Cynan Jones, Berthe Spoelstra, Deon Meyer: de redacteur las mooie moderne sprookjes die spelen met echtheid, een aangrijpende en kalme roman, en een schrijversontdekkingsreis op een praktische manier.

*

Jan van Mersbergen: Cynan Jones, 3 sprookjes & Berthe Spoelstra, Schemerland & Deon Meyer, Proteus

De afgelopen week las ik drie boeken met totaal verschillende vertellingen die me alle drie op hun eigen manier wezen op taal en vertellingen, op het nu en het verleden van een verhaal en vertelling, op krachtige betrouwbare taal door een onbetrouwbare verwarde verteller en op een zoektocht naar verschillen tussen schrijver en personage die uiteindelijk de vondst van overeenkomsten bleek te moeten zijn.

‘Nu, dit was al heel lang geleden,’ zo begint het derde sprookje in 3 sprookjes van Cynan Jones, vertaald door Jona Hoek. Het kleine boekje met tekeningen van Rohan Daniel Eason is door uitgeverij Koppernik uitgegeven als geschenk, en een mooi geschenk. Zeer korte moderne sprookjes over een pianist wiens handen ruzie krijgen met elkaar, over een vogelverschrikker en een verdwaalde pop in een bloemenwei en over een reus die de baas gaat spelen. Vooral dat nu in die laatste vertelling is interessant. ‘Het was zelfs eens heel lang geleden, toen al dit soort dingen wel leken te gebeuren,’ gaat Jones verder. Cursief, want het is een sprookjescitaat. En ook opvallend: ‘leken te gebeuren’. Jones speelt met echt en onecht, zoals sprookjes natuurlijk allemaal onecht zijn, maar wel in hun vertellingen waar.

De verteller van Schemerland van Berthe Spoelstra is een vrouw die door haar kinderen in een tehuis wordt gestopt. ‘Geef toe, zo gaat het niet langer,’ zegt een van de dochters tegen haar, nadat ze het gesprek nog wel vriendelijk was begonnen met een opsomming van de voordelen: er zijn meubels. ‘Er is zelfs een fauteuil.’ De vrouw twijfelt. Gaat haar eigen stoel dan weg?
Op deze manier wordt de lezer meegetrokken in een schimmige gedachtewereld van een verteller die niet helemaal helder is maar wel stellig en poëtisch.
Het eerste hoofdstuk begint met: ‘De nacht morst zwart.’ Het tweede hoofdstuk begint met: ‘Zacht dient de dag zich aan.’
Dat zijn bijna prozagedichten.
Vooral geluiden maken het decor van de vrouw, en haar gedachten. Vogels, een auto die aan staat, de stemmen van de kinderen.
Aangrijpend en kalm berustend boek, heel sterk en helder verteld vanuit een warrige vrouw.

In het voorwoord van Deon Meyers Proteus vertelt de thrillerschrijver dat ‘schrijven een ontdekkingsreis is’. Gelukkig bedoelt Meyer niet de vervelende romantische vergelijking van de reis die een pen aflegt of de gedachten van de schrijver die met alle winden meewaaien of dat soort Murakami-achtige anekdotes over schrijven. Meyer is heel praktisch. Hij is anders dan zijn hoofdpersoon, en zocht in eerste instantie de verschillen.

‘Kijk, ik ben een blanke Zuid-Afrikaan. Ik spreek Afrikaans. Thobele (zijn hoofdpersoon) is een zwarte man van de Xhoase-stam en hij spreekt Xhosa. We zijn ongeveer even oud, maar groeiden op in verschillende culturen en politieke overtuigingen.’

Zo benoemt Meyer de verschillen die opvallend zijn, en allesbepalend, maar na vijftig bladzijden wilde hij alweer stoppen met dit boek. Het lukte niet. Na een paar dagen piekeren besefte hij dat er ook veel overeenkomsten waren tussen hem en zijn hoofdpersoon. ‘We houden allebei zielsveel van ons land. We delen veel van dezelfde waarden, houden van onze familie en hebben een hekel aan onrecht.’
Opeens had Meyer wel een personage waar hij zelf over kon schrijven. Zijn angst verdween. Hij rondde het boek af.

Dit korte verhaal van debutant Jasper Rebel dook op in onze stapel ingezonden kopij. We waren er meteen van gecharmeerd: het heeft een heel eigen toon, dit verhaal over een man van wie een van de belangrijkste zintuigen is aangetast.

*

I

Hamburg was een goede stad voor een polaroidverkoper. Met enige moeite vond hij er zijn weg. Hij volgde stemmen, geluiden, de drukte op straat. Zijn handen waren gewend hem te leiden langs vochtige muren en roestige bruggen.  Er waren altijd mensen op straat, ook ’s nachts. Hij verkocht vaak een foto. Soms aan mannen alleen die hun geluk wilden delen, vaak ook aan vrouwen, die ergens anders hadden willen zijn. Maar meestal was het de gimmick natuurlijk. Kijken of de blinde überhaupt het zoenende stelletje in beeld kon krijgen.

Hij had eerst niet door dat hij een bordeel in was gelopen. Hij was het geluid van een groep jongens gevolgd. Het leek of ze door een marmeren hal liepen, de stemmen galmden als in het zwembad maar zijn voeten bleven droog. Hij voelde een koude wind in zijn nek die van buiten moest zijn gekomen. Toen hij zich probeerde te oriënteren had het groepje hem gevraagd een foto van hen te maken. Ze hadden hem bij zijn armen opgetild. Nadat hij een stuk verplaatst was werd hij neergezet op een zachte, maar ongelijke ondergrond. Hij had de foto gemaakt en zijn geld gekregen. Toen lieten ze hem alleen. Heel voorzichtig verschoof hij zijn voeten, centimeter voor centimeter, tot hij begreep waar hij was. Hij stond halverwege een trap. Er was tapijt en het was warm. Boven hem hoorde hij gedempte stemmen, schuifelende passen. Hij liep omhoog, achter het geluid aan. Mensen liepen langs hem, duwden hem opzij. Hij kreeg een por en hij wankelde. Hij viel tegen iemand aan. Zijn wang raakte een boezem, maar niet een bedekt met een jurk of een jas. De huid was warm en zacht, de welving gaf iets mee zodat niet alleen zijn wang, maar ook zijn mond raakte wat meestal niet mocht. Toen hij ademhaalde rook hij nicotine en mierzoete parfum. Hij krabbelde overeind, verontschuldigde zich en liep verder.
Daar waar de gang doodliep en hij stopte om zich om te draaien, was het stil. Hij verborg zijn camera onder zijn jas en rechtte zijn rug. Hij zag niets en hoorde niets, maar hij rook een veld vol bloemen, nog net niet in volle bloei.

‘Je ziet me niet hè?’ Heel dichtbij hem was ze. Een meisje. Haar stem klonk breekbaar en de pauzes tussen de woorden waren net iets te lang. Ze sprak zo zachtjes dat hij  niet kon zeggen of ze bang was of verlegen. ‘Ik heb je ogen gezien. Hoe komt dat?’
Hij draaide zijn hoofd in de richting van het geluid. Ze wachtte niet op zijn antwoord.
‘Ik word altijd bekeken,’ zei ze.  ‘Van top tot teen. Maar jij kijkt helemaal niet.’
Hij had haar willen vertellen dat ze naar lavendel rook en naar jasmijn, maar hij knikte alleen maar.
‘Ik zie niet veel. Zal ik een foto van je maken? Niet voor geld hoor. Gewoon, voor jezelf.’
Het meisje lachte zachtjes, giechelde eigenlijk alsof een van haar vriendinnen een ondeugend grapje had gemaakt.
‘Heel veel mannen hebben me gevraagd of ze foto’s van me mochten maken. Ik zeg altijd nee.’
‘Waarom willen ze foto’s van je maken?’ vroeg hij verbaasd.
‘Om naar te kijken.’
‘Ik vind het gewoon leuk om foto’s te maken,’ zei hij.
‘Zie je echt niets?’
‘Nauwelijks.’
‘Dan mag het, maak maar een foto van me. Doe het nu, er is niemand.’
Hij deed een stap naar achter, pakte zijn camera en mikte in de richting van haar stem. Hij hield zijn adem in en drukte af. Met een zacht zoemen kwam de foto uit het apparaat. Hij wapperde met het fotopapier en gaf haar de foto. Weer klonk dat zachte lachje. Hij zag niet dat er kuiltjes in haar wangen verschenen, maar hij hoopte het wel. 
‘Bewaar jij hem voor me?’
Hij knikte.
‘Nu moet je weg, anders krijgen we problemen.’

Hij probeerde zijn weg terug te vinden, maar het trappenhuis vond hij niet. De gang liep langer door dan gedacht. Er zatten bochten in, en hoeken. Sommige stukken waren verlaten en stil, dan weer hoorde hij stemmen dichtbij. Ze  klonken hard en scherp alsof er ruzie was, dan weer zacht en stiekem als in een onderhandeling. Hij had geen idee waar hij was. De foto zat in zijn broekzak. Hij hield zijn hand erop, voelde het fotopapier en dacht aan de stem die hij had gehoord. Hij kwam uit bij een deur, die hij open duwde en al na twee passen stootte hij tegen een zacht voorwerp. Zijn hand schoot naar voren om zijn val te breken en ook die raakte een zacht vlak, Hij taste vooruit en kneep in de zachte stof. Hij deed zijn schoenen uit, ging liggen op het bed  en deed zijn ogen dicht.

II

Vlakbij werd een deur met kracht geopend. Hij hoorde een dreun en daarna een kletterend geluid alsof iemand een hand kleingeld op de grond uitstrooide.
‘Hier ga je spijt van krijgen!’ hoorde hij een stem roepen,
daarna hoorde hij alleen nog maar voetstappen die eerst luid klonken, en al snel alleen heel zachtjes. Daarna was het stil.
De polaroidverkoper opende de deur van zijn kamer. Toen klonk een bekende stem.

‘Was je er weer,’ zei het meisje dat naar bloemen rook.
‘Ik heb je foto nog.’
‘Dat dacht ik wel.’
Ze zette een stap dichterbij. Op de smalle gang was weinig ruimte om elkaar te ontlopen. Hij hield zijn handen langs zijn lichaam, bang om haar per ongeluk aan te raken op een plek waar ze dat niet wilde.
‘Heb je een vriendin?’
’Nee.’
‘Wil je geen vriendin?’ Ze klonk fermer dan eerst, met meer kracht waardoor haar stem aan het einde van haar zinnen schor was.
‘Ik zou ook niet bij mijzelf willen zijn.’
‘Misschien zou ze het fijn vinden dat je niet steeds zeurt over wat ze aan heeft.’ Weer kwam ze een stap dichterbij, hij voelde de warmte van haar lichaam op zijn armen, op zijn wangen.  Hij hoorde haar ademhaling.

‘Hoe heet je?’ vroeg hij
‘Noem me maar Katharina.’
‘Dag Katharina.’ Hij voelde zich volmaakt. Hij had een vriend gemaakt in een stad waar hij niemand kende. Waar hij dagen achtereen van vreemde naar vreemde ging en nooit ergens stopte  alleen om stil te kunnen staan. En nu stond hij daar en zij was daar met hem.
‘Luister,’ zei ze. ‘Je moet maar niet te vaak met me praten. Anders val je op.’
‘Geloof me,’ zei hij, ‘niemand ziet mij staan.’
Nu praatte ze weer zachtjes, en langzaam. Ze zocht naar de goede woorden. ’Ik had deze man geloof ik beter niet weg kunnen sturen.’
‘Was hij niet aardig?’
Het meisje antwoordde niet. Ze was stil. Alsof het gesprek plots afgesloten was. Een tijdje stonden ze tegenover elkaar zonder iets te zeggen. Toch probeerde hij het weer.

‘Kan je niet iets anders gaan doen? Dat je op een dag gewoon verdwenen bent?’ vroeg hij.
Ze wachtte even met antwoorden en zei toen aarzelend: ’Er verdwijnen zo vaak meisjes, maar meestal niet omdat ze dat zelf wilden.’
‘Zo moeilijk is het niet,’ zei hij, ‘ik ben ook wel eens verdwenen.’ Hij richtte zijn handpalmen naar de lucht als om aan te geven hoe gemakkelijk dat ging.
‘Verdwijn dan nu maar opnieuw, daar komt iemand aan,’ zei ze zachtjes. Toen hoorde hij haar weglopen, snelle pasjes die klonken alsof ze met sokjes over de gang liep. Toen stond hij daar alleen.

Hij kreeg een duw in zijn rug waardoor hij voorover viel. Hij was te laat om zijn val te breken met zijn handen. Zijn hoofd sloeg tegen iets hards. Een scherpe pijn trok van zijn achterhoofd naar zijn aangezicht. Iets warms druppelde uit zijn linkeroor. Zijn ogen gingen dicht. Hij hoorde heel even, helemaal niets.

Van heel dichtbij klonk een stem, hij voelde de lippen van een man tegen zijn oor.

‘Zeg wie je bent of ik breek je vingers.’
‘Thijs heet ik,’ zei hij. ‘Ik ben polaroidverkoper. Ik moest een foto maken.’
Een hand greep ruw om zijn hals. De leren riem van de camera bleef achter zijn oren hangen en liet toen los.
‘Wat voor foto’s heb je gemaakt, laat het zien.’
Hij hoorde hem rammelen aan het apparaat, toen een luide hoge klap. Hij hoorde glas dat brak in kleine stukjes.

Toen gingen de handen van de man onder zijn kleding en in zijn zakken. Ze pakten de foto van Katharina. De man floot tussen zijn tanden.
‘Wat deed je met haar? Hoe ken je haar?’
Hij schudde zijn hoofd. Een dag en een nacht had hij zich verbonden gevoeld met een onbekend meisje zonder haar ooit te hebben gezien. ze had hem voor even, heel even laten voelen dat hij niet alleen was. Hij zou niets doen om haar in gevaar te brengen. Hij verbeet zijn tranen en stak zijn kin omhoog. En toen stelde de man de verlossende vraag: ‘Waar is ze, waar is Katharina?’

Rob van Essen, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2019, schreef in 2009 en 2011 voor De Revisor. In het zesde nummer van 2009 schreef hij ‘De enige goede schrijver is een dode schrijver’.

*

Schrijvers willen natuurlijk van alles, het is nooit genoeg en dat is nu juist het tragische, maar wat ze eigenlijk willen is het volgende: ze willen een trein binnenstappen en meteen nadat ze zijn gaan zitten iemand ontdekken die een boek van hen leest. De schrijver vergeet alles om zich heen en kijkt roerloos naar die ene lezer, die zich aandachtig door zijn boek heen werkt. Als de lezer al opkijkt, lijkt hij dat alleen maar te doen om zich daarna weer met hernieuwde kracht op het boek te kunnen werpen.

De gelukkige schrijver stapt drie stations na zijn eigenlijke bestemming uit, omdat de lezer dan eindelijk ook uitstapt. Hij loopt achter de lezer aan het station uit, en ziet hoe de lezer een fiets uit het rek haalt en wegfietst, met een tas waarin zijn boek zit, met een boekenlegger, op een derde van het einde. De schrijver kijkt de lezer na, die langzaam in de straten van een buitenwijk verdwijnt. Hij heeft de hele reis de verleiding weerstaan zich aan de lezer bekend te maken, niet omdat hij de lezer niet lastig wilde vallen of omdat hij zich schaamde tegenover de andere passagiers, maar omdat hij zijn boek niet wilde storen. En terwijl hij de lezer al bijna niet meer kan zien, laat staan die tas, zou hij op dat moment in die tas willen zitten, met een boekenlegger op een derde van het einde, hij wil verder uitgelezen worden, hij wil dat boek zijn – maar dat zal hem voorlopig niet lukken, nu haalt hij nog adem. Hij kijkt om zich heen, waar is hij? Lage nieuwbouwwijken, een hoge, lege hemel, platte velden met boompjes aan palen – al bijna het hiernamaals, denkt hij, als ik dat station achter me wegdenk, is er geen weg terug.

*

Een schrijver die zijn boek wil worden, dat is een goed begin. Maar daarvoor moet je eerst verdwijnen; een dode schrijver zijn, dat is het hoogste. En het mooie is: ooit gaat het me lukken.

*

Eigenlijk wilde ik een stuk schrijven over schrijven, over wat een vreemd beroep dat is, een vak bij uitstek geschikt voor masochisten, maar dat zou een larmoyant stuk worden, want: geschreven door een schrijver. Dat zou gaan rieken naar zelfmedelijden, geen prettige geur, nee, een schrijver moet schrijvers met rust laten, laat er maar wat psychologen op los, of de honden.

*

Maar een masochistische bezigheid blijft het, of ik het er nu over wil hebben of niet. Je komt eens per twee, drie jaar (als je een beetje doorwerkt) met een product waar maar weinig mensen écht op zitten te wachten. Vervolgens ben je pas tevreden als iedereen het goed vindt, als het overal positief wordt besproken, als het de winkels uit vliegt, als het alle longlists haalt, met andere woorden: als het in treinen wordt gelezen. En het is nooit genoeg, bij het volgende boek wil je het weer. En op al die factoren, die je als cruciaal beschouwt voor je succes, kun je zelf geen invloed uitoefenen. Dat is vragen om moeilijkheden, en om achterdocht, jaloezie, haat, nijd en het grimmige, bijna tevreden gevoel van miskenning wanneer de wereld wéér tekort blijkt te schieten. Is er een ander beroep waar je je eigen teleurstelling zo perfect kunt organiseren? Goed voor je karakter kan zoiets niet zijn. Daarom begin ik er ook over, wat kunnen mij die andere schrijvers schelen, ik weet zélf nog steeds niet precies hoe ik ermee moet omgaan.
Een stoïcijnse levenshouding zou het antwoord kunnen zijn, maar ik ben er nog niet in geslaagd een vorm van stoïcisme te vinden die niet gepaard gaat met een minzame, begrijpende glimlach – en als ik voor iets bewaard wil blijven, dan toch wel voor de minzame, begrijpende glimlach.
Ik houd me dus maar voor dat al die factoren die je zelf niet in de hand hebt bijverschijnselen zijn, dat ze niet het vak zelf zijn, dat ze niets met het schrijven op zich te maken hebben – dit om me al bij voorbaat te verdedigen tegen uitspraken als: ‘ga dan wat anders doen, niemand dwingt je toch?’ Stoppen is geen optie. Pas dan ga je je écht grimmig voelen, en verander je in een narrige kabouter die ergens tussen boomwortels vervloekingen in zijn baard zit te mompelen.

*

In zijn roman What a Carve Up! laat Jonathan Coe het een schrijver overkomen: wanneer hij de trein neemt, komt er vlak bij hem een mooie jonge vrouw zitten; dezelfde vrouw die hem in de metro onderweg naar het station ook al is opgevallen. Ze pakt een boek uit haar tas en begint te lezen – en het is een roman van hem!
De schrijver kan zijn geluk niet op. Hij heeft twee romans geschreven die allebei bijzonder weinig hebben gedaan, en hier zit iemand zomaar een van die romans te lezen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Hij kan zijn ogen niet van de vrouw afhouden, hij gaat dichter bij haar zitten, hij kijkt gespannen toe, hij ziet hoever ze is, straks komt ze bij een grappige scène, hij is benieuwd of ze lacht… Ze lacht niet. Maar ze raken wel met elkaar in gesprek. Hij stelt zich voor, en wijst op de foto achter op het boek. Het wonder voltrekt zich, hij raakt aan de praat met de mooie vrouw die een roman van hem leest. Ze zegt dat ze een groot fan van hem is. Het is te mooi om waar te zijn. Het is ook te mooi om waar te zijn: het maakt allemaal deel uit van de plot, de vrouw is expres met een boek van hem in de trein gaan zitten om met hem in contact te komen. Van toeval is geen sprake, ze wil wat van hem. En zo rekent Jonathan Coe af met alle schrijversfantasieën – ook die van hemzelf.

*

(Wat je als schrijver trouwens niet wilt: dat er iemand met de naam van je personage vandoor gaat. De schrijver uit de roman van Coe heet Michael Owen. Toen What a Carve Up! in 1994 verscheen, had Coe geen idee dat er een paar jaar later een jonge voetballer met dezelfde naam de sterren van de hemel zou spelen bij Liverpool en in het Engelse elftal. Bij herlezing van de roman moet je telkens een hobbeltje over wanneer de volledige naam van de hoofdpersoon wordt genoemd. In The Day of the Locust van Nathaniel West is het nog erger, daar heet een van de bijfiguren Homer Simpson. Wanneer die opduikt, komt er opeens een zwaarlijvige, gele tekenfilmfiguur het verhaal binnenvallen. ‘My name is Homer Simpson,’ the man gasped, then shifted uneasily and patted his perfectly dry forehead with a folded handkerchief. Verbeten lees je verder, maar eigenlijk is het niet te doen.)

*

Er zijn romans over schrijvers, er zijn praktische handleidingen, maar een eenvoudig zelfhulpboek hoe je als schrijver overleeft, ho maar. Want hoewel het dus nooit genoeg is, en de wereld het steeds weer laat afweten, heb je ondertussen wel een Interessant Beroep, en daar houd je je dan maar aan vast. Wat ook weer niet zonder gevaar is. Als je niet uitkijkt wordt je werk van doel middel, maar middel tot wat? Het heeft niet eens direct met geld te maken, maar met roem, waardering, de plaats op de rots, de manier waarop het later allemaal in de biografie terechtkomt.
Tijdens de begrafenis van een schrijver kwam ik een collega tegen. We keken naar de drukte om ons heen en zeiden exact tegelijkertijd, en ook nog eens met dezelfde mengeling van ontzag, zelfspot, jaloezie en bezwering: ‘Nou, zoveel mensen krijg ik vast niet bij elkaar.’
Ik wil niet eindigen als narrige kabouter, die in treinen knarsetandend moet aanzien dat er altijd andere schrijvers worden gelezen. Maar ondertussen blijft het behelpen.

*

Schrijven is het mooiste wat er is, daar gaat het niet om. Maar dat je dan ook schrijver bent, dat wil nog wel eens lastig zijn. Je moet dus geen schrijver zijn, je moet schrijven zijn. Je moet verdwijnen in je werk. Je moet er zo in opgaan dat je op het moment dat je je laatste adem uitblaast, helemaal verdwenen bent. Dat is misschien een beetje lastig uitmikken, maar je zou het op z’n minst kunnen proberen.

*

Het is dus niet zo dat de schrijver een slecht mens is; ‘t is dat beroep van hem, dat is een beetje dubieus, met dat masochistische en dat interessante. Zeker zolang hij leeft. Is hij dood, dan is dat dubieuze ook meteen verdwenen. Hij heeft zich van zijn taak gekweten, hij is klaar, wat zullen we hem nog kwalijk nemen, achteraf kijkt niemand onder welke twijfelachtige omstandigheden het werk tot stand is gekomen.
Het is beter voor het werk ook, als de schrijver dood is, ‘t is net of het oeuvre dan pas goed is uitgehard. Met een beetje geluk is de schrijver zelf ook uitgehard en keurig bijgezet in een biografie, waarin hij als een opgeprikte vlinder langzaam mag verstoffen.
Daarom lees ik ook het liefst dode schrijvers. Je hebt het werk, de schrijver zelf is verdwenen, daar kan je geen last meer van hebben, met andere woorden: hij kan je niet meer aan jezelf doen denken. Dood is hij onschadelijk, geabstraheerd, een dode schrijver.

*

Leve de dode schrijver. Pas als hij dood is, kunnen we hem met een gerust hart lezen, ik wel in ieder geval. Het gaat erom zo min mogelijk last van schrijvers te hebben, zeker onder het lezen. En daarom is het mooi als ze dood zijn. Nu weet ik ook opeens hoe ik tegen het schrijven moet aankijken: niet als schrijver, maar als lezer. Als schrijver vertrouw ik het nog steeds niet helemaal, die schrijverij. Pas als ik lees, besef ik dat ik deel uitmaak van iets goeds.

*

Een paar jaar geleden zat ik in de intercity naar Alkmaar. Ik las een boek van Alan Bennett, Talking Heads. Tegenover me zat een meisje van een jaar of twintig. Ze was blond en had een ovaal gezicht, een beetje madonna-achtig (de moeder van Jezus, niet de zangeres). Ze keek tegelijkertijd onbevangen en arrogant, alsof ze nog alle kanten op kon. Ze had witte oordopjes in en terwijl ze naar haar muziek luisterde, leunde ze zo nu en dan met gesloten ogen achterover. Toen de conducteur kwam, trok ze de dopjes uit haar oren. Ik legde mijn boek op mijn schoot. Nadat onze kaartjes waren geknipt, vroeg het meisje: ‘Bent u de schrijver van dat boek?’
‘Wat?’ zei ik. Ik dacht dat ik haar niet goed had verstaan. Ze wees naar het boek op mijn schoot. Op de voorkant stond een grote foto van Alan Bennett. ‘Ik dacht, misschien bent u dat,’ zei ze.
Ik keek ook naar het boek. ‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat ben ik niet, dat is Alan Bennett.’
‘Nou ja,’ zei ze, ‘als je de foto op de kop ziet…’ Ze had een verrassend warme stem, vol zelfvertrouwen.
Ik keerde het boek om en bekeek de foto op de kop. Bennett heeft blond haar en draagt een bril met een donker montuur, net als ik. Hij is dertig jaar ouder dan ik, maar het was geen recente foto.
Ze lachte even. ‘Nou ja,’ zei ze, ‘als u het was geweest, had ik de kans natuurlijk niet willen laten lopen om met een echte schrijver te praten.’
‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat kan ik me voorstellen.’
Ze deed haar oordopjes weer in.

Arjen Mulder, Rebekka de Wit: de redacteur is op zoek naar verrassingen in non-fictie en vindt andere perspectieven in een origineel, overtuigend en af en toe iets te degelijk boek over planten en in een persoonlijke omdenk-essaybundel over thema’s van nu.

*

Daan Stoffelsen: Arjen Mulder, Vanuit de plant gezien & Rebekka de Wit, Afhankelijkheidsverklaring

Ik hoor het me telkens weer zeggen: de roman bepaalt wat literatuur is. Je bepaalt dus onvermijdelijk ook wat literaire non-fictie is op basis van de vorm van het dominante literaire genre, de roman. Literatuur die bepaald wordt door karaktertekening, enscenering, dialogen, stijl, plot – en die goed wordt door ambachtelijke perfectionering, maar beter door de variatie, de verrassing. Zo kun je van het literairste non-fictiegenre, het essay, zeggen dat karaktertekening zich vertaalt in een persoonlijke insteek, door scènes, door vergelijkingen en beeldspraak.

Overigens kun je ook van een roman of verhalenbundel zeggen: de variatie, de verrassing, die maken een boek beter. En dat zit hem dan niet in één aspect. Een verrassende plot alleen volstaat niet. Zo is bij non-fictie een nieuw inzicht ook niet genoeg. Ik weet heel weinig van planten, en na het lezen van Vanuit de plant gezien heel veel meer. ‘Kroonschuwheid’ kende ik door een boswachter op Twitter maar ‘Wohnhülle’ niet of ‘Ehux’, of ‘climaxsituatie’, en dat het beukenbos de climaxsituatie is voor de natuur in Nederland, of dat ‘de wortelplaat van een vrijstaande beuk het liefst even breed [uitgroeit] als de boomkroon’, en door Arjen Mulder nu wel. In Vanuit de plant gezien leer je heel veel over de plant en de planeet, en vanuit het plantaardige perspectief ook over mensen en dieren.

‘Toch maakt de koe, waar ze ook staat in de bescherming van een prikkeldraad of stier, immer een tevreden, zelfvoldane indruk. Ze likken de hand van de boer en voorbijganger en hun geur is zoet en vriendelijk. Voor weggebruikers zijn ze, wit-zwart en -bruin, visuele prikkels in een verder doodsaai agrolandschap, levend meubilair op een knalgroen kamerbreed tapijt. En wat doen de runderen in dank voor de complete herinrichting van de natuur en de persoonlijke verzorging door de mens? Met hun geschijt verzuren ze het grondwater, waardoor alle planten sterven op het gras na, en met hun geboer pompen ze meer broeikasgas in de atmosfeer dan alle auto’s op aarde samen. Melkkoeien zijn monsters, vermomd als kolossale baby’s.’

Mulder zorgt ervoor dat je je voornemen veganistischer te leven ietwat nuanceert. In een parafrase van Hans Teeuwen: de dieren zijn zelf ook geen lieverdjes, hoor. Mulder brengt een origineel en overtuigend geluid in de klimaat- en natuurbeheersdiscussie, met aardige ironische insteek en fijne beelden. ‘Een plant heeft een relaxed bestaan,’ schrijft hij. ‘Alle zorgen waar mensen zich het hoofd over breken, kent ze niet.’ Hij schrijft goed, en door invalshoeken als ‘leven en dood als plant’, een moderne natuurfilosofie of de Nederlandse ‘natuur’ te kiezen, krijg je een mooi, evenwichtig en diepgaand beeld van zijn onderwerp. Maar hij is niet in persoon aanwezig, er zijn geen dialogen of scènes, en belangrijker: de bioloog verdringt de essayist al te vaak. De architectuur van een plant is razendinteressant, maar ik voel me na lezing van zijn essay daarover niet heel veel minder dom dan daarvoor.

Dat komt door frases als: ‘Een groeiende wortel is een stengel die volledig is afgestemd op het leven in een compact en weinig meegand groeimedium, waaraan hij voedsel en water moet zien te ontrekken.’ Of: ‘Het proces van autopoiesis en homeostase speelt zich af binnen het lichaam en maakt van de plant een autonoom wezen, vrij en onafhankelijk.’ Mulder vraagt concentratie.

Hoe erg is dat? Maken die inzichten, zijn oorspronkelijke perspectiefkeuzes en zijn op andere momenten aangename stijl niet alles goed? Ik dub daar nog even over door. Binnen mijn definitie van literaire non-fictie is Vanuit de plant gezien een boek dat de grenzen opzoekt, vanuit de wetenschap zelf, en redelijk compromisloos. Mijn leesbubbel is die van de roman, en ik herken weinig, Mulder komt me amper tegemoet.

*

De literaire test is veel eenvoudiger los te laten op Rebekka de Wits kleine essaybundel Afhankelijkheidsverklaring. De verrassing zit al in de titel ingebakken, zij het minder gericht dan bij Mulder, die het plantenperspectief laat overheersen. De Wit kiest in haar 136 pagina’s voor verschillende onderwerpen en denkt ze om. Maar eerst brengt ze een paar anekdotes, mooi en pijnlijk: een buurman die met een verzonnen verhaal een mooi bedrag had binnengehaald bij de verzekeringsmaatschappij – iets wat haar eigen familie met het echte verhaal niet lukte. Die man had ‘het spelletje’ dus beter gespeeld. ‘Je weet toch dat het zo werkt?’ Of het ongemak van de zwarte pietendiscussie. Dan is er een afdeling ‘Essays’. Uit ‘Macht en naïviteit’:

‘Vrijwel altijd wanneer je voor naïef wordt uitgemaakt, word je eigenlijk je praatstok af te geven en meestal doe ik dat ook direct.
Het is namelijk waar, ik ben naïef, dat kan niet anders.
[…]
De vraag is echter hoe het kan dat die ander gelooft dat hij niet naïef is, dat hij zich zelfs prima bij machte voelt om te bepalen wie dat wel en wie dat niet is, als een soort poortwachter van de echte wereld.’

Raak! De Wit bevraagt op een fijne, persoonlijke manier. In tegenstelling tot Mulder is zij persoonlijk aanwezig, en gaat ze uit van een gebrek van kennis in plaats van een bibliotheek aan feitjes. Daardoor is haar toon ook los en lekker, zelfs wat naïef. Vragend, betogend, minder scènisch, en herhalend: ‘naïef’ valt op deze pagina wel vijf keer. Dat zou toch minder nadrukkelijk, minder retorisch kunnen? ‘Het probleem is alleen dat wat naïef is niet zo vastligt als de meter in Parijs.’ Eén keer omdenken maakt nog geen verrassend essay.

Maar een paar essays na elkaar helpt je denken over onafhankelijkheid, feminisme, individualisme, voorstellingsvermogen, vergeving. Dat is al veel waard.

De Arbeiderspers gaf Vanuit de plant gezien uit, AtlasContact gaf Afhankelijkheidsverklaring uit.

Twee gedichten, ditmaal van twee dichters: Martine van der Reijden en Mattijs Deraedt. ‘onder druk geeft traagschuim lichamen prijs’, schrijft Van der Reijden in ‘minnebrand’. En ‘Nu vul ik mijn longen / met de berglucht uit mijn puffer, / streel ik mijn diploma’, schrijft Deraedt.

*

minnebrand

vuurrood lijnenpatroon op het wijnglas 
vertelt loslippig over samenzijn verlor
blozen de kristallen kelk
onze lakens ruiken lavendelfris 
onder druk geeft traagschuim lichamen prijs

naakt keren slakken huiswaarts
in de warmte bind ik de schermbloemen op
versiert het zevenblad de tuin

schwalbende zwaluwen knippen de lucht
strak om mijn strot de akkerwinde
wij hebben gedanst liegen neukende mieren
gewoon gedanst

gifgroen korrelt het gras
ik kijk of de vuurrode afdruk mij past
bij de buren borrelt gelach

schwalbende zwaluwen knippen de lucht
vliegeren zonder koord
bij tegenwind verdwijnt de fopduik in de doofpot


*


Zwerver

Zonder het te weten veranderde ik
van een zoon in een zwerver.

Ik hing maar wat rond in het huis en zei:
‘Bonjour, est-ce que vous pouvez me donner
un peu de monnaie pour un café s’il vous plaît?’
In het begin tastten mijn familieleden
nog in hun zakken, maar na een tijd
bleef er enkel een ‘bonjour’ over.

Op een dag vonden ze me
in een hoek van de woonkamer,
mijn luchtwegen vol slijm.
Ze brachten mijn restanten naar de dokter
en gaven me astronautenshakes.
Toen ik wakker werd, voelde ik me beter dan ooit.
‘Goeiedag,’ zei ik, ‘goeiedag.’

Nu vul ik mijn longen
met de berglucht uit mijn puffer,
streel ik mijn diploma, die als een naaktkat
op mijn knie ligt, en bedrijf ik de liefde
met een jonge blonde vrouw.

Maar ik weet: ooit was ik een zwerver,
en dat, dat nemen ze me niet meer af.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Op weg naar het dorp kom ik John, de imker, tegen. De afgelopen twee maanden is hij met zijn vrouw en dochtertje Wren op rondreis geweest door Schotland. ‘I am totally skinned,’ zegt hij, ‘daarom werk ik nu overal en nergens.’ Vandaag sloopt hij het muurtje naast de winkel in ruil voor wat boodschappen. Achter de roze granieten muur, die al voor de helft is neergeslagen, staan Johns broodtrommel en thermosfles. Bij het zien ervan denk ik aan hoe ze later vandaag zonder de beschutting van de muur zullen afsteken tegen de lucht, eenzaam rechtop als een standing stone in het veld.

Op Lewis, het eiland dat ik bij helder weer achter Iona kan zien liggen, staan dertien stenen opgesteld in een cirkel. In het midden torent een centrale monoliet. Geschat wordt dat de stenen tussen de drie- en vijfduizend jaar geleden zijn gegroepeerd. ‘Fir bhrèige’ (‘foute mannen’) noemen de bewoners de stenen van Calanais, inderdaad lijken ze op een samenzwering van duistere figuren.
Ik heb gelezen dat men de grote stenen heeft kunnen verplaatsen door het gebruik van kelp. Door lange banen aan te leggen van glibberig zeewier was het mogelijk om de zware menhirs over langere afstanden te verplaatsen. De grote steen op het strand van Fionnphort lijkt op een bed van zeewier te liggen, maar is juist door de gletsjer daar naartoe geschoven.

In Aridhglas, vlakbij Fionnphort, staat een exemplarische steen, inmiddels onderdeel van een muur geworden. Het silhouet is al van verre zichtbaar. Steeds als ik de steen zie, lijkt deze zich op te splitsen. Ik zie niet de steen, maar de mensen die de kolos hielpen positioneren.
Vanwege het aflammeren mag ik niet dichterbij komen. De boer wuift me weg als ik het hek nader.
‘Ga liever naar Pottie,’ roept hij. ‘De punt van de steen daar wijst naar de poolster.’

Voor de T-splitsing naar Pottie pluk ik de eigele bloemen van een paar gaspeldoorns om er pigment van te maken. Vanachter het struikgewas klinkt opeens een schelle stem die zegt: ‘Wat een akelig werkje verricht je daar.’ Een oude dame met wandelstok knikt vriendelijk. Ik antwoord dat ik de bloesem pluk om mee te verven. ‘Dat vermoedde ik al,’ zegt ze. Haar terriër heeft om de linker achterpoot een plastic zak gebonden gekregen en ons gesprek wikkelt de gewonde poot uit de geïmproviseerde beschermlaag. Na een korte uitwisseling over splinters en zweren stellen we ons voor.

‘Weet je de twee ruïnes aan de andere kant van het pad,’ vraagt Elspeth. Ik antwoord dat ik van de vlier in het meest vervallen huis elk jaar tien bloemschermen knip om siroop mee te maken. ‘Precies,’ zegt Elspeth, ‘daar woonde Mary Walls. En in het andere huis woonde Mary Cameron. Ze konden elkaar niet uitstaan. Bij het huis van Mary Cameron hoorde een bron waar Mary Walls absoluut geen water uit mocht putten. Zij moest anderhalve mijl lopen met een juk. Stel je voor: twee zielen op steenworp afstand aan het einde van de wereld, die niet met elkaar overweg kunnen! Als ik me eenzaam voel, denk ik aan hen en voel ik me niet zo miserabel meer.’

‘Hoe hielden ze zichzelf in leven,’ vraag ik.
‘Mary Walls was handig met naald en draad.’ Om de mond van Elspeth verschijnt een glimlach. ‘Ze naaide voor zichzelf een reiskostuum. Van de meest dichte tweed die je je kunt voorstellen. Een hele stijve broekrok, terwijl ze nooit op reis ging. Ze trok haar tenue aan als ze naar Creich hall liep. Iedereen lachte achter haar rug om.’

De steen van Pottie, volledig begroeid met bleek baardmos, staat op het plateau waar vroeger de paarden los mochten na een lange werkdag. De mensen die de steen daar plaatsten, waren van het bestaan van het paard echter nog niet op de hoogte.

In gedachten rol ik het kelppad uit naar de baai en duw de puntige steen omhoog naar Pottie. Later naar beneden lopend lijkt de steen in mijn rug te prikken. Ik realiseer me dat Elspeth Campbell door over de ruziënde Mary’s te vertellen net twee voor mij nog sluimerende karakters rechtop heeft gezet.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na twee autoloze weken heeft buurvrouw Sineag me vanmorgen bij de Kennedy’s garage van Salen afgezet. De hydraulische cylinder van de koppeling moest worden vervangen. Veel dichter in de buurt bevindt zich de beruchte MacDougalls garage. Volgens de dorpelingen moet je nooit je wagen aan hen toevertrouwen, omdat terugkeer niet gegarandeerd is. Sommige mensen wachtten een half jaar op de reparatie of kregen na maanden te horen dat hun auto naar de sloop was gebracht. De monteurs uit Salen daarentegen handelen gebreken ogenblikkelijk af. Optredende vertraging wordt louter veroorzaakt door de aanvoer van vervangende onderdelen vanaf het vasteland.

Met Sineags blauwe Renault in de achteruitkijkspiegel verschijnend en verdwijnend rijd ik over de eenbaansweg terug naar Knockvologan. In sierlijke curves werken we het sporadische tegemoetkomende verkeer weg. We geven de passerende auto’s aan elkaar door als een estafettestokje. Aan elke inhaalmanoeuvre gaat een overleg via knipperlichten vooraf, zodat de passage in een vloeiende beweging plaats kan vinden. Er is altijd een van de twee weggebruikers die het voortouw neemt en halt houdt bij een daarvoor bestemde zwart-wit gemarkeerde inham. Hierop volgt dan steevast een vriendelijke zwaai van beide partijen of minutenlang gesprek, want heel vaak blijkt de tegenligger een bekende te zijn.

Voorbij Kinloch zie ik in de bocht iets op de weg liggen. De roodbruine-rode kleurstelling kan maar een ding betekenen. Ik minder vaart. Het blijkt inderdaad een fazantenhaan te zijn. Binnen luttele minuten ligt de grote vogel naast me op de bijrijdersstoel. Het dier is nog warm en heeft net de ogen gesloten. Vorige week meende buschauffeur Crìsdean dat fazantenmannetjes suïcidaal zijn. In de baltstijd heeft hij tijdens elke rit last van overstekend kleinwild. ‘Remmen heeft geen zin,’ beweerde hij, ‘ze doen het erom’. Sineag snapt onmiddellijk waarom ik stil sta en wiekt met beide handen.

In de eerstvolgende inham staat een wit busje geparkeerd met de vermoedelijke daders. Ik zie twee toeristen op leeftijd verbouwereerd voor zich uitkijken. Ze antwoorden niet als ik mijn raampje opendraai en vraag of alles goed is. Heb ik hun avondeten ontvreemd?

Met een ongekend gevoel van triomf zet ik me een half uur later aan het plukkarwei: het pluimen. Mijn korte rukjes zijn lang niet kort genoeg. Ik trek in de richting waarin de veren wijzen, maar ze komen slecht los. Beginnend bij de poten zit ik al gauw zelf onder de dons. Mijn handen bedekken zich en het kriebelt rondom mijn neus en mond. Een salvo van niezen volgt en alles stuift op.

De veren rond de buik en vleugels zitten iets losser en komen in trosjes naar buiten. Wat een prachtig spectrum aan bruintinten en markeringen. Volgens de vogelgids roesten fazanten op boomtakken. Roesten betekent hier het overnachten van vliegend wild, maar vanaf vandaag zal ik het roestkleurige verenkleed van de fazant daar altijd bij optellen.

Onder de borstveren en flanken vind ik fijnere egaal grijze donsveren. De kop met vuurrode lellen, die ook uit veren bestaan, is iriserend blauw van kleur en staat strak op een witte kraag.

Ik onderdruk de neiging om de gehele pluimage te willen bewaren en maak een selectie van elke veersoort, behalve voor de lange zwart bruin gestreepte staartveren. Die houd ik allebei. Dan strijk ik de getipte oren naar achteren en snijd de hals door, onder de krop, want als die holte in de keel opengaat, kan het vlees bederven.

Pas wanneer de fazant haast kaal geplukt is, schiet me het verhaal te binnen van Catriona, de archivaris uit Balevulin. Haar oom was jager. Elke herfst stuurde hij een deel van zijn buit naar familie elders in het land. Via de Royal Mail. Hij wikkelde het afgehangen vlees in bruin sack paper dat bij bezorging steevast doorweekt was. Na bijna twee weken kwam de hertenbout high aan; ‘op smaak’, verduidelijkte ze.

Mijn fazant ruikt naar brandnetels en aarde, een tintelende geur. Nog geen spoor van verwaaiing. Het verwijderen van de ingewanden is zo gepiept. In mijn handpalm rust het inmiddels niet meer zo warme dieprode hart. Het weegt zwaar.

Nicolien Mizee, Sander Kollaard: de redacteur las twee geestige, rijke boeken over een landgoed met hoog mortaliteitscijfer en levensvreugde in de derde levenshelft.

*

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Moord op de moestuin, en Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Ik heb net Nicolien Mizees Moord op de moestuin uit, en heb daar enorm goede zin aan over gehouden. Vlot geschreven, snel schakelend, met een verteller die af en toe Achterberg opdiept, grote waarheden (over leven en schrijven en eten) uittekent, en in een paar zinnen hele mensen weet op te roepen. En geestig.

Al vroeg in het boek merkt onze verteller op:

‘Thijs raakte zijn glas niet aan. Misschien ging hij wel dood. Dan zat ik alleen in dit grote huis. Hoe zou ik me Thijs herinneren? De dood werkt niet in ieders voordeel. Ik kon katholiek worden. Of een hond nemen. Of allebei. Gezellig met de hond naar de kerk, kroonluchters poetsen met andere weduwen.’

Die korte zinnetjes, telkens een andere kant op, die werken op mijn lachspieren. Thijs, de echtgenoot van de verteller, heeft na een hartoperatie, kort op hun huwelijk, een transformatie doorgegaan. De man waar ze verliefd op werd, is een kasplantje geworden. De remedie, die haar zus en zwager voorstellen: een boswachtershuisje, meteen acht weken lang. En terwijl Thijs herstelt, verstevigen de verteller en haar zus de band met de eigenaressen – jeugdvriendinnen van ze, zo blijkt, bewoners van het landhuis -, neemt de verteller een moestuin en wordt de verdwijning van de vader des landhuizes opgelost. ‘Voor een herstellingsoord heeft deze plek wel een hoog mortaliteitscijfer,’ merkt een goeddeels herstelde Thijs op op vijfzesde van de roman.

Humor is een ingewikkeld onderwerp, en ik ben blij dat anderen daarover schrijven, want toen Marja Pruis gisteren voorlas uit haar column ‘Opletten’ werd er om de paar zinnen gelachen, terwijl ik de dodelijke ernst voelde van Hanny Michaelis, Hitler, Wilders en terrorismedreiging. Jeroen Vullings roemde op de radio Eva Meijers humor in haar roman Voorwaarts – ik dúrf dat er niet eens in te lezen. Ik heb mezelf gisteravond maar humorloos genoemd, en vanuit dat uitgangspunt moeten de twee boeken van vandaag wel hilarisch zijn voor gewone mensen.

De humor bij Mizee zit hem in terzijdes als hierboven, onthecht van de emotie van het moment, laconiek en summier. De verdwenen vader van Moord op de moestuin was niet geliefd, maar hij rookte pijp. ‘Die pijp had erin gehakt. Daar had iedereen het over.’ Misschien helpt die onthechting sowieso, naast het drukkende van de dood is er van alles triviaals, er blijkt gewoon ook wat te genieten. Zoals Marja Pruis een pruimentaart bakt en er in Eva Meijers roman recepten zitten, worden er hier enorme feestmaaltijden bedacht en uitgevoerd.

*

Maar ik wilde teruggrijpen op het boek daarvoor: de prettige roman van Sander Kollaard, een dag uit het leven. ‘Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen,’ zijn de beginzinnen, en de toon is prettig laconiek. Henk van Doorn is IC-verpleegkundige, gescheiden, met een hond, ‘Schurk’, die niet in orde is. Dat zegt Kollaard al snel, en hij zegt het raak:

‘Hij is niet oud en moe, niet benauwd vanwege de warmte, hij heeft niets verkeerds gegeten, nee, hij is ziek. Dat is wat ziekte doet: het verjaagt ons uit de normale verhoudingen en reduceert ons aldus tot vreemdelingen. Het vernietigt de vanzelfsprekendheid van wie en wat we zijn. Het beschadigt de intimiteit. En zo staan ze aan de twee overzijden van een afgrond en kijken naar elkaar, Henk met een verlammende angst in de borstkas en Schurk met, enfin, dat weet Henk dus niet.’

Dat klinkt wat formeel (‘aldus’), maar ik geloof hem, en door die sympathieke laatste zin, iets te pathetisch en afgeblust met ‘enfin’ wil je het ook nog geloven.

Ook in zieke toestand brengt een hond zijn baasje in contact met anderen, en hoewel ook Henk niet lekker in zijn vel zit, worstelt hij zich door de wandeling met Schurk en een ontmoeting met een vrouw, een verjaardagstelefoongesprek met zijn broer (nichtje Rosa is jarig), boodschappen, het bezoek aan een oude, dementerende vriendin, het verjaardagsfeestje… Heel elegant weet Kollaard de gebeurtenissen van die dag te verstevigen met herinneringen en een enkele vooruitblik. Henk krijgt, in dat iets te dikke lijf van hem, een ziel, een geschiedenis. Een man met ergernissen, ongemakken, verdriet – en verlangens, wat hem zelf ook verrast. Uit het leven van een hond wordt een verhaal van jongensachtige levensvreugde in de derde levenshelft, terwijl het verlies tastbaar is. Warm, kloppend en doorbloed.

En hoewel ik hier ook hardop bij gelachen heb – mijn huisgenoten kijken verschrikt op, is hij ziek? – ligt de humor minder voor het oprapen. Ik blader en vind vooral subtiliteiten, goede observaties, die ook hier op het conto van de (nu alwetende, lichaamloze) verteller komen:

‘De zon is een paar graden opgeschoven en dus ook het patroon van licht en schaduw in Henks woonkamer. Het is een patroon dat Henk in de drie jaar dat hij hier woont goed heeft leren kennen en dat hem in staat stelt de tijd nauwkeurig te schatten, maar dat doet hij nu niet want hij is in slaap gevallen op de bank. Zijn lichaam is losgehaakt van zijn ik, zodat hij kan rusten, want dat is wat rusten kennelijk betekent – voor een paar uur verlost zijn van de nekklem van ons bewustzijn.’

Kennelijk. De nekklem van ons bewustzijn, dat is mooi. Meer een glimlach toch dan een schaterlach. Of: ‘Goed, doodsangst dus, maar dat zit Henk dwars. Hij is niet bang voor de dood. Eerlijk gezegd vindt hij doodsangst een tikje kinderachtig.’ Een grijns. Ja, ik heb van de schrik hardop gelachen bij de passage waarin Henk zich realiseert dat hij de vrouw die hij nu tweemaal die dag tegengekomen is, wil penetreren. Hij schrikt zelf ook: ‘Hij schuift pardoes zijn stoel naar achteren, van schrik, tegen het aanrecht aan waar kennelijk een paar glazen staan want hij hoort een zacht getinkel en even hangt er een bescheiden ongeluk in de lucht, glazen die vallen, hoofden die draaien, een praktische ziel die aankomt met veger en blik, maar dat gebeurt allemaal niet want die glazen blijven doodleuk staan.’

Fijn zo’n scène, je ziet het voor je. Dat moet je ook durven, woorden als ‘pardoes’ en ‘doodleuk’ gebruiken, en Kollaard doet dat. Alsof we terug zijn in Kees de Jongen, het boek dat als cadeau meereist met Henk naar Rosa. Maar ‘penetreren’! Dat technische woord, het wordt een soort running gag.

Minder dan bij Mizee zit de humor niet in de gebeurtenissen en het directe commentaar daarop, maar in de taal, die glans geeft, zinnen net optilt of uit het lood zet.

Moord op de moestuin verscheen bij Nijgh & Van Ditmar, er staat een fragment op Athenaeum.nlUit het leven van een hond bij Van Oorschot. Ook daarvan is een fragment.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na een dag werken in het reservaat snak ik naar een bank om op neer te ploffen. Ik heb er zelf een geïmproviseerd van drie rode viskratten en een reservematras die ik met tweed uit de plaatselijke weverij heb gestoffeerd. Een tweede matras tegen de muur biedt enig comfort, maar de verhoudingen zijn net niet ideaal, waardoor het zoeken blijft naar ontspanning voor een rug die krom is gaan staan van het bomen planten.

Mijn huisraad bestaat sinds ik uit huis ben vooral uit boeken. Ik heb in de loop der jaren meubels verzameld van straat toen er nog grof vuil aan de stoep gezet mocht worden. Vanmorgen spoelde er een stoelleuning aan. Bezorging via de zee gaat langzaam, maar op den duur zal ik wel een fauteuil compleet hebben. In de tussentijd vind ik op internet een schommelstoel van eikenhout, een strak ontwerp en ik ben op slag verkocht. Via de telefoon doe ik mijn bestelling, omdat de knop voor de keuze van de stoffering niet werkt door de trage verbinding.
De stoel kan niet naar Mull worden verscheept, dus schakel ik een koerier uit Glasgow in die het bouwpakket in Edinburgh ophaalt en in Oban zal afleveren. Daar handelt een tweede koerier de bezorging af, zodat ik eerdaags een beetje kan uitrusten.
Maandag heb ik een afspraak met de tandarts en steek met de veerboot The Firth of Lorn over naar het vasteland. Na een kortstondige röntgensessie rijd ik linea recta naar het depot en haal daar de bestelling op. ’s Avonds wanneer ik de grote doos open, blijkt de stoel niet compleet te zijn. De kussens ontbreken.
Dinsdagochtend bel ik naar de meubelzaak. De kussens staan op de bon. Het blauwe pakket is door de distributeur opgehaald. De bestelling is absoluut verzonden.
Ik bel naar het depot in Oban en krijg de man, die mij hielp met inladen, aan de lijn. Hij verzekert me dat er geen blauw pakket is afgeleverd. Hij heeft de vrachtwagen zelf uitgeladen.
Dan bel ik met de koeriersdienst om hen van het euvel te verwittigen, maar krijg geen respons.
Het blauwe pakket spookt de hele dag door mijn hoofd. Ik schrijf een mail naar de koerierdienst en de opslag in Oban. ‘Iedereen heeft overal gezocht,’ luidt het tweestemmige antwoord. Het pakket wordt als verloren beschouwd. Punt uit. De meubelzaak vergoedt de kussens en stuurt
een nieuw set op naar Knockvologan. Ik moet de verzendkosten zelf betalen.
Woensdagmiddag krijg ik bijval uit Oban. ‘Hi, it’s Ceiteac here. About the cushions mystery.’ Hij stuurt me ter bevestiging de videobeelden als bewijs dat hij het pakket echt niet aangeleverd heeft gekregen.
Ik bekijk de opnames van de sjouwende mannen, die alles zonder heftruck uit de vrachtwagen tillen. Ze zijn er haast een uur mee bezig. De dozen worden voorzichtig opgestapeld. Sommige links, sommige rechts. Het is zwaar werk. Bij de twee laatste pakketten verandert hun lichaamshouding. Ik kan de moeheid van hun schouders zien vallen. Begeleid door een treurig briefje (niet boos worden!) stuur ik de beelden door naar Edinburgh en hoor de verdere dag niets meer.

Zojuist, een week later, ontving ik een email van het transportbedrijf: de kussens zijn gevonden. Ze schoven in de vrachtwagen achter een wand en reden op en neer. Binnen drie minuten heb ik een opgetogen Grace van de distributie, een grinnikende Ceiteac in Oban, en een gillende Lisa in Edinburgh aan de lijn. Het voelt toch een beetje, of we verspreid door het land tot een ultieme samenwerking zijn gekomen.

Marja Pruis, Deon Meyer: de redactie las een superieure column-/essaybundel die een web van intieme en grote onderwerpen weeft en een interessante thriller die met recht literair genoemd mag worden.

*

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, Oplossingen

Het zijn er te veel. En ze gaan allemaal over schrijven. Toen ik deze week met mijn Athenaeum-collega Bob sprak over het interview met Marja Pruis, was ik eerlijk. Ik wist het niet. Waarover moest ik praten? Oplossingen. Het leven, mijn handreiking (een geweldige titel, die zichzelf overschreeuwt en daarmee eigenlijk het tegenovergestelde suggereert: problemen, kleine problemen, levensproblemen. Maar ook: een handreiking, communicatie en aftasten ineen. En toch is het ook niet-ironisch: Pruis heeft niet zelden mijn problemen, ze schrijft invoelbaar en haar oplossingen (een ander probleem meestal) creëren een veilige samenhang. Oplossingen is een web van intieme en grote onderwerpen), die mooie nieuwe column-/essaybundel van Marja Pruis dus, is in vijf afdelingen opgedeeld – Over liegen, Werken aan mezelf en anderen, Over de kunst van het verliezen, Over liefde, Over ouder worden – maar gaat in op literatuur, leven, dood, ongemak. Op alles dus, maar vooral ongemak. Daarover schrijft Pruis soepel en superieur, en dan bedoel ik niet hoogmoedig, nee, heel goed, precies en passend.

Toen zei Bob: je moet kiezen. Kies drie stukken, laat haar ze voorlezen, pluis ze uit, bevraag haar daarover. (Marja, als je dit leest, ik mail je er nog over!) Maar welke drie? Niet te lang, dus niet het essay dat ze bijdroeg aan Revisor 17, of haar Marie Kondo-essay. Ook ‘De troost van vreemden’ is te lang, waarin Pruis schrijft: ‘Ik was ooit bij de lancering van Figuranten van Arnon Grunberg, hij was toen een stuk kleiner dan nu.’ En niet te specifiek, zodat ik net als bij Eva Meijer – die haar boek afgelopen dinsdag verdiepte en verbreedde tot een boek over liefde, vrijheid en de wereld, een herleesboek – boven mijn eigen kennis moet reiken en ik bij voorbaat zo onzeker ben als Pruis zelf in haar openingsstuk beweert te zijn: ‘Je bent een volwassen vrouw en dus moet je niet zo kinderachtig doen. In dit specifieke geval: dat hele idee dat je iets niet zou kunnen is allemaal angsthazerij en vrouwelijkheid, hou daar eens mee op en neem je verantwoordelijkheid.’

De ik kan een vrouw zijn, maar dan kun je er als man alsnog iets mee. Zo voelt het: het moet en het is interessant en geweldig en het is doodeng. Maar volgende week donderdag zitten we er gewoon allebei.

Goed. Hier ga ik uit kiezen, of moet ik een twitter-poll houden? Bob om nog een tip vragen? Of misschien, Marja, heb jij wel een beter idee.

  • ‘We naderen Wenen’, uit de eerste afdeling ‘Mijn lieveling, hoe kun je me zo afvallen? Over liegen’, over eerste en beginzinnen. De beginzinnen: ‘Waarom schatten we de liefde pas op waarde als we haar missen? Het is een van de beste openingszinnen van een roman die ik ken. Soms is het zo verleidelijk iets van een ander over te schrijven. Is het angst, of is het iets anders? Ik heb wel eens een heel boek overgeschreven, gewoon, om warm te draaien. Om erachter te komen dat andermans zinnen de mijne niet zijn.’
  • ‘Hier zijn we nu. Vermaak ons’ uit het tweede deel ‘Werken aan mezelf en anderen’, waarin ze Kuala Lumpur, haar zoon, Tim Krabbé en een brasserie in Noord-Brabant verbindt op een bewonderenswaardig natuurlijke manier. Een scène:
    ‘Ik zal je iets over mezelf uitleggen, zei mijn zoon laatst.
    Hij was er helemaal voor de trap op komen sloffen, naar mijn werkkamer. Hij keek er nogal ernstig bij en ik hield mijn hart vast.
    Waar het op neerkwam was dit: als hij uit school kwam moest ik hem met rust laten.
    Als ik op school ben, zei hij, dan sta ik aan.
    Ik knikte begripvol.
    En als ik thuiskom, dan zet ik mezelf uit.’
  • ‘Opletten’, geschaard onder ‘Rijmbehoefte. Over de kunst van het verliezen’. PVV, Hanny Michaelis, roadblocks, een zeldzaam stuk dat buiten de schrijfkamer komt – dat is geen diskwalificatie – en dat heel ontroerend eindigt: ‘Wat net nog het bekendste uitgaansplein van de stad was, is opeens een potentieel object voor terrorisme. De tram dendert voorbij, de winkelpuien blikkeren in het gele ochtendlicht. Ik kijk naar mijn collega, hij heeft zijn muts op gezet, het is een koude dag vandaag. Hij praat nog steeds tegen me, maar ik hoor niet wat hij zegt. Zolang ik oplet, kan niemand iets gebeuren.’
  • ‘Groot woord’, waarin ze tast naar perfectionisme, rouw, tranen, aan de hand van onder andere een interview met Ariane Schluter (waarom schrijven we vrouwennamen toch zo consequent helemaal uit? Het heeft iets ongelijks, maar Marja is te incrowd, Pruis is zo hard, misschien is dat het). Het begin: ‘Wanneer ik voor het laatst gehuild had bij een boek. Ik zat voor een literair televisieprogramma in een forum met twee collega-critici, en het ging over de kwestie of je persoonlijke gevoelens mee mocht laten spelen in een recensie. In mijn recensies is zelfs de punt die ik aan het einde van een zin zet hoogst persoonlijk. Maar dat zei ik niet. Ik was bezig mijn blouse recht te trekken, want die zat nogal frommelig volgens de opnameleider.’
  • Of ‘Het huwelijk’, een van die stukken waarin papiertjes een rol spelen. En ook dus rouw. ‘In de boekenkast van mijn moeder, op een stapeltje papieren, ligt een envelop waarop in een bekend handschrift iets gekrabbeld is: “een glimlach kwam voorbij”. Ik weet niet waarom mijn vader dit ooit opschreef. Maar als ik het stapeltje papieren doorneem, snap ik ’t een beetje.’
  • Of ‘Hey liefie’, uit ‘Aaidrift (2). Over liefde’, een verhaal vanuit bed met vogelgeluiden en een doodstille man, met een aanslag in het buitenland waar haar zoon is. ‘Ik vraag me wel eens af of je het zou merken, als er helemaal geen vogels meer zijn. Ik woonde hier nog niet zo lang toen iemand tegen me zei ook wel eens te hebben overwogen om in deze straat te gaan wonen, tot ze besefte dat je dan vlak bij het lawaai van de snelweg zit. Maar die hoor ik helemaal niet, had ik gezegd. Sindsdien hoor ik, als de vogels er niet zijn, de auto’s. Naast me in bed is het zo stil dat ik denk aan de vroegere buurvrouw die ’s ochtends wakker werd naast haar man die overleden bleek. Hoelang zou je dan blijven liggen, hopen dat het gewoon maar niet waar is?’
  • ‘Mrs Dalloway’ valt onder ‘Oplossingen. Over ouder worden’ en Woolf ontbreekt compleet. Ook dit stuk eindigt ontroerend, maar ook programmatisch bijna, en gaat over bloemen en bubbels, no-nonsense denkwijzers en intensiteit. ‘Ik vind het makkelijker om over mijn zus te schrijven dan over mezelf. Zozeer dat ik er soms al mee bezig ben zonder dat zij zich in de verste verte ook maar in mijn blikveld bevindt. Ik ben alleen nog maar bloemen voor haar aan het kopen en het komt al op gang in mijn hoofd, het verhaal dat ik over haar maak zonder dat ze het weet. Haar geest is bij me als ik in de bloemenzaak bij mij om de hoek sta, een zaak waar zij nooit een voet over de drempel zou zetten. Ik hoor haar tegen me praten zoals ze ook tegen me praat de zeldzame keren dat we samen in een supermarkt lopen, verontwaardigd dat ik standaard het duurste koop.’

En dan telkens in drie pagina’s, precies op maat. Ik schreef al dat Oplossingen dus alleen schijnbaar over ‘Probleempjes’ gaat, want door telkens het ene, tweede, derde, vierde, andere met elkaar te verbinden, weeft Pruis een web dat wel degelijk kaders schept, een wereld creëert waar onze onzekerheden en twijfels een plek krijgen. Een comfortabel, geestig en ontroerend hardop denkboek.

Oplossingen werd door Nijgh & Van Ditmar uitgegeven. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, Prooi

Deon Meyer schreef vorig jaar het geschenk bij de spannende boeken weken. Dit jaar leverde hij weer een deel in de Bennie Griessel-reeks: Prooi (vertaling Martine Vosmaer en Karina van Santen). Een interessante thriller die met recht literair genoemd mag worden.
Meyer vertelt twee verhalen: Griessel en zijn compagnon Cupido onderzoeken in Zuid-Afrika de dood van een man die bij een spoorlijn is gevonden en in Bordeaux probeert Daniel Darret een sober en rustig bestaan als meubelmaker op te bouwen. Uiteindelijk blijken de twee verstrengeld, natuurlijk, en ontvouwt zich een mooi en slim plot, het gaat mij meer op de scènes die erg sterk zijn, de dialogen die goed zijn, de karakters die mooi uitgewerkt zijn en de goed gedoseerde opbouw. Niks is hijgerig, iedere zin is goed, de informatie die je nodig hebt om de spanning van het verhaal op te voeren wordt in perfecte brokjes opgediend waardoor het lezen van deze thriller het volgen van een vertelling is waarbij Meyer volledige controle heeft.

Soms duurt het wat lang, zoals het gepieker van de politieman over hoe hij zijn meisje ten huwelijk zal vragen, maar ook die passages lezen goed en bieden rust. Dat is de kern: een spannend verhaal dat rust ademt. Dat is de belangrijkste verdienste van Meyer. Nergens expliciete opgefokte spanning. Geen hart dat klopt in een keel, niemand ploft neer in een stoel, geen adem die iemand ontnomen werd, niemand staat onverwachts achter een deur. Alleen een zaak, een onderzoek, door politiemensen die inderdaad mensen zijn.

Ook belangrijk: vaak schrijft Meyer zinnetjes die zo kort zijn en zo achter elkaar in een ritme getikt dat het proza daar doet denken aan het hypnotiserende proza van James Ellroy, zinnen van vier vijf woorden, bam bam bam, met informatie en handeling, duidelijk en zonder krulletjes, maar ijzersterk.

Vaak ook beeldend en beschrijvend zodat de couleur locale van Zuid-Afrika goed uit de verf komt. De bekende clichés van dat land worden ontweken. De mengeling van de bevolking is volstrekt natuurlijk over de personages uitgesmeerd. Geen enkele keer probeert Meyer je een moraal op te leggen die in Nederland lange tijd de gesprekken over Zuid-Afrika bepaald heeft, apartheid als basis voor moraal maar niet voor een ingewikkelde moderne samenleving.
In Prooi is niet het plot de grootste kracht, deze thriller gaat over menselijke spanning en motieven, waardoor de scènes invoelbaar zijn. Dat is de spanning die ik zoek in literaire thrillers.