King. Hij is een van de weinige schrijvers die durft te zeggen dat schrijven werk is, zoals ‘het leggen van buizen of het rijden in een truck.’ Spreekt me wel aan, zoals bekend. Ook een passage over afstand nemen tijdens het schrijven van een roman is erg helder: ‘Je bent bezig bomen neer te zetten en soms moet je een stapje terug doen om naar het bos te kijken.’

Over schrijven, want ik zal dit boek voortaan zo noemen, is smullen.

Marie Kessels, Eva Meijer, David Vann: de redactie las een mooie roman, overtuigende non-fictie en herlas een nagenoeg perfect kort verhaal.

*

Jan van Mersbergen: David Vann, Legende van een zelfmoord

Ik herlees het centrale langste verhaal van Legende van een zelfmoord, van David Vann. Sukkwan Island heet het. De eerste keer dat ik het las was de schok groot, aan het einde van het eerste deel. Het tweede deel, zeker nog 75 bladzijden, is een verschrikkelijke afrekening met zijn vader, James Edwin Vann die zelfmoord pleegde. Het boek is aan de vader opgedragen en hij maakt zijn eigen vader ik dit verhaal met de grond gelijk door de rol van zijn eigen vader aan te maken, als jongen.

Ik lees het verhaal voor de derde keer. Er vallen nu weer andere dingen op. Kleine zinnetjes. ‘Ik word hier een beetje moedeloos van,’ verzucht de vader aan het begin van hun overlevingsavontuur op een verlaten eiland voor de kust van Alaska. Dat is steeds het gevoel. Onbeholpenheid, eenzaamheid, verwrongen contact tussen vader en zoon. De vader huilt ’s nachts zachtjes en die jongen hoort dat en denkt: ‘Ik hoor dit niet te horen.’ De volgende dag weet hij: ik moet hier niet op terugkomen.

Als de jongen gaat vissen en flink wat verse zalm vangt voelt hij de euforie die de natuur en overleven in de natuur bieden kan. Als een beer hun hut leegrooft en als een arend een klein gevangen visje steelt voelt hij zich een onbeduidende sukkelaar, een rol die de mens in zo’n afgelegen gebied waar de natuur altijd dominanter is, goed past.

Een van de beste verhalen die ik ken. Ik lees het heel rustig. Laatst in de kroeg sprak ik een van de stamgasten over dit verhaal. Hij is documentairemaker en begrijpt heel goed de intensiteit van dit verhaal. Het is geweldig om zo’n goed verhaal gelezen te hebben en mensen tegen te komen die de kern van dit verhaal ook kennen, een andere kern dan mijn kern, maar toch.

Thomas Heerma van Voss: Eva Meijer, De soldaat was een dolfijn (2017, Cossee)

Om de een of andere reden ervoer ik enige weerzin om De soldaat was een dolfijn te gaan lezen. Misschien omdat ik vreesde dat Eva Meijer, ondanks alle lof die ze kreeg en krijgt, al te fel een punt wilde maken en haar essay drammerig zou zijn. Misschien kwam het door de terloopse samenvattingen die ik al van het boek had gekregen: dat Meijer pleit voor politieke inmenging van dieren, wat zowel bij sommigen die me over dit boek vertelden als bij mij wat vreemde, Alfred Jodukus Kwak-achtige visioenen opleverde: katten in de rechtszaal, eenden in het parlement. Aangespoord door het dierennummer van De Groene Amsterdammer en enthousiasme van mijn vriendin besloot ik het echter toch te lezen – gelukkig, want het is een van de beste essays die ik in tijden heb gelezen. En die vooringenomen, voorspelbare houding die ik hierboven beschreef is juist, zo onderbouwt Meijer overtuigend, een van de dingen die er al eeuwen misgaan als men over het over dieren heeft.

‘Het is niet genoeg om over dieren te denken, want dan is het weer een kwestie van mensen die voor andere dieren bepalen hoe de wereld in elkaar zit.’ Dat woord ‘andere’, daar begint het mee: mensen hebben zichzelf de afgelopen eeuwen ten onrechte aangeleerd dat ze fundamenteel verschillen van dieren. En dat ze dus recht hebben de wereld in te richten zoals zij, wij zelf willen. Maar waar komt dat recht in vredesnaam vandaan?

In dit honderd pagina’s tellende essay gaat Meijer (1980) stapsgewijs en overtuigend in tegen het antropocentrische denken dat onze wereld heeft vormgegeven en nog steeds vormgeeft. De menselijke taal geldt nog altijd als hoogste manier van communiceren, de rationele, witte man geldt nog steeds als toppunt van menselijkheid, terwijl mensen ook voornamelijk worden voortgedreven door instinct. En in essentie gewoon dieren zijn die min of meer toevallig ooit de macht hebben gegrepen. De boodschap van Meijer: wij mensen moeten – zonder onze hardnekkige menselijke maatstaven te gebruiken – hoog nodig meer luisteren naar ‘niet-menselijke dieren’, of die zich in hun gedrag al zo vaak verzetten tegen de status quo.

In theorie klinkt het vreemd, bijna hippieachtig: luisteren naar dieren, of het nu wormen of katten of dolfijnen zijn hen eventueel zaken als een pensioensopbouw geven. Maar opvallend overtuigend onderbouwt Meijer haar stellingen. Ze haalt wetenschappers aan die zich eerder over de materie hebben gebogen, parafraseert, nuanceert, verdedigt, illustreert, valt aan, en haar heftige betrokkenheid bij de zaak is continu voelbaar. Soms gaat ze daardoor wat ver in haar verlangens en gedetailleerdheid, er is bijvoorbeeld een gedeelte over de ´politieke interactie met wormen’ en mogelijk schrikken zulke zinnen welwillend publiek af. Maar dat zou onterecht zijn; Meijers retorische kracht is namelijk zeldzaam groot. Nergens wordt ze klagerig of larmoyant, en de conclusie waar het essay in uitmondt is zowel gewaagd als concreet: geef dieren (indirect) politieke inspraak.

Nog steeds worden niet-menselijke dieren massaal omgebracht en weggedrukt, nog steeds worden veruit de meeste situaties en relaties beoordeeld en ingevuld vanuit menselijk perspectief. Meijer laat in De soldaat was een dolfijn niet alleen zien wat daar niet aan deugt, ze beschrijft ook werkelijk hoe het anders kan. Beter. Een essay dat zo veel mogelijk mensen moeten lezen.

Daan Stoffelsen: Marie Kessels, Veldheer Banner

Dit is een raar boek – maar dat is ook een aanbeveling. Marie Kessels schetst in Veldheer Banner het portret van de ziekte van Parkinson, of althans van een parkinsonpatiënt, filosoof Saul Banner, vriend en minnaar van fotografe Dana Stromberg. Raar, want we leren hem kennen tot in het ritme van zijn stappen, de veranderende kleur van zijn huid, zijn stiltes, zijn verrukking, zijn agressie, zijn eet- en slaapgewoonten, zijn seksuele voorkeuren, zijn taal. Maar we komen nooit dichtbij.

Saul is een memorabel figuur en met zijn op afroep aanreizende vriendin Dana heeft hij geweldige dialogen, geestig, halsstarrig, ieder voor zich heel eigen. Saul is ook irritant, hij oreert, is regelmatig oninteressant omdat hij noodzakelijkerwijs zó op zichzelf gericht is, maar dat onderstreept juist zijn levensechtheid en je gelooft dankzij Dana dat hij toch aantrekkelijk en interessant is.

Plus: er zijn passages waarin Dana de parkinsoncartoonist Marty Bee (die ook voor de bizarre omslag-illustratie tekende) loofde, of een parkinsonpodcaster, of waarin ze een lotgenotenbijeenkomst beschrijft. Daar denk ik: wat een geweldig essay!

Maar het rare is dus: als roman lukt het niet. Door niet voor een ik- maar een derde persoonsperspectief te kiezen, door de wat kunstmatige toon van de sprekers, door de vele bijvoeglijk naamwoorden en bijwoorden, door Dana’s duiden tussen de dialogen door, door de herinnering en niet het nu, en door Kessels’ diffuse behandeling van deze bijzondere liefdesgeschiedenis houd je afstand tot Saul en tot het verhaal. Nooit voelde ik me echt betrokken bij Saul Banner.

Diffuus? Ja. Marie Kessels lijkt eerder thematisch dan chronologisch te vertellen (de seks wordt pas later uitgebreid uit de doeken gedaan), herinneringen zijn nu eens recenter dan weer een stuk ouder, en je blijft tasten naar de ware aard van de relatie – kameraadschappelijk, liefdevol, fetisjistisch-seksueel – en het verloop – hoe lang is dit nu goed gegaan?

Maar klopt dat niet juist, dat je probeert te reiken naar de kern, naar de ziel van de zieke en zijn ziekte, en het slaagt niet – is dat niet júíst parkinson?

Of hij zei, op de nuchter-constaterende toon van hen die de verbijstering voorbij zijn: Weet je dat ik de laatste weken lichtjaren van mezelf en van de realiteit ben afgedwaald, Daan? Daarmee gaf hij heel beeldend uitdrukking aan dat onwerkelijke, onwezenlijke dat hij over zich kon hebben. Iets onstoffelijks en ontastbaars, iets waar ik zo buiten stond dat ik soms blij was om mijn ademhaling te voelen en de warme tranen die achter mijn ogen prikten.

Een fascinerend, raar boek.

Remco Campert, David Garnett: de redactie herlas vrolijke clichévergrotende columns en het perfecte Boekenweekgeschenk voor 2019.

*

Jan van Mersbergen: David Garnett, Vrouw of vos

Tijdens het lezen van Vrouw of vos (vertaald door Irwan Droog) moest ik denken aan recensies van mijn eigen boeken. Recensenten meenden te ontdekken dat de verteller van Dagboek uit de rivier passages verhaalt waar hij zelf niet bij was. Dat kan niet, was het oordeel. Dat kan natuurlijk wel, als de verteller – schrijver van beroep – vanuit bepaalde aannames zijn verhaal doet. Hij geeft dat soms ook netjes aan, soms vindt hij dat niet nodig. Over De ruiter, mijn laatste roman, schreef een recensent dat het vertellende paard niet deugde. Dat paard weet dingen die hij niet kan weten, en andere zaken weet hij juist weer niet.

In Vrouw of vos van David Garnett is een buurman de verteller die de lezer het mooie en speelse verhaal intrekt van een vrouw die plots in een vos verandert. De verteller is nergens zelf bij want de echtgenoot verstopt zijn vos voor de buitenwereld, en het verhaal is totaal niet realistisch. Een vrouw die een vos wordt, dat bestaat niet. Raar!

Maar zo werken vertellingen niet. Vrouw of vos is een heel mooi klein boekje, een dwingende subtiele vertelling. Een metafoor met vele lagen. Op bladzijde 61 blijkt de verteller en buurman Garnett zelf te zijn. Dat spel speelt Garnett heel fijntjes. Een verteller die alle touwtjes in handen heeft zonder dat de lezer meer over hem te weten wil komen. Hij laat ergens terloops vallen dat hij ooit met een prinses dineerde. Geinig, heeft geen enkele functie in het verhaal maar zo’n stapje naar voren van de verteller is wel nodig om de lezer eraan te herinneren dat deze ik zelf ook een leven heeft.

Het mooiste zinnetje: ‘Toen opende hij de mand en liet zijn vrouw eruit.’
Dat zet het verhaal neer: een man zorgt voor zijn vrouw maar moet haar als dier bij zich zien te houden. In een mand. Dat lukt natuurlijk niet, de vos wil vrij zijn. Is dit boek een metafoor voor een zelfstandige vrouw?

Nu we het er toch over hebben, een boek geschreven door een man over een vrouw die een vos wordt, en die door haar man vastgehouden wordt, heel teder en invoelbaar maar ook schrijnend en pijnlijk, zoals liefde soms kan zijn. Ik zal hier in deze tijd verder niet veel over zeggen en zeker niet dat vooral mannen in staat zijn om episch over vrouwen te schrijven, zoals Jan Siebelink betoogde in een poging de keuze voor hem als schrijver van het aanstaande Boekenweekgeschenk te verantwoorden.

Het is wel de thematiek die speelt wel in Vrouw of vos en daarom zou dit kleine boekje een perfect Boekenweekgeschenk zijn in maart 2019. Een man houdt van zijn vrouw, maar moet haar loslaten. Of: zij wil bij hem weg. In een boek uit 1922, bijna honderd jaar oud, over een man die verscheurd is door pijn en toch weet dat hij haar moet laten gaan. ‘Ga weg. Ik hou van je,’ zegt hij in één adem. Aan het slot stapelt het drama zich op. Er wordt op de vos gejaagd, er komen kleine vosjes, de man wordt compleet gek, zijn menselijke trekjes vervagen. Hij wil zijn keel doorsnijden, een van de weinige momenten waarop Garnett over de schreef gaat. Mooier is dat hij de man laat waken bij zijn vos. Jagen wordt gepareerd met waken.

Uiteindelijk gaat de kleine roman over eenzaamheid en verlatenheid. Een goed geschreven bondig modern sprookje, ook al is het al bijna honderd jaar oud maar zeker nog actueel in een tijd die kleine sprongetjes van vooruitgang biedt. Naast de keuze voor een vrouwelijke burgemeester van Amsterdam (eindelijk) herken ik die vooruitgang in het verhaal van de uitgever van Vrouw of vos – tevens mijn uitgever; een vrouw die me laatst tijdens een zomerborrel perfect uitlegde hoe zij zich als vrouw in het boekenwereldje als man moest gedragen om gezien te worden, ook een prachtig aangrijpend en sterk verhaal. Bovendien begrijpt zij dat in de wereld van de letteren vooruitgang geput wordt uit de kracht van de letteren zelf, en dat is niet simpel tellen of voorrang verlenen, dat zijn metaforen die de kern vertellen.

Cossee gaf Vrouw of vos uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Remco Campert, De familie Kneupma

‘Ben jij het Bonkjes? Je brengt toch geen slecht nieuws, hoop ik?’ Toen ik twee weken geleden tussen het strijken en stofzuigen door het nieuws las dat de CPNB besloten heeft de Boekenweek 2019 met het thema ‘De moeder, de vrouw’ op te zadelen, moest ik meteen aan De familie Kneupma denken. Remco Campert (we wijden ons augustusnummer aan hem) schreef columns in de Volkskrant over deze landelijke, vrolijk incestueuze en consequent beroerd etende familie (‘Ik kan een kliekje endeldarm opbakken. En er zijn nog veekoeken.’). Vader en moeder Kneupma, dochter Mieke-Kee en zoon Gerrit die postelie, nee, portologie studeert in de grote stad, werden daarin op de vreemdste tijdstippen bezocht door veldwachter Bonkjes. Met slecht nieuws dus, dat meestal met een mosterdglas brandewijn af te blussen was.

De rolverdeling was traditioneel jaren vijftig, de seksuele vrijheid was jaren zestig-achtig, en de taal was inventief ouderwets: ‘Warm-manlijk drukte de veldwachter zich tegen het beschorte lichaam van moeder Kneupma aan, terwijl hij zijn kolenschoppen op haar brede bilpartij legde.’ Maar Mieke-Kee, inmiddels terug van een vlucht naar de stad, elders zeer gewillig, meet zich een #metoo-houding aan: ‘”Handen thuis, Bonkjes. Of solliciteer je naar een stukje heropvoeding?” Dreigend stond Mieke-Kee in de deuropening, haar dunne gewaadje wapperend in de voorjaarstocht.’

Zeer vermakelijk, door de herhaling, de variaties erop, de incidentele verwijzingen naar de actualiteit (Relus ter Beek zoekt onderdak, op de vlucht voor ‘de schijnwerpers van de puulbiciteit’. En ja, hij is ‘een oud vrindje’ van de burgemeester ‘uit hun dienstweigeringsjaren’), en de ondeugende opmerkingen (‘We gaan een spelletje stripganzenbord doen, Bonkjes. Doe je mee?’). Ik heb Camperts columns altijd als precies dat beschouwd: zijdelings commentaar, vermaak in de krant waarin verder niets te lachen is. Geen hoge literatuur. Maar het is wel vintage Campert hoe hij de taalclichés oppakt en verwerkt, en de randjes van het betamelijke opzoekt.

Maar ‘moeder de vrouw’? Dat was Campert waarschijnlijk ook te gortig.

De Bezige Bij bundelde de columns als De familie Kneupma – dunner dan een Boekenweekgeschenk. Tweedehands te krijgen op Boekwinkeltjes.nl. In het Campertnummer voert Frank Heinen bij vele Campertpersonages de Kneupma’s weer op in een speciaal feestverhaal. Reserveren kan al, abonneren ook.

Bart Koubaa, Alejandro Zambra: de redactie las na een pauze van enkele weken (iedereen is verhuisd) weer nieuwe literatuur. Een intelligente verhalenbundel uit Chili en een rijke coming-of-age uit België.

*

Thomas Heerma van Voss: Alejandro Zambra, Mijn documenten

De boeken van Alejandro Zambra intrigeren me elke keer opnieuw en ik begrijp nooit helemaal waarom. Jaren geleden las ik Bonsai (2006), een kleine, ingetogen roman die bij vlagen zo beknopt was dat hij meer als poëzie dan als proza aanvoelde – ik kreeg geen moment echt vat op het verhaal of het kalm vertellende hoofdpersonage, maar de dromerige sfeer zorgde ervoor dat ik moeiteloos doorlas.

Ditzelfde gold min of meer voor opvolger Het verborgen leven van bomen (2007), weer zo’n korte, dromerige roman, ditmaal over een literatuurdocent wiens vriendin niet thuiskomt na een tekencursus. Wat volgt is geen harde, door spanning gedreven thriller, maar een fijn geschreven, meanderend, soms essayistisch verhaal, dat wederom voorbij was voor ik er werkelijk een band mee kon krijgen. Het derde boek dat ik van Zambra las, Manieren om naar Huis Terug te Keren (2011) was alwéér zo’n kort, ingetogen werk, alweer bijzonder goed geschreven, en alweer bleef mij uiteindelijk vooral de broeierige, indringende sfeer bij.

Nu is er Mijn documenten, een verhalenbundel die het beste van Zambra’s schrijven combineert: de intelligente, registerende hoofdpersonages, de gevoelige ondertoon, de secure, afgewogen stijl – er valt geen haperende zin in te ontdekken, of het moet het ongetwijfeld abusievelijk verkeerd vertaalde ‘Iván Zamorana’ zijn waar natuurlijk de Chileense voetballer ‘Iván Zamorano’ wordt bedoeld. Ik ben halverwege de bundel en meer overkoepelende bevindingen staan binnenkort in De Groene Amsterdammer, maar hier vestig ik alvast graag de aandacht op het beste verhaal dat ik tot nu toe tegenkwam en dat ik iedereen wil aanraden: ‘Camilo’. Een door een ik-figuur opgetekende verzameling herinneringen die toch, anders dan de meeste verhalen uit die categorie, geen moment particulier of alledaags aanvoelt.

Het draait in ‘Camilo’ om een uiterst behulpzame, oudere vriend op wie de ik-figuur maar geen grip krijgt, die tevens ook een vriend is van de veel meer afstandelijke vader van de ik-figuur – tot het allemaal misgaat. Het is allemaal bijzonder kalm en rustig opgezet, vertellend van toon, maar en passant worden de wezenlijkste thema’s behandeld: opgroeien, uitdovende vriendschappen, (de aard van) herinneren (zoals vaak bij vrienden). Navertellen is lastig omdat Zambra zo soepel heen en weer springt in de tijd, er worden uiteindelijk jaren uit het leven van ‘Camilo’ behandeld, en het gaat zoals steeds meer om de sfeer dan om de precieze plot.

En ik weet nu al wat me hiervan het meest zal bijblijven: de amateurvoetbalwereld in Chili, die heel nauwkeurig en fijn wordt beschreven, en de verhoudingen tussen de personages stuk voor stuk onder spanning zet en vormgeeft Bijvoorbeeld tussen de verteller en diens vader:

‘… hij stond in het doel en was er echt goed in, ik zie hem zo nog voor me, duikend naar een hoek, waar hij de bal met twee handen uit de lucht plukte en hem tegen zijn borst drukte. Ik kon me nooit aan gedachte onttrekken dat zijn ploeggenoten hem haatten, want hij was zo’n keeper die de hele wedstrijd aanwijzingen gaf, die de verdediging en zelfs het middenveld met harde kreten op de juiste positie zette. Terug, man, terug, pass hem, naar mij, niet dribbelen, terug, man, terug. Hoe vaak heb ik die bevelen wel niet uit de mond van mijn vader horen komen, uitgesproken op een uiterst alarmerende toon. Als hij weleens naar mij schreeuwde, was het nooit zo hard als de kreten op het voetbalveld. Zijn ploeggenoten ondergingen ze geërgerd, of dat dacht ik tenminste, want het kon niet aangenaam zijn met zo’n permanente herrie achter je te moeten spelen. Maar mijn vader werd gerespecteerd. En nogmaals: hij was heel goed.’

Proza dat me dwingt om door te lezen. Zin na zin, alinea na alinea. Ik ga verder.

Karaat geeft Zambra uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Twee gedichten! Ditmaal door Arjan Post (1972). ‘Het weggaan uit de deuropeningen / ’t is vakwerk in de eierschalen werkelijkheid.’

*

In een wit gezicht bent u op zee
gezet en denkt
ze zijn de nooduitgang vergeten

dat ’t niets gedaan is deel te zijn
van de grote antiquarische afwas

al wat in speelzalen visschotels vreet
zich scheve schuimkragen aanmeet
de bolle hemden der vrijmoedigheid

het hangt nu gezellig overboord
banketten uit te schreeuwen

u begint alvast te groeten, zoekers
in de masten zoekers in de hekgolf van de meeuwen
hele horden die touwen leren knopen

nette mensen als razenden diagonalen fierljeppend

want hun koffers raken leeg
en ze spreken steeds weer andere talen
aan de zomerzijde van uw hoofd

Weggaan uit deuropeningen

Het weggaan uit de deuropeningen
’t is vakwerk in de eierschalen werkelijkheid

staat meneer al eenbeens buiten
in zijn ruisende stad vol mantels en kelkjes
en 1000 blozende maantjes erboven
en honger die goed geordend moet worden

schikt zich binnen bij kaptafel en zeep-
zender (hunk in tuinbroek vanaf 1:17)
de heimelijke dagwaarde die mevrouw nog even
tot in het diepst van haar gebloemte
als keizerlijk dweiltje mag bespelen

nee het weggaan uit deuropeningen
de korte sneeuw van geluk, die zwart-witte
veeg over de flakkerende mensentoestellen
in hun leeggelopen woningen

‘Eindig de dag altijd met muziek.’ Die tip domineert het verhaal ‘De Berenjager’ van Lotte Dondorp, nieuw in de reeks 500-1.000 woorden.

*

Ze noemen me De Berenjager. Ik weet niet wanneer ze me voor het eerst zo noemden, of wie ermee begon. Misschien was het Lewis, misschien was het Jonathan. Het maakt niet uit, misschien was het Malcolm wel. Ik staar uit het raam naar de langgerekte bomen in het bos. Het herfstbos zouden we het nu noemen.

We wandelen, de neuzen van onze schoenen door de dikke laag bladeren. Armen om elkaars schouders. Kleine Lewis met zijn rode broek. Jonathan met zijn haren in een staart. Malcolm die altijd net iets te langzame stappen zet, die we mee moeten sleuren in onze slinger.
Handen tegen het raam. We lopen niet door het bos. Ik sta naar de bomen te staren. En ik sta hier alleen.
‘Ik moet naar het bos’, zei ik tegen haar. ‘Ik word gek in de stad’. Ik kon er niet tegen dat we die droom niet deelden. Boswachter worden, kinderen krijgen. We deelden hem niet, maar we gingen. En de jongens leken op mij.
Ik heb ze muziek leren maken, al vanaf dat ze heel klein waren. Malcolm koos het eerste instrument. Piano. Toen mocht Jonathan. De fluit was voor Jonathan, dat wist ik van tevoren al. Lewis wilde alleen maar zingen. Ik speel gitaar, zo is het altijd geweest. Het haardvuur brandt en we spelen. Malcolm en ik drinken van de whisky. Jongen met de rustige ogen. Malcolm die niemand verraden kan.
’s Ochtends vroeg komt Lewis met een stapel vol hout in zijn armen uit het bos gelopen. Hij zou nu tevoorschijn kunnen stappen, zomaar ineens verschijnen aan de bosrand. Pijnlijk nutteloos is de hand is die ik opsteek, leg hem bovenop mijn hoofd. Wat doet het ertoe, er is niemand die me zien kan. Malcolm, Lewis en Jonathan. In die volgorde spreek je het uit. Terwijl Lewis toch de jongste is.
Lopen ze nu ook ergens tussen de bomen, in een ander deel van het land, in een andere staat misschien? Praten ze over De Berenjager?
Als er tranen waren, vroeger, dan legde ik ze niet in bed, las geen verhaaltjes voor. ‘Je weet wat je doen moet’, zei ik tegen ze. Ze stonden op en liepen naar hun instrument. Lewis ging rechtop zitten en begon zachtjes te zingen. ‘De geluiden wachten altijd ergens op ons’, zei ik. ‘Ze wachten tot we met ze willen spelen. Zonder ons is het stil in het huis. Zonder ons zijn de liedjes nergens.’
Ik doe deuren van kamers open. Ik ga onderaan de trap staan en ik roep. Mijn stem doorzoekt de lange gangen boven en komt terug. Alles is leeg. En de geluiden zijn verdwenen. Het huis was voor de instrumenten en de muziek. In het bos was het lopen, rennen, praten, lachen. Drie jongens op een hoopje tussen de bladeren of de sneeuw. Dikke jassen, modderschoenen en donkerbruine haren. Ook toen ze er niet meer was. Met Malcolm hakte ik het hout, de geweldige zwiep met de kliefhamer achter zijn rug, de manier waarop het houtblok in twee delen uiteenviel. Het licht achter de ramen binnen, het spel dat Lewis en Jonathan ongetwijfeld speelden. Schapenbotjes op de tafel gooien.
Steeds opnieuw, steeds opnieuw. Scoretabellen in het tafelblad gekrast. Ik ga er met mijn hand overheen. Dit was Lewis, dat was Jonathan. Jonathans mes kerfde dieper.
Het lukte, het lukte meestal. Ze maakten plezier, en ze waren maar weinig bang. Ze dachten er lang niet altijd aan. De grote ogen waarmee ze in de laatste maanden langs ons heen leek te kijken, de vermorzelende spanning waarmee ze haar kaken op elkaar hield. Ik wil er niet aan denken, maar ik moet, altijd, nog steeds. We vroegen of ze mee ging rennen in het bos.
Ze wilde niet meer naar buiten. Moeder met rode haren, vrouw met rode haren. Lewis die altijd moest huilen als zij moest huilen. Ze wilde niet meer naar buiten. Toen ze toch naar buiten ging had ik het moeten begrijpen. ‘Maak muziek’, zei ik tegen de jongens.
‘Eindig de dag altijd met muziek.’
Nu druipen de regendruppels over het raam en alleen maar de stem van Lewis in mijn hoofd, Lewis die dat zachte liedje van Paul Simon zong.
Ze wilden nooit meer in de tuin zitten. Ook niet als het het lentebos was. We namen het zandpad, linksom, we ontweken het donkere water in de verte dat je kon zien liggen vanuit de tuin. En als we in het bos waren, renden we het eerste stuk. Sloegen de armen om elkaars schouders en begonnen weer langzaam te lopen. Zo ging het, en het ging best.
Handen tegen het raam, zie ons lopen over het bospad. ‘Buren’ is hier een woord voor mensen die kilometers verderop wonen. ‘Dag buurman, dag jongens.’ We groeten terug. Soms noemen ze me geen buurman, maar boswachter. ‘Dag jongens, dag boswachter.’ En even die stilte, die blik die ons opneemt. Ze kunnen maar op één manier naar ons kijken. Misschien kijken we maar op één manier naar onszelf.
Die dag dat ik het paard kocht voor Jonathan, omdat ik merkte dat zijn lachen minder werd: misschien was dat de eerste dag van de verandering. Hij noemde het Mathieu. Soms nam hij Lewis achterop op een van zijn lange dagtochten en Malcolm en ik sjokten samen tussen de bomen. Het takje dat hij van de grond pakte en dat hij maar tussen zijn vingers bleef ronddraaien. Ik zie het nog heel scherp voor me, maar ik wil ons niet dat pad zien aflopen, ik wil niet aankomen bij die open vlakte, bij de zandverstuiving. Ik wil niet horen wat hij toen zei.
‘Lewis en Jonathan zeggen dat het door jou kwam.’
Leun met mijn hoofd tegen het glas en staar naar de langgerekte bomen.
Misschien kun je niet gelukkig zijn na zoiets. En toch denk ik dat we het waren, een paar jaar, verdoving. Totdat iemand wakker werd. Tot Jonathan met denken begon.
Malcolm keek me verdrietig aan en vroeg of ik een antwoord had. Ik schopte in het zand, maar in zand kun je niet goed schoppen. We liepen terug met de armen om elkaars schouders. Voor het huis stond Mathieu op ons te wachten, en hij sloeg dezelfde ogen naar me op. De dagen doorkomen en zo min mogelijk aan die ogen denken. Dat is waar het nu om draait. Het herfstbos het winterbos zien worden en wie weet ook nog het lentebos. ‘Dag boswachter.’ De stiltes die de jongens de laatste weken aan tafel lieten vallen. Het lichte wegtrekken van Lewis als ik zijn schouder pakte. Ik weet dat ze samen zijn, dat ze veilig zijn, dat Malcolm erbij is. Zijn blik van die laatste avond, die ik nu zo veel beter begrijp. Ik moet Berenjager, ik moet.
Ik doe de deur naar buiten open en hoor de vogel die precies weet hoe laat het is, welk seizoen het is, die daar zijn klanken op afstemt. Ik zoek nog altijd naar het woord voor die geur in de herfst als het koud begint te worden en je wangen rood zijn als je buiten bent geweest.
Even in die andere werkelijkheid en daar heb ik het wel op tijd gezien. We blijven niet in dit huis, we gaan terug naar de stad. Herrie om je heen, en elke dag een duidelijke plek om naartoe te gaan. Ze hangt uit het raam van een bovenhuis en snuift de avondlucht op, zwaait naar fietsers. Ze is mooier dan ik wil dat ze is. Ze is vrolijker dan ik ooit zal kunnen toegeven.
Ik trap de modder van mijn laarzen. Binnen brandt het vuur. Maar de jongens en de schapenbotjes zijn uit mijn huis verdwenen. De fluit is weg, de stem van Lewis is weg. Mathieu is weg. Alleen de piano staat er nog. De dagen die nu allemaal hetzelfde zijn. Ik sla een toon aan en denk aan de brede schouders van Malcolm, die zo rechtop en rustig op de kruk zaten. Eindig de dag altijd met muziek, zeg ik tegen mezelf. Maar het lukt me niet meer om te luisteren.

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staan het tweede en het derde deel. Dit is het vierde en laatste deel.

*

Het is zaterdagavond, na het eten, en ik heb de groep niet kunnen tegenhouden. Ik zei dat ik een korte boswandeling zou gaan maken, Ina gilde: ‘Hè, ja, een avondwandeling! Wat een top-idee!’, Leo zei iets over ‘benen strekken’ en ‘leuk element voor in de vlog’. Charlotte kwam met ‘hout sprokkelen’ en ‘kampvuur’, Sabor keek me alleen lang aan met die zwarte ogen van hem. Toen dribbelden ze levenslustig achter me aan. Ik zei het al: dit is geen vakantie, dit is werk.

‘Je draagt het uniform,’ zeg ik tegen Rainer als ik voor hem sta. Het takje dat ik nog in mijn hand had heb ik weggegooid, mijn collega’s zijn niet meer te horen en uit zicht verdwenen.
‘Voor jou,’ zegt hij. Hij kijkt om zich heen. ‘En een beetje voor hem.’ Ik zie het doodshoofdje op zijn pet, de zilveren ruiten op zijn kraag, het kleine hakenkruisje rechts boven de borstzak. Hauptsturmführer. Het geweer onder de riem lijkt kleiner dan in de schuur, ernaast bungelt een flacon. Hij heeft zijn snor getrimd, zijn gezicht is knap, hij lijkt jonger.
‘Ik heb voor jou ook wat.’ Hij overhandigt me een jas. Het is een groot en zwaar colbert, er staat een adelaar op de voorkant met een hakenkruis in zijn poten. Het is duidelijk getailleerd. Als ik het jasje opensla valt er een zwart mutsje uit, het heeft de vorm van zo’n hoedje dat medewerkers van de Albert Heijn-slagerijafdeling moeten dragen.
‘Kleren voor mijn Blitzmädel,’ zegt Rainer.
‘Wat?’
Hij kijkt streng, ik trek het colbert aan, de stof is dik en stug. Rainer zet me het hoedje op. ‘Voor mijn Blitzmädel,’ zegt hij nog eens. ‘BlitzBlitz, van bliksem, van dit.’ Hij wijst naar het SS-symbool dat op de mouw van mijn jasje is gestikt. Blitzmädels, hier moet ik het met Charlotte over hebben, denk ik.
‘Onze bliksemmeisjes,’ zegt Rainer. ‘Zonder hen hadden we het niet gekund.’

Van de twee weken waarin ik niet werkte kan ik me weinig herinneren, behalve dat ik elke ochtend gewoon om kwart voor zeven opstond, brood smeerde en in mijn auto ging zitten. Ik startte de motor, reed een rondje door de buurt en parkeerde weer in mijn straat. Dan liep ik naar huis en zette koffie. Ik deed alsof ik al had gewerkt, en dat ik dan nu vrij was. Ik bleef me de rest van de dag trillerig afvragen hoe het kon dat ik moest uitrusten terwijl ik in feite zo ongelofelijk weinig in mijn leven had bereikt.
‘Je moet leuke dingen gaan doen,’ zei Sabor toen hij bij me kwam eten. ‘Naar het theater, of de sauna, zoiets.’
‘Wil jij met mij naar de sauna?’ Ik meende de vraag serieus, maar Sabor proestte. ‘Met dit lijf wil jij niet in een sauna zitten.’
Aan het einde van de avond zei hij dat ik het echt moest gaan doen, die leuke dingen, en vroeg hij of ik het had gemeend, dat samen naar de sauna gaan.
‘Ja,’ zei ik.
‘Echt?’ zei hij. Hij keek me heel lang aan. Ik wist niet wat ik moest doen en liep naar de gang om zijn jas te pakken. We zijn nog niet naar de sauna geweest.

‘Heb je het helmpje?’ vraagt Rainer. Ik haal het uit mijn zak. Hij pakt het, haalt een veiligheidsspeld uit zijn broekzak en prikt het op mijn borst. ‘Daar gaan we,’ zegt hij.
Ik loop achter hem aan door de bladeren. Zijn hondjes rennen voorop. Een specht tikt ergens tegen een boomstam. Na een tijdje zwijgend te hebben gelopen staat hij stil. ‘Als je dit verraadt ben je dood,’ zegt hij.
Ik speel mee. ‘Jawohl Herr Hauptmann.’
We naderen een heuvel. Er groeien struiken en een paar boompjes. Aan de achterkant liggen de boomwortels bloot en is de grond een stuk lager. De voorkant van de bunker is nauwelijks te zien, overal takken en mos. Het beton is begroeid met schimmels en planten.
‘Hier zit hij,’ zegt Rainer. ‘Hier is hij.’
Ik duw een struik aan de kant. ‘Leeft hij nog?’ Rainer pakt mijn hand en trekt me in de richting van een kleine opening, niet groter dan een vuist. Een raam zonder glas.
‘Hier kun je kijken, dan zie je hem,’ zegt hij. Ik kijk door het gat, maar alles is zwart. Ik denk aan Sabor, in zijn grote zwarte overhemden. Ik had hem moeten vragen mee te gaan.
‘Ratten moest hij eten, muizen, aarde. De deur zit potdicht. Die klote-Amerikanen hebben alles verpest.’ Rainer komt naast me staan, ik ruik een scherpe zeepgeur. ‘Vati,’ zegt hij in het gat van het raam. ‘Ik heb iemand meegebracht. Een Blitzmädel. Ze bestaan nog, ze zijn er nog.’ Hij kijkt me aan, rukt dan het helmpje van mijn borst en duwt het door het gat. ‘Kijk maar!’ roept hij.
‘Hee!’ zeg ik. ‘Die is van mij.’
‘Die is niet van jou,’ fluistert Rainer. ‘Die is nooit van jou geweest. Net zoals dit uniform niet van mij is. Het is van hem, het is allemaal van hem. Hij was Hauptsturmführer.’
‘Waar was hij dat?’ fluister ik. Ik wil het ergste antwoord horen.
‘In Auschwitz,’ antwoordt Rainer. ‘Hij was de beste.’
‘Waar in Auschwitz?’ vraag ik.
‘Wat maakt dat uit, hij werkte daar en die hele plek is hem afgepakt. Kom, begroet hem eens.’
Mijn borst gaat op en neer, ik probeer mijn stem strak te houden. ‘Hoeveel mensen heeft hij vermoord?’
Rainers hoofd komt dicht bij het mijne. Hij tuurt me een paar seconden met een holle blik aan. ‘Wat vraag jij?’
Nu ben ik te ver gegaan. Nu zal hij niets meer zeggen.
‘Hee, wat vraag jij? Wat vraag jij?’
‘Ik….’
‘Wil jij hier wel zijn? Met ons? Jij wilt toch hier zijn, en niet daar bij je vrienden, oder? Jij wilt ons helpen, oder?’
‘Ik zou graag het verhaal…’
Rainer doet een stap achteruit. ‘Ach so,’ zegt hij. ‘Het verhaal.’
‘Nou kijk, ik zou graag uw vader beter willen leren… Hoe was het voor u, om met hem op te groeien?’
‘Ach so, ach so. Dorothee wil een verhaal, een interview.’ Rainer snuift. ‘Er is hier geen verhaal. Mijn vader zit al drieënzeventig jaar in deze bunker, dat is het verhaal. En jij vraagt hoeveel hij er vermoord heeft? Begroet hem eerst eens!’
‘Guten Abend,’ fluister ik in het gat, ‘Wie geht es Ihnen?
Rainer komt weer naar me toe en pakt mijn bovenarm. ‘Lieve Dorothee,’ zegt hij. Met zijn andere hand aait hij me weer over mijn wang. ‘Hij moet hier weg. Jij zou ons helpen, hij moet hier weg.’
‘Helpen? Rainer, ik zou niet weten hoe we…’
‘Jij zou ons helpen, maar je verhoort ons. Waarom verhoor je ons?’
Ik wil mijn arm wegtrekken, maar hij verstrakt zijn greep. Ik kijk weg, naar de nieuwe huisjes, de recreatiehal met paintballmogelijkheden, het restaurant met serre, de volledig ingerichte tenten, ver weg achter de bomen.
‘Waarom verhoor je ons? Ben je een verrader? Wat zoek je?’
Er komt geen geluid meer uit mijn mond.
‘Wat zoek je? Zoek je spannende verhalen? Of zoek je bescherming? Een warme familie? Wil je bij mij zijn? Heb je soms afluisterapparatuur in je broek?’ Hij grijpt naar mijn kruis. Ik hoor het ruisen van de Oostzee, het geluid van hondenpootjes op dode bladeren. Het bos maakt zich klaar voor de nacht. En hoewel ik op dat moment aan Ina denk, kom ik niet eens op het idee om te gillen.

Het is tijd voor twee gedichten. We introduceren Jolanda Kooijmans, beeldend kunstenaar en dichter, met ‘kiepkantelmoment op fraaie kier’ en een naamloos gedicht. ‘is het een bloemkool, is het een rookpluim / wat niet gezegd wordt heeft ook een vorm’, schrijft ze.

 

kiepkantelmoment op fraaie kier

olievlies op database van modder
in stuifzand gladiolentuin

plaatje! maar camera ligt als paasei
gesmolten in mijn hand die ik af

smeer aan notenboom voor achterdeur of af

smeer aan wilde wingerd rond vierkant raam of af

smeer aan kat op tak wacht

de spiertjes in mijn vloeibare vingers
ik ken ze niet bij naam toch doen ze precies wat er van ze

af
smeer aan trottoir met passant

die zo rechtop loopt dat
hij bijna achterover kukelt

*

is het een bloemkool, is het een rookpluim
wat niet gezegd wordt heeft ook een vorm
wat is het dat hier wordt uitgespaard?

er vallen schoppen en klaveren als niet
ieder lid van de zwerm het eens is met de koers
heeft wat niet gezegd wordt ook een kleur?

grijze pannenkoeken nemen de boel over
bij een agressieve dooiaanval
in het midden dragen ze een bloem of
ster of hand die groeit en groeit

het gat van de deur is kleurloos

je kunt nog even schaatsen
pirouettes van weerborstelfantomen
op je kale knar

hoe houden we onze ruzie soepel?

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staat het tweede deel ook. Dit is het derde deel.

*

Hitler heeft zich aan het begin van zijn regime meermaals uitgelaten over de jeugd. ‘Onze toekomstige jongens,’ riep hij in een toespraak in 1935, ‘moeten slank en rank zijn, behendig als windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal.’ Er was volgens de nationaalsocialisten een nieuwe opvoeding nodig, weg van het geestelijke en terug naar het fysieke. De mensen van de toekomst moesten hun volk kunnen beschermen tegen de ‘verwilderingen’ die in de maatschappij gaande waren, en tegelijkertijd moest frisse, kinderlijke, onbevangen reinheid worden behouden. Een intellectuele opvoeding paste niet in dat ideaal.

Nadat ik dat gelezen had wist ik dat ik me niet meer met joodse supergetto’s, maar met de verankering van het nationaalsocialisme in kinderen wilde bezighouden. Nachtenlang las ik boeken en keek ik documentaires over de Hitlerjugend, ‘de misbruikte generatie’ noemen ze die. Mijn interesse verplaatste zich naar kinderen van gezaghebbende nazi’s; hoe waren die door hun opvoeding beïnvloed? Ik stuurde wat brieven, uitnodigingen voor gesprekken, maar ik kreeg weinig respons, de meesten wilden niet meer met hun ouders geassocieerd worden. Kinderen die van weinig weten, dacht ik toen ik rondkeek op school, dat is een goed onderwerp. Eersteklassers bam, in Auschwitz neerzetten. Wat doet dat? Hoe reageren ze? Hoe draait hun wereldbeeld? Leo vond het geen goed idee, pedagogisch te aangrijpend. ‘Geen geld,’ zei hij ook, ‘helaas. We kunnen naar Westerbork?’

Toen ik de plannen voor mijn boek had laten varen, gestopt was met documentaires kijken en boeken lezen en me weer alleen bezighield met toetsen nakijken en rapportvergaderingen, ging het mis. Dat was afgelopen jaar. Sabor was de eerste die het merkte. ‘Je ziet eruit alsof je dood bent,’ zei hij. ‘Moet jij niet even een adempauze?’ Ik keek hem stil aan, wist dat hij zijn academische ambities lang geleden had laten varen en gelukkig was tussen die behoeftige, schreeuwende, onnozele kinderen.
De rest van de week bleef ik thuis, Sabor kwam bij me eten, ik werd zenuwachtig van hem. Hij hoorde op school, in mijn woonkamer leek hij te groot, te aanwezig, te echt. Ik ontdekte dat je geen ‘adempauze’ kunt nemen van de geschiedenis, dat dat het domste is wat je kunt doen. Ik begon weer met lezen, bestelde via eBay het miniatuurhelmpje, hing het in mijn auto om me er dagelijks aan te herinneren dat er meer was dan deze school, deze tijd, deze kinderen, dat er iets boven mijn hoofd rondzweefde dat nog in woorden moest worden gevangen, dat ik dat niet kwijt moest raken. Twee weken later was ik weer op school.

Ineens aaide Rainer me over mijn wang. Ik zat nog op het krukje, het was nog steeds vrijdagochtend, ik had hem gevraagd waar zijn vader zich dan ophield, hij had niet geantwoord en was weer lange tijd stil geweest. Toen aaide hij me over mijn wang, heel teder, en zei: ‘Du bist ja meine Helferin.’
Ik verstrakte. Helferinnen waren vrouwen die bij de Wehrmacht in dienst waren. Ik zei niets, keek hem aan en zag dat hij van oor tot oor lachte.
‘Ik kan je het laten zien. Morgenavond breng ik hem weer water, dan kun je mee.’ Hij aaide me nog eens, ergens in mijn lijf begon het te tintelen, het gevoel verspreidde zich snel. Dorothee wordt door een primaire bron geaaid. Dorothee staat het toe.
‘Kom je mee? Morgen? Zaterdagavond?’
‘Waar dan?’ Mijn stem was schor, ik moest mijn vraag twee keer stellen. ‘Waar zit hij dan?’
‘Hij zit in een bunker.’
‘Een bunker?’
‘Een totaal afgesloten bunker.’
‘Een totaal afgesloten bunker?’
‘Hier in het bos.’ Rainer straalde nog steeds. ‘Niet ver, het is niet ver. Een totaal afgesloten bunker. Maar het is niet ver.’
‘En jij brengt hem water?’
‘Ja, en soms ook een broodje, meer past niet door het raam. Ze laten hem gewoon doodhongeren anders.’
Het was even stil. Ik keek naar de geweren, ik dacht aan mijn boek. ‘Oké,’ zei ik.
‘Oké,’ zei Rainer. Hij pakte mijn hand, trok me omhoog en liet mijn hand weer los. We stonden nu tegenover elkaar, we grijnsden allebei. We spraken een tijd af, zaterdagavond, na het eten, in het bos, dichtbij het pad achter het terrein. ‘Ik vind je wel,’ zei hij. Hij stak zijn hand weer naar me uit. ‘Neem je helmpje mee. Dat zal hij fantastisch vinden.’