Sally Rooney, Pauline Genee: de redactie las deze week een expliciete roman, slim geconstrueerd, die op een Stoner-achtige manier succes kan hebben, en een kleine roman die overtuigt in spanning en ideeën.

*

Jan van Mersbergen: Sally Rooney, Normale mensen

Vooraf drie punten: zinnetjes uit een tekst halen is legitiem (1) mits die zinnetjes iets doen met de gehele tekst (2), in dit geval: expliciet maken, en het ligt niet aan de vertaling (3).
Dat laatste punt noem ik omdat het boek dat ik zojuist gelezen heb (Normale mensen) vertaald is (en wel door Gerda Baardman) en ik al veel mensen heb horen zeggen: Je moet het ook in het Engels lezen.

Ik lees amper in het Engels omdat ik erken dat mijn Engels niet goed genoeg is om op een fatsoenlijk tempo proza te lezen. Aanhakend bij het laatste punt: een expliciet zinnetje in de vertaling was in het origineel ook een expliciet zinnetje. Vertelperspectief is in het Engels en in het Nederlands de derde persoon, en in die vertelling is Rooney sturend en soms overduidelijk, daar struikel ik keer op keer over. Rooney vult veel in. Ik word er kriegelig van.

De eerste opvallende vraag bij het lezen van Normale mensen van Sally Rooney: hoe kan een schrijver uiterst expliciete vlakke zinnetjes opnemen in een tekst en toch die tekst interessant laten zijn? Want dat is Normale mensen: interessant. Maar ook onbestemd en in de vertelling dus behoorlijk expliciet en niet mijn boek. ‘Hij miste haar gezelschap.’ Oké, dat begreep ik al vanuit de context. ‘Hij was hartverscheurend eenzaam.’ Ook dat had ik al door, vooral omdat Rooney me dat bijna in iedere korte passage aan het begin van de roman vertelt.
Dat soort zinnetjes zijn er in het boek erg veel te vinden, er zijn vast ook redacteuren te vinden die er dikke strepen doorheen zouden zetten. De redacteur in mij zegt: streep erdoor. Dat is niet gebeurd, en de vraag is: moest dat gebeuren? Kan dit proza zulke zinnetjes hebben? Het staat er, het leest wel goed, het is duidelijk. Maar voor een lezer die van proza houdt dat belevend en open is, is dit werken.

Die reden, en nu ga ik uitleggerig doen, is technisch, het gaat om overdracht. Als een verteller in de derde persoon soms niet een stapje terug doet en niet alles vertelt of uitlegt dan krijgt de lezer een ingetogener beeld van de personages. Dan komen de personages voor zijn ogen tot leven, zoals in een film. Dan lees ik niet iedere keer een aanvulling van de schrijver over wat er eigenlijk gebeurt. Aanvullingen die verduidelijken, maar die ook de lezer vooral op rationeel niveau bedienen.

  • ‘Ze voelde zich gefrustreerd.’ Goed om te weten, heldere mededeling, maar kan dat zinnetje niet verpakt in een beeld of helemaal weg? Voel ik eigenlijk al niet dat zij gefrustreerd is? Krijg ik de kans wel om te voelen dat zij…? Dat zijn lezersvragen, net als: hou ik niet te veel vast aan een laat-zien principe in proza, dat het gevoel van frustratie beter over kan brengen dan dit zinnetje?
  • ‘Ze was op een monoculair niveau op zijn lichamelijke aanwezigheid gericht, alsof de gewone beweging van zijn ademhaling al krachtig genoeg was om haar ziek te maken.’ Een zin die ik totaal niet begrijp, maar die me wel iets wil duidelijk maken. Maar wat? Streep erdoor, zou de dappere redacteur zeggen. Het is toch wel een nauwkeurige beschrijving van wat deze vrouw meemaakt, zou de lezer zeggen die vooral wil weten wat die vrouw meemaakt, in plaats van dat hij dat wil voelen. Dat voelen staat trouwens met stip op één in de lijst van expliciete beschrijvingen.
  • ‘Connell voelde een aangenaam soort verdriet over zich heen komen en moest bijna huilen. Zo overvielen hem momenten van emotionele pijn, betekenisloos of tenminste onontcijferbaar.’ Weer een duidelijk betoog over emoties, maar in de context – en dat is knap – precies en toch ook een aanvulling die net iets meer biedt. Een meerwaarde. Ligt dat aan de kleine woordjes als ‘een aangenaam soort’ of ‘bijna’? Een gradatie van verdriet, die jongen was niet alleen verdrietig, het zit ingewikkelder in elkaar. Hij huilde niet. Hij huilde bijna.
  • ‘Hij wordt voortgedreven door het verlangen precies in woorden te beschrijven hoe ze eruitziet en praat.’ Wederom niet een zin die me aanspreekt, door dat verlangen en dat motief, maar wel begrijp ik dat deze jongen dit wil. Het geeft richting. Wil ik niet te veel zonder die richting lezen?

Ik moest denken aan Stoner. Bejubeld, maar hetzelfde type proza: veel uitgesponnen dialogen tussen mensen die elkaar iets willen vertellen, die hopeloos zoeken, passief en een tikje treurig, maar die vooral ook een idee dienen, het idee van de schrijver die alles keurig netjes bij de lezer wil krijgen.

Nu is dat basisidee van Rooney zeer goed, spannend en helder.
Jongen en meisje zijn ogenschijnlijk elkaars tegenpolen en staan op andere plek op de sociale ladder, ze komen tot elkaar. Zijn moeder is schoonmaakster in haar ouderlijk huis, zo ontmoeten ze elkaar. Ze houden hun relatie geheim. De afwisseling van scènes met net genoeg handeling en flink wat expliciete uitleg maken een verhaal dat een niet te missen intensiteit en broeierigheid heeft.

Een test, voor een Show, don’t tell-lezer als ik, de volgende passage, op bladzijde 92:

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna voelt ze zich vredig en wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Ze kan niet bepalen of hij de behoefte bedwingt om zich van haar los te maken of zich juist kwetsbaarder wil maken. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Twee keer in deze korte beschrijvende passage loop ik tegen een zinnetje aan over gevoel. ‘Daarna voelt ze zich vredig…’ en ‘Ze heeft het gevoel…’ En een moeilijke zin over los maken en kwetsbaarheid. Eruit, zou de redacteur in mij zeggen. Maar wat blijft er dan over?

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Dat is niet eens zo gek, maar nu mis ik vreemd genoeg die toevoegingen. Daar moet een beeld voor in de plaats komen, en dat beeld is er nog niet. Schrappen is niet de oplossing. Blijkbaar hebben zinnetjes die in een ander verhaal zouden storen hier een functie. Ik vind het bijzonder. Het geeft de verknochte lezer van sober beschrijvend en invoelbaar proza een kriegelig gevoel, maar ook verdieping.
‘De laatste tijd wordt hij verteerd door een gevoel…’ lees ik. En ik vind het prima, vooral omdat de structuur van de roman zeer slim en springerig is.

De korte hoofdstukken zijn in de tegenwoordige tijd verteld en verspringen in de tijd. Steeds wordt dat nu verlaten om terug te gaan in de periode waar net overheen gewipt is. Een scène, dan vier weken later weer een scène en in dat tweede stukje toch nog even vertellen wat er daartussen gebeurd is. De Volkskrant noemde het een compositorische triomf. Ik vind het slim. Dat springerige vertellen gebeurt volkomen vanzelfsprekend. Zeer knap, want totaal onopvallend. De keuze was: chronologisch kan ook. Maar dat wordt vlak en saai. De personages en de handelingen zijn niet bijster attractief, maar zo verteld krijgt het boek dynamiek juist zonder aansprekende scènes. Alles wordt rustig en precies verteld, soms wat expliciet maar wel steeds nauwkeurig en binnen heldere kaders.

Wat door de controle van Rooney als verteller speelt: Connell en Marianne zijn soms speelpoppen in haar handen. Als ze in Dublin gaan studeren en uit de gebeurtenissen al blijkt dat de jongen moeite heeft vrienden te maken, zelfs om mensen te leren kennen, vraagt Marianne hem: ‘Moeite om mensen te leren kennen?’
Dat sluit een op een aan bij de verhaalopzet en zelfs bij de flaptekst. De lezer krijgt ook in dialoog benadrukt: dit is hoe die jongen is. In die scène had Marianne haar liefje ook een iets opener vraag kunnen stellen: ‘Heb je het wel naar je zin hier?’ En dan kan hij leugenachtig antwoorden: ‘Jawel hoor,’ en dan merkt de lezer wel dat de jongen worstelt met zijn sociale contacten en zijn gevoel. In plaats daarvan moet Rooney weer via haar Marianne vertellen: ‘Hij was eenzaam.’ Dat maakt dat deze personages hun eigen en elkaars emoties goed kennen. Ze worstelen ermee, maar staan er rationeel gezien ook boven. Ze zweven.

Voor mij is het allemaal net op het randje. Net iets te expliciet, personages die net iets te ver weg staan, een kalm verhaal dat een zekere voorspelbaarheid heeft, maar vooral weinig sterke beelden in deze vertelling. Ik krijg wel mee dat Marianne opbloeit, dat staat er herhaaldelijk, ik zou graag een sprankeltje van dat gevoel mee willen krijgen. Zelfde geldt voor de hulpeloze sombere jongen, een tobber die de weg kwijtraakt. Ook dat wordt me verteld, dus ik zie hem wel tobben en rommelen, maar in één enkel duidelijk beeld dat net even groter is dan die dreunerige vertellingen kan dat gevoel van zo’n twintiger ook verpakt worden. Daar verlangde ik vooral naar, tijdens het lezen.

Waar ik ook naar verlangde: de stemmen van de personages. Sally Rooney heeft een sterke stem, ze is wel erg dominant. En dan bedoel ik dat ze sterker is dan haar personages. De dagboekvorm kan ook vanuit die twee personages goed werken, en wat een voordeel is: ik-vertellers zullen niet zo snel al hun emoties proberen te benoemen, zullen leugenachtiger zijn en een andere spanning brengen, en wellicht meer diversiteit in toon.
Is maar een optie, zoals ik steeds tijdens het lezen opties zoek om dit expliciete proza draaglijk te maken. Ik weet uiteindelijk: niet doen, strenge lezer. Is niet nodig. Laat dit verhaal, van deze schrijfster van 27, vertellen, aan andere lezers.
Tijdens de presentatie van deze vertaling, bij boekhandel Athenaeum aan de Roetersstraat, las Philip Huff een kort fragment voor en ik wist meteen: deze dialogen tussen deze personages zijn niet mijn pakkie-an. Ieder hoofdstukje voel ik dat. Dat is het effect van dit proza op mijn gemoed: steeds die weerstand.

Toch zie ik zeker dat dit boek, net als Stoner, heel veel mensen zal bevallen. Lezers zullen zich rationeel deelgenoot voelen van een klassieke problematische liefde zonder emotioneel dichtbij te komen. Dat geeft niet, ze zullen precies weten waar de roman over gaat. Bij sommige literatuur is dat voldoende.

Ambo|Anthos gaf Normale mensen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Pauline Genee, Roadblock

‘Waar je dus aan denkt als je op je buik in de berm van een roadblock ligt? Je voelt het koude ijzer van een wapen in je rug, het horloge van je overleden moeder is afgepakt, net als de ring van je ex-geliefde (die had je ook niet om moeten doen! Je hebt toch die cursus gevolgd en ze waren er toch duidelijk over?) en ik durf niet meer te bewegen, voel hoe de takjes en blaadjes in de huid boven mijn wenkbrauwen prikken, er is getier vlak bij mijn oor, de stem roept steeds maar hetzelfde: “Where is the money” en “You fucking killed your friends” en “You are fucking helping the government”.
Waar je dan aan denkt?’

Pauline Genee studeerde Frans en Russisch, volgde het diplomatenklasje, werkt als speechschrijver op het ministerie van Buitenlandse Zaken en schreef de prettig ambachtelijke en ironische historische roman Duel met paard, en nu weet ze tijdens een waarnemingsmissie in een redelijk veilig land een adembenemende roadblock neer te zetten, die uitmondt in doden en een gijzeling. Roadblock is een heel spannend boek, waarin Genee zo’n situatie heel overtuigend neerzet: het lichaam staat onder spanning, de geest dwaalt af en wordt weer bij de les geroepen, de indrukken rijgen zich aaneen. Afwisseling, herhaling, lange zinnen, korte zinnen – heel vaardig, en veel minder ironisch, zij het dat Genee het wel licht kan houden met bijvoorbeeld de aanduiding ‘breiwerkjes’ voor de bivakmutsen van haar gijzelnemers.

Het is ook een boek over verhalen. Onze ik, Ava, heeft haar gelliefde Peer verlaten, een kunstenaar, een fictionalist, een verhalenvanger, om een geheim. Een familiegeheim: Ava weet dat Peer niet Fries is, maar Joods, en ze heeft gezworen dat niet te vertellen, ook al heeft ze hem opgezocht en is ze verliefd op hem geworden. Dus dat verhaal is er, en er zijn zinnen die bij Ava binnenkomen, flarden verhalen. En er is Peers theorie:

‘Ik droom dat je gelijk hebt, Peer: fictie bestaat niet. De deur van dit kamertje zal opengaan. En alle woorden die ik heb gepreveld, verlaten deze ruimte. Langs de muren gaan ze op zoek, weg uit dit huis, giechelend, fluisterend, en al snel vinden ze een spleet om door naar buiten te vluchten, een voor een.’

En die zinnen bereiken een verhalenverteller, ver weg. Het geheim van Ava, haar geschiedenis met Peer, en ook nog twee wijze tantes in Canada, en de militaire training voor de missie: het zijn wat groots opgezette verhalen die wellicht in een vorige versie van dit boek meer ruimte hadden gehad en verfijnder geweest zouden zijn, maar nu kleur geven aan een benauwde gevangeniservaring. Rob Schouten noemt de roman in Trouw een ideeënroman over vrijheid (om te denken, verzinnen, over geheimen te spreken) en onvrijheid, en juist omdat Genee veel in het vage laat (die gijzeling zou overal plaats kunnen vinden, of eigenlijk nergens, met zeer uiteenlopende karakteriseringen van mensen en landschappen) lijkt het me inderdaad niet primair een boek over een gijzeling. Het gaat over hoe mensen en geheimen je gevangen kunnen nemen, hoe je zelf een geheim kan worden, en wat vrijheid dan is. Daarbij komt de rol van verhalen, als uit de lucht ‘gevangen’ materiaal, maar ook als geestelijke ontsnappingsmethode.

Oké, genoeg geanalyseerd. Ik las dus een kleine roman die verrassend spannend en verrassend ideeënrijk is.

Querido gaf Roadblock uit.

De Revisor, literair tijdschrift, wordt vanaf dit jaar uitgegeven door Singel Uitgeverijen. De redactie, bestaande uit Jan van Mersbergen, Thomas Heerma van Voss, Bernke Klein Zandvoort en hoofdredacteur Daan Stoffelsen, gaat in volle vaart verder. De redactie kijkt uit naar een nieuwe toekomst met Singel Uitgeverijen, in een continu zoeken naar en schaven aan de beste literaire inhoud en de ideale vormen daarvoor. Daarnaast initieert De Revisor de programmareeks Het Personage, waarin schrijvers en kunstenaars tegen de decors van vier iconische locaties telkens een ander personage tot leven wekken. 21 maart is de eerste editie bij de fabriek van Kesbeke Fijne Tafelzuren in Amsterdam.

Een nieuw nummer zal dit voorjaar verschijnen, met bijdragen van onder anderen Arjen van Veelen, Floor Milikowski, Rob van Essen, Antonio Ortuño, Çaglar Köseoglu, Maria Barnas, Delphine Lecompte en Esther Jansma, en in de tussentijd zullen er op Revisor.nl wekelijks nieuwe blogs, poëzie en proza te lezen zijn.

De afgelopen vijf jaar werd het tijdschrift uitgegeven door De Bezige Bij, maar nu keert het terug naar Singel Uitgeverijen, waar het gedurende drie decennia door uitgeverij Querido werd uitgegeven en waar ook uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep deel van uitmaakt, dat het tijdschrift in 1974 begon.

Hoofdredacteur Daan Stoffelsen:

‘We hebben vijf mooie jaren bij De Bezige Bij gehad, en twaalf mooie nummers, maar we zijn blij met de warme verwelkoming bij ons oude huis, waar ooit Kellendonk en Van der Heijden debuteerden en vele Revisor-schrijvers van nu uitgegeven worden, zoals Gustaaf Peek, Marja Pruis, Wytske Versteeg, Roos van Rijswijk en Radna Fabias. In ons 45ste jaar lezen we nog steeds nieuwe auteurs, vragen we weer om nieuwe verhalen en maken we nieuwe plannen samen met het team van Singel. Zo, door een mengeling van traditie, innovatie en enthousiasme, hopen we ook nieuwe lezers aan ons te binden.’

Josje Kraamer, redacteur Querido/Singel Uitgeverijen:

‘Ik ben heel gelukkig met het feit dat De Revisor nu bij Singel Uitgeverijen wordt uitgegeven. Ik verheug me er ontzettend op om met de redactie samen te werken en plannen te verzinnen zoals de programmareeks Het Personage, die door Bernke Klein Zandvoort en Joost Oomen is bedacht en wordt georganiseerd. Het is belangrijk dat een literair tijdschrift als De Revisor blijft bestaan, en we willen het literaire tijdschrift de komende jaren voor veel lezers zichtbaarder krijgen.’

Uiteenlopende boeken die in feite over hetzelfde probleem gaan: depressie. Een slim essay over sombere mensen en een roman over de natives in Oakland, Californië.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De grenzen van mijn taal

Ik ben geen somber mens. Ik beleef plezier aan mijn verschillende werkkringen, aan het filteren en begeleiden, het opkweken en opsteken van literatuur, en aan mijn leven in gezinsverband. Ik ken depressie niet persoonlijk. Eva Meijer wel, en ze is erin geslaagd om in De grenzen van mijn taal haar eigen ervaringen, haar wetenschappelijke vaardigheden, en haar kwaliteiten als kunstenaar samen te ballen tot een rijk essay over de ziekte. Ze laat me kennismaken met iets wat moeilijk inleefbaar is. ‘Op strijd als metafoor voor ziekte, ook populair bij depressie, is terecht al veel kritiek gekomen,’ schrijft ze, maar ook:

‘Metaforen zijn natuurlijk niet nutteloos. Stel je voor dat je in je lichaam een zee meedraagt. Bij elke stap beweegt die, net genoeg om te voelen dat je uit water bestaat. Je weet dat het water gevaarlijk is, dat er mensen in verdronken zijn, dat je onder water niet kunt leven. Je weet ook dat je nu eenmaal met die zee zit, dat er niet aan te ontsnappen valt. Soms stijgt het water, dan zakt het weer, als de getijden, hoewel niet zo regelmatig. Tot het op een dag stijgt en stijgt en je langzaam in paniek raakt. Je kunt er niet aan ontsnappen, want het zit in je. Niemand ziet het aan je buitenkant, hoewel je ogen vaker tranen dan normaal. Je kunt maar beter gaan liggen en wachten tot het water zakt en je weer kunt bewegen. Je kunt maar beter niet gaan liggen, want voor hetzelfde geld verdrink je. (En ondertussen stijgt het water en hou je al een minuut je adem in.)
[…]

Of stel je voor dat je in een bos loopt. Het is een mooie dag, je bent er niet voor het eerst maar bent er ook niet heel vaak geweest, en je kiest een nieuwe route. Dat kan wel, je weet ongeveer hoe de paden zich vertakken. Je gaat links en weer links en rechts en wil nu wel weer terug naar huis. Als je je omdraait, weet je niet meer van welk pad je kwam. Er zijn geen aanknopingspunten – je denkt een boom te herkennen, bent even opgelucht, maar dan blijkt het toch een andere te zijn. Je versnelt je pas, het gaat over een uur schemeren. Je telefoon heeft geen bereik. Dit kan een mooi verhaal opleveren, denk je om jezelf gerust te stellen – straks zit je lekker weer binnen. Het is niet koud, je zult niet doodvriezen als je niet op tijd thuis bent, ze zullen je missen en komen zoeken. Toch kruipt de paniek je buik in, je benen. De ruimte om je heen verandert, wordt groter, jij wordt kleiner. Achter bomen kunnen onbekenden staan. Je oren gaan verder open, net als je ogen, je ademhaling is snel, je hartslag ook. De geur van het bos is beklemmend, niet langer rustgevend. Het begint al te schemeren. Je komt niet meer thuis, je blijft voor altijd in dit moment hangen.’

De kleur grijs, het oneindige, het verlammende: Meijer beschrijft het mooi, precies en overtuigend. Ze vertelt uit eigen ervaring, en neemt filosofische, psychotherapeutische en medische inzichten mee, over pillen, therapie en genezing – en in hoeverre dat wel mogelijk is. Ze betoogt dat ziekte en tegenslag niet zonder waarde zijn. Ze maakt duidelijk hoe sociale omgang moeilijk wordt en vermoeiend voor de zieke, maar nog steeds waardevol. Dat huisdieren, maar ook werk, wandelen, hardlopen, kunnen helpen om je sombere gevoelens in te kaderen.

Het voelt wat vlak om te zeggen (want in hoeverre is dat mijn zwakte, in welke mate de kracht van het boek?), maar ik heb veel geleerd van dit boek, juist door Meijers vermogen dieper te graven, andere perspectieven te zoeken, te verrassen. Het voelt ook wat wrang bij een onderwerp dat zovelen ongelukkig maakt, maar ik heb ook genoten van dit boek. Vanaf de eerste zinnen (er staat een fragment op Athenaeum.nl uit de Inleiding) merk je dat Meijer haar woorden met zorg kiest, waardoor de kracht van de literatuur naast die van de ervaring en de analyse komt te staan. De grenzen van haar taal bieden ruimte te over aan haar verhaal. Mooie zinnen, rake zinnen, pijnlijke herinnering en terechte twijfel naast doortastend reiken naar de waarheid. Eva Meijer is een van onze beste romanciers en essayisten, dit boek is een noodzaak voor eenieder die de kleur grijs van dichtbij of veraf heeft leren kennen.

Uitgeverij Cossee gaf De grenzen van mijn taal uit.

Jan van Mersbergen: Tommy Orange, Er is geen daar daar

Overdonderend boek. Daar kan ik kort over zijn. There there van Tommy Orange is vertaald, als: Er is geen daar daar. Ik was huiverig voor de Wat is de wat-achtige titel, maar vanaf de eerste bladzijde vertelt dit boek me hoe de natives, de Indianen in Amerika, denken, kijken, bewegen, keuzes maken. Niet het beeld van de gevederde Indiaan schetst Orange, dat beeld is een icoon, net zoals het powwow-dansen en de huidskleur en symbolen die overal in Amerika te vinden zijn maar weinig vertellen over de Indianen zelf.

Orange laat een hele rits natives uit Oakland, Californië aan het woord of laat ze simpelweg zien. Een grote sterke jongen die een misvormd hoofd heeft omdat zijn moeder dronk toen ze zwanger van hem was. Hij ziet zijn eigen hoofd in de tv weerspiegeld. Hij heeft een syndroom, hij heeft alleen onthouden: droom. Dat beeld is zijn droom.​

‘Ik haalde mijn kostuum tevoorschijn en trok het aan. In de woonkamer ging ik voor de tv staan. De enige plek in het huis waarin ik me in de volle lengte kon zien. Ik schudde en tilde een voet op. Ik zag de veren fladderen op het scherm. Ik stak mijn armen uit, liet mijn schouders zakken en liep naar de tv toe. Ik trok het bandje onder mijn kin aan. Ik keek naar mijn gezicht. De Droom. Ik zag hem niet. Ik zag een Indiaan. Ik zag een danser.’​

Een andere jongen kalkt tags op busbankjes, muurtjes, wc’s. Hij legt een plan voor aan een subsidiecommissie; hij wil een film over de Indianen maken, zonder invulling of oordelen. Het gaat hem lukken, hoop je steeds, zoals de hoofdpersoon uit De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst het ook moet lukken dat boek te schrijven.​

Of het uiteindelijk lukt is niet het belangrijkste aan deze roman. In het verdere verloop volgt Orange eerst een andere jongen die zijn verhaal voor de camera vertelt en steeds hijgerig vraagt: ‘Krijg ik nu tweehonderd dollar?’ Het is een goed verhaal, maar het geld is de werkelijke motivatie.​

Een moeder gaat met haar twee dochters op Alcatraz wonen. De moeder is ziek maar kiest niet voor de reguliere behandelingen.​ ‘Ze werd almaar kleiner.’​ Dat is een mooie manier om te zeggen dat ze sterven zal – wat ook gebeurt. Een van de twee dochters raakt zwanger, het gezin valt uit elkaar, de meisjes zijn totaal verknipt.​

De zus heet Jacquie. De zussen proberen bij elkaar te blijven – letterlijk.​

‘We kwamen bij een stoplicht. Toen het groen werd, pakte Jacquie mijn hand. Toen we de straat overgestoken hadden, liet ze hem niet los.’​

Een dikke jongen heeft zijn game- en internetverslaving ingewisseld voor eten. Al bijna een week kan hij niet meer poepen – totaal verstopt. Hij weet dat hij minder moet eten – hij spuugt cola uit. Dappere poging. Hij weet dat hij meer moet bewegen, dus hij doet oefeningen. Hij is een Cheyenne, hij geeft niet op. Hij zet ‘die woede om in een poging tot een sit-up’. Dat lukt, en bovendien:​

‘Maar de blijdschap dat mijn eerste sit-up is gelukt, gaat gepaard met een explosie, mijn trainingsbroek vult zich met een vochtige stinkende hoop ontlasting. Ik zit buiten adem, zwetend, in mijn eigen stront. Ik ga weer liggen, spreid mijn armen, de handen geopend naar boven. Dank je, hoor ik mezelf zeggen.’​

Dat is smerig proza waar je de schrijver toch voor wilt bedanken.​

Hij schetst een flink aantal onbekenden waar je direct mee meeleeft. Natives waar wij niks vanaf weten worden personages die niet veel verschillen van andere hedendaagse Amerikaanse personages, zoals in Mijn allerliefste schat of Montana of uit het werk van Paul Harding of David Vann. Harde heldere literatuur waar Orange zijn verhalen en zijn roots opvallend makkelijk tussen schuift. Het is nieuw. Het was er niet niet. We hadden wel de Indiaan die met Jack Nicolson in het gekkenhuis zat, de Indiaan die naast Mel Gibson mocht staan, of die op een buffel reed in Dances with wolves. Allemaal treurige vlakke iconen.​

Op de pyjamabroek van mijn jongste zoon staan cactussen en wigwams afgebeeld. Wat betekent dat?​

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Klukkluk, ons Indianenclowntje met zijn scheve gezicht – niet doordat zijn moeder zoop tijdens haar zwangerschap, maar voor de grap. André van Duin met een tooi. Ik weet zeker dat er nooit een filmpersonage zal komen zoals Klukkluk dat een scheve mond heeft door het zuipen van zijn pa. Onze Indiaantjes zijn om te lachen, om een pyjama op te vrolijken. Daar lenen Indianen zich voor, en hoe dat voel je bij Tommy Orange in iedere zin.​

De proloog laat zien hoe stammen afgeslacht werden, hoe er met Indianenhoofden gevoetbald werd in de straten. De verdere hoofdstukken laten de worstelingen zien van Steden-Indianen. Dat is hun landschap. En toch blijven de ontheemd, onzeker, angstig, minderwaardig. De verschillende personages die volgen geven hetzelfde beeld, maar dan in het Oakland van nu, en de verhalen zijn verweven, dat merk je als de stiefvader van de dikke jongen ook een hoofdstuk krijgt toebedeeld.​

Als de Efteling een attractie aanpast omdat naast het tergende muziekje racistische symboliek uitgedragen wordt, wat niet meer van deze tijd is, zijn de reacties op facebook uit vooral uit zuiden van het land opvallend: belachelijk, het moet niet gekker worden, die poppen doen de kinderen geen kwaad, de omgekeerde wereld. Er is geen daar daar laat heel schrijnend zien dat racisme niet alleen in symbolen zit. Die moeten natuurlijk aangepast, hoe zeer behoudzuchtige blanke zenders dat plots ook zien als ‘hun cultuur’, de Eftelingpoppen met neusringen en spleetogen staan gelijk aan Zwarte Piet. Tommy Orange vertelt over natives die nu leven en zich totaal geen raad weten met de symboliek die hen in de grote wereld neer moet zetten: de dappere onverschrokken Indianen van vroeger, die dansten met wolven en ook wel eens zwijgend een cowboy tegen durfden te vergezellen. Ze hebben psychische problemen, alcoholproblemen, drugsproblemen, ze weten helemaal niet wie ze zijn.​

Er zijn veel zelfmoorden over natives. Geen wonder: ‘Je kon moeilijk propageren dat het leven zo mooi was wanneer dat een leugen was.’​ Als een vrouw die net gestopt is met drinken kijkt naar een oude Indiaan met een honkbalpet op die zijn hand in de lucht steekt alsof hij aan het bidden is, en in zijn andere hand heeft hij een flesje water waarmee hij het publiek besprenkelt: ‘Zoiets had ze nog nooit eerder gezien.’ Een ritueel van natives dat even bekend als onbekend is, dat in stand behouden wordt door het beeld en hetgeen het beeld vertegenwoordigt – de riten van de oude Indianen – maar het staat nergens meer voor, het is volkomen los van de natives zelf. Dat moet bizar zijn. Alsof een lang vervlogen icoon uit het verleden door je eigen mensen wordt uitgevoerd om anderen te plezieren (en om wat geld te verdienen), in alle oprechtheid van een culturele act. Een klompendans in een Brabants gabberdorp.​

Een zelfmoordpreventiemedewerker sprak collega’s in South Dakota die zo veel zelfmoorden meegemaakt hadden dat ze geen tranen meer hadden. Op. Hij zelf verloor vijftien familieleden aan zelfmoord. Zijn vergelijking: er is veel zelfmoord, het zijn kinderen die springen uit brandende gebouwen. En wat we doen: we stellen dat het probleem in de eerste plaats is dat ze springen. We zeggen ze dat ze beter in het brandende gebouw kunnen blijven zitten.​

De vrouw die dit hoort tijdens een conferentie vlucht. Ze heeft genoeg ellende meegemaakt, genoeg gedronken ook. De vrouw kent het verhaal van Veho, de spin die staat voor de witte man die de wereld door zijn ogen liet kijken. ‘Eerst geven jullie me al je land, dan slok ik jullie aandacht op tot je je er niks meer van herinnert.’ Dat is een belangrijk zinnetje: de natives zijn een rad voor ogen gedraaid, en ze weten het. Hoe ze ook zoeken naar hun roots, het blijft even vaag als een dronken bui.​

Je kunt blijven citeren uit deze roman – is het wel een roman? Het is een scherpe analyse van onrecht. De verhalen gaan over onrecht. De Indianen, hoeveel namen ze ook dragen, is alles afgepakt. Orange stelt dat als Indianen hun verhaal vertellen vaak de reactie is: ‘Laat toch gaan. Jullie zijn slechte verliezers. Hou op en speel het spel mee.’ Maar het is geen spel. Het bloeden van de wond is nooit gestopt. Mensen alles afpakken en dan zeggen: ‘Jullie zijn toch wel veerkrachtig.’ als verdienste. Dat is een misdaad. ‘Je noemt het slachtoffer van een poging tot moord toch ook niet veerkrachtig.’​

Deze kraakheldere beangstigende analyses maken dit een groots boek, want in het volgende hoofdstuk gaat er toch weer een jongen van Indiaanse afkomst een dansje doen. Schrijnend, invoelbaar, en vooral roept het schaamte op. Over de privileges van witte mensen die volkomen in de watten zijn gelegd en die toch doen alsof hun leven net zo’n zware strijd is. Over de Efteling die hun symbolen niet mag afpakken, dat moet zo blijven, daar voelen wij ons gelukkig bij. Inderdaad: het zijn gekaapte treurige witte symbolen geworden.​

Volgende week donderdag: lezing van Tommy Orange door het John Adams Institute, in de Amstelkerk.

In de Twee Gedichten-reeks dit keer nieuw werk van Laurine Verweijen: ‘Moetingen’. Een woord met zeven betekenissen, dat er bij ieder gebruik zes achterlaat.

*

1

een struisvogel
heeft een oranje reuzenei gelegd
van heinde en verre komen vogelaars
en fotografen
op dit natuurverschijnsel af

het ei is te groot
om weer in te slikken of onder zijn kin
mee te nemen naar beschutting

het ei vervreemdt van zijn legger
talloze flitsen leggen dit onzichtbare vast

2

steeds meer mensen leggen hun gehoor aan de grond
zelfs in platte vlakken kunnen zij de zee horen:
‘er gaat een mentaal vacuüm uit van de wereld aan je oor’

hoeveel gronden klinken door in andere gronden?
gruis uit Nieuw Afrika leeft in de straatstenen van een middelgrote Franse stad

de dakloze van het 7de arrondissement
die verderop een woning kreeg toegewezen
keert ‘s nachts terug om tegels te keren
neemt ze mee naar zijn nieuwe bed

3

een boom zwaait voor het allerlaatst vandaag
een jongen loopt de man tegemoet die hij later zal worden

op internet bestaan websites die behalve door de maker
door niemand worden bezocht

er is een meisje door een glazen deur gelopen
zonder dat ze zelf iets in de gaten had

haar moeder plakt zwarte vogels op het nieuwe glas

4

een kluitje woorden staat op het punt
te worden geschrapt

een orgasme besluit
net voordat het bereikt wordt
het lichaam te verlaten

5

het pad dat ik achter me liet
blijft me volgen
als een trein die ik vanuit de auto zie
en telkens vanachter een bomenstrook
weer tevoorschijn piept

6

een meisje is door een glazen deur gelopen
steeds meer mensen horen de zee

een orgasme besluit
net voordat het in duizend lichtpunten uit elkaar knalt
het smachtend lichaam te verlaten

een woord met zeven betekenissen laat bij ieder gebruik

zes betekenissen achter

Ilja Leonard Pfeijffer, Antoine de Saint-Exupery: de redactie las de kleine favoriet van toeristen (wie immers verzamelt niet alle vertalingen?), sober en beeldend, en een groots opgezette roman over toerisme en Europa die niet verrast. *

Jan van Mersbergen: Antoine de Saint-Exupery, De kleine prins

‘Het belangrijkste is onzichtbaar.’ Klein zinnetje dat het kleine boekje De kleine prins (vertaling L. de Beaufort-van Hamel) samenvat. Nog geen honderd bladzijden, met tekeningen, over vinden en zoeken. Een kleine mythische tekst over een prinsje van een kleine planeet en een piloot in de woestijn. Ze vinden elkaar.

Wat zocht de kleine prins in de woestijn? Dat ontdekt de piloot en tevens verteller pas aan het einde, als de kleine prins water drinkt. In het begin tekent de piloot een olifant die opgegeten wordt door een boa constrictor. Hij tekent echter alleen de buitenkant zodat het lijkt op een hoed. Niemand ziet er een olifant in die opgegeten is door de slang. Het belangrijkste is onzichtbaar. De kleine prins heeft één roos. ‘Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.’ Het boekje gaat over de ruimte, over tijd, over kinderlijke verlangens en dwaze volwassenen. Moeilijke materie, want al snel wordt zo’n opzet simpel en komt het niet over. Antoine de Saint-Exupéry kiest voor een sobere beeldende taal die de vertelling wel kan dragen. Nergens sentiment of uitgekauwde metaforen. Wel verhaaltjes die totaal onmogelijk zijn maar die je door de manier van verteller direct gelooft. ‘Je moet ’s nachts naar de sterren kijken. De mijne is te klein om te wijzen waar ze is. Dat is ook beter zo.’

Daan Stoffelsen: Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa

Onder de vele plagen die plaatsen als Amsterdam, Venetië en Giethoorn teisteren, is toerisme het meest in het oog springend. Veel meer dan klimaatproblemen en de duurzamere migratie uit arme landen, althans. Daarom gaat Ilja Leonard Pfeijffers enorme roman Grand Hotel Europa ook minder dan La Superba over migratie, als wel om toerisme, het vluchtige broertje van de volksverhuizing. Een belangrijk onderwerp, en niet eens zo’n enorm boek, als je ziet dat Pfeijffer de aantrekkingskracht van het verleden van ons continent voor de Europeanen, maar zeker ook voor de Amerikanen en Chinezen, en niet in de laatste plaats voor hoofdpersoon Ilja zelf, in verschillende verhaallijnen laat zien. De kracht van die oude verhalen is al een belangrijke aanname, die Pfeijffer opvoert in het verbroken liefdesverhaal van Ilja en zijn Clio, de kunsthistorica met beroerde baantjes die jaagt op een verdwenen Caravaggio, en in de geschiedenis van het hotel en zijn piccolo. Net als het belang van stijl in leven en schrijven: Pfeijffers protagonist kleedt zich en soigneert zich perfect, formuleert precies en zeer uitgebreid, en er staan paginalange alinea’s betoog in die elk verband met een realistische dialoog verloren hebben.

‘“Ik verzoek u mij te corrigeren als ik het bij het verkeerde eind heb,” zei ik, “maar ik heb niet de indruk dat ik mijn toevlucht neem tot overhaaste gevolgtrekkingen als ik concludeer dat uw antwoord op mijn eerdere vraag ontkennend zou zijn en dat u niet van oordeel bent dat reizen de blik verruimt.” “Ik zie geen noodzaak om u te corrigeren,” zei hij.’

Het gaat over de kunst van Caravaggio en Damien Hirst, over musea, over hoe het continent sterft. Het gaat over hoe Europa in zichzelf gekeerd is. En over hoe toeristen een niet te stoppen ramp zijn. Had ik dat al gezegd? Dat zal zijn omdat Pfeijffer er ook op hamert. Hij herhaalt het nogal eens. Ik deel Pfeijffers literatuuropvatting niet – ik overdrijf even: kunst hoort kunstmatig te zijn, en daarop te reflecteren, tot in een weelderige stijl en een ironische toon over the top -, maar ik zie dat hij die consequent doorzet, mooie verhalen combineert, zichzelf als overtuigend personage neerzet. Zelfs de manier waarop hij met vrouwen en meisjes omgaat, de pornografische scènes, past. Alleen mist de centrale lijn van dit boek – en ik mis misschien een ironische twist – verrassingen. Hij verrast me met een inzicht in de verhaalstructuur in de Dave Eggers-achtige getuigenis van piccolo Abdul. Hij verrast me met de reflecties op moderne kunst (de tweede helft van de roman heb ik niet voor niets gelezen). Hij verrast me (en zijn hoofdpersoon) met de plotwendingen aan het slot. Maar niet met het gegeven dat toerisme het oude Europa kapotmaakt, en dat Europa vastzit in het verleden. Dat is zo’n Nexus Instituut-stelling die onbetwistbaar is, die veel analyse en weinig oplossingen toelaat, lange gesprekken oplevert, maar geen ontwikkeling. Het is niet iets voor op de voorgrond van een boek, het is decor, zoals in Rob van Essens De goede zoon (waarin Hirst ook een rol speelt, en musea, en carnavalstoeristen, en het verleden). Ja, ontwikkeling, misschien is dat mijn bezwaar. Het lijkt wel alsof Pfeijffers alter ego, een corpulente, charmante snob, vast blijft zitten. In zijn relatie met Clio veranderde er weinig, in Hotel Grand Europa evenmin. Ja, het slot biedt hoop – maar dat is te weinig en te laat. Dan is Europa al overleden.

Na een korte radiostilte vervolgen we onze reeks 500 à 1.000 met een verhaal van Lucia van den Brink: ‘RGB’.

*

Eindelijk mag ik de hoofdrolspeler op het doek schilderen. De achtergrond is af: het groen van de vijgenbomen en bramenstruiken, het blauw van de zee en de lucht. Ik doop mijn penseel in het rood, groen en blauw. Als je die kleuren in dezelfde hoeveelheid mengt, krijg je grijs. Ik zoek naar de ideale verhouding. Daarbij probeer ik me de kleur voor de geest te halen die ik zag als kind toen ik stiekem naar het circus fietste. Daar keek ik naar de grijze olifanten die in het gras van het park stonden. Het enige dat de dieren tegenhield was een gespannen touw om een paar palen. Ze vonden zichzelf niet groot of sterk genoeg om er doorheen te beuken. Ze lieten hun wereld eindigen waar het touw begon.

Het fascineerde me. Ik moest het beeld vastleggen. Het eerste schilderij dat ik maakte was van een olifant omringd door een touw. Een olifant in een park. Daarna ook op het strand, midden in de stad of waar dan ook, maar altijd dezelfde olifant.
Tot die ene dag tijdens onze vakantie. We hadden het er ’s ochtends al over gehad, Faraj en ik.
‘Het is toch vies of zo? Voor jou,’ had ik gezegd.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Een bloederige hamburger vind ik ook lekker.’
‘Vergelijk je me met een hamburger?’ Ik sloeg hem op zijn bovenbeen.
‘Wat ik bedoel te zeggen is; het hoort erbij. Het is gewoon meer van jou.’
‘Dat is waar,’ mompelde ik. En daar had ik het bij gelaten.
Later die dag gingen we naar de zee. We wilden afdalen. Onze voeten in het koude water laten bungelen. Even afkoelen.
Maar het pad klom. Het leek alleen gebruikt te worden door spinnen. We braken door hun webben.
Faraj liep voorop. Iedere stap leek hem dichterbij zijn doel te brengen. Het was net of hij een dwaallicht volgde dat alleen voor hem bestond.
‘Kunnen we niet beter teruglopen?’ vroeg ik. Alles om ons heen was groen: struiken, bomen. Met mijn hand gleed ik over mijn broekzak. Ik zocht naar mijn telefoon, maar die lag nog in de auto. De auto die we een uur geleden achter hadden gelaten op het parkeerterrein. Of nou ja, iets wat op een uur leek. Mijn tijdsbesef was niet betrouwbaar meer, kwijtgeraakt. Net als mijn richtingsgevoel.
Er kwam een punt dat er meer blauw was dan groen. Meer zee en lucht. Een tint helderblauw die je in Nederland niet tegenkomt.
‘Wist je dat de lucht blauw is omdat het zonlicht verstrooit onderweg?’ vroeg ik aan Faraj. Ik wist dat het zijn lievelingskleur was.
‘Wat bedoel je met verstrooien, mijn kunstenares?’ Faraj draaide zich om en kneep in mijn zij.
‘Zoals ik het zeg; blauw bereikt je oog via een omweg. Dat komt door de korte golflengte.’
‘Dus blauw bestaat omdat het onderweg naar je oog verdwaalt?’
‘Zo zou je het kunnen zeggen.’
Hij glimlachte. ‘Zie je, de weg kwijtraken is goed. Als je verdwaalt, kun je tenminste iets vinden.’
‘Gebruik je daarom liever geen Google Maps?’
‘Na één keer rijden wil ik het uit mijn hoofd doen. En als het niet lukt, nou ja, van een omweg kun je leren. Of iets nieuws ontdekken.’
‘Ik kom het liefst direct waar ik wil zijn,’ zei ik, ‘en ik zou nu het liefst teruggaan.’
‘Waar is terug?’ Hij bleef vooruit kijken. Ik ging naast hem lopen. Het was laat in de middag, toch liet de zon onze huid gloeien.
Faraj pauzeerde bij een grote struik om aan de bladeren te ruiken. ‘Vijgen,’ zei hij. Toen ik beter keek, zag ik ze hangen: de groene vruchten die alleen in warme landen groeien. Hij kende dit klimaat beter dan ik. Hij plukte een blaadje en gaf het aan mij. Ik rook eraan. Vanaf dat moment herkende ik overal vijgenbomen. Ik zag ook bramenstruiken met gemene stekels. Af en toe klonk er een bijenkoor uit de bosjes.
Ik wilde de omgeving vastleggen. Ik stelde me voor hoe het penseel zou voelen tussen mijn vingers, hoe de verf zou ruiken als ik realiteit mengde met fantasie.
Met iedere stap had ik minder tegen Farajs ferme pas in te brengen. Het deed er niet toe. Ik liep. Natuurlijk wilde ik dwalen met hem, verdwijnen, alleen wij twee op de wereld.
Mijn pas kreeg een ander ritme. Een ritme dat onwennig voelde; het was niet de pas van het rennen naar de trein, niet van ongeduldig wachten in de rij bij de supermarkt en niet van de gretigheid waarmee ik dagelijks naar het koffieapparaat loop. Nee, dit was het ritme van lopen zonder doel. Het ritme van vijgenbomen, bramenstruiken en bijen.
Mijn nek zweette. Mijn voeten brandden.
De vijgengeur ging mijn neus in en vulde mijn longen met zuurstof. Het geluid van de bijen ging mijn oren in en zoemde door mijn lichaam. Ik was onderdeel van de omgeving en de omgeving was onderdeel van mij.
Ik was niet langer iemand met volgers op Instagram en vrienden op Facebook. Ik was niet mijn kledingsmaak. Ik was niet mijn stem, mijn haar, mijn huidskleur. Niet mijn opleiding, mijn werkervaring, mijn vaardigheden.
Ik was niet.
Ik liep.
Totdat we aan het einde van het pad waren. Bovenaan een diepe klif. Een klif die eindigde waar de zee begon.
‘Zoveel water…’ 
Faraj begon te lachen. ‘Dat zeker.’
‘Ik weet dat het grootste gedeelte van de wereld eruit bestaat, maar toch zie ik het bijna nooit.’
‘De stad beperkt je zicht.’ Faraj kwam achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. Ik voelde zijn adem in mijn nek.
‘Ik denk dat je heel erg verdwaald kunt raken op zee.’ 
‘Ik ben verdwaald sinds ik jou ken,’ fluisterde hij in mijn oor.
Ik draaide me om, legde mijn hand in zijn nek en kuste hem.
We duwden onze lichamen tegen elkaar aan. We wilden zo dichtbij komen, dat er geen dichterbij meer was. Ik begon sneller te ademen. Probeerde ieder stukje van zijn huid aan te raken. We bewogen zoals we gedirigeerd werden door de omgeving.
Hij greep met zijn hand tussen mijn benen en wreef zachtjes.
‘Ik kan niet,’ mompelde ik. ‘Ik ben daar bezet.’ Ik gebruikte omslachtige woorden die de realiteit van mijn ongesteldheid moesten verzachten.  ‘Ik denk dat het wel kan.’ Zijn hand kroop, groef en manoeuvreerde zich tot in mijn bikini. Met zijn andere hand pakte hij die van mij en bracht die naar het touwtje. Uit automatisme pakte ik het vast. Hij keek me afwachtend aan.
Vanochtend koos ik een zwarte bikini, want vlekken voorkomen was onmogelijk, maar ze onzichtbaar houden zou nog net lukken. Geen jurkje, want daarin zaten geen broekzakken om de kleurige verpakking van maandverband te verstoppen. En mijn tas moest een vakje hebben om dicht te ritsen, zodat mijn dagvoorraad tampons er niet uit kon vallen.
Andere vrouwen gaan ook zo te werk, dat wist ik zeker. We zijn menstruatieninja’s, ieder met een eigen set technieken om het rood onzichtbaar te houden. Levenslang geperfectioneerd, altijd hopend op gratie.
Maakte ik al die keuzes omdat ik het zelf wilde? Als ik geen menstruatieninja zou zijn, zou ik de vlekken in mijn ondergoed trots kunnen dragen; een teken van een gezond lichaam dat klaar is voor een nieuw begin. Ik zou mijn armen laten zwieren als ik naar het toilet loop met maandverband in mijn hand. Ik zou tampons in een mooi glaasje op mijn toilet zetten als traktatie voor iedere vrouw die op bezoek komt, zoals vroeger sigaretten op tafel kwamen.
Het blauwe touwtje wikkelde ik om mijn vinger. De kleinste beweging zou de tampon lostrekken. Ik was benieuwd wat er zou gebeuren als ik het bloed liet gaan. Zou het netjes op zijn plek blijven? Zou het langs mijn benen lopen? Zou het op de grond spetteren?
Ik realiseerde me hoe groot mijn wereld eigenlijk was en hoe klein die was geworden in mijn hoofd. Ik had er een touwtje omheen gespannen, of laten spannen.
Het blauw voor ons was kalm; het water kabbelde, de hemel leek gladgestreken. Ik deed een stap naar de diepte, trok de tampon los en gooide die met een flinke zwier in het blauw onder ons.
Daarna liet ik mijn broek zakken en duwde mijn billen tegen Faraj aan. Hij kleedde zich uit, hinkelde even toen hij op een been stond en sjorde mijn bikinibroekje opzij. Zijn penis baande een weg langs mijn billen en gleed naar binnen. Alles voelde zachter en warmer dan normaal. Ik hapte naar adem. Hij was hebberig, zijn heup maakte een ketsend geluid tegen mijn billen. Ik steunde met mijn handen op mijn bovenbenen, net boven mijn knieën, sloot mijn ogen en voelde alleen maar. Zonder tijdsbesef, zonder uiterlijk, zonder innerlijk verdwaalde ik in het niet-zijn.
Tot mijn zweterige voet uit mijn teenslipper gleed. Ik wankelde, probeerde weer in mijn slipper te stappen en zag hoe het bloed op mijn benen als een rivier met kleine vertakkingen de snelste weg naar het laagste punt zocht. Onderweg vermengde het rood met zonnebrand en vormde een lichtere kleur. Mijn benen waren het doek, het palet aan rood een kunstwerk.
Faraj stopte, pakte mijn bovenarmen, draaide me om, kuste me en zakte voor me op zijn knieën. Ik twijfelde, ik wist waar dit naartoe ging, en dacht aan hoe hij had gezegd dat hij van een bloederige hamburger hield. Zodra hij me zachtjes begon te likken, wist ik dat het goed was. Het bloed was niet eng, deed geen pijn, hield ons niet tegen, was er gewoon.
Ik synchroniseerde met zijn bewegingen. En ik kwam klaar.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hem snelle handbewegingen maken, hij volgde
en liet zich op de grond vallen.
Er zat bloed rondom zijn mond. Een donkerrode tint onder zijn neus, rode vlekken op zijn kin. Hij glimlachte toen hij mij zag kijken en likte zijn bovenlip af. Hij bromde tevreden.
Ik ging naast hem zitten.
De zon zakte langzaam. Het uitzicht werkte hypnotiserend. We staarden zwijgend. Ik vroeg me af of mensen uitzichten mooi vinden omdat ze de wereld zien, of juist omdat ze het einde van de wereld zien.
De lucht rondom de ondergaande zon veranderde van helderblauw naar rood.
‘De kleur rood verstrooit amper onderweg naar je oog,’ zei ik. ‘Dat zie je nu. Omdat de zon lager zakt, is de luchtlaag waar de zon doorheen moet dikker. Blauw redt dat niet vanwege de verstrooiing, maar rood komt er altijd doorheen. Daarom zijn mistlampen ook rood.’
Met mijn hand wreef ik over het bloed op mijn benen. Het was ingedikt en opgedroogd. Ik smeerde het uit, verstrooide het totdat er niets meer van te zien was, totdat er alleen nog een spatje op mijn enkel zat.
Ik keek ernaar. Liet het daar.
Het mocht er zijn. Niet alles hoeft te verdwalen.
Vandaag schilder ik geen touw om de olifant.

Maria Vlaar, John Fante, Rob van Essen: de redactie las een ingehouden, intrigerend verhaal, helder en koortsachtig proza en een geweldige toekomstroman.

*

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, De goede zoon

Wat blijft er van waarde over als iedereen een basisinkomen heeft? Wat is nog eigen aan de mens als zelfs robots en auto’s ironisch zijn? Herinneringen. Dat is een wat abstracte samenvatting van Rob van Essens geweldige nieuwe roman De goede zoon. Een samenvatting ook die geen recht doet aan de innovativiteit, de humor, de stijl en de ontroerende materie. Want deze roman, een van de meest genoemde boeken in de Nederlandse eindejaarslijstjes, is een licht dystopische road novel down memory lane over dementie en moederliefde, ironie, kunst – en dus herinnering.

Wat begint met een geweldsfantasie naar aanleiding van een incident in de Albert Heijn (waar cassières gesubsidieerd zijn om jonge mensen van de straat te houden, want ja, wat kan een mens wat een robot niet kan) en substantie krijgt door mijmeringen over de zojuist overleden moeder van de verteller – na twintig jaar dementie en een leven bedrukt door streng religieuze overtuigingen – (ja deze zin kan echt nog langer), krijgt vaart door een telefoontje van een oude bekende: Lennox.

‘Alsof we elkaar gisteren nog gesproken hebben. Tenminste, zo klinkt hij. Ik ben vooral verbaasd. Dat het Lennox is hoor ik pas als hij zich voorstelt, het nummer zei me niets. Waar belt hij voor? Niet om me een wapen aan te bieden, dat zou mooi zijn, Lennox leest je gedachten en vervult je wensen, en hij werkte toen ook met De Meester, dus waarom niet, maar daar belt hij dus niet voor, hij belt om me te vertellen dat Bonzo zijn geheugen kwijt is en dat wij naar hem toe moeten om daar wat aan te doen. Nog steeds erg toevallig trouwens, want Bonzo en De Meester zijn een en dezelfde persoon. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.’

De twee gaan op reis, eerst met een toeristenbus langs voor toeristen speciaal gebouwde dorpjes als Mersbergen (‘Carnaval twaalf maanden per jaar.’), later met een ouderwetse benzineauto, en ten slotte wordt Lennox ziek en regelt hij voor de ik een zelfrijdende auto, een prototype dat doorvraagt, ironie beproeft en zelfs seks heeft met de ik. Om ten slotte aan te komen in een klooster waar de schedel van de ik gelicht wordt – virtueel dan.

Wat maakt dit boek geweldig? Veel is ontzettend geestig: de geluiden van de sta-op-stoel die de ik van zijn overleden moeder overnam, die seksscène, woedende yoga, de observaties en gesprekken onderweg (ik moest denken aan de sfeer van P.F. Thoméses J. Kessels-romans, maar dan een stuk minder plat), het feit dat de ik een schrijver van plotloze thrillers is (is De goede zoon een plotloze thriller? Het lijkt erop), de musicalideeën van de ik en zijn auto over een plichtsgetrouwe, ‘goede’ zoon van een dementerende moeder.

Er is toch iets van een plot, waarin het Archief een rol speelt, en de Dienst, en een Holleeder-achtige figuur (Bonzo/de Meester dus). Er zijn ook inzichtrijke observaties, over herinnering, hoe die verdwijnt, hoe je die kan construeren en weghalen (al is dat in deze toekomstroman toekomstmuziek). En over hoe kunst onttoverd is voor de ik, over toerisme dus, zelfs over moslims, over robots en ironie.

‘Ooit was ironie van ons, de leden van de geletterde middenklasse, een niet al te kostbaar en overal te verkrijgen middel om het leven ongevaarlijker te maken, om het te verkleinen zodat wij er beter in pasten, een middel ook om hiërarchie aan te brengen in onze eigen groep; maar nu beschikt kunstmatige intelligentie er ook over. Misschien heeft ze het zelf ontwikkeld, wie weet is het een onvervreemdbaar, onvermijdelijk onderdeel van een zich ontwikkelend bewustzijn, straks blijkt ironie de drijvende kracht achter alles. Dat zou me eigenlijk niet eens verbazen. Maar de zorgeloze manier waarop ze er gebruik van maakt! Het is inderdaad een nieuwe wereld, alles wat ik zojuist over mijn leven heb gehoord is alweer achterhaald na de confrontaties met ironische receptierobo’s en liftdeuren. Soms denk ik dat er met tijdmachines wordt gewerkt, dat ze vanuit de toekomst hun plannen trekken en ons langzaam aan hun regime willen laten wennen; daarom sturen ze ons eerst vriendelijke, behulpzame receptierobo’s met ironische gimmicks en glimlachjes. Maar die ironie moet er ingeslopen zijn, die kan nooit de bedoeling zijn geweest, want ze geven zichzelf ermee weg: hun ironie is te triomfantelijk, het is de ironie van iemand die de ander niet serieus kan nemen, hoezeer hij ook zijn best doet; die ander is gewoon te onbelangrijk, te efemeer, te sterfelijk. Het is niet eens ironie, het is vrolijkheid, ze maken zich vrolijk over ons omdat we vermakelijk zijn zonder dat we ertoe doen.’

De stijl raast maar door, maar je ontsnapt er niet aan, je raast mee, het leest niet als een trein, maar als het landschap daarbuiten, niet te beïnvloeden maar indrukwekkend, continu veranderend maar onontkoombaar. En er is een ontroerend zelfonderzoek naar die moeder, haar dementie, de rol van de ik.

De goede zoon is een ontdekking, en ik ben blij dat ik een oeuvre kan teruglezen. Dat kende ik amper, realiseerde ik me toen ik de podcast BoekenFM terugluisterde, maar ik heb wel wat om naar uit te zien, bleek. Want wat las ik nu helemaal? We hebben in De Revisor Van Essens verhaal ‘Dit is wat ik je beloof’ in 2011 gepubliceerd (een van zijn beste, begreep ik ook van de podcast), en ik las voorvorig jaar Winter in Amerika, waarvan ik in de war raakte.

De verwarring lijkt helemaal Van Essens bedoeling te zijn geweest, en nu heeft de verwarring meer substantie, raakt hij meer onderwerpen en graaft hij dieper. Lezen dus. Ik ga herlezen.

Thomas Heerma van Voss: Maria Vlaar, Diepe aarde

In het verhaal ‘De ongeborene’, een hoogtepunt uit Maria Vlaars debuutbundel, volgen we een stel. Hij heet Jeroen en is schoenenmaker. Zij heet Renske en gaat zich bemoeien met zijn zaak, soms betuttelend, soms ronduit sturend, soms dominant en soms ook afwezig. Allebei worden ze in de derde persoon gevolgd, en we komen heel terloops toch dichtbij hun beider leefwerelden. Knap gedaan, dit is sowieso een knap, enigszins onbestemd verhaal, omdat het heel concrete elementen combineert met een onbestemde laag – ‘De ongeborene’ gaat om veel meer dan het aanvankelijk lijkt, zonder dat al te duidelijk uit te leggen is waar dat meer allemaal precies in zit; Diepe aarde heet Vlaars bundel uiterst toepasselijk, een titel die uit dit verhaal stamt. In de schoenenwinkel komt een jongen langs met ‘een paar handgemaakte Greve-herenschoenen’ en tussen hem en Jeroen ontvouwt zich een veelzeggende dialoog:

‘Ik heb iets met machines,’ zegt de jongen, ‘ik wil weten hoe alles in elkaar steekt in de wereld.’
‘Alles, alles. Ben je een studiebol?’
‘Ik studeer aardwetenschappen,’ zegt de jongen, ‘richting Diepe Aarde.’
‘Diepe Aarde?’ vraagt Jeroen, terwijl hij de schoenen op zijn werktafel netjes twee aan twee orden. Vooral veel sandalen nu, met dit mooie weer.
‘Ja, over wat in de aardkern gebeurt, daar waar we niet bij kunnen. Waar het te heet is om te meten en te donker om te kijken.’

In het klein gebeurt hier wat Vlaar tijdens dit hele verhaal behendig doet: afwisselen tussen enerzijds concrete zaken, namelijk heel toegankelijke, ogenschijnlijk eenvoudige taal, een praktisch beroep als schoenenmaker dat subtiel en toch heel sfeervol wordt beschreven, en anderzijds juist de achterliggende, meer onbewuste lagen: dat waar we niet bij kunnen, inderdaad. Dat wat we maar half zelf ervaren. Want het is voelbaar dat er, hoe praktisch en soms banaal de zaken ook zijn waar Renske en Jeroen het vooral over hebben, meer op het spel staat, veel meer. Bijvoorbeeld wanneer er rondom Renske’s zwangerschap een terloopse passage aan namen gewijd wordt:

‘Als het een jongen wordt gaat hij Ernst heten, van Max Ernst, van wie Renske in Berlijn schilderijen heeft gezien. Jeroen vindt de naam Ernst mooier dan Max. Als het een meisje wordt gaat ze Fanny heten, naar Renskes lievelingsfilm. Jeroen moet die nog eens gaan zien, vindt ze.’

Mooi, juist omdat het zo ingehouden is, omdat je over een dergelijke passage makkelijk heen leest – die woorden ‘vindt ze’ geven de passage iets schrijnends, en tegelijk wordt dat verschil in hun leefwerelden niet al te veel uitgevent: dit zou erop kunnen wijzen dat ze fundamenteel andere karakters hebben, dat zij iets van hem verlangt wat hij niet geeft – want eerlijk is eerlijk: niets wijst erop dat hij die film ooit zal zien, het enige waarover hij werkelijk begeestering toont in het verhaal is zijn zaak, en later ook min of meer zijn kind. Jeroen zelf verzandt in dezelfde pagina, als zijn kind eenmaal geboren is, ook nog in een even korte, zij het iets nadrukkelijker opgeschreven gedachte over zijn kind, over erfelijkheid, over het voortleven van voorliefdes en gebreken: ‘Als het kindje begint te krijsen en de vroedvrouw haar duim opsteekt naar Renske aait Jeroen de rimpelige handjes. De huid is zacht en dun als vloeipapier. Zonder te weten dat hij niets te zeggen heeft over de loop van het leven vraagt Jeroen zich af of het later ook schoenmakershanden zullen worden.’

Intrigerend verhaal dit, dat bij herlezing alleen maar beter wordt.

Jan van Mersbergen: John Fante, Vraag het aan het stof

In Vraag het aan het stof (vertaald door Mea Flothuis, jammer dat de roman in de Nederlandse titel veel meer woorden nodig heeft dan in het Amerikaanse Ask The Dust) weet John Fante opnieuw heerlijk te vertellen. Nu is zijn alter ego Arturo Bandini aan het woord. Zijn huurbaas wil geld zien.

‘Het liep op als de nationale schuld, ik moest betalen of vertrekken – tot de laatste cent, vijf weken achterstallige huur, twintig dollar, en zo niet, dan zou ze beslag leggen op mijn koffers; maar ik had helemaal geen koffers, ik had maar één valiesje en dat was van karton zonder zelfs een riem erom, want de riem zat om mijn buik teneinde mijn broek op te houden, maar dat was niet zo moeilijk omdat mijn broek ook al weinig meer voorstelde.’

Van een huurbaas naar geld, naar koffers, een riem, een broek, en zelfs die schamele broek stelt weinig meer voor. De weg van armoede en ellende, verteld door een kerel die schrijver wil worden. Je weet meteen dat hij dat zal worden, hij is een schrijver. Het moet alleen even mee zitten.
Schitterend is ook het gevecht dat Bandini aangaat met zijn schrijven, dat lukt totaal niet meer na een positieve reactie van een uitgever. Hij zit in zijn gehuurde hotelkamer naar een palmboom te kijken…

‘… maar het ging niet, het was het langste gevecht van keihard doorzetten van zijn leven, en er kwam geen regel, niet één, alleen maar één woord dat steeds weer, over de hele bladzijde stond: palmboom, palmboom, palmboom, een gevecht op leven en dood tussen de palmboom en mij, en de palmboom won: kijk, daar stond hij buiten in de blauwe licht te wuiven, zoetjes te kraken in de blauwe lucht. De palm won na twee dagen strijd, en ik klom naar buiten en ging onder de boom zitten. De tijd ging voorbij, een minuut of wat, en ik viel in slaap terwijl kleine bruine mieren carnaval vierden in het haar op mijn benen.’

Lees dat nog maar eens terug. Herhalingen, ritme, beelden, even helder als koortsachtig.
De passages waarin Fante zijn alter ego laat zwelgen in zelfmedelijden zijn minder. ‘Ik was Gods meest deerniswekkende schepsel…’ Dat geloof ik wel. Dat soort opmerkingen maken Bandini passief. Als hij ‘denkt aan spaghetti, zwemmend in de heerlijkste tomatensaus’ zie ik wel zijn leed en de heimwee voor me.

Vaker gezien, een roman over een man die schrijver wil worden. In De helaasheid der dingen laat Dimitri Verhulst zeer overtuigend zien hoe een jongen zich ontworstelt aan zijn armoedige gezin, door het schrijven. De slotscène van de verfilming is ontroerend: hij rijdt op zijn brommer als hij weet dat zijn boek gepubliceerd gaat worden.
Het is niet vreemd dat Charles Bukowski er geen geheim van maakte dol op Fante te zijn, ook Bukowski schreef vaak over een schrijver die aan het aanklugelen was, vanuit een woede tegen de klippen op tikken.
Toch hebben deze schrijvende hoofdpersonages een nadeel: het proza wordt zo naar binnen gekeerd. Een schrijver die vertelt over een schrijver die vertelt… Ik heb het nooit goed aangedurfd en gaf mijn hoofdpersonages al gauw een behapbaar beroep. Of moet je hier juist lef voor hebben? Gewoon schrijven over een schrijver? Die vraag houdt me bezig terwijl ik deze tweede roman van John Fante lees dit jaar. Het sluit ook aan bij mijn nieuwe roman, met daarin een grote rol voor een schrijfster. Niet de hoofdrol, die heb ik vergeven aan de vrouw van een vijverbouwer.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond, aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de achtste bijdrage aan de reeks is ‘Veilig feest’. Gelukkig Nieuwjaar!

*

Ze waren met te weinig. Dat was Sacha’s eerste gedachte toen ze in het gangpand stond. Ze waren met te weinig, ook al stond Lamar helemaal achterin de bus in zijn gele regenjas. Als een verkeersregelaar dirigeerde hij haar met grote armbewegingen zijn kant op. Onderweg begroette ze de bekende gezichten. Naast de uitgang in het midden van de grote touringcar zat een klein clubje smoezende journalisten. Er staken opgerolde spandoeken omhoog uit een paar stoelen, ingesnoerd in fietskoeriertassen. De bus zat niet eens halfvol.

Lamar kneep in haar schouder. ‘Jij bent de laatste.’ De elastieken mouwen van zijn regenjas ontblootten zijn dunne polsen. Ze plofte neer en schoof door naar de stoel naast het raam.

Ze had helemaal niet geslapen die nacht. Haar vingers bleven op en neer schaatsen over het glas van haar telefoon. Ze vond maar geen verzadiging in de voorbijschietende schermpjes, alsof ze een verslaafde was die tevergeefs wachtte op de jackpot van een fruitmachine. Ze las nieuwsberichten en rolde door tweets totdat ze een hard gevoel kreeg in haar buik. Daarna openende ze de lijstjes, van ‘Protesteren voor Dummies’ tot de ‘wikiHow-overleef-een-ME-charge’. Wees op alles voorbereid. Eet mueslirepen. Zoek altijd naar een uitgang.
In het ergste geval zou het net zo heftig worden als Eindhoven. Ze herhaalde het mantra. ‘Vreedzaam protest, voor een veilig kinderfeest.’

‘Klaar voor vertrek?’ klonk het vanuit de voorste linie in de bus. Het was tijd voor Lamars praatje. Hij ging ervoor staan. ‘Strijders. Wat ben ik trots dat jullie er zijn. En dat meen ik echt, vanuit mijn hart. Er zijn heel veel mensen afgehaakt, omdat deelnemen aan een vreedzaam protest nog altijd niet veilig is. Het feit dat jij hier wel bent, betekent dat je woke bent en bereid om te vechten voor onze toekomst.’ Hij stak een vuist in de lucht. ‘Nederland kan beter!’ Iedereen volgde, behalve de journalisten. Eentje stak per ongeluk zijn telefoon in de lucht.
Lamar ging weer zitten. ‘Blijf kalm. En wat ze ook zeggen, wat ze ook doen.’ – hij draaide zijn hoofd zo scherp om dat Sacha het zelf bijna voelde in haar nek—‘Keer ze de andere wang toe.’

Ze was niet de enige die zich zorgen maakte. De bemoedigende glimlachen waren net te geforceerd, de gesprekken werden met gedempte stemmen gevoerd. De enige die er echt ontspannen uitzag was de buschauffeur. Hij draaide met één hand een sjekkie, terwijl hij met de andere de zware touringcar door de bocht manoeuvreerde.
De laatste plasstop voor Tilburg hielp de chauffeur haar van het afstapje. Onder zijn nagels zat een geel randje. ’Ik was eigenlijk gestopt met roken, maar ik moest er van m’n vrouwtje weer mee beginnen.’ Hij knipoogde naar Sacha. ‘Anders word ik te chagrijnig. Maar dat is alleen maar goed voor de zaak. Als ze ons vastzetten word ik gevaarlijk.’
Lamar kwam naast hen staan. Ook op het gescheurde asfalt naast de Texaco leek hij volledig op zijn gemak. Hij was een van de zeldzame mensen met kleur die niet de behoefte voelde om zichzelf te moeten verklaren aan de buitenwereld, en bij wie ze dat zelf ook achterwege kon laten.
Haar vriendinnen zeiden over hem dat hij te goed was om te daten. ‘Hij is te leuk. Je kan hem het beste loslaten en van een afstandje bewonderen.’ Ze deed alsof ze het met hen eens was. Dezelfde vriendinnen durfden of wilden niet helpen met de demonstraties. Sinds ze wisten dat ze bij Zwarte Piet in de Zak zat was er wat veranderd in de vriendschap. Ze kwamen opeens met allemaal bekentenissen, alsof ze met een actievoerderstrui opeens tot een hogere autoriteit behoorde. ‘Mijn vriend zei dat trancefeestjes zo leuk zijn omdat er weinig buitenlanders op af komen. Ik heb er niks van gezegd. Erg hè.’ En: ‘Vind je het erg dat ik zwarte mannen niet aantrekkelijk vind?’ Of: ‘Als het op de oppas van mijn kinderen aankomt ben ik een racist. Dat kan niemand mij toch kwalijk nemen?’

De laatste journalist liep al bellend langs hen de bus in. Deze keer wachtte ze niet en maakte ze zelf de grote stap de drempel op, langs de grote deur met het afbladderende blauwe vernislaagje. Ze zocht een stoel, zag dat iemand een stuk kauwgum in het grijze pluche van de hoofdleuning had geduwd en ging een rij verder naar achteren zitten. De chauffeur bulderde: ‘We gaan de arena in!’

Ze demonstreerden op een pleintje, voor het stadhuis, achter een cordon agenten. Een aanzwellende groep schreeuwende mannen kwam steeds dichterbij. Op de schouders van een van de mannen zat een kindje. Helemaal zwart geschminkt, alleen het kleine witte randje rondom zijn ogen was opengelaten. Een levend fotonegatief.
‘Houdt de lijn!’
Er deinsde een agente terug, ze greep naar haar gezicht, er liep bloed tussen haar vingers door.
Er rolden blikjes bier over de grond.
Sacha zocht Lamar, maar zijn gele regenjas was verdwenen.
Ook de journalisten die eerder niet uit hun kielzog waren weg te slaan waren nergens te bekennen.
‘Vieze zwarte slet’ siste iemand achter haar. ‘Wie denk je wel niet dat je bent.’
Ze kon niet zien wie het zei.
Er sloeg een ei kapot tegen haar voorhoofd.
Een van de agenten lachte.
Er klonk kort statisch gezoem en daarna gekletter, het moest het geluid zijn van een vallende megafoon.
Er werd gegild, ze dook net op tijd weg om een blikje te ontwijken en zag voeten voor haar uitwijken.
Toen ze weer opkeek stond er niks tussen haar en de schreeuwende menigte.
Het kindje op de schouders lachte.

Beeld ‘Eindelijk Pakjesavond’, ca. 1960, foto Walter Blum, Nationaal Archief

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond, aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de zevende bijdrage aan de reeks is ‘Nowhere to Run’.

*

‘It’s not love / I’m running from
It’s the heartaches / That I know will come’
— Martha Reeves and The Vandellas, ‘Nowhere to Run’

Hij had het dus toch gedaan. Helemaal vanuit Schiedam op de paarse scooter. Hij kwam over de top van de duin aangescheurd, eerst een stip en daarna een steeds groter wordende, kleurige vlek tussen het helmgras en de houten hekjes die de paden afbakenden. Dana zette haar handen in haar zij, bekeek hem, zag hoe hij dichterbij kwam, steeds duidelijker uitgelijnd tegen de natuur.

Hij reed te hard, nam de bochten zonder af te remmen maar ook niet noodzakelijk soepel, knalde potsierlijk over bobbels in de weg en stuiterde zowat richting het vakantiehuisje waar, voor de veranda, Dana op hem stond te wachten. Ze hield haar hand op, zwaaide naar ’m. Hij trok zijn hand van het stuur om haar terug te groeten maar de scooter zwenkte gevaarlijk, waardoor hij direct zijn hand weer op het stuur liet vallen om zijn balans te bewaren. Hij slingerde verder de duin af en zo het kleine stukje weg op waarlangs het huisje stond. Dana zag iets vanonder zijn kunststof helm vonken en fronste. Hij reed met een sigaret tussen zijn lippen, besefte ze, en ze rolde met haar ogen toen ze hem de peuk uit zag spugen in de bosjes voor hij een aantal meter van haar vandaan, op het grind naast het asfalt, tot stilstand kwam. De motor ronkte luid en viel met een draai van zijn hand toen stil.
‘Dana!’ riep hij terwijl hij met een zwiep van zijn been afstapte. Hij trok de sleutels uit het contact, plaatste de standaard onder de scooter en liep zonder zijn helm af te doen op haar af.
‘Ivar.’ Ze drukte een kus op zijn kaak, onbeschut door de retro jethelm. Hij legde zijn behandschoende hand op haar schouder. Het leer voelde heet aan door de dunne stof van haar blouse.
‘Heb ik het toch maar mooi gefikst, hè.’ Een kneepje. Dana keek over Ivars schouder naar het gevaarte waarmee hij, dus toch echt, van Schiedam naar Zeeuws-Vlaanderen was komen rijden. Het rijtuig dat nog net niet uit elkaar viel, waar ze van d’r leven niet meer mee opgehaald wilde worden, eigenlijk niet eens naast wilde staan. Het paars was op het spatbord van het voorwiel eerder blauw, richting het achterwiel werd het vlekkerig, rozig. Hij had nog steeds de voorste band niet vervangen, zag ze ook.
‘Wat heb je meegebracht?’ Ze knikte naar de krat achter op de scooter, die met touw en bagagespinnen was vastgezet. Met zijn voortanden trok Ivar de handschoenen één voor één uit, grijnsde breed, propte ze in zijn rechterbroekzak.
‘Alles wat mevrouw nodig heeft dit weekend. Fruit, groente, brood en kaas. De lekkerste wijnen en zoete, zoete chocolade.’ Hij stak zijn arm uit naar de scooter alsof het de ingang van een chique winkel betrof en marcheerde terug naar het ding, dat gevaarlijk scheef stond trouwens. De zwakke standaard leek het gewicht van de scooter niet aan te kunnen met de boodschappen erbij.
Ivar droeg een strakke, witte broek en een nieuw uitziend overhemd waar Dana zin van kreeg om te huilen. Lichtblauw linnen. Lichtblauw linnen. En dikke, hete tranen, emmers vol. Ze volgde hem, een sigaret uit het pakje in haar broekzak halend, en maakte het touw los dat de krat dichthield, haalde het doek eraf dat de boodschappen tegen de lucht en hitte beschermde.
Zoals Ivar had gezegd zat er eten in de krat, veel eten. En ze zag vier flessen Grüner Veltliner, maar Ivar kennende zat er nog minstens een halve liter gin ergens verstopt, of in ieder geval nóg een fles wijn. Ze stak de sigaret aan.
‘Ik bracht u ook vis, madame,’ grijnsde Ivar en hij deed zijn helm af, stootte met zijn heup tegen de hare terwijl hij die onder zijn oksel duwde. Dana keek op. Zijn neus glom. Hij rook lekker, naar parfum en zweet. Hij had zijn haren overduidelijk gekamd en met wax ingesmeerd, hoewel de scooterhelm een beetje schade had toegebracht.
‘En wie gaat dat allemaal koken?’ Dana blies de rook door haar neus uit, in een rechte lijn die kapotsloeg op een ongesneden brood. Ze zag een in folie verpakte vorm, waarschijnlijk de vis, en legde haar hand erop. Warm. Hij had de vis dus in Schiedam gehaald in plaats van in het dorp.
Le chef, bien sûr.’ Ivar begon de krat los te halen. Dana deed een stap naar achteren en keek hoe hij met zekere bewegingen een van de elastische spinnen van zich af schoot. Daarna knikte hij naar de helm, die hij nog steeds onder zijn oksel geklemd had.
‘Wees eens een schat.’
Dana rolde met haar ogen en rukte lomp de helm uit zijn grip zodat Ivar de krat kon optillen. Ze liep achter hem aan de veranda op. De haren op haar onderarmen gingen rechtop staan door de airconditioning toen ze het vakantiehuisje betraden. Binnen zaten haar ouders te wachten, haar vader gebogen over een iPad, haar moeder staand, in de open keuken, alsof ze niet kon wachten iets om handen te hebben. Terwijl Ivar zijn schoonouders begroette, legde Dana zijn helm op de decoratiemand naast de voordeur. Ze legde haar hand op de klink om de deur te sluiten, staarde door het raam naar buiten en trok toen haar hoofd een stukje terug, om zichzelf in de weerspiegeling van het raampje te bekijken. De sigaret balanceerde neerwaarts op haar onderlip. Ze vroeg zich af of die van Ivar, die hij in de bosjes had uitgespuugd, wel uit was. Misschien was hij blijven nasmeulen, had een grasspriet vlam gevat en de rest van de verdorde vegetatie op de duin aangestoken, lag mogelijkerwijs een halve kilometer verderop de sigaret van Ivar het hele weekend te saboteren.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de zesde bijdrage aan de reeks is ‘Atleten drinken niet’.

*

De zomer is hier één lange dag. Licht en lauwwarm als mijn huid, die nooit de kans krijgt bruin te blakeren. Ik rijd naar de trainingshal over lege wegen, want er is voetbal op televisie, wereldkampioenschappen. Iedereen die nu rondrijdt is een buitenlander. Ik heb me voor het feest aangemeld met de boodschap dat ik later zou komen. De wedstrijd tegen Peru wordt op groot scherm getoond, er is een Amerikaans grillbuffet met worsten en ander vet verboden voedsel. Zowel die wedstrijd als de worsten kan ik ontberen.

Ik snap wel dat het belangrijk voor ze is. Toen het vrouwelijk Nederlands elftal vorig jaar van het Deense won, zat ik met kippenvel en natte ogen op de bank. Het hart heeft blijkbaar geen enkele twijfel over waar het vandaan komt. Het is ongewoon dat Denemarken zo ver komt, en daar hoort ongewoon eten bij. Fuck het atletendieet, de weken volgen al genoeg een en hetzelfde ritme. Werken, trainen, slapen. Een vrije dag of vakantie betekent twee keer zo hard trainen. En elke dag dezelfde zes maaltijden. Havermout, appels en peren, rijst, kip, broccoli, tonijn en huttenkaas. Met uitzondering van deze zaterdagavond, zestien juni.
De parkeerplaats bij de supermarkt is nagenoeg leeg op dit tijdstip. Er klinken toeters en geschreeuw uit de appartementen rondom. Ik moet omlopen, omdat de passage gesloten is. De kopgevel van het voormalige fabrieksgebouw is behangen met drie gigantische bedrijfsnaamborden, een daarvan Crossfit Copenhagen. Mia komt me tegemoet op de trap bij de ingang, onherkenbaar met een dicht geplamuurd gezicht, een kort jurkje en hoge hakken. Ik voel me opeens veel te gewoontjes.
‘Kom je nou pas!’
‘Ja, dat eten enzo…’
‘Ah joh, lekker toch, even duizend calorieën wegwerken! Nee hoor, ik heb ook een salade met kip zitten bunkeren in de auto, voordat ik hier naar binnen ging.’
Ze moet op mijn schouder leunen om haar evenwicht te kunnen bewaren op de trap.
‘Liever duizend cal aan drank, hè,’ zeg ik bemoedigend en ondersteun haar tot we buiten staan, zodat ze kan roken. ‘Ik ga naar binnen, zie je zo.’
Ook in de box is het altijd licht, zij het kunstmatig. De TL-lampen hangen in keurige rijen boven de roeimachines, de gewichtstangen- en schijven, de touwen en zandzakken, en vandaag ook boven twee ellenlange tafels. Dat zijn gewoon de houten kisten waar we op stappen en springen tijdens de workouts – nu met witte papierdoeken eroverheen en een arsenaal aan flessen sterke drank, champagne, bier en wijn. Wij zijn de atleten die alles kunnen: CrossFitters. Iedereen loopt rechtop, de schouders zo gespierd dat ze niet naar voren kúnnen hangen. De meesten hebben het typische korte loopje van een squatter met beresterke been- en bilspieren. Van de stevige mensen weet je meteen dat ze te weinig aan hun uithoudingsvermogen werken, van de dunne mensen weet je dat ze te weinig gewichtheffen.
Er is vrijwel niemand nog zo nuchter als ik, omdat een enkel glas ons al vloert. Ik ga zitten op een van de opdrukbankjes met een Red Bull in mijn hand, wilder wordt het voor mij niet vanavond. Deze suikershot is al genoeg om mij in een roes te brengen. Na het feest van afgelopen winter reed ik naar huis met het gevoel alsof er stokjes tussen mijn oogleden stonden en lag ik nog uren met wijd open ogen naar het plafond te staren.
‘Proost!’ roept Esben, en gaat tegenover me zitten. Even onherkenbaar als Mia: netjes, aangekleed, ontspannen. Niet in zijn blote bast of met iets zwaars in zijn handen, niet in de beast mode.
‘Proost.’
‘Red Bull?’
‘Tja. Ik weet niet zo goed waarom ik hier ben.’
‘Had je niet gewoon zin om hier te zijn, zoals altijd?’
Ik weet niet of dat sarcastisch bedoeld is.
‘Dat is het vast,’ zeg ik, en buk me ongemakkelijk om aan die kleremuggenbult op mijn kuit te krabben. Mijn korte broek ruikt naar wasverzachter. Robijn Morgenfris.
‘Moet je niet de wedstrijd kijken?’ vraag ik, en knik in de richting van de zaal hiernaast, waar een hoop herrie vandaan komt.
‘Nee joh, na tien minuten stond het 1 – 1, daarna gebeurde er niks meer. Het is ook zo afgelopen.’
Nu weet ik niets meer te zeggen. Hij ziet er zo anders uit dan tijdens de trainingen. Dat spijkeroverhemd kleurt zijn haar opeens rood, zijn ogen blauw, zijn huid pigmentloos wit. Hij is een paar jaar jonger dan ik, maar ik voel me niet ouder. Hij werkt bij de luchtmacht, weet ik, hij is al verder dan de meesten hier.
De groep uit de andere zaal komt binnen, een vuurzee van toeters en felrode T-shirts. Mia rukt me van het bankje en wil dat ik een technotrack opzet, zodat ik ‘die Hollandse hotseklotsdans’ kan laten zien. ‘Hakken, heet dat! Hakken!’ roep ik. Over haar schouder zie ik hoe Anne, een van de eliteatleten, naast Esben gaat zitten.
Er worden kisten tegen elkaar aangeschoven en plastic bekers klaargezet om Beer Pong te spelen. Een voor mij ondoorgrondelijk spel. Ik heb nog een Red Bull nodig om wat meer op gelijk niveau te komen. Zwart rubberen vloermatten plakken en piepen onder mijn gympen, glazen lopen over tijdens het proosten, mensen stoten tegen elkaar aan, en in plaats van te dweilen wordt het lekker over een groter oppervlak uitgesmeerd. De lucht is dik van de wilde haren die iedereen kwijt moet. Vreemd hier te zijn in deze staat: schoon en opgeruimd, mijn haar zit hoog en droog en kleeft niet aan mijn nek, er lopen geen zweetstraaltjes over mijn rug, armen, buik. Ik zou zelfs bijna mijn schoenen uit durven doen.
Het is drie uur en al bijna weer licht, als het ooit donker is geweest. Morgen is het Vaderdag, of eigenlijk vandaag, maar dat weten ze hier niet. Ze vieren het op dezelfde dag als de Dag van de Grondwet, een doodnormale werkdag. Geen luie zondag met ontbijt op bed voor een Viking. Ik zal mijn vader bellen voordat ik ga trainen, morgenfris als Robijn, ik kan vertellen over het voetbal en het feest en zwijgen over Esben. Hij zal misschien vragen wie er gewonnen heeft. Wie heeft er eigenlijk gewonnen?

Beeld © Rune Stensdal