Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening, in IV strijden plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar. Dit is V. Waarin Aaron zijn dunne kakverhaal vertelt en hoe taal en beeld zich tot elkaar verhouden en Lisa het over een andere boeg gooit. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Aaron is terug. Hij houdt een matras en een deken onder zijn arm. Achter hem staat een jongen met een uitgekauwd gezicht in een paars trainingspak.
Ik heb geld op zak, toch, vraagt hij, die vent vraagt honderdtien dollar voor deze meuk. 
Een hele rol in je rechterbroekzak, je hebt jarenlang belachelijk veel verdiend, maar je was zo veel aan het werk, soms wel tachtig uur per week, dat je geen tijd had om het uit te geven.

Deed ik ooit iets, buiten werktijd?
Niet echt. Netflix kijken, twijfelen of je een kat zou nemen, hoeren bestellen, die je dan weer weg stuurde als ze arriveerden. Tinder installeren en de-installeren. Wat had je willen doen?
Aaron overhandigt het geld aan de jongen. Die gromt een dankjewel terug en geeft hem er gratis een fles eau de cologne bij: voor het matras, zegt hij, geloof me, het riekt eerst als een bejaard wijf, maar zodra het went slaap je heerlijk.
Wat ik had willen doen, gaat Aaron verder, van alles. Van alles wat mensen eigenlijk willen doen maar vergeten te doen, weet je wel.
Zou je zo’n goede gast willen zijn, vraagt Louise.
Zoiets, uren werken en dan toch nog iets doen voor duurzaamheid, of rampgebieden, weeskinderen. En dan zou ik op een dag inzien, dat wat ik ook doe, wat ik ook probeer, het verschil toch te klein is. Dan zie ik hoe alles verslapt is om mij heen: de onverschilligheid, de verveling van de mensen. Een bloem die eerst nog enthousiast was, maar al snel gewoon een beetje richting het zonlicht gaat hangen omdat het comfortabel is. En dan zou ik willen stoppen met alles.
Hij leunt tevreden achterover op zijn matras en kijkt richting de Nevada-woestijn. Ik heb iemand tevreden gemaakt met de kennis dat hij altijd op hetzelfde pad uit zal komen. Dat er geen andere uitweg is tot dit moment, deze tunnel. Ik heb zin om mijn laptop in tweeën te breken en uit het raam te flikkeren.
Beetje een dun kakverhaal, roept Louise, jij hebt wel heel weinig zetjes nodig, vind je ook niet?
Ja ja, zeg ik, ja ja Louise, nu weten we het wel. Aaron is, wat er ook gebeurt, altijd op een treurige, fatale manier teleurgesteld in het leven.

Kunnen jullie nu anders even ophouden, mompelt Aaron.
Hij rolt zich in de deken en hoest een tijd van de eau de cologne geur van het matras. De laatste rand zon verdwijnt achter de horizon. Louise is tegen me aan in slaap gevallen. Haar haren liggen als een waaier over mijn schoot. Ze ademt rustig. We zijn aan elkaar gewend geraakt. Te gewend, misschien. Ik blijf wakker, in de hoop een uitweg te verzinnen. Vooral voor mijzelf: ik begin me stierlijk te vervelen. Die nacht denk ik voor het eerst niet aan de film met Mina, maar aan Le Camion van Marguerite Duras.

In de ochtend draait Aaron zich op zijn buik, richting de tunnel.
Heeft Louise gelijk, fluistert hij, ben ik een teleurgestelde, slappe washand?
Dat interesseerde me eigenlijk niet toen ik hier aan begon, zeg ik, mij fascineerde vooral het gegeven: het inhuren van die huurmoordenaar, die hele tocht door Las Vegas, het moment waarop omstanders denken dat jullie een spel spelen en zich afvragen waar ze dit kunnen kopen, of het te krijgen is in de winkel van hun hotel, of ze van tevoren online hadden moeten boeken. Een ultieme shoot-out. Dat zijn veel te grote woorden, maar het is de tijd waarin we leven, Aaron, niets is extreem genoeg. Maar zonder achtergrondverhaal is het blijkbaar niet te verteren. Het gaat om de grijpbaarheid, denk ik.
De watte?
Hoe minder ik prijs geef over jou en Louise in dit verhaal , hoe meer een lezer moet bedenken. En dat lijkt steeds minder te lukken, dat activeren van verbeelding. Marguerite Duras worstelt daarmee in haar film Le Camion, en besluit alleen te werken met taal, door met Gérard Depardieu te spreken over wat het scenario van haar film zou kunnen zijn. Zo moet de kijker zelf bedenken wat voor beeld daar bij hoort.
Ik heb die film niet gezien, weer zoiets, stribbelt Aaron tegen. Louise begint te kwijlen op mijn broek, ik druk mijn hand op haar schouder. Ze schokt en gaat rechtop zitten.
Oke, zeg ik, iets anders: laatst was ik in de Hermitage in Amsterdam. Daar hing een doek ter aankondiging van een expositie in de ruimte erachter. Op het doek stond de tekst: ‘Reclining Nude with a Man Playing the Guitar.’ Bijna iedereen liep er aan voorbij, ik vond het het beste werk van het hele museum. Hoe groot is de fantasie van iemand die naar een leeg canvas kijkt? Ik weet wat we gaan doen, we gaan alles over een andere boeg gooien.

Feuilleton! In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, in III geeft Lisa’s moeder haar mening. Dit is IV. Waarin plot en een briljant idee en een eigen wil met elkaar strijden. Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton.

*

Ik vind dit gewoon redelijk laf, zeg ik, vinden jullie ook niet?
Mijn idee om die kogel eindelijk door zijn kop te jassen?
Nee, niet dat idee, dat is trouwens niet van jou, maar van mij. Tenminste, dat je je afvraagt of je hem niet gewoon neer kunt knallen. Er is iets lafs aan een verhaalstructuur in het algemeen, aan het idee dat iets moet eindigen, dat er een logische climax van het plot moet zijn.

In ons geval hier in die tunnel. Ik denk dat een lezer hoopt dat een van jullie nog iets magnifieks tegen de ander zegt. Iets moreels, iets verhalends, iets wat iets zegt over iets groters. En dat iedereen dan tevreden is. Of ontevreden, maar daarmee dan wel ook weer tevreden, omdat het een aanwijsbare ontevredenheid is. Dat je kan zeggen: wat een slecht einde, ik had dit zo en zo gedaan. En nog erger: ik zei dit eerder ook al, over trucjes en clichés, dus ik herhaal mezelf ook nog eens.
Dus jij denkt niet dat dit hier, dit wat Louise en ik doormaken, iets zegt over iets groters, kermt Aaron terwijl hij zijn handen nog eens in de lucht gooit, hoe veel mensen laten zich nou neerknallen in een soort levende Grand Theft Auto, met een zelf-ingehuurde moordenaar? Ik bedoel, een opdrachtgever die ook het doelwit is? Dat is toch, op zijn zachtst gezegd gestoord en briljant tegelijk.
Zeg, Aaron, begint Louise, is het jou eigenlijk te doen om dood geschoten worden, of omdat het uniek is dat jij je eigen dood ensceneert? Misschien had je moeder toch gelijk, Lisa, wie bedenkt dit überhaupt?
Nou, het is dus niet bedacht, zeg ik, ik las dit op het internet. Een man had dit, precies dit, voor zichzelf geregeld. Hij betaalde zonder recht op restitutie, sloeg een arsenaal aan wapens in, trok naar Las Vegas en zou zich daar laten vermoorden door een huurmoordenaar.
En dat geloofde jij?
Het leek me in ieder geval een goed verhaal.
Ha!
Wat?
Is dit een fantasie van iemand gebeurt dit echt?
Is het echt dat Mina stopt met acteren, in die film, of is het als compleet werk in scène gezet?
Begin je weer over die film.
Luister, op het moment dat Mina in de camera zegt dat ze niet meer wil acteren, haar gips afdoet en de bus uitloopt, de stad in, is dat dan plotseling documentair? Of maakt het helemaal niet uit?
Louise laat het pistool een beetje losjes tussen haar handen bungelen.
Maakt het nou uit of ik hem doodschiet of niet?
Zo, dit wordt me wel even te semantisch allemaal hoor, moppert Aaron. Hij loopt de tunnel uit en verdwijnt om de hoek. Louise wil opstaan en hem achterna lopen.
Die komt wel terug, zeg ik, die weet helemaal niet waar hij heen moet.
O ja. En wij maar denken dat we een eigen wil en psyche hebben.
Ze gaat weer zitten. Buiten, net om de hoek van de tunnel drukt Aaron zijn handpalmen tegen zijn dichte ogen tot hij sterretjes ziet.
So there’s the start to the huge shit show I created for myself, fluistert hij tegen zichzelf, en herhaalt: so there’s the start to the huge shit show I created for myself. And like I said, it’s been loads of fun. I’ve been in this tunnel for about two hours now and I need to get going as I can’t stay in one location for too long. I’ll update tomorrow with the rest of my story so far if people are interested.
Goed jatwerk wel, zegt Louise. Ze port me in mijn zij.

Lisa Weeda’s feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton. In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock, in II lazen we over pistolen in de eerste akte, hoe doden voelt, en clichés, clichés, clichés, trucjes. Dit is III. Waarin Lisa’s moeder haar mening geeft, Aaron over zijn kantoor vertelt, en Louise en Aaron het verkeerde antwoord geven. 

*

Aaron blijft heen en weer lopen, Louise blijft richten. Een toneelstukje om de lezer nog even in de limbo van de mogelijke uitkomsten te laten hangen. Het zou in dit freeze frame moeten eindigen. Enter, witregel, afgelopen. Dat je naar de bladzijde kijkt en denkt: wel godverdomme wat een laffe streek.

Ik draai een rondje om mijn as in de tunnel, schep wat water omhoog met mijn voet.
Weet je, zeg ik, ik vroeg aan mijn moeder: wat zou jij doen, hoe zou jij het laten eindigen? Die zei: die huurmoordenaar, die Louise, moet dood. Toen ik haar vroeg waarom, zei ze: ja dat is toch logisch? Het is een verschrikkelijk beroep. Toen vroeg ik haar wie er zou moeten sterven als ik Louise een heel geloofwaardig levensverhaal zou geven, waardoor ze begrip voor Louises keuzes zou krijgen. Nou, toen mocht jij ook wel dood, Aaron.
Wat hebben we met je moeder te maken, mompelt Aaron.
Ja, vult Louise aan, die is hier toch niet?

Als zij dit leest, zeg ik, staat ze hier. In deze tunnel, onder de Nevada Woestijn, tussen al deze zwervers en verdwenen mensen, vergeten individuen. Dan staat hier iemand die alles wil begrijpen: de context, jullie gedachten, jullie drijfveren, wat ik op metaniveau bedoel. Ze zei trouwens dat het überhaupt debiel is, een man die een huurmoordenaar inhuurt om zichzelf dood te laten schieten.
O, de beïnvloedbare en behoeftige lezer! Aaron fronst en drukt zijn handen in zijn zij.

De zon is onder. Een koude wind waait in een vreemde hoek de tunnel in. Louise ritst haar jas dicht en laat haar Glock daarbij even zakken. Aaron humt de melodie van ‘Eye of the Tiger’.

Louise, weet je nog wat ik net zei, begin ik, dat ik steeds aan De Spiegel moet denken, die film met dat meisje met die gipsen arm, dat nepgips. Er is iets geks wat de regisseur, Jafar Panahi in een later interview zei.
Even ben ik stil, probeer ik zijn woorden omhoog te lepelen.
When I see my picture, the picture resembles me, drilt Louise op.

Toch navelstaarderig, of nodig? Wat komt er hier overeen met mij? Waarom was dit verhaal ook al weer nodig? Welke spiegel houden we hier voor? Waar begon dit überhaupt?

Een bebaarde man met een winkelwagen vol kapotte casinostoelen loopt voorbij. Hij focust op zijn handen, zijn aderen drukken door zijn grauwe huid heen van het stevige vasthouden van het karretje. Aaron volgt zijn tred. Het linker voorwiel van de kar draait steeds weg van de as en maakt een piepend geluid dat door de tunnel resoneert. Ik kijk naar Aaron. Naar zijn verzorgde handen, die hij samen vouwt en weer losmaakt. Hij humt nog steeds.
Ik ben toch een spiegel, de overwerkte, nooit voldane millennial kantooreikel, zegt hij, het voelde zo goed. Voor de laatste keer het lampje van dat betonnen, Scandinavische-kleurenkantoor uitknippen. Nog één blik over die hippe tegelwerkvloer, de printer die altijd vastliep, de dure koffiemachine in de hoek, de inspirerende slogans aan de muur, de televisieschermen met daarop slow-motion video’s van hipsters met baarden en te modieuze outfits die heel traag typen op laptops en te breed glimlachen. Ik voelde mijn handen tintelen, verloor bijna mijn evenwicht van de spanning en zenuwscheuten die door mijn nek en mijn schouders trokken. Ik kon bijna niet ademen! Het licht in mijn hoofd was gewoon, floep, uit! Louise, ik had te veel gezien, te veel cokesnuivende vrienden, te veel drone gestuurde ontploffingen op tv, te veel onthoofdingsvideo’s op twitter, slechte dreigementen van Kim Jong Un, en die man, weet je nog, die man die via livestream op Facebook een andere man pointblank doodknalt, te veel verveling, te veel doelloosheid, te veel brilmonturen, te veel manieren om je slapen op te scheren.
Ik snap de afschuw, zeg ik, maar ik heb je overmoedig laten worden.
Aaron, valt Louise bij, kijk nou eens naar jezelf. Je bent zo’n jongen die dan dandy denkt te zijn door in een maatpak in een koffiezaak te gaan zitten met Dorian Gray in je handen.
En nog wat: je vergat iets, of nou ja ik vergat iets, zeg ik, Kijk, Patrick Bateman bijvoorbeeld, wat hij ook doet: van het in mootjes hakken van opscheppende zakenpartners, tot het in stukken zagen van hoeren, hij leeft in een uit de hand gelopen vulgaire fantasie. Hij is inderdaad een spiegel van een verveelde psychopathische yup, maar hij wordt nooit voor zijn daden gestraft, zelfs niet als hij daar om vraagt. Daar zit de crux van het verhaal van Brett Easton Ellis. Het is een cirkel, een limbo die niet ophoudt. Een limbo die je verkeerd kan interpreteren: als een spel, maar het is niet echt. Het is niet echt, het is een commentaar op iets anders. Dát is een spiegel. Het is niet eindig. Waar wil jij de banden mee doorsnijden?
Ja maar dat is gewoon een andere vorm van spel, moppert Louise, kunnen Aaron en ik dit niet afmaken?
Een spel, is dat alles, vraag ik, eindbaas doden, game uitspelen, televisie uitklikken?
Louise en Aaron knikken. Dat was niet mijn bedoeling.

Een nieuw feuilleton! Lisa Weeda is de opvolger van Shira Keller. Haar feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton. In aflevering I ontmoetten we Lisa, Louise en Aaron en Louises Glock. Dit is II.

*

Het grijskleurige water van de tunnel loopt over Aarons roodverbrande nek. Hij is zojuist in het water van de tunnel gevallen. Zijn maatpak heeft zich om de contouren van zijn lijf getrokken. Aaron is een man met weinig spieren, weinig vet, weinig vorm in zijn lichaam. Dat heb ik zo bedoeld. Hij is ook een mens van weinig vorm, een beetje inhoudsloos, zou je ook kunnen zeggen.

Ik ben een man die wel revolutie wil, maar als het dan gebeurt toch de straat niet opgaat, zei hij een aantal dagen geleden tegen Louise, toen ze voor de elfde keer tegenover hem stond met haar pistool op hem gericht.
Nu loopt hij al minuten van links naar rechts tussen de bolle wanden van de meters brede tunnel, als een tijger in een te kleine kooi. Als het pistool in de eerste akte verschijnt, moet het in de derde akte gebruikt worden. Wie heeft die regel bedacht? Hoeveel pistolen liggen er in nachtkastjes van doodnormale mensen te wachten op hun derde akte?
Zullen we nog een keer, vraag ik.
Ik dacht dat dood gaan erg zou zijn, maar dat we dit de hele tijd opnieuw lopen te doen, is veel erger, maant Aaron met zijn armen door de lucht. Zijn stem slaat over.
Louise, doe het gewoon, zegt hij, druk die vinger tegen de trekker. Knal, bam! Ik wil niet dat Lisa zich nog een keer bedenkt en we dan weer opnieuw moeten beginnen, zodat ze zich kan afvragen of dit hele verhaal wel zin heeft.
Louise houdt de 9mm met schokdemper in haar handen en volgt zijn bewegingen. Ik knik naar haar, zeg: nog heel even. Dit beeld is zo mooi. Hoe reddeloos je bent Aaron, je zou jezelf eens moeten zien. De kracht zit in de spanning, dood is dood. Mensen denken dat het gruwelijk is, en lelijk en dat het je breekt. Maar het leven breekt je. Het uitstel en het wachten. Alle gekheid eromheen.
De eerste keer hè, zegt Aaron, dat je twee kogels door de huid van die twee jongens jaste, Louise, toen hun lichamen tegen de bosgrond stortten. Hoe was dat?
Ze aarzelt. Ik kon niet meer ademen, van de klap, zegt ze dan, niet de klap van het aanzicht van mijn vader, die al dood lag te gaan, of de jongens die nog wat pruttelden en toen in elkaar zakten, maar die van het geweer tegen mijn schouders. En ja, oké, ik moest overgeven, zo snel en veel dat ik over mijn eigen schoenen en jas heen kotste. Witte en rode drab, lasagne. Ik zag niks, ik rook het ijzer van het bloed, mijn oren piepten.
Denk je daaraan? Nu we hier zijn?
Nee, mompelt ze, eigenlijk niet. Ik denk soms even aan mijn vader, aan hoe snel hij afkoelde. En dat zijn lichaam tussen mij en die twee jongens in lag, alsof hij een prooi was die we moesten delen. Ik zag hun gezichten met die wijd open gesperde ogen. De aderen die klopten in hun nek. Alles zwol op. Het is ongelooflijk trouwens, hoe snel iemands lichaam afkoelt. Heb je daar wel eens over nagedacht? Hoe snel dat kan gaan?
Het is een mooie show, die ik Aaron en Louise op laat voeren. Het gevoelige meisje dat huurmoordenaar werd nadat haar vader in koelen bloede door twee jonge stropers werd neergeschoten in een bos. De jongen die haar heeft ingehuurd als zijn moordenaar en steeds maar dit gesprek met haar begint. Over rouw en besef, verlies. Clichés, clichés, clichés, trucjes waarmee ik het verhaal probeer te laten kapseizen, stoppen of eindigen. Iets van moraal probeer op te roepen.

We hebben dit al zo vaak tegen elkaar gezegd, kan je niet iets anders voor me bedenken, zegt Louise dan opeens. Ze zwaait met haar hand voor mijn gezicht, ik was afgedwaald. Het duurt even voor ik me kan focussen op de tunnel, op het vieze stinkende water dat nu ook in Aarons kleren zit.
Nee, zeg ik, ik heb dit al zes keer omgeschreven. Ik ben er überhaupt eigenlijk al helemaal klaar mee. Ik kom er niet uit namelijk. Dit verhaal wordt met elke nieuwe poging, met elke redactieronde een grotere geheime boodschap waar ik de sleutel om de code te kunnen breken niet voor heb gekregen.

Vorige week werd Merel van Slobbe tweede in de Turing Gedichtenwedstrijd. Vandaag publiceren we ‘Voorkom erosie, blijf op de paden’ van haar. Lezen!

Voorkom erosie, blijf op de paden

Er zijn verschillende manieren om een weg over te steken:

1. In je balletpak.
Zoals die keer dat we besloten om verdwalen dansen te noemen
omdat dat spannender klinkt, in het asfalt groeven we naar publiek.
We bleven de hele zomer lang pirouettes draaien omdat we wisten
dat verdwalen een thuis veronderstelt en dansen niet.

2. Snel en zonder om te kijken.
Er zijn vast prijzen te winnen en er is concurrentie te verslaan.
Dit is hoe het voelt om ouder te worden: je rent met uitgestrekte armen
een konijn achterna maar elk weiland ruikt anders dan je dacht
en de horizon staat steeds net in de weg.
Iemand zet een vitrinekast op Marktplaats.

3. Mislukt.
Zoals het konijn dat nu dood in de berm
een metafoor voor alle dingen ligt te zijn
die ergens aan wilden ontsnappen maar werden ingehaald.
Voor even vergeten dat wie eenmaal de hoek om is
nooit meer voor altijd thuis kan zijn gebleven.

Wat ik wil zeggen is dit:

Er zijn verschillende manieren om een weg over te steken
maar we kunnen ook op de paden lopen zodat we geen wolven zien.

We zullen de deur achter ons dichtdoen en op hometrainers reizen
we zullen TL-verlichting tot sterrenbeelden rijgen en boven alles
zullen we verzwijgen hoe het verdwalen ergens in een hoekje
van de huiskamer ligt te wachten en op wie.

 

Vorige week werd Merel van Slobbe tweede in de Turing Gedichtenwedstrijd. Vandaag publiceren we ‘Voorkom erosie, blijf op de paden’ van haar. Lezen!

*

Er zijn verschillende manieren om een weg over te steken:

1. In je balletpak.
Zoals die keer dat we besloten om verdwalen dansen te noemen
omdat dat spannender klinkt, in het asfalt groeven we naar publiek.
We bleven de hele zomer lang pirouettes draaien omdat we wisten
dat verdwalen een thuis veronderstelt en dansen niet.

2. Snel en zonder om te kijken.
Er zijn vast prijzen te winnen en er is concurrentie te verslaan.
Dit is hoe het voelt om ouder te worden: je rent met uitgestrekte armen
een konijn achterna maar elk weiland ruikt anders dan je dacht
en de horizon staat steeds net in de weg.
Iemand zet een vitrinekast op Marktplaats.

3. Mislukt.
Zoals het konijn dat nu dood in de berm
een metafoor voor alle dingen ligt te zijn
die ergens aan wilden ontsnappen maar werden ingehaald.
Voor even vergeten dat wie eenmaal de hoek om is
nooit meer voor altijd thuis kan zijn gebleven.

Wat ik wil zeggen is dit:

Er zijn verschillende manieren om een weg over te steken
maar we kunnen ook op de paden lopen zodat we geen wolven zien.

We zullen de deur achter ons dichtdoen en op hometrainers reizen
we zullen TL-verlichting tot sterrenbeelden rijgen en boven alles
zullen we verzwijgen hoe het verdwalen ergens in een hoekje
van de huiskamer ligt te wachten en op wie.

Marieke Lucas Rijneveld, Willy Vlautin: de redactie las een fonkelende roman met interessante beeldspraak en de zachte taal van een bokser.

*

Daan Stoffelsen: Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

Vandaag wordt het romandebuut van oud-collega Marieke Lucas Rijneveld gepresenteerd: De avond is ongemak. En volgende week – vrijdag 16, 19.00, gratis maar aanmelden verplicht – spreekt Jan haar bij Athenaeum Boekhandel over het boek. Het is een indrukwekkend, fonkelend en schurend boek, kan ik op eenderde al zeggen.

De omstandigheden – de oudste zoon is bij het schaatsen verdronken, de achterblijvers verzuipen in hun eigen rouw – zijn indringend, de beeldspraak is bijna zonder uitzondering zeer oorspronkelijk, en af en toe is het echt pijnlijk. ‘Heeft vader dan een hart, denk je,’ vraagt het jongere zusje op enig moment. Wreed en geïsoleerd en vreemd worden de kinderen.

Het is een vervelende debutantenneiging in te zetten op gevatte beeldspraak; ik struikel daar altijd over. Waarom slim doen als je een verhaal moet vertellen? Rijnevelds beelden zijn niet gevat, ze zijn aards en fysiek en origineel. En alomaanwezig, op een manier die haar proza tegelijk stroperig en stroef, en heel oorspronkelijk maakt. Een heel ontroerende scène is deze:

‘Hanna had de eerste dag met haar knokkels op het glas geklopt en met een klein stemmetje gezegd: “Nu vind ik het niet meer leuk, doe normaal, Matthies.” Even bewoog ze zich niet, alsof ze bang was dat hij fluisterde en ze hem niet zou horen als ze niet voor even alles stil liet vallen. Toen er niets werd teruggezegd, ging ze weer met haar poppen achter de bank spelen, haar dunne lijfje rillend als een waterjuffer, ik had haar tussen duim- en wijsvinger vast willen houden en haar warm willen blazen.’

Een waterjuffer! Een mooie maar ongrijpbare libelle, absoluut niet knuffelbaar – bij Rijneveld kan het. Maar dan die komma, daarna gaat het een heel andere kant op, dat is eigenlijk een zelfstandige zin, maar door het aan de vorige vast te haken wordt het stroef. Had een punt geholpen? Haar dunne lijefje rilt. Een waterjuffer, die ik tussen duim- en wijsvinger vast wilde houden, ik wilde haar warm blazen.

Nog zo’n beeld. Hier herinnert de ik zich een droom:

‘Ik trek het dekbed over mijn schouders heen en denk aan de nachtmerrie die ik had waarin vader en moeder onder het ijs lagen, als twee ingevroren palingen die we weleens van boer Evertsen krijgen, gewikkeld in het Reformatorisch Dagblad. Daarover zei vader altijd: ‘Ingepakt in Gods woord smaken ze nog beter.”’

Nog nooit twee ingevroren palingen gezien, en zeker niet die van boer Evertsen (die de oudste broer gevonden heeft, lees het fragment op Athenaeum.nl), maar je kunt je er iets bij voorstellen, en door dat particuliere blijf je gevangen in de sfeer die Rijneveld schept: grijs, bruin, zwart. Vaders opmerking kan ik vervolgens niet anders dan heel geestig lezen – dat hart zit er echt wel.

Ook zo’n debutantending: beelden stapelden, en Rijneveld doet dat ook. Gek genoeg werkt dat wel en niet tegelijk. Het houdt op, maar het is niet zo dat je verdwijnt uit het hoofd van de ik, uit de sfeer, de omgeving. Het vervolg van de nachtmerrie:

‘Plat was ik op het ijs gaan liggen, als een sneeuwengel die zo uit de hemel was gedonderd, en keek naar mijn ouders – ze leken op de dinofiguurtjes in een potje die ik eens voor mijn verjaardag kreeg en in een soort gelachtige gelei vastzaten. Obbe en ik hadden die een keer met een appelboor uit de gelei gedraaid. Eenmaal eruit vonden we er niets meer aan, de onaantastbaarheid en de afstand maakten ze interessant, zoals mijn vastgevroren ouders. Ik tikte op het ijs, legde mijn oor erop en hoorde een zingend geluid van schaatsen; ik wilde naar ze roepen maar er kwam geen geluid uit mijn keel.’

Stapeling: sneeuwengel, dinofiguurtjes (dat ken ik echt niet, ik kan me er niets bij voorstellen), dan de anekdote, dan de analyse (‘onaantastbaarheid en afstand’), samen wordt het stroever, maar inhoudelijk en sferisch klopt alles.

AtlasContact gaf De avond is ongemak uit.

Jan van Mersbergen: Willy Vlautin, Laat me niet vallen

In de roman Laat me niet vallen (oorspronkelijke titel: Don’t Skip Out On Me) van Willy Vlautin staat een heel mooi zinnetje. Wanneer de bokser de oude man waarvoor hij gewerkt heeft opbelt om te zeggen dat hij terug wil komen of eigenlijk om te zeggen dat hij helemaal niet terug wil komen, hij weet het echt niet meer, maar hij belt toch op en dan zegt deze Horace: ‘U moet mij maar vergeten, meneer Reese.’

Vooral dat ‘meneer Reese’ erbij maakt indruk. Geen harde taal van het stereotype bokser, dit zijn de woorden van een jongen die zich vreselijk minderwaardig voelt en die de ouwe baas niet tot last wil zijn. Hij wil verdwijnen.

Meneer Reese praat op de jongen in, dat hij trots moet zijn op zijn boksprestaties, dat hij altijd goed voor hem gewerkt heeft, dat hij dingen helemaal zelf bereikt heeft die niemand zou kunnen, dat hij er alleen voor stond zonder vader en zonder moeder, en dat deze jongen als een zoon voor hem is.

Aangrijpende slotpassage. Zo staat Laat me niet vallen vol met mooie scènes die afstandelijk lijken maar die erg intens zijn. Als de moeder van de jongen hem naar zijn oma brengt wil ze zich verantwoorden, maar dat lukt haar niet. Ze praat en praat, en ze huilt. ‘Zei steeds dezelfde dingen,’ zegt Vlautin. Hij begrijpt die herhaling. Dat hopeloze.

De eerste paar scènes van Laat me niet vallen zijn wat traag en gaan over het boerenleven, als de jongen daadwerkelijk gaat boksen en zijn droom najaagt komt er vaart in de roman, en ook gevoel. Mooi opgebouwd. Fijn dat dit boek Boek van de Maand bij DWDD is geworden.

Meulenhoff gaf Laat me niet vallen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Jan heeft Vlautin geïnterviewd, de weerslag daarvan staat binnenkort in NRC Handelsblad.

Een nieuw feuilleton! Lisa Weeda is de opvolger van Shira Keller. Haar feuilleton-annex-essay wordt gespiegeld in de tumblr Spiegelfeuilleton. Maar wij beginnen vandaag in Las Vegas, met Lisa, Louise, Aaron – en Mina.

*

Ik besluit dat ik het opgeef en ik kijk naar Louise met het 9mm pistool in haar handen, en ik kijk naar Aaron met zijn gladgestreken krijtstreeppak. Ik kijk de tunnel in, de tunnel waar we al tweeëntwintig keer eerder waren: richting de steeds donker wordende diepte, de andere kant op, richting de Nevada Woestijn die zich, zonder veel lawaai te maken, uitstrekt.

Ik denk aan de acht jaar oude Mina uit Iran. Aan hoe zij het verhaal wel weet om te keren. Met een grote frons leunt ze tegen het schoolhek. De laatste bel is gegaan. Ze wacht op haar moeder. De zon staat nog hoog aan de lentehemel. De juf doet het hek op slot, alle klasgenootjes verdwijnen naar huis. Mina duwt haar rug met tas en al tegen het hek, blijft een tijd staan, loopt de straat in en uit, wacht bij een bushalte en loopt dan weer terug. Haar linkerarm hangt in een mitella tegen haar buik en borstkas. Eronder draagt ze haar schooluniform, daarover een roze jas en om haar hoofd een witte hijab. Na nog even stilstaan voor het hek besluit ze op eigen houtje naar huis te gaan.
Heeft u mijn moeder gezien vraagt ze aan een dikke kalende man met een blauwe brommer.
Nee meisje, maar je mag wel achterop.

Met haar rechterarm om zijn middel geklampt rijdt de kleine Mina door de stad. Halverwege de rit maant ze de man te stoppen, omdat haar moeder misschien in een passerende bus zit; ze stapt in en weer uit; ze houdt een taxi aan, maar weet niet welk huisadres ze moet opgeven; ze praat met marktkoopmannen over de fontein op het plein in de buurt van haar huis: het is een heel mooi plein, kent u het niet? Echt niet? herhaalt ze; ze pakt een willekeurige vrouw, ervan uitgaande dat het haar moeder is, bij haar nikab en volgt haar enige tijd; ze voert gesprekken met oude vrouwen die haar alleen apathisch aankijken; ze stapt nog een bus in. En dan houdt ze stil en kijkt recht de lens in. Mina, niet in de camera kijken, roept iemand buiten beeld. Een microfoon, als een streaker in de fictie van de film, verschijnt in de rechterbovenhoek van het frame.

Ik heb geen zin meer, antwoordt Mina, mijn klasgenoten lachen me uit om mijn neppe ingegipste arm en ik wil helemaal niet dit meisje spelen. Ik wil naar huis.

Mina gooit haar jas op de grond, doet de mitella af, trekt haar arm uit het gips en beent de bus uit, weg van de camera. Wat volgt is een tocht door de stad Teheran in het jaar 1997, waarbij de filmploeg het meisje achterna reist door de van drukte uit elkaar barstende stad, waar ze met taxi’s, bussen en behulp van een groep bezorgde mannen naar huis weet te komen. Als Mina daar aankomt, sluit ze de deur. Lange tijd blijft de camera gericht op de smalle straat. Een vrouw doet een andere deur open, een brommer rijdt de straat in en weer uit. Op de achtergrond klinkt geroezemoest van de filmcrew, daaroverheen het geluid van de stad. Dan loopt regisseur Jafar Panahi naar de deur van Mina’s woonhuis en belt aan. Mina doet open en geeft hem haar microfoon terug.

Louise, zeg ik, reality and the imagination are intertwined, they are very similar. Heb ik niet bedacht, dat zegt Jafar Panahi over zijn film, de film met Mina in Teheran. Ik denk daar steeds aan als we hier staan, aan hoe zij het verhaal gewoon haar kant op stuurt. Kunnen wij, net als zij, niet ook een andere oplossing vinden? In de verte klinken de kermisgeluiden, jengelende covers van Elvis, schreeuwende menigten, de rinkelende klanken van gokautomaten.

We zijn wekenlang door die drukte heen gerend, dwars door dit pretpark van verveling, ga ik verder, terwijl Louise zich niet eens meer omdraait om naar me te luisteren. Ze kijkt naar Aaron, die steeds net wist te ontsnappen en deze tunnel bereikte. Het eindpunt van zijn spel, de laatste scène van het verhaal. Louise zat hem op de hielen, schoot soms een omstander dood, moest midden op de strip haar wapen herladen. Niemand schrok er van, iedereen keek verrukt naar het tafereel. De gamification van de werkelijkheid, precies zoals ik het bedacht had. Een mooi idee, een spannende rit, maar elke keer zonder afloop. Wat als Louise nu schiet, denk ik, wat als Aaron nu wegloopt? Wat als ik er nu mee ophoud, stop met schrijven?
Ik zeg: Louise, probeer te bedenken hoe dit in de werkelijkheid af zou lopen.

10. Brief aan mijn broer

Amsterdam, 10 april 1963, vijf over elf ’s ochtends

Ik heb ze laten weten dat ze jou de schriften moeten sturen. Dat zullen ze wel gedaan hebben. Fritz is er niet het type naar er zelf in te gaan bladeren, daar is hij te discreet voor, ik denk ook niet dat het hem interesseert. Voel je niet verplicht ze helemaal te lezen hoor. Ik heb nogal wat onzin opgeschreven, door de jaren heen.

Ik zit in de slaapkamer op dit moment, aan het notenhouten tafeltje. Ik rook een cigarillo, ik heb de balkondeur op een kier gezet. Af en toe bolt de vitrage op door de wind, die is nog fris, maar het is mooi weer, de eerste echt mooie dag van het jaar. (Hou jij ook zo van de lente? O, ik hou zo van de lente.)

Ik heb het druk gehad de afgelopen tijd. Fritz en ik zijn lid geworden van een Joodse vereniging waar ze allemaal activiteiten organiseren. De bedoeling is volgens mij dat je bijvoorbeeld een keer in de week aan iets meedoet, maar mij interesseert het bijna allemaal, dus ik ben de afgelopen weken bijna elke dag wel in de weer geweest met die vereniging! Als Fritz vrij is gaat hij weleens mee. Er is van alles. Lezingen over politiek of cultuur of wetenschap, dia-avonden, op woensdag maak ik sieraden. Er zitten veel bijzondere leden bij; filosofen, museumdirecteuren, politici (ook een psychiater trouwens!), soms gaan we bij zo iemand eten. Soms komt er iemand bij ons. Heel intelligente, belezen mensen allemaal. Het zou ook wel iets voor jou zijn, denk ik.

Nathan woont op zichzelf nu, speelt in een orkest. Hij heeft nog steeds geen meisje ontmoet. Toen ik zo oud was als hij was ik al getrouwd, zat ik al op de boot naar Batavia. Met die Brit, die ‘Paul’. Misschien zou je voor de grap eens kunnen kijken wie er woont op dat adres. Hij zal tegen de zeventig lopen inmiddels, als hij nog leeft. Ik weet niet meer hoe hij eruitzag, zie jouw gezicht voor me als ik aan hem probeer te denken. Vroeg me laatst opeens af hoe het zou zijn gelopen als ik niet, als ik wel – nou ja, onzin natuurlijk. Maar begin daar maar niet over met Nathan, over meisjes. Hij doet me soms denken aan onze vader.

Hanna is alweer zestien. Over haar hoef ik me eigenlijk nooit zorgen te maken. Tevreden, zachtmoedig, rustig, vrolijk, echt een voorbeeldig kind. Soms vergeet je haar gewoon, zo onopvallend als ze zich gedraagt. Ik weet niet van wie ze dat heeft, dat gemoedelijke. (Ach, zij heeft het allemaal niet meegemaakt natuurlijk.)   

Door de open deur heen is het vogelgekwetter te horen, het geboor en getimmer in het huis aan de overkant, gillende kinderen op het schoolplein achter de huizen. En de oude tuinman, ik heb hem net nog even staan bekijken vanaf het balkon. Op zijn dooie gemakje schoffelt hij tussen het jonge groen in de binnentuin, dik bruin eelt op potige knuisten. Als ik me concentreer kan ik hem hier, vanaf mijn stoel, zachtjes horen zingen (serieus, hij zingt), een stem als grofgekorreld schuurpapier. ‘Hoe vaak doet de gloed van een mooie dag, nanij nanona naniena,’ – hij moet wat dichterbij komen om het te verstaan.

Het gaat goed met me. Dat wilde ik je vooral laten weten, dat het goed met me gaat. Ik stel me voor wat ik achterlaat, wat er overblijft. Ga die dingen af, heel banale dingen. Het stompje cigarillo in de asbak. Mijn kleding in de kast, handtassen. De planten (net water gegeven), de natte theedoek in de keuken, een haar op de bekleding van de bank misschien, de deken, het kussen, het afval in de prullenbak de tandenborstel de dagkalender waar ik vanmorgen nog een blaadje, tanden, haren, nagels die zullen blijven groeien minder snel zullen vergaan dan de huid waar op het moment dat je dit leest misschien al larven in (sorry) eitje larve pop vlieg (wonderlijk toch?) – meer eigenlijk niet. Een lege stoel op woensdag tijdens de sieradencursus.

Een maand misschien, twee, voor dat soort dingen niemand meer opvalt. Niemand zal moeite hebben de draad weer op te pakken, dat lucht me op, het zal niemands routine overhoop gooien, alles kan door, niets schop ik in de war. Vreemd dat ik dat nu pas opmerk. Het is alsof ik het grootste deel van mijn leven bezig ben geweest mezelf overbodig te maken.

Lieve broer, ik hoop dat je me een beetje begrepen hebt. Ik wens je het beste. Ik ga nu stoppen, de cigarillo is op. Ik zie er aardig uit, al zeg ik het zelf, ben bij de kapper geweest vanmorgen, hoop dat het zo blijft zitten.

Let een beetje op Nathan, wil je?

(Mocht je me komen halen: niet omkijken.)

(Grapje.)

Kus.

‘… een meisje dromen van liefde.’ (De tuinman.)

Dag.

Over beginzinnen is veel geschreven, als Jan van Mersbergen een boek aanschaft kijkt hij eerst naar de slotzin. Die zegt soms meer over een boek dan die beginzin. In deze reeks: de analyse van het laatste woord.

Vandaag: Terwijl ik al heenging van Willliam Faulkner

*

De titel van deze roman uit 1930 is afgeleid van een zin uit de Odyssee van Homerus: ‘Toen ik lag te sterven, wilde de vrouw met de ogen van de hond mijn ogen niet sluiten toen ik afdaalde in het dodenrijk.’

De vijftien vertellers van Faulkners mooie levendige goed leesbare roman hebben stuk voor stuk een eigen stem en vooral de jongens van het gezin Bundren staan me zelfs twintig jaar na mijn eerste lezing van het boek nog voor de geest: Darl, Cash en Vardaman.

Darl neemt de meeste hoofdstukjes voor zijn rekening.

Het verhaal is eenvoudig en klassiek: de moeder van het gezin is overleden en het gezin vervult haar laatste wens: ze wil graag begraven worden in haar geboorteplaats Jefferson. Dus het gezin brengt het lichaam van de moeder daar naartoe. Onderweg komen ze allerlei problemen tegen die het verhaal vormen maar vooral vormen de vertellers het verhaal, en vooral hun persoonlijke beslommeringen.

De vader, die een nieuw kunstgebit wil en vooral daarmee bezig is. De dochter, die zwanger is, wat niemand mag weten. Vardaman, die niet helemaal lekker in zijn hoofd is en uit die op een gegeven moment het kortste hoofdstukje voor zijn rekening neemt: ‘Mijn moeder is een vis.’

Dat zinnetje heb ik al heel vaak aangehaald in interviews, tijdens schrijfavonden en lessen over beeldend schrijven. Vardaman is in de war. Zijn moeder is dood en gaat de grond in. Hij vangt onderweg een grote vis die hij op een zandpad laat vallen. Dan komt deze zin, die Faulkner op een verder lege bladzijde heeft geplaatst, net onder de naam van verteller Vardaman. Het verhaal en de verwarring van die jongen, verpakt in een paar woordjes. Een schoolvoorbeeld van eenvoud en van beeldend schrijven.

Cash timmert de kist in elkaar. Op bladzijde 70 staat een lijstje van dertienredenen waarom de kist in verstek is gemaakt. Heel technisch. In verstek: ‘Dat geeft meer oppervlak qua houvast voor de spijkers, elke naad heeft twee keer zo veel oppervlak voor houvast, het water zal schuins moeten binnendringen,’ en zo verder.

Vooral de opening van dit korte hoofdstukje is goed: ‘Ik heb hem in verstek gemaakt.’ Niks erbij dat het over de doodskist gaat, dat kan iedere lezer zelf wel verzinnen en bovendien weet deze verteller waar hij het over heeft, dus hij hoeft niet te herhalen dat hij een kist maakt, en hij is een timmerman en die praten precies zo. In termen. In jargon. Daarom is dat ‘schuins’ ook zo goed.

Een eind verderop laat Faulkner dezelfde Cash in ook een heel kort hoofdstukje zeggen: ‘Hij lag niet in evenwicht. Ik heb hun gezegd als ze wilden dat hij onder het rijden in evenwicht lag, dan moesten ze’

Daar stopt het hoofdstuk. Er is iets gebeurd, een beproeving aan de rivier, er ging iets mis, met die kist. Cash weet hoe dat kwam en hij wil dat vertellen, maar vooral is hij ook in paniek en als een echte timmerman weet hij hoe het zit. Dat evenwicht. Maar omdat het daar mis zat zijn de zinnetjes die hij spreken kan ook uit evenwicht.

Vorm en onderwerp en personages vormen één beeldend geheel.

De roman sluit af met een passage verteld door Cash, de timmerman van het stel die de doodskist voor zijn moeder maakt.

De slotzin luidt:

‘Dit is mevrouw Bundren, zei hij.’

De verteller is, zoals gezegd: Cash, maar in deze laatste alinea vertelt Cash wat zijn vader zegt, met zijn nieuwe gebit in. De vader stelt het gezin voor aan iemand die buiten het gezin staat. Daar heeft hij heel lang mee gewacht. Hij was met zijn nieuwe gebit bezig,  is nu trots op zijn nieuwe gebit, ook wat verlegen. Maar hij stelt wel het hele gezin voor. De kinderen én de moeder. Mevrouw Bundren.

Zij is het enige personage dat geen stem heeft, ze is per slot van rekening overleden, maar eigenlijk draait het hele boek om haar.