Hanya Yanagihara, Rachel Cusk: de redactie las een grootse roman die vooral vertelt, vertelt, vertelt, en twee kleine romans die op een onpersoonlijke manier observeren. Over hoe we vertellen, en hoe vragen tot verhalen leidt.

*

Jan van Mersbergen: Hanya Yanagihara, Een klein leven

De titel verklapt het eigenlijk al: een boek dat Een klein leven heet moet wel gaan over een heleboel wissewasjes en over een lange periode. Veel pagina’s met kleinigheden. Aan die verwachting beantwoordt de bejubelde roman. Zeer terecht bejubeld trouwens, want Een klein leven van Hanya Yanagihara is een grootse, veelomvattende en goed geschreven roman, maar ook vermoeiend door de omvang en vooral door de manier van vertellen.

Vier vrienden van onduidelijke geaardheid, in New York, met een omslag waarop een man (een foto van Peter Hujar) met een uitdrukking – ogen dichtgeknepen – die het midden houdt tussen pijn en genot, en zinnetjes als ‘Hij was dol op alles wat Jude bakte’, en ‘ben je boos op me?’ lost een andere verwachting in: dit boek bevat eindeloos veel nichtengeklets, dat een sfeerbeeld van deze generatie moet geven. Ook die verwachting wordt ingelost. Een goed getroffen levendig beeld dat aan de andere kant veel lezers kriegelig zal maken, want soms zijn de omgangsvormen erg tuttig en wordt ook dat expliciet beschreven en mis ik een iets steviger omgang tussen deze jongens. Het is aandoenlijk, de pijn van hoofdpersoon Jude wordt goed neergezet en er zijn lezers die het leed van deze jongen goed kunnen voelen, ik probeerde het te voelen maar stoorde me vooral de manier waarop de drie vrienden met Jude’s pijn omgaan. Ze zijn figuranten.

Die jongen snijdt zichzelf, daar zit een heel verhaal achter, en de andere drie weten dat maar zeggen daar niks over. Ik wacht dus op een moment waarop een van de vrienden werkelijk met Jude gaat praten, waarop deze jongen gesteund en zijn leed erkend wordt. Dan leeft voor mij die vriendschap. In ieder geval kan een poging worden ondernomen. Dat gebeurt niet, en dat geeft mij een hopeloos eenzaam gevoel. Misschien is onmacht de bedoeling van deze roman. Dan werkt het goed. Ik vrees eerder dat het eerder gaat om de pijn van Jude die over moet komen dan het gemis aan steun bij de mensen die dichtbij hem staan.

Een klein leven kent zeker wel mooie zinnen en mooie beelden. Sporadisch. Een van die jongens is van IJslands-Deense komaf en groeide op in Wyoming, had een broer die Hemming heette en gehandicapt was:

‘Het enige wat hij miste, afgezien van Hemming, was Wyoming zelf: het volkomen vlakke landschap, de bomen zo diepgroen dat ze blauw leken, en de turfachtige appelgeur en zoete mestlucht van een paard nadat het ’s avonds was geborsteld.’

Yanagihara zet hier een complete Amerikaanse staat neer in kleine beelden. Haar vertelling gaat van zeer groot naar gedetailleerd. Dat is bijzonder. Eigenlijk beschrijft ze de staat Wyoming aan de hand van details, geuren en het borstelen van een paard in de avond. Prachtig. Bovendien is dit persoonlijk en lang vol te houden.

In Een klein leven worden echter personages precies andersom neergezet. Als op pagina 101 ene Felix geïntroduceerd wordt staat er, vanuit een van de jongens (inwisselbaar) gedacht:

‘Hij had medelijden met Felix, die klein en onaantrekkelijk was en de gewoonte had in een van zijn smalle neusgaten te peuteren, met een diep borende wijsvinger, tot hij besefte wat hij deed en hem snel terugtrok en afveegde aan zijn spijkerbroek. Acht maande later had hij nog steeds geen duidelijk beeld van Felix’ leervermogen.’

Dat neuspeuteren geeft een aardig beeld van Felix, echter de tijdssprong over acht maanden en de zeer algemene typering van dezelfde jongen als klein en onaantrekkelijk, maken de vertelling juist groot en onpersoonlijk. Waarom dat medelijden en hoe uit zich dat? Wat is ‘onaantrekkelijk’? Wat is ‘een beeld van iemands leervermogen’? Felix is een kartonnen poppetje. Hij wordt van onbeduidend naar groot neergezet, in de vertelling, en dan voelt de lezer dat rondom deze jongens heel veel figuranten ronddrentelen die allemaal even gauw moeten worden neergezet, op iedere bladzijde weer een nieuwe. En dan mis ik een beschrijving zoals van Wyoming, een staat zes keer groter dan Nederland maar treffend neergezet, heel eigen, en in tegenstelling tot het stilstaande poppetje Felix zit er beweging in het borstelen en wordt de tijd afgebakend tot één avond; geen acht maanden lang een kleine en onaantrekkelijke jongen.
Dit zijn details in de vertelling die heel bepalend zijn voor wat de lezer meekrijgt, en een lezer die meer gevoel meekrijgt over een vierkant stukje Amerika dan over een jongen die weliswaar zijfiguur is maar ook een eigen leven heeft, haakt snel af.

Wat Yanagihara doet: vertellen vertellen vertellen.
Haar typeringen zijn goed en levendig opgeschreven, het blijft echter een lange vertelling waarin bij de meeste beschrijvingen direct duidelijk is hoe het zit. Felix is onaantrekkelijk, Jude heeft medelijden met hem. Een plus een is twee.
In de – zeer positieve – recensies over deze roman komt terug dat de personages maar één eigenschap hebben en sjablonen zijn (Joost de Vries in De Groene Amsterdammer) of dat de successen van de vier jongens bijna ongeloofwaardig zijn en hun onderlinge contact zo grootmoedig en verontschuldigend is dat je er jeuk van krijgt (Auke Hulst in NRC), toch is het algemene oordeel dat je meegaat in het leed. Ik kan zeggen dat ik meega in het leed van deze Jude, ik ga niet mee in de vertelling.
Zo wordt Jude overgeleverd aan de sadistische Caleb: ‘Als hij bij Caleb is voelt hij zich tegelijk menselijker en minder menselijk.’ Weer zo’n algemene beschrijvingen. Helemaal waar, maar ook bedacht en vlak. Ik mis de geur van een pasgeborsteld paard in de avond.
Bladzijden en bladzijden verder: ‘In plaats daarvan gaf hij zijn aangeboren optimisme de ruimte om zijn angsten te versluieren en om iets te zonnigs en vreugdevols van hun relatie te maken.’
Een totaal vertelde analyse van een jongen en zijn relatie, maar ik weet niet hoe dat zonnige en vreugdevolle er in het kleine dagelijkse leven uitziet. Weer een beschrijving van een heel groot leven over een kleine jongen. En weer geen nuance in beelden. Als Yanagihara zou laten zien hoe het ruimte geven aan iemands aangeboren optimisme oogt dan kan ik dat misschien voelen. Nu krijg ik een overdosis aan informatie en een zeer uitgebreide psychologisering, maar ik heb geen idee wat dit met deze jongen doet. Hoe versluiert hij die angsten? Loopt hij dicht langs de gevels? Of denk ik dan te simpel? Kruipt hij weg in zichzelf? Onder een kussen? Ja, ik weet: hij snijdt zichzelf en daar zit een heel intense geschiedenis achter, zeer pijnlijk om te lezen, maar na honderd beschrijvingen die eerder uit een handboek zelfhulp lijken te komen dan dat ze passen bij deze Jude, voel ik eigenlijk alleen maar afstand tot hem. En dat is niet de bedoeling.
Momenteel speelt de toneelversie van Een klein leven, door toneelgroep Amsterdam, in regie van Ivo van Hove en met Ramsey Nasr in de rol van Jude. Ik ben heel benieuwd naar de voorstelling, vooral omdat de eindeloze vertellingen uit het boek op toneel vanzelfsprekend overgeslagen moeten worden en de pijn van de hoofdpersoon en zijn vrienden wel vertaald moet zijn naar beelden, dialogen en handelingen. Een bijzondere uitdaging die gezien de recensies en reacties op de voorstelling goed gelukt is. Dat zegt ook veel over de roman: lezers die zich door deze vertelling laten meesleuren lezen voor de beleving maar deels ook voor het gemak. Je hoeft het niet zelf voor je te zien, alles wordt je keurig meegedeeld, hoe schimmig en pijnlijk ook. Lezers die meer van leeswerk houden, van het vormen van beelden en het leggen van verbanden in je hoofd aan de hand van summier aangereikt materiaal, komen waarschijnlijk beter aan hun trekken in de theaterzalen waar Een klein leven nu furore maakt.

NieuwAmsterdam geeft Een klein leven uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen.

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, Contouren & Transit

Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs aan het proza van Rachel Cusk: het voelt zeer persoonlijk, autobiografisch aan, en tegelijk zien we amper iets van de auteur, de verteller zelf. Contouren en Transit voelen objectief, observerend, maar ze gaan over zeer intieme dingen, de relaties die we aangaan en verbreken, de verhouding tot geliefden en kinderen – en buren. Er is amper plot, maar de verhalen blijven intrigeren. En nu verschijnt Kudos, als derde deel in een kleine reeks. Wat maakt Cusk zo geweldig?

Er valt wel iets te zeggen over plot: Contouren omvat een week schrijfworkshop in Athene, inclusief vlucht ernaartoe, en heeft als rode draad de gesprekken met de buurman van de ik in het vliegtuig, een oudere Griek met een flinke relatiegeschiedenis achter de rug. Ze spreekt hem en vrienden in Athene vooral over voorbije relaties, maar laat ook haar cursisten aan het woord.
In Transit is de tijdsperiode minder natuurlijk, het gaat over de periode waarin de ik – ze is gescheiden – naar Londen terugverhuist. Ze koopt een slecht huis in een goede buurt, en steekt zich in de schulden voor de verbouwing, die in dit boek de rode draad wordt. De onderburen zijn vreselijk, het huis is ontruimd. Ook in deze roman overheersen andermans verhalen, en nog meer dan in Contouren gaat de telefoon regelmatig – haar zoons logeren bij haar ex, en dat gaat niet perfect. De nasleep van de scheiding (Cusks roman Nasleep moet ik nog lezen) voor de kinderen gaat door, en dat lijkt een bepalend thema te zijn.

Over beide boeken valt heel veel te zeggen, al was het maar omdat ze extreem citeerbaar zijn: mooie observaties, scherpe analyses, vloeiende stijl. Waar Contouren opent in het vliegtuig naar Athene, begint Transit met een e-mail van een astroloog. In de vertaling van Marijke Versluys:

‘De mogelijkheid bestond dat dezelfde computeralgoritmen die deze e-mail hadden gegenereerd ook de astrologe zelf hadden gegenereerd; haar zinnen waren te karaktervol, met een toon die te vaak werd herhaald, en ze was te duidelijk gebaseerd op een mensentype om zelf een mens te zijn. Daardoor kregen haar medegevoel en haar bezorgdheid iets onheilspellends, hoewel ze om diezelfde redenen ook neutraal overkwamen. Een vriend van me, depressief door de nasleep van zijn scheiding, had onlangs bekend dat hij soms tot tranen toe geroerd werd door de bezorgdheid over zijn gezondheid en welzijn die sprak uit de bewoordingen van advertenties en etiketten op levensmiddelen, en door de ingeblikte stemmen in treinen en bussen, die kennelijk bang waren dat hij zijn halte miste. Hij voelde zelfs iets wat aan liefde grensde voor de vrouwenstem die hem, met zoveel meer toewijding dan zijn vrouw dat ooit had gedaan, begeleidde bij het autorijden, zei hij. Er is rijkelijk taal en informatie uit het leven geput, zei hij, en wie weet was de namaakmens substantiëler en relationeler aan het worden dan het origineel, en kreeg je meer tederheid van een machine dan van je medemens.’

Onheilspellend én neutraal, dat kan dus, of zorgzaam en computergestuurd – en Cusks taal zelf is neutraal én geladen, alleen al zo’n formulering als ‘de mogelijkheid bestond’ ontwijkt de ‘ik’ die hier aan het woord is. Ze zoekt de contrasten op (medegevoel kun je ook tegenover onheilspellend zetten), en creëert daarmee en prettige, niet-stellige complexiteit en openheid. En dan die theorie van de depressieve vriend, die is tegelijk rijk en geestig.

Ik ging tellen hoeveel keer Cusk ‘ik’ gebruikt in die eerste pagina’s, en dat is best veel, maar het is een typerend, onpersoonlijk gebruik. Als ze dit schrijft: ‘Ik moest weten dat er zich aan mijn hemel binnenkort een belangrijke transit zou voordoen. Gezien de veranderingen die daaruit konden voortkomen wekte dat inzicht bij haar grote opwinding. Tegen een geringe vergoeding was ze bereid die informatie met me te delen, dan kon ik er mijn voordeel mee doen.’ Dan is die ‘ik’ de ‘u’ uit het astrologische mailtje, en die indirecte rede, inclusief dat ‘vervolgde’, een werkwoord dat ik bij geen andere auteur zo vaak zie terugkomen, geeft een kalme, vloeiende vertaling aan iets wat ongetwijfeld een houterig mailtje was.

Die kalmte klopt ook met de melancholie die de verhalen van Griekse buurmannen, schrijfcursisten, andere schrijvers, exen, Albanese bouwvakkers doorspekt: berustend en beschouwend kijken ze terug op hun fouten. Misschien wel depressief, in de rouw, zoals die vriend van de ik. Dat bepaalt de thematiek ook van de boeken, maar doordat de ik zich actief in het schrijverscircuit begeeft, zegt ze ook dingen over hoe verhalen zich tot mensen verhouden. Hoe herinneringen werken, hoe perspectief vernauwt, hoe tijd slijt.

En dat verhalen de basis zijn, dat vragen het begin is. In Contouren (vertaald door Caroline Meijer en Lette Vos): ‘Voor de tweede maal viel me op dat hij welbewust de moeite nam mij een vraag te stellen, alsof hij zich had aangeleerd om datgene wat hem dreigde te ontglippen terug te halen.’ In Transit: ‘”Ik vind het prettig dat je dat allemaal vraagt,” zei ze, “Maar ik begrijp niet waarom je het wilt weten.”‘ Daarop volgt geen antwoord van de ik, net zoals het gesprek over een nieuwe liefde niets over hem zegt. Maar ik heb een idee: het waarom is een basale humanistische instelling, een interesse in de ander, die al deze personages ménselijk maakt. Niet per se mooi – zeker niet – maar het zijn wel wezens die me raken.

Ik ben hier nog niet over uitgedacht, Cusk is een essay waard, maar Kudos is verschenen en zal het denken voortduwen; ik zal daar binnenkort verslag over doen. (Na Peter Terrin en Sarah Hall en K. Schippers, die nu door mijn handen gaan.)

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. Van Transit bieden ze een fragment op de site; Athenaeum.nl publiceerde voor uit Kudos.

Dit keer twee verhalen van één schrijver in de reeks 500 à 1.000 woorden. Vandaag: ‘Kapstokken’. Volgende week: ‘De vleermuis’. Van Lotte Dondorp.

*

Er was iemand in de stal geweest. Ze wist het zeker, al was er niets verdwenen of veranderd, stond de schop naast de deuropening nog precies hetzelfde als ze hem had neergezet en bewogen de staarten van de koeien in het ritme dat ze van ze gewend was. Het was een geur misschien, of een spanning bij de beesten die alleen zij kon aanvoelen.

‘Als jij weg bent stort alles in elkaar’, had ze tegen Haio gezegd. Hij ging voor haar staan (lang als een boom was hij) en hij legde zijn handen op haar schouders. ‘Als ik weg ben verandert er niets. Jij en de koeien redden het prima zonder mij.’ Ze legde haar hoofd tegen zijn borst en zo waren ze een tijdje blijven staan, haar wang drukte tegen het zakje dat ze een paar jaar eerder weer op zijn overhemd had genaaid nadat hij hem bij het hooien aan het prikkeldraad had gescheurd.
Dit was precies zoiets, dacht ze, terwijl ze middenin de stal stond en de kille lucht opsnoof en maar bleef kijken naar het bewegen van de staarten van de koeien. Het klopte niet meer, maar ze wist niet goed waarom.
‘Als jij er bent snap ik alles’, zei ze tegen hem. ‘Ik sta op omdat jij opstaat en ik weet dat ik boodschappen moet doen omdat jij het brood hebt opgegeten. Ik schraap de hoeven van de koeien uit op het moment dat jij de modder uit de stal veegt.’ Ze kon zich zijn antwoord niet herinneren. Het was vast iets geweest met ‘mens’. Alleen Haio kon ‘mens’ op een lieve manier zeggen. ‘Mens waar maak je je druk om. Jij redt je prima zonder mij.’
Er stonden drie mannen op het erf. Ze liepen langzaam om het huis heen, bliezen in hun handen ook al hadden ze handschoenen aan, keken omhoog en schudden hun hoofden. Ze zag ze vanuit de woonkamer en ze vroeg zich af waar ze de brutaliteit vandaan haalden, maar ze durfde er niets van te zeggen. De jongste van de mannen, die met de lange bruine haren onder de muts, had vroeger bij hun zoon in de klas gezeten. De man met de wijnvlek in zijn nek was Ake, de derde kende ze niet. ‘We blijven Ake groeten’, zei Haio, ‘ook al groet hij ons niet meer’. Ake had nooit begrepen dat zij en Haio niet bij de vereniging van boeren wilden horen. Dat ze het zelf wel redden, zonder vergaderingen en handige regelingen en kortingen bij leveranciers die je alleen in grote groepen af kon dwingen. ‘Hoe durft hij op ons erf te komen’, zei ze zonder haar tanden van elkaar te halen.
Door het raam waren ze nu niet meer te zien. Ze zeulde met de volle emmers voer, ze veegde de stal schoon en keek uit over het land terwijl ze haar hand op het prikkeldraad liet rusten, net naast een van de knopen, zoals ze altijd deed. Haio zocht altijd het midden, precies evenveel afstand tussen de linker- en de rechterknoop. Zij schoof de hand helemaal naar links of rechts. ‘Er steekt een storm op’, zei ze. Ze hoorde het aan de lucht en ze zag het aan de kleuren van het land. Hij was nog ver, maar hij zou komen. ’s Avonds was er hetzelfde op tv, programma’s die ze met Haio altijd uitzocht in de gids, samen omcirkelden ze de programma’s die ze graag wilden bekijken en dat zag er zo gezellig uit, die cirkels op het papier nog voor de avond was begonnen. Ze keek tot het elf uur was en ze dronk de thee die smaakte zoals hij hoorde te smaken. In bed onder de grote deken hoorde ze hoe de wind langzaam kracht verzamelde.
In de ochtend lag er sneeuw op het erf. De uitnodiging voor de dorpsvergadering kwam zoals hij iedere maand kwam en zoals iedere maand gooide ze hem ongeopend bij het oud papier. De koeien waren onrustig door de wind die steeds harder begon te jagen. Om ze kalm te maken bleef ze bij hen zitten en ze bladerde door tv-gidsen die ze nog niet had weggegooid.
In huis was het koud. De wind vond zijn weg door de kieren en ze voelde de tocht naast haar voeten op de grond. De bel ging, maar ze durfde niet open te doen. Mensen klopten op het raam, maar ze wilde niet met ze praten. Als ze in de keuken ging staan kon niemand haar zien en ze was blij dat Haio niet wist dat ze zich voor de mensen verstopte. Buiten liep ze diep weggedoken in haar sjaal. In de kleine supermarkt zocht ze de paden waar niemand stond en ze schoof de boodschappen zonder te kijken in haar mandje. Ineens een hand op haar schouder, ‘Anna, alsjeblieft. Laat ons je helpen.’ Ze keek naar het modderige water van gesmolten sneeuw op de vloer, naar de grote schoenen van Ake en naar het onregelmatige patroon van de tegels. ‘Die koeien zijn als kapstokken zo mager.’
Als kapstokken zo mager. Ze hoorde de woorden bij het slapengaan en bij het wakker worden. De storm jakkerde over het land en blies de sneeuw voor zich uit en ze wist dat het niet lang meer zou duren voordat ze niet meer aan voer voor de koeien kon komen. Met moeite bereikte ze de stal en ze zeulde met de emmers vol voer. De dieren keken haar aan met blikken die ze heel goed kende en ze knikte naar ze terug en ze sloot haar ogen terwijl ze precies wist in welk ritme de staarten bewogen.
Als ze door het huis liep: foto’s van een kind dat niet meer kwam, van een man die al langer dan een jaar niet meer bestond. Ze belde haar zus om te vertellen dat ze er niets aan kon doen dat de koeien er verwaarloosd uitzagen. ‘Ze eten en toch blijven ze zo mager. Al zouden ze elkaar opslokken, dan nog zouden ze daar zo blijven staan en je zou aan hun buiken niet zien dat er een heel dier in was verdwenen.’
De mensen kwamen nu gelukkig niet meer, ze belden niet aan en stopten geen brieven door de deur. Maar als de storm zou gaan liggen zouden ze doorgaan, zouden ze weer nare woorden als ‘kapstokken’ gebruiken, zouden ze haar wantrouwend aankijken, alsof ze lui was, alsof de koeien haar niks konden schelen.
Ze keek naar buiten. De sneeuw sloeg steeds harder tegen de ramen. De wind tilde het witte poeder op, hoog, zo hoog als het zolderraam, daar waar het dak lekte.
‘Vergeet je niet te eten?’, vroeg Haio. ‘De koeien moeten eten, maar jij ook.’ Misschien zou het lukken om nog een keer de oversteek naar de stal te maken, maar dan moest ze genoeg meenemen. Water en dekens voor zichzelf en nog een emmer voer voor de koeien. Bovenop de gevulde emmer legde ze een van de tv-gidsen. Het papier was al wat geel geworden, terwijl het toch een van de eerste gidsen was van na Haio’s dood. Ook toen waren er programma’s op tv geweest, was ze opgestaan, had ze de koeien gevoerd. ‘Ik ga naar de koeien’, zei ze en ze pakte zijn sjaal van de plank. De oude klok sloeg terwijl ze de deur achter zich dichttrok, buiten kwam de sneeuw tegen haar wangen. Ze probeerde de arm met de emmer hoog op te tillen om haar gezicht te beschermen. De deken viel, maar ze was te moe om hem te pakken.
In de stal voelde ze de warmte van de dieren. Ze schudde het voer in hun bakken en ze groef een gat voor zichzelf in het hooi. ‘Vergeten jullie niet te eten?’, vroeg ze en terwijl ze door de tv-gids bladerde maakte ze zacht smakkende geluiden om het voor te doen.

Er zijn gebeurtenissen die zich altijd, ook in de herinnering, in de tegenwoordige tijd afspelen. Ze zweven aan, blijven even, trekken zich dan weer terug. De tegenwoordige tijd is onbeholpen, maar eerlijk, heeft nog niet de tijd gehad zich te bedenken, te corrigeren, excuses te verzinnen, zijn rauwheid te maskeren of te verfraaien.

2006, Het satijnen hart. Een kunstenaar in ruste leest dat zijn grote geliefde, dat rotwijf dat hem verliet, overleden is. Hij is oud.

‘Het is een voortdurend afscheid nemen als je oud bent en toch nog doorleeft. Ik begin mijn voeten vaarwel te zeggen.’ Maar wat hij niet meer had verwacht, gebeurt: hij begint zich van alles te herinneren (‘Voorgoed vergeten, zo leek het, stond het in een uithoek van mijn geest, die ik nooit meer zou bezoeken.’), en uiteindelijk zijn voeten te gebruiken.

De herinnering bij dit citaat is bepalend voor de metamorfose van de cynicus, de gepensioneerde kunstenaar in een mild mens, een actieve kunstenaar. Eigenaardig: de passage waarin deze rake opmerking is ingebed, is niet rauw of onbeholpen geformuleerd, of in tegenwoordige tijd. Eerlijk, wél fraai, ‘gevangen in een droom, die tegelijkertijd werkelijkheid is’.

Misschien heeft Campert simpelweg lak aan de ambachtswijsheid dat je woorden niet moet herhalen: de tegenwoordige tijd, de tegenwoordige tijd, de tijd. Het onderstreept de eeuwigheidswaarde van zijn woorden middenin een scène die in de verleden tijd geformuleerd is. En hij onderbreekt de herhaling, kort rijmt Campert vloeiend, ze zweven aan, blijven even – om vervolgens een stellige, in opsomming stampende zin uit te rollen. De vaart zit in de komma’s, er is geen twijfel, elk werkwoord verbreedt de waarheidsgetrouwe kwaliteit van het nu.

Deze week verscheen Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen (poëzie én proza) van weleer en poëzie van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag – en  mini-essays van Daan Stoffelsen, Teddy Tops’ verhaal ‘In de kast’ en Jan van Mersbergens ‘Midden in het leven’. Lezen!

*

Waarom ik met Arjen Lubach door de krochten van het theater liep weet ik niet meer. Om ergens een sigaret te kunnen roken, vermoed ik. Maar ik rook al jaren niet meer en of Arjen ooit gerookt heeft durf ik niet met zekerheid te zeggen.
Het was in Den Haag, tijdens het Crossing Border Festival. Jaren geleden, want ik rookte nog. Ergens achter het podium was een deur, een trap, een heleboel gangen. Uiteindelijk namen we een betonnen trap en daarna een zware deur en achter die deur stond Remco Campert te roken op een verhoging die kon dienen als goedereningang, voor decors. Een vrachtwagen kon hier met de kont achteruit tegenaan rijden, en dan kon er gelost worden.
We begroetten elkaar zoals schrijvers dat tijdens een festival doen. Goeiendag, een knikje, hallo. Voorlezen voor publiek is vreemd, andere schrijvers in een theaterkleedkamer tegenkomen is vreemd, roken met een bekende schrijver op zo’n desolate plek is helemaal vreemd.
Natuurlijk kenden we Campert. Zijn gezicht, zijn werk. Verrukkulluk, ging het door mijn hoofd.
Toch ook maar roken, nu we hier waren? Mocht dat?
We keken om ons heen en vroegen – ik weet niet meer precies wie: ‘Weet u misschien of hier een asbak is?
Remco Campert antwoordde: ‘Daar staan we middenin.’
We rookten en zwegen.
Vrijwel gelijktijdig hadden we onze sigaretten opgerookt. Op een of andere manier gebeurde dat. Of Campert rookte heel langzaam, of wij heel snel. In ieder geval gingen we met z’n drieën weer naar binnen, vriendelijk de deur voor elkaar openhouden zoals schrijvers dat tijdens een festival doen, een trap op, een hoek om en plots stonden we in de coulissen van de grote zaal en zonder dat Remco Campert iets gevraagd werd liep hij naar het katheder dat in het midden van het podium stond.
Zo een sigaret uittrappen op de vloer van een betonnen goederenafslag een volle zaal inlopen, een papiertje openvouwen en beginnen te lezen.
Arjen en ik keken toe, twee jonge schrijvers zagen een veteraan – toen al – heel relaxed en professioneel zijn werk doen.
Dat is mijn herinnering aan Remco Campert. Hij staat overal middenin: de asbak, voorlezen, het leven zelf.

Gisteren verscheen Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning publiceren we nieuw proza van Jan Mersbergen en Teddy Tops, en mini-essays van Daan Stoffelsen, en we hernemen een gedicht van K. Michel dat hij schreef bij zijn tachtigste verjaardag. En we hernemen twee van drie bijdragen van Remco Campert aan Revisor. ‘1975’ verscheen in het vijfde nummer van de tweede jaargang, tussen werk van Habakuk II de Balker, Chr.J. van Geel, J. Bernlef, Judith Herzberg, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Paul Rodenko, Martin Reints en Anneke Brassinga.

*

Rare jaren, deze jaren,
niets komies, veel mislukt
rollende stenen zonder mos

Kreupel zoekt de poëzie het huis weer op
de warme lamp
het kleine leed van pappie-mammie roepen
verdriet om de voorbije verjaardag
wéér troost de natuur
wéér komt op de proppen die ellendige God
vermomd nu als VU-student
of Nijmeegse nitwit

Maar ook wij, toen we een gooi naar het grootse deden
hadden niemand iets te bieden
dat een schuilplaats gaf
voedsel in een maag
een schaar om prikkeldraad door te knippen
nauwelijks een doek voor het bloeden
of schoonheid die een gedicht verbrandt

Verwilderd in besneeuwde vlaktes
woestijnen in muren gevangen –
de kampen, kelders en kooien
waar de ene mens de andere onmens wordt

Al die dromen al die jaren
steeds weer dat kind op ‘t platgebrande station
het hoge gillen in de kazerne
waar je stem, die mooie vaas,
werd stukgetrapt

en buiten de hekken
de koude kameraman
altijd bezorgd om z’n materiaal
Schrijven, die lullige luxe
waar ademen al een weelde is
en eten – je bordje leeg
De beste talenten aan de drank
aan de roem, aan de ijdelheid
aan de spuit
of in ‘t gesticht
met een positie in een commissie
of uit het raam gesprongen
of geschrokken hokkend bij moeder de vrouw
of zich verliezend in analyses:
napalm van woorden
over het vel van de taal

Ach,
sla ons om de oren
dat we wakker worden
dat niet onze ontroering
in klein geblaat verloren gaat
dat we weer ons bed opnemen
en zwerven met de bedeljongen
met de bedelmeid.

Gisteren verscheen Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning publiceren we nieuw proza van Jan Mersbergen en Teddy Tops, en mini-essays van Daan Stoffelsen, en we hernemen een gedicht van K. Michel dat hij schreef bij zijn tachtigste verjaardag. En we hernemen twee van drie bijdragen van Remco Campert aan Revisor. In het dubbelnummer 9 & 10 van de eerste jaargang (1974) stelt de redactie ‘Acht vragen aan twaalf schrijvers’ over film & literatuur. Ook Hugo Claus, Judith Herzberg en Kees van Kooten werden bevraagd. Alleen Campert en Heere Heeresma beantwoorden de vragen in lopende tekst. Camperts biograaf Mirjam van Hengel citeert er smakelijk uit – en vertelt in Een knipperend ogenblik over de uiteindelijke opnames van Het leven is verrukkulluk.

*

In 1960 kwam er van Johan van der Keuken (toen nog Joan) een kort speelfilmpje uit, Een Zondag, waarvoor ik het scenario had geschreven. Johan kende ik al een tijdje, ik had de tekst geschreven bij een fotoboek van hem en dat vroeg hij me omdat hij op de middelbare school enige bewondering voor de vijftigers had opgedaan. De film, met o.a. een glansrol van Rob van Gennep, werd midden in de winter in Zandvoort opgenomen. Ervaringloos als ik op dat gebied was, wenste ik het filmen mee te maken.

Verveling, kou en drank sloegen toe en op een vrolijke Amsterdamse nacht besloten produktieleider Almar Tjepkema, een uit een inrichting weggelopen meisje met hele grote borsten en ik over het strand van Noordwijk (waar Almar nog een café wist dat tot diep in de nacht open was) naar Zandvoort te rijden in de produktie-2cv, opdat we de volgende ochtend extra vroeg op de set zouden zijn. Dit kon heel goed, volgens Almar, hij deed het geregeld. Eerst probeerden we nog onze ster Marina Schapers mee te lokken, maar die zag er niets in omdat ze juist in hartstochtelijke bespreking was met haar tegenspeler, de in die jaren veelbelovende jonge schrijver en playboy Koko Wolf. Een paar kilometer buiten Noordwijk kwam de vloed opzetten en alras liepen we muurvast in het drijfzand. Een tijdje zaten we, ons aan elkaar en aan een fles jenever verwarmend (die had je toen altijd bij je), lacherig bijeen. Zo af en toe knepen we eens in een tiet en hielden de moed erin, tot het koude zeewater aan onze voeten begon te knagen. Enfin, dat werd nog een heel gedoe met politie en takelwagens en hopen dat ze niet naar de identiteit van het meisje zouden vragen en ook niet naar het rijbewijs van Tjepkema dat hem al geruime tijd geleden was afgenomen (terecht, naar nu bleek) en laat de volgende ochtend naar Zandvoort rijden in een auto die alleen nog maar in de eerste versnelling kon en waarvan de remmen, aangetast door het zeewater, dienst weigerden. Van der Keuken vond het geen geslaagd uitstapje van ons. (Een gedicht in de bundel Dit Gebeurde Overal – ‘De Grote Rust’ – herinnert aan dit boeiende voorval.)

Ik vertel dit allemaal enigszins uitvoerig omdat hier in klein bestek alle elementen aanwezig waren, die het filmen tot zo’n opslorpende bezigheid maken: verveling, spanning, sex en ruzie. Er zijn er bij een filmproduktie altijd een paar die uit hoofde van hun funktie continu heel hard werken en een aantal anderen die – ook alweer u.h.v.h.f. – maar zo af en toe in touw kunnen zijn. De eerste groep (regisseur, cameraman etc.) krijgt in haar gedrag iets van veelgeplaagde ouders die nu echt even geen tijd hebben om zich met de drenzerige wensen van hun kinderschaar bezig te houden. De laatste groep geeft zich, omdat er niets beters te doen is, met grote passie over aan intriges, roddel, smeerlapperij, opstandjes tegen de regisseur enz. Een regisseur moet dan ook aanleg voor het vaderschap hebben, anders kan hij er beter niet aan beginnen. En een scenarioschrijver moet zich realiseren dat zijn taak eigenlijk is afgelopen op het ogenblik dat zijn scenario aanvaard is. De godganse dag op de set hangen of in het dichtstbijzijnde café (de opnamen voor Een Zondag werden voor een belangrijk deel in een café gemaakt) is moordend en leidt tot kattekwaad.

In 1963 verfilmde van der Keuken een verhaal van me, ‘De Oude Dame’. Hier had ik verder weinig mee te maken. Ik vond het wel mooi, maar Johan was er toen al niet tevreden over en nu, geloof ik, helemaal niet meer. We werkten daarna nog even samen aan ‘De Indische Jongen’ (1964), maar die samenwerking liep al in een vroeg stadium spaak. Johan was toen al duidelijk op weg om zijn eigen ‘auteur’ te worden.

Op een zonnige dag in 1963 kwam Frans Weisz in mijn leven. We ontmoetten elkaar in Americain, dat toen nog de ontmoetingsplaats was, en Frans bleek in de ban geraakt te zijn van Het Leven is Vurrukkelluk. Daartoe in staat gesteld door Paul Keizer hebben we een zomer lang aan het scenario gewerkt tot we een ontzettend dik pak papier bij elkaar hadden. Frans had zich helemaal laten gaan, verliefd als hij was op het meisje in het verhaal en niet gehinderd door veel ervaring. De ene massascène volgde op de andere. Als de film was doorgegaan zou het leven in de stad wekenlang verlamd zijn geweest. Alleen al van de figuratiekosten zouden de la Parra en Verstappen tien films hebben kunnen maken in die tijd. Keizer zag het dan ook niet zitten en verliet kort daarop het land. Ik weet dat Frans er nog altijd spijt van heeft dat de film niet gemaakt is en ik geloof ook zeker dat hij – als eerste grote film – beter Het Leven is Vurrukkelluk had kunnen maken dan Het Gangstermeisje die teveel met de klompen in de klei vastzat voor Frans om in zijn geheel hoog van de grond te kunnen krijgen.

In de winter ’62-’63 zaten we in Menton waar we het scenario schreven voor een korte speelfilm Helden in Schommelstoel, dat Frans de zomer daarop in Rome ging verfilmen voor Alfredo Salvati, een Italiaanse producent. Daar werkten o.a. Kitty Courbois en Paolo Graziosi aan mee, twee akteurs die hij later ook in Het Gangstermeisje zou gebruiken. Erop terugkijkend was die zomer in Rome een fantastische tijd, een periode van intens leven, werken en genieten, lachen, huilen en noem maar op (een tekst van Ramses Shaffy kortom – die was er trouwens ook). Een paar van mijn gedichten in Hoera hoera herinneren aan Rome en ook het verhaal ‘Take One’ in Campert Compleet, dat je als een voorloper van Claus’ roman Het Jaar van de Kreeft zou kunnen beschouwen.

Je kunt niemands leven terugbuigen en het gaat me ook geen moer aan, maar ik geloof nog altijd dat Frans in Rome had moeten blijven om vandaaruit verder te opereren. Ondanks successen is Holland hem te machtig, te verlammend, de jus is er te vet en de producenten te aardappelig, de luchten te grauw en de liefde te wanhopig. In zijn filmen is hij een luchtige spring in ‘t veld, verliefd op het ‘mooie’, het ‘lieve’, het ‘gelukkigmakende’, al die dingen die hier gewantrouwd worden als de pest. Er zijn een aantal pogingen gedaan om hem terug te brengen tot de grauwe noordelijke werkelijkheid, met grote huishoudscharen is men zijn vleugels te lijf gegaan, zijn balletschoenen heeft men willen vervangen door degelijke zwarte trappers, zijn lach door een cynische grijns, zijn traan door een gekwelde uitdrukking, zijn hart door een portemonnaie. Frans Weisz was puur film en puur droom en dat mocht niet. Hij moest zo snel mogelijk ontwaken uit die droom, vonden sommigen, en zich aanpassen bij het bewolkte nederlandse bestaan. ‘Van Singing in the Rain’ tot ‘Darkness in the Afternoon’. Ik vind het een drama, maar blijf hopen, in deze pauze tussen de bedrijven van zijn leven door, op een happy ending.

Over de film Het Gangstermeisje (1966) verscheen een boek bij de Bezige Bij dat waarschijnlijk hier en daar nog wel tweedehands verkrijgbaar is. Dat ontslaat me van de plicht er veel over te schrijven. Het werken aan de film viel me ontzettend zwaar, niet in het minst doordat ik tegelijkertijd aan de roman bezig was, een werkwijze die ik niemand aan kan raden. Er zaten goede stukken in en dat waren natuurlijk de stukken waarin Weisz zich even kon laten gaan en niet verplicht was zich te verdiepen in de puberproblematiek van een worstelende schrijver. Een schrijver als hoofdpersoon, het kón natuurlijk ook niet. Na Het Gangstermeisje hebben we nog aan een paar scripts gewerkt, o.a. een verhaal over een clown en een verhaal over een opstandige werkende jongere (1971) dat Frans als werktitel gaf ‘Lieve lieve revolutie…’ en die titel is Weisz in een notedop. Toen merkte Frans dat er ook andere schrijvers op de wereld waren, iets dat ik al die tijd zorgvuldig voor hem verzwegen had. Als ik aan de deur van zijn hotelkamer klopte, verborg Heere Heeresma zich in de kast…

In mijn woonplaats Antwerpen, waar ik ook aan Het Gangstermeisje werkte, kreeg ik contact met de jonge Belgische cineast Robbe de Hert, de pintenkoning onder de filmers, maar hij zal nu wel roken, net als iedereen. Voor hem schreef ik een scenario voor een korte speelfilm Darts, iets over misdadigers en pijltjes (darts). In Mijn Levens Liederen staat een gedicht dat daar mee te maken heeft. Robbe ben ik een beetje uit het oog verloren en die film is ook al niet gemaakt. Met Harry Kümel heb ik in die tijd ook nog een korte poging gedaan, maar met het boek van de Pillecijn (de naam alleen al) dat hij me ter bewerking gaf wist ik geen raad.

De laatste jaren heb ik een paar dingen met Bob Langestraat gedaan. Twee scripts voor korte films die niet zijn gemaakt, een voor een korte film, die wèl is gemaakt (Niets aan de Hand, 1974). En ook de veel misprezen Appeloogst, een collectieve onderneming met o.a. Philip Mechanicus en Willem van Malsen, de bekende kunstschilder, louter voor ons plezier in tien dagen in Frankrijk opgenomen, een film voor tussen de schuifdeuren, die op het t.v.-scherm belandde. Met Langestraat werk ik aan een nieuw projekt. Onlangs is het verhaal De Jongen met het Mes verfilmd (door Bobby Eerhart – ik hoop dat ik zijn naam goed schrijf), maar daar heb ik alleen het verhaal voor geleverd, het scenario schreef Guus Luyters. (Een jaar of zeventien geleden wilde Lou van Gasteren het verfilmen, maar het is er niet van gekomen). Voor mezelf ben ik bezig een script te maken van Op Reis en ik doe ook voorzichtige pogingen om Tjeempie filmrijp te maken. Ach, en zo moddert men maar voort…

Vandaag verschijnt Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen van weleer – en nieuw proza van Jan Mersbergen en Teddy Tops, en mini-essays van Daan Stoffelsen. En we hernemen dit gedicht van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag. Lezen!

*

In 1999 nam Campert deel aan het grote poëziefestival in Medellín. Het was een triomf. In het openluchttheater scandeerden negenduizend toehoorders, van jong tot oud, minutenlang zijn naam ‘Remco, Remco’. Op straat werd hij aangesproken door bewonderaars. Hij liet daar een diepe indruk achter. Toen ik twee jaar later aan het festival deelnam, werden mij voortdurend vragen gesteld over zijn leven & werken in de verre lage landen:

Is het waar
dat hij aan de gracht van de bloemen woont?
Is het waar
dat hij eens 120 liter limonade heeft gedronken?
Is het waar
dat hij aan een paraplu over Amsterdam heeft gezweefd?
Is het waar
dat hij een minister ten val heeft gebracht met een gedicht over de zilverwitheid van een berkenstam?
Is het waar
dat hij de koningin heeft gezoend (en een van haar zusters)?
Is het waar
dat hij in zijn hele leven slechts één keer heeft gesolliciteerd en toen een bloedproef moest doen?
Is het waar
dat hij in de winter in Parijs op een pleintje zijn jas over een standbeeld van Venus heeft gehangen en dat dat standbeeld hem toen naar het hotel is gevolgd?
Is het waar
dat hij in zijn jeugd tulpenbollen heeft gegeten?
Is het waar
dat hij what to do how to live van Wallace Stevens heeft proberen over te schrijven maar al voor het vraagteken in slaap viel?
Is het waar
dat als je zijn naam in het oor van een koe fluistert die koe geen melk meer geeft maar campari?
Is het waar
dat Johan Cruijff hem een paar schoenveters heeft geschonken?
Is het waar
dat een televisiefilm over hem niet doorging vanwege het woordje ‘naaien’?
Is het waar
dat hij in een jachtslot heeft gewoond?
Is het waar
dat hij in een hotelgang van wellust is gesmolten tot een waterplas en zo de gesloten kamer van een dame is binnengekomen?
Is het waar
dat hij poëzie een daad van bevestiging heeft genoemd?
Is het waar
dat men hem ooit uit een schilderij heeft zien stappen?
Zonder bril en met twee rechterschoenen?
En een hele stapel gedichten onder zijn arm?
– rustig rustig allemaal – even uitblazen –
En was dat schilderij het portret van Aesopus door Velasquez?
Is het waar
dat de taxichauffeurs in heel het land zijn huisadres uit hun hoofd kennen?
Is het waar
dat toen het gesneeuwd had – na een poëzielezing – tientallen vrouwen om zijn voetafdrukken hebben gevochten – om die thuis in de diepvries te bewaren?
Is het waar
dat hij het plaatsen van vraagtekens als een vorm van verzet toejuicht?
Is het waar
dat hij de enige Nederlander is die niet kan fietsen?
Is het waar
dat hij een weerbericht heeft geschreven dat later precies zo uitkwam?
Is het waar
dat hij iedere maandag om vier uur scrabble speelt?
Is het waar
dat hij het levensraadsel heeft opgelost maar het notitieboekje is kwijtgeraakt?

En ik antwoordde:
Ja, dat is inderdaad waar.

Morgen verschijnt Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen (poëzie én proza) van weleer en poëzie van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag – en nieuw proza van Jan Mersbergen, mini-essays van Daan Stoffelsen en Teddy Tops’ verhaal ‘In de kast’. Lezen!

*

Wanneer ze die middag naar Erik fietst oefent Etta het gesprek alvast in haar hoofd. Het zal niet makkelijk worden hem de waarheid te vertellen, maar ze kan Leo niet veel langer laten wachten, en begint zich steeds vaker schuldig te voelen tegenover Erik. Daar mag je je niet door laten afleiden, spreekt ze zichzelf streng toe terwijl ze doortrapt. Ze telt elke slag van haar trappers. Nog zo’n 276 voordat ze bij zijn voordeur is.

De laatste tijd was hij onuitstaanbaar. Hij ruimde zijn kamer niet meer op als zij kwam. Vaak trof ze hem ver in de middag ongedoucht in bed aan. Zijn zoektocht naar werk vond alleen in zijn hoofd plaats.
Ze kan zich de laatste keer dat hij haar mee uit eten nam nog helder voor de geest halen. Het was in mei, drie jaar geleden. De zomer begon pas echt zodra de sproeten op haar neus stonden, vond Etta. Het korte rokje dat ze die ochtend droeg had veel mannen doen omkijken – Erik merkte er niets van. Ze liepen nog in het daglicht naar huis. Ze zei iets over zijn schrijven, hij begreep de opmerking als een optelsom van zijn mislukkingen. Hij viel in de rotanstoel in slaap, zij in zijn bed.
Misschien begon het einde daar wel. Ze hadden niet alleen vaker ruzie dan in de jaren daarvoor, de ruzies waren overkomelijk. Er lag geen emotie aan ten grondslag, maar desinteresse.

Vroeger had ze een minimuseum, een ijzeren kastje met wel zestien doorzichtige laatjes, en in elk laatje lag een museumstukje. In een lag een haaientand, gevonden op het strand op Schiermonnikoog, in een andere lag een knikker met spikkels en olievlekken. Maar in de meeste lagen soldaatjes. Elk soldaatje zijn eigen laatje. Anders zouden ze ruzie krijgen.

Rechtsaf bij Kinkerstraat. Ze heeft deze route al duizenden keren gefietst, de laatste jaren met steeds meer omwegen. Nog even bij haar oma op bezoek, of naar de viskraam voor een Hollandse nieuwe met uitjes. Soms fantaseert ze erover zijn kamer voorbij te fietsen. Door te fietsen, richting de zee. Dat zouden 1530 extra pedaalslagen zijn. Ze durft het niet.

Praten deed Erik niet. Dat vond hij voor het plebs. Ook kwam hij de deur niet vaak uit, meestal deed Etta boodschappen voor hem. Nu zij minder vaak langskwam, at en dronk hij ook minder. Daar was hij wel tevreden mee, zijn buik slonk, zonder dat hij zich in een latex badpak hoefde te hijsen en rondjes hoefde te hollen in het park.
Ook daarover hadden ze de laatste tijd ruzie.
‘Je neemt niet eens de moeite om mijn zwijgen te begrijpen,’ zei Erik. Het zwijgen was niet het probleem, het was de afwezigheid van passie waarmee het gepaard ging. Het zich neerleggen bij de situatie.
‘Goed, leg het me dan uit.’
‘Ik geef niets om mensen,’ zei Erik. ‘Ik geef wel veel om jou. Ik zwijg toch niet tegen jou?’
‘Veel zeggen doe je niet, het is pijnlijk als er andere mensen bij zijn.’
‘Pijnlijk voor wie?’
Pijnlijk voor iedereen, Erik. ‘Pijnlijk voor mij.’

Op een zomeravond in Scheveningen ontmoette ze Leo. Met een vriendin ging ze een dagje naar het strand. Het was precies zo’n dag voor bikini’s, cabrio’s en mannen met witlinnen broeken. Tegen zonsondergang kwamen ze het hete zand af en klonterden ze met de rest van de badgasten samen op de boulevard. Haar sproeten stak ze fier richting de blauwe lucht of in haar glas Chardonnay. Hij schoof een stoel aan hun tafeltje, om niet meer uit haar leven te vertrekken.
Haar vriendin wist zich op de achtergrond te houden, aan haar hoefden ze zich niet te storen. De vriendin was vast allang blij dat Etta met iemand anders dan Erik was. Etta praatte honderduit, hij was in elke zinsnede geïnteresseerd. Hij leek onder de indruk van haar ambities, minder onder de indruk was hij van het feit dat ze al een geliefde had. Hij zág haar.
Hij vroeg haar dezelfde avond nog mee naar zijn Amsterdamse (toevallig!) appartement te gaan. Appartement, dacht Etta, toe maar.
Leo was ook een schrijver, net zoals Erik, het verschil was dat Leo daadwerkelijk schrééf. Goed, geen romans, maar hij werkte als notulist bij een grote bank. Hij had asblond haar en een zongebruinde huid, en beloofde haar de beste wijnen op de chicste strandfeestjes en verre reizen naar warme landen. Dat soort dingen riep Erik vroeger ook, het verschil was soms niet eens zo groot. Ze had het gewoon gemist. Het gevoel dat zij iemand was aan wie je grote beloftes deed.

Haar moeder had haar ooit gezegd dat ze nooit afhankelijk moest worden van een man. Ze moest haar eigen boterham verdienen. Ze vroeg haar vader wat een boterham kost, dat kwam neer op:
1 euro 20 per brood delen door 24 sneetjes gemiddeld = 0,05, daarbij opgeteld de boterhamworst à 1 euro 50 per pakje delen door 12 plakjes per pakje = 0,125. Twee keer 0,05 vanwege de dubbele boterham, erbij 0,125 is 0 euro en 23 cent. Dat was haalbaar, dacht Etta.

Ze zet haar fiets tegen de poort op slot, voor hopelijk – misschien wel – de laatste keer.

Leo vroeg haar ten huwelijk in een zandverstuiving in Marokko. Zij zei ja, alleen moest ze voordat ze aan geloften kon doen nog met Erik praten.

Voor de deur haalt ze twee keer diep adem voor ze de sleutel in het slot steekt.
Ze opent de deur van Eriks kamer. De bekende muffe geur komt haar tegemoet, van natte lappen die in een afgesloten ruimte te drogen zijn gehangen. De geur is inmiddels als thuis geworden, alleen is hij vermengt met een scherpere lucht – Díor Homme.
Daar zit Leo. Wat is hij knap in die rotanstoel. Wat knap om knap te kunnen zijn op deze oude rotanstoel.
‘Leo, wat doe jíj hier?’
‘Ik kom hem duidelijk maken, dat hij geen recht meer op je heeft.’ Ze knikt serieus, en wil haar jas aan het haakje hangen, zoals ze dat altijd doet, maar bedenkt zich – het huiselijke gebaar zou Leo kunnen kwetsen. Ze laat haar jas op de grond vallen.
‘Ik kom hier al veel minder dan vroeger,’ zegt ze in een poging hem beter te laten voelen, ‘en we slapen ook niet meer samen.’
‘Onzin! Wat kom je hier anders doen?’
Daar heeft hij een punt.
‘Ik wil het hem zelf zeggen. Hij heeft niemand behalve mij. Hij is… hij is zielig.’
‘Weet je wat je met zielige mensen doet, Etta? Die dump je, als loze last, zodat je verder omhoog kunt met je leven.’
Leo houdt niet van mensen die niet willen lukken. Etta ook niet, maar een klein gedeelte van haar houdt nog wel van Erik. Of vindt hem zielig.
Ze klopt naast zich op het bed. Leo gaat zitten, pakt haar met beide handen vast.
‘Kom. Om te laten zien dat je voor mij kiest,’ zegt Leo hees.
‘Niet op zijn bed.’ Dat onding kraakt vreselijk.
Hij legt haar op de grond neer, op haar eigen jas, en begint haar uit te kleden. Ze kijkt om zich heen, naar de kamer waar ze met zoveel tegenzin naartoe was gefietst, en voelt zich weer schuldig. Arme Erik, hij zal hier nooit uitkomen. Ze staart naar de oude lekkagevlek die bijna het hele plafond beige-bruin kleurt. Hij zal nooit een baan vinden om zich uit deze ellende te ontworstelen, want daarvoor zou hij deze kamer moeten verlaten en daadwerkelijk actie ondernemen. Leo knoopt zijn broek los, pakt haar bovenbenen vast en leunt met zijn borst in haar knieholten. Waar zou Erik toch zijn? Erik is geen buitenmens – of buiten-deze-kamer-mens, al helemaal niet op dit tijdstip wanneer er wielrennen op is. Als ze Erik in haar minimuseum zou houden, zou ze een klein wielrenfietsje bij hem in zijn laatje steken, en hem vervolgens niet meer open doen.

Ze veegt zichzelf schoon met een boxershort van Erik, en gooit hem bij de rest van de vuile was in de hoek van de kamer.
‘Ik kom eraan,’roept ze naar Leo, die in de deuropening wacht.
Ze scheurt een stukje papier uit Eriks schrift, en schrijft:

‘Waar was je? Ik heb uren op je gewacht!
– Etta’

Hoe vertaal je wat is weggelaten, vraagt de vertaler zich af. Wat zie ik allemaal niet, vraagt de biografe zich af. ‘Al die momenten die opgelost zijn in tekst- en gebeurtenisloosheid. Nooit opgeschreven, nooit naverteld.’ De collega twijfelt. ‘De dichter heeft wellicht geen idee van de mate waarin de auteur hem een warm hart toedraagt.’
Dit nummer is gewijd aan Remco Campert, en gevuld met ontmoetingen, reïncarnaties van zijn personages, analyses van zijn zinnen, literatuur geïnspireerd door zijn literatuur.
Campert? Een Revisorauteur? Ja, in de eerste jaargangen dook hij een aantal keren op, zoals hij vaker nieuwe tijdschriften zijn zegen gaf met een gedicht of twee. Hij heeft menig tijdschrift ruimschoots overleefd. Misschien is dat de juiste strategie: verschijnen en verdwijnen. Zijn werk bloeit daartussen, in een schemergebied waarin de lach en de brok je soms even nabij zijn.
Camperts werk biedt ruimte, voor lezers van alle gezindten, maar zeker ook voor schrijvers. Behalve zijn biografe, wier meesterproef Een knipperend ogenblik gelijktijdig met deze Revisor verschijnt, vroegen we een waaier aan auteurs iets te schrijven. We vroegen om verhalen, anekdotes en beschouwingen, we verheugden ons op hoe Campert bij jonge auteurs doorklinkt, we nodigden dichters uit Camperts poëzie her te gebruiken, we vroegen zijn vertaler. In wat weggelaten is, in het ‘wellicht’ – daar ontstaat nieuwe literatuur. En daar, die plek is Revisor.

Daan Stoffelsen