Daniel Kehlmann, Colum McCann, Thomas Heerma van Voss: de redactie las deze week een mooie openingsscène en een intrigerend vervolg, een boekje met tips voor jonge schrijvers dat voorbijgaat aan het benoemen van praktische keuzes, en scherpe gedachten over kunst, schaamte en onzichtbaarheid.

*

Thomas Heerma van Voss: Daniel Kehlmann, Tijl

De roman Tijl heeft de beste openingsscène die ik in tijden heb gelezen. Hoofdpersoon Tijl Uilenspiegel – een bekend personage uit de Nederlands-Duitse folklore van de veertiende eeuw, een typische deugniet die in allerlei klassieke verhalen opduikt en door auteur Daniel Kehlmann nu is gesitueerd in het Europa tijdens de Dertigjarige oorlog (1612-1642) – komt aan in een gemeenschap waar men direct al ontzettend tegen hem opkijkt, ze kennen de roemruchte verhalen over zijn acrobatische kunsten en over zijn grootse krachten, en van die voorsprong maakt hij behendig steeds meer gebruik. Hij wint iedereens vertrouwen, hij laat de massa doen wat hij ze opdraagt – terwijl aanvankelijk bijna niemand in zijn buurt durft te komen.

‘Hoe heet jij?’ vroeg hij aan een meisje. 
Het kind zei niets, want ze begreep niet hoe het kon dat iemand die beroemd was met haar praatte. 
‘Ik vraag je iets!’ 
Toen ze hakkelde dat ze Martha heette, lachte hij alleen even, alsof hij dat allang wist. Daarna vroeg hij aandachtig, alsof hij het belangrijk vond: ‘En hoe oud ben je?’ 
Ze schraapte haar keel en vertelde het. In de twaalf jaar dat ze leefde had ze nog nooit ogen gezien als de zijne. Dat soort ogen had je misschien in de vrije steden in het Rijk of aan de hoven van de groten der aarde, maar bij ons was nog nooit iemand met zulke ogen geweest. Martha wist niet dat een mensengezicht zoveel kracht en geestelijke bezieling kon uitstralen. Later zou ze haar man vertellen, en nog veel later haar ongelovige kleinkinderen, voor wie Uilenspiegel een wezen uit oude sagen was, dat ze hem met eigen ogen had gezien.

In dit fragment komt veel naar voren van wat de scène als geheel (tientallen pagina’s) zo krachtig maakt: het enorme ontzag voor Tijl, de wijze waarop mensen zo door hem bedwelmd raken, en ook zijn overtuigingskracht. Meteen schakelt hij over van een beleefde, aftastende vraag naar een vrij directe uithaal, die overkomt als een bevel. En op die manier krijgt hij steeds meer gedaan – niet alleen van dit kind, maar van de hele gemeenschap, die hij op den duur allemaal een schoen laat uittrekken en naar voren laat gooien, waarna hij ze in hun gezicht uitlacht. Dit mechanisme van de grote groep die bedwelmd en geactiveerd wordt deed me denken aan Roman Helinski’s roman De Wafelfabriek, die gaat over een eveneens zeer charismatische man die eveneens een kleine groep mensen volledig puur met retoriek tot dubieuze handelingen overbrengt (in het geval van De Wafelfabriek gaat het om het trekken van tanden).
 
Wat overigens ook opvalt aan dit Tijl-fragment is het alwetende perspectief, dat hier vrijwel geheel bij Martha ligt (die in de rest van de roman niet voortkomt) en ook moeiteloos schakelt tussen het heden en andere tijden (Tijls reputatie die in het verleden is opgebouwd, wat ze later in de toekomst aan haar man vertelt). Dat past goed bij het soort klassieke verhaal dat hier verteld wordt, het mythische dat om Tijl heen hangt – al begon het me op den duur ook enigszins te storen. Tijl is ook na de geweldige openingsscène intrigerend, zeker, bijzonder sterk geschreven, maar ik kreeg gaandeweg het idee dat er iets ontbrak. Of dat het boek gewoonweg niet voor mij geschreven was, dat mij iets ontging wat alle andere jubelende lezers wel hadden opgemerkt. Daarover binnenkort meer in een recensie voor De Groene Amsterdammer. En wie benieuwd is geworden naar de openingsscène kan hier alvast een fragment lezen.

Uitgeverij Querido gaf Tijl uit. 

Jan van Mersbergen: Column McCann, Brieven aan een jonge schrijver

‘Vaak weet een schrijver de werkelijke reden voor het schrijven pas lang nadat het werk voltooid is.’ Een opmerking uit het boekje Brieven aan een jonge schrijver van Column McCann, een Ierse schrijver die ik zeer bewonder door zijn verhalen en romans, vooral Laat de aarde draaien en Vissen in een nachtzwarte rivier. Afstandelijk, helder, sober proza, steeds heel goed verteld.

McCann is docent Creative Writing in New York en nu brengt hij een boekje over schrijven, gericht aan jonge schrijvers, met vooral tips en helaas ook heel erg veel opmerkingen die wel een kern van waarheid bevatten (‘Geen enkel verhaal torent boven een ander verhaal uit,’ wat natuurlijk klopt en wat eigenlijk wil zeggen dat iedere schrijver vertrouwen moet hebben in het verhaal waar hij op dat moment aan werkt, want niks is beter of slechter dan dat verhaal, als het maar jouw verhaal is), maar werkelijke praktische schrijftips zijn het niet.
Halverwege het boekje stelt McCann dat het goed is om er soms even tussenuit te gaan. Ook dat is een juiste opmerking, maar een tekst wordt er niet beter van. Net als ‘schrijven is amuseren’ of ‘read Joyce’. Toch is het mogelijk om door die obligate opmerkingen heen enigszins in de buurt van schrijftips te komen die wel iets met jouw eigen schrijven kunnen doen. McCann zegt dat je alles moet lezen wat je te pakken kunt krijgen, dat het verhaal eigenlijk pas net begonnen is als jij denkt dat het af is (juist!) en dat je gewoon iedere dag moet gaan zitten en tikken. Gewoon doen. Wat je dan vervolgens moet doen en de vele technieken die je echt kunnen helpen komen in dit boekje niet aan bod. Te moeilijk om over te schrijven, denk ik.

McCann houdt het bij: ‘Sla stuk die spiegel.’ Hij zegt dat je iets kunt schrijven dat pijnlijk is en waar andere mensen last van kunnen hebben. Niks van aantrekken. Makkelijk gezegd en ook juist, maar hoe vertel je dat verhaal?
Schrijven heeft altijd te maken met keuzes, en als je voor het ene kiest en het andere niet ziet, dan gaat het mis, of kan het beter. Voorbeelden verduidelijken meer dan opmerkingen als ‘er zijn geen regels,’ zoals McCann doet.
Natuurlijk zijn er geen regels, maar als een compleet hoofdstuk van zes pagina’s in de voltooid verleden tijd verteld wordt terwijl dat (en dat is de keuze) evengoed in de verleden tijd verteld kan worden zo lang je maar in een paar woordjes aangeeft dat die hele scène daarvoor gebeurde, dan trekt het de tekst dichter naar de lezer toe. Wil je dat niet, dan hou je gewoon vast aan die afschuwelijke voltooide verleden tijd, dan heeft iedere zin een paar woorden meer, wordt de tekst stroperig en haken lezers af. Er zijn schrijvers die gewoon op die manier vertellen, prima. Maar weet de consequentie voor de tekst en de lezer. De tekst is verder weg, de lezer haakt sneller af. De keuze is aan de schrijver.
Een opmerkingen als ‘draag je aantekeningenboekje bij je,’ is een soort basisbeginsel. Schrijf je dat boekje vol met voltooid verleden tijd dan kun je dat boekje beter thuis laten.
Zo zijn er geen regels maar wel heel veel keuzes. Als je kiest voor een beschrijvende derde persoonsverteller, laat dan zo min mogelijk gedachten zien waarbij je in dat hoofd kruipt van de persoon die je beschrijft, daar word je alwetend van en dat schept de verkeerde afstand. Dat neemt ruimte bij de lezer weg en heeft nog veel meer gevaren in zich die je bijna in ieder boek tegenkomt. Weer afstand dus, dat is geen toverwoord maar een omschrijving van overdrachtelijkheid. En soms werkt afstand averechts: hoe meer afstand de verteller, hoe groter de overdracht. Dat lijkt ook zo’n loze stelling maar ook daarvan zijn voorbeelden te noemen. Pak een verhaal van Hemingway en hij speelt met afstand, doet als verteller bijna altijd een stap terug, is erg beschrijvend en heel precies, laat bijna alle gedachten en gevoelens weg, en daardoor komt juist het gevoel van zijn vertelling hard aan.
Afstand nemen, ruimte laten, overdracht. Allemaal zaken waar keuzes aan voorafgaan.

McCann wijdt een klein hoofdstuk aan het wie wat waar wanneer hoe en waarom van een vertelling, maar dat zet hij kort onder elkaar zonder de gevolgen van die keuzes te benoemen. ‘Wie vertelt het verhaal? Dat is misschien wel de gemakkelijkste. Je besluit tot een verteller en begint er leven in te blazen: waag je aan dat avontuur.’
Dat is de ene open deur na de andere, geen enkele schrijver heeft hier iets aan en schrijflessen die dit verkopen zijn oplichters die schrijven in de hoek van de ongrijpbare magie willen duwen, liever een esoterisch of therapeutische kreet dan een werkelijke tip. Avontuur. Schrijven benoemen als avontuur is het in stand houden van het romantische schrijven, van het beeld van de zwoeger met proppen papier onder zijn werktafel. McCann doet daaraan mee.

Waarom de werkelijke schrijfkeuzes niet benoemen?
Vertel je in de ik-vorm in de verleden tijd, dan is het echt zaak details te doseren. Je kunt ze vergroten maar als daardoor het verteltempo omlaag gaat dan werkt dit op de lezer in omdat hoofdpersoon en verteller nu eenmaal weten wat er allemaal gebeurt en wat er gaat gebeuren. Dat is het gevolg van de perspectiefkeuze. Doe je te lang over die vertelling dan voelt de lezer steeds dat er met hem gespeeld wordt, net zoals het achterhouden van informatie vervelend kan zijn met zo’n verteller. De lezer laat niet met zich sollen, om in de trant van McCann af te sluiten. Die gevolgen mis ik in de tips van McCann, terwijl hij zich heel goed bewust is van deze gevolgen want in zijn romans speelt hij hier feilloos mee.
Ooit ontmoette ik McCann, bij zijn boekpresentatie in Utrecht waar ik gevraagd was een paar woordjes te zeggen over zijn sterke romans. Aardige man, een schrijver waarmee ik heel goed over die keuzes bleek te kunnen praten, na die presentatie in een klein café in onder de Dom. Hij heeft daar echt gevoel voor, is slim en heeft aandacht. Jammer dat hij dit boekje niet doortrekt naar werkelijke tips. Het lijkt erop dat er een uitgever tussen McCann en zijn boekje met tips zat die heeft gezegd: niet te ingewikkeld, Column, laat die aspirant-schrijvers maar in de waan.
Ik hoop dat McCann in zijn lessen bij Creative Writing de studenten laat schrijven, dat hij ze laat praten, en vooral dat hij niet doceert als een schoolmeester die zijn leerlingen een tijdje in de schoolbanken houdt, zijn college afdraait en die studenten thuis laat tobben met de ‘praktische en filosofische adviezen’ die de ondertitel van dit boekje dragen.

Uitgeverij De Harmonie gaf Brieven aan een jonge schrijver uit.

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Plaatsvervangers

Ik las de afgelopen week veel non-fictie. Over Maarten Asschers essaybundel Toch zit het anders schrijf ik hier over enkele weken, dat verschijnt dan pas, en over Pieter Waterdrinkers Tsjaikovskistraat 40 kan ik mijn eerdere opmerking herhalen dat het zeer geslaagde non-fictie is. Waterdrinker roept de Russische revoluties heel levendig op, juist door zijn eigen persoon in te zetten. Daardoor wordt het ook geen roman – of er nog meer duizenden euro’s in de zeilschool van zijn zwager moeten, komen we niet te weten, en de dilemma’s van de schrijver-die-stopt-met-schrijven krijgen geen verdere uitdieping of een inbedding in een ruimere plot. Maar dat is geen bezwaar.

Een andere kijk op literaire non-fictie geeft Plaatsvervangers, van collega Thomas Heerma van Voss. Een boek dat ik lang heb laten liggen, bij gebrek aan een fysiek exemplaar maar vooral door enige huiver over het veronderstelde onderwerp: rappers en hiphopartiesten. En nog steeds heb ik geen enkele behoefte om te luisteren naar de muziek van de meeste van zijn personages – maar Thomas (ik mag Thomas zeggen) snijdt interessante kunstkritische onderwerpen aan, poëticale kwesties, persoonlijke zaken. In de dingen die hij over muziek zegt (en engagement, en originaliteit, en herkenbaarheid), schijnen scherpe gedachten over literatuur door, en hij lijkt met schaamte en onzichtbaarheid bepalende thema’s te hebben gevonden voor een oeuvre.

(Terzijde: dat durf ik te zeggen terwijl ik nog niet zoveel van hem gelezen heb, dat is niet netjes, maar misschien tekent dit wel zijn oeuvre. Mocht het project Revisor nog eens stranden, dan hoop ik dat Thomas de chroniqueur zal zijn van de ondergang. De tragiek van onzichtbaarheid, liefdewerk en oud papier, dat is wel aan hem besteed. Tweede terzijde: ik realiseer het me zelden in onze dagelijkse omgang, maar Thomas is tien jaar jonger dan ik, en het was bizar vast te stellen dat hij de zanger van Blur eerder kende door diens act Gorillaz dan door Blur. Dat de Spice Girls zijn basisschoolband was. Derde terzijde: in de tijd dat ik Recensieweb bouwde, vulde Thomas Hiphopleeft.nl. Ideale voortrajecten voor een literair tijschrift.)

Ja, schaamte en onzichtbaarheid. Thomas zoekt zijn helden op, maar houdt afstand, moet zichzelf ertoe zetten om ze te benaderen. Hij staat op een paar stappen afstand van Skunk Anansie’s Skin, maar loopt niet naar haar toe, en als hij in het slotessay zijn held Master P moet interviewen, zijn de zenuwen bijna onhoudbaar. Hij stelt die ontmoeting in zijn verhaal dan ook telkens uit, door verder terug te grijpen op zijn beweegredenen, zijn verleden als hiphopfan te onderzoeken. En hij denkt na over waarom hij deze figuren zo bewondert. Waarom Master P, die een muziekfabriekje heeft opgezet om miljoenen binnen te harken? Waarom Tim Dog, die zich in niets ontwikkelt behalve het oplichten van anderen? Dat zoekende is fascinerend, juist omdat zijn tastende antwoorden zo tegen-intuïtief zijn. En daardoor worden die personen alsnog sympathiek. Niet alleen de geweldige Rob van den Aker, met wie Thomas het Recensiewebachtige Hiphopleeft.nl vulde, en de wendbare kunstenaar Damon Albarn, maar ook kitschkoning Hans Zimmer, en dus die akelige opportunistische gangsterrappers.

Nog even wat zinnige opmerkingen citeren: 

  • Het is de ziekte van veel hedendaagse kunstkritiek: engagement wordt gezien als belangrijkste, soms zelfs enige werkelijke beoordelingscriterium.
  • Net zoals het me onzinnig lijkt om van een artiest engagement te willen, zie ik geen reden om te verlangen naar vernieuwing. Alsof iemand pas werkelijk talent heeft als hij meerdere registers beheerst. Ik heb meer affiniteit met kunstenaars die tot op zekere hoogte bij ieder project hetzelfde doen dan met degenen die zichzelf constant opnieuw willen uitvinden. Volgens mij komt de interessantste kunst ook uit die eerste groep, degenen die één specifieke toonsoort perfectioneren.
  • Ja, we leven in een tijd waarin mensen makkelijker traceerbaar en bereikbaar zijn dan ooit tevoren, en ja, daardoor wordt er afstandelijker en anoniemer gecommuniceerd dan onze ouders deden. Maar als er iets genoemd moet worden wat mijn generatie kenmerkt, denk ik eerlijk gezegd zelden aan digitale afstandelijkheid, ik denk eerder aan digitale nabijheid, en de abrupte verandering die internet teweegbracht bij mensen van mijn leeftijd.

Hear, hear. Lezen, mensen.

Plaatsvervangers werd uitgegeven door Thomas Rap. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

9. Goede leraren

Amsterdam, 13 maart 1961

Ik zit samen met Fritz voor de radio. Ik heb mijn schrijfspullen gepakt omdat ze op dit moment een symfonie van Mahler draaien en dat orkest speelt me te nerveus. We hebben het cassetteapparaat klaar staan, we hebben net een zoveelste proefopname gemaakt, dat ging goed, het klonk prima, niets minder dan de uitzending zelf. Voor de zekerheid hebben we er een gloednieuw bandje in gedaan. Het is tien voor half twaalf. Om kwart voor twaalf begint het, maar het zou kunnen dat hij vroeger aan de beurt is dus we zitten er al klaar voor, Fritz zit al die hele Mahler met zijn vinger op de opnameknop.

‘Een pleeggezin zal hem goed doen,’ zei mijn moeder. ‘Die pikken dat gedrag van hem nooit.’ Bijna tien jaar geleden is dat alweer, Hanna was een jaar of vijf. Fritz vond het een uitstekend plan; wij zouden toch naar Nederland gaan uiteindelijk, dan kon Nathan net zo goed alvast even wennen, miste hij ten minste niets op school. En ik had mijn handen vrij voor Hanna.

Ons afscheidscadeau was een viool. Vroegen in de muziekwinkel naar het beste exemplaar, we kochten de een-na-duurste. Het pleeggezin droegen we op een bekende leraar voor hem te zoeken, de prijs deed er niet toe, ze stuurden de rekeningen maar door. Ik had tegen het afscheid opgezien en hij gedroeg zich ook behoorlijk hysterisch voor een dertienjarige toen Fritz hem met zijn koffer en zijn gloednieuwe vioolkist de loopplank op duwde, maar toen de boot uit het zicht verdwenen was en wij weer terug naar huis konden voelde het als een opluchting. Anderhalf jaar later gingen we zelf. Nathan wachtte ons op in de haven, maar daar hadden ze hem toe moeten dwingen. Liever had hij nog wat viool gestudeerd.

Bijna half twaalf.

Hij is de beste van zijn jaar, daarom komt hij op de radio. Cum laude. We waren eergisteren met zijn drieën bij het eindexamen; Fritz, Hanna en ik. Zaten midden op de eerste rij in een stampvolle Kleine Zaal van het Concertgebouw, hij had briefjes met onze namen op de stoelen neergelegd. Achterin moesten mensen staan. Er zaten beroemde musici in het publiek, ik zat naast de intendant van het Concertgebouworkest, hij praatte zelfs even met me.

De orkestleden kwamen binnen, gingen zitten, stemden, riedeltjes, precies zoals dat gaat bij echte concerten. Ik lachte wat naar die intendant, probeerde me voor te stellen dat al die mensen – dat publiek, dat orkest, die intendant dus – hier allemaal waren voor mijn zoon, maar het lukte me niet. Iemand met een snor hield een praatje waarbij hij een paar keer onze achternaam liet vallen, daarna werd er geapplaudisseerd, en daar kwamen ze: de dirigent en hij. Het orkest stond als één man op. Hij droeg een rokkostuum. Hij liep zelfverzekerder dan de dirigent. Hij gaf de concertmeester een hand. Het applaus hield op. Hij knikte naar de dirigent, keerde zich tot het publiek (ik stak mijn hand op, in een opwelling, maar hij keek me niet aan), bracht de viool naar zijn schouder. Ik moest mezelf er de hele tijd aan herinneren dat die man met die kaarsrechte rug en die geconcentreerde blik, waar iedereen in de ruimte zijn ogen op gevestigd had, dat dat mijn zoontje was.

Vijf over half.

Na afloop wachtten we hem op in de foyer. Bijna iedereen wachtte hem op in de foyer. Fritz stond met iemand te praten, Hanna zat op een rode stoel een schilderij te bekijken en ik stond met mijn champagneglas voor de deur waar hij uit zou komen. Hij kwam kennelijk uit een andere deur, want opeens stond hij achter me, samen met die intendant, achter hen een hele club mensen die ook iets tegen hem wilden zeggen.

‘Wat hebt u een onwaarschijnlijk getalenteerde zoon, mevrouw,’ zei de intendant.

Ik knikte.

Nathan glom.

Ik bedacht dat ik mijn hand op Nathans arm zou kunnen leggen, dat dat misschien iets was wat moeders in deze situatie zouden doen, maar ik had een glas in mijn hand. Ik zei: ‘Hij heeft ook altijd heel goede leraren gehad.’

De intendant lachte.

‘Daar hebben we nooit een cent op gespaard.’

Mahler is klaar. Het gaat beginnen. Fritz heeft de opnameknop al ingedrukt.

Revisor nummer 17, ’10 leugenaars‘ is verschenen! Een dertiende, of als u de ongelogen werkelijkheid volgt, een zeventiende leugenaar, is Joost Vormeer. Voor ons schreef hij over een bevriende leugenaar.

Het Pandhof bij de Mariaplaats in Utrecht is een mooie plek om iemand voor het eerst te ontmoeten. We zaten op een stenen muur tussen het onkruid met blikjes cola. Mijn zus stelde haar nieuwe vriend Matteo voor. Zijn vader was een diplomaat en het gezin verhuisde gemiddeld om de twee jaar, van Denemarken naar Pakistan, van Indonesië naar Italië, een lijst met landen en plaatsen die als oude foto’s in zijn geheugen waren opgeslagen. Hij sprak vluchtig en in fragmenten, maar zijn verhalen leken vertrouwd.

Een zomerse dag in Denemarken. Ze stonden samen in de rij voor het openluchtzwembad, Matteo en zijn oudere broer.
Zijn broer, bewust in het Italiaans: ‘Wat zijn die Denen toch lomp hè? En wat klinkt dat taaltje slecht.’
Matteo: ‘Zou blij zijn als we snel weer verkassen. Ze zien er ook niet uit in die praktische kleren. Kijk naar die kerel voor ons.’
De man draaide zich om. Hij sprak Italiaans en had alles verstaan, woord voor woord. Maar hij werd niet boos. Overal op aarde mogen kinderen eerlijk zijn, alsof het om een oude internationale afspraak gaat.

Iemand anders die veel over zichzelf vertelt zou arrogant kunnen overkomen, maar ik merkte tijdens die eerste ontmoeting hoe weinig ruimte Matteo wilde innemen. Hij praatte zacht. En hij vroeg ook veel aan mij. Wat ik studeerde, waar ik woonde, wat mijn hobby’s waren en naar welke muziek ik luisterde. Hij was oprecht geïnteresseerd. Die middag droeg hij wijde jeans en een Hawaii-overhemd. Later vernam ik dat zijn kledingstijl een vorm van rebellie was tegen zijn ouders, die hem graag in een pantalon en overhemd of poloshirt zouden zien. En weer later merkte ik dat hij er nooit écht slordig uit kon zien, hoezeer hij ook zijn best deed. Het schreeuwerigste T-shirt stond bij hem nog beschaafd. Dat lag ook aan zijn symmetrische gezicht, zijn slanke postuur en zijn bruine haren die de neiging hadden om zonder gel in een scheiding te vallen.

Hij ging samenwonen met mijn zus. Als ik bij hen op bezoek ging, maakte hij het met mij naar de zin. Hij cijferde zichzelf weg. Dat had hij van zijn ouders meegekregen, vertelde hij. Ze hielden hem voor dat hij vanuit een zeker gevoel voor noblesse voortdurend rekening moest houden met anderen, mensen die het minder goed hadden getroffen.
Mijn zus en ik hadden de gewoonte om met Halloween een nacht lang naar horrorfilms te kijken. Matteo liet ons de films selecteren en zorgde voor hapjes, drankjes en natuurlijk een anekdote. Een winteravond in de Amerikaanse staat Washington. Hij reed met vrienden van zijn studie over de highway, bier in de kofferbak en countrymuziek op de radio. Ze hadden al uren geen andere weggebruikers gezien. Toen passeerden ze een auto die in de berm geparkeerd stond. Ze zagen iemand – of meerdere personen, dat wist hij niet meer – iets groots en zwaars uit de wagen slepen. Een lijk? Daar leek het op. Het was niet goed te zien. Na een kwartier van koortsachtig overleg reden ze terug. De auto was verdwenen.
Ik heb Matteo leren kennen als een goede verteller. Een plaats van handeling kiezen, de sfeer beschrijven, spanning opbouwen, elementen achterwege laten – het geheugen is tenslotte feilbaar – of ze later toch weer toevoegen om het nog wat aan te dikken: hij beheerste het perfect.

Er is een verband tussen literatuur en diplomatie. Opvallend veel bekende schrijvers zijn of waren diplomaten. Ik denk aan Gabriela Mistral, Mario Vargas Llosa, Octavio Paz, Konstantínos Kaváfis, George Seferis, Ivo Andri, Marie-Henri Beyle (Stendhal), Romain Gary en bij Nederland aan Carel Jan Schneider (F. Springer). Diplomatie is bij uitstek een talig bedrijf en de diplomaat kent de verschillende nuances van de woorden. Die weegt hij voorzichtig en zelfbewust; ze hebben de potentie om conflicten te veroorzaken of verergeren. Politici beseffen niet altijd waartoe hun woorden kunnen leiden, vooral nu ze met peilingen in het achterhoofd korte brokjes tekst de wereld in slingeren. Diplomaten brengen nuances aan en dan is het noodzakelijk een beroep te doen op de verbeeldingskracht, een context te creëren waarin die woorden net een andere lading krijgen. Het gaat om de juiste toon, de juiste stijl en de juiste timing, zodat er een evenwichtig verhaal ontstaat. Diplomaten kennen het belang van gedoseerde fictie.
In zijn wekelijkse column over buitenlandse politiek voor de Groene Amsterdammer schrijft Mathieu Segers: ‘De diplomaten hebben de taak om de werkelijkheid te plooien naar de woorden. Of in ieder geval die indruk te wekken. Omwille van de stabiliteit fabriceren zij af en toe een eclips van een deel van de werkelijkheid.’
Bij Matteo kwamen de eclipsen te vaak voor; de werkelijkheid verdween te veel uit zicht. Zijn biografie bleek niet te kloppen. Landen waar hij had gewoond had hij door elkaar gehaald, reizen verwisseld of compleet verzonnen en over vorige relaties gelogen. Dat laatste doen wel meer mensen, maar ook hier gaat het om de juiste dosering. Voor mijn zus was de ondergrens bereikt: ze verbrak de relatie.

Een zonnige ochtend in Wenen. Matteo en zijn broer zaten met hun ouders op een terras, maar hadden nog niets besteld. Ze besloten ergens anders te gaan zitten. Matteo ging naar binnen, de kleine afgezant van het gezin.
‘Mijn vader heeft een migraineaanval gekregen. We kunnen helaas niet blijven.’ Dat was wat hij van zijn ouders moest doorgeven. Zomaar opstaan en vertrekken vonden ze onfatsoenlijk.

Ik ben met mijn ouders nauwelijks in het buitenland geweest. Die ene middag in België voelde al als een avontuur. We luisterden naar Franstalige liedjes op de radio en deden er uren over om een friettent te vinden. Matteo was voor mij een kosmopoliet, een man die, als we het hem vroegen, alles kon vertellen over de laatste verkiezingen in Kenia of een aardbeving in Turkije. Om de twee jaar naar een nieuw land verhuizen leek mij geweldig. Ik realiseerde me dat we ondanks onze verschillende achtergronden iets wezenlijks deelden. Overal waar Matteo ging wonen, of het nu in Rome was of in Seattle, in New Delhi of Kopenhagen, was hij een vreemdeling. Overal moest hij opnieuw beginnen. En dat gevoel ken ik. Ik ben geboren in Zuid-Korea en geadopteerd door Nederlandse ouders. Er is een breuklijn in mijn leven die zich blijft herhalen. Bij elke grote verandering in mijn leven, een wisseling van school, baan of woning – vraag ik mij af waarom ik hier ben en niet ergens anders, in Zuid-Korea of in Zweden en de Verenigde Staten, andere landen waar veel Koreaanse geadopteerden terechtkomen.
In de vierde klas van de middelbare school las ik de roman Simon van Marianne Frederiksson, over een jongen met een Duitse joodse vader die vlak voor de Tweede Wereldoorlog door Zweedse ouders wordt geadopteerd. Als Simon wat ouder wordt, begint hij over van alles te liegen. Eerst is het nog onschuldig, maar later wordt het problematisch. Ik herkende die neiging. Op de middelbare school was ik ook een leugenaar. Ik loog vaak, vooral om niet gehaalde deadlines of slechte resultaten te verklaren. Docenten vonden mij onbetrouwbaar, begreep ik later
Net als de diplomaat heeft de vreemdeling altijd een verhaal paraat. Op elk moment kunnen mensen vragen stellen. Waar kom je vandaan? Hoe lang woon je hier al? Elke situatie vereist een nieuwe reconstructie, een variant van het verhaal dat je de vorige keer hebt verteld. Als je onzeker bent over je identiteit, heb je vaak het gevoel dat je verhaal niet klopt, dat er weeffouten zijn. Dan is de verleiding groot om ze met leugens te repareren.
De relatie tussen Matteo en mijn zus hield dus geen stand. Toch zie ik hem nog regelmatig, vooral omdat ik zo gehecht aan hem ben geraakt, niet alleen aan zijn verhalen, maar ook aan de manier waarop hij ze vertelt. Op zachte toon, bijna fluisterend, alsof hij mij in vertrouwen neemt. We spreken dan af op een station en drinken koffie uit plastic bekers. Ik ben het middelpunt op dat moment, een ingewijde. Of een medeplichtige. Ik kies ervoor om hem te geloven.

8. Op zee

Ergens tussen Engeland en Holland, 20 juli 1953

Terwijl aan de oostkust het zeewater tegen dijken beukte tot ze braken en met boten en al door de straten spoelde, koeien optilde van weiden, bomen auto’s marktkramen meesleurde – ook in onze stad ging het tekeer, we hadden dekens en handdoeken voor de deuren gelegd omdat het water de gang in liep, kniehoog stroomden de zoute golven over Kensington High Street – blies mijn vader, nog bleker en magerder dan hij altijd al was geweest, zijn laatste adem uit. Ik hield zijn nattige hand vast, omdat niemand anders het deed. In de kranten was geen ruimte voor een rouwadvertentie.

Begin februari. Met zijn vijven bezochten we de crematiedienst; mijn moeder, mijn broer met zijn vrouw en zoon en ik. Fritz werkte toen alweer in Indië, Nathan woonde al ruim een jaar in Nederland, de buren pasten op de kleine Hanna. Het was een korte dienst, we hielden allemaal onze winterjassen aan. Mijn broer had zijn patiënten voor die middag niet verzet. Toen mijn vader de oven in werd geschoven waren we allemaal alweer haastig onderweg, mijn broer naar zijn praktijk, ik naar Hanna en mijn moeder bezocht de kapper, want dat doet ze elke woensdag.

Omdat er dingen voor de erfenis geregeld moesten worden ontmoetten mijn broer en ik elkaar in zijn praktijk, waar hij zijn papieren bewaarde.

‘Dus dit is waar je patiënten normaal gesproken zitten?’ vroeg ik terwijl ik me in de stoel tegenover hem liet zakken.

‘Ja. Vind je het wat?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Beetje elitair.’ (Ik bedacht dat ik mijn voeten op zijn bureau kon leggen, dat dat hem uit zijn evenwicht zou brengen.)

Hij pakte een stapeltje papieren op, legde het weer neer. ‘Hoe gaat het met je?’

‘Hé, zeg,’ zei ik, ‘ik bén niet een van je patiënten, oké?’

Daar moest hij om lachen.

Hij nam de papieren weer in zijn handen en schoof ze naar me toe en ik zei, zonder dat ik dat van plan was geweest: ‘Weet je nog, de avond voor je naar Engeland vertrok?’

Ik wou toen al dat ik het terug kon nemen.

De avond voor hij naar Engeland vertrok. We waren met een hele groep, allemaal mannen, allemaal net afgestudeerde geneeskundestudenten, en ik dus. Ik droeg een blauwe jurk. Ik ging gewoonlijk niet naar kroegen maar dit was zijn laatste avond dus ik dronk de pullen bier in het tempo van de mannen, ik was vrolijk, ik praatte veel, lachte veel, een voor een vroegen ze me of ik wilde dansen, ik maakte pirouetten van de ene gretige omhelzing naar de andere. Intussen zag ik vanuit mijn ooghoek hoe mijn broer aan de toog stond en in de gaten hield of geen van zijn vrienden het te bont maakte, soms kruisten onze blikken.   

Een voor een dropen ze af, een van hen was zo dronken dat we maar besloten hem mee naar ons huis te nemen, we woonden dichtbij, we sloegen elk een arm van de jongen om onze schouder, stapten met hem tussen ons in over de klinkers van de Keulense verlaten straten, tilden hem over de drempel onze woning in, legden hem in mijn bed.

‘Over vier uur zit ik op de boot,’ fluisterde mijn broer. Het was stil in de kamer.

‘Niet aan denken,’ zei ik. Het leek alsof we heel luid ademden, zo stil was het.

Hij glimlachte. Het vlammen van zijn ogen deed me denken aan onze vader.

Ik trok mijn blauwe jurk uit, hing hem over een stoel. Mijn broer slikte.

‘Nergens aan denken.’

Hij knikte. Ik klom achter hem aan het stapelbed op.

‘Voel jij daar iets bij nog?’

Ik: ‘Nee. Nee, god nee.’

Hij sloeg zijn armen over elkaar. ‘Je moest eens weten hoe vaak ik dat soort verhalen hoor. Niets om je voor te schamen.’

‘Nee nee, doe ik ook niet hoor.’

‘De drank, – ’

‘Ja.’

Stilte.

‘Misschien werd het tijd dat ik naar Nederland ging.’

Hij haalde een hand door zijn haar. ‘Ik twijfelde al of ik erover zou beginnen.’ Vaste stem. ‘Ik had je dat al willen voorstellen. Dat lijkt me goed. Voor de jongen.’

Ik keek naar mijn knieën.

‘Hij heeft je nodig.’

Daarna regelden we de erfenis.

Dus nu zit ik op de boot, zoveelste boot. Bij het opstappen nam ik me voor me groot te houden, ik liep met grote passen, Hanna’s handje vast, de loopplank op, met de meute mee de kantine in, zocht een zitplaats bij het raam, ging met mijn rug naar dat raam toe zitten.

‘Zwaai maar even,’ zei ik tegen het meisje. De scheepshoorn loeide. Het gevaarte maakte zich trillend los van de kade.

Pas toen de eerste passagiers hun armen lieten zakken en zich van de ruiten rondom me losmaakten om hun cabine te verkennen stond ik op. En draaide ik me om.  

Al stond het helemaal vol met mensen daar en waren we al bijna voorbij de pier, ik herkende mijn broer meteen. Precies op dat moment, ik had me geen seconde later moeten omdraaien, liet hij zijn arm zakken en keerde hij de zee de rug toe, gebogen hoofd. Binnen een tel was hij in de menigte verdwenen.

7. Sneeuw

Londen, Guy’s Hospital, 20 januari 1947

Mijn broer is wat kaler geworden sinds ik hem gedag zwaaide in Southampton. Forser ook. Dat hij psychiater werd verbaast me niks. Hij moet een heel goeie zijn, hij kan heel aandachtig luisteren. ‘En wat voel je dan?’ vraagt hij vaak. Ik geloof dat hij me beschouwt als een van zijn patiënten.

Het sneeuwt. Ik heb een bed naast het raam. Aardig van ze. Ik lig op de derde verdieping en het enige wat ik zie als ik uit het raam kijk is lucht, het wapperende Engelse vlaggetje bovenop de ingangspoort en dwarrelende sneeuwvlokken. De baby is vijf weken oud, er is iets niet goed mee, ze ligt op de eerste verdieping, Fritz is veel bij haar. We hebben haar nog maar geen naam gegeven.

Ik had me onze aankomst in Engeland anders voorgesteld, maar ik werd dus ziek op de boot en in de haven wachtte een ambulance me op die me halsoverkop (sirenes! voor mij!) hiernaartoe bracht. Behalve de lucht en de sneeuw en dat vlaggetje heb ik nog helemaal niets van Londen gezien.

‘Wat voel je zelf?’ zou ik mijn broer willen vragen, maar ik wil hem niet afschrikken natuurlijk. Ik weet het antwoord heus wel. Ik weet heus wel waarom hij niet zo vaak langskomt, waarom hij me nooit recht aankijkt als hij zijn vrouw of zijn zoon bij zich heeft. Niemand kent hem zoals ik hem ken. Zoiets valt niet in te halen.

Ze zijn bijzonder aardig voor me hier. Ik dacht altijd dat ik me opgelaten zou voelen in een ziekenhuisbed, maar ik geloof dat ik een aangename patiënte ben, de artsen komen soms zelfs speciaal even langs op mijn afdeling om te vragen hoe het met me gaat. Dat hoeven ze niet te doen. Daar zijn de verpleegsters voor. (‘Wat voel je daarbij?’) Mijn Engels wordt ook met de dag beter. Misschien kan ik een paar van hen eens uitnodigen om bij ons te komen eten zodra ik hier weg ben. Dat zal wel niet zo lang meer duren, het gaat al een stuk beter. Ik hoop dat het dan nog sneeuwt.

Mijn ouders zorgen voor Nathan. Mijn moeder zegt dat hij wel wat discipline kan gebruiken. Ze is veel boos op hem. Ze vertelde dat hij met een schaar de bekleding van de bank in repen heeft geknipt. Ik denk dat ze wel gelijk heeft dat ik hem iets te veel heb verwend.

Zou hij het nog weten?

Misschien vergeet je jezelf als je psychiater bent; ben je zo bezig met andermans emoties dat je je eigen ermee neutraliseert. Waarschijnlijk zijn alle mensen voor hem studieobjecten geworden, is dat alles. Onze vader: een studieobject (interessant, interessant). Kijk hem mak zijn soep eten, neergeslagen ogen, afhangende schouders. (Onze moeder: ‘Ben jij nou een man?’) Kijk hoe hij zich niet verroert (of toch: zenuwtrekje in zijn ooglid), zich met ingehouden adem concentreert op de bewegingen van onze moeder, die de tafel afruimt, dreunende stappen naar de gang, hoe hij luistert terwijl ze haar jas aantrekt, haar boodschappentas van het haakje grist, de voordeur opent en weer achter zich dichttrekt – stilte. Kijk hoe de adem tussen zijn tanden door ontsnapt, hoe zijn rug ontspant, zijn kin zich losmaakt van zijn borst. Het opzwellen van de ader op zijn slaap. Hoor: het schuren van de stoelpoten over de houten vloer terwijl hij langzaam opstaat, zijn vuisten balt, weer inademt. Hoe hij zijn flikkerende ogen richt op mij, op mijn broer, op mij, op mijn broer – hij kan niet kiezen. We zijn vier en acht, vijf en negen, zes en tien. ‘Vertel eens, wat voel je dan?’ Soms wil ik hem heel hard slaan.

Het raam hier kan niet open. Ik herinner me hoe het knarst onder mijn schoenen, hoe fris en scherp de lucht ervan wordt. Ik wil een slee kopen en met Nathan naar Hyde Park. Een sneeuwpop maken. Achter een hegje wachten tot hij nietsvermoedend langsloopt, mijn broer, pas tevoorschijn springen zodra de sneeuwbal uiteengevallen is in z’n kraag (weg bedachtzaamheid, weg kalmte, weg psychiater – ‘interessant, interessant’), hoe het ijswater langs zijn hals zijn hemd in druipt.

Een verademing. Een feestje. Want Theater, Natuur, Verbeelding aan de Macht, Opstand, Vriendschap, Leugens, alsjeblieft, deze maand, deze week geen thema. Een themaloos nummer geeft lucht en vrijheid voor literatuur als de werkelijkheid: een chaos opgeknipt in gedichten en verhalen om na te vertellen.

U kent de vertellers. Dag lieve Sanneke, Jan, goed je te zien, ha Merijn, mister Pollock, nice to meet you. U leert ze steeds beter kennen. Dag Jente, Robin, Lucas! Of u ontmoet ze hier voor het eerst. Welkom Klaas, Simone, Runa, Vincent.

Als het feest is, dan zonder blokjes kaas en huismerkbier, zonder franje maar mét rafels: het leven zoals het is. En de dood, zoals hij naijlt. Want wie thema’s zoekt, vindt ze, in ‘het slippende leven’ (Lucas Hirsch). Of in ‘in de stad is weer een vrouw verkracht’ (marwin vos). Of in drie sloten op de deur. In eenzaamheid, de grote gemene deler van de literatuur. In drie langere verhalen, van Merijn de Boer, Jan van Mersbergen en Vincent Merjenberg vergaat je het lachen gaandeweg. Nee, Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang. Laat dit redactioneel uw persoonlijke uitnodiging zijn voor de afterparty, vier met ons de literatuur, kaderloos, in een stille, donkere stad.

Daan Stoffelsen

Lieke Marsman, Arjen van Veelen, Marjolijn van Heemstra, Tom Lanoye. De redactie las een knappe, geëngageerde collageroman, een essayistisch monument voor een overleden vriend, columns over jong ouderschap – en een toneelstuk over het Europa van nu.

*

Jan van Mersbergen: Tzum over recensie-exemplaren

Niet voor deze rubriek, wel zinnig: Van Mersbergen over exemplaren, zeuren en zonen op zijn blog.

Thomas Heerma van Voss: Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

Omdat ik morgen samen met Lieke Marsman te gast ben bij het Brainwash Festival, herlas ik Het tegenovergestelde van een mens. Een roman waarover de afgelopen maanden al veel is geschreven, vrijwel steeds op bewonderende toon. Ik heb aan die lof niet veel toe te voegen.

Marsman schrijft inderdaad bijzonder prettig en scherp, en dit is inderdaad een roman zoals die nog niet voorkwam (in Nederland?), in elk geval ken ik niets wat erop lijkt. Een collage van gedichten, columns, essays, verhaalflarden, allemaal niet expliciet verweven maar – en dat is het knappe – gevoelsmatig (en soms ook inhoudelijk) horen ze toch bij elkaar. En bij het centrale thema: klimaatverandering.

Dat is knap gedaan. Zelf zou ik in een roman altijd meer kiezen voor psychologische, zeg gerust gebaande paden, voor een duidelijker verhaal en een explicietere nadruk op het hoofdpersonage, op kleine handelingen en gedachtes, op gewoonweg scènes, miste ik bij tijd en wijle ook in Het tegenovergestelde van een mens ook. Maar bij dat gemis stelde ik me steeds voor dat Marsman er om zou gniffelen, dat ze zou zeggen: daar gáát het natuurlijk niet om in dit boek, denk eens niet zo voorspelbaar. (Wat ook weer zou raken aan het thema van het boek, het starre handelen en vastgeroeste denken dat er bestaat rondom klimaatverandering.)

Op bladzijde 23 denkt Marsmans hoofdpersonage: ‘Ik schipper tussen enerzijds het verlangen een actievere bijdrage aan de maatschappij te leveren, anderzijds het verlangen die maatschappij volledig buiten te kunnen sluiten. Als gevolg sluit ik dagelijks een compromis met mezelf door vooral veel over de maatschappij te lezen. In mijn eentje achter mijn bureau struin ik website na website af, kijk documentaire na documentaire op YouTube, bezoek het ene na het andere WikiLeaksforum en deel plaatjes van het op rauwe kipfilet lijkende hoofd van Donald Trump met mijn Facebook-volgers.’ Een mooi citaat. Ook zette ik een streepje bij: ‘Mijn apathie is een gevolg van hoe de generatie van mijn ouders de wereld achterlaat, mijn cynisme een uiting van verslagenheid […].’ Wederom: interessant, en een goede weergave van de essayistische toon bovendien, maar waarom het zulke zinnen me nu extra opvielen, waarom mijn nadruk er naar uit ging, was toch dat Brainwash-programmaatje, dat draait om engagement van een hedendaagse schrijver.

De aanleiding: de door Auke Hulst samengestelde bundel Als dit zo doorgaat, die een halfjaar geleden verscheen en waarover Daan in deze rubriek eerder schreef. Marsman en ik schreven beiden een bijdrage voor de bundel. Ook Hulst is morgen te gast, ik meen uit de Brainwash-site op te maken dat hij het interview leidt. Wat ik zeker weet is dat hij uit sociale betrokkenheid, uit het gevoel dat dit zo niet langer door kon gaan terwijl hij roerloos toekeek, begon met Als dit zo doorgaat – direct aangewakkerd door de actualiteit en verantwoordelijkheidsgevoel, dus.

Op de site van Brainwash lees ik: ‘Wat als dit zo doorgaat? In welke situatie kunnen we belanden als de abnormaliteit van het Trumpisme normaliseert en de verrechtsing van Europa doorzet? Durven we stil te staan bij de vraag: welke wereld zijn we aan het maken? […] Thomas Heerma van Voss, Auke Hulst en Lieke Marsman bespreken de vraag of er voor ons als mens een verplichting bestaat tot engagement.’ Gewoonlijk begin ik bij het woord verplichting al meteen mijn hoofd te schudden. En denk ik over publieke optredens: ik weet wel wat ik wil zeggen, wat ik vind. Maar nog eens bladerend door en lezend in Het tegenovergestelde van een mens betwijfel ik of ik weg kom met die houding, en vooral of ik er goed aan doe.

AtlasContact gaf Het tegenovergestelde van een mens uit. Daan Stoffelsen besprak het boek al voor Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Arjen van Veelen, Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, Marjolijn van Heemstra, Het groeit! Het leeft!, Tom Lanoye, Fort Europa

Vier jaar geleden overleed Thomas Blondeau (1978-2013). Ik heb niets van hem gelezen, en dat is toeval. Want zijn gepubliceerde oeuvre liep samen met de oprichting van Recensieweb.nl, hij is zo’n schrijver die ik had kunnen volgen, zoals Christiaan Weijts en Marente de Moor en Gustaaf Peek en Wytske Versteeg en Annelies Verbeke en Arjen van Veelen. Van Veelen ken ik persoonlijk, hij schreef wel eens voor Athenaeum, hij publiceerde na het winnen van de Hanlo Essayprijs Klein twee essaybundels (met de tweede won hij de Hanloprijs Groot). Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is zijn eerste roman. Thomas Blondeau speelt er een belangrijke rol in. Van Veelen en Blondeau waren bevriend, en de plotselinge dood van een collegaschrijver, Tomas, werpt een schaduw over het leven van de ik in deze roman.

Dat is geslaagd. Af en toe, ik denk dat ik dat vooral in het begin opmerkte, zit er zo’n wijsneuzigheid in die te weinig bij debutanten weggeredigeerd worden, zoals: ‘Een beker vol gif genaamd suiker.’ Lelijk en pedant. En deze wijsheid? ‘Maar je moet degene die je vroeger was niet steeds verwijten maken; die persoon had zo zijn redenen. Melancholie is laffe levenskunst en spijt is zo gratuit.’ Toch wel waar en goed gezegd. Maar de opzet is intrigerend, oorspronkelijk en aangenaam. De roman beweegt zich (in chronologische volgorde) van Leiden naar Amsterdam naar Roesbrugge naar St. Louis naar Alexandrië (maar er wordt heen-en-weer gereisd, en zeker heen-en-weer-herinnerd). Tomas is dood, en de ik gaat naar Alexandrië om zijn boeken in de Bibliotheek van Alexandrië te zetten, of om de tombe van Alexander de Grote te vinden, over wie hij een ‘geautoriseerde’ biografie schrijft. Het is een deprimerende vakantie. Niets dan stof en jetlag en hitte en desilussie.

‘Het was cafépraat geweest, de hele vriendschap: cafépraat. In een café zitten drinken – daar heb ik hem toch niet voor nodig, dat kan ik ook zelf. En er waren avonden dat we sowieso nauwelijks iets tegen elkaar zeiden – zwijgen, dat kan ik ook best alleen.
En toch, ik herinner me juist die avonden als de mooiste. En ik mis ze het meest. Wat is dan het verschil tussen samen zwijgen en in je eentje zwijgen? Als ik dat wist, weet ik het gewicht van onze vriendschap, ongeveer zoals je het gewicht van de ziel kunt bepalen door een lichaam te wegen voor en na de laatste ademtocht. Dit balkon is een goede plek voor experimenten: er is hier niets, alleen de herrie van de auto’s.’

Maar de herinneringen aan deze Tomas, een larger-than-lifefiguur, de Sebaldiaanse fotografie, en de steeds nadrukkelijker in beeld verschijnende obelisken over de gehele wereld, maken dat goed. Van Veelen meandert, hij bouwt een monument – obeliskvormig zo u wil – voor zijn overleden vriend door te omzwerven. Het is niet mierzoet, want er zijn ook IS-filmpjes. Het is niet doodernstig, want er is een variant op ‘Clicks naar Hitler’ (volgende week zal ik een boek van Joost de Vries lezen, beloofd) en een obsessie met het spelletje Snake. Bovenal: de zinnen kloppen.

En er is meer dan rouw, er is ontwikkeling. Behalve dat de obelisken zich oprichten uit de herinneringen aan Tomas, zien we dat de ik uit de schaduw van zijn vriend gegroeid is. Die was hem altijd voor in de waardering voor grote schrijvers (Pessoa? ‘Dat was toen. Nu lees ik Majakovski. Heb je die nu al gelezen? Die man verbrijzelt het verleden.’), maar de ik houdt toch vast aan zijn voorkeur voor Kaváfis. Het voelt als een beweging naar gelijkwaardigheid die bij leven niet vervuld is (terwijl Tomas de ik en zijn vrouw getrouwd heeft, de vriendschap is wel degelijk volwassen geworden, maar dat blijkt weinig uit de anekdotes), maar in de roman postuum wel een afronding krijgt.

Mooi boek. Als tegenwicht bij de dood las ik ook Marjolijn van Heemstra’s Het groeit! Het leeft!. Ze was vorig jaar een van de aanjagers van deze rubriek, en moest vanwege haar tweede zwangerschap haar interimredacteurschap staken. Daar ligt ook de natuurlijke begrenzing van deze bundel columns. Columns? Ja, columns. Van Heemstra kan dat: de combinatie van een scherpe blik voor het ongerijmde of juist terugkerende, gecombineerd met ambachtelijk meesterschap waarin ze uitzoomt, wendingen neemt, kleur geeft aan scènes.

Zo’n observatie: ‘Iemand zei me ooit dat er twee dingen zijn die maken dat mensen oeverloos tegen je gaan praten: een vouwfiets en een baby. Een vouwfiets heb ik niet maar dat van die baby kan ik beamen.’ En dan doorpakken, met een mooie hyperbool (‘Er lopen zeker honderd wildvreemde Amsterdammers rond die heel precies weten hoe mijn bevalling is verlopen. Het werkt louterend, al dat geklets.’), het enthousiasme dat in ergernis omslaat, en tenslotte weer dat gaan missen, zodat ze in plaats van alleen baantjes te trekken in het pierenbad stapt om te bekennen dat ze net een kind heeft.

Interessant, relevant, alleen niet allemaal achter elkaar lezen. Maar wel bijvoorbeeld 30 oktober naar de Amstelkerk te Amsterdam gaan om erover door te praten. Met onder anderen Lynn Berger en een vroedvrouw die ook filosoof is. Ik kan niet. Doet u Marjolijn de groeten van mij?

Ten slotte las ik, in voorbereiding op de avond met Tom Lanoye zijn Fort Europa. Theater uit 2005 dat grotendeels zijn actualiteit behouden heeft. De stemmen van Europa – een chassidische jood, een kapitalist, een stamcelbiologe, drie bejaarde hoeren – bepleiten hun zaak, zonder het blad voor de mond te nemen en stellen vast: op het oude continent is daar geen plek meer voor. Geestig en wrang. Uit de vele citeerbare passages:

‘Russen zijn eeuwige kinderen, zwakzinnigen – waarom denk je dat er zoveel Mongolen wonen?

En Tolstoj dan? Tsjechov? Dostojevski?

Schrijvers heb je overal. Schrijvers zijn genetische accidenten. Zeker in Rusland. De lezers, daar gaat het om. Driekwart analfabeten, dat zegt genoeg. Om dat te veranderen was er een despoot nodig als Stalin, en miljoenen deporteerde doden in de diepvries van Siberië. Dat was er nodig, om van driekwart analfabeten naar de helft analfabeten te gaan.’

Uitgeverij Cossee gaf Het groeit! Het leeft uit. En De Bezige Bij gaf Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Fort Europa (Prometheus) is niet meer te krijgen, een enkel exemplaar nog via Boekwinkeltjes.nl.

In Idaho, het debuut vam Emily Ruskovich, hebben de man en de vrouw waar het boek over gaat een kort gesprek over hun verleden.
‘Heb je ooit van iemand anders gehouden?’ vraagt de man.
De vrouw antwoordt: ‘Nee, natuurlijk niet.’
Een vervolgvraag is of ze ooit met andere mensen naar bed is geweest, vóór hem.
Dan zegt ze: ‘Nee. Alleen met jou.’
De lezer weet wel beter, in ieder geval is haar eerste antwoord een kleine leugen. De man slikt die leugen, waarom is onduidelijk en daardoor spannend.
Ruskovich weet dat het voldoende is dit gesprek niet verder te duiden, want zij is de enige die zeker weet hoe ver de leugen reikt, de leugen waar haar roman op stoelt, de roman die haar waarheid is.
In dit nummer onderzoeken we leugens. We vroegen schrijvers om persoonlijke essays, en dus leggen ze de leugenmeetlat langs zichzelf. Wat weet je van jezelf en hoe verhoudt jouw leven en jouw schrijven zich tot de leugen? Maar ook kijken we naar de leugenachtige verhouding tussen personages en schrijver, tussen schrijver en lezer, tussen personages en lezer.
Wat weten ze van elkaar? Hoe dominant is de schrijver? Hoe ver laten lezer en personages zich meevoeren? En wat is de rol van de verteller? Is dat de schrijver zelf of is dat een personage dat tussen schrijver en lezer staat?
De mooiste literaire leugen die ik ken staat in een roman van Willy Vlautin: Lean on Pete, vertaald als De ruwe weg. Lean on Pete is de naam van een renpaard. Een jongen, Charley, raakt bevriend – voor zover dat kan – met het oude renpaard. Zijn thuissituatie is problematisch. Zijn vader is er zelden en als hij op een gegeven moment tijdens een ruzie door de voorruit van hun huis geslagen wordt en naar het ziekenhuis moet staat Charley er alleen voor. Een bezorgde politieman wil graag dat er iemand bij de jongen is. Hij vraagt: ‘Heb je iemand die vanavond bij je kan zijn?’
Verteller Charley zegt: ‘Mijn oom komt straks.’
Alle lezers weten dat Charley helemaal geen oom heeft. Dat hij alleen is. Hij zegt dit om van die vervelende vragen af te zijn. Die leugen is bijzonder sterk, want ook al laat Vlautin hem alleen maar zien, het maakt zijn personage waarheidsgetrouwer, en dus de roman ook.
Deze leugen smeedt een verbond tussen de ‘ik’ en de lezer. Het is alsof de verteller en de lezer naast elkaar aan de bar zitten.
Dat bargesprek zetten we in dit themanummer voort: bekentenissen, herinneringen en leugens bepalen de teksten van deze tien, vooruit, veertien leugenaars. We vroegen om leugens, we kregen ze. En we zochten samenwerking met De Nieuwe Garde, het platform dat beginnende essayisten begeleidt naar publicatie. Hieruit kregen twee auteurs een plek in dit nummer, en een derde op Revisor.nl.
Dat leverde dertien essays en een gedicht op over dodelijke leugens, halve waarheden, fictie, verzwijging, zelfbedrog, bluf, geheugen, met Montaigne, Rousseau, Curtius & Gide, Hemingway, Coetzee en Krasznahorkai, met Édouard Louis, Robert Watson-Watt, Astrid Lindgren, John Cheney-Lippold, Marijke Schermer, en vooral met onszelf.
Op zoek naar de waarheid over de leugen.

Jan van Mersbergen

     

    Tommy Wieringa, Richard de Nooy, Lucas de Waard, Renée van Marissing, Maarten van der Graaff: de redactie las een immigratieroman in streekvermomming (advance praise), een messiasmozaïekroman, en knappe roman met onvergetelijke veegwagenbestuurders, een kleine, hyperbewuste roman, en een fraaie, tastende roman over religie.

    *

    Jan van Mersbergen: Tommy Wieringa, De heilige Rita

    In De heilige Rita gaat Tommy Wieringa terug naar zijn Twente, compleet met het decor, de stokige karakters, de taal van de mensen daar aan de Duitse grens. Ik hou erg van proza waarin de taal van de mensen niet alleen realistisch is, maar ook beeldend en ook kort. Geen geklets. Wieringa vult zijn bladzijden – zoals altijd – met goedlopende zwierige zinnen, maar als zijn personages praten dan is het kort en duidelijk, en krijgt het accent een plaats. ‘Wat bi-j laat,’ zei zijn vader toen hij binnenkwam. Dat moet je hardop lezen, want zo op papier lijkt het Hongaars. Toch is de klank volkomen duidelijk en vormt die klank mede ook het personage.

    Het mooiste voorbeeld, dat ik direct toen ik de zin las in een mailtje naar Wieringa stuurde om hem te complimenteren met dat zinnetje: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, “want we wonen langs een drukke weg”.’

    Hier hoef ik helemaal niks aan toe te voegen, zo beeldend en schitterend, zo veel meer staat hier dan die paar eenvoudige woordjes doen vermoeden. Niks over zeggen, behalve dan dat de tot nu toe genomineerde zinnen voor de Tzumprijs, de prijs voor de mooiste zin uit de Nederlands romans van dit jaar met als prijzengeld het aantal woorden in euro’s, vanaf nu kansloos zijn.

    Op vrijwel iedere bladzijde vind ik zulke zinnetjes. Wieringa gaat terug naar Twente, en dat is voor mij vooral herkenning. De jongen die pasta en rijst aan zijn menu toevoegde, die zijn vader dat laat eten, ‘zijn opstand tegen het regime van aardappelen. Al hield hij zelf ook het meeste van aardappelen, je moest je ertegen verzetten. Je werd er simpel van’. Een en al herkenning en vooral het oordeel dat je simpel wordt van het eten van aardappelen voel ik iedere avond als ik thuis niet kook en er aardappelen op tafel komen want mijn verzet tegen de piepers is erg hardnekkig, ik kook het liefste spaghetti of maak nasi. En dan toch hou ik eigenlijk het meest van aardappelen, van goed gebakken aardappelen, precies in de juiste grootte gesneden, ongeschild.

    De Chinees die in De heilige Rita achter een gokkast zit, ‘die al een tijdje op geven staat’. Waarschijnlijk kennen veel mensen die uitdrukking niet, zij zullen hier overheen lezen, maar in mijn oude dorpscafé werd er zo over de fruitautomaten gepraat, als wij aan het biljarten waren.

    Er valt een vliegtuigje uit de lucht, in de tijd voor die van hoofdpersoon Paul, en dat vliegtuigje doet in de verte denken aan Joe Speedboot, maar in dit boek geen artistiekeling die de lucht in wil, het is een Rus die juist naar beneden wil, op de juiste plek het liefst. Dat verhaal maakt van deze roman misschien een immigratieroman, maar voor mij is dit boek thuiskomen, in mijn eigen kleidorp dat weinig verschilt van het Twentse veen, zeker als carnaval eraan komt en de Rus zo dronken gevoerd wordt dat hij een alcoholvergiftiging oploopt. Heel anders inderdaad dan de rijke Venlose vastelaovend, waar in plaats van een enkel hoofdstukje wel een complete roman over te schrijven is.

    De heilige Rita is een rijk boek dat op het eerste gezicht geboren lijkt uit fantasie. Daar geloof ik niks van. De beelden die Wieringa oproept zijn geen droombeelden, het zijn de verhalen van het land dat hij goed kent, zijn land. Of het nou een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest.

    De Bezige Bij geeft De heilige Rita uit, de roman verschijnt 24 oktober.

    Thomas Heerma van Voss: Lucas de Waard, Kraaien Tellen, Renée van Marissing, Parttime Astronaut, Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen

    ‘Ik sluit niet uit dat ik een vertekende blik op de werkelijkheid heb, maar t is net alsof er steeds meer boeken uitkomen,’ schreef Marja Pruis deze week op Twitter. Een gedachte die bij mij ook al was opgekomen, misschien ook vanuit een vertekende blik op de werkelijkheid, misschien wel omdat ik zelf niet al te lang geleden een nieuw boek heb uitgebracht — maar wat lijkt er ontzettend veel te verschijnen, de ene potentiële bestseller na de andere, en dan ook nog al die minder bekende auteurs die zich daar tussen moeten wringen. Ik probeer het bij te houden, zeker als het gaat om wat er aan Nederlandse fictie verschijnt, maar dat is niet te doen. Dat is het natuurlijk nooit, nu lijkt het alleen nog meer onbegonnen werk. Niettemin las ik de afgelopen weken veel, graag deel ik hier enkele losse bevindingen bij nieuwe Nederlandse titels:

    • Ik las Lucas de Waards Kraaien Tellen, deels omdat ik met hem enkele boekhandels aandoe en deels omdat het verhaal me aansprak: de introverte, sociaal onintelligente en soms ronduit laveloze Tobias is veegwagenbestuurder en zijn zus heeft vlak voor het begin van de roman zelfmoord gepleegd. Dat laatste is een goede keuze en heeft De Waard mooi uitgewerkt: hij klopt het drama niet op en bouwt niet toe naar een emotionele climax, de climax is juist al geweest, voor aanvang van het geheel, en via herinneringen (dat zijn er veel) komen we daar steeds meer over te weten. Dat werkt, zeker door de rauwe ondertoon in de roman, en de scènische opbouw.Met de verhaallijn in het heden had ik aanvankelijk meer moeite, althans, het duurde even voor ik daar in kwam, maar uiteindelijk ging ik mee met Tobias. En ik voelde zowaar iets van sympathie voor deze in essentie weinig sympathieke hoofdpersoon. Knap gedaan — nationale boekenredacties, lezen jullie mee? Sinds ik Kraaien Tellen las kijk ik bovendien anders naar elke veegwagenbestuurder die ik langs zie rijden, en dat lijkt me toch ook een verdienste van het boek.
    • Ik las Renée van Marissings Parttime Astronaut, een roman die juist vooral gaat over het heden, nou ja, over het alledaagse, over de verwijdering tussen een vrouw (de ik-verteller van het geheel) en haar echtgenoot. Tussen hen in staat een kind, te jong om echt mee te doen, oud genoeg om dingen wel te voelen en min of meer te begrijpen. Van Marissing heeft een fijne schrijfstijl, met een broeierig, natuurlijk ritme, met lange zinnen vol cadans, en wat mij aan Parttime Astronaut overtuigt is hoe ze inzoomt op de kleinste handelingen, beweringen en bewegingen binnen een relatie, binnen een samenzijn, en hoe ze de bijbehorende irritatie voelbaar maakt.Het verhaal is klein, behapbaar, en het leed is in zekere zin ook klein. (Al deel ik de conclusie niet die de Volkskrant dit weekend over deze roman trok: wat is het probleem nou eigenlijk? Alsof problemen altijd objectief groot moeten zijn, alsof verhalen niet juist interessant kunnen worden als kleinigheden in iemands gedachten grote casussen worden en alsof literatuur er niet om draait om zulke processen inzichtelijk te maken. Ik vind het juist fijn dat het hier allemaal niet te erg wordt opgeblazen en dat al te voorspelbare zijpaden als het gaat om echtelijk ongeluk niet worden ingeslagen.) Door die kleine opzet is Parttime Astronaut het soort boek dat je binnen een dag uitleest, wat natuurlijk ook een kwaliteit is, maar wat ik ook jammer vond: net toen ik een soort van verbond met de hyperbewuste, op alles reflecterende hoofdpersoon had, en toen ik dacht dat ze haar bestaan en dus verhaal ging omgooien, liep de roman ten einde.
    • Ik las Maarten van der Graaffs Wormen en Engelen, een fraaie, tastende roman over religie, over het afvallen van je geloof en het verlangen naar gemeenschap. Het geheel zit vrij los in elkaar, scènes worden vermengd met e-mails, heden met verleden, het is allemaal veel losser dan ik op grond van enkele besprekingen en de achterflap gedacht had, maar dat werkt wonderlijk goed: zonder dat Van der Graaff de verbanden expliciteert voel je dat al die fragmenten en scènes met elkaar te maken hebben, soms juist ook door het contrast (feestjes met XTC, de rituele doop van de vader van ik-personage Bram).En ik ging met deze Bram mee. Wat me in deze roman vooral overtuigde was dat het nergens een afrekening wordt met een bepaald milieu, niets of niemand wordt belachelijk gemaakt: er is afstand, zeker, Bram kijkt bij tijd en wijle eerder met jaloezie dan met afkeer naar volwassenen die zich bewust onderdompelen in religieuze taferelen. Een veelzeggend en knap citaat iets over de helft: ‘Een geloof waarin mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor de manier waarop ze handelen is toch een kinderachtig geloof? En ja, zulke geloven bestaan er genoeg, maar is dit uniek aan gelovigen? En toch hoorde ik niet meer bij die ondefinieerbare groep: christenen. Is van je geloof vallen dan zo’n mistig proces, zo traag? Hoe moet ik waarde hechten aan het afvallig zijn? Nu ik me heb afgekeerd van God, wil ik weten waarnaar ik me toekeer.’

    AtlasContact gaf Wormen en Engelen uit. Een voorpublicatie staat op Athenaeum.nl.
    AtlasContact gaf ook Parttime Astronaut uit. Ook daarvan staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.
    De Geus, ten slotte, gaf Kraaien tellen uit.

    Daan Stoffelsen: Richard de Nooy, Van kleine helden

    Ik heb de ontstaansgeschiedenis van dit boek in vele stadia kunnen volgen. Over het plan ervoor las ik voor het eerst als adviseur voor het Letterenfonds in 2013, ik meen dat het toen om een estafetteverhalenbundel ging. (Full disclosure: ook toen kende ik Richard al, ik mocht het boek niet beoordelen.) Later, vanaf 2014, bood Richard Revisor korte verhalen, satellieten bij zijn bundel aan, onder de noemer ‘Bekende vreemden’. Een voorloper was ‘Annunaki‘, en na ‘Morfine’‘Rostjni Dan’‘Skeledžija’, was ‘Muntje’ de vijfde aflevering. Soepel, sober proza, maar vooral literair spel. Uitproberen. In de tweede persoon geschreven, of in meerkeuzevragen, of als een lijstje (‘Rojstni Dan’ blijft geweldig). En een groot verhaal uit het boek is een halfjaar geleden deels in Revisor 14, in zijn geheel op Revisor.nl verschenen: ‘Schietstoel.’ Daarna was ik nog in de gelegenheid Richard een grote literaire prijs te bezorgen, maar behalve Max Pam (de Max Pam Award) en Guus Bauer (De Grote Inktslaaf Literatuurprijs) zijn er geen eenmansjury’s in dit land, en in mijn eentje heb ik Richard niet op de longlist gekregen.

    Van kleine helden is te beschrijven als een mozaïekroman, en de mozaïeksteentjes die ik in de loop der jaren verzamelde, konden me hier niet op voorbereiden. Want het is echt een mooie, rijke, geëngageerde roman geworden. Het begint ook daadwerkelijk als een verhalenbundel. Verhalen van weldoeners, vloekende, gemankeerde, aan lager wal geraakte of simpelweg gedesillusioneerde weldoeners, dat wel, maar ze helpen tenminste. Ze geven telkens hun naam aan het verhaal, ondertitel is de locatie, we leren ze in kort bestek bekennen en raken ze dan weer kwijt. Eeuwig zonde, sympathieke figuren. (Richard, als je meeleest, voor je Engelse vertaling: Fabel van Venetië, een wondermooie mysterieuze Corto Maltese, eindigt met een reünie van levende en dode personages. Zoiets mag ook wel bij Small Heroes.)

    Uit: Hugo Pratt, Fabel van Venetië

    Wie we niet kwijtraken is Per en zijn hond Bodolf, die in het openingshoofdstuk een piepende steen aantreffen in het Noorse bos waar ze wonen. Per leren we kennen als een verwarde oude man, een figurant in die andere verhalen, en via zijn figuratie ontvouwt zich een reis. In Zweden:

    ‘De oude man kijkt Jens zwijgend aan. Een diepe frons verschijnt op zijn voorhoofd. “Ik kom wat brengen. Of ik ga wat halen. Misschien allebei.”
    “Hoe bedoelt u?” vraagt Jens.
    “Aha…” zegt de man en loopt naar de schap met wegenkaarten. Hij zet zijn bril op en kiest een kaart van Europa. Als hij de kaart voorzichtig openvouwt op de balie verspreidt zich de kruidige geur van dennennaalden en tijm, als zomerregen op een hete dag. Met zijn gekromde wijsvinger trekt de oude man een lijn vanuit Noorwegen door het hart van het continent naar Italië en zegt dan plechtig: “Omnes viae Romam ducunt.”
    “Pardon?” lacht Jens.
    “Alle wegen leiden naar Rome,” zegt de man.
    “U wilt dus naar Italië.”
    De oude man knikt. “Ja, dat lijkt me een goed idee.”‘

    Ik vind dat mooi, hoe die geur zich verspreidt tot een seizoen, en hoe je deze Per eerst als dement inschat, maar langzaamaan meer in hem begint te zien… De route leidt door Duitsland en Tsjechië en Italië (waar De Nooy prachtige scènes neerzet in het appartement van Maldini en rondom het sterfbed van een strenge moeder-overste), en vandaar door de Balkan via Turkije en Syrië naar het beloofde land. In Syrië komt hij met een geweldige, grappenmakende Turkse jongen die me ook aan een personage van Corto Maltese doet denken (sorry collega’s, medio november kunnen jullie hier een verslag van het nieuwe album verwachten), en hij redt mensen en overleeft de bizarste situaties. Is deze man niet de messias? Hizir? De Mahdi? Al-Khidr?

    (De Nooy heeft eerder een messias geportretteerd, in Zendingsdrang, en we hadden nog maar kort geleden Dertig dagen van Annelies Verbeke. Per beweert ergens dat hij nog maar 48 dagen oud is, en dat komt wel overeen met de grotere omvang van deze roman. Het is een rage, las ik in de krant:

    Jezussen in Trouw

    )

    Het heeft iets science-fictiefs, en we komen ook allerlei vage complottheorieën tegen, heerlijke analyses, en de beweging naar Rome en Jeruzalem heeft iets van De ontdekking van de hemel, maar deze roman is concreter, Europeser, rauwer. (Schreef Mulisch dan een Amerikaanse roman? Ja.) Er is ook (minder dan in de Revisorverhalen) experiment, personages hebben eigen stemmen. Er wordt geneukt en er vallen doden. Niet ontoevallig volgt Per de omgekeerde route van vluchtelingen, van de voormalige beloofde landen naar de nieuwe beloofde landen. Dit boek gaat over ons, nu, hoewel Per goddank Nederland niet aandoet, wie weet wat Rechts met de bijbel hem had aangedaan. Lezen.

    (Is het een perfect boek? Iets eigenaardigs is dat we Per al op reis treffen als De Nooy hem nog portretteert kort na de eerste scène: ‘Hij is angstig, gedesoriënteerd. De steen zit verankerd in zijn hand. Hij probeert het ding los te rukken, schudt met zijn arm. De adrenaline jaagt zijn hartspier op hol – vluchten-vechten-vluchten – tast zijn fijne motoriek aan, vernauwt zijn denkvermogen.’ En veel later bekijken we hem alleen vanuit andermans perspectief. Dan is het niet meer nodig, dat begrijp ik wel, maar het heeft iets inconsequents. Ik begrijp ook: het is een lastige balans, wat leg je uit, wat niet, en de openingsscène was een totaal mysterie voor me, waardoor ik iets te blanco in de daaropvolgende verhalen ging, telkens afhaakte en pas verderop verslaafd raakte. Terwijl het slotverhaal misschien weer te veel duidt – in scherp contrast met wat De Nooy in Zendingsdrang deed. Toen liet hij me in totale verwarring achter.)

    Nijgh & Van Ditmar gaf Van kleine helden uit.