Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond, aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de vijfde bijdrage aan de reeks is ‘Viering’.

*

‘Lang is één nacht, twee zijn nog langer.’
Snorri Sturluson, Edda

Snorri zegt dat de begraafplaats vroeger verderop lag, er zat een wei tussen. De lijken rukken sneller op dan hij dacht. De graven zijn opgetuigd met lichtjes – gele, rode en blauwe. Snorri staat er voor het keukenraam naar te kijken.

‘Hij vindt het mooi, aandoenlijk toch?’ Mathilde wrijft met haar wang langs zijn rug. ‘Deze man weet niets van kitch. Dat siert die IJslanders, vind je niet?’ Ze knipoogt naar me, Snorri knort. ‘Je moeder is een snob,’ zegt hij. ‘En die zijn hier ook hoor.’
Er wordt geklopt, Snorri loopt naar de voordeur.
‘Waar dan,’ vraagt Mathilde.
We voelen de wind binnen, ik vraag: ‘Hebben ze hier politie?’
Snorri heeft de voordeur achter zich dichtgetrokken. Ik druk mijn wang tegen de ruit, het schemert al.
Mijn stiefvader schudt de agent de hand, hun woorden dampen. Ik zie Snorri knikken. En opnieuw knikken, ik vraag: ‘Waar is Logi?’
‘De hort op. Politie, zeg je?’
Ik ren naar boven, naar Logi’s telescoop, waardoor je kraters in de maan kunt spotten en poriën in alle wangen in de wijde omtrek. Het wordt eb. Het strand, zwart, ligt vol met zout, rubbelige lijnen die de vloed heeft achtergelaten, blauw in het vuurtorenlicht.
Ik zoom uit tot ik het hele fjord in beeld heb, de baai, de haven, het dorp. Daar loopt Logi, mijn nieuwe broer, in zijn witte trui. Ik zie zijn deinende rug, de reflectoren op zijn laarzen.
Ik richt de telescoop op de pratende mond van de agent, zoom in op zijn keel, zie zwart.
Beneden hoor ik de deur, Mathilde die vraagt: ‘Wat was dat?’
‘Bekende van me.’
Bovenaan de trap roep ik: ‘Mogen wij hier niet wonen?’
‘Hoe kom je daar nou bij?’
‘Ik dacht dat ik dat hoorde.’
‘Welnee, hij kwam een praatje maken. We hebben bij elkaar op school gezeten.’
Ik hoor mijn moeders stem: ‘Waarom zouden we hier niet kunnen wonen?’
‘Wij kunnen hier wonen, wij wonen hier, waar heb je het over?’ Snorri lacht geloofwaardig.
Ik ren de trap af, mijn hand piept langs de leuning. Ik spring de laatste treden af, ik roep: ‘Ik ga met Logi mee!’ Ik stap in mijn laarzen en grijp mijn jas. Terwijl de deur achter me dichtvalt hoor ik Mathilde doorzeuren: ‘Wonen we hier gevaarlijk, Snorri, wat zei die man?’
De wind is als een dier gaan liggen, plat op de grond. Alle paarden kijken dezelfde kant op. Ze staan op een kluit, met één en dezelfde hartslag. ‘Verwacht ze je?’
Logi weet allang dat ik achter hem loop, maar houdt zich doof. Ik draaf, naast de ruïnes haal ik hem in.
Het licht van de vuurtoren veegt over resten van muren, over zijn neus, over sneeuwladingen die op scherp aan de bergwand hangen.
Logi loopt door, langs het tankstation, de lege school, de donkere kerk, de winkel, de huizen vol kerstverlichting. Het dorp knippert. We lopen langs de haven, over het glibberig groene plankier. Onder ons klotst de zee, hij zegt: ‘Het heeft geen zin om iets uit te leggen. Ik zal nooit weten wat je hoort. Ik kan niet in jouw hoofd kruipen.’
Hij loopt langs de vismeelfabriek, het dorp uit, langs de laatste lantarenpaal. Ik grijp zijn mouw om niet kwijt te raken.
Samen slaan we af, we ruiken teer. De weg is dun, hij plakt aan onze zolen, ik zeg: ‘Hier mogen we niet.’ Ik drijf mijn broer de berm in. Onder de sneeuw is het mos hobbelig. In de verte zien we de contouren van huizen, puntdaken.
‘Vergeet het maar dat je met iemand het gesprek kunt voeren dat je denkt te voeren. Als je met z’n tweeën praat, voer je twee gesprekken. Met z’n drieën voer je drie gesprekken.’
Ik lach: ‘En met z’n vieren?’ Ik zak met mijn laars in een oud hol, van een vos, misschien een nerts, het is leeg.
‘Je leeft in je dooie eentje.’ Logi trekt me uit de grond, veegt sneeuw van mijn knieën.
‘Weet ze dat je komt?’
Hij duikt achter een geparkeerde jeep, ik duik naast hem, ik fluister: ‘Stalken we?’
‘Ze is jarig.’
‘Wie zegt dat?’
‘Je moet naar huis gaan, je kunt niet zonder cadeautje komen.’
‘Ik geef wat jij geeft.’ Ik wijs naar de bult onder zijn trui.
Hij legt zijn vinger op zijn lippen, kruipt.
Het rijtje huizen heeft geen kerstversiering, nergens brandt licht. Achter ons trilt het dorp.
Ik vraag nog: ‘Woont ze hier?’ maar ik zie haar al. Ze staat in de voortuin en praat met haar buurman. Naast de buurman staat een jongetje, klein en heel rechtop. De buurman vraagt of alles in orde is en Rún zegt niet dat ze jarig is. Ze steekt de sleutel in het slot, ze licht zich bij met een zaklamp. We wachten tot ze binnen is, tot de buurman zijn eigen huis ingaat. Ik heb hem eerder gezien maar weet niet waar, ik fluister: ‘Ken jij die buurman, ken jij dat zoontje?’
We schuifelen naderbij.
Langs groengebloemde gordijnen zien we Rún, ze staat met haar zaklamp in de kamer. De meubels zien er gloednieuw uit en ongebruikt. Er zitten nog prijskaartjes aan de kussens op de bank. Ik kan niet zien hoe duur ze waren. Op tafel ligt een kaars, dwars. Erboven hangt een lamp, de lamp is uit, ik fluister: ‘Komt er een verrassing?’
Rún staat daar alsof ze elk moment de gasten verwacht, mensen die net zo nieuw en ongebruikt zijn als de meubels van waarachter ze tevoorschijn zullen springen.
‘Zo staat ze avond aan avond.’
Hardop zeg ik: ‘En jij staat hier avond aan avond op de loer?’
‘Sst!’ Hij mompelt: ‘Ze weet toch dat ze zo gezien kan worden?’
Rún heeft haar arm geheven en richt haar zoeklicht op zichzelf, haar wenkbrauwen, mond, het doorzichtige oor, ze vindt zich terug in de spiegelende ruit. Even denk ik: ze is het niet. We zien de kringen onder haar ogen, blauwpaars, de gedroogde zoutresten op haar wangen.
Ik fluister: ‘Betekent ogen hebben mogen kijken?’
Ik wil tevoorschijn komen, ik wil aanbellen maar Logi legt een hand op mijn mond, hij klemt mijn polsen achter mijn rug, ik weet niet welke woorden hij in mijn oor stopt – dat de bel niet werkt, dat niets hier werkt? Ik wring. Ik trappel achteruit, probeer te bijten. Ik krijg mijn tanden niet van elkaar, ik sta in Logi’s houdgreep, het kost hem niets. Zo bespied ik Rún, die gezien kan worden en dat weet.
We kijken tot ik ben vergeten of Logi mij vastheeft of ik hem. Ik ben allang met wringen gestopt, het waait, hij houdt me warm; en ik denk zo min mogelijk aan de ochtend dat ik Snorri hoorde waarschuwen – ze hadden samen gerend, Logi met z’n vader, ze trokken hun renschoenen uit op de mat, vlak buiten de voordeur – aan hoe ik stilstond op de trap, Snorri’s woorden door de brievenbus: Probeer je niet te hechten.
Ik mompel in Logi’s hand: ‘Is dit vieren?’
Rún heeft zich niet bewogen.
De wind vlijmt, Logi warmt zijn handen aan mijn nek. Ik giechel, hij fluistert: ‘Waar kijkt ze naar? Wat denkt ze? Waarom gaat ze niet zitten, waar is ze bang voor?’ Ik voel zijn adem in mijn oor en ik vraag me af of dit hechten is, ik voel zijn hart, dat tegen mijn rug blijft bonzen totdat mijn hart gelijk op klopt, ons bloed door dezelfde puls door ons lijf wordt gepompt, tot in onze gloeiende vingertoppen. Logi maakt kleine rondjes met zijn wijsvingers over mijn wangen, kijkt langs me, naar Rún, die ons aanstaart, glazig, wezenloos en zonder het te weten.
‘Is haar moeder al naar bed?’
Nu kijkt mijn nieuwe broer me aan, onze neuzen raken elkaar en we denken hetzelfde: hier woont geen moeder.
Hij heeft me losgelaten.
Ik zet een stap achteruit en bekijk het huis. Nergens brandt licht. Het huis is nieuw, zo nieuw als de kussens en de gordijnen, zo nieuw als de weg ernaartoe. De deurpost ruikt pasgezaagd, ik veeg er met mijn knokkels langs, ik blaas in poederzaagsel. De muren zijn vers gebeitst, de lucht is zwaar. ‘Waarom is dit huis gloednieuw?’ Ik hoest.
‘Alle huizen op deze helling zijn nieuw.’
Ik bekijk het huis ernaast, dat identiek is, met zo’n zelfde pasgezaagde deurpost en ongeverfde deur, de zaagseldamp, de groengebloemde gordijnen, de lamp, uit, boven eenzelfde verduisterde tafel. Ik spring over de net aangeplante struikjes de voortuin in, Logi sist, ik spied naar binnen. Ik zie dezelfde bank met diezelfde kussens. Maar er zitten geen prijskaartjes meer aan. Naast de buurman, op de bank, het zoontje. Ze leunen niet. Op de lage tafel ligt een kaars, dwars. Ernaast een laptop, die licht op hun gezichten werpt. Ik denk: ik ken ze.
Ik ren naar Rúns andere buren en zie daar ook de groengebloemde gordijnen, ik wijs ernaar en Logi knikt, hij likt langs zijn gebarsten lippen. Ik leg mijn vinger op een raamkozijn, de verf pikt.
We horen een blaf, we schrikken, een vrouw met een labrador loopt haar voortuin in. Ze draagt een jas met bontkraag. Ik duik achter mijn broer weg. ‘Zeg iets,’ sist Logi.
De labrador is jong, nachtkleurig, hij kwispelt. Ik herken de hond, ik herken de kraag. De vrouw loopt dagelijks over de begraafplaats, ik heb haar gezien, deze vrouw, deze hond; ze komen op ons af. Ik schraap mijn keel, nog even en de vrouw zal vragen waarom we in haar tuin staan, ik zeg: ‘Ik weet waar die nerts heeft gewoond.’ Ik wijs op haar kraag.
Mijn broer gromt.
Ik buk, ik aai de hond, ik zeg: ‘Wij zijn verdwaald, we wonen ergens in de baai, hij in elk geval, ik half, hij is niet verdwaald, ik wel, mijn moeder blijft nooit lang bij een man.’
Mijn broer proest, hij trekt me het pad op.
Achter de vrouw is het huis leeg, ik vraag nog: ‘Wacht er niemand op u?’
‘Waar moeten jullie heen, jongens? Het is laat, het gaat sneeuwen.’ De jas flappert rond haar benen, de oren van de labrador wapperen zijn ogen in.
‘De benzinepomp,’ zegt mijn broer, ‘dat is die kant op?’
De vrouw knikt. ‘De rondweg af, het wijst zich vanzelf.’
We bedanken over onze schouder, we rennen na tien stappen over de weg het grasland in, de helling af, de kortste weg naar huis. Het pakje onder Logi’s trui danst op en neer. Bergafwaarts hollen we, de wind in onze rug, de sneeuw valt onze laarzen in. De vrouw roept ons iets na, we verstaan haar niet, we blijven hollen, we zien ons huis al liggen, het laagste punt van het dorp, waar we in een rechte lijn op af galopperen. Het geeft niet waar in de baai we ons evenwicht verliezen, als we maar lang genoeg blijven struikelen, dan eindigt dat hier, voor de keukendeur.
Achter de ruitjes brandt licht.
Ik ga op mijn tenen staan, we zien de ruggen van Mathilde en Snorri. Hun verstrengelde handen, half geheven tussen hen in. Alsof ze een aanloop nemen voor een hele grote sprong. Zo zitten ze, nippen ze van hun wijn. Ze klinken na elke slok. We horen het hoge, steeds hogere tinkelen van de glazen. Ik vraag me af of dit hechten is en waarom Logi dat niet mag. Ik hoor niet waar ze op klinken, alleen gemompel, een flard van mijn moeder, die nu nooit meer ongerust hoeft te zijn als ik buiten ben, zegt ze, want wat kan me met een broer gebeuren.
Ik kijk van opzij naar Logi, naar zijn neus die recht was toen we bij hem en zijn vader introkken, die elke ochtend krommer lijkt.
We vegen de sneeuw van onze wimpers, we stampen onze laarzen schoon. En opeens schiet me te binnen waar ik de buurman en dat zoontje eerder zag: ook op de begraafplaats. Ze hadden een schepje bij zich en een dunne boom met een kluit.
Ik kijk over mijn schouder naar het rijtje spiksplinternieuwe huizen. Ze zien eruit alsof je ze zo van de helling kunt tillen.

Foto CC BY 2.0 Bryan Ledgard

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de vierde bijdrage aan de reeks is ‘Aanbouw’.

*

‘Something about the name Jesus’

De zeer prijzige aanbouw is eindelijk opgeleverd en wordt nu onder leiding van de gastheer geïnspecteerd door vier devote mannen. De zeer prijzige aanbouw kijkt langs een puntige omheining uit op een zeer indrukwekkende partij onbevolkte glooiende heuvels. In de vanwege budgettaire uitdagingen verwaarloosde tuin naast de zeer prijzige aanbouw staat een man (korte kaki broek, witte gympen, ditto sportsokken, poloshirt, baseballpet, een heuptasje waar een radiootje uit steekt). De man probeert  vuur te maken in een zeer prijzige, zeer glimmende barbecue waarin men met gemak een heel varken zou kunnen roosteren.

Uit het radiootje in de heuptas van de man met de korte broek klinkt een gospelhit van een godvrezende Amerikaan. De man prijst de Heer terwijl hij brandende lucifers tussen de kolen legt en als hij zijn vingers daarbij verbrandt zegt hij ‘chips’ [1]. De vrouw die hem een fles aanmaakvloeistof aangeeft draagt een vrijwel exacte kopie van zijn uitrusting, maar haar kaki broek komt tot vlak boven haar enkel en ze draagt geen pet, geen heuptas en geen radiootje.

De man knijpt in de fles aanmaakvloeistof. Men zou kunnen zeggen dat de man zo via de fles op de kolen ejaculeert. Hij neemt dan een stap terug, gooit een brandende lucifer in de zeer prijzige barbecue en roept de eerste regels van Give me oil in my lamp, terwijl het geheel vlam vat. Zijn bijna identiek geklede vrouw beloont hem met een schaterlach en een kneep in zijn heup. Uit het giechelen van de twee is op te maken dat dit een pikant moment is.

De kopie van de man in de tuin schuift heupwiegend met een in aluminiumfolie gewikkelde schaal tussen haar borsten en haar handen naar de zeer prijzige keuken waar vijf vrouwen rondom een zeer prijzig kookeiland staan te kijken naar de gastvrouw (linnen pak, pumps, met lak omhoog gehouden haar in de vorm van een waaier). De gastvrouw schept een pot Amerikaanse mayonaise leeg in een pan vol macaroni. Een van de aanwezige vrouwen geeft haar een zak rozijnen aan en ze gooit de helft van de zak leeg in de pan bij de macaroni en de mayonaise.

Op het zeer prijzige aanrecht staan de pannen van alle aanwezige vrouwen achter krijtbordjes waarop de naam van de eigenaar gekalligrafeerd is. De gastvrouw bedankt een vrouw in een lange, gebloemde jurk. De vrouw in de lange gebloemde jurk heeft garnalen en gemarineerde kippenborsten meegenomen. Ze weigert haar keukengeheimen te delen. De gastvrouw is vrijgeviger: haar geheim is Kraft mayonaise. Een ander merk zou ze nooit gebruiken. Drie van de aanwezige vrouwen zijn het daarmee eens, maar wat heeft de kopie van de man in de tuin meegenomen?

De kopie van de man in de tuin verwijdert de aluminiumfolie van de schaal en onthult zo een dozijn felroze rauwe karbonades onder een laagje ananasschijven. De gaten in de ananasschijven zijn gevuld met giftig rode maraschino kersen. Het geheim van de kopie van de man in de tuin is een scheutje kersenvocht. De gastvrouw glimlacht.[2] De vrouw in de gebloemde jurk doet een stap opzij.[3] De kopie van de man in de tuin zet de schaal achter haar krijtbordje neer. De gastvrouw vertelt dat het aanrecht uit de Verenigde Staten is ingevlogen. [4] Door de opening van de zeer prijzige openslaande mahoniehouten deuren waait een lied van een godvrezende Amerikaan  de keuken in.

[1] Mattheüs 12:36-37
[2] Leviticus 11:1-8
[3] Jesaja 66:17
[4] Deuteronomium 14:8

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de derde bijdrage aan de reeks is ‘Thuis’.

*

— Ik ben je tante Tracy, zegt een vrouw en ze legt haar hand op mijn wang. Maar je herkent me vast niet meer. Ze heupwiegt weer weg.
— Happy homecoming, zegt oom Syl, de jongste broer van mijn vader. Hij heft een glas kool aid boven de tafel.
We staan allemaal op en proosten.
— Happy homecoming George James, klinkt het hier en daar.

De mannen en vrouwen van het gospelkoor doen ondertussen hun paarse glimmende mantels af, spijkerbroeken met vouw, zwarte synthetische pantalons en loszittende overhemden komen te voorschijn. Ze sluiten aan bij de rij voor het buffet.
Iemand drukt ergens op de playknop van een cd-speler en de stem van Ben E. King vult de ruimte.
— Opa’s lievelingsmuziek, zegt oom Syl.
‘Welcome to the celebration of the homecoming of George James,’ stond met sierlijke letters geschreven op het krijtbord bij de zijingang van de kerk. Mijn opa lag nog maar een uurtje onder de grond in een glimmend houten kist toen zijn vrienden en familie uitgelaten de ruime kamer aan de zijkant van de kerk inliepen, waar een lange tafel tegen de muur stond met schalen vol maisbroodjes, aardappelsalade, gerookte ham, zoete aardappelpuree, gefrituurde kip, met spek gebakken boerenkool en hartige taarten. Het gospelkoor dat daarvoor in hun paarse mantels gospels zong, om ernstig het afscheid van mijn grootvader te begeleiden, stond net nog in diezelfde mantels, achter in de ruimte James Brown te zingen.
— We’re gonna have a funky good time.
De kansel, waar de pastoor zijn preek hield, vergezeld door het luide wenen en de amens en halleluja’s van nichten en tantes, was nu donker.

Een zware dame gaat naast me zitten, pakt mijn hand en kijkt me glimlachend aan. Ze vertelt dat ze me nog kent, van vroeger. Ik moet haar een paar seconden aankijken.
— Tia tia!
— Ja, straalt ze, je weet het nog.
Tia tia was de lievelingsschoonzus van mijn vader.
Ze laat mijn hand los en wijst naar een jonge man aan de andere kant van de tafel.
— Weet je nog wie dat is?
En voor ik antwoord kan geven zegt ze:
— Dat is Kevin, de zoon van Syl. Groot is ie geworden he?
— Ja zeg, ik had hem nooit herkend.
— Hij heeft al 4 kinderen. En dat is Marie.
— En is dat Eric? Ik wijs naar de jongen in de rolstoel.
— Ja.
— Hoe… wat is er gebeurd met hem?
— Vraag het hem zo zelf maar.
Aan mijn andere kant komt een grote man zitten. Hij zet zijn volgeladen bord met een klap neer op tafel en draait zich naar mij toe.
— Jij bent er een van Carlos toch?
— Dit is de jongste, antwoord Tia tia.

Nog voor mijn bord leeg is, is het voorbij. De schalen worden snel en vakkundig op karretjes gezet en weggereden. De limousine staat er niet meer. We lopen naar het huis van opa. Daar verspreiden de tantes en ooms, oudtantes en achterneven zich over de rommelige huiskamer in L-vorm . Tante Tracy, Tia tia en een paar andere tantes wiens namen ik niet meer weet zetten koffie en brengen blikjes cola, sinas en bier naar de eettafel. Kevin trekt het deurtje van een houten kast open, waarachter flessen drank staan. Iemand anders zet weer kleine glazen op de eettafel en vult ze met drank.
— Waar is eigenlijk zijn auto, roept een tante en de kamer valt even stil.
— Waar is het testament, roept een andere tante.
— Hoezo, vraagt iemand.
— Hij had er geen, roept weer iemand anders.
— Die auto, roept de eerst tante weer, die had hij beloofd aan Kevin.
— Al verkocht, roept een van de kaartende neven.
— Wat, roept Kevin verbolgen.
Glazen worden bijgeschonken
De stemmen worden luider. Op de koffietafel legt iemand een stapel dominostenen neer en een paar van mijn neven nemen plaats.
Salomon zet een pick up op en salsamuziek vult de kamer. Een paar tantes en een enkele oom beginnen te dansen. Een oudere man, ik denk een broer van opa, pakt mijn hand om te dansen.
— Kom meisje, roept hij, het is feest. Opa George is nu weer thuis.
Ik wil niet dansen en trek mijn hand terug.
Een paar mensen beginnen hier en daar wat laden en kastjes open te trekken en halen er papieren uit.
De dansende ooms en tantes salsaën er tussendoor. De mannen rond de koffietafel slaan de dominostenen hard op tafel en worden steeds luidruchtiger. Ik ga naast Eric zitten die zijn rolstoel naast de eettafel heeft gezet.
— Wat is er gebeurd?
Hij kijkt me even onderzoekend aan en begint dan te lachen. In beide mondhoeken twee gouden tanden.
— Je lijkt op je vader.
Ik lach een beetje mee. Dan kijkt hij opeens heel serieus.
— Suikerziekte. Eerst het ene been en toen het andere. Binnen een maand.
Ik kijk naar het blikje cola in zijn handen.
— Mag je dan nog suiker?
Hij lacht weer.
— Nee, maar sommige gewoontes leer je niet zo snel af.

Tia tia komt naast me zitten.
— Waar is je vader, vraagt ze.
Ik kijk om me heen, ik heb hem niet meer gezien sinds we weer bij de kerk aankwamen.

Op de slaapkamer van opa is het donker en net als ik me wil omdraaien, zie ik iets bewegen op het bed. Mijn vader.
— Carlos, zeg ik zachtjes en hij richt zich langzaam op. Ik ga naast hem op het bed zitten. Hij doet een bedlampje aan en knikt naar mij.
— Hoe gaat het, vraag ik.
— Het gaat, zegt hij en wrijft over zijn baard.
De stemmen uit de huiskamer dringen de slaapkamer binnen, stijgen boven de muziek uit.
— Ze hebben het over het testament van opa, zeg ik. En de auto.
Na een lange pauze zegt hij:
— Hij had niets meer. Hij heeft alles aan de kerk gegeven. Maar shttt, laat ze nog maar even feest vieren.
Ze komen er nog wel achter.

Carson McCullers, Virginia Woolf, Rachel Cusk: de redactie las deze week een subtiele, opvallend actuele roman, een essay over vrouwen en fictie en een treffend en pijnlijk essayboek over het eerste jaar ouderschap.

*

Jan van Mersbergen: Carson McCullers, Het hart is een havik

De vertaling uit 1960 door W.F.H. ten Bruggen van The Heart is a Lonely Hunter van Carson McCullers is nog heel goed te lezen, bovendien is het oude lettertype van mijn hardcover prettig. Het is een subtiele politieke roman die in de huidige tijd opvallend actueel aandoet. Rassenproblematiek, een vakbondsman met opruiende ideeën, ongelijkheid, genderneutraliteit, alcoholisme, al deze thema’s komen in de roman uit 1940 aan bod, bij verschillende personages die netjes om beurten gevolgd worden, met als centraal personage de doofstomme John Singer.

In de vertelling is ruimte voor ieder personage en de andere personages veranderen in hun scènes in bijfiguren, op een slimme terloopse manier zijn ze er wel steeds, maar onnadrukkelijk. Soms wordt enkel de mondharmonica genoemd van de broer van een donker meisje, soms alleen de snor van een man die dagen achter elkaar in de kroeg zit waar een ander personage achter de toonbank staat bij het kasregister, soms alleen de kamer van de doofstomme, soms alleen mensen op een veranda. McCullers beschrijft een kleine gemeenschap in een grootse vertelling, de focus op het vijftal personages werkt zeer goed, iedere keer krijgt de lezer de kans mee te voelen, en toch geeft de roman een compleet beeld van het Amerika van vlak voor de oorlog.

Wat die doofstomme zo bijzonder maakt tussen al die uitgesproken personages: ‘Singer was altijd tegen iedereen hetzelfde.’ Dat maakt hem de spil in dit wespennest. Ook de rust die hij uitstraalt, het gebrek aan ambitie en de stilte zijn bijzonder. De man met het snorretje die het liefst de arbeiders opzet tegen hun werkgevers slenters van fabriek naar de kroeg en overal is drukte en willen mensen dingen, en dan verlangt hij ernaar even bij de doofstomme op zijn kamer te zitten. Gewoon even wat rust.

‘Met hem praten was net een spelletje,’ vond het meisje Mick, dat graag een jongen wil zijn en muziek wil spelen. ‘Alleen zat er veel meer in dan bij welk spelletje ook. Het was als met het ontdekken van iets nieuws in de muziek.’

En later, als het over het meisje, de dokter en de snor gaat: ‘Ze kwamen bij hem in de stille kamer praten – want zij hadden het gevoel dat de doofstomme altijd begreep wat zij tegen hem zeggen wilden. En misschien nog wel veel meer dan dat.’

John Singer is een van de belangrijkste authentieke Amerikaanse romanpersonages, vanwege de stilte, de rust, de gelaagdheid, de eenvoud en de reikwijdte. Alle praatzieke personages die de moderne Amerikaanse literatuur, vooral uit de steden, tot een circus van gedachten en meningen maken, zouden even bij Singer in zijn kamer moeten gaan zitten en kort iets zeggen of juist niks zeggen.

Athenaeum — Polak & Van Gennep geeft de nieuwe vertaling van Molly van Gelder uit (een fragment daarvan is te lezen op Athenaeum.nl); de oude is nog tweedehands verkrijgbaar.

Daan Stoffelsen: Virginia Woolf, Hoe lees je een boek, en Rachel Cusk, In het land van moeders

De post bracht me namens de Erven J. Bijleveld, een eigenaardig niet-modieuze uitgeverij van interessante boeken, Hoe lees je een boek? En andere essays over literatuur van Virginia Woolf, vertaald door Barbara de Lange. Een boek als dit lees je in stukjes, en mijn interesse ging uit – u begrijpt dadelijk wel waarom – naar het eennalaatste stuk, ‘Vrouwen en fictie’, waarin Woolf een beetje droog maar niet onorigineel nadenkt over hoe het toch komt dat er lange tijd zo weinig fictie van vrouwen was, en nu (1929) veel meer.
Ze zegt

  • behartenswaardige dingen (‘Het is opvallend dat de vier grote schrijfsters – Jan Austen, Emily Nrontë, Charlotte Brontë en George Eliot – geen van allen kinderen hadden en dat twee van hen nooit zijn getrouwd.’ Ze werkt dat uit, en er zit natuurlijk wat in, reden dat het de premisse is van tenminste de helft van Sheila Heti’s Moederschap, een boek dat vervelend egocentrisch is, maar dat ik volgens Miriam Rasch anders moet lezen en ik zal dus doorlezen. Hoort u nog van.),
  • betwistbare dingen (‘De roman is de kunstvorm die de minste ononderbroken concentratie vergt.’ Ik denk dat het essay en het gedicht daar ook wel voor in aanmerking komen. Ik geloof dat het de komst van zijn tweeling is, die ervoor zorgde dat Jan Wolkers geen romans, maar vooral essays ging schrijven.),
  • onbegrijpelijke dingen (‘Om te beginnen is er de technische moeilijkheid – op het eerste gezicht eenvoudig, in werkelijkheid bijna onoverkomelijk – dat de zin als vorm haar op zichzelf al niet past. De zin is door mannen gemaakt; hij is te vaag, te log, te pretentieus voor een vrouw.’ Hoe dan? Nu ja, het antwoord is dus: dan maak je maar een zin.),
  • en dingen die nog steeds, ietwat verminderd gelden (‘Dus wanneer een vrouw een roman gaat schrijven, zal ze merken dat ze de gevestigde waarden voortdurend wil veranderen – dat ze zwaarwegend wil maken wat voor een man onbeduidend is, en triviaal wat voor hem belangrijk is. Dat zal haar uiteraard op kritiek komen te staan, want de criticus van het andere geslacht zal oprecht verbaasd en verrast zijn door een poging het bestaande waardenstelsel te veranderen, en zal dat niet beschouwen als louter en alleen een ander soort visie, maar als een zwakke, triviale of sentimentele visie, omdat die anders is dan het zijne.’).

Woolf is ook hoopvol dat het speelveld gelijk getrokken gaat worden, dat activisime niet meer nodig zal zijn en dat vrije tijd zal helpen. En die hoop is denk ik voor een groot deel bewaarheid geworden. De Canadees-Britse schrijfster Rachel Cusk, die ik de afgelopen tijd heb leren kennen als een uiterst interessant auteur, beschrijft in In het land van moeders (vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer) het eerste jaar van haar moederschap in thematische hoofdstukken. De terugkerende boodschap: het is verre van makkelijk, en waarom had niemand haar voorbereid? Het is dan ook makkelijk dit als gezeur af te doen, eenzijdig gezeur, maar Cusk schrijft met humor en brille, en ze verbindt haar eigen ‘triviale’ problemen met literatuur en de menselijke conditie.

Ze overtuigt, met andere woorden, dat het ouderschap inderdaad A Life’s Work is, zoals de oorspronkelijke titel luidt: het gaat om leven, maar het is ook vooral werk, een klus. De wolken zíjn niet rose, maar grijs, en soms dagenlang zwart.

In de Inleiding schrijft ze – en daarmee wordt Woolfs hoop bewaarheid – dat haar echtgenoot de zorg voor de kinderen op zich nam terwijl zij schreef. Maar tegelijk laat ze in het hoofdstuk over de zwangerschap zien dat vrouw-zijn onveranderd moeizaam kan zijn.

‘Ik verlang naar een vluchtroute, naar een in code gestelde verwijzing naar verzet. Mijn sekse is een schrale, lang geleden uitgezette, liefhebbend beklede val geworden waar ik per ongeluk in ben gelopen en waar geen uitweg meer uit is. Ik ben als het ware elektronisch geoormerkt door de zwangerschap. Mijn vrouwelijke bewegingen worden nauwlettend in de gaten gehouden.’

Even later, over communiceren met de baby: ‘Terwijl mijn buik dikker wordt, realiseer ik me dat daarmee contact maken ongeveer even zinvol is als een weiland dat contact maakt met de snelweg die er dwars doorheen wordt gelegd.’ Geweldig beeld. En: ‘Dat soort solitair, volmaakt en bizar nepmoederschap wordt niet aangeraden, merk ik, aan vrouwen die al een kind hebben, en niet alleen omdat zij minder goedgelovig zijn.’

Nepmoederschap! Of over hoe haar dochter gaat kruipen en slopen: ‘Ik raak beperkt tot één kamer, een ontwikkeling die staat voor capitulatie, een verloren slag. Terwijl mijn dochter ingewikkelder en gevaarlijker wordt, groeit mijn respect voor haar recht evenredig met de minachting van anderen.’

Treffend en pijnlijk, waar en goed gezegd, en dat een boek lang. Je hoopt dat Cusk de relatie met haar kinderen heeft kunnen oppakken na die eerste jaren in de loopgraven. Je hoopt (en weet ook wel) dat er vrouwen zijn die het beter getroffen hebben. Je hoopt ook dat De Bezige Bij gelegenheid ziet dit boek te herdrukken voor de komende Boekenweek, want dit gaat nu echt over hoe ‘moeder’ en ‘vrouw’ samenvallen en niet. Maar je weet weer: de roze wolk is voor de meeste moeders (en vaders) een droom die in het rijtje eenhoorns, de jackpot winnen en snelle gelijktijdige orgasmes slechts door penetratie past. En die dromen komen pas uit, respectievelijk, als je dochter vier wordt, jij bijna dood bent, en in de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer. Fictie.

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. In het land van moeders is ook tweedehands amper te krijgen, maar A Life’s Work is bij de betere boekhandel te bestellen. Update 27 september 2022: In het land van moeders verschijnt eind oktober onder de titel Een levenswerk in een nieuwe editie bij De Bij.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de tweede bijdrage in de reeks is ‘Haring in een bontjas’.

*

Vanaf de wc stuur ik het thuisfront in Nederland foto’s en berichtjes over hoe het familiefeest is. We (mijn zus, broer en ik) zijn weer eens in Almaty, Kazachstan, waar de andere helft van onze familie woont. Ter gelegenheid van ons bezoek is iedereen bijeen gekomen in het huis van mijn oudste tante. ‘Gezellig’ antwoordt Nederland, of dat het eten er zo goed uitziet, en wie dit schattige kindje (‘net jij toen je klein was’) nou ook alweer precies is? Waren we ooit een compacte familie, inmiddels loopt er een nieuwe, vierde, generatie rond.

Tijdens zo’n feest wordt de wc vaak gebruikt om je even terug te trekken uit de drukte: foto’s waarvoor geposeerd moet, vertellen hoe het nu met je studie gaat, steeds geknuffeld worden, toch nog een hapje van dat gerecht of van dit dessert moeten proberen – zheroi zhanym, zegt mijn oma tegen ons, eet maar mijn lieve. Ook kun je op de wc gauw een beetje huilen, of gewoon stil voor je uit staren, omdat de drukte of emoties je teveel zijn geworden – totdat de nood bij de anderen te hoog wordt en ze zich ook een ogenblik aan het feestritueel moeten onttrekken. Uit solidariteit haal je dan het slot van de deur en draag je de betegelde oase over aan het volgende familielid dat even op adem moet komen. 
Hiermee probeer ik geloof ik te zeggen dat we niet echt groepsmensen zijn – introversie is een sterk erfelijk overdraagbare eigenschap. Toch doet iedereen zijn best: vele kilometers zijn per vliegtuig of auto afgelegd om op z’n minst deze ene dag bij elkaar te zijn.

Ik herinner me beelden uit het familiefoto- en videoarchief waarop het gezicht van mijn Nederlandse oma is verstild tot een uiterst beleefde, nauwelijks waarneembare glimlach en, alleen voor wie haar goed kent, een paniekerige blik richting de camera. Achter die camera houdt mijn opa zich op verjaardagen en andere feestjes wijselijk schuil. Een scène waar er voor mijn oma’s neus een zwartgeblakerde schapenkop tevoorschijn wordt getoverd, of een ander stuk vlees waarvan de herkomst (in tegenstelling tot de gehaktballetjes en cocktailworstjes die mijn Kazachse grootouders dan weer liever niet in hun mond zouden willen stoppen, maar dat ook niet weigeren) ook niet moeilijk te raden is. Hoewel bitterballen en frikandellen dan weer een groot succes waren bij mijn Kazachse neefjes, ze ook de blokjes oude kaas (min zilveruitje) altijd goed waarderen, én de griezelige haring die ze ook hun keel in proberen laten te glibberen, in navolging van ons.

Op het fameuze schapenhoofd na heeft de Kazachse feesttafel mijn voorkeur: minstens vier gangen, een mengeling van traditionele gerechten, zoals manti, van deeg, met vlees en pompoen, plov, Russische bieten- en vissalades, waaronder ’haring onder een bontjas’: in stukjes gesneden haring, biet, aardappel, en andere groenten, bedekt met een uiterst royale (dit is de bontjas) laag mayonaise, verder: ‘salade olivijee’, Europese salades met Georgische en Perzische invloeden, besprenkeld met granaatappelpitjes, in schijfjes gesneden verse kleine komkommers, vlezige tomaten, dille, dille, dille, peterselie, verse kruiden, schalen met fruit: perziken, appels, abrikozen en donkerpaarse volle druiventrossen die zwaar over de rand hangen, huisgemaakte khazi (paardenworst), Beluga-kaviaar, gehalveerde hardgekookte eieren met zalmkaviaar, gezouten vis, gefrituurde deeghapjes, vissensoep, borsjt, verse vis met jonge aardappels (en meer dille), verschillende soorten kaas, waaronder zoete zachte en zout gedroogde khurt, dan de chai: rokerige zwarte thee, uit de samovar, geserveerd met walnoot en honingtaart, gedroogd fruit, amandelen in hun schil, citroentaart, abrikozentaart, medovik, profiteroles, zoete broodjes met maanzaad, snoepjes in kleurige verpakkingen van de plaatselijke snoepfabriek Rakhat, wat zoveel als ‘zalig’ betekent.

Voor de meeste van deze feestelijkheden is de aanleiding zowel vreugdevol als toch ook droevig: het betekent dat we allemaal, heel even, in elkaars gezelschap op dezelfde plek zijn, maar ook dat we opnieuw afscheid moeten nemen. Hoewel er genoeg families zullen zijn die ondanks dat ze dicht bij elkaar in de buurt wonen, elkaar ook slechts bij geboortes, huwelijken, verjaardagen en begrafenissen zien, is er bij families die erg ver van elkaar vandaan wonen – rivieren, landsgrenzen, bergketens, continenten ertussen – de onnadrukkelijke maar continue beladenheid dat het nu echt gevierd moet worden dat we samen zijn. Ik probeer al heel lang om eens alle kleinkinderen, van de Kazachse kant, samen op een foto te krijgen. Iedereen woont inmiddels of in een ander land, of is voortdurend op reis, dus dat is geen gemakkelijke opgave en is nog altijd niet gelukt, maar wellicht de volgende keer.

Ik was op zoek naar een grappige of ontroerende anekdote, gedestilleerd uit al die voorbije bijeenkomsten, waarin een soort kern besloten zou kunnen liggen: kijk, dit is wat het betekende, toen we bij elkaar waren.
Ik herinner me ook het onprettig volle gevoel van teveel te hebben gegeten, de halfslachtige weigering en toch nog een keer vlees opgeschept te krijgen, een op de wc verstopte fles wodka, volschieten op het verkeerde moment. Een lied dat door ons samen werd gezongen en daarna moest worden vertaald voor wie toch ook de betekenis van de woorden zou willen weten. Mijn opa vroeger op de piano, mijn oma zong in het Kazachs. Het gaat over hoe alles in het leven vluchtig is, zei m’n tante, die ons deze laatste bijeenkomst niet wil vertellen hoe ziek ze is.

Ruzietjes, onderzeese vulkaanuitbarstingen. Zinsdelen strategisch onvertaald laten. De opluchting als het weer voorbij is, we weer naar ‘huis’ kunnen. Maar ook de kilte in het huis als wij achterblijven en de juiste personen zijn vertrokken. De juiste personen – je weet pas wie dat zijn als ze er niet meer zijn, want dan is het feest plots geen feest meer, alleen nog een beleefde bijeenkomst van mensen.

De ingepakte koffers, het rituele uitzwaaien, iedereen twee, drie keer omhelzen en elkaar ervan verzekeren dat het de volgende keer echt minder lang zal duren totdat we elkaar weer zien. Mijn Kazachse oma die wel huilt maar doet alsof ze niet huilt, ik ruik nog even aan haar fluweelzachte wang, mijn neefjes die me altijd een nuchtere, maar stevige knuffel geven, de lachende gezichten die je nazwaaien maar je ziet toch nog net, nog niet de hoek om, dat er tranen worden weggeveegd. De laatste keer dat ik mijn Kazachse opa zag wist ik, wisten mijn zich omkerende ingewanden, dat het de laatste keer zou zijn, ik draaide me nog eens om en zwaaide alsof ik morgen weer langs zou komen. Hij knikte, dacht ik, dat het goed was.

Mijn Nederlandse opa loopt altijd naar buiten om ons, om mij, uit te zwaaien, ook al wonen we allang weer dichtbij. Soms kijk ik op het einde van de straat nog eens om en zie dat hij er nog steeds staat en dan is het moeilijk, moeilijk om de hoek om te slaan.

Het opstijgende vliegtuig is het definitieve einde van het feest, maar bij dat opstijgen lijkt niet het hele lichaam mee te gaan, we laten altijd iets achter, een deel van het hart, als dat zou kunnen. Is dit verdeeld worden tegelijkertijd de verbintenis met al die mensen met wie je soms ruzie maakt, maar voor wie je zonder nadenken toch uit dat vliegtuig zou springen, mocht dat ineens noodzakelijk blijken? Mijn zusje, broertje en ik blijven zitten, zetten een film op, wachten mak op het vliegtuigeten, kijken nog niet naar de honderden foto’s op onze telefoons. Misschien zit er daarom zo lang tussen elk bezoek, elk feest – er moet voldoende tijd overheen zijn gegaan, langer dan een vlucht naar de wc, maar ook weer niet zo lang dat er iemand komt te overlijden zonder dat we afscheid hebben kunnen nemen, om je opnieuw te kunnen verheugen op het weerzien, en steeds opnieuw in de hoop om die grens, die dwars door ons lijkt te snijden, tussen landen, continenten, tussen verdiet en vreugde, wat te laten vervagen. Een echte oplossing is er niet.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, te beginnen met ‘Een gevalletje gênant’.

*

– Jezus, da’s lang geleden. Alles draait.
– Deze kant op, rustig aan.
– Man, man, man… Wat ben je nu? Achttien? Negentien?
– Tweeëntwintig, opa.
– Godsamme, wat gaat dat hard. Ik zal ook zoiets zijn geweest. 1983 was het. Hoe weet die ouwe dat, denk je?
– Geen idee. Goed geheugen?

– Ik ken mijn studentennummer nog uit mijn hoofd! En daar stond het jaartal in: 83D4247. Even rekenen. Ik was toen…
– Zeventien of achttien, denk ik.
– Precies! Zoiets. Ik zie het nog zó voor me. Zoals alles wat te gênant is voor woorden. Of pijnlijk! Want pas op, jongen, de pijnlijke dingen blijven óók altijd hangen. Enfin, dit was een gevalletje gênant…
– De sleutel. Hou je even vast, opa.
– Is dat niks voor jou, die receptioniste?
– Ik heb al een vriendin, weet je nog? Merel.
– Jezus, da’s waar ook. Laat het niet merken, jongen.
– Wat niet?
– Dat je een oogje op die receptioniste hebt!
– Is goed. Maar mondje dicht, opa.
– Mondje dicht? Mondje open zal je bedoelen! Als een vogeltje! Er werd voor me ingeschonken. Whisky. Een half bierglas vol. Door Jim-Jimmy. Wat een lul. Weet je dat hij ooit met zijn dronken kop door een houten deur heen is gerend? Bizar gewoon. Heb ik dat nooit verteld?
– In Zuid-Afrika, toch? Deze kant op. We pakken de lift.
– Precies. Hartje Apartheid, jongen. Noodtoestand. You name it. We zopen ons te pletter. Enfin, het was halftwee ’s middags. Zoiets. De zon was nog op. Dus ik stribbel nog even tegen, maar de jongens roepen in koor: Down! Down! Down! Whisky. Een half bierglas vol! En niet zo’n lullig Hollands glaasje. Een pint!
– Heftig.
– Wat denk je? In één teug leeg. Ik stond te brullen van de pijn, jongen. Alsof mijn keel in brand stond. Iedereen lachen. Schouderklopjes-ha-ha-ha. Tegen de tijd dat ik was bijgekomen, stond het volgende glas al klaar. Lekkere koele witte wijn voor je keeltje, zegt Jimmy, die lul. Had ik al eens verteld dat hij…
– Door een deur heen is gerend?
– Stomdronken! Hij nam een aanloop over de gang. De hele gang! Zo’n vijftig meter. Beng! Ik heb daar zelf ook rondgerend. Later in het meidenkosthuis. Ze waren met mijn make-up bezig. Ik was ontsnapt met mijn dronken kop. Lachen, jongen, rennen-ha-ha-ha. Zij erachteraan met z’n allen.
– Even terug, opa. Meidenkosthuis? Make-up?
– Die eikels hadden me ingeschreven voor een drag queen-wedstrijd. Heb ik dat nooit verteld? Voor liefdadigheid. Iedereen kocht een kaartje. Het zat stampvol, jongen! En dat geld was voor de zwarte kindertjes. Heel vooruitstrevend allemaal.
– Wauw. Ja.
– Ik heb een jaartje theaterwetenschappen gedaan. Daar zat ook acteren en dans en zo bij. Dáárom was ik de lul!
– Dus je hebt daar op hoge hakken rondgelopen?
– Natuurlijk niet! Mijn voeten waren veel te groot voor dat soort schoenen! Al die andere kosthuizen hadden petieterige jochies gestuurd. Die pasten gewoon in die pumps. Ik niet. Dus ik werd als klein meisje verkleed.
– Nee! Hoe dan?
– Die meiden hadden een soort wollen pruik gemaakt, met gele vlechten. En een van die grotere meiden – een mooie, struise vrouw was dat – heeft me een soort witte kaftan gegeven. Als een nachthemd, snap je? En ik kreeg een teddybeer mee.
– Nou, dat klinkt heel sexy, opa…
– Natuurlijk niet! Dat was ook niet de bedoeling. Godver, wat is dat nou!
– De lift stopt. We staan in de lift.
– Ik ga bijna over mijn nek, jongen.
– Rustig aan. We zijn bijna bij je kamer.
– Fijn dat je bent meegelopen, jongen. Jimmy ook, de lul, maar wel de hele avond bij me in de buurt gebleven. Ik weet nog dat ik in de coulissen zat te staren naar al die jongens die daar rondliepen op hun pumps. Dat was wat toen. Echt ondenkbaar. Maar het was een progressieve universiteit. Er zaten ook zwarte studenten op. Best veel.
– Hou je vast, opa. Ik maak de deur even open.
– Heb je het kaartje?
– Nee, ik heb de sleutel net gehaald. Lekker klassiek.
– Ja, jongen, je oma vond dit een fijne plek.
– Ga even op bed zitten.
– Nee! Niet op bed! Dat loopt verkeerd af. Toen ook. Jimmy kwam terug en zag me zo op de grond zitten. Hij zegt: Jezus, nee. Wat de fuck ben jij aan het doen? Hoezo, ik zit gewoon even te zitten, zeg ik. Nou, niet dus. Toen ik opstond kon hij me nog net op tijd de deur uit duwen.
– Ik maak je veters even los. Leun maar op de stoel.
– Jezus, wat heb ik staan kotsen! Ik bleef maar gaan. En toen voelde ik iemand héél zachtjes over mijn rug aaien… Wat-de-fuck, Jimmy, dacht ik!
– Trek je voet er maar uit.
– Dus ik draai me om. En wie zie ik daar?
– Oma?
– Nee, natuurlijk niet, gek! Vanessa! Die zat in mijn psychologieklas. Schitterende vrouw was dat, jongen. Ik was totaal verbaasd en verrukt dat ze daar zat. Dus ik roep: Vanessaaaargh! En ik pomp mijn maag nog een keer helemaal leeg.
– Nee…
– Ja. Gelukkig duwde ze mijn kop opzij, anders had ik haar helemaal ondergekotst. Diep, diep, diep gênant. Ik voel het nog. En het is al meer dan zestig jaar geleden.
– Even je sokken. Ga even zitten op de stoel, opa. Dat kan toch wel?
– En toen kwam Jimmy naar buiten. Hee, zegt-ie, heb je een leuke verpleegster gevonden? Ik heb goed nieuws voor je: je bent vierde geworden, dus we hoeven niet op de prijsuitreiking te wachten. Wat een opluchting.
– Je hebt lekker staan zweten, opa.
– Zijn ze nat? Sorry, jongen. Man, man, man. Ik weet nog dat ik op bed lag. De vriendin van Jimmy zat op mijn buik. Ze was me aan het afschminken. Ik dacht dat ik al helemaal leeg was, maar ik voelde het weer boven komen. Als een vulkaan, jongen. Dus ik gooi haar van me af en race naar de wasbak.
– Even je riem, opa.
– Jimmy staat naast me en hij roept: Gebruik je vinger! Hoezo, vraag ik. Ik sta toch al te kotsen. Ik heb geen vinger nodig.
– Nog even staan.
– Maar dat bedoelde hij helemaal niet. Ik moest mijn vinger gebruiken om de afvoer leeg te ruimen. Hij had de kraan aangezet om de wasbak schoon te spoelen, snap je? Ik begreep pas later wat hij bedoelde. Hij heeft toen met zijn eigen vinger de afvoer leeggeruimd. Dat is pas ware vriendschap, jongen!
– Niet te geloven. Je broek is ook helemaal nat.
– Zag het er nog een beetje soepel uit? Op de dansvloer?
– Je was niet te houden toen ze Talking Heads opzetten!
– Stop Making Sense! Dat was wat toen, jongen. Gekkenhuis!
– Het blijft een fijne plaat.
– Absoluut. Maar je oma was er niet zo’n fan van. Die was meer van de soul.
– Ze heeft het zelf zo geregeld. Alle muziek.
– Hoopte zeker dat ik me een hersenbloeding zou dansen. Wat vind jij er nou van, zo’n crematie met diner en dansfeest?
– Het is weer eens wat anders. Maar niet iedereen kan dat op zo’n moment, denk ik: het leven vieren.
– Je hebt helemaal gelijk, jongen, maar veel van die mensen dansten vroeger ook al niet.

Joseph Conrad, Jan Postma: de redactie las een interessant geconstrueerde klassieker met mooie goedvertelde zinnen en interessante, sterke essays met wat grote woorden.

*

Jan van Mersbergen: Joseph Conrad, Hart der duisternis

‘Ik zal jullie niet al te veel lastig vallen met wat er met mij persoonlijk gebeurde, begon hij, met deze opmerking blijk gevend van de zwakheid van veel verhalenvertellers, die zich al te vaak niet bewust lijken van hun toehoorders.’

De hij is kapitein Marlow, die van de eigenlijk ik-verteller in Joseph Conrads Hart der duisternis het woord krijgt en vrijwel het gehele boek aan het woord blijft.

Wat er gebeurt: een schrijver voert een ik-verteller op, die geeft het stokje al snel over aan Marlow, die gaat op zoek naar Kurtz, waar hij in de derde persoon over vertelt.
Interessante constructie.

Conrad weet hoe je moet vertellen, zijn verteller weet hoe hij moet zwijgen, Marlow wordt niets in de weg gelegd. Die drie vormen dit bijzondere boek. Een moeilijk boek ook, want iedere keer als ik er in begin kom ik net iets verder, die haperingen zeggen ook iets. Marlow vertelt en reist zelf, hij neemt mij soms niet mee.

Maar terug naar het begin. Conrads verteller ziet Marlow voor de Engelse kust op het schip zitten, waarna Marlow het verhaal overneemt. De verteller weet het al: ‘Wij wisten dat we gedoemd waren, vóór het eb zou worden, een van Marlows belevenissen zonder kop of staart aan te horen.’
Daar gaat Marlow.

De constructie werkt goed als je van mooie goedvertelde zinnen houdt, van poëzie. Taal is belangrijker dan verhaal. Als Marlow in zijn verhaal eenmaal in Afrika is waar hij de vertegenwoordiger Kurtz moet gaan zoeken, is er geen weg meer terug. Dan wordt je soms toch meegezogen de Afrikaanse zoetwaterrivier op, de jungle in, naar de duisternis.

Ook begrijp je waarom Conrad koos voor een ik-verteller die een ander personages aan het woord laat om weer derde persoon te worden: Conrad heeft die stappen nodig vanwege de taal. Hij wil het verhaal overlaten aan een van zijn personages, maar die jongen waar hij mee begint is wat vlak en saai en dus voert hij Marlow op die vol bravoure vertelt, met mooie vlotte zinnen, hoog tempo, humor en veel beelden. Die eerste eigenlijke verteller heeft die schwung niet, en dat verschil verantwoordt de constructie van Conrad. Natuurlijk ligt de taal van Conrad dichtbij die van Marlow, maar de lezer staat er twee stappen vanaf, en dat is slim. Marlow zit ver weg in de jungle. Het klopt. De schrijver neemt afstand van zijn eigen vertelling, via twee tussenvertellers.

In het nawoord haalt Bas Heijne, die de vertaling maakte, de film Apocalyps Now aan, waarin het verhaal van Conrad naar Vietnam verplaatst is en Marlon Brando Kurtz speelt. Goed idee, dat verplaatsen. Dat vertellen vanuit de hoogte van waar schrijvers soms van kijken of vanuit een broekie die net in Vietnam is, is in film anders, daar heb je die lagen niet. In de roman moet Marlow met de zinnen van Conrad de hoofdmoot vertellen, op zoek naar Kurtz, over Kurtz.

L.J. Veen geeft Hart der duisternis uit.

Daan Stoffelsen: Jan Postma, Geringere schepsels

U herinnert zich misschien nog dat ik op deze site en in ons tijdschrift maar doorzeverde over bevallingen in de literatuur. Die interesse is er nog steeds, gevoed door het beroep van de moeder van mijn kinderen, maar het was ontegenzeggelijk ook een fase, die volgde op de geboorte van de inmiddels zeven- en vierjarige. Jan Postma zit nu ook in die fase, getuige de bijzondere uitgave Geringere schepsels, vijf sterke essays over geboorte, sterfelijkheid, zichtbaarheid, geschreven op de Jan Van Eyck-Academie. Interessante essays, dwalend van mot naar moth, van de geboorte van M naar de dood van Virginia Woolf, van schaduw in Japan naar nachtdieren in de Antwerpse zoo.

De bundeling is meer een eenheid, en heeft meer spanningsboog en consistentie dan zijn grotere boek Vroege werken [waarover ik in april 2017 schreef]. Maar zijn observaties zijn ook treffend. Ik citeer ruim, omdat ik bij veel instemmend knik, en er ook wel iets over stijl te zeggen valt:

‘Hoezeer J [Postma’s partner, de moeder van zijn kind] ook liet merken dat het weinige dat ik voor haar kon doen van een niet te onderschatten betekenis was, ik bleef voor alles klemzitten in een diepe onbeduidendheid. Gevangen tussen aan de ene kant de kalme professionaliteit van de zusters, en het evident oneindig veel bredere perspectief op de gebeurtenissen van deze willekeurige middag dat dat met zich meebracht, en aan de andere kant de intensiteit van J’s ervaring. Ik voelde de hitte van het vuur waaraan zij zich inmiddels had overgegeven. Ik had kunnen delen in de angst en in de hoop, maar daar eindigde de bereikbaarheid van haar ervaring. Andermans pijn is zo ontoegankelijk als de vreemdste van alle talen. Langzaam maar zeker valt alles weg, totdat er niets anders overblijft dan de pijn die iemand anders doorstaat in het zich uitstrekkende nu waarin we samen verkeren, het voortdurende moment waarin alles even vanzelfsprekend, overweldigend, onbegrijpelijk, willekeurig en betekenisloos is. Maar het was een gedeeld lot dat werd gebaard.’

‘Andermans pijn is zo ontoegankelijk als de vreemdste van alle talen.’ Ik typte het per ongeluk tweemaal over, ik begon blijkbaar weer te lezen, zo kernachtig is het. Afgelopen weekend schreef een mannelijke journalist voor Trouw een stuk over zijn beleving van de geboorte van zijn kind – dit is beter geschreven, beter geduid, en ik herken me er evenzeer in. De onbeduidendheid, het onvermogen te delen in andermans pijn. ‘Maar het was een gedeeld lot dat werd gebaard.’ Mooi.

Maar ook: grote woorden, weinig concreets. Waar is het lichaam in zo’n fysieke scène, het zwoegende gezicht, de armen en benen die te veel zijn, de handen die andere handen zoeken? Is het wel een scène, of vooral een duiding van een gevoel? Is dit het verschil tussen een prozabenadering van deze levensgebeurtenis en een essaybenadering? En waarom die onbegrijpelijk geconstrueerde – ‘geconstrueerd’ vat het goed voor mij samen, misschien is dat zelfs een poëticale kritiek, er is iets onvanzelfsprekends aan Postma’s formulering – tweede zin, met het ‘evident oneindig veel bredere perspectief’? Ik geloof dat ik ook problemen heb met die eennalaatste zin, het gedragen ‘verkeren’, het variërende herhalen van ‘het zich uitstrekkende nu’ en ‘het voortdurende moment’, de opsomming.

Toch maken die bijna klassieke woorden over ‘een gedeeld lot’ veel goed, en het gemak waarmee Postma dan vervolgens zijn dochter zo beschrijft: ‘M, volledig bedekt als ze was door een witte laag die een mengsel van puin en zweet had kunnen zijn, zag eruit alsof ze verantwoordelijkheid droeg voor een opgraving – jong en onbezonnen, onbevreesd voor eerder welke banvloek uit het verre verleden.’ Dat is zo prachtig aaneengeassocieerd, en nog steeds kloppend.

(De overige 61 pagina’s zijn ook de moeite waard.)

Geringere schepsels wordt meegestuurd met literair tijdschrift Terras. Abonneren kan via tijdschriftterras.nl.

Annie Proulx, Rachel Cusk: de redactie las twee vrouwen met zeer verschillende boeken die toch allebei op hun manier werken. Dit is literatuur!

*

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, Kudos

Wat maakt Rachel Cusk zo goed – ondanks alles? Alles, dat is de gekunstelde vorm, van veel indirecte rede in de zelfde toonsoort, de ongeloofwaardige situaties (hebt u dat nou ook, dat iedereen zijn hart bij u uitstort…), de over-the-topwijsheid van de personages (… en alles duidt?). Dat is een romanvorm die meerstemmigheid reduceert tot meerdere verhalen met één stem, dialogen en enscenering marginaliseert ten faveure van uitgebreide persoonlijke verhalen. Die niet toont, maar vertelt.

Zo hoort literatuur niet te werken!

Maar het werkt wel. Toegegeven, Kudos, nu vertaald door Marijke Versluys, is de uitdagendste van het drietal romans dat Cusk in deze vorm goot; Contouren en Transit hadden meer plot, meer samenhang. Het is ook iets meer boekenvak (uitgevers, schrijvers, journalisten) dan de echte maatschappij. Net als in Contouren opent deze roman met de bekentenis van een buurman in het vliegtuig; de uitzonderlijk lange veertiger is uitgeput omdat, naar blijkt nadat hij de ins en outs van zijn werkend bestaan (hij is met pensioen) en gezinsleven uitgebreid uit de doeken heeft gedaan, hij vannacht hun stervende hond heeft laten inslapen en hem heeft begraven. Een uiterst onsympathieke man, die nu terecht in vertwijfeling is over of hij daar goed aan heeft gedaan.

Maar daarna zien we Faye, de vrouw aan wie alles verteld wordt maar van wie we slechts de basisgegevens kennen – gescheiden (en inmiddels hertrouwd, zoals in een bijzin blijkt) met twee zoons, schrijfster, woonachtig in Londen – naar festivals en congressen reizen, onderbroken door interviews die bestaan uit de bekentenissen van de journalisten zelf. Ze laat zich alles vertellen over scheidingen, geluk en ongeluk, over gevangenschap en besluiten over de ander, en ze predikt ook een zekere passiviteit.

Daan Borrel schreef erover in ons #19 (koop dat nummer!):

‘Dan is ze op bezoek bij haar neef Lawrence met wie ze een gesprek voert over het noodlot. Ze vertelt hem dat ze het belangrijk vindt om haar noodlot te leren interpreteren, de vormen en patronen in alles wat er gebeurt, de waarheid ervan te bestuderen. En dat dit moeilijk was als je gelooft in identiteit, “net zo goed als het moeilijk was om te luisteren als je aan het praten was. Ik had al luisterend meer geleerd, zei ik, dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.” Ja, zegt haar neef Lawrence, “maar je moet wel leven. Er bestonden meerdere manieren van leven, zei ik.”
Op de vraag welke manier van leven het echtst is, komt geen definitief antwoord.’

Want beide manieren zijn even echt. Ik zeg wel: ze laat, maar Faye kiest ervoor niet het hoogste woord te voeren, en krijgt daar veel voor terug – drie romans aan materiaal onder andere – en ze kiest ervoor ondanks alle vreselijke relatieverhalen toch te hertrouwen. Maar nu die aantrekkingskracht. Op Athenaeum.nl zal onze recensent Fleur Speet (en oud-redactiesecretaris van Revisor) maandag die bezwaren opnoemen, en betogen dat Cusk de romanverhalenbundel neerzet, flarden verhalen in één stijl.
Wat mij nu zo aantrekt in die vorm, is het onderkoelde drama dat telkens zo gedetailleerd verteld wordt, dat je het gevoel hebt dat alles ertoe doet, meer nog dan uitgebreide enscenering kan. Dat bovendien er veel tegenspraak en nuance ontstaat, die de werkelijkheid van (romantische) relaties in al zijn complexiteit schetst, dusdanig dat je na alle ellende nog kan besluiten toch nog te hertrouwen. En de stijl, die je bijna als die van W.G. Sebald, meetrekt naar de tragische levens die je zelf misschien ook lijdt – maar dan minder gecomprimeerd.

‘Bij elk nieuw verhaal dat ze aan de keukentafel hoorde, zei ze, werd ze wel gedwongen steeds meer te twijfelen aan het karakter van deze man, die ze eens zo aantrekkelijk had gevonden en die ze ondanks alle bewijzen zelfs nu maar moeilijk kon veroordelen. En dan keek ze naar haar eigen man, die geduldig en welwillend naar haar vriendin zat te luisteren, ook al was hij doodmoe van zijn werk gekomen en had hij niet eens tijd gehad iets anders aan te trekken, en dan verbaasde ze zich weer over haar verstandige keuze. Hoe meer vreselijke dingen hun vriendin vertelde over die andere man, hoe meer ze hoopte dat het niemand was opgevallen hoe aardig ze hem had gevonden, tot ze hem zelfs fel begon te bekritiseren, ook al geloofde ze vanbinnen nog dat de vriendin zijn wandaden misschien overdreef. En ook haar man, merkte ze, stelde zich ongewoon kritisch op tegenover hem, wat haar tot het inzicht bracht dat hij al die tijd een hekel aan hem had gehad. “Het kreeg er de schijn van,” zei ze, “dat wij tweeën hun gezinsleven kapot hadden gemaakt, alsof mijn verborgen liefde en zijn verborgen haat hadden samengespannen om het onderwerp van onze verdeeldheid te vernietigen.”‘

Zo dus. Je wilt doorlezen, hoe het nu verder gaat met deze vriendin, en met henzelf, want er staat spanning op. Zelfopgeworpen spanning, want die schijn van dat kapotmaken, dat voelen alle vertellers in Kudos, alsof ze de macht hebben een ander leven te vernietigen. Met het laten inslapen van de lievelingshond van je dochter bijvoorbeeld. Maar dat is natuurlijk slechts het verhaal. Of niet? Dat die vragen naar bovenkomen, blijven komen, bij herlezing ook – is misschien de grootste aantrekkingskracht van Cusks werk. Dit is geweldige literatuur, want het vragen houdt niet op na het (fantastische, broeierige) slot.

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. Athenaeum.nl publiceerde voor uit Kudos.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

In het zeer korte verhaal ’55 Mijl naar de benzinepomp’, van Annie Proulx (vertaling Regina Willemse), stapt veeboer Croom een ravijn in, hij sterft, waarop mevrouw Croom in hun huis op zoek gaat naar wat haar man heeft achtergelaten: een aantal vrouwenlichamen op een zolder. Bijzonder verhaal, door de afstand in de vertelling.

Proulx beschrijft geen gruwelijkheden, eerder berusting. De daden van veeboer Croom zijn achter de rug, het leed van de vrouwen die op een of andere manier op de zolder terecht zijn gekomen en ‘intensief zijn gebruikt’, zoals Proulx het noemt, wordt niet beschreven, alleen de ontdekking van de daden door de vrouw en vier kleine woordjes: ‘net wat ze dacht’. Ze wist het eigenlijk al. De ontdekking is een bevestiging.

En veeboer Croom op zijn beurt valt niet zo maar in de afgrond, ook al is hij dronken, hij kent de weg, en ook hier een paar kleine woordjes als hij een pad inslaat dat bij het ravijn uitkomt: ‘zo weet hij’.

Het verhaal gaat niet over de gruwelijkheden maar over het samenleven van een man en een vrouw in een vreemd geheim, een verbond tussen twee mensen dat met een conclusie-achtige slotzin wordt bezegeld: ‘Wie afgelegen woont, creëert zijn eigen pleziertjes.’

De bundel Brokeback Mountain, met een beeld uit de succesvolle verfilming voorop, staat vol met dit soort verhalen: bondig, groots, zeer goed geschreven, Nobelprijswaardig. Toen DWDD me een tijdje terug vroeg welke drie schrijvers als het aan mij ligt de Nobelprijs mogen krijgen stond de naam Proulx vrijwel meteen in het rijtje.

In ‘Een eenzame kust’ ook een mooie vertelvorm: een jij-vertelling vanuit een onzekere vrouwelijke ik, die haar eigen leed mengt (ze betrapte haar man op de oppas van vijftien) met een heftige gebeurtenis waarbij ze slechts zijdelings betrokken is, een bizar ongeluk of eigenlijk een vechtpartij op de snelweg die totaal uit de hand loopt.

Dit verhaal gaat over impulsen. Haar man kon de oppas niet weerstaan, de andere personages deden maar wat op die snelweg, iemand schoot, ze slikten pillen, chaos. De verteller berust ook: ‘Vriend, het is makkelijker dan je denkt om toe te geven aan de duistere impuls.’

Vooral dat algemene in ‘de duistere impuls’ is indrukwekkend, heel rustig verteld maar ook op een manier die zegt: iedereen komt die impuls tegen. Het waart rond en overvalt je.

Op een gegeven moment, als ik veel van Proulx verhalen achter elkaar lees, gaan die conclusies mij tegenstaan, ze maken de verhalen erg rond en een beetje netjes, maar de intensiteit is zo hoog en de technieken zo goed toegepast, dat ik die paar slotzinnetjes prima kan hebben.

In ‘Curriculum vitae’ beschrijft Proulx het woelige leven van Leeland Lee aan de hand van de baantjes die hij had en wat er in het nieuws was op dat moment. Lee trouwde en kreeg kinderen, Vietnam was op tv, hij werd tankstationhouder, bij een sekte namen heel veel mensen gif, hij ging in de vleesverwerking, San Francisco verslaat Denver in de football-finale.

Een cv van een gewone man, in het kader van de hele wereld, dat doet Proulx en dat is zeer indrukwekkend. Herleeswaardig.

Ook die jij-vorm en vertelling in ‘Mensen in de hel willen slechts een slokje water’. ‘Je staat daar en zet je schrap.’ Dit is misschien wel het beste verhaal. Over twee gezinnen met flink wat kinderen. In het ene gezin komt een roodkarige verminkte zoon terug uit de stad, opgeraapt door een methodistische dominee in de stad. Hij heet Rasmussen, kortweg Ras. Hij ontpopt zich tot een idiote potloodventer. De zonen van het andere gezin kunnen hem niet uitstaan. De vader van Ras zegt: Pas maar op met je fratsen, ze nemen je te grazen. Ras lacht hysterisch. De vader denkt dat hij inderdaad gek is, maar de jongen blijft in het vervolg wel thuis. Het lijkt te helpen, die preek, maar uiteindelijk hebben de jongens van het andere gezin deze arme Ras al te grazen genomen: ’Ze hebben het al gedaan. Ze hebben het al bij hem gedaan en nog met een smerig mes ook.’

Er volgen nog wat details van Ras’ liesstreek en zijn been, en dat is het. De moeder van Ras voelt vooral schuld: een hopeloze daad met een ander kindje draagt ze als een enorme last met zich mee, dat heeft ertoe geleid dat die jongen zo geworden is.

Wanhoopsdaden, een kort verhaal (slechts 22 pagina’s) over wanhoopsdaden, en eigenlijk over een groot aantal levens in een mistroostig groot gebied dat door Proulx op een onvergetelijke manier op de kaart is gezet: Wyoming.

Peter Terrin, Sarah Hall: de redacteur las een droomachtige roman waarin alles wat scherp leek, schaduw blijkt, en een ijzersterke verhalenbundel met intense verhalen.

*

Daan Stoffelsen: Peter Terrin, Patricia, en Sarah Hall, Madame Zero

Stel. Je leven is op orde. Je hebt een man, een vijfjarig zoontje, een bevredigende baan, en dan glijdt je mobiele telefoon gedurende een zakelijk gesprek in het bad waar je kind in zit. Je loopt weg. Je rijdt weg.

‘Als mama niet in de badkamer was, dan was ze beneden aan het werk. Zoals altijd. Als hij mama riep, zou ze komen.
Ik ben gek geworden, fluisterde ik.
Het duurde nog een paar seconden, en toen werd ik bevangen door paniek. Twee, drie seconden stond ik daar roerloos bij de picknicktafel, net over de grens van mijn eigen leven, en keek toe.
Ik rende naar de auto. Ik moest zo snel mogelijk terug.’

En dan keer je dus om, en kijk je thuis, en lijkt het leven gewoon door te gaan. De eerste pagina’s van de nieuwe Peter Terrin zijn ijzingwekkend, de paniek slaat op je over, maar daarna wordt het surrealistisch. Want zijn hoofdpersoon, Astrid, besluit weg te blijven. Ze vreest de woede van haar echtgenoot, rijdt wat rond, bezoekt een oude vriendin, raakt bevriend met een jonge man in een mindere wijk, bezoekt haar demente vader – en af en toe komt ze terug, om het huis te observeren. Van wie is die SUV? Welke vrouw staat daar in hun slaapkamer?

Maar wat als er dan een politiebericht over haar vermissing wordt uitgezonden? Wat als, een paar dagen later, haar overlijdensadvertentie in de krant staat? Wie kunnen van het tegenovergestelde getuigen?

‘Ik keek om me heen. Dit moest een flauwe grap zijn. Ik zocht hulp op de gezichten. De dienster, de barvrouw, het koppel naast me. De bejaarde man en zijn zoon in de hoek. Niemand viel uit zijn rol.’

De grote aantrekkingskracht van Patricia is de mysterieuze plot. Want ná die advertentie besluit Astrid nog eens haar huis binnen te sluipen en bij haar zoon te gaan liggen. Ze wordt wakker, en alles gaat gewoon door – met kleine wijzigingen. Dat kán niet. (Ik wil dat maar even gezegd hebben.) Hoe kán dat?

(Joost de Vries zegt dat Terrin een omgekeerde Patricia Highsmith schreef. Joost is beter belezen dan ik ben, maar misschien kan Jan hier iets zinnigs over zeggen. Jan, zal ik jou mijn exemplaar toeschuiven?) En, in het verlengde daarvan: hoe kan een doodgewoon leven doorgaan? Wat zijn de patronen van ons dagelijkse leven? Hoe goed kennen we elkaar en onszelf?

Ja zeg, zulke vragen roept elke goede roman op, maar door het alternatieve leven van Astrid als vanzelfsprekend te tekenen: die wijk die in niets op België lijkt, die jongen met wie ze bevriend raakt, een Roemeense straatfotograaf, Roman heet hij, een feest, hoe ze sluipenderwijs in een korte affaire verzeild raken, en hoe ze even natuurlijk weer inpast in haar oude leven, er worden geen vragen gesteld, door dat alles geeft Terrin verdieping. Nee, vanzelfsprekend is de verkeerde term: voor de lezer is de opeenvolging van gebeurtenissen heel normaal, maar Astrid overweegt alles, duidt, analyseert, in Terrins vloeiende stijl.

  • ‘Roman wilde betalen maar dat liet ik niet toe en plots leken we moeder en zoon.’
  • ‘Ik herkende iets in Roman.’
  • ‘Overal om mij heen haarscherpe lichtpatronen en schaduwen die herkenbaar in- en uitschoven. Ik merkte dat ik lachte.’
  • ‘Ik vond zijn beleefdheid geruststellend, tegelijk vond ik dat hij een beetje overdreef, zo oud was ik niet.’
  • ‘Wat mij opwond was de gedachte aan zo-even, mijn gebaar. Onbeschroomd mijn borst aanbieden aan een jongen als Roman.’

En dat biedt een derde lijn. Patricia is als een droom, en een ontwaken waarbij de beelden nét verschoven zijn, een dromen en ontwaken waarbij de dromer zeer bewust meekijkt. Waarin alles scherp lijkt en herkenbaar en in- en uitschuift maar je uiteindelijk niet weet waar licht en waar schaduw was. Een boek om over door te denken. Een boek ook dat wat mij betreft drie keer zo dik had mogen zijn.

Zo, heb ik de tussendoortjeskanttekening ook eens gemaakt. Terwijl dat geen recht doet aan een oeuvre, aan een auteurschap: de verhalen in Terrins romans lopen in elkaar over, tonen verwantschap, net als de personages een familie vormen met elk een noodlot dat alleen deze vorm kan hebben, Terriniaans.

*

Dat is ook waarom ik alsnog Sarah Halls Madame Zero oppakte. Ik heb destijds kennis met haar werk gemaakt door haar vorige verhalenbundel, De prachtige onverschilligheid, maar ben verslingerd geraakt aan haar romans, die gebouwd zijn rond eigenzinnige personages in bijzondere omstandigheden. Haar werk is niet vrij van engagement, maar ze laat het verhaal het werk doen.

Haar kortere verhalen hebben een kleiner bereik maar een grotere intensiteit. Uit haar vorige bundel was het openingsverhaal ‘Butcher’s Perfume’ genomineerd voor de BBC National Short Story Award; met het openingsverhaal van deze bundel, ‘Mrs Fox’, won ze hem. Bovendien is het slotverhaal, ‘Evie’, genomineerd geweest voor de Sunday Times EFG Private Bank Short Story Award (daarvoor was ze ook al eerder genomineerd). Dat doen ze goed in Groot-Brittannië, die prijzen voor korte verhalen. In Nederland zou je een willen voor één verhaal (de kleine Biesheuvel? De VPRO Nationale Korte Verhalenprijs? De NRC Handelsblad Hof Hoorneman Korte Verhalenprijs?).

Wat ‘Mrs Fox’ en ‘Evie’ bovendien onderscheidt van de rest van de bundel is de erotiek. Het eerste verhaal gaat over een harmonieuze relatie met goede seks, en goed beschreven. De zinnen zijn staccato, zonder overgave, afstandelijk beschrijvend, maar daardoor spannender, en er vallen gekke dingen op: zijn ‘relief’, haar verwilderde schaamhaar.

‘They kiss. He feels relief, but over what he’s not sure. He untucks her blouse, slips his fingers under the waistband of her skirt. She indicates her willingness. They move upstairs and reduce each other to nakedness. He bends before her. A wide badge of hair, undepilated, spreads at the top of her thighs. The taste reminds him of a river. They take longer than usual.’

‘And what of this wife? She is in part unknowable, as all clever women are,’ schrijft Hall, en dat mysterie werkt ze uit. De vrouw wordt ziek, en bij een boswandeling verandert ze in een vos. Volstrekt geloofwaardig, de metamorfose is ovidiaans, terwijl ze rent. De focus komt nu helemaal op de man te liggen, want zijn vrouw is nu echt niet meer kenbaar. Wat rest, is een verhaal van trouw ondanks verlaten te zijn, en een bepaalde uitzichtloosheid. Knap gedaan.

Eigenaardig genoeg is ook ‘Evie’ vanuit een man geschreven; de naamgever van het verhaal wordt opeens grenzenloos, bandeloos, en hij kan zijn ultieme seksfantasieën uitvoeren. Maar er is iets mis, er is een oorzaak van haar persoonsverandering. Uiteindelijk zie je vooral de mannelijke hoofdpersoon echt anders.

Van de negen verhalen zijn er andere zeer memorabel, juist ook met vrouwelijke hoofdpersonen, met als decors een operatiekamer en de weg naar een mortuarium. Er is ook een toekomstverhaal waarin er permanent storm is, en je slechts goed voorbereid de deur uit kan als je nog eten of gebruiksvoorwerpen wil vinden. Net als het operatieverhaal is het dystopisch, een van de registers die Hall uitstekend bespeelt. Een aanrader kortom, en ook hier: geen tussendoortje, maar een representant van een sterk oeuvre.

De Bezige Bij gaf Patricia uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Faber & Faber geeft Halls werk uit. Op hun site is het operatiekamerverhaal te lezen: ‘Theatre 6’.

Hier het tweede, al aangekondigde verhaal, van Lotte Dondorp, in de reeks 5

Hier het tweede, al aangekondigde verhaal, van Lotte Dondorp, in de reeks 500 à 1.000 woorden. Na ‘Kapstokken’ vandaag: ‘De vleermuis’.

*

Toen ik er voor de derde keer kwam groette hij niet meer bij het opendoen. Hij keek me aan en stapte opzij om me binnen te laten. Ik ging aan de houten tafel bij de vensterbank zitten, waar mijn vulpen en schrift al voor me klaarlagen. ‘Wedden dat jij daar niet naar binnen durft te gaan,’ had Jérome gezegd.

‘Je krijgt drie gulden als je er binnen bent en vijf als je er langer dan een uur blijft.’ Samen met de andere jongens uit de straat hadden we al vaker een glimp van zijn woonkamer proberen op te vangen, door de woekering van de langzaam bruin geworden kamerplanten op de vensterbank heen. Soms zagen we hem buiten lopen. Hij droeg een linnen boodschappentas waarvan een van de hengsels stuk was gegaan. Zijn linkervoet bewoog bij elke stap iets naar binnen en hij keek niet door de ramen van de huizen, zoals alle andere mensen die door de straat liepen.

Hij had lange, dunne vingers (precies zoals ik me had voorgesteld dat Dracula zou hebben) die hij langs de cd’s in zijn boekenkast liet glijden. Ik kende de pianomuziek die hij draaide niet. Toch koos hij elke vrijdag zorgvuldig een cd uit, noemde Duitse namen en keek me bij het inzetten van de eerste noten even peinzend aan. Daarna ging hij met zijn rug naar me toe aan zijn bureau zitten en begon te typen.

‘Die man schrijft een boek over vleermuizen,’ zei Jéromes moeder, terwijl ze het gordijn een stukje verder opzij trok. ‘En je kunt er maar beter uit de buurt blijven,’ voegde ze er na een stilte aan toe. Jéromes moeder spaarde cactussen en vanachter haar raam hield ze alle huizen aan de overkant in de gaten: ze keek hoe laat mijn moeder de gordijnen opendeed, of het dan al middag was, of er iets van beweging te zien was in het huis van de vleermuizenman.

‘Ik maak een werkstuk over vleermuizen,’ zei ik. En of hij misschien wat informatie had. Hij keek me lang aan, knikte en liep voor me uit naar de woonkamer. ‘Ga maar zitten,’ zei hij en hij wees naar de tafel. Hij legde dikke boeken over vleermuizen voor me neer en een map vol plaatjes en knipsels. Hij zei dat ik vijf plaatjes mocht uitkiezen om in mijn werkstuk te plakken. Ik bekeek de map en dronk van de thee die hij me was komen brengen. De kopjes van de vleermuizen stonden droevig, hun zwarte kraalogen staarden de camera in. Sommigen lieten hun scherpe tanden zien, anderen klapten hun donkere vleugels uit.

De tweede vrijdag nam ik mijn vulpen en een leeg schrift mee van school. Nu was ik ook aan het werk als hij achter zijn bureau zat en alleen met zijn middelvingers hard op het toetsenbord sloeg, dwars door de zachte muziek van de piano heen. ‘Eigenlijk schrijf ik mijn werkstuk over vampiers,’ zei ik tegen de lange, typende rug. Ik keek naar hem, hij draaide zich langzaam om. Zijn gezicht was donker, bruinverbrand. Hij had veel rimpels. Jéromes moeder zei dat hij eruit zag als iemand die jarenlang door vreemde landen had gedwaald en alleen maar in de buitenlucht had geslapen. Naast zijn rechteroog had hij een litteken: drie dunne witte streepjes.

‘Dracula was ook een vleermuis,’ zei hij. Ik knikte. Hij sloot zijn ogen en begon te spreken, zonder nog op mij te letten. Het klonk alsof hij een gedicht voordroeg: ‘Ik zag alleen de door de maan verlichte hemel, waarin een grote vleermuis geruisloos als een schim naar het westen wiekte. Doorgaans fladderen vleermuizen, maar deze leek in een rechte lijn te vliegen, alsof hij precies wist waar hij moest zijn of zijn eigen plannen had.’ Ik wist niet goed wat ik moest zeggen, of ik het misschien had moeten opschrijven. ‘Dat komt uit het boek Dracula,’ zei hij. ‘Mooi klinkt het, hè?’ Hij keek naar de lucht, toen een tijdje naar zijn handen en ineens was hij weer aan het typen, alsof hij ons gesprek vergeten was.

Soms, als ik daar zat aan de lange tafel met de plaatjes en de boeken om me heen, zag ik hoe Jérome tussen de planten op de vensterbank door naar binnen probeerde te gluren. Ik keek niet naar hem, beet op de binnenkant van mijn wangen en probeerde zo netjes mogelijk te schrijven. In mijn schrift tekende ik grote lege vierkanten waar de plaatjes van vleermuizen moesten komen. Ik plakte ze niet in, ik bleef maar door de map bladeren en wist niet welke ik moest kiezen. Het was niet gelukt om alles wat ik opschreef netjes in hoofdstukken in te delen zoals hij had gezegd dat ik moest doen. Ik schreef maar wat, soms iets wat ik verzon, soms iets wat ik vond in één van de boeken die hij voor me had klaargelegd. Ik bladerde in een aan elkaar geniet vergeeld boekje dat Bloemen en vleermuizen heette en er was een boek met zwart-witfoto’s over hoe je vleermuizen kunt beschermen waar ik maar in bleef kijken. Deze week lag er ook een boek over Dracula zelf op de stapel en over de Ierse man die Dracula had geschreven. ‘Dracula speelde orgel,’ zei ik, ‘geen piano.’ Ik zag dat hij knikte, hij hoefde zich er niet voor om te draaien.

Op een dag was hij ineens verdwenen toen ik opkeek van mijn schrift, er klonk alleen nog de zachte pianomuziek in de lege woonkamer. Ook in de gang was hij niet. Boven deed ik deuren van kamers open. Stiekem was ik bang dat hij uit een kast zou stappen, dat ik een doodskist zou vinden misschien. Er was een kamer waar doeken over de meubels lagen en in de kamer waar hij sliep waren de gordijnen dicht. Ik ging op het bed zitten en keek naar de pentekeningen die ingelijst aan de muur hingen. Geen tekeningen van vleermuizen, zoals ik verwacht had, maar van mensen: een man, een vrouw, een jong meisje. Beneden viel de deur dicht en ik liep naar de trap om van bovenaf te zien of hij het was. Hij stond in de gang met de linnen boodschappentas in zijn hand. Hij leek het niet erg te vinden dat ik boven was. ‘Ik heb roze koeken gehaald,’ zei hij. ‘Voor als je nog even wilt blijven.’

Beneden in de woonkamer vertelde hij hoe vleermuizen vliegen en we hieven onze armen op en deden het na. We hadden vleugels als de vleermuizen, er zat zwart dun vel tussen mijn vingers en we wiekten door de lucht, we probeerden in een rechte lijn te vliegen, alsof we precies wisten waar we moesten zijn, alsof we precies wisten wat onze plannen waren. Hij was een grote vleermuis en ik een kleine. Er knalde een voetbal tegen het raam.

Een van de laatste keren dat ik er kwam lag de tafel vol kranten. Hij legde er een plastic Albert Heijntas bovenop. ‘Uilenballen,’ zei hij. ‘Zo kun je leren over gewone muizen.’ Hij ging zitten en haalde zwarte balletjes uit de tas, plakkerig, harig, en legde ze op de kranten. ‘Hier zitten botten in. Kaken, tanden, schedels, van kleine dieren die door uilen worden opgegeten. De uil braakt al die botjes en haren uit in een bal en wij mensen gaan dan weer kijken wat erin zit.’ Ik staarde naar de witte streepjes naast zijn oog en bedacht hoe ik Jérome erover zou vertellen en daarna wist ik dat ik Jérome er helemaal niet over zou vertellen.

‘Heb je een vader en een moeder,’ vroeg hij.
‘Een moeder,’ zei ik.
‘Weet je moeder waar je nu bent?’

Ik knikte en veegde het plakkerige zwart van het muizenkaakje dat ik vasthield. ‘Kijk,’ zei hij en in zijn hand lagen kleine, scherpe tandjes. ‘Dit zijn de tanden van de bosspitsmuis. Dat kun je zien doordat ze een beetje rood zijn.’ Hij zette thee en ik bedacht dat Jérome had gezegd dat ik nog eens drie gulden zou krijgen als ik iets zou eten of drinken in zijn huis. Toen hij weer aan zijn computer zat, ging ik naast hem staan om mee te kijken. Hij stopte een cd-rom in het laatje en opende een encyclopedie die hij Encarta noemde. Hij liet nieuwe plaatjes zien. Vlerken, zo heetten de vleugels van vleermuizen. Dat wist ik nu.

Jérome schopte tegen de kiezels op de grond.
‘Wat doe je daar nou elke vrijdag.’
‘Gewoon,’ zei ik.
‘Mag ik een keer mee?’
‘Nee.’
‘Mijn moeder gaat met jouw moeder praten,’ zei hij. ‘Hierover.’
Ik schopte ook tegen de kiezels.
‘Jouw moeder is niet goed snik, zegt mijn moeder. Dat ze niet eens weet waar je elke vrijdagmiddag rondhangt.’
‘Misschien,’ zei ik. ‘Misschien mag je over een tijdje een keer mee.’

Op die laatste vrijdag kwam ik zo vroeg als ik kon. De muziek stond al aan. Ik ging zitten en probeerde de lege blaadjes van mijn schift vol te schrijven. Hij zette thee en ik wist dat ik het moest zeggen, maar ik hoopte dat er nieuwe uilenballen in de plastic tas zaten die ik in de keuken had zien staan en dat hij voor zou lezen uit een van zijn oude boeken. Hij zei niet veel en ik haalde vijf plaatjes uit de map, legde ze op de opengelaten vierkanten in mijn werkstuk, lijmde ze langzaam vast. Ik hoorde het harde slaan van zijn middelvingers op het toetsenbord.

‘Ik mag hier niet meer komen.’ Hij stopte met typen, ik keek naar zijn rug. Ik bewoog me niet tot hij zich omdraaide. Naast mijn oog had ik met typex drie witte streepjes getekend, maar ik wist niet of hij het zag.

00 à 1.000 woorden. Na ‘Kapstokken’ vandaag: ‘De vleermuis’.