Voor De Revisor 21 schreef Viktor Frölke het verhaal ‘Drie dingen die ik met mijn vader heb gedaan.’ Frölke gaat door met ordenen en tellen, nu over negen manieren om te sterven als dichter, anders dan zelfmoord.

*

1. Het potloodje

De dichter, die net een kort onderhoud heeft gehad met zijn redacteur en publiciteitsmedewerker, op de derde verdieping van het grachtenpand waarin de uitgeverij zetelt die in het najaar zijn nieuwe bundel zal uitgeven, – althans dat is het plan, op het omslag zal een vogel prijken, een fitis, bekend van zijn merkwaardige, haast slobberachtige fluitje, alsof hij fluit met zijn snavel in een kom water –, die dichter dus, komt ten val op het overloopje van het imposante trappenhuis en belandt op een dusdanige manier op de marmeren vloer dat het potloodje, dat hij te allen tijde in de binnenzak van zijn jasje draagt, zich in zijn rechterlong boort. Tijdens de behandeling van de perforatie van de long wordt bij de dichter uitgezaaide longkanker vastgesteld. ‘Fitis’ verschijnt postuum, hetgeen de verkoop niet schaadt.

2. Vleugel

Een concertvleugel van transparant kunststof, die uit een op de eerste verdieping gelegen opnamestudio van een reclamebureau wordt getakeld, – de ochtendzon schittert dwars door het machtige instrument heen –, raakt in het ongerede en landt bovenop de dichter, die, tegen zijn gewoonte in, de wegversperring had genegeerd en onderlangs voorbij loopt, ietwat nerveus op weg naar zijn eerste tinderdate. Uit de klep van de vleugel alsook uit de keel van de dichter stijgt op het moment van impact een dissonant geluid op, dat, voor wie er oor voor heeft, met elkaar in overeenstemming lijkt.

3. Verliefd

Dromend over het eerste en enige meisje op wie zij ooit verliefd was, op de lagere school, een meisje uit China, met volmaakte huid, haardracht en tanden, een ontwapenende lach en een tong die nog het meest op een ijslolly leek, draaide de 91-jarige dichter zich om en viel uit bed. Vierenhalf uur later werd zij gevonden door de dienstdoende mantelzorger, die in het ongewisse was over haar dichterschap, aangezien zij sinds de bundel ‘Hu’, verschenen in de jaren zeventig, bij een obscure uitgeverij die allang ter ziele is, niets meer had gepubliceerd.

4. Bad trip

Terwijl de dichter onderzoek doet bij native Americans in Brazilië voor een lang episch gedicht, werktitel ‘Rooksignalen’, waarvoor hij van de Stichting Jan Hanlo vijfduizend euro subsidie heeft ontvangen, raakt hij na overmatig gebruik van ayahuasaca in een bad trip, hartfalen als gevolg hebbende. In de wijde omtrek blijkt niemand hem te kunnen of willen helpen. Het manuscript van het epische gedicht, bestaande uit een dozijn volgekraste schoolschriften, is overgedragen aan de Jan Hanlo-stichting, die het heeft opgeslagen in een kluis.

5. Kogelvis

Als hij de kans krijgt als groupie mee te reizen met de band van zijn beste vriend, een hitgevoelige popmuzikant, op diens tournee door Japan, overspeelt de dichter op een avond zijn hand door in het Tokyo’se restaurant fugu ofwel kogelvis te bestellen, een gerecht dat dodelijk kan zijn indien incorrect bereid. Diezelfde nacht nog, in de badkamer van de hotelkamer van het Peninsula Hotel, probeert hij vergeefs zijn maag leeg te kotsen, terwijl zijn vriend stomdronken op bed ligt, zijn kleren nog aan.

6. Scooter

Onderweg van de tramhalte naar het trottoir wordt de dichter, die pertinent weigert om met de fiets door de stad te gaan onder het motto ‘dichters fietsen niet’, geschept door de elektrische scooter van de geluidstechnicus van een cultureel podium dat veel aan spoken word doet.

7. Duel

De dichter heeft zijn aartsrivaal uitgedaagd voor een duel, uit te vechten met echte, werkende, achttiende-eeuwse pistolen, vriendelijk beschikbaar gesteld door een verzamelaar uit Gent. Het duel vindt plaats op een lome zaterdagmiddag aan de rand van een goed beschut veld in het Amsterdamse Bos, in het bijzijn van de Gentse verzamelaar, een sportarts (een vriend van de dichter) en een moeder met kinderwagen die toevallig kwam aan joggen. De rivaal, ook een dichter, had gewaagd het nieuwe kapsel van de dichter in een recensie van diens Verzameld Werk te omschrijven als ‘een coupe waarbij Hitlers konthaar nog gunstig afsteekt’. De dichter die om het duel had gevraagd wordt door een kogel geraakt in zijn maag. Hij begint hevig te bloeden. De sportarts staat machteloos, wil een ambulance bellen, maar de wapenhandelaar houdt hem tegen. De uitgedaagde dichter, slechts door een kogel geschampt aan zijn ongeschoren kaak, ziet een paar dagen later kans om in dezelfde krant een welwillende necrologie te schrijven waarin met geen woord wordt gerept over het duel of het voorafgaande conflict.

8. Lift

In een buitenwijk van Bologna, waar de dichter dankzij Poetry International, en toch ook wel haar ouders, die haar treinreis en nieuwe laptop financieren, een half jaar mag logeren in een leegstaand fabriekspand, blijft de dichter, vlak voordat ze weer naar huis zou gaan, hangen in de werklift tussen de vierde en de vijfde verdieping. Aanvankelijk kan ze de humor nog wel inzien van dit bedrijfsongeval, maar niet veel later, haar telefoon is dood en haar waterflesje leeg, schreeuwt ze haar stem schor om hulp. In het belendende klooster blijft het stil. Nota bene op de eerste dag van haar verblijf als poet in residence had ze er een keer belletje getrokken, uit balorigheid, en toch ook wel nieuwsgierigheid – melig deed ze er verslag van op social media – maar toen werd er dus ook niet opengedaan.

9. Kiri te Kanawa

De dichter had er zijn levensproject van gemaakt om Kiri te Kanawa te worden. Niet alleen had hij zijn naam veranderd in Kiri te Kanawa, hij had ook cosmetische chirurgie ondergaan om meer op Kiri te Kanawa te lijken, en zanglessen genomen om zijn stem, al was het maar een fractie, dichter in de buurt te brengen van het origineel. Toen hij genoeg geld had gespaard voor een geslachtsveranderende operatie, en hij zijn eerste dichtbundel, ‘Kiri te Kanawa’, in Nieuw Zeeland wilde lanceren, sleepte het management van Te Kanawa de dichter namens de familie voor de rechter. De dichter ging in hongerstaking tegen de uitspraak en bezweek na vijftien dagen in zijn AirBnB-appartement in Auckland.

Beeld © Anne Reinke

Dinsdag 16 april 17.00 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat Daan Stoffelsen in gesprek met Eva Meijer, naar aanleiding van haar nieuwe roman Voorwaarts. Het is de achtste aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

Vrijdag 17 mei is de volgende aflevering, met Rob van Essen!

Over Voorwaarts

In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune genaamd De groene weg op te richten. Hun doel is om in harmonie met de aarde te leven, iets dat ze hopen te bereiken door middel van nudisme, veganisme en gelijkheid tussen man en vrouw. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van Sophie Kaïzowski, een van de leden van De groene weg. Sam raakt betoverd door Sophies verhalen, over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, de vrouw van oprichter Louis, Victors ritmische gymnastiek, hun politieke strijd en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen geliefde en haar beste vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven.

In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen de dwang van onze maatschappij en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.

Op Athenaeum.nl publiceerden ze voor uit Voorwaarts! En bespraken ze De soldaat is een dolfijn, maar ook haar vorige non-fictieboek Dierentalen, publiceerden voor uit De grenzen van mijn taal en Het vogelhuis en interviewden we haar: ‘Zelf denken is altijd belangrijk – niet alleen politiek maar ook existentieel.’ Later sprak zij de laudatio voor Ali Smith uit tijdens haar bezoek aan Amsterdam, en richtte ze de Boekenweeketalage in. Meijers boeken werden eerder voor grote literaire prijzen genomineerd en de Socratesbeker; ze won de Halewijnprijs voor haar oeuvre en de Hypatiaprijs.

Athenaeum vs. Revisor

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En u kunt daarbij zijn.

Iduna Paalman, van wie we eerder het minifeuilleton ‘Blitzmädel’ publiceerden, schrijft ook poëzie. Van haar zijn de ‘Twee gedichten’ van deze maand: ‘Altijd welkom’ en ‘Vermommingen’.

*

Altijd welkom

Ze zeggen dat als je een huis hebt gekocht, er een boomgaard omheen hebt geplant, nee
een boomgaard gekocht er een huis omheen geplant, de zee op ruikafstand hebt gelegd
het geheel een naam hebt gegeven, dat je dan kunt spreken van een opgebouwd bestaan.

Daarna begint het vertellen: zet een uitroepteken achter elke zin voor extra bezieling, rol
je op langs de randen van je verhaal voor een huiselijk tafereel. Meer heb je niet nodig.
Stop met werken om het geheel te professionaliseren, nodig mensen uit, luister naar ze,
je bent een gesprek begonnen voor je er erg in hebt.

Dan komt het aanraken: de appels haal je van je land, sommige hebben stootschade, je
brengt ze naar een bedrijf dat er sap van maakt. Wat je weet van betasten: dat het raadzaam
is om voorzichtig te knijpen, als het geknepene terugveert is het goed. Je hebt gelezen over
de Watermelon app, je telefoon ‘hoort’ met een tik op de vrucht of die eetbaar is, dat lijkt
je handig, soms kun je aan de buitenkant niet zien of iets vanbinnen volgroeid is

dit is waar je naar gezocht hebt, zeggen ze. Een aanraking die tegelijk een huisvesting is,
bomen die niet alleen de juiste vruchten, maar ook de zeelucht dragen. Een bordje dat
je langs de weg kunt zetten, een tent die opgezet kan worden in de tuin. Je stuurt me
een bericht: dat ik nu altijd welkom ben.

 

Vermommingen

Zuig een leeggedronken waterflesje vacuüm, zie hoe de hals in de romp verdwijnt
haal je mond weg, draai de dop erop, dit is de nieuwe situatie, zo trekken mijn botten
samen, kraakt mijn nieuwe lichaam
 
als mijn vader zegt dat iemand mager in de kop is bedoelt hij: dom
buurman Ruud is mager in de kop want hij besteedt al zijn tijd aan procederen
tegen bouwen in de boswal. Ik ben ook tegen bouwen in de boswal maar mijn kop
is juist de enige die nog zwaarte draagt: dit is mijn neus, dit zijn mijn ogen, ik kan
ze aanwijzen, er is iets om aan te wijzen

de rest is krimpgebied. Als je huid geen longen bedekt maar in elkaar geperste
pogingen tot peristaltiek, er wel water voorhanden is maar je het absorberen bent verleerd
als niemand meer bij je kan schuilen voor bijvoorbeeld een plots aangebroken
weersverandering of iets in de familiesfeer, omdat juist dat is wat je verloren bent:
een omhulling te zijn, iets dat iemand bij je in bewaring kan geven – waar zou je
het in hemelsnaam moeten laten, alles ligt kromgebogen naar adem te happen

dan ben je nog niet jarig, aldus eveneens mijn vader die er tenminste nog een mening over
heeft, ik vroeg hem hoe je dorst moet uitleggen als je de onderdelen vocht, mond en tong
niet mag gebruiken, je mag het met ‘vloeibaar’ proberen maar let op: daarna hou je
weinig woorden over

hij deed de volgende poging: sommige weeskinderen stelen kleren, klampen zich vast
aan het grondpersoneel, zeggen dat ze hun ouders kwijt zijn, noemen zichzelf Jessica Mayer
omdat identiteit voor honger gaat, voor dorst, zo kan ook de maag zich in de ribbenkast
verstoppen, de slokdarm in de hersenen, vermommingen die je op het blote oog gelooft

tegen Ruud hoorde ik hem over de schutting zeggen: zuig aan een leeg flesje, merk
hoe huls massa wordt, dat is hoe mijn dochter massa kon worden, tegelijkertijd al aan het
verdwijnen is, we meten de fases aan het afglijden van haar accessoires.

Evelien Vos, Marga Minco: de redactie las een romandebuut om voor te lezen, en een veel ouder debuut, van een P.C. Hooftprijswinnares inmiddels, dat observerend en onthecht bevraagt wat normaal is.

*

Jan van Mersbergen: Evelien Vos, Niemand keek omhoog

Van de stapel nog te lezen boeken moest ik eerst de visjes kiezen. Evelien Vos schreef haar debuut: Niemand keek omhoog, en op de cover tuimelen blauwe visjes naar beneden. Het is een mooi en tekenend beeld.
Al bij de tweede alinea kijk ik of er iemand in de buurt is om deze zin aan voor te lezen. Die was er, en ik las: ‘Daarna leegde ze met een zucht het koffiefilter in het koffieblik en begon opnieuw met het tellen van de schepjes koffie.’

De moeder van de vertelster was koffie aan het zetten. Hollandser kan niet, met een filter en afgemeten schepjes. En dat tellen. Dat is niet alleen herkenbaar, het is een scène die meer vertelt dan dat er staat. Het gaat over controle, over regelmaat, over orde. Dat is Nederland. Geen wonder dat de blauwe visjes op het omslag in een witte achtergrond en rode letters staan.

Bij een roman is het prettig dat de lezer direct een heldere verwachting heeft. We gaan een boek lezen over Nederland, ook al meldt de achterflap dat met meisje, Lucy, naar Madrid verhuist.
Lucy bezoekt haar opa, die schrijven maar niks vindt, zoals iedere gewone Nederlandse opa. Die opa ‘deed soms de schuifdeur met de drie plakvogels open’. Een ogenschijnlijk eenvoudige en niet noemenswaardige handeling – een deur open schuiven – maar door die drie plakvogels wel zeer eigen en herkenbaar en beeldend, en de verteltoon is zo gemakkelijk. De zin geeft beeld, omvat tijd en plaats, en laat je nadenken. Dat is alles wat schrijven kan doen, en wat schrijven moet doen. Kleine zinnen in een dun boekje die een hele wereld oproepen. Een verademing tussen de omvangrijke boeken met eindeloze vertellingen die vooral ergernis oproepen omdat alles opgelepeld wordt en niet gedoseerd, meer zenden dan ontvangen, tijdverspilling.

Het gaat ook over contact, met ouders, met jongens. Haar broer keurt haar kont, een verhuizer kust haar, ze gaat met een jongen naar een literair debat, een jongen duikt op haar in bad… Lucy heeft het over ‘als ik een nieuwe jongen ontmoet’. Dat is vrij maar ook verdrietig. Ze is een periode lang ‘elke dag, de hele dag door opgewonden. Zo erg dat ik dacht dat ik misschien naar de dokter moest.’ Dat is grappig en leuk verteld. Open, zo lijkt het want ze wil geen relatie en is eigenlijk erg gesloten. Dat twijfelen en piekeren over een relatie vind ik vreselijk. Om te lezen, om te herbeleven. Ik ken dat gepieker. Ik word daar gek van. De man in deze roman zegt ‘het is goed, meisie,’ en hij gaat weg. Dat vind ik wel goed om te lezen. Ik stond aan zijn kant maar het boek gaat verder over haar. Meteen in dat volgende hoofdstukje grijpt Vos me weer want de vertelster ondergaat een inkepinkje in haar sterke maagdenvlies, en zegt daarna als ze naar huis fietst: ‘Ik weer normaal.’

In een kort hoofdstukje gaat het over een vijverbouwer en Japan komt ook voor op die twee bladzijden. Ik zat even in mijn nieuwe roman. Dat weet Evelien Vos niet. Het klopt wel. Misschien is het een trend.
‘Achter het raam van een snackbar staat een bonzaiboom.’ Ook dat zet aan tot nadenken, tot het compleet maken van de foto die me voorgeschoteld wordt.
‘Ze dronk met een vriendin koffie op een natte picknickbank.’ Die natte bank maakt alles invoelbaar maar ook diffuus en ongemakkelijk.
Ook zo verdrietig en mooi tegelijk: ‘Ik wilde afwassen tot dingen duidelijk werden. Dagen als schone borden in een afdruiprek.’ Haar leven is een warrige zooi, De beelden waarin Vos dat laat zien zijn haarscherp.
Als ze in het tweede deel naar Madrid gaat, naar een vervelende Spanjaard die ’s nachts doet alsof hij sliep terwijl hij haar besprong, verandert de toon wel iets. Meer beschrijvingen van de stad, van de mensen. Het is alsof Lucy meer in die nieuwe omgeving staat, ook alsof ze juist daar in die vreemde stad nog minder binding heeft en houvast zoekt.
Als het eindelijk gaat regenen gaat ze naar buiten. ‘Dit was mijn leven, alleen, zonder plan, onder een boom waarvan ik de naam niet eens wist.’
Jammer dat ze naar Spanje gaat. Ik hoopte in deel 2 steeds dat ze in deel 3 gauw weer terug zou gaan naar Nederland. Dat gebeurt niet, direct in het derde deel wordt Madrid getroffen door een aanslag, op het vliegveld, en de broer van Lucy is op dat moment op het vliegveld. Het maakt van Madrid plots wel een persoonlijk decor.
Een aanslag in een boek is altijd moeilijk. In een roman moet iets gebeuren, maar het moet wel voor te stellen zijn. Ik mag misschien wel verklappen dat het leed wel meevalt, dat is een slimme keuze. Verlies in een roman is een onderwerp, maar een jongen die veel geluk heeft kan ook een onderwerp zijn, minder voor de hand liggend maar wel interessanter.
De personages die er in Niemand keek omhoog mee te maken krijgen worden kortademig neergezet, behalve gelukkig Lucy, voor wie haar leven na de aanslag niet zo veel verschilt met daarvoor.
‘De paar vogels die aan de andere kant van de weg vlogen leken precies de goede kant op te gaan.’
Dat weet Lucy diep van binnen ook.
Niemand keek omhoog is een boek om voor te lezen.

Van Oorschot gaf Niemand keek omhoog uit.

Daan Stoffelsen: Marga Minco, Het bittere kruid

Sommige boeken worden steeds onontkoombaar. Ik weet het, jullie hebben deze kleine roman allemaal op je leeslijst gehad voor de middelbare school. Ik niet. Ik werd aangespoord door een goede vriend dit oeuvre op te pakken, en ik trof hem aan tussen de boeken van mijn moeder. De ooievaarpocket uit 1967 – waarschijnlijk had zij Het bittere kruid wel op haar leeslijst staan.

Het knappe van dit kleine boekje, 125 pagina’s met illustraties, is hoe treffend Minco observeert, hoe schijnbaar onthecht ze het verlies vastlegt. (Dit is iets wat de hoofdpersonen in Valeria Luiselli’s Lost Children Archive ook proberen: verlies te documenteren. Dat is moeilijk, maar ook heel schrijnend goed gelukt. Daarover later meer.) En inhoudelijk: hoe ze het gewone herdefinieert.

Want voor een joods gezin in de Tweede Wereldoorlog veranderde wat normaal was, in een razend tempo. Neem deze passage, waarin de ik beschrijft hoe haar oudste broer het pad effende voor seculiere uitstapjes van zijn zussen:

‘Ik weet nog hoe ik met een vriend in een automatiek voor het eerst een konijneboutje at. Ik deed iets dat streng verboden was. Voor ik mijn tanden er in zette, aarzelde ik even, zoals je dat doet als je voor het eerst in het seizoen aan de rand van het zwembad staat. Maar als je doorzet heb je er de tweede keer al minder last van.’

Zie je hoe Minco de beladen religieuze overtreding ontwapent door dat geweldige, bijna universele zwembadbeeld? Koudwatervrees en overtreding. Maar dan gaat ze door, en komt de historische zwaarte:

‘Onder de bezetting kreeg het woord “verboden” een andere betekenis voor ons. Het was verboden in cafés en restaurants te komen, in schouwburgen en bioscopen, in zwembaden en parken; het was verboden een fiets te hebben, een telefoon, een radio. Er werd zoveel verboden.’

De jodenster komt, haar ouders moeten naar Amsterdam verhuizen, ze geeft haar tennisracket weg aan het buurmeisje, want tennissen zal ze niet meer, ze verstopt zich, ze is getuige van razzia’s en ontsnapt eraan door grote koelbloedigheid. De volgende dag komt ze terug in de Lepelstraat.

‘Zij lag bezaaid met papier. Overal stonden deuren wijd open. In een donker portaal zat een grijze poes op de trap. Toen ik bleef staan rende het dier naar boven en gluurde naar mij met een hoge rug. Op een van de treden lag een kinderhandschoen.’

Verdomme man. Als van een afstand laat Minco zien hoe laconiek de vervolgden bleven, hoe ze overwogen dat ze onderduiken niet konden betalen, hoe twee bij twee haar familieleden verdwijnen, tot ze alleen over is (‘Er was een heleboel angst van me afgevallen. Wanneer ik nu ook gepakt werd, zou ik tenminste niet meer dat gevoel hebben, alleen achtergelaten te zijn.’), en bij achtereenvolgende arme, en niet echt warme, gezinnen onderdak vindt.

Wie Linda Polmans Niemand wil ze hebben leest, weet dat de oorlog weinig veranderd had aan de bereidheid van mensen, staten, om een huis te bieden aan vluchtelingen. Polman benoemt nadrukkelijk hoe staten hoge bedragen eisten van immigranten – terwijl Nazi-Duitsland ze met niet meer dan tien mark liet vertrekken. Het is beangstigend wat gewoon was. Het is eng wat normaal werd. En dat te beschrijven, zonder het woord ‘angst’ te benoemen – dat is groots.

Prometheus geeft Het bittere kruid uit.

Zaterdag 30 maart 17.00 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat Thomas Heerma van Voss in gesprek met Maartje Wortel, naar aanleiding van haar nieuwe roman Dennie is een star. Het is de zevende aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. U bent van harte welkom.

Meld je aan

Over Dennie is een star

Op de Rietveld Academie kreeg ik les van Wim Brands. Tijdens een van de eerste lessen gaf hij ons een paar regels mee. Hij zei: Probeer niet te lachen, dat komt zo dom over. Hij zei ook: Je moet eerst weten hoe je moet sturen voor je uit de bocht vliegt. En hij zei: Schrijf nooit over je kat. Of over welke kat dan ook überhaupt. Dennie is a star is een verhaal over tijd en ruimte, over religie, over seks en vooral: over Dennie. De kat. Dennie is a star verschijnt speciaal ter gelegenheid van de Boekenweek.

Maartje Wortel werd geboren in Eemnes. Ze werd van de School voor Journalistiek gestuurd omdat ze te veel verzon. Inmiddels is ze als schrijver uitgegroeid tot een van de meest kenmerkende stemmen van haar generatie. Voor haar debuut Dit is jouw huis [de Athenaeum-recensie] ontving ze de Anton Wachterprijs en haar laatste roman, IJstijd, won de BNG Literatuurprijs. Haar laatste bundel Er moet iets gebeuren [fragment] werd genomineerd voor de Fintro en de ECI Literatuurprijs.

Op Athenaeum.nl publiceerden ze ook voor uit haar roman Half mens en het Revisor-verhaal ‘Daar is de hond’.

Thomas Heerma van Voss (1990) schreef onder meer de romans De Allestafel (2009) en Stern (2013) [fragment] en de verhalenbundel De derde persoon (2014) [fragment]. In 2017 verscheen zijn essaybundel Plaatsvervangers [fragment].

Athenaeum vs. Revisor

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Elke maand gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En u kunt daarbij zijn.

  1. We hebben een eerste reactie op onze fantasy-oproep! Maar niet helemaal zoals we bedacht hadden. En deze tweede zal ook geen persoonlijk essay zijn zoals bedoeld in onze oproep. Dit is een kort verweer over hokjes, cryptische vragen, serieuze schrijvers, miskenning en cynisme, maar vooral over nieuwsgierigheid en open grenzen. Kort?
  2. Kort. Ik kan dat essay over mijn verhouding tot fantasy (wat is daar cryptisch aan?) niet schrijven, want zoals Araglin wel suggereert heb ik geen sterke band met het genre. Kabouters bestaan, eenhoorns ook, in het leven van mijn kinderen, en de magie is echt die van ons leven een mooier verhaal maakt, misschien zijn zelfs die bovennatuurlijke verbanden werkelijk die Koen Peeters in De mensengenezer aanwijst. Ik was zelf kind toen ik Tonke Dragt las en Thea Beckman, niet veel ouder toen ik C.S. Lewis en Tolkien las, ik las Belcampo, Márquez en Rowling, Hulst en Olde Heuvelt – maar ik ken het genre amper.
  3. En er wordt amper kopij ingezonden bij De Revisor met een magische inslag. En waarom eigenlijk niet? Niets in de oproep of in de voorwaarden voor onze reguliere kopij staat fantasy-auteurs het inzenden in de weg. Graag zelfs!
  4. Ik moet dat essay dus niet schrijven. De affiniteit ontbreekt. Maar we zijn wel nieuwsgierig en willen nieuw talent ontmoeten.
  5. Ik geloof dat Araglin valt over deze frase: ‘Hoe verhouden genreliteratuur en “hoge” literatuur zich tot elkaar? Waar zitten de verschillen, in plot, stijl, karaktertekening?’ De dubbele aanhalingstekens zijn hier ironisch, de term genreliteratuur is niet meer dan een term. Literatuur is literatuur. Het verschil waar ik niet in geïnteresseerd ben, is het inhoudelijke. Het magische, bovennatuurlijke, sprookjesachtige hoeft literatuur niet in de weg te staan. Maar laten we het over het ambacht hebben en de kunst, over techniek en bezieling, want die maken een tekst goed. En over welke verschillen en overeenkomsten jíj daarin ziet, want dat maakt een essay persoonlijk.
  6. De grenzen die we opzoeken vinden we interessant, geen belemmering. Wel betalen we (met dank aan het Letterenfonds) voor je tekst, en word je tekst met zorg begeleid (altijd! Maar nu extra, met dank aan De Nieuwe Garde) en gepubliceerd in een tijdschrift dat gelezen wordt door vakmensen. Dit essay kan een volgende stap zijn.
  7. Misschien is Tolkien niet de beste keuze, zoals E.A. Poe voor het spannende genre niet representatief was. Maar het is wel een náám, een auteur om je toe te verhouden. Het gaat ons om de nieuwe literatuur die daaruit voortkomt.
  8. Het is verleidelijk te vervallen in een gevoel van miskenning, of in cynisme. Ik heb er zelf last van, als ik vaststel dat zelfs De Limburger geen zure besprekingen meer wijdt aan De Revisor, en het grootste literaire nieuwsblog vooral onze persberichten leest. Of als ik bedenk hoe weinig mijn eigen genre, het essay, nog gelezen wordt. Het helpt niet.
  9. Daarom is deze oproep bedoeld als een uitgestoken hand. Neem hem aan, neem als je dat zo voelt de handschoen op, maar gooi niet de handdoek in de ring. Schrijf.
  10. Maar stuur alsjeblieft in onder je eigen naam, Araglin.

Alessandro Baricco, Edzard Mik, Rosita Steenbeek: de redactie herlas een bijzonder sterk eerste hoofdstuk, las een hybride boek dat schrijnt maar niet overtuigt, en een kleine, knappe roman die spanning oproept maar vooral verlies en schuldgevoel.

*

Thomas Heerma van Voss: Rosita Steenbeek, Wie is mijn naaste?

Deze weken lees ik meer reisverhalen dan ik ooit in mijn leven heb gedaan, soms ook meer dan me lief is, maar het blijkt een nog rekkelijker genre dan ik dacht: de boeken die zijn ingestuurd voor de Bob den Uylprijs 2019 lopen uiteen van persoonlijke reisverhalen tot journalistieke reconstructies, van veredelde dagboeken tot inzichtelijke analyses van een cultuur, een religie, een werelddeel zelfs. Een van de boeken waar ik het meest over heb gedacht is geschreven door Rosita Steenbeek, vermoedelijk omdat dat zich het minst makkelijk laat categoriseren.

Wat is Wie is mijn naaste? voor boek? Een gekke combinatie van een journalistiek reisverhaal en een persoonlijk dagboek, van een oproep en een ontleding, en tussendoor ook flarden reportage. In die laatste stukken is Steenbeek, van wie ik nooit eerder iets las, op haar best: wanneer ze als buitenstaander langsgaat in vluchtelingenkampen op Lampedusa en Sicilië (twee keer) en in Libanon (ook twee keer). Soms zijn de scènes wat traag of braaf, maar de inhoud is zo spannend dat je als vanzelf doorleest. En elk bezoek aan een nieuw gebied betekent een nieuw gedeelte van het boek, een soort reset die de boel weer even wakker schudt. Overal zoekt (en vindt) Steenbeek contact met locals: minderjarige asielzoekers, goedaardige hupverleners, andersoortig betrokkenen die erop wijzen hoe hypocriet politici zich gedragen als het op deze kampen aankomt. Dat levert meerdere sterke beelden op, die regelmatig vol in citaat worden getoond en het beste zijn als ze sec worden opgeschreven: een boot vol vluchtelingen, afkomstig uit Noord-Afrika, die gemakkelijk gered had kunnen worden door een Italiaanse boot, maar Italiaanse gezaghebbers benadrukken dat de boot niet op Italiaans grondgebied is, ze doen hoe dan ook niks. Ook sterk: het beeld dat in Lampedusa wordt geschetst van enkele Italiaanse politici die alleen komen buurten in verkiezingstijd, en dan zodra er een camera is met enkele zwarte jongeren op de foto gaan, waar ze zonder camera in de buurt natuurlijk niet naar omkijken.

Schrijnend, belangrijk, maar ook, hoe murwgebeukt dat ook klinkt en misschien ook gewoon wel is: veel van de emoties die ik onderging bij het lezen van Wie is mijn naaste? heb ik al ervaren tijdens het volgen van nieuwtjes over vluchtelingen en Lampedusa. Want ja, het is heel billijk om te zeggen – zoals Steenbeek ook meerdere keren expliciet doet in haar boek – dat er te weinig wordt gedaan aan de situatie, en niets in wat ik hier lees of verder over vluchtelingen hoor doet mij anders denken, maar dat neemt niet weg dat er al de nodige nieuwtjes over zijn geweest: die juist aandacht vestigen op de tragische rampen op zee, op de erbarmelijke toestanden in sommige kampen. Steenbeek kleurt dat in aan de hand van persoonlijke gesprekken, ze diept dat uit door er werkelijk heen te gaan, maar mijn wereldbeeld werd niet gekanteld. Ook niet door de positieve, sterke eigenschappen die ze vindt bij talloze hulpverleners: Wie is mijn naaste? is uiteindelijk geen somber getoonzet boek, Steenbeek heeft zich duidelijk voorgenomen mensen te laten zien die op hun sterkst zijn in bedroevende situaties, zoals ook de achterflap het samenvat. (De zin op de flap loopt overigens wel door: ‘sterkst en tegelijk kwetstbaarst’, maar die kwetsbaarheid voel ik minder, misschien omdat Steenbeek zichzelf niet zo kwetsbaar beschrijft, misschien omdat kwetsbaarheid zo natuurlijk samengaat met armoedige, sjofele vluchtelingenkampen.)

Deze houding wel worden afgedaan als calvinistisch en zuinig, maar waarom heeft Steenbeek haar verhaal bij tijd en wijle tamelijk positief getoonzet – wilde ze tegengas bieden aan de heersende verhalen over vluchtelingenkampen, wilde ze ervoor waken dat haar verhaal al te zwaar zou worden? En waarom staat ze zelf op de voorkant van dit boek, presenteert ze dit als mijn verhaal terwijl ze toch juist anderen aan het woord laat? Over Steenbeek zelf kom ik niet te veel, tenminste, ze legt zichzelf niet op het hakblok en bevraagt haar eigen motieven niet kritisch – terwijl ze zich ook niet helemaal ondergeschikt opstelt. Misschien kwamen daar mijn reserves vandaan. Dit is dus haar verhaal, haar gezicht staat voorop het boek, en ze doorbreekt haar journalistieke distantie op sommige mensen enorm, zonder iets werkelijk opzienbarends te zeggen – zoals in de zoete, obligate epiloog, waarmee ze meteen de angel uit veel van de beeldende scènes ervoor haalt:

‘Ook kijk ik anders naar de vluchtelingenboten nadat ik zo veel Afrikanen heb leren kennen die de oversteek hebben gemaakt en weet ik dat het misdadig is om mensen onder de huidige omstandigheden terug te sturen naar Libië. Deze Syriërs en Afrikanen heb ik evenzeer als mijn naasten ervaren als mijn vrienden in Europa. Het zou tot ons moeten doordringen dat we in onze wereld, die steeds kleiner wordt, allemaal elkaars naasten zijn.’

Alsof ze de onderzoeksvraag die ze in de titel stelt nu eindelijk beantwoord heeft. Gelukkig biedt Wie is mijn naaste? meer dan alleen het toewerken naar zo’n zouteloze conclusie, al schippert het boek iets te veel heen en weer om me echt te overtuigen.

Prometheus gaf Wie is mijn naaste? uit.

Daan Stoffelsen: Edzard Mik, Mea culpa

Het kan écht binnen de tweehonderd pagina’s, een roman met plot, karaktertekening, sfeer en meer. Ik noteer het nog maar even voordat ik over tweeënhalve week verzwolgen wordt door de nieuwe Peter Buwalda, en in de schaduw van Ilja Leonard Pfeijffers boek. Edzard Mik kan het. Het gegeven van Mea culpa is eenvoudig, en zou even goed voor een thriller te gebruiken zijn: er is een meisje verdwenen. De ik – Marten, misdaadjournalist – benadert de ouders om ze te helpen, uit een betrokkenheid die ver teruggaat. Dat maakt van alles los.

Het meisje is namelijk de dochter van de jongen waarmee de hoofdpersoon ooit in een vechtpartij tussen rivaliserende Turkse families belandde. De ene familie is die van de beste vriend van de ik, Erol, en diens broer Mehmet, die nu de nachtclub bezit waar het meisje het laatst gezien is. Erol is inmiddels een soort Turkse Moszkowicz geworden, en hij is getrouwd met Sybil, die ooit het eerste vriendinnetje was van Marten. Inmiddels staan vriendschap en huwelijk op losse schroeven, maar Sybil komt met Marten mee naar Maastricht. De andere familie – wel erbij blijven hoor – is die van Nazim, en Nazim is door die vechtpartij in coma geraakt, gehandicapt geraakt, en nu de vader van een verdwenen meisje.

Je kunt je de spanning wel voorstellen, met bedreigingen, aanslagen en seks erbij. Maar er is ook, en dat maakt deze roman interessant, een gevoel van verlies. Van die paradijselijke jeugd, de eerste liefde, onschuld. En een onderstroom van schuldgevoelens. Wie was verantwoordelijk voor Nazims ongeluk toen, en wie voor zijn misère nu? Komt Marten niet tussen Erol en Sybil in te staan? Zorgt hij met zijn inmenging er niet voor dat de boel uit de hand loopt?

Dat is de kracht van deze roman: de mijmeringen van Marten overstemmen de gebeurtenissen en staan een afstandelijke, juridische beoordeling in de weg. Alles krijgt een zweem, een #filter. Dus schrijft Mik dingen als:

‘Ik ontwaakte uit een droom, die ik op slag weer vergeten was. Het was naar zo wakker te worden, met lijf en leden tuimelde ik uit het niets, dat niet het niets van het slapen was maar het niets van het vergeten, het niets dat in de plaats kwam voor iets, een veel leger niets dus, want het stond me nog wel bij dat die droom me had meegesleurd in iets ongekends.’

Zelfs het ontwaken is een ervaring van verlies, een verlies dat in lange zinnen het daadwerkelijke decor is van deze roman. En soms lijkt een andere lange zin dat verlies op te kunnen heffen. Maar ook hier overheerst het niet-weten, ook al lijkt de zaak gesloten, het raadsel opgelost, deze misdaadjournalist is meer dromer dan doener, en het is verleidelijk in zijn fantasieën mee te gaan.

‘Sybil had gelijk, er was geen sprake van ontvoering, verkrachting of moord, Gülay was weggelopen met haar vriendje. Dat stak me niet, ik had gedaan waarvoor ik naar Maastricht was gekomen, ik had de verdwijning opgelost en kon niet wachten het nieuws aan haar te vertellen, ik nam aan dat ze niet minder blij zou zijn. Ik verlangde naar haar, ik verlangde naar haar sinds we hier waren, in de stad van onze jeugd, en ik was de afgelopen uren alleen maar meer naar haar gaan verlangen; waar dat vandaan kwam wist ik niet maar ik had het gevoel dat er een nog onbetreden gebied voor ons openlag, een gebied waar alles precies zo was als we het kenden maar waar we ook iets ongekends konden meemaken en van onszelf verlost zouden worden, we waren er nog maar een stap van verwijderd, we hoefden het alleen maar aan te durven er samen in te gaan, we moesten onze handen in elkaar klemmen en de sprong wagen, een sensatie die ridicuul was maar zich door geen wantrouwen of smalen liet wegdrukken en me als een koorts beving.’

Ja, die koorts, dat onbestemde, dat zweem dat verheft deze roman. Ondanks de thrillerachtige gegevens is Mea culpa niet primair de zoektocht naar het slachtoffer en de schuldige, maar vooral het tasten naar schuld en vereffening, naar verraad en liefde, naar doen en laten. Naar meer.

Querido gaf Mea Culpa uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Alessandro Baricco, Dit verhaal

Het eerste hoofdstuk van Alessandro Baricco’s Dit verhaal (verwarrende titel) is bijzonder sterk. Ik pak dit boek regelmatig uit de kast, herlees de proloog en het eerste hoofdstuk, zet het weer terug.

De roman gaat over een jongetje, over autoracen, over een gezin, over ontwikkeling, ook de ontwikkeling van auto’s in Italië, en eigenlijk in heel Europa. Het gaat over groeien en dromen. Over hoop en tegenslag. Over zorg voor een kind van een angstige strenge moeder, en het opengooien van de wereld voor die jongen door zijn avontuurlijke vader.

Voor het eerste hoofdstuk is er eerst een ouverture, die klassieke term voor een inleidende proloog uit de muziek. Muzikaal is het hoofdstuk wel, de zinnen hebben een goed ritme, en vooral opvallend: op iedere bladzijde staan middenin de regels een paar witte blokjes. Een soort tabs maar dan niet aan het begin van een nieuwe regel, maar in het midden, en ook nog eens netjes verdeeld over de pagina. Een losse spatietoets, lijkt het. Toch hebben die witte blokjes een functie. Ze geven een andere verteller of een ander gezichtspunt aan. Dat wisselt heel soepel en bijna ongemerkt, daar zijn die witte blokjes handig voor. Bovendien markeren ze de bladspiegel.

Die ouverture gaat over een autorace van Frankrijk naar Spanje, waar een flink aantal dodelijke ongelukken gebeurden. In het eerste hoofdstuk volgen we Ultimo, de zoon van een van de autoracers, in zijn kindertijd. Zijn vader is gek van de snelheid, zijn moeder is er angstig voor. Zijn vader wil een garage openen, in een tijd dat er nog bijna geen auto’s zijn (1904) en in een gebied waar in tegenstelling tot Frankrijk ook nog amper auto’s zijn. Die plannen van zijn vader, het contact met een adellijke man die het geld heeft om in een raceauto rond te crossen, en de zorgen van de moeder vormen het jongetje. Ultimo op zijn beurt houdt niet zo zeer van de auto’s maar van de wegen. de vorm die een weg maakt, de lijn door het landschap, het doel in de verte, het begin hier vlakbij.

Een slim hoofdstuk, een mooie inleiding, en daarna volgen we Ultimo in de Eerste wereldoorlog aan het front, maar dan kies ik altijd weer voor een ander boek van de groeiende stapel, want Rob Waumans wacht nog, Evelien Vos, Sander Kollaard en twee thrillers. Jullie volgen snel, geen zorgen. Na de carnaval.

De Bezige Bij gaf Dit verhaal uit. De vertaling is van Manon Smits.

Een eigen podiumprogramma! De Revisor presenteert Het Personage, een vierdelige reeks literaire avonden op bijzondere locaties in Amsterdam. In de eerste editie brengen verschillende schrijvers en een kunstenaar het personage De Conservator tot leven in Kesbeke Amsterdamse Tafelzuren Fabriek. Met bijdragen van onder andere Anne Vegter, Simone Atangana Bekono, Gustaaf Peek en Alma Mathijsen.

Fantasy is door J.R.R. Tolkien en J.K. Rowling een populair, mainstream genre geworden, dat niettemin nog sterk gescheiden is van de literaire hoofdstroom. Voor het tweede nummer van 2019 wil literair tijdschrift De Revisor weer de grenzen opzoeken van de literatuur, zoals eerder met het levenslied en de thriller. Hoe verhouden genreliteratuur en ‘hoge’ literatuur zich tot elkaar? Waar zitten de verschillen, in plot, stijl, karaktertekening? De Revisor vraagt een literaire fantasy-auteur, Natalie Koch, om erover te schrijven, en nodigt auteurs uit om zich door Tolkien te laten inspireren.

Maar we vragen ook beginnende essayisten om zich hierin te verdiepen. De Revisor is samen met De Nieuwe Garde op zoek naar persoonlijke essays over de grenzen van de literatuur. We vragen ons af: hoe verhoud jij je als lezer of schrijver tot het genre fantasy?

Stuur je essay van maximaal 1.500 woorden vóór 25 maart in via het inzendformulier van De Nieuwe Garde (kies bij beoogd tijdschrift/platform voor De Revisor) en maak kans op een mentoraat bij De Nieuwe Garde en publicatie in een van Nederlands bekendste literaire tijdschriften!

Deze oproep wordt mede mogelijk gemaakt door het Lucas-Ooms Fonds.

Lotte Lentes schreef een logboek. Over een eiland, over een dag, de laatste dag. Nu opgenomen in de reeks 500 à 1.000.

*

Voor de zoveelste keer verbiedt ze me de kaart van het eiland uit mijn rugzak te halen.
‘Dan lijken we net toeristen,’ zegt ze.
‘Maar we zijn toch ook toeristen?’ vraag ik.
Ze antwoordt niet, maar kijkt met samengetrokken wenkbrauwen naar het scherm van haar telefoon. Iemand raadde haar een app aan waarmee je kaarten van een specifiek gebied kunt downloaden zodat je ze offline kunt gebruiken. Omdat we de groene pijl op haar beeldscherm volgen die telkens verspringt als we halthouden en minutenlang stilstaat wanneer we lopen, dwalen we voor de zevende ochtend op rij door een van de buitenwijken van Cala D’Or.

Steeds vastberadener verandert ze van richting, maar Funroute ’69, een met mos overgroeide kartbaan half verscholen achter palmen, passeerden we zojuist voor de vierde keer. De huid op mijn schouders begint te verbranden en een onzichtbaar sloopkogeltje schoffelt al een tijdje onbehoorlijk hard tegen mijn linkerslaap, zoals iedere dag rond dit uur. Steeds meer lees ik er de waarschuwing in dat ik zo snel mogelijk van dit eiland weg moet.
‘Kom eens naast me lopen joh, waarom slenter je de hele tijd zo achter me aan?’
Ik zet twee grote passen en we gaan weer gelijk op. Meteen ben ik bang bij de volgende onverwachte koerswijziging tegen haar op te botsen.
‘Ik kan toch niet weten waar je heen gaat?’ zeg ik pinnig.
Ze gromt en versnelt haar pas. Ik mompel ‘sorry’ alsof de botsing die ik vreesde zojuist plaatsgevonden heeft.

De supermarkten heten hier geen supermercado, maar gewoon supermarket. Op de uithangborden prijken verschoten foto’s van bonen in tomatensaus, Franse kaasjes en bier. Hoog opgetrokken appartementencomplexen en hotels bepalen al zeven dagen ons uitzicht. Hun balkons net kennels vol opblaasbare orka’s, dolfijnen en krokodillen die geduldig wachten tot iemand ze weer meetorst naar strand of zwembad. We vallen uit de toon met onze versleten Nikes en wijdvallende bloesjes, onze haren in een warrige knot hoog op ons hoofd bijeengebracht. De meisjes hier zijn van een strakkere soort. Ze dragen lippenstift en grote, gouden ringen in hun oren wanneer ze naar het strand gaan. ’s Avonds hebben ze strapless jurkjes aan die hun billen net genoeg verbergen om hun vaders niet in verlegenheid te brengen.

Ik heb wel jurken bij me, maar ik draag ze niet. Liever vorm ik een front met haar. Dat is gezelliger, hou ik mezelf voor, maar eigenlijk bedoel ik: noodzakelijker. Het onderscheid tussen haar en mij zo klein mogelijk houden betekent het contrast tussen ons en alle andere aanwezigen op het eiland benadrukken. We halen plezier uit een gezamenlijke vijand, wijzen elkaar gniffelend op tatoeages van rozen en babyhoofdjes, op roodverbrande kuiten en schouderbladen, op gigantische Hello Kitty-telefoonhoesjes, op met strassstenen versierde teenslippers. Zo lang we kunnen definiëren wat we niet zijn, hoeft geen van ons zich bezig te houden met het tegenovergestelde.

In de drie jaar dat ik haar ken, heb ik haar precies één keer in een jurk gezien. Als een koppig geitje stond ze met haar schouders hoog opgetrokken in het pashokje van de V&D. Ze frunnikte aan de kanten zoom, de rits ging niet helemaal tot boven dicht. Ik probeerde haar te helpen maar ze wilde niet stil blijven staan.
‘Mag het uit,’ zei ze toen ik de ritssituatie goed probeerde te bekijken. ‘Ik wil het uit.’
Onhandig trok ze de satijnen stof van haar schouders, ergens knapte een stikseltje. Het zwarte jurkje belandde op de vloer als een afgedankte poetsdoek. Zij bleef over, in haar versleten behaatje. Ik ernaast, mijn winterjas nog aan.

Op het eiland voel ik me steeds vaker de jurk die ze aanheeft, maar niet aan wil. In bed draaien we iedere avond net zo lang tot we allebei een houding hebben gevonden die zowel comfortabel als acceptabel is. Ver genoeg uit elkaar om niet te intiem te zijn, dichtbij genoeg om nog voor geliefden door te kunnen. Eén keer probeerde ik haar aan te raken, zonder iets zachts aan haar te kunnen ontdekken. Ze lag erbij als een hoogspanningsmast. Haar onvermurwbaarheid maakte me strijdbaar, dus aaide ik, en wreef ik, en kneedde ik, en ze liet het toe maar er veranderde niets. Pas toen ik met mijn hand naar beneden ging, mijn vingers achter de zoom van haar slipje liet verdwijnen, slordig, ruw, waardoor ik een stukje huid openhaalde, vroeg ze me te stoppen.
Vroeger kropen we zo dicht bij elkaar dat alles, tot en met het laatste haar in onze paardenstaarten, met elkaar verstrengeld was. ‘Het past precies’, zeiden we dan, maar het past altijd precies. Totdat het alleen nog maar ongeveer past en daarna moeilijk past om uiteindelijk helemaal niet meer te passen.

Tijdens de lunch weigert ze opnieuw haar eten in een andere taal te bestellen dan in het Spaans. Dat heeft met respect te maken, zegt ze, respect voor de locals, maar als ik om me heen kijk heb ik geen idee wat local hier precies betekent en door wie haar geste op prijs zou kunnen worden gesteld. De ober van Churchill’s Tapasbar blijkt bovendien gewoon uit Helmond te komen en Joep te heten en vooral niet van plan het Spaanse geploeter in een andere taal te beantwoorden dan het Nederlands. Na twee keer proberen staakt ze haar pogingen. Ze leunt sip achterover en kijkt de barman na, die tijdens het lopen een nonchalante hand door zijn hoogblonde haren haalt.
Wat een eikel,’ zeg ik zacht.
Ze moet een klein beetje lachen maar verzet zich ertegen, kijkt stuurs naar de handen op haar bovenbenen als een verongelijkte peuter.
‘Jezus, wát een eikel.’ Ik zeg het harder nu, speel mijn verontwaardiging groots uit in de hoop haar een echte lach te kunnen ontfutselen en zie aan de tafel naast ons twee roodverbrande hoofden geërgerd onze kant op kijken. Wanneer Joep uit Helmond terugkomt draag ik hem op om ons twee Mojito’s te brengen por favor, daarna een fles wijn. Ik stel zoveel vragen als ik kan om haar op haar gemak te stellen, over haar norsheid heen te tillen. Steeds opgewekter begint ze te praten, met steeds meer gebaren ook. Een langverwachte opgetogenheid echoot ons gesprek binnen, als toetje bestellen we tiramisu én ijs.
Voordat ik ga betalen trek ik haar naar me toe. Ik kus haar lomp, waardoor onze voortanden op elkaar botsen, ze schaterlacht. We laten twintig euro fooi voor Joep achter en gieren gracias over het terras. De hele weg naar huis lopen we hand in hand. Pas wanneer we bij het hotel aankomen, waar een groep jongens tegen de gevel staat te roken, laat ik haar weer los. Ze loopt voor me de trap op, haar slanke, gebruinde benen steken onder haar strakke shorts vandaan. Ik wil in haar kuiten bijten.

In de lobby van het hotel ligt een meisje te slapen op een telefoon die aan de oplader hangt. Twee jongens van een jaar of tien staan lusteloos te pingpongen. Een vrouw sloft zuchtend richting de trappen, haar felgele sarong zo strak rond haar heupen geknoopt dat het vet er aan alle kanten overheen druipt. De dagen kleven traag en oneindig aan elkaar, wie ze per se van elkaar wil onderscheiden kijkt op het bord met het avondprogramma. Gisteren Latin party, vanavond karaoke, morgen pokernight.

In de baai staan we voor de laatste keer tot onze navels in het water. Op het oppervlak schittert een paarlemoeren glans van afgespoelde zonnebrandolie. Verder dan dit durft ze niet. Het water is minder helder verderop en ook plotseling veel dieper. Ze is de hele week al bang voor de glibberige visjes, schrikt van stukjes zeewier in haar knieholte. Ik heb mijn beide armen om haar middel geslagen, druk haar net zolang tegen me aan tot ze ontspant. Verderop hebben vijf roodverbrande mannen een drijvend vlot het water opgeduwd waar in twee compartimenten een koelkast en een stereotoren op zijn gebouwd. Ze schreeuwen uitgelaten en ik stel me voor hoe ze al joelend worden geëlektrocuteerd. Aan haar mondhoeken die voorzichtig omhoog krullen zie ik dat zij zich ongeveer hetzelfde scenario voorstelt.
We zwijgen en kijken uit over het open water. Er zijn mensen die in de verte zwemmen, zo ver dat ze dichter bij de boten zijn die buiten de baai traag voorbijschuiven dan bij ons. Op de eerste dag zwom ik daar ook. Ik voelde me vrij en helder toen ik met grote slagen de baai verliet, maar op open water sloeg die lichtheid plotseling om in de angst dat twee handen me bij mijn enkels vast zouden grijpen en me mee zouden sleuren de diepte in. Ik zwom zo snel als ik kon terug en toen ik buiten adem bij onze badlakens aankwam was ze boos. Ze was me uit het oog verloren, zei ze, had me in mijn donkerblauwe badpak niet meer kunnen onderscheiden van het water, ze was bezorgd geweest. Ik zei sorry en beloofde niet meer zo ver te gaan. Terwijl ik naast haar lag op te drogen bedacht ik me dat we allebei de neiging hebben te verlangen naar iets wat buiten ons bereik ligt. Zij vermoedt dat het open water iets bijzonders herbergt, maar ze durft er niet naartoe te zwemmen. Ik zoek het open water onbezonnen op tot een instinctieve angst me herinnert aan wat ik achterliet. Zo zijn we nooit op dezelfde plek.
De rest van de week trok ik baantjes precies aan de rand van haar zichtveld. Noch de lichtheid, noch de angst keerden terug.

Tijdens onze laatste nacht op het eiland droom ik dat haar vader me opbelt en zegt dat ze op weg naar huis verongelukt is. Ze reed in een auto waar een spookrijder frontaal tegenop botste. In mijn droom klapt een enorme paniek zo hard mijn borstkas binnen dat het voelt alsof mijn ribben een voor een verbrijzeld worden. Ik vergeet te vragen of ze nog leeft, ren op blote voeten het huis uit.
Verkrampt word ik wakker, maar ik ben onmiddellijk ontzettend tevreden over die paniek. Trots vertel ik aan het ontbijt over het telefoontje en mijn reactie. Wanneer ik het detail van de blote voeten poneer, mijn handen druk bewegend boven de eieren, moet ze lachen. Om de droom nog meer betekenis toe te kunnen kennen, zoek ik naar het lemma ‘auto-ongeluk’ op droominfo.nl, maar ik slik net op tijd in wat er staat – als je droomt dat een geliefde omkomt in een ongeluk suggereert dit een diep verlangen afscheid te willen nemen van deze persoon. Ik kijk op van het beeldscherm, zie hoe ze een witte boterham met aardbeienjam in vier stukken snijdt en zeg dat het thuis maar 19 graden is.

In het vliegtuig zitten we naast elkaar met het gangpad tussen ons in. Ik hou een boek vast zonder het te lezen. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe ze op het scherm in de hoofdsteun voor haar een bowlingbal richting een groep opgestelde kegels probeert te swipen. Verbeten tikt en veegt ze over het scherm, maar het lukt haar niet de bal in beweging te krijgen. Ze geeft het op en begint lusteloos door de films te bladeren.
Een paar rijen voor ons worstelt een stel met hun ontevreden baby. Uit het kleine lijfje klinkt gehik en gehuil. Door het geluid kantelt de sfeer in het vliegtuig, al is het onduidelijk of de overige inzittenden de gemoedstoestand van de baby aannemen of de baby juist uiting geeft aan de heersende vermoeidheid en verveling. We weten allemaal dat we er nog niet vanaf zijn als we geland zijn, dat we op het vliegveld eerst nog op onze bagage moeten wachten, naar huis moeten rijden, eenmaal aangekomen een stapel post van de deurmat af moeten vegen en dat voor de rest alles er precies zo bij zal liggen als we het achterlieten. Wat al stuk was werd ook tijdens de vakantie niet gemaakt. 
Mensen beginnen al gauw iets van het gehuil te vinden, zij ook. De vader staat op, werpt het kind over zijn schouders en begint beschaamd op en neer te lopen. Ze zucht de eerste paar keren dat hij passeert, maar al vlug gaat ze op in de film en vergeet ze hem. Ik heb haar altijd op haar mooist gevonden wanneer ze geconcentreerd was, maar hoe langer we samen zijn, hoe mooier ik haar begin te vinden wanneer ze geconcentreerd is op iets anders dan op mij.
Buiten valt de nacht. De laatste stralen zonlicht trekken zich terug achter de horizon. Af en toe kijkt ze op en dan glimlachen we naar elkaar. Mijn arm is lang genoeg om het smalle gangpad te overbruggen, de hare ook, toch houden we ze waar ze zijn.

*

Deze tekst kwam tot stand in het kader van CELA, een ontwikkeltraject voor opkomend Europees literair talent.