Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorige week vroegen we de lijstenmaker alias pompbediende en zijn geletterde vrouw te eten. Het was een heel gemoedelijke avond waar veel mensen die we nog niet kenden over de tong gingen. Zo ook Sorcha en Ringean: volgens onze visite sturen ze gecodeerde berichten naar de maan. Deze kaatsen terug en worden door andere zenders opgevangen die vervolgens als bewijs een postkaart retourneren. Het maakte ons nieuwsgierig naar de mensen met de satelliet in de tuin en we zagen al voor ons hoe we gezamenlijk een project zouden kunnen opzetten. Al binnen een week werd een ontmoeting geregeld. Vrijdagavond zouden we met zijn vieren bij het ‘orbit’-echtpaar dineren. ‘Is er een dresscode,’ vroeg ik Seònaid toen we een tijd afspraken. Nee, was het antwoord en toen opeens: ‘Nou ja misschien, ja, meestal tutten we ons wel op.’

Er zijn niet veel gelegenheden meer waarbij ik iets anders aanschiet dan mijn werkkloffie. Het belangrijkste hier is warm te blijven en omdat we zo veel aan het klussen zijn, zitten we meestal onder het stof, aarde of verfspatten. Heel soms is er een barn dance of een bruiloft en dan halen we de koffers tevoorschijn met de opgeborgen feestpakken uit ons vorige leven.

R. zag er goed uit in zijn driedelige donkerbruine wollen maatpak met vers gestreken overhemd en bijpassende manchetknopen. Ik voelde me een beetje opgelaten in de glanzende donkerblauwe plooirok, maar de rok zwierde zo gewillig rond bij de kleinste beweging, dat ik me plots kon identificeren met het lot van een galatenue dat tot in de eeuwigheid moet wachten.

Op de tenen van onze gepoetste schoenen probeerden we door de modder de auto te bereiken.  Wat niet lukte natuurlijk.

Bij aankomst in het dorp stonden Seònaid en Ailean al op ons te wachten. We zagen hun silhouetten door het raam van het halletje schemeren en nog voor we aanklopten, zwaaide de deur open. Seònaid droeg een bordeauxrode victoriaanse japon met diep decolleté en een zwart hoedje met voile waarachter haar gerimpelde gezicht schuil ging. Achter haar dook Ailean op, in rokkostuum met een cilinder. Zijn zwarte das was dubbel geknoopt. ‘Faithfully Double Windsor.’ Wij werden even vluchtig gescand. Deftig genoeg! Blijkbaar schepten de stoffen die onder onze regenjassen uitpiepten, voldoende vertrouwen en we schikten ons op de achterbank tussen de ingepakte lijsten die op volgorde van route klaar stonden om te worden bezorgd.

Een halfuur later werden we verwelkomd door Sorcha die eveneens een victoriaanse japon droeg, nog dieper van kleur dan die van Seònaid. Een groen fluwelen tuniek zorgde als complementaire tegenhanger voor een optimaal contrast. Met nog twee haarspelden in haar mond verontschuldigde ze zich voor het slechte weer. ‘Ha, wij hebben al veel over jullie gehoord,’ klonk het vanachter de deur waar een heer met een duikbril van tandwielen op zijn voorhoofd in een hoogglanzend paars gilet verscheen.

We werden omhoog geleid naar de zolderkamer en moesten naast elkaar op de bank plaatsnemen. Ringean zette een antiek apparaat op tafel dat we absoluut niet mochten aanraken omdat dat het einde van ons leven zou kunnen betekenen. We wachten braaf af tot iedereen zich rond de salontafel had opgesteld. Ringean draaide aan een van de slingers en er begon een vonk heen en weer te springen tussen de twee koperen bollen in. Trots bracht hij zijn zelfgebouwde elektriseermachine op volle toeren. Daarna was Ailean met zijn papieren exemplaar aan de beurt.

Na de vonkenregen vroeg Sorcha langzaam: ‘Zijn jullie niet bekend met Steampunk?’ Ze glimlachte, maar haar stem klonk teleurgesteld. Wij bleken niet de langverwachte zielsverwanten te zijn. R.’s zelfgebouwde periscoop en cracklebox en mijn hang naar de negentiende eeuw waren totaal verkeerd geïnterpreteerd, ‘maar,’ zei Seònaid, ‘jullie kunnen je bekeren en met ons uitverkoren eilanders terug in de tijd reizen, klokken bouwen, spelen dat er geen stroom is, alleen stoom, en je samen met ons zo af en toe in brokaat hullen.’

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorig jaar hebben we twee opleggers met brandhout laten bezorgen uit Tiroran Wood, een van de vier productiebossen op Mull. Bij wet moeten gevelde bomen door nieuwe gemengde aanplant worden gecompenseerd. Naast het kaalgeslagen veld met stobben die nog uitgegraven moeten worden, is een deel van Tiroran al weer aan het verrijzen. Oranje kokers beschermen de iele twijgen de eerste jaren tegen vraat van herten en hazen en geven de locatie van de toekomstige bomen aan. Ze doen de kapvlakte iets minder onheilspellend ogen.

Onze boomstammen liggen tien hoog opgestapeld naast het huis. Er zit, als we niet al te kwistig zijn, zeker vijf winters warmte in de stapel. Elke maand breng ik een dag door achter de kliever. Bij droog weer installeer ik het apparaat in de tuin, maar vandaag zit ik in de schuur te midden van de nog te hakken houtblokken. Boven mijn hoofd tingelen hagelstenen op het golfplaten dak. Rechts tegen de muur groeit de stapel gespleten stammen. Het is een louterende bezigheid. De kliever moet met twee handen worden bediend, maar inmiddels werk ik met een hand en een knie, zodat het mes niet helemaal terug schuift en ik in de luttele seconde die ik daarbij win, net een nieuwe schijf kan neerleggen met mijn vrije hand. De meeste stammen kwartier ik, het grotere hout splijt ik in achten.

Genadeloos scheurt het kliefmes het hout middendoor. Het kraakt en knarst van jewelste. Op grote knoesten loopt de machine vast. Dan moet ik het vastgelopen blok hout met een moker losslaan. Tijdens het klieven komt heel soms uit het midden van de stam de jonge tak compleet met alle zijtakjes tevoorschijn waarvanuit de boom groeide. Het ontroert me steeds weer hoe een eerste aanzet tot boom zich bevrijdt uit nauwsluitende jaarringen.

De Italiaanse beeldhouwer Guiseppe Penone maakte een aantal sculpturen waarbij hij als het ware de begintak uit een volwassen boom pelde. Hij sneed het hout rondom de kern verticaal weg, maar liet de stam aan de buitenzijde intact, zodat er een doorzicht ontstond waarin de eerste groeifase door de oudere boom wordt ingelijst. Het zijn de meest tederste sculpturen die ik ooit heb gezien.

Een uur gaans van Knockvologan bevindt zich een eik die zich in de luwte heeft kunnen ontwikkelen tot magische afmetingen. Ik loop er regelmatig naartoe om even onder de boom te zitten en er een paar judasoortjes en galappels vanaf te plukken. De stam is net boven de grond in tweeën gespleten, maar houdt desondanks vier zware horizontale hoofdtakken in de lucht. De diepgegroefde schors is op sommige plekken totaal bemost en gonst van torretjes en kleine vliegen die eruit tevoorschijn komen als je er een paar minuten blijft kijken. Een van de takken raakt halverwege de mossige bosbodem en lijkt aan het vermolmen, maar meters verderop kruipt de tak omhoog tegen de granietwand en begint het blad al haast weer uit te lopen.

Rob Waumans, Eva Meijer: de redactie las een mooie kleine oorlogsgeschiedenis en een glanzende roman over twee communes, idealen en praktijk, en liefde.

*

Jan van Mersbergen: Rob Waumans, De solist

Romans over de Tweede Wereldoorlog hebben inmiddels iets sleets: de verhalen zijn belangrijk maar we kennen inmiddels de verhalen, we kennen de helden en de slachtoffers, we kennen het decor, alles is al verteld. Iedere hedendaagse schrijver die zich nog waagt aan een boek over de oorlog zal zich genoodzaakt voelen daar iets op te vinden. Hoe omzeil je de bekende beelden van de oorlog, de bekende verhalen, de clichés?

Rob Waumans schreef met De solist een opvallend klassiek oorlogsverhaal waarbij muziek een bepalende rol speelt. En geen Pearl Jam dit keer, zoals bekend de favoriet van Waumans. In deze roman kiest hij voor klassiek, en een mooi invoelbaar verhaal dat gaat over verlies en terugvinden.

Ieder oorlogsverhaal gaat over verlies, niet alle oorlogsverhalen gaan over terugvinden.

Hoofdpersoon Valentin is zijn Elise kwijt, in het Berlijn dat in 1944 door de Russen is ingenomen. Het einde van de oorlog nadert. Valentins oorlog is echter nog lang niet voorbij. Een gegeven dat de oorlog in feite voortstuwt, zoals de literatuur over de oorlog al decennia hetzelfde heeft gedaan.

Hoe omzeil je het sleetse? Door minitieus onderzoek te doen ter plekke, en dat heeft Waumans gedaan, dat voel je in iedere zin. Door tegelijk een persoonlijk verhaal op te voeren, in beelden. Dat heeft Waumans heel goed begrepen, want hij verliest zich niet in het onderzoek, in de overdonderende feiten die ook allemaal verhalen zijn. Waumans houdt zijn grote verhaal klein want hij koppelt alles aan zijn personages en hun geschiedenis. Dan leeft de lezer mee.

Voorbeelden genoeg, van persoonlijke oorlogsverhalen: van een jongen in een gestreepte pyjama, een vader en een zoontje in de film La vita è bella, een fabriek waar Joden te werk gesteld worden en tevens gered in Schindler’s List, een meisje dat Sarah heet, allemaal oorlogsverhalen die vooral klein zijn, te bevatten, menselijk.

Ook de rol van de muziek draagt bij aan die beelden. Klanken dringen harder door dan woorden.

Waumans schrijft zijn beelden in sobere afgemeten zinnen.

‘Daar rook hij de neerslag al uren voordat het ging regenen.’

‘Ze streelt zijn haar tot hij in slaap valt.’

‘Maar nu, als ze hier niet meer is, dringen deze waarnemingen zich een voor en aan de oppervlakte, als luchtbellen in een vijver, en Valentin neemt ze gretig tot zich.’

In al deze zinnetjes speelt bovendien de tijd een grote rol: uren voordat, tot hij in slaap valt, nu ze hier niet meer is. De tijd is de enige vaste waarde in de oorlog. Iedere oorlog heeft een begin en een einde, dacht ik toen ik De solist las. Het was een erg geruststellende gedachte.

Literatuur over de oorlog gaat nog wel even door. Soms wordt daar een eslaagd boek aan toegevoegd, zoals nu met De solist.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Voorwaarts

Dinsdag 16 april ga ik met Eva Meijer praten over haar nieuwe roman Voorwaarts. Ik kijk ernaar uit. De schrijfster van het bedaarde, fonkelende, wijze Het vogelhuis dook nu in de mechanismen van een commune, om de mechanismen van de commune te onderzoeken. In 1923 gaat een groep anarchisten buiten Parijs samenwonen, op basis van de idealen van veganisme, naturisme en gelijkheid tussen man en vrouw. Sophie Kaïzowski, die met haar vriend Georges erbij is, beschrijft hoe de idealen en de praktijk uiteenlopen. En hoe de verhoudingen tussen mensen de sfeer bepalen en de idealen ondermijnen: de stichter en eigenaar van het huis is dominant, zijn vrouw wordt Sophies geliefde…

Sophie is heel observerend en analytisch, ze denkt mee, ziet hoe haar huisgenoten op elkaar reageren en schrijft pamfletten, tot de verliefdheid haar te pakken krijgt. Vooral als ze afgewezen wordt, neemt iets koortsachtigs bezit van haar, alles wordt dof. Toch noteert Meijer dan glanzende zinnen als deze:

‘Winterwende, kleine holte voor het einde van het jaar, plek om je in te nestelen, je in op te krullen en het donker over je heen te laten glijden als de schaduw van iemand die voor je stond en nu wegloopt.
Het donker werd de afgelopen weken steeds dieper, alsof we verder ergens in afdaalden, of dat er iets zwaars om ons heen neerdaalde. Het claustrofobische gevoel van de zomer leek terug, misschien omdat het te koud was om lang buiten te zijn.’

Mijn Athenaeum-collega Martin Smit, zelf anarchist, ziet hoe in Voorwaarts een utopie in de praktijk moeilijk te verwezenlijken is. En inderdaad, Sophie schrijft: ‘Zelf vond ik het prettig om tijdens het werk in de tuin iets aan te hebben, omdat ik me dan beschermd voelde, het liefst droeg ik een broek met een overhemd.’ Een alinea later staat een hooggestemde lofrede op naturisme. En in het tweede deel van Voorwaarts, waarin Sam, studente politieke filosofie, geïnspireerd door Sophies dagboek zelf een commune opricht, botsen de noodzaak om inkomsten te verwerven (door coachingsessies bij het huis) met de behoefte aan privéruimte. En als Sam de vraag opwerkt of er bij meerderheid of unaniem besloten moet worden, ‘Wat vinden jullie rechtvaardig?’: ‘Ze kijken me aan. “Dat hangt ervan af,” zegt Jona.’

Al blijken ook hier Sams blogposts abstracter en idealistischer dan de harde werkelijkheid, in de commune van nu is vooral meer relatief, en is er meer te kiezen. De groep valt snel uit elkaar, Sams geliefde – die vrije liefde bedrijft – blijft achter in de stad, het huis waar ze oppassen, wordt verkocht. Maar dan ziet Sam een nieuw doel, een gericht onderwerp voor actie, en mobiliseert vrienden en bekenden – er is iets positiefs te peuren uit idealen. Hoop is ook houdbaar in de praktijk.

Meijer beschrijft de groepsprocessen, de botsing tussen naïef idealisme – in het tweede deel lijkt dat veel prominenter – en de weerbarstige praktijk, ze laat Sam anekdotes vertellen die zo uit Meijers Dierentalen of De soldaat was een dolfijn kunnen komen, en haar zinnen kloppen stuk voor stuk. Meijer doseert, en weet met weinig woorden hele scènes neer te zetten, met goedgetroffen beelden een wereld op te roepen buiten de commune. Maar wat de delen aaneensmeedt is de minst abstracte van alle idealen, het eigenlijk wat traditionele idee van exclusieve, romantische liefde. De liefdesroman die Voorwaarts ook is, brengt bovendien de wat minder gebruikelijke idealen – gelijkheid wordt door iedereen beleden, maar niet met dieren, veganisme is in opkomst, naturisme blijft marginaal – binnen bereik van doorsnee idealisten als ikzelf. Ik kan me tot deze mensen verhouden, al houd ik graag een broek en een overhemd aan in de tuin.

‘Missen maakt de ander groter, beter, belangrijker,’ laat Meijer Sophie ook schrijven. Heel waar, en goed gezegd, en dan concreter en paradoxaler nog: ‘Ik kon Clémence van een afstand niet beter zien – de ruimte tussen ons voegde zich alleen bij de leegte en ik had soms het gevoel dat ik niet moest vergeten te ademen. Van eerdere liefdes wist ik dat weggaan het enige was dat hielp. Maar ik kon niet weg. Ze trok aan me.’

Uitgeverij Cossee gaf Voorwaarts uit.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na het doorkruisen van twee kilometer trilveen bereiken Sineag en ik halverwege de ochtend het meer van het eeuwige riet.  Aan de zompige oever steken we onze benen in groene waadbroeken en stropen we de jasmouwen op. In de veel te grote broeken zien we eruit als twee losgetrokken kroppen andijvie.

Sineag staat al verzonken en steekt de spade diep in het inktzwarte water. De steel verdwijnt tot aan het handvat onder het oppervlak. Mijn langzame groene voeten zakken weg in oerveen. Er komen bellen omhoog en een geur, nee… scent stijgt op. Geen smell. Smell is een werkwoord.

Sineag helpt het gereedschap. Zo lijkt het. Haar arm wordt spade nummer twee. Ze heeft een wortel vast, sjort de rizoom los en trekt tot ze struikelt. Ik pak haar vast aan de bretellen van haar pak en doe ook een poging de wortels te pakken te krijgen. Verderop langs de rand van het meer hebben we eerder deze maand de aanzetten van de bladeren van witte waterlelies gezien. Nabij de plek waar toen talloze huiden van kikkers lagen, leeggepikt door de blauwe reigers, hijst Sineag de eerste wortelstok omhoog van haast een meter lengte. We steken de spades dieper in het water en slingeren de wortels op de kant. Daar laten we ze even uitlekken. Als we zelf weer aan land staan, tellen we twaalf wortelslierten die ternauwernood plek in de twee meegebrachte vuilniszakken hebben.

Te zwaar beladen keren we terug. Het beekspringen gaat moeizaam. We worden gehinderd door het gewicht aan waterige wortels dat we op onze ruggen meetorsen en vallen allebei een paar keer achterover. We hijsen elkaar hoofdschuddend overeind. Met ieder een tas van de Tesco als knapzak bungelend aan de spade over onze schouder volgen we de hertenwissels tussen de gagel en heide door. Zie ons aankomen – de veldleeuwerik zingt hoog boven ons – alsof we het vaker doen, geen enkele moeite, het begin van het seizoen, de lente naakt.

Over twee dagen wordt het druk in onze vijver. Volgens de buurman die schapenfokker is gaan de kikkers hier overmorgen hun eitjes leggen. Dat doen ze al sinds hij het zich kan heugen op 14 februari. Vorig jaar vonden we inderdaad het eerste stipte dril op de voorspelde dag en hoewel het meeste bevroor, kwam er na een paar weken toch leven in de in gelei gevangen kommaatjes.

De vijver achterin de tuin is nog jong. Het is verbazingwekkend hoe snel de dieren het nieuwe water vonden. Soms met fatale afloop zoals voor een haas en een egel die erin verdronken. We hadden er niet bij stil gestaan dat we misschien wel een doorgaande route uitwisten met het graven van de poel. Een van de eerste bewoners was de bloedrode heidelibel. Vastgeklonken aan een mannetje dat stijf rechtop haar zat, vloog ze een paar rondjes rondom de vijver alsof ze de wateromtrek mat. Daarna boog ze haar achterlijfje en plakte met kleine schokjes langs de bladranden van de waterplanten een voor een haar nakomelingen.

Simon Caspers, Manon Uphoff: de redactie las een aandoenlijk verhaal met uiteenlopende sterke personages, en een indrukwekkende roman die tast naar de gruwelijke werkelijkheid van misbruik.

*

Daan Stoffelsen: Manon Uphoff, Vallen is als vliegen

Het is nooit een goed teken als de eerste persaandacht voor een boek uit interviews bestaat – als het echt geweldig is, begin je toch met een vijfballenbespreking-over-twee-pagina’s? Maar bij Manon Uphoffs nieuwste, zes jaar na De zoetheid van geweld, is het niet onzinnig. Vallen is als vliegen is fictie die heel sterk tegen de werkelijkheid hangt, een werkelijkheid van misbruik, van incest, van trauma. Het zijn simplificaties die de schrijfster zelf vermijdt in de roman, en dat werkt – moeilijk om superlatieven bij zulke onderwerpen te gebruiken – echt geweldig.

‘De schrijfster kietelt je, ergert je, stelt je maar kort op je gemak en sleurt je mee in geschiedenissen van familie en geweld, van geluk dat niet zonder haat kan,’ schreef ik in 2013 over haar verhalenbundel. Ook nu haalt Uphoff je aan en werpt je van zich af, je vliegt, je valt, het kabbelt maar kort en dan hamert ze je diep in de tragische geschiedenis van de vier dochters Holbein. Ze introduceert de dader heel netjes:

‘Mijn vader, HEHH, Henri Elias Henrikus Holbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan.
Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.’

Maar gedoseerd of niet, het ongeluk dringt diep door. Zo lees je er bijna overheen, zoete smaken en dan:

‘Hoe het weefsel van het eigen bestaan, de codex van het eigen brein te ontrafelen en doorgronden? Nog onbewust van wat op een dag ondraaglijke herinnering zal worden: niet de mond die zich eender leert sluiten om wat wordt aangeboden, een wafelijsje van Jamin, een gesuikerde en magisch verkleurende toverbal of de Holbein-penis (en, mogen we wel zeggen, met een verbluffende allure en een waar “natuurlijk” talent).’

Ja, het gaat van een enkele opmerking, even tussen haakjes, naar een afstandelijke beschrijving, om maar te onderstrepen: dit is echt, het is fysiek, het is vies.

‘En de gestage, krachtige maar eenzijdige ontwikkeling van het observatievermogen. Bijvoorbeeld voor de (blauwgrijze) eenoog van de priapus in diens lichtblauw textielen omhulsel, met bij mannelijke, niet-testiconde zoogdieren een buiten het lichaam hangende huidplooi (zakje) waarover in The Concise Gray’s Anatomy te lezen staat: “dun van huid, bruin- en of bruinroze, gerimpeld, bezaaid met vetachtige follikels en enkele kroezende kringelende haren”.
Ik herinner me een gummiachtige weerstand en met enige regelmaat ook een eigenaardige en opvallende verandering, die in de materiaalkunde ook wel faseovergang, fasetransitie of fasetransformatie wordt genoemd, gerelateerd aan minieme variaties in druk en temperatuur.
In mijn mond de smaak van gluton.’

Het is stelselmatig: overdag is HEHH een lieve vader, ‘s nachts bezoekt hij als de ‘Minotaurus’ de (stief)dochters in hun kamers. Hij koopt ze af, met ‘het zoete zwijggeld’, hij geeft ze het gevoel dat ze speciaal zijn – en tegelijk dat dit niet iets vreemds is. Op één pagina gaat Uphoff van een ode aan de mensensoort naar de nacht – ‘Kijk, iemand legt een hand laag op een rug of venusheuvel en gehoorzaam openen zich de dijen.’ – naar de dag – ‘En tijdens dit dove opgroeien zijn er toch ook de troost en het plezier van het bijzondere, het doodgewone.’

Het is stelselmatig, bijzonder en gewoon, maar het staat naast een verder onbezorgde jeugd, en die dubbelheid geeft de roman zijn spanning. Uphoff wil niet van álles afscheid nemen. ‘Zou iemand me op een dag vragen wat ik probeer te begrijpen en doorgronden […], wat ik wíl met deze geschiedenis waarvan ik onderdeel ben,’ schrijft Uphoff dan ook, dan zou ik zeggen dat het een voortdurend onderzoek is naar wat “thuis” betekent, en voor wie. Wat het is, wás en in de toekomst zou kunnen zijn. Om eraan toe te voegen dat ik daarvoor mijn huis, de pathologie ervan, moet uitbeelden en oproepen, in heel veel verhalen en in een (ritmische, rituele) herhaling die lijkt op die van fractalen. Als de puzzel die het was, een labyrint, de donkere kant van de maan.’

De kracht van deze roman zit in dat zoekende, het wisselende en nevenschikkende, het herhalende, tastend naar de gruwelijke werkelijkheid zonder die gruwelijk te noemen want je kunt het navertellen. De kracht zit ook in zinnen die kromstaan van de spanning, relativeren wat niet gerelativeerd kan, en die vloeien. Verdomde indrukwekkend.

Uitgeverij Querido gaf Vallen is als vliegen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Simon Caspers, Destiny

Martijn Simons en Casper Vandeputte schreven onder het pseudoniem Simon Caspers een roman – Destiny – over een oud-tennisprof die na het overlijden van zijn zus voor haar dochtertje moet zorgen. Eenvoudig en slim gegeven, opvallende hoofdpersoon – want sporters komen zelden voor in Nederlandse romans, en een kalm verhaal, gegoten in een rustige vloeiende stijl.

Bij een boek dat door twee schrijvers is gemaakt vraag ik me altijd af: wie schreef welke zin? Ik ken het werk van Simons, dat van Vandeputte niet. De lange zinnen met de vele komma’s, zijn die van Vandeputte? De terloopse vermelding van het voorbije tennisleven van hoofdpersoon Diederik, is dat van Simons? Ik hoef daarop geen antwoorden, tijdens het lezen stel me mezelf wel steeds die vragen.

Dat terloopse vind ik mooi. In zijn jongenskamer heeft Diederik nog posters van André Agassi en van een jachtluipaard hangen, tennis en atletisch vermogen. Er staan bekers die onder het stof zitten. ‘Ik weet nog dat ik op een gegeven moment alle tweede prijzen weg moest doen omdat het anders niet paste.’ De lezer weet door die opgeroepen beelden: hij was succesvol, en dat is alweer even geleden. Volledig beschreven in beelden die er nu zijn, in een kamertje van weleer.

Als Diederik een stuk of tien bladzijden verderop vertelt dat hij ‘eerst een nieuwe auto moet kopen en dat hij zijn eigen tennisschoen op de markt moet zeggen’, ontbreken die beelden en wordt mij een inkijkje gegeven in de gedachten van deze oud-tennisser, met als bijnaam De Kogel van Casablanca – dat was waar hij zijn hardste service sloeg. Deze directe vertelling doet me veel minder dan de beeldende vertelling.

Wat wel steeds goed werkt: het contrast tussen Diederik en zijn kleine nichtje dat hij mee moet nemen naar de tennisbaan waar hij lesgeeft aan jongeren met weinig talent voor de sport. Het meisje is bijdehand en gewiekst, zoals kinderen dat tegenwoordig soms zijn. Volledig realistisch beeld: een meisje van zes dat bepaalt hoe de dag verlopen gaat.

Wat vooral sterk is aan Destiny: de ik-verteller. Ook al verstopt hij zich soms in de dialogen, dan doet hij een stapje terug en laat die gesprekken plots bijna filmisch zien, grotendeels is Diederik degene die sturend aanwezig is, duidend soms ook, maar steeds met een mooi tempo en op een manier waardoor je verder wilt lezen. Deze verteller neemt je mee het verhaal in, en dat doet hij heel goed. Hij twijfelt soms, hij verkondigt geen absolute waarheid, en dat is prettig. Hij zegt: Kom maar mee dit verhaal in, ik weet ook niet precies waar we naartoe gaan.
Zo word je deelgenoot van een aandoenlijk verhaal met uiteenlopende sterke personages. Een lezer heeft weinig meer nodig.

Thomas Rap gaf Destiny uit.

‘De moeder, de vrouw’, het thema van de Boekenweek 2019, leverde veel kritiek op, bundels met columns, essays en verhalen en gedichten. Maar er is ook nieuwe literatuur. Bernard Wesseling schreef ‘Moeder en zoon’, over heldendom, het zachte verband – en bang-zijn.

*

voorlopig staat de mythe van de man tussen hen in. een zucht
naar heldendom vermomt als offervaardigheid.

geen man erkent zij, wat zij ziet is een ontwend kind.
zijn zwijgzaam-zijn als een moegespeeld front.

zoals hij wenst. zij onthoudt zich van hem.
toch vraagt ze — slechts met haar blik, de ondragelijk minzame —

dat hij hun zachte verband niet vergeet. alsof hij zou kunnen.
al is veel (te veel?) onbegrepen gebleven.

zij duwde zijn nagelriemen op, tot de kalkmaantjes zichtbaar waren. gaf hem te praten. leerde hem zijn kwetsbaarheid aan.

ooit zal hij haar beste les ondergaan: dat bang-zijn
geen zonde is, maar de schaduwkant van verwondering.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte. Lees ook aflevering 1.

*

Mijn hoed is al weken zoek; weggewaaid waarschijnlijk nadat ik hem ergens in de tuin naast me neer had gelegd. Stom. Hoeden zijn onmisbaar op Mull. Lopen en werken met een hoed biedt bescherming tegen hagel en regen en garandeert rust voor de oren, want de wind is luid en onstuimig en slaat losse haren als gesels in je gezicht.

De enige manier om op dit eiland aan een nieuwe hoed te komen is of naar de ‘mess’ rijden, de tweedehands winkel in Craignure, wat drie uur reizen betekent, of het internet opgaan en naast het gewenste artikel een leverancier vinden die de bestelling op het eiland wil afleveren. Meestal veroorzaakt dat laatste problemen, maar daarover later meer.

Ik vind na lang zoeken een soortgelijk model: licht, waterdicht in een groen dat niet te veel op zal vallen in het landschap. Een reservehoed komt eerdaags zeker van pas, dus bestel ik er meteen twee. Na een week al arriveert er een zending uit China, zorgvuldig verpakt in zwart papier en dichtgebonden met plakband waar grappige figuren op staan die me aan de poppetjes op prenten van Hiroshige doen denken. Voorzichtig snijd ik de verpakking open. Uit het papier komen welgeteld drie opgevouwen olijfgroene hoeden tevoorschijn met een schouderbrede rand zodat je in de schaduw van je hoed op een snikheet zonovergoten veld kan werken. Ik pas de hoed. De maat is perfect, maar met zo’n rand wordt het niks.
Wanneer ik via de bestelgegevens achter het adres kom van de afzender volgt een cryptische briefwisseling over waarom de hoed niet voldoet ondanks de riante rand. Ik schrijf dat de hoed te veel flappert en spreek af met Sun Jie dat ik twee hoeden terugstuur. Ze vraagt expliciet de derde te houden omdat ze die als cadeau heeft meegestuurd en het afslaan ervan ongeluk betekent.

Met twee hoeden in de originele verpakking rijd ik naar het postkantoor van Bunessan. Het loket bevindt zich in de hoek van het winkeltje van Glen en is niet groter dan een pashokje volgestapeld met dozen. Sìle zit achter het loket en werpt een blik op het etiket. Een beetje beschaamd vraagt ze: China? Het is het eerste pakje ooit dat ze die kant op stuurt. Ze moet in een boek het verzendtarief opzoeken. Er zijn twee opties: per vliegtuig of per schip. ‘Hoe lang doet de zending er per schip over,’ vraag ik. ‘Drie maanden,’ zegt ze terwijl ze een wenkbrauw optrekt. Zo lang kan ik Sun niet laten wachten, hoe charmant ook het beeld van twee zeevarende hoeden me toeschijnt. Weer thuis kijk ik nog eens naar het geschonken hoofddeksel. Misschien kan ik de rand inkorten. Met een schaar knip ik rondom 7,5 centimeter weg. De hoed is eigenlijk best bruikbaar zo. Later op de dag zoom ik de rand om met een biesbandje en ik vervang meteen het stugge koord van de klikstopsluiting. ‘Hold on to your hat,’ roept het weerstation bij windvlagen boven de 50 knopen. Vandaag is het kalm. Met de hoed van Sun op mijn hoofd loop ik naar het strand.

In de tweede editie, donderdag 18 april vanaf 19.30 van Het Personage word je meegenomen op een rondleiding door het voormalige Scheepvaarthuis, vandaag Grand Hotel Amrâth én een rijksmonument. Verspreid over hotelkamers en historische zalen brengen schrijvers en een kunstenaar een nieuw personage tot leven: De Navigator

Een avond over kapiteins en olietankers, over dwalen, GeoGuessr spelen, mensenstromen en wat er vandaag de dag allemaal aan het woord ‘ontdekkingsreiziger’ kleeft. Met Maria Barnas, Nyk de Vries, Selin Kusçu, Roos van Rijswijk, Jan van Aken, Samson Young, Iduna Paalman – en met jou?

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Boven op de Ben More staat een schaap, ontsnapt aan de schaapscheerders, waardoor het dier sprekend op een titanische merengue is gaan lijken; niet wit maar roze-grijs gemêleerd door de in vele regens uitgelopen rode stip op haar rug. De enorme toef wol op korte grijze pootjes kijkt me angstig aan, maar doet geen stap opzij. Dit is haar bergtop.

Ik leg mijzelf neer op het graniet en meteen word ik uitgekleed door de wind. Hier werd ook een hert geofferd. Het verdween in de steenarend en kalmeerde. Op de heenweg vond ik een reep huid op de rotsen en pal daaronder een paar wervels.

Op Mull is het landschap onderverdeeld in drie lagen. De bovenste laag, de lucht, is voorbehouden aan de vogels. Als je te dicht bij hen in de buurt komt, vallen ze aan.

De middenruimte wemelt van de hoefdieren die, als je niet oplet, je net geplante bomen opeten. Het hek stond open vannacht, maar de dieren hebben er geen gebruik van gemaakt.

De onderste laag is merendeels aan het zicht onttrokken en bestaat uit veen. Het draagt misschien wel het meeste leven. Samen met R. en Seathan meet ik de diepte van de moergrond. We hebben van de vogelbescherming een meetgereedschap te leen gekregen dat uit negen oranje, plexiglazen stokken bestaat van net geen meter. Deze peilstokken zijn met messing schroefdraad aan elkaar te koppelen. Vlak voordat de stok helemaal in de grond verdwijnt, draaien we de volgende stok vast en duwen we door, meter voor meter voor meter tot het puntje van de eerste stok op rots stoot. Met behulp van de door Seathan opgestelde tabel noteren we de meting. Bij het omhoog halen borrelt het smalle boorgat lang na. We blijven luisteren tot de peiling geen geluid meer maakt, alsof we de morsecode die het veenwater naar het heden zendt, proberen te ontcijferen.

Sphagnum, het mos waaruit het veen is opgebouwd, groeit per jaar gemiddeld een millimeter. Op een van de dertig punten in het raster dat we met een gps hebben uitgezet, meten we haast negen meter hoogveen. We kijken elkaar ongelovig aan en prikken nog eens net naast het eerste gat. Terug naar de ijstijd. Als proef op de som steek ik mijn vinger in het mos, en mijn pols en mijn onderarm glijden erachteraan. Het veen voelt warm en als ik mijn arm terugtrek, is mijn huid glad geworden van de tijdreis langs mos, pollen, insecten, zaden en neergedaalde vulkanische as die samen het afgelopen millennium hebben bepaald.

‘Ik wil de natuur niet dicteren wat is geweest,’ luidt de geheimzinnige slotzin van Elke Erbs gedicht ‘16.12’. Ik draag haar versregel met me mee. Meer dan ooit wil ik van het landschap doordrongen raken en me in de oorsprong van de plaatsgebonden taal verdiepen. Letterlijk en figuurlijk. Op het eiland hoop ik mijn schrijven op te kunnen rekken en als een zeiler (reagerend op de wind en de zeestroming), strandjutter (oprapend wat aanspoelt) en visser (sorterend wat er in het net komt) nieuwe woorden te vinden. Vandaag zijn het er vier: volle moer is een nog niet ‘aangesneden’ veengebied. Alvorens veen ontgonnen kan worden, moet men eerst alle plantengroei verwijderen. Een nog met lang heidekruid of gagel begroeid veengebied heet rauwe moer en dan bestaat ook nog de gezonken moer, onder water en de gezeten moer, boven water. Ik wrijf in mijn handen.

(Noot van de redactie: literair tijdschrift Raster publiceerde in 2004 zes vertalingen van Erbs gedicht. Willem van Toorn vertaalde nog vier gedichten.)

Valeria Luiselli, Hernan Diaz: de redactie leest een Mexicaanse en een Argentijnse Amerikaan, een diepmenselijke road novel die past bij het Boekenweekthema en geweldig geschreven is, en een cowboyroman met een gouden uitgangspunt.

*

Daan Stoffelsen: Valeria Luiselli, Lost Children Archive

Voor Athenaeum.nl schrijf ik een stuk over Valeria Luiselli’s Lost Children Archive, dat volgende week vrijdag in de vertaling van Molly van Gelder & Nicolette Hoekmeijer verschijnt als Archief van verloren kinderen. Ik betoog daarin dat het een indrukwekkende road novel is, die essayistische kwaliteiten combineert met ijzingwekkende spanning, en intieme details naast grote maatschappelijke bewegingen zet. Klein, maar groot in implicatie. Diepmenselijk. En mooi geschreven.

Misschien is het, sorry Tommy Wieringa, Saskia de Coster, sorry alle beroepsbundelaars, misschien wel hét Boekenweekboek; Archief van verloren kinderen gaat ook over moederschap, en vrouwzijn. Misschien lees ik er te veel in, maar het samengestelde gezin dat op reis gaat naar de laatste jachtvelden van de Apaches, en de voortijdige rustplaatsen van Midden-Amerikaanse kindvluchtelingen, wordt door een moeder beschreven. Ze is een vrouw als Luiselli, het autobiografische is makkelijk aan te wijzen, en haar manier van denken is herkenbaar van eerdere boeken: analytisch, nieuwsgierig, en niet zonder nieuwe inzichten.
Deze moeder is ook de stiefmoeder van zíjn zoon – een vanzelfsprekende keuze, maar een keuze. Dit boek gaat dan ook in bijzinnen over keuzes en gevoelens, in opvoeding, gezin, carrière, in een wereld met onmenselijke mensen en natuur. Hoe is het om moeder te zijn? Hoe is het een vrouw te zijn, nu? Luiselli tast daarnaar.

Maar ik houd ook van hoe de vertelster leest, en associeert, en vermengt met de werkelijkheid. Deze passage heb ik gekopieerd en geplakt uit het zetbestand van de vertaling van Van Gelder en Hoekmeijer. Dit is wat ik onderstreep, pagina 93 in de 4th Estate-uitgave, 120-121 in de Das Mag/Karaat-uitgave. Hoe alledaags en maandelijks rijmen, de suggestie van grote dreiging bij iets heel gewoons.

‘Ik leg The Lover weg en blader wat in het geannoteerde script van Hiroshima Mon Amour. In het voorwoord noemt Duras een omhelzing tussen twee geliefden “banaal” en “alledaags”. Ik onderstreep de twee woorden, zulke ongebruikelijke bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen. Vervolgens onderstreep ik, op pagina 15, de beschrijving van een shot met twee paar blote schouders en armen, zwetend en bedekt met een soort askleurige dauw. In de tekst wordt gespecificeerd dat we “het gevoel krijgen dat deze dauw, dit zweet, een afzetting is van de atoomwolk die wegtrekt en vervluchtigt”. Dan komt er een aaneenschakeling van beelden: een gang in een ziekenhuis, stills van gebouwen in Hiroshima die overeind zijn blijven staan, mensen die door een museum lopen waar een tentoonstelling is ingericht over het bombardement, en tot slot een groep schoolkinderen die staan gebogen over een schaalmodel van de stad die in de as is gelegd. Ik val in slaap met die beelden, die onophoudelijk door mijn hoofd spoken, en ik geloof niet dat ik droom.
De volgende ochtend word ik wakker, ga plassen en zie de kleine atoomwolkjes menstruatiebloed in slow motion uitvloeien in de wc-pot. Een maandelijkse gebeurtenis, al vele jaren, en de aanblik beneemt me — nog altijd — de adem.’

De adem benemen: dat kan Luiselli nog steeds bij mij doen.

Lost Children Archive verscheen bij 4th Estate, Archief van verloren kinderen verschijnt bij Das Mag en Karaat.

Jan van Mersbergen: Hernan Diaz, In de verte

Ieder jaar verschijnt er wel een sterke Amerikaanse roman die speelt op het platteland, desnoods een tijd geleden, de zogenaamde moderne cowboyboeken. Nu geschreven, over toen, met een strekking en gevoel die in onze tijd nog spelen. Kent Haruf schreef ze, Willy Vlautin, David Vann eigenlijk ook. En toen was het de beurt aan Hernan Diaz, met zijn debuut In de verte (vertaling Ronald Vlek).
Vreemde Spaanse naam, want van oorsprong is Diaz Argentijn, en al snel in het boek blijkt de subtiele connectie met zijn thuisland: de Zweedse hoofdpersoon die met zijn broer naar New York wil raakt in de drukte van de haven zijn broer kwijt en stapt op de verkeerde boot. Hij speekt de taal niet en heeft geen idee waar hij uit zal komen. Als hij bij de eerste stop een stad ziet, denkt hij: New York. Hij blijkt in Buenos Aires terecht te zijn gekomen, en ze varen door naar Californië. Het verhaal staat als een huis, want in het vervolg denkt hoofdpersoon Håkan – inderdaad met een rondje op de a – om op wat voor manier dan ook het continent over te steken om in New York zijn broer weer te vinden.

Prachtig idee, en heel goed geschreven: beschrijvend en sober maar ook poëtisch en hard en zwierig zo af en toe. Helder, in ieder geval. En met een hoog tempo. Na de bijtende proloog, waarin we Håkan uit een ijswak zien klimmen besluit hij zijn verhaal te gaan vertellen, volgen de hoofdstukken elkaar snel op, dan is Håkan weer bij een gezin, dan in een hoerenkast, dan weer elders.
Het enige nadeel van een hoofdpersoon die wel groot is maar amper spreken kan is zijn passiviteit. Dat sluipt ook in zijn handelen: vaak hangt hij op bed, zit hij ergens tegen zijn wil vast of staat er simpelweg: ‘Het leven ging verder in dezelfde sleur.’ Daarmee maakt de schrijver sprongen, het benadrukken van die sleur geloof ik wel. Gelukkig maakt Håkan voldoende mee om een avonturenroman mee te vullen en is de stijl en taal van Diaz afgemeten, duidelijk en vol schwung.
Het interessants is een man die op een zoutvlakte op zoek gaat naar de bron van het leven. Zijn theorie: de mensen was vroeger, heel vroeger, alleen een drijvend brein in zee. Later is daar een schedel omheen gegroeid, en van daaruit een ruggengraad en daarna ledematen, maar het begon als levend hoopje materie in de zee. Deed me denken aan een kwal. Levend wezen, maar zonder stevigheid. Dan is het nog de vraag waarom er zo veel soorten zijn ontwikkeld, en waarom apen er nog zijn en de mens zich veel verder ontwikkeld heeft. Zijn oplossing: de ontwikkeling van de mens begon veel eerder. De apen zijn miljoenen jaren later pas uit zee geklommen.
Geen speld tussen te krijgen.
Håkan is compleet overdonderd door deze ideeën, en Diaz lost het taalprobleem slim op door de man Nederlands-Duitse roots mee te geven, waardoor hij een beetje met Håkan kan communiceren, want anders zou de Zweed niks van dit ingewikkelde verhaal begrijpen.

Nog een nadeel aan dit verder heel mooi boek – het zijn details: de hoofdpersoon is door die taalachterstand niet degene die de verhalen draagt. Hij ontpopt zich na de proloog wel tot een held van immense proporties, maar in eerste instantie is hij passief, weerloos en een beetje een vlak speelballetje. Die natuurwaanzinnige is in ieder geval heel goed getroffen en een actiever personage. Toen ik over hem las dacht ik direct: jammer dat we hem straks weer gaan verliezen, want dat is de opzet van deze roman. Alle mensen die Håkan tegenkomt raakt hij ook weer kwijt.

Het omslag vermeldt een quote van Kirkus: dit is mengeling van Cormac McCarthy en Gabriel García Márquez, op de achterflap een quote die stelt dat Herman Melville over het Westen van Amerika schrijft in plaats van over de zee, Daan Heerma van Voss noemde deze roman op Instagram een kruising tussen een cowboyverhaal en John Coetzees The Life and Times of Michael K. Klopt allemaal, zeker die vergelijking met Coetzees beste roman, al moet wel bij gezegd worden dat In de verte een debuut is en alle debuten hebben zo hun beperkingen. Waar de genoemde schrijvers en ook goede ideeën in een goede stijl uitwerken weten zij ook van de roman meer te maken dan de leegte waarin Diaz blijft hangen. Passiviteit, uitzichtloosheid, traagheid en slachtofferschap zijn moeilijke ingrediënten voor een debuut. Het is net het laatste zetje: hoe maak je van zo’n boek een geheel dat voorbij de leegte gaat, dat die leegte opvult.
Hier spreekt een klagende verwende lezer. Nogmaals: het leest goed, het is geweldig gedaan en het uitgangspunt is goud, net die laatste stap naar een meesterwerk maakt deze roman een 9, en net geen 10. Niks van aantrekken, de meeste romans komen niet verder dan een 6½.

AtlasContact gaf In de verte uit.