In speelgoed ontmoeten de kleine en de grote wereld elkaar. Mensen, dieren, auto’s en gebouwen bestaan er uit hetzelfde overzichtelijke materiaal. Kinderen bouwen er verhalen mee om de grote wereld beter te begrijpen of om ‘m even te laten verdwijnen. Als volwassene kijken we er met gemengde gevoelens naar. We zien ons spel en onze oude verhalen tegen een andere, veel complexere achtergrond. Missen de tijd waarin we minder wisten, waarin de nacht alleen iets was wat ‘s avonds je kamer binnenviel, en niet ook een metafoor kon zijn.

In deze Revisor veel verhalen, veel kleine wereld: bij Frank Heinen draait het om een grote knikker, bij Bregje Hofstede om een rat, en in de essays van Daan Stoffelsen en Nikki Dekker willen een Playmobilbootje en een pluizig, pratend bolletje veel meer dan hun afmeting betekenen. Leven en dood, troost en liefde, iets wat het grote zwarte gat kan vullen dat eenieder met zich meedraagt.

Want het donker, de grote wereld, de nacht – ze zijn nooit ver weg. Het is de wereld van Trump waarin Valeria Luiselli terugkeert, het is het blind worden van Baukje Zijlstra’s pyrotechnicus, het geluid van een aanrijding in slowmotion bij Eva Meijer.

En dan is er de poëzie die zich tussen de stoeptegels van het goedgelegde proza en essay heen drukt. Veel poëzie (‘We hebben wat goed te maken,’ werd er letterlijk tijdens de redactievergadering gezegd). En hoewel er in deze bouwsels evenmin aan de grote wereld kan worden ontkomen, wordt er ook gerend met het beeld van een slapende kat in gedachten, is alles mogelijk in de geurloze reclame op tv en wordt er in een koepel van nacht, gelukkig ook stil van verbazing naar de sterren gekeken.

Bernke Klein Zandvoort

Vandaag het slot van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschenen eerder al deel 1 en deel 2.

*

De mat verbranden ze in de tuin. Het rookt verschrikkelijk en stinkt ontzettend. Op het laatst scheurt Fiona haar blouse los en gooit deze op het vuur. Ze draagt geen bh en haar borsten zijn rozig en rood door elkaar. Jouw kleren.. commandeert ze. Zelf is ze al met haar broek bezig. Peter gehoorzaamt. Het knetteren van de vlammen is beter dan de geluiden eerder en de stilte die volgde.

Fiona dweilt het linoleum. Peter zit er naast in kleermakerszit. Zijn ballen voelen koud op de vloer. Hij bekijkt zijn handen opnieuw en opnieuw, bestudeert de aders, trekt aan de zwarte haren op de rug van zijn hand.
Fiona’s voeten verschijnen in zijn blikveld. Met dezelfde lege verwondering liefkoost hij haar schenen, het littekentje net onder haar knieschijf, de moedervlek op haar kuit.
En nu? Zegt Fiona.
Peter zuigt op de snee in zijn vinger, zet zijn hoektand op het dunne velletje zodat het opnieuw opengaat. De pijn is te flauw om af te leiden. Ik weet het niet, zegt hij zacht. Misschien is dit wel een droom. Juist droomde ik dat ik over de hoorn van Afrika vloog. Hij kijkt op. De vlam in Fiona’s ogen dooft alweer. Nee, dit is geen droom.
Laten we douchen. Hij staat op en kijkt vol verbazing naar de lege woonkamer. Nova is weg. Fiona trekt haar schouders even op, alsof ze een klap ontvangt.
Ze lopen naast elkaar naar boven. Hun handen raken elkaar niet. De deur van het kinderkamertje staat op een kier, de geur van Zwitsal komt hen tegemoet. Wacht, zegt hij. Hij stapt het kamertje binnen, pakt de luier uit het kozijn en sluit het raam.

En nu? Zegt Peter. Ze liggen in bed, onwennig dicht tegen elkaar aan. Fiona strijkt met haar handen over haar buik. Haar gezicht is schoon, haar borsten weer blank zoals Peter ze kent.  
We kunnen hier niet blijven. We hebben niets hier. Helemaal niets.
Wat als…hij kijkt naar zijn gladde arm, legt die voorzichtig terug, alsof er al blaasjes op zitten. Wat als wij…?
Ik weet het niet – ze heeft tot het einde toe gelachen. Ik hoop… haar stem daalt, nee ik heb geen hoop meer. Ze ruikt aan de matras. Hier, zegt ze. Ruik hier maar. Peter ruikt. Heel lang ligt hij stil met gesloten ogen, zijn neus op het laken. Fiona neuriet weer, heel langzaam dit keer, het interval tussen de regels groter en groter. Peter valt haar bij in de stilte, net voor het einde.

Vandaag deel 2 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Lees hier het eerste deel. Deze week verschijnt ook nog het slot.

*

Onderaan de trap wacht Peter. Kom jij maar eens bij mij, vrolijkerd. Hij ziet de bultjes en fronst. Wat is dat?
Geen idee. Waterpokken? Zesde ziekte?
Ze lijkt er geen last van te hebben.
Nova loopt een paar stappen naar hem toe. Ze kraait van plezier, verliest haar evenwicht en valt op haar billen. Peter tilt haar op. Kom, zegt hij.
In hun lege woonkamer rollen ze de mat uit. Nova speelt met een stoffen olifantje. Ze verstopt het achter de rug van Peter en komt telkens kijken of het er ligt. Als Fiona met haar buik op de olifant gaat liggen, probeert Nova haar eraf te duwen. Haar vingertjes zitten nu vol blaasjes.

Ik ga even een banaantje voor je pakken, zegt Fiona als ze opstaat. Peter, wil je ook?
Peter tilt Nova met een zwier hoog boven zijn hoofd, Nova lacht. Nee dank je, zegt hij, vandaag eet ik Nova, en hij laat haar buik op zijn hoofd rusten.
Fiona pakt twee bananen uit de fruitschaal op het aanrecht. Snel zet ze wat water op voor thee. Ze neuriet een deuntje van de Nigeriaanse radiozender. Over de witte keukenkastjes ziet ze de stoffige colonne van hulpgoederen aankomen, de damp uit de waterkoker de hitte van het kamphospitaal. Niemand durfde het aan hen te bezoeken in Nigeria. De herinneringen zijn van haar en Peter alleen.
Neem een doek mee?
Ze laat de kruiden trekken, pakt een doek van het droogrek buiten bij de keukendeur en loopt met de doek en de bananen terug.
Heeft ze gespuugd? Ze zwijgt abrupt. Wat is dat?
De bultjes…een paar sprongen er open.
Open?
Op het rode tshirt van Nova verschijnen steeds meer kleine natte plekjes.
Fuck, wat is dat nu? Trek uit, snel.
Peter houdt Nova’s elleboog in negentig graden en tilt met zijn andere hand haar shirt omhoog. Shit! Hij laat haar elleboog los en toont Fiona zijn handpalm. Zijn handpalm glimt van het vocht, en op Nova’s shirt tekent zijn hand in natte plekjes af.
Handschoenen.
Wat?
Handschoenen!
Fiona rent, haar blote voeten piepen bij het afzetten tot ze boemelend de trap op stormt. Hijgend staat ze even later voor hem. Nova grijpt met haar bezweerde handjes naar de bungelende witte latex vingers. Met een laatste klap van latex op huid heeft Peter de zijne al aan. Fiona’s vingers trillen zo, dat ze de handschoen niet open krijgt. Peter zit op zijn hurken naast Nova, hij legt een wassig witte handschoenhand op Fiona’s pols. Rustig, zegt hij. Blazen. Fiona knikt, haar ogen groot, de pupillen wijd. Ze brengt een handschoen naar haar mond en blaast er lucht in alsof het een ballon is.  Met een krakend geluid ontpopt het materiaal zich tot lege handschoen. Fiona wringt haar hand erin, de vingers buigend en strekkend, haar mond beweegt, de lippen samengeperst. Dan valt ze op haar knieën naast Peter en Nova. Nova lacht haar tandvlees bloot, één tandje heeft ze en met een snik ontdekt Fiona dat er juist bij de aanhechting een blaasje is ontstaan.
Peter kleedt Nova nu resoluut uit. Zijn ogen flitsen zo nu en dan over zijn handschoenen heen. Vocht, mompelt hij. Hij ruikt er even aan. Latex, zegt hij, ze zouden reukloze doktershandschoenen moeten maken. Echt reukloos.
Nova is nu, op haar luier na, bloot en Peter inspecteert haar vakkundig. Hij loopt met behandschoende vingers over haar buik, wat Nova nogmaals aan het lachen maakt, tot de druk van zijn wijsvinger een blaasje met een vochtig ploppend geluid doet barsten. Hij trekt zijn hoofd snel weg. Fiona ziet het met afschuw aan. Ze zit er helemaal onder, zegt ze. Ze zit er helemaal onder, echt helemaal.
En de gebarsten blaasjes? Kijk hier, het velletje hangt er los bij.
Maar dan ziet hij dat er nieuwe blaasjes ontstaan daar waar ze juist stuk zijn gegaan, het is als kijken naar soep die langzaam gaat koken. Babysoep.
Nova lijkt er geen last van te hebben.
Gelukkig niet.
Wat moet ik doen? Talkpoeder? Jodium?
Fiona pakt eindeloos voorzichtig Nova onder haar okseltjes, en trekt haar dicht tegen zich aan. Ze negeert het geluid en laat het natte rugje tegen haar lege buik aan rusten. Nova pakt met haar handjes de latex vingers van Fiona, één nageltje krabbelt over het gladde oppervlak. Handschoen, zegt Fiona uit automatisme. Bwa-oe zegt Nova. Dan pulkt ze met een nageltje aan de blaasjes op de rug van haar eigen handje. Met naaldscherpe plofjes spatten die open. Direct ontstaan er nieuwe.
Peter kijkt het vol verwondering aan. Ze heeft er echt geen last van, kijk, er is gewoon een stukje van haar hand weg. Fiona probeert met alles wat ze heeft het afschuwelijke geluid buiten te sluiten. Ik ben doorweekt, zegt ze. En ik ruik allang geen latex meer.
Nee.
Ze laten Nova staan, het ongeduldig trappelen van haar voetjes als een duivels drumstel. Haar wangetjes bollen op, haar knietjes, hele happen zijn al uit haar buikje als de eerste druppel bloed van haar af spettert. Ze kijken er alle drie naar. Nova laat zich op haar billen zakken –het geluid, natte scheten, leeglekkende lammeren- en steekt haar rechter wijsvingertje uit naar de druppel bloed. Dan ontstaat daar, juist op het topje, een blaasje dat in rap tempo in omvang toeneemt, het vocht wordt rood en voordat ze het druppeltje op de mat kan aanraken, spat de blaas open.
Doe iets. Wat gebeurt er?
Ik weet het niet. Ik weet het niet. Doe haar luier uit.
Fiona gehoorzaamt, ook al heeft Peter zijn stem niets van de autoriteit die ze van hem kent. Met twee vingertoppen duwt ze het voorhoofdje van Nova naar achter, met haar andere hand ondersteunt ze het gebobbelde achterhoofdje en zo vleit ze haar op haar rug. Haar liefste wens lijkt te wel koken, de huid tot leven te zijn gekomen. Hoe kan dit? Zegt ze nog eens, haar stem schiet zo hoog dat ze naar adem moet happen. Dan trekt ze met een rats de plakstrips van Nova’s luier los. Nee, zegt ze, nee dit kan niet. Peter, wat is dit?
Nova kijkt met haar bruine ogen van Fiona naar Peter. Die zit op zijn hurken, met zijn ellebogen tegen zijn navel gedrukt en zijn vuisten gebald op zijn voorhoofd. Zodra Fiona zijn rug ziet schokken, weet ze genoeg.
Nee. Nee. Nova, nee. Ze vermant zich en zwaait streng met haar wijsvinger. Nova lacht en reikt met haar handjes omhoog. Haar tandje laat langzaam los.
Peter kokhalst en geeft over in zijn handen. Hij ontwijkt de ogen van zijn vrouw en verdwijnt geluidloos als een spook naar de wc. Hij denkt aan de sterretjes die hij als kind afstak met oud en nieuw. Aan de wens die hij mocht doen. Wat wenste hij? Een step? Een bal? Wereldvrede? Een kind?
Hij blijft op het toilet tot zijn benen slapen van zijn eigen gewicht die ze afknelt. Hij blijft ook daarna zitten, telt zijn vingers, bestudeert zijn nagelriemen en probeert een patroon te ontdekken in de moedervloekken op zijn linkerarm en als hij die niet vindt, op zijn bovenbenen. Daarna telt hij de tegeltjes van de muur tegenover hem, ieder tegeltje krijgt een naam, een naam van iemand die hij niet kent. Hij blijft op het toilet tot hij niets meer hoort behalve het zoemen van zijn eigen bloed, het fluiten van zijn eigen adem, totdat hij nog een keer geplast heeft zelfs. Dan staat hij op en sleept zichzelf terug naar de woonkamer.
Fiona zit op haar hurken op de mat. Ze heeft haar handschoenen uitgetrokken en aait zacht over de ribbels van het vlechtwerk. Haar blouse en broek zijn doorweekt en plakken tegen haar lijf. Haar gezicht is wit, haar ogen rood met een onbezoedeld blauw midden.
Ze heeft tot het laatst gelachen..
Dat kan niet, zegt hij.
Ze staart hem aan, snot en tranen kruipen vanaf haar kin haar nek in. Dat weet ik. Dan richt ze haar blik weer op waar Nova was. Haar gezicht staat zacht en ze prevelt. Als Peter naast haar op de mat ploft, zijn knieën en scheenbenen direct nat en plakkerig, hoort hij dat ze het wiegelied zingt. Je hebt de woorden weer. Onye mere nwa nebe akwa Hij sluit zijn ogen en wiegt langzaam heen en weer. Zijn vingers herinneren zich de zachtheid van Nova’s huid, hij beweegt ze alsof ze die nog met geurende olie insmeren. Opnieuw en opnieuw zingt Fiona het liedje, Onye mere nwa nebe akwa ze weet niet alle woorden en de lacunes vult ze op met “Nova” of een stukje neuriënd. Peter verliest zichzelf boven de vlaktes van Afrika, de roep van de vogels, het gestamp van duizenden zwarte voeten, met de raadselachtige blankroze onderkant. Hij waait met de wind over de droogstaande rivier, de verbrande dorpen, tot hij tenten ziet, rijen tenten. Daar, voor de wit plastic flap, dat door een onvoelbaar briesje beweegt, hoort hij de eerste kreet van Nova.
Het is niet Nova, maar Fiona. Ze schreit, stikkend, zoute draden die rivieren trekken door een landschap van verdriet. Ze bukt, haar twee handen op de lege mat, brengt haar gezicht naar de mat en kust die. Ze heeft tot het laatst toe gelachen, ze heeft er echt geen last van gehad.
Wat doe je? Maar hij weet het best. Peter kijkt naar zijn huilende vrouw en plaatst zijn linkerhand dan naast haar rechter. Zijn gezicht is nog helemaal schoon, droog en schoon. Schaamte kleurt zijn wangen. Hij zakt door zijn armen, niets is er over van hun Nova. Zijn strot doet nog pijn, maar hij kust elk plekje waar ze ooit was. Zijn lippen worden ruw van het reliëf van de mat. Hij kust de mat die ze op een stoffige markt kochten, hij kust waar hij haar voetjes heeft geweten. Hij kust Fiona alsof het hem zal redden.

Dan is er niets meer.

Vandaag deel 1 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschijnen ook nog deel 2 en het slot.

*

Op de laatste dag van hun zelfverkozen quarantaine krijgt Fiona koorts. Peter houdt haar in zijn armen, kust haar bezwete voorhoofd en neemt Nova behoedzaam van haar over. Hij bindt haar in een doek op zijn rug, precies zoals ze het hun vroegere maid hebben zien doen.
Hij opent het raam van hun slaapkamer om de frisse aprilwind binnen te laten en brengt haar een glas water. Veel meer kan hij nu niet doen.
Nova houdt zich stil als hij zijn ouders belt.

Fiona heeft koorts gekregen, zegt hij. Waarschijnlijk niets om ons druk over te maken, maar ik wilde jullie toch even op de hoogte stellen. Ze ligt in bed. Ze zweet wel, maar niet zoals we in de vluchtelingenkampen zagen. Nee, ze heeft ook geen andere symptomen.
Kunnen we de kleine Nova zien?
Dat zal moeilijk gaan. Volgens de regels die we hanteerden in de kampen is onze quarantaine nu opnieuw drie weken verlengd.
Moet Nova niet juist ver weg zijn van het ziekbed van haar moeder?
Nee, dat kan niet meer. Wat het ook is, de incubatietijd is al voorbij. Fiona is ook rustiger met Nova in de buurt.
Peter hangt op en loopt door het karig ingerichte huurhuis. Hij opent alle ramen en deuren op de benedenverdieping, bijgeloof van het personeel dat ze tot voor hun overhaaste vertrek uit Nigeria hadden. Geesten moeten vrijelijk het huis in en uit kunnen, en tocht, daar houden kwade geesten niet van. In Nederland tocht het altijd. Als hij zeker is dat hij overal is geweest, trekt hij zich met Nova terug op het kinderkamertje naast hun slaapkamer. Hij verschoont haar luier, wrijft haar voetjes tot ze kraait en kust de glimmende huid van haar buik. Ze ruikt naar zwitsal vermengd met de Nigeriaanse baby-olie en hij sluit snuivend zijn ogen om de kleurrijke beelden die de geur oproept beter te zien.
Peter? Wat doe je?
Hij staat op, duwt zijn neus een laatste keer in het naveltje van het meisje en tilt haar voorzichtig op. Haar bruine ogen haken in de zijne als ze buik tegen buik naar Fiona lopen. Nova lacht.
Niks, lieverd, zegt hij. Ik speel met Nova. Kijk, de armpjes en beentjes worden nu al echt een beetje mollig – goed hè?
Fiona knikt, ze is een pafferig soort geel maar haar ogen lichten op zodra ze naar Nova kijkt. Ze schraapt haar keel en tilt haar hand onder de deken vandaan. Geef maar, geef haar maar hier.
Ik wilde haar juist de fles gaan geven, zegt hij als antwoord. Rust jij maar goed uit, des te eerder ben je beter.
Denk je…? Ze slikt. Wat denk je? vraagt ze, haar ogen op het achterhoofd van Nova gericht.
Griep, gebrek aan slaap, stelt hij haar gerust. Ze knikt, aarzelend. Echt? Echt.
Soms droom ik dat het niet waar is, zegt ze. Dat ik wakker word en dat het niet waar is. Dat Nova er niet is, dat we geen kinderen hebben, alleen maar leegte.
We hebben Nova, zegt hij.
Beneden zet hij haar op de grond. Meteen grijpt ze zijn broekspijp en gaat staan. Ze huilt klaaglijk. Zo kom ik natuurlijk niet toe aan je fles, zegt hij. Blijf je even hier? Zachtjes wringt hij haar vingertjes los en loopt naar de keuken. Aan het geluid kan hij horen dat ze achter hem aan kruipt.
Na de fles legt hij haar in bed. Normaal zouden ze nu alle drie in het grote bed liggen, hij en Fiona als een grote roze baarmoeder veilig om Nova heen. Met één vinger aait hij haar wangetje, genoeg om hem te laten glimlachen. Voor hij haar ouders belt, kijkt hij nog bij Fiona, die bewegingloos slaapt.
Wat voor ziektes waren er precies in Nigeria, vragen zijn schoonouders. Zijn die allemaal dodelijk? Moet Fiona niet naar een afgeschermde afdeling van het academisch ziekenhuis? En Nova, hoe is het met Nova?
Nova slaapt, en Fiona ook. Het komt vast allemaal goed, sust hij.
Stuur ons toch eens wat foto’s, klagen ze, we hebben er maar een paar. En daar is niet eens op te zien of het een baby, een aapje of een opgerolde handdoek is – dat is Fiona’s moeder.
Peter belooft op zoek te gaan naar de fotocamera. We zijn zo dolgelukkig met haar, dat we niet eens gezocht hebben naar ons toestel, zegt hij. Elke seconde dat we haar niet rechtstreeks zien, is een verloren moment.
Zijn schoonvader gromt en snuift. Als je niet zo’n godbeterende wereldredder was, zou ik denken dat je ons voor de gek houdt.

Voor het einde van de week belt Fiona zelf. Ik ben beter, echt waar. Geen dokter aan te pas gekomen, rust en frisse lucht, dat was het. Vanochtend heb ik zelfs de vloer gedweild, en alleen de zwabber zwabberde. Ze lacht.
Meisje, wat fijn te horen. We maakten ons zorgen, dat mag je best weten. Mogen we nu dan eindelijk komen?
Het spijt me mama, nog steeds niet. Nu is Peter geveld. Je zult nog even geduld moeten hebben.
En Nova, waar is Nova?
Die is bij mij, hier op mijn rug. Hoor je haar niet pruttelen?
Ze horen het niet.
Sluit toch eens Skype aan, brommen ze. We hebben geen idee hoe onze kleindochter eruit ziet. Ria van de overkant is ook oma geworden, die heeft foto’s op haar telefoon en ingelijst in de woonkamer. Wij hebben niets, niets! Straks kan ze lopen voor we haar eindelijk eens te zien krijgen.
Ze loopt al aan de hand, zegt ze trots. En dan: ik sta er eigenlijk niet zo bij stil dat ik foto’s zou moeten nemen, mijn hoofd loopt over met papjes en stapjes. Ach, het komt vanzelf, mam, laat Ria je niet gek maken.
Fiona speelt met Nova en als ze niet met Nova speelt, knuffelt ze met haar. Als Nova slaapt, zit ze naast haar bedje, haar pink tegen de teentjes van het kindje aan. Zelfs in haar slaap krult Nova haar voet en teentjes om de pink heen. Als een aapje, denkt Fiona, ik ben mama aap geworden.
Al die tijd ligt Peter in bed. Hij rilt en kucht verzoeken. Ramen open, Nova zien, water, nog eens water, en zijn beneden ook alle ramen open? De geesten moeten vrijelijk kunnen komen en gaan.
Geesten, zegt ze als ze hem een glas water en de thermometer brengt. Geesten komen hier niet, lieverd.
Peter is daar niet zeker van. De vluchtelingen…de kampen…de geesten van de voodoo dansers. Nova. Ze waren er, fluistert hij. Een rochel beneemt hem de adem en heel even is Fiona bang. Ze ziet de oranje geel gekleurde hoofdtooien weer, het vriendelijke wit van de ogen dat bij zovelen rood ging bloeden. Hun maid, en Nova. Gelukkig is er Nova. Je hallucineert, zegt ze liefkozend. Geesten printen geen boarding card, geesten blijven trouw aan hun geboortegrond.
Hij hoort haar al niet meer, hij slaapt.

Peter knapt langzaam maar zeker op. Ze moeten gaan denken aan de toekomst, aan een leven na de quarantaine, aan werk, aan routine, maar ze willen niet.
Terug naar Nigeria is uitgesloten.
Op maandagmorgen net nadat de vuilniswagen de straat heeft laten schudden, schreeuwt Fiona van boven- Peter, Peter! Haar stem klinkt onnatuurlijk. Peter rent, blootsvoets, de koffiemok onstabiel op het aanrecht valt met een venijnige pets aan scherven.
Peter stuift het kamertje in – leeg, hun slaapkamer dan – daar is ze. Fiona wiegt Nova, maar haar gezicht is strak. Ze heeft koorts, zegt ze. Peter ademt hoorbaar uit. Oké, koorts, dat kan. Koorts kan. Alle kinderen krijgen wel eens koorts. Hij stapt op het raam af en zet dat open. Vogelzang trilt de slaapkamer in. Deze moet open blijven, zegt hij, dat is belangrijk. Hij kijkt naar zijn vrouw, haar dunne armen heeft ze beschermend om Nova geslagen. Geef mij Nova maar even. Nee, ik heb haar. Hij knikt. Zijn dappere vrouw, hij hoort een zachte snik. Peter draait zich om en controleert alle ramen in het huis nog eens. Die op het kleine kamertje zet hij verder open en omdat de bries het raam terug duwt, pakt hij een luier en klemt die tussen het kozijn en de vensterbank. In de keuken raapt hij de scherven van de mok op. Ze hebben niet eens een krant om de ze in te wikkelen. In de vuilnisbak buiten ligt een plasluier, daar vouwt hij de stukken in. Een scherp randje krast zijn wijsvinger open. Fuck, zegt hij veel te hard.
Met keukenpapier maakt hij de vloer verder schoon. Druppels bloed vallen op het linoleum als hij met een hand vol kletsnat bruinig papier naar buiten loopt. Fuck.
Uit het keukenkastje pakt hij hun EHBO kit. Hij zuigt op zijn vinger, duwt zijn tong op de opengesneden huid. De smaak van bloed verdringt die van koffie. Hij desinfecteert de wond en doet er een elastische pleister op. Dan loopt hij terug naar boven.
Fiona loopt rondjes naast hun bed. Ze neuriet de melodie van een Nigeriaans wiegelied. Ik ken de woorden niet, zegt ze als Peter de kamer binnen komt. Ze stapt naar Peter toe en rust haar voorhoofd tegen zijn borstkas. Nova ligt warm ingeklemd tussen hen in. Ik maak me zorgen.

Fiona en Peter cirkelen om Nova heen. Een zucht en ze deppen haar lipjes met water, een jammerend kreetje en ze masseren oh zo zachtjes haar oorlelletjes. Ze voeden haar Bambix met een plastic lepeltje wanneer ze haar hoofd afwendt van de fles.
De nacht is duister en stil. Nova ligt tussen hen in. De hitte van het lijfje wordt hen soms te veel, ze koelen ook zichzelf met natte doeken. Hadden we maar internet aangesloten, zegt Fiona, dan konden we opzoeken wat het kan zijn. Niet dat het iets ernstigs is, natuurlijk.
Het is vast niets, wij zijn ook ziek geweest.
Het kan een doodnormale kinderziekte zijn.
Misschien moeten we toch eens een dokter overwegen.
Fiona kruipt dicht tegen Nova aan, haar neus bij de slaap van het meisje. Met elke ademteug ruikt ze Nova, Nova met zweet. Ze pakt het handje en legt het zachtjes tegen haar borstkas. Hier klopt mijn hart, voel je dat? Boem boem. Boem boem. Net als in Afrika, net als thuis.
Aan de andere kant ligt Peter, ook hij heeft haar handje beet en geeft kleine kusjes op de slapende vingertjes.
Zo vallen ze in slaap.

Mamamamama, zegt Nova na het ontwaken van de vogels buiten. Peter en Fiona kijken elkaar aan over het bollende buikje van Nova. Peter heeft groeven in zijn voorhoofd en een stoppelbaard, Fiona’s haar piekt van zweet en woelen. De koorts is geweken, zegt Peter. Ze snuiven de frisse lucht in bij het opstaan. Peter neuriet het wiegelied.

Fiona ontdekt de uitslag het eerst. Ze kust de lichte voetzooltjes, zacht als nieuwe kussentjes, als haar oog de oneffenheid ziet.
Wat is dat nu, aapje van me?
Nova speelt met een kam en kijkt niet op. Fiona ontkleedt haar helemaal, laat haar staan, naakt. Niet alleen de billetjes, ook de rug, en nu ze goed kijkt, ook op de armen. Overal ziet ze bultjes.
Meisje toch, dat zal wel jeuken, of niet? Ik zei nog vannacht, toen jij eindelijk, eindelijk sliep: we zouden eens een dokter moeten gaan zoeken. Dan nemen we dit beentje, en dit beentje, en dit armpje, en dit armpje en natuurlijk jouw dikke neus…ze plant natte zoenen op de aangetaste huid, allemaal mee naar de dokter. Hallo dokter, zeggen we dan. Hallo, dit is Nova uit Nigeria. Ze zwijgt abrupt.
Ze trekt Nova een schone luier en schone kleren aan. Kom, zegt ze als ze klaar is.

Donald Ray Pollock, James Comey, Matt Flegenheimer: de redactie las een mooi en sterk verteld boek, een bijna literaire getuigenverklaring en een ijzersterke journalistieke reportage. Over karaktertekening, detaillering en Marquez-achtige enscenering.

*

Thomas Heerma van Voss: Matt Flegenheimer, ‘Comey: Hero, Villain and Shakespearean Character Who Lived Up to Hype’

De afgelopen week las ik veel korte verhalen, ik begon aan twee romans, maar veruit de beste, literair meest geslaagde openingsalinea kwam ik tegen in een non-fictie-artikel. In The New York Times – en voor er misverstanden ontstaan: nee, die lezen wij op de redactie niet wekelijks door, het is toeval dat Daan en ik er beiden uit citeren deze week, wellicht zat de krant ook heel goed boven op de actualiteit? Hoe dan ook, het stuk heet ‘Comey: Hero, Villain and Shakespearean Character Who Lived Up to Hype’ en werd geschreven door Matt Flegenheimer. De openingsalinea:

” “

WASHINGTON — On the 140th day of the Trump presidency — one for each allotted character on the executive Twitter feed that stayed conspicuously silent all Thursday morning — a very tall man with a very strange place in this very bewildering moment in American history strolled into Hart Senate Office Building 216, shot a quick glance at the masses arrayed behind him and presented a seen-it-all city with something unusual.

Die bijzin over de Twitter-stilte: prachtig, juist omdat hij ook het ongebruikelijke van de situatie benadrukt, de plotselinge stilte. Die herhaling van ‘very’: nadrukkelijk, maar effectief. En ja, het is wat vertellerig, maar daarin zit juist de charme: dat ouderwetse, Marquez-achtige toon, het boven de situatie schreven en daarmee meteen de contouren en impact van de situatie beschrijven. Gisteren heb ik de getuigenis grotendeels live gevolgd, en wat ik niet kon zien volgde ik live via mijn mobiel, maar noch op beeld noch op blogs of Twitter kwam het hele gebeuren zo levendig en kracht naar voren als in deze openingsalinea. Ook hier denk ik: de verfilming mag van mij elk moment komen – en: het wordt tijd dat er, nadat de schijnbare nogal tamme, voorspelbare eerste fictiewerken over de Trump-periode, binnenkort een boek komt dat het huidige bewind kritisch en beeldend onder de loep neemt. Matt Flegenheimer mag het schrijven.

De rest van het stuk is trouwens ook bijzonder de moeite waard.

Daan Stoffelsen: James Comey, ‘Prepared Remarks’

Deze week een versnipperd leesverslag. Ik las Gilles van der Loo’s roman Het jasje van Luis Martín uit, en die is inderdaad, Thomas, de moeite waard. Misschien moet ik daar ook nog over schrijven, hoe de enigmatische personages Luis Martín en Gijs uit de verf komen, en wat daar keus en noodzaak in moet zijn geweest. Verrassender was hoezeer Twan Geurts’ biografie van Adrianus van Utrecht, De Nederlandse paus me overtuigde: Geurts beschrijft het leven niet chronologisch, dat is ook een standaardfout van biografen (want we weten weinig over die eerste jaren, en zeker niets interessants, dus lezer afgehaakt), maar begint in media res. Hij zoomt ook in op de ruige jaren als stadhouder in Spanje, toen hij een burgeroorlog moest bedwingen, en weet zijn theologische positie en ontwikkeling te plaatsen naast die van Erasmus en Luther. Fascinerend, en vloeiend geschreven.

Maar laat me vandaag een heel ander soort tekst erbij pakken, wel chronologisch, maar bijzonder goed geschreven. Gisteren was de getuigenis van James Comey tegenover de senaatscommissie die de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen moet onderzoeken. Ik heb niet gekeken, heeft hij echt ‘Lordy, I hope there are tapes’ gezegd? Citeerde hij daadwerkelijk Shakespeare? Maar ik las zijn voorbereidende aantekeningen. The New York Times heeft ze van aantekeningen voorzien. Bij eerste lezing viel me op hoe soepel dit geschreven was, hoe hij inzoomt en uitzoomt, welke details hij opmerkt, hoe hij van scène naar duiding gaat, en dan een snipper dialoog. Neem 27 januari:

‘It turned out to be just the two of us, seated at a small oval table in the center of the Green Room. Two Navy stewards waited on us, only entering the room to serve food and drinks.

[…]

My instincts told me that the one-on-one setting, and the pretense that this was our first discussion about my position, meant the dinner was, at least in part, an effort to have me ask for my job and create some sort of patronage relationship. That concerned me greatly, given the FBI’s traditionally independent status in the executive branch.

[…]

A few moments later, the President said, “I need loyalty, I expect loyalty.” I didn’t move, speak, or change my facial expression in any way during the awkward silence that followed. We simply looked at each other in silence. The conversation then moved on, but he returned to the subject near the end of our dinner.’

Het is wachten op de verfilming, maar Comey slaagt er hier al in om de scène in al zijn ongemak op te roepen. Ja, door het te benoemen – ‘awkward’, dat had geschrapt kunnen – maar ook die twee laatste zinnen. Let later ook op de uitgebreide beschrijving van hoe Comey 14 februari achterblijft met de president, hoe Sessions nog even blijft hangen, en Kushner, en ‘the door by the grandfather clock’. Sterke details.

Onze satirische broeders bij McSweeney’s mengden stukken Comey met stukken Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day. Erg sterk, en de oefening onderstreept Comey’s literaire kwaliteiten (die natuurlijk veel baat hebben bij zijn materiaal, dat heel erg Shakespeariaans is). Ja, dit wordt een film, maar een roman kan ook, en misschien moet Comey die gewoon zelf schrijven. Covfefe!

(Auke Hulst zegt het ook. Moeten we Comey benaderen voor ons herfstnummer ‘Tien leugenaars’?)

One can only hope mr Comey sees his way clear to writing a book. Testimony & written statement showed a unique voice & storytelling ability. https://t.co/3SMXAtXj0a

— Auke Hulst (@aukehulst) June 9, 2017

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock – Al die tijd de duivel

Er is al veel geschreven over de prachtige roman van Donald Ray Pollock, over de periode dat de schrijver in een papierfabriek werkte, over Ohio, over zijn optreden op Crossing Border, maar nu ik zijn Al die tijd de duivel herlas viel me vooral op hoe Pollock zijn personages en vooral ook zijn zijfiguren introduceert. Dat doet hij kort en terloops, in fraaie zinnetjes.

De vader van hoofdpersoon Arvin geeft ene Lucas een pak slaag, dat is in de proloog al beschreven en verderop in de roman denkt een winkelbediende even terug aan dat voorval en hoe Lucas er sindsdien bij zit: ‘Niet dat hij het waarschijnlijk niet verdiend had, maar Lucas was nog steeds niet de oude. Gisteren nog had hij hier de hele ochtend voorovergebogen op deze bank gezeten met de draadjes spuug uit zijn mond hangend.’ Dat gebruik van tijd, dat ene beeld van die spuugdraden, het duiden van een bank als ‘deze bank’ maken die zinnetjes heel vertrouwd en lokaal en klein, en bovendien hoeft Pollock verder in het boek nooit meer iets over Lucas te zeggen, want alles is nu duidelijk.

Als de mooie moeder van Arvin kanker heeft en ligt te sterven en hij en zijn vader een krankzinnige gebedsplek in het bos bemannen waar ze dierenoffers brengen, moet Pollock toch op een gegeven vertellen dat zijn moeder echt sterven zal: ‘Altijd was er wel ergens iemand aan het sterven, en in de zomer van 1985, het jaar waarin Arvin Eugene Russell tien jaar werd, was het de beurt aan zijn moeder.’
Die moeder werkt in het begin van het boek als serveerster, en daar ontmoet de vader van Arvin, Williard, haar. Hij eet iets in het eettentje en is onder de indruk. ‘Toen hij het op had, ging hij terug naar de bus zonder zelfs maar Charlotte Willoughby’s naam te weten.’ Op deze manier houdt Pollock alle touwtjes stevig in handen, geeft hij de lezer meer informatie dan zijn mannelijke karakter en vertelt hij tegelijk iets over dat karakter want iets niet weten is soms net zo belangrijk als iets wel weten. Pollock begrijpt dat heel goed.

Een duo dat moordend door Amerika trekt, een jong mager vrouwtje en een vettige man die een paar leefregels opgesteld heeft maar vooral geïnteresseerd is in het nemen van foto’s als hun slachtoffers seks hebben met de vrouw, komt een nieuw slachtoffer tegen, nummer zes, het duivelsgetal en ook een van de leefregels die Carl heeft opgesteld, en dan schrijft Pollock: ‘Sandy kon de volgorde van de regels nooit goed onthouden, hoe vaak hij ook geprobeerd had ze in haar hoofd te prenten, maar ze zou zich altijd blijven herinneren dat Gary Matthew Bryson van Hank Williams hield en het eipoeder van het leger haatte.’
Een ander slachtoffer wordt zo geduid: ‘Jamie was het jaar daarvoor van huis weggelopen in Massachusetts, wat ook de laatste keer was geweest dat hij naar de kapper was gegaan.’
Eerder worden Carl en Sandy zelf ingeleid, en dan spitst Pollock zich toe op hun manier van leven: ‘Hun namen waren Carl en Sandy Henderson, maar soms hadden ze ook andere namen.’ Hoe kun je bondiger zijn over een stel met criminele intenties zonder dat direct te veroordelen. Hij houdt het bij een subtiele en harde beschrijving. Duidelijk en toch met voldoende ruimte voor de lezer om die complete achtergrond zelf in te vullen. Er zullen lezers zijn die deze zinnetjes missen, ook dat is geen probleem. De roman is expliciet genoeg, in beschrijvingen van het geweld van Carl en Sandy, maar toch zijn het deze zinnetjes die de roman een gouden glans geven.

Pollock werd vorig jaar op Crossing Border geïnterviewd door Jasper Henderson, grappig genoeg een naamgenoot van twee van zijn karakters, maar Jasper kan gerust zijn, soms hadden ze dus andere namen.

Een politieman wil hogerop en is met een verkiezingscampagne bezig. Ook is hij de broer van Sandy en dus is Carl zijn zwager, in deze uithoek van Ohio kent iedereen elkaar en is iedereen met elkaar verbonden, of ze nou willen of niet. ‘Politieman Bodecker snoept veel: “Als hij zo doorging, zou hij tegen de tijd dat de campagne begon net zo moddervet zijn als zijn zwager met de varkenskop, Carl.”’ Ook dat karakter wordt even messcherp neergezet, in een enkel zinnetje, vanuit een ander gezichtspunt.
Nog een zijfiguur: ‘Clifford Odell had beloofd hem helemaal naar Lewisburg te rijden om daar een nieuwe dokter te bezoeken, maar die was nog niet komen opdagen.’ De man die naar de dokter moet is de belangrijkste figuur, dit ene zinnetje vertelt alles over Clifford: dat hij niet thuis geeft als het erom gaat.

Al die personages zijn verweven, ieder hoofdstukje haalt een ander naar voren en juist de figuren die dan even op een zijspoor staan krijgen in die stukjes meer vorm, door deze zinnetjes waar ik bij de eerste lezing niet echt de vinger achter kreeg. Al die tijd de duivel is een heel mooi en sterk verteld boek, geschreven door een aardige en verlegen man die ook tijdens Crossing Border liet zien dat hij geen opgeklopte pretenties kent.

De waarschuwingen op de flap dat dit boek ‘een literaire tsunami van puur kwaad’ (Washington Post) is en dat ‘gevoelige zieltjes hier beter niet aan kunnen beginnen’ (Le Monde) zoeken potsierlijk de sensatie en doen afbreuk aan de kwaliteit. Het boek is ruig, maar vooral literair gezien is het ruig: deze taal is menselijk en dient juist de gevoelige ziel. De New York Times stelt dat ‘vanaf de openingszin duidelijk is dat er bloed zal vloeien’, maar die openingszin is beschrijvend en duidelijk, en nergens vind ik de verwijzing naar bloed of geweld:

‘Op een mistroostige ochtend aan het einde van een natte oktobermaand haastte Arvin Eugene Russell zich achter zijn vader Willard aan, langs de rand van een weide die uitkeek op een langgerekte, rotsachtige vallei in zuidelijk Ohio, genaamd Knockemstiff.’

Het vorige boek van Pollock heet Knockemstiff, een verhalenbundel over dat plaatsje. Ik heb het meteen besteld bij boekhandel Schimmelpennink, in de hoop dat het even goed is als deze roman.

Een opvallende passage uit Al die tijd de duivel is me bijgebleven. De brute en verknipte Carl die bizarre foto’s neemt en het net zo verknipte en broodmagere meisje Sandy vinden elkaar in hun gezamenlijke plannen en in de vermoeidheid van het meisje na een avond werken.

‘Ze waren altijd aan het sparen voor de volgende oude auto, voor het volgende fotorolletje, de volgende tocht. Hij maakte het laatste biertje open en schonk het voor haar in een glas. Daarna ging hij op zijn knieën voor haar zitten en trok haar schoenen uit, begon het werk uit haar voeten te wrijven.’

Die massage maakt haar aan het giechelen. Hij is toch wel teder.

‘Hij zou haar vanavond warm houden, dat was het minste wat hij kon doen. Het was bijna vier uur ’s ochtends, en op de een of andere manier, met veel geluk en weinig berouw, hadden ze weer een lange winterdag overleefd.’

Karaat gaf Al die tijd de duivel uit.

Dennis Lehane, Jonathan Littell, Marjolein van Heemstra: de redactie las een psychologisch uiterst overtuigende thriller, een zo sterke Tweede Wereldoorlogroman je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden, en een soepele zwangerschap-en-zoektochtroman met een pamflettistisch inslag en ook een Tweede Wereldoorlog-lijn.

*

Thomas Heerma van Voss: Dennis Lehane, Shutter Island

Aangespoord door wat Jan van Mersbergen een tijdje geleden op deze plaats schreef, door mijn eerdere gunstige ervaringen met het werk van Dennis Lehane en met mijn bewondering voor de Scorsese-verfilming, besloot ik het boek Shutter Island te bestellen. De Nederlandse uitgave welteverstaan, genaamd Gesloten kamer. (Een minder goede titel dan het origineel, al is het natuurlijk goed dat ze er niet Shutter Eiland van hebben gemaakt.) De taal van Lehane is met geen mogelijkheid complex te noemen, ik had het werk ook in de originele versie kunnen lezen, maar ik neig meestal naar vertalingen: omdat ik dan pas het idee heb dat ik iemands schrijven helemaal kan beoordelen, dat ik kleine nuances of toonveranderingen opmerk, dat ik makkelijker op sleeptouw kan worden genomen door het verhaal.

Zeker in dat laatste aspect ligt Lehanes kracht: moeiteloos trekt hij je als lezer zijn schrijven in. In verband met Mystic River schreef Jan van Mersbergen: ‘Lehane neemt een tussenpositie in. Hij zet in op spanning maar maakt ook volwaardige karakters en schrijft beter dan heel veel literaire romanschrijvers: duidelijk, puntig, krachtig.’ Die woorden had hij ook zo kunnen gebruiken voor Shutter Island. Dit is in eerste plaats een spannend boek, met een typische whodunnit-vraag als leidraad en aanleiding voor het verhaal: er is een meisje verdwenen op het Shutter Island, een psychiatrisch patiënte – hoe kan dat, waar is ze? Er worden twee agenten op de zaak gezet, waaronder hoofdpersonage Teddy Daniels. Die begint keurig met zijn onderzoek, hij ondervraagt betrokkenen, hij bezoekt de ruimte waarin ze voor het laatst gezien werd, enzovoorts. Spannend, weliswaar niet op een bloederige manier en zonder achtervolgingen of vechtpartijen, maar spannend is het zeker – zelfs als je (zoals ik, door die Scorsese-film) al weet dat de aandacht gedurende de thriller meer en meer verschuift naar Teddy’s karakter.

Want daarin komt Lehanes talent echt tot uiting: hoe hij ons mee kan laten gaan in zijn verwrongen hoofdpersonage. Hoe hij dat hoofdpersonage, in vaak bijzonder terloopse bijzinnetjes en uitgesponnen scènes (inclusief knappe dialogen), meer en meer uitdiept: zijn obsessieve liefde voor zijn overleden vrouw, zijn opspelende herinneringen aan zijn kinderen, zijn oorlogsverleden. Dat doet hij beeldend, gedoseerd en bijzonder overtuigend. En aan de hand daarvan slaagt hij erin Teddy’s psyche op een volstrekt geloofwaardige manier steeds meer te laten overlopen in algehele paranoia, wanhoop en angst. Gaat het dan nog om die verdwijingszaak? Gaat het om hemzelf? Of gaat het hier om die psychiatrische inrichting op Shutter Island? Bijzonder knap gedaan. Toen ik samen met mijn broer twee jaar geleden de thriller Ultimatum uitbracht, werd me weleens gevraagd welke thrillers ik nou bijzonder goed vind. Ik gaf vaak verschillende antwoorden (Grisham, Connelly), vooral omdat ik het niet precies wist. Mocht die vraag me nu weer gesteld worden, noem ik Shutter Island.

Gesloten kamer werd door The House of Books uitgegeven, maar is niet meer nieuw te krijgen. Wel bij Boekwinkeltjes.

Jan van Mersbergen: Jonathan Littell, De welwillenden

Bijna duizend minutieus volgeschreven pagina’s, bij schatting minstens 400.000 woorden, volgens de Washington Post zelfs een half miljoen, telt De welwillenden (vertaling Janneke van der Meulen en Jeanne Holierhoek). Geweldig vol boek dat je soms doen snakken naar een inspring of witregel, naar lucht, naar adem. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Een oorlogsboek, gedetailleerd, hard en compleet realistisch. De opening is een indrukwekkende monoloog achteraf. Duiding. Daarna volgt de weg daar naartoe die vooral duidelijk maakt dat nazi-Duitsland niet bestond uit gruwelijke engerds maar uit mensen die politiek bedreven en in politiek geloofden, misschien meer dan in onze huidige tijd. Om hoger op te komen bijvoorbeeld. Max Aue werd in 1934 lid van de SS in Kiel omdat hij weinig geld had en als lid hoefde je geen collegegeld te betalen. Eenvoudig menselijk argument. Het gedachtegoed van de nazi’s werd uiteengezet in colleges, Europa werd in kaart gebracht aan de hand van wat Engeland, Frankrijk en Oekraïne dachten: hoe staan ze er daar voor? Hoe denken ze daar over de joden? Wat zijn onze aanknopingspunten? Hoofdpersoon Aue krijgt de opdracht in Frankrijk te peilen hoe ze er daar voorstaan, hij doet verslag maar dat verhaal ligt niet in de lijn van de partij en hij wordt eerst op een zijspoor gezet. Een vriend dringt wel door naar de top van de partij omdat hij wel het gewenste gedachtegoed volgt. Dat is typisch: binnen een stroming wel de ruimte geven andere landen te onderzoeken maar geen gehoor geven aan een geluid buiten je eigen denken. Die nuance brengt Littell heel duidelijk naar voren. Ook de overwegingen achter de grote vraagstukken worden heel helder gesteld. Het ‘jodenprobleem’ moet opgelost, want problemen worden niet alleen gemaakt, ook opgelost. Bij de inval van Polen kreeg Duitsland niet alleen er een grote lap grond bij die het groot-Duitse rijk wat dichterbij bracht, ook kreeg Duitsland er drie miljoen joden bij, en dus werd het jodenprobleem groter. Ook daar moest dus weer een oplossing voor komen. Joden wordt trouwens consequent met kleine letter geschreven. En die oplossing is piekeren. De gaskamers zijn er nog niet, een heel slim begin van Littells verhaal. Er worden joden omgebracht, neergeschoten. Dat is arbeidsintensief. Alleen de mannen neerschieten zodat er geen nageslacht zal komen is een oplossing, maar degene die nog leven laten verhongeren is weer barbaars, dat doen alleen bolsjewieken. Als iemand voorzichtig voorstelt dat het anders kan houdt iedereen zijn adem in. Het duurt een hele tijd voor ze daar uit zijn. Ook homoseksualiteit wordt door Max Aue ingekaderd en verantwoord, hij haalt er Plato en de oude Grieken bij, biologie, probeert oorlog te linken met mannenliefde en nationaal-socialisme, zoekt juist de tegenstelling met het jodendom en andere geloven, zeker het katholicisme, om uiteindelijk de paginalange passage over een jonge soldaat die hij in Charkow lief had af te sluiten met: ‘Het jaar daarop is hij trouwens gesneuveld, in Koersk.’ Het verschil tussen het fascisme van Italië en het Duitse nationaal-socialisme wordt heel duidelijk aangegeven; het fascisme is totalitair omdat de macht bij een enkeling komt te liggen en de enkeling binnen het volk heeft juist geen waarde, het nationaal-socialisme is ‘principieel gebaseerd op de reële, onbetwistbare waarde van het individuele leven én van het leven van het Volk in zijn geheel’. WOII was geen blinde inval, het was een volledig doordacht politiek spel dat zo herkenbaar is dat het werkelijk eng is. En actueel. Al snel vertelt Aue over de rapporten die hij moet schrijven als V-man, over ‘wat er zoal gezegd werd, over geruchten, grappen’. Die informatie werd verspreid en gedeeld voor verschillende instanties binnen de nationaal-socialistische partij: de gevoelens van het volk. De Duitse veiligheidsdienst bespioneert hun mensen niet en of die mensen de Partij bespotten maakt niet, uit, zeggen ze, ze zijn vooral geïnteresseerd in de stemming onder het Volk. In onze tijd, ruim tachtig jaar later, stemt de politiek zich ook af op de gevoelens van het volk maar op een veel vanzelfsprekender manier met angst als basis. Dat gevoel stuitert het internet over, daar zijn geen rapporten voor nodig. In nazi-Duitsland was het idee volkomen uitgewerkt, hoe beroerd dat idee ook was. Tegenwoordig blijft de meest extreme rechtse ideologie vaag, reactionair en ondoordacht. Die gedetailleerde beschrijving van die gang van zaken én van de motivatie erachter maakt De welwillenden erg indringend. Het is precies zoals het gegaan is, denk je steeds, precies zoals er destijds gedacht moet zijn. Natuurlijk is veel gefictionaliseerd, maar dan wel naar de realiteit toe en niet naar een romantisch oorlogsidee dat enkel schippert tussen goed en kwaad. Ook tussen sterk en zwak, en die rol wordt soms omgedraaid, bijvoorbeeld wanneer een jood met een kindje op zijn armen beheerst tegen Max Aue zegt: ‘Ik weet wat u hier doet. Het is iets gruwelijks. Ik wilde u alleen maar toewensen dat u deze oorlog overleeft en twintig jaar lang elke nacht schreeuwend wakker wordt. Ik hoop dat u niet in staat zult zijn naar uw kinderen te kijken zonder tegelijk de onze te zien, die u hebt vermoord.’ Waarop de jood wegloopt. Die woorden beuken op Aue in, en als nog geen twintig regels verder op een gruwelijke manier het hoofd van een jood door een van de ergste beulen met een spade in stukken wordt gehakt poogt Aue in te grijpen en vervolgens wordt dit exces in een rapport vermeld en probeert het Duitse gezag het incident te verantwoorden door aan te geven dat er vast een provocatie van joodse kant aan vooraf is gegaan of dat de woede van de beul tegen de joden te begrijpen is omdat zij steunpilaren zijn van het stalinistische systeem waar Duitsland tegen vecht. Steeds het zoeken naar die verantwoording, dat maakt De welwillenden zo sterk. Verderop in het boek wordt een officier de vraag gesteld wat het gruwelijkste is dat hij heeft gezien. ‘Dat spreekt vanzelf, de mens!’ Ik weet niet of het aan de vertaling ligt, maar lelijke woorden als ‘bruusk’ en ‘prompt’ die erg ver van mijn spreektaal af staan, komen herhaaldelijk in dit boek voor en gelukkig is het boek zo sterk dat ik daar wel overheen kan lezen. Dit boek herbergt naast gruwelijkheden en de vervreemdende gedachten daarover ook lyrische passages, over een gewond vogeltje of over de graanvelden in Oekraïne of een raam dat vast zit door de verf. De welwillenden doet ook denken aan American Psycho, door de vele details over kleding en eten, daar is Aue erg sterk in. Ook dat geeft zowel een vervreemdend als realistisch en benauwend beeld van nazi-Duitsland en de oorlog: eten en mode gingen gewoon door. Wat ook opvallend is aan dit boek met die overvolle pagina’s, die massieve blokken tekst die de lezer in eerste instantie vooral angstig maken: de zinnen lopen zo goed, de scènes zijn zo sterk en de informatie zo belangwekkend, dat je al snel door die pagina’s heengaat alsof het niks is, alsof je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden.

De Arbeiderspers gaf De welwillenden uit.

Daan Stoffelsen: Marjolijn van Heemstra, En we noemen hem

Er is iets heel soepels aan En we noemen hem, de nieuwe roman van Marjolijn van Heemstra, die ons eind 2016 enkele maanden als poëzieredacteur bijstond. Dat iets maakt mogelijk dat de verhaallijnen van de zwangere ik (het boek opent met ‘Nog 27 weken’) en haar onderzoek naar haar achterneef (die eens een bomaanslag pleegde op een NSB-er en veel later zijn ring doorgaf aan de ik) elkaar niet in de weg zitten, dat je accepteert dat het de ik niet om de waarheid gaat maar om een verhaal. (Op zoek naar een passend citaat tel ik 103 keer die term, ze moet iets met die term.) Verhaal. ‘Nog 2 weken’: ‘Het Airbnb-adres is te mooi om waar te zijn. Een oude villa in de wijk waar bommenneef woonde en in 1987 overleed. Een laatste poging het verhaal rond te krijgen: eindigen op de plek waar bommenneef eindigde.’

Er is geen achtergrond en geen voorgrond, de zwangerschap (geen eenvoudige, de artsen vrezen een zwangerschapsvergiftiging) is zeker net zo belangrijk als de zoektocht, maar zó kan die buik weer bepalend zijn. De muggen zijn indringender aanwezig dan het kind. (De kruipruimte stond onder water, vandaar.) Als de ik eindelijk bedenkt dat archiefonderzoek meer kan opleveren dan de gekuiste herinneringen van familieleden op te schrijven, krijgt mede-onderzoeker Herman een prominentere rol dan de vader van het kind, D. Verstandige man, die Herman, met een grote tragiek, georven van zijn NSB-vader.

‘Ik zeg dat ik dat een mooie gedachte vind en hij lacht weer die lichte, jongensachtige lach.
“Ken je de schoolprenten van Isings?”
Ik schud mijn hoofd.
“Die hingen vroeger bij ons in de klas. Tekeningen van de ijstijd, de bronstijd, de Romeinen, de middeleeuwen. Ik kon er uren naar kijken. Die mensen waren zo mooi getekend, zo sprekend onszelf, dat de geschiedenis dichtbij leek, aanraakbaar. Zo’n neanderthaler zou zomaar mijn buurman kunnen zijn. Veel later las ik dat Isings altijd zichzelf en mensen uit zijn omgeving als model nam. Als hij die figuren uit de oudheid tekende zat hij dagenlang voor de spiegel. We doen alsof we van alles willen leren en begrijpen van het verleden, maar uiteindelijk zitten we vooral naar onszelf te staren.”‘

Dat laatste is een kernzin, bijna pamflettistisch, een zelfaanklacht: het verhaal begint en eindigt bij onszelf. Hoe verward zijn wij, moderne mensen, dat we niet verder kijken? (‘Ik’ geteld: 1707 x. In Jan Postma’s Vroege werken: 1704 x. In Adriaan van Dis’ Ik kom terug: 1569 x.) De zwangerschap ís dan achtergrond, zelfs de zoektocht naar ‘bommenneef’ is een illustratie van hoe we voor onszelf dingen overhoop halen. (Met als climax een hormonale woede-uitbarsting van de ik tegenover Herman.) Tegelijk zit er iets moedigs, onbezonnens in dit onderzoek, en dat is zeker niet navelstaarderig – de zwangere is niet bezig met babygadgets en de goede verf voor de kinderkamer. De zwangerschap biedt vooral de aanleiding (ooit had de ik beloofd haar kind naar bommenneef te noemen) en de bevalling de doorbraak: er is een ander om voor te leven. En we noemen hem maakt de bescheiden ambitie waar meer te zijn dan een archiefverhaal, een Tweede Wereldoorloggeschiedenis of een zwangerschapsdagboek, het toont en onderzoekt hoe we zulke verhalen toeëigenen, hoe we ze van ons maken.

Maar dat iets, dus. Is dat het ontbreken van nadrukkelijke overgangen (toen, toen) in het verhaal? Het is chronologisch verteld, maar de ik duikt af en toe in een flashback weg. Van Heemstra schrijft dialogen niet helemaal uit, voegt af en toe een spreekbeurt in indirecte reden toe, of laat haar ik het hoofd schudden, die variatie werkt ook. Of is het de stijl? Die is heel onnadrukkelijk, schrijftalig noch spreektalig, gedoseerd. Ik erger me aan die ‘lichte, jongensachtige lach’, misschien omdat ik me er weinig bij kan voorstellen, maar Hermans retoriek is foutloos: de nette opsomming van historische periodes, het tweemaal parafraseren in één zin en het daarna laten, het ritme van de laatste zin. Soepel.

Das Mag gaf En we noemen hem uit. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina’s voorgepubliceerd.

‘Er is al jaren een meisje vermist in de streek,’ staat in de flaptekst van Frederik Baas’ Dagboek uit de rivier en met dat verhaal zetten de personages een speurtocht uit – maar het blijft niet bij spel. Een spannend gegeven, maar waardoor? Jan van Mersbergen, onder pseudoniem debuterend als thrillerschrijver, onderzoekt hoe spanning werkt. Wytske Versteeg, Bart-Jan Kazemier en Thomas Heerma van Voss namen de crime scene uit de eerste detective ooit, van Edgar Allan Poe, en schreven hun eigen vervolg.

Maar we onderzoeken niet alleen genreliteratuur. Het gaat in Revisor om stijl, om perspectief, om ambacht. Emily Kocken denkt na over het bloedbad dat ze zelf beraamde voor haar hoofdpersoon. (Nog een flaptekst: ‘Vanaf het begin van hun reis gaat alles echter anders dan gepland, verwart iedereen plaats en tijd en lijken er ongrijpbare machten in het spel.’) Ze ontdekt dat haar vroegere ik haar bij haar misdaden begeleidt. Nieuwe schrijvers – Ezra Hakze, Marijn Sikken, Jacob Doppenberg en Marten Hoekstra – komen met sterke verhalen. Sasja Janssen schrijft de ‘Ballade van de alfahulp’. En ook in deze Revisor: de Boliviaanse schrijver Rodrigo Hasbún, vertaald door Melani Reumers. In het tweeluik ‘Familie’ zien we een vader en een dochter, uit elkaar gegroeid, en we zien mensen vallen. Niemand sterft.

Dat hoeft ook niet. Het huiselijke werkt, betoogt Jan van Mersbergen in zijn essay: ‘Zorg is spannend.’ Dus zijn de twee ongelukken, de aanslag en het viertal bloedbaden in deze Revisor er slechts voor het contrast. Als decor – lepels, een bebloed scheermes, strengen haar –, en niet meer. Literatuur kan zonder. Goede literatuur is spannend.

Daan Stoffelsen

Jan Postma, John Green: de redactie leest een door de vertelstem geslaagde bestseller en een debuut dat het optimale uit omstandigheden haalt.

*

Jan van Mersbergen: John Green, Een weeffout in onze sterren

Vorige week schreef ik behoorlijk fel over De eenzaamheid van de priemgetallen, in een stuk waarin ik ook de andere boeken noemde die ik voor een paar euro bij het Juttersdok op de kop tikte. Het volgende boek van die stapel was afgelopen week Een weeffout in onze sterren, een boek dat geschreven is door een vergelijkbaar slimme schrijver maar het grote pluspunt van deze roman is dat John Green wel slim en geleerd is maar dat hij die slimheid in de roman volledig koppelt aan de personages, die ook slim zijn, en aan de manier waarop het meisje, Hazel, het verhaal vertelt. Die vertelstem mist De eenzaamheid van de priemgetallen, die vertelstem maakt Een weeffout in onze sterren zo goed.

Hazel is een echte puber, ook nog eens een zieke puber die een zuurstoffles achter zich aan moet slepen omdat haar longen vol vocht hebben gezeten, restant van schildklierkanker, maar haar drama is steeds ondergeschikt aan haar leeftijd en haar puberschap. Ze wordt verliefd, ze is gek van een boek dat volgens mij verder nogal fantastisch en tevens vaag is, ze wil iets doen, ze is onhandig, ze is oordelend, ze is ondernemend en ze wil anderen niet tot last zijn. De twee personages, jongen en meisje, van De eenzaamheid van de priemgetallen dragen een last die door de schrijver gebruikt wordt om een slim kunstwerkje in elkaar te zetten, de twee personages, ook een jongen en een meisje, van Een weeffout in onze sterren willen elkaar niet tot last zijn, en de schrijver is daar ook ondergeschikt aan. Het verhaal is wat traag en de uiteindelijke reis naar Amsterdam waar Hazel en haar vriend op dat beroemde bankje terecht komen komt laat op gang, de manier van vertellen maakt veel goed. Het mooiste vond ik de weergave van een telefoongesprek tussen Hazel en haar Gus, als zij vertelt wat hij zei over een boek waar zij zo dol op is, en er tussen haakjes iets aan toevoegt:

‘Prima,’ zei hij. ‘Er is geen minuut voorbijgegaan dat ik je niet wilde bellen, maar ik heb gewacht tot ik een coherente mening had gevormd aangaande Een vorstelijke beproeving.’ (Hij zei ‘aangaande’. Echt waar. De lieverd.)

Het boek zit vol met dit soort toevoegingen die je steeds laten zien wie de verteller is, die de verteller steeds meer body geven. Dat houdt John Green het hele boek vol, en dat maakt dat het drama van de ziekte op een gegeven moment toch heel hard bij de lezer binnenkomt. Een bekende truc, die nog altijd goed werkt als hij, zoals hier, zo sterk en trefzeker wordt uitgevoerd.

Lemniscaat gaf Een weeffout in de sterren uit.

Daan Stoffelsen: Jan Postma, Vroege werken

Vorige week wijdde Thomas de Veen een paginagroot stuk aan de esssaybundels van Marja Pruis, Genoeg nu over mij (zie week 11), en Jan Postma, Vroege werken. Elk vier ballen voor ‘geweldige essay-verzamelingen hebben doen verschijnen, die hongerig maken naar meer. Meer van hen, meer van dit genre. Literaire essayboeken verschijnen er niet zo veel in Nederland – onze essayistiek is veelal maatschappelijk, politiek of juist columnistisch, maar in die gevallen weer minder literair’.

Het stuk is een ode aan het genre. ‘In zijn essays verhoudt hij zich constant tot de dingen – of het nu een opmerking van een huisgenoot is, een gevonden dode muis of een aforisme op een post-it – maar altijd met een open blik. Met Postma kun je meewandelen en hem volgen op zijn zijpaden, in de zekerheid dat je toch altijd weer op de ventweg langs de snelweg van de actualiteit belandt. Oftewel: afdwalen zonder je rug naar de werkelijkheid toe te keren,’ schrijft De Veen, en ja, zo moeten literaire essays geschreven worden, anders moet je ze niet meer literair noemen, of reportages. Postma schrijft literaire essays, net als Pruis.

(Ik merk dat ik, net als in week 11 bij Marja Pruis, telkens geneigd ben voor- in plaats van achternaam te gebruiken. Ik ken ze persoonlijk, en de essays versterken dat. Wie houd ik voor de gek?)

Die ode, die dus ook het genre uitlegt, verduistert het een en ander. Bijvoorbeeld – maar dat is mijn mening – dat Pruis zich tot Postma verhoudt als de gelauwerde schrijfster tot de debutant, en Postma’s ballen dus debutantenballen zijn. Ik weet niet of De Veen dat ook vindt: ‘Zijn essays zijn intellectualistisch maar woest aantrekkelijk, meanderend, ironisch en telkens geschreven in de heerlijkste volzinnen. Zijn ironie moet niet gezien worden als angst om een positie in te nemen, maar als de hartgrondige overtuiging dat géén positie innemen ook kan.’

Kijk, die vier ballen zijn verdiend. Postma is indrukwekkend belezen, en hij weet uit het doodgewone iets triests, opwekkends of inzichtelijks te halen. Hij kan onderwerpen verbinden en ze daarmee verrijken. Zijn enorme stuk ‘Bewondering & ballingschap. Over Joseph Brodsky’ gaat bijvoorbeeld alle kanten op, van de Russische dichter rond de Kralingerplas, in New York bij Zadie Smith. Iets te lang bladert Postma door Brodsky’s werk, en dan maakt hij een wandeling. Zo lang dat je gaat denken: waar is de bewondering? De ballingschap? Brodsky? Ah, in een interview op zijn oortjes, en Valeria Luiselli vindt daar wat van. (Jan en ik delen wat helden. Sebald passeert ook. Postma incorporeert ze vloeiend.) Hij ontmoet bij de plas vissers, en dan volgt er een over-the-topbeschrijving:

‘In de schaduw van de zes of zeven bomen die als een stel hangjongeren in een permanent onwennig puberlichaam verloren aan de waterkant staan – uit de kruin van de grootste steekt een dode witte tak als een verdwaald patatvorkje omhoog – staan nu zes hengels, drie tenten, twee scooters en één grote kar. In het water ligt een rubberboot. Met uitzondering van de scooters en de hengels is alles groen.’

Het is te veel (een patatvorkje?!), zeker opgeteld bij de schilderachtige personages die Postma daar treft. En moeten we alles van die vissers weten? (‘Jacques moet komende woensdag naar de rechtbank. De andere twee grappen dat ze hem komen opzoeken “in de lik”.’) Maar er volgen overwegingen (‘Het is geen populaire gedachte, maar ik geloof dat in de bereidheid je aan te passen in het beste geval niet alleen beleefdheid maar vooral ook empathie schuilt. Het is een misverstand elke tegemoetkoming als knieval te interpreteren. Niet elke relativering is een uiting van relativisme, die algemeen verachte grondhouding die niemand er ooit echt op na lijkt te houden.’) en belevenissen met onder anderen Zadie Smith die zeer de moeite waard zijn.

Ja, zo is het: Postma gebruikt het moment, de opdracht, de omstandigheden optimaal. En regelmatig iets te veel. Maar als voorschot op de canonisering (hoe moet dat tweede boek in godsnaam gaan heten?) is dit een mooi debuut.

Ah, Carel Peeters zegt het ook. En tipt het verhaal dat op Athenaeum.nl werd voorgepubliceerd. Vroege werken werd uitgegeven door Das Mag.

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek.
Vandaag de vierde aflevering: over heftigheid, over meningen en ervaringen, over het algemene en het persoonlijke.

(Lees ook deel 1: Begin, deel 2: Frederik en deel 3: ‘Roman vs thriller’)

In een recensie verklaarde een recensent dat hij tijdens het lezen van Dagboek uit de rivier verlangde naar een lustmoord of kinderverminking. Ik was blij dat hij zijn eigen verlangen benoemde en dus meer vertelde over zijn persoonlijkheid dan over mijn boek. Misschien vindt hij het fijn om te lezen over lustmoorden en kinderverminkingen. Misschien verwacht hij bij het lezen van een thriller lustmoorden en kinderverminkingen. In mijn thriller komen in ieder geval geen lustmoorden en ook geen kinderverminkingen voor. Dat is een bewuste keuze.
Heftige daden, heftige gebeurtenissen, slachtpartijen, moorden, verkrachtingen. Er zijn dus mensen die dat graag en op allerlei manieren tot zich nemen: in films, foto’s, en dus ook boeken. Ik ben juist een thriller gaan schrijven om spanning op te voeren die buiten die heftigheid om gaat. Subtiele spanning, psychologische spanning.
Ooit gaf ik les aan een groepje aspirant-schrijvers. Er zat een man in dat klasje die over All the Pretty Horses, dat ik ze had laten lezen, zei: ‘In dat boek gebeurt niks.’
Ik stuurde hem de klas uit. Ik had totaal geen zin les te geven aan aspirant-schrijvers die zich niet in kunnen leven in een jonge cowboy die zijn ouderlijk huis verlaat, die verliefd wordt op een onbereikbare vrouw, die in de gevangenis terecht komt in Mexico, en die zijn vriendschap met een andere cowboy bedreigd ziet. ‘Er gebeurt niks.’ Nee, ze schieten niet constant, die cowboys, maar in hun hoofden en harten gebeurt heel erg veel, ook al beschrijft McCarthy vrijwel alleen dat die cowboys over de prairie rijden, ergens onderkomen vinden, plannen maken. Bovendien legde die aspirant-schrijver de schuld bij het boek, en niet bij zijn gebrek aan leeservaring en inlevingsvermogen.
Het lokaal uit jij! Herlezen dat boek. Tuur eerst nog maar eens even naar dat saaie omslag, met die cactussen en ondergaande zon.

In een internetrecensie van mijn roman De ruiter las ik: ‘Het is een saai boek.’ Ook dat zegt meer over het inlevingsvermogen van de recensent, maar ook deze kenner plakt zijn oordeel aan het boek terwijl hij eigenlijk iets zegt over zijn leeservaring en vooral over zichzelf. De ruiter is geen actieroman, het is geen flitsend vlotgebekt proza. de verteller is een paard. Het tempo ligt vrij laag, maar dat is altijd relatief.
Een mening over een boek is waardevol als het een persoonlijke mening is waarin het lezen gekoppeld wordt aan de tekst. Dit is wat deze tekst met mij doet. Het proza verandert niet meer, dat ligt er en dat kan allerlei ervaringen bieden. Maar dat proza is niet saai, jij vindt het saai, en dat komt daar en daarom. Zo’n constructie is helder. ‘Er gebeurt niks’ of ‘het is een saai boek’ deugen niet als oordelen. Het veralgemeniseren van het persoonlijke, dat is gemakzucht.

Dus die man wenste een thriller met heftigheid, en daarom viel mijn eerste thriller tegen. Kan gebeuren. Hij had blijkbaar de flaptekst niet goed gelezen.
Dan toch over die heftigheid. Waarom verlangen lezers daarnaar? En een betere vraag is: waarom kunnen veel lezers zich niet de heftigheid van het kleine inzien, van het ogenschijnlijke ‘Er gebeurt niks’? Hebben die twee factoren met elkaar te maken?
Ik verdenk veel lezers die snel met een oordeel als ‘er gebeurt niks’ of ‘het is saai’ komen ervan dat hun inlevingsvermogen op een of andere manier op slot zit.

In Het gouden ei verdwijnt de vriendin van de hoofdpersoon, bij een tankstation. Opeens is ze weg. Geen bloed, geen moord, geen achtervolgingen of aanwijzingen, maar wel een man die van het ene op het andere moment volledig alleen staat. Tim Krabbé laat mij met zijn sobere en voorzichtig opgebouwde tekst heel goed voelen wat deze man doormaakt de eenzaamheid, het verlaten gevoel, de angst van dat moment, angst voor de toekomst ook, maar ik denk dat flink wat lezers na dat eerste hoofdstuk zullen zeggen: ‘Er gebeurt niks, dit is saai.’
Die lezers verlangen naar lustmoorden en kinderverminkingen, om daarna iets te kunnen voelen.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Laura Broekhuysen zich inspireren door een verhaal van W.F. Hermans.

*

‘En zie je dat verschil dan niet, heb je geen onderscheidingsvermogen.’
W.F. Hermans, uit ‘Cascaden en riolen’

De winkel is je vertrouwd, blind laveer je tussen de schappen. Je bent vergeten dat het een ander filiaal is. Alles ligt waar het hoort, maar centimeters uit het lood. Je blijft misgrijpen, zoals je valsspeelt op een viool met een afwijkende mensuur, je wankelt als de muur een fractie te laat, te vroeg op je afkomt, slaat hellend hoeken om die graden stomper, scherper zijn.
Of komt het door je haast?

De vrouw naast de vrieskist, levensgroot, is je achterop gekomen. Je herkent haar niet; het geluid van haar schoenzolen blijft stilstaan in je oren, als water in verstopte trechters. Kijk maar over je schouder, ze zal zeggen dat je niets veranderd bent – materiaal met een geheugen, dat terug zal floepen in de oorspronkelijke staat zodra zij het cellofaan eraf trekt, ratst – je schrikt als ze haar handen voor je ogen vouwt.
Ra-ra! Ze laat haar vingers dwarrelen. Mijn handen, hoor je haar zeggen, of je haar handen dan niet herkent?
Je hebt je die stem voor de geest gehaald, in ditzelfde register, hooguit een microtoon ernaast.
Ze stuurt haar boodschappenkar om je heen – je schuift in een tijdschaal waarin een uur een etmaal is, zoals men in slow motion botst. Nu kijkt ze je aan. De wereld draaide, om haar as, rond de zon, maar zelf ben je, snel als het licht, zeventien gebleven.
Ze zegt: Ik kom hier nooit. Ze heeft het kapsel van een tweelingzus, gespeeld door dezelfde actrice. Ze lijkt wat minder ruimte te beslaan, maar of het nu geldt van links naar rechts of van boven naar beneden?
Je zegt dat je hier dagelijks boodschappen doet, herinnert je dan dat dat niet zo is, maar rectificeert je uitspraak niet.
Ze zet een stap dichterbij en wil je omhelzen, je staat net iets verder van haar af dan ze dacht, of stond je juist wat dichterbij – je proeft haren.
Ze vraagt hoe het gaat.
Het gaat je goed. Je hebt kinderen. Je noemt ze op.
Haar filtrum herinner je je rimpelloos, de contouren van neusbrug en bovenlip scherp, gestift vermiljoen, de spatielengtes tussen haar woorden – je was vergeten
hoe minutieus je haar in kaart hebt gebracht. Ze laadt twee liter karnemelk in haar kar. Ze vertelt waar ze werkt.
Daar fiets je wel eens langs.
Ze vraagt nog, je staat al bij de kassa, of je zou afstappen als je haar zou zien.
Op straat herken je niets. Als je ter oriëntatie je hoofd in je nek legt, vang je een laatste glimp van een maan die afneemt, opraakt, een sikkel zo dun als een schrikkelseconde.