Paolo Giordano, Mark Frost, Niña Weijers: de redactie leest een onhandig vertelde bestseller, een meerstemmige roman voor Twin Peaks-fans en literaire columns. Over perspectief, constructie en uitdrukkingen.

*

Daan Stoffelsen: literaire columns van Michel Krielaars, Jet Steinz en Niña Weijers

Literaire columns, daar wilde ik over schrijven. Er zijn persoonlijke columns van literair auteurs – Marja Pruis, Niña Weijers – zoals die er ook zijn van bekende buurmeisjes en televisiepersonages (‘persoonlijkheden’ leek me opeens een te zwaar woord), maar dan beter geschreven. Kleine essays, waarvan de beste met het beste van Martin Bril, Wim Boevink, A.L. Snijders kunnen concurreren. Maar ik wilde schrijven over de boekencolumn, een inkijkje in het vak van de criticus, een observatie van een kenner, verwerkt tot een verrassend inzicht in leven en/of lezen. Maarten Moll schrijft ze in Het Parool, Arjan Peters in de Volkskrant, en Arjen Fortuin deed dat in NRC Handelsblad tot zijn lezerspensioen. Boekenchef Michel Krielaars volgde hem op, en zijn column van afgelopen week was prachtig, volgens collega’s op twitter.

” “

Ik zag het niet. Krielaars beschrijft de boekenkast bij het sterfbed van een beste vriend. Een voltooid, lezend leven. (Note to self: een voltooid lezen is helaas niet mogelijk.) En neemt in zijn slotalinea Nelleke Noordervliets ware, obligate, overvolle column in Trouw over het belang van fictie in tijden van alternatieve feiten (à la Auke Hulsts Als dit zo doorgaat) mee. Daar zou zijn vriend mee hebben ingestemd.

Columns kunnen alles zijn, het is een vrij genre. Dus als je, zoals Krielaars, een warm In Memoriam in oeuvres, titels en algemeenheden, combineert met een leeservaring, dan mag dat. Zonder anekdotiek geen goede column. Het mag, en het is lief, het is aardig, het is chic. Alleen verrast deze column niet, niet in stijl, niet in detail, niet in stellingname. Ik leer niets over boeken (hooguit over wat Krielaars opvalt, of passend vindt, hij ziet zijn beeld van de vriend bevestigd), en ik word niet aan het denken gezet – iets wat goede journalistiek en literatuur toch ook moet doen.

Goede literaire journalistiek is sowieso een probleem. Toen ik de kop ‘De jonge schrijver is een vrouw’ tegenkwam in Topics, het platform van de Persgroepkranten, dacht ik: een column. Een flinterdunne stellingname immers, die statistisch niet te onderbouwen is. Tegenover deze schetsmatig geportretteerde vriendenkring van schrijfsters zijn heel veel gemengde en mannelijke schrijverskringen te zetten, en nog veel meer solisten, vrouw of niet. ‘Bestaat de nieuwe generatie schrijvers voornamelijk uit vrouwen, of lijkt dat maar zo? En als het zo lijkt, hoe komt dat dan,’ vraagt Jet Steinz zich af, en meteen al in die openingszinnen zit zoveel vaagheid – ‘generatie’, ‘voornamelijk’, ‘lijkt’ – dat je geen echt antwoord meer verwacht. Want wat is een generatie? Zijn de twintigers, dertiger en veertiger van Revisor een generatie? Wat zijn schrijvers? Steinz mengt geprezen rijp (Bervoets! Wortel!) met gelauwerd groen (Weijers! Van Rijswijk!). Het is verleidelijk om nú een nieuwe beweging te duiden, maar we weten nog niets van die debutanten. Mensen zoals Nina Polak en Roman Helinski zeggen zinnige dingen hoor, daar niet van, maar ik ontdekte niets, en de romantische relaties van schrijvers gaan mij niets aan. En ook hier geen verrassend inzicht in leven en/of lezen. De column bleek een reportage.

Het probleem is misschien wel dat het persoonlijke als doorslaggevend wordt gezien: het is zíjn vriend, en dus is die boekenkast relevant. Het netwerk van schrijversvriendschappen bepaalt een literaire stroming. Natuurlijk, het persoonlijke speelt altijd een rol in literatuur. Maar belangrijker zijn: stijl, detail, perspectief.

Ik mis Arjen Fortuins columns, dat wilde ik schrijven. Maar inmiddels moet ik zeggen: voor inzichten over lezen schieten columns, en in toenemende mate recensies, te kort. Je kunt nieuwe titels ontdekken, maar nieuwe perspectieven erop? Misschien verwacht ik te veel van journalistieke genres, ligt mijn lat tegenwoordig bij het essay. En ook dat gaat van het persoonlijke uit, maar dan tenminste door iemand die die persoon door en door kent: de ik. Terug naar Niña Weijers. We weten iets meer van déze debutant. Ze schreef in De Groene Amsterdammer over IKEA, en dwaalde af (dat kan, zelfs in de IKEA).

‘Laatst las ik een stuk waarin een columniste zich probeerde te verantwoorden voor het feit dat ze niet over grote wereldgebeurtenissen schreef. Het was onverdraaglijk dat te moeten lezen, zoals het onverdraaglijk is wanneer iemand hardop zegt dat iets ongemakkelijk is met de bedoeling het minder ongemakkelijk te maken. Je moet je nooit excuseren voor waar je niet over schrijft. Je schrijft ergens over of niet, dat zijn de opties.

Het is altijd de vraag, of althans mijn vraag, waar het persoonlijke ophoudt en het navelstaren begint. Ik houd er niet van als het persoonlijke een excuus is om geen positie in te hoeven nemen. Ik houd er niet van als het persoonlijke zo persoonlijk is dat het exhibitionistische clichés oplevert.’

Vergeet de boekencolumns. Vergeet literaire journalistiek. Lees schrijvers.

Thomas Heerma van Voss: Mark Frost, The Secret History of Twin Peaks

Deze week las ik Marja Pruis’ fraaie essaybundel Genoeg nu over mij (daarover vermoedelijk volgende week meer op deze plek) en ook Yasmine Reza’s knappe roman Babylon (waarover ook genoeg te zeggen valt), maar nu aandacht voor iets heel anders: de laatste roman van de Amerikaanse Mark Frost. Een naam die de meeste lezers van deze rubriek weinig zal zeggen. In elk geval in de hoedanigheid van romanschrijver: hij heeft weliswaar zes fictiewerken op zijn naam staan, maar is toch vooral het bekendst als televisieproducent en scenarioschrijver. Want met David Lynch maakte hij vijfentwintig jaar geleden Twin Peaks. En binnenkort verschijnt, eindelijk eindelijk eindelijk, het derde seizoen van die serie.

Over dat derde seizoen en over wat de serie Twin Peaks zo wonderlijk sterk, cult-achtig en tegelijk gedateerd maakt, valt genoeg te zeggen, en binnenkort wijd ik aan de serie (en dit boek) ook een stuk op De Correspondent, maar ik wil me hier beperken tot die nieuwe roman van Mark Frost: The Secret History of Twin Peaks. Een wonderlijk boek, misschien wel de mooiste uitgave die ik ooit in handen heb gehad. Een hardgebonden, prachtig geïllustreerd stofomslag met veelkleurige belettering. Een bijzonder lijvig formaat, waardoor het boek iets wegheeft van een een luxueuze Bijbel-editie. En dan de inhoud: het boek staat vol met scans van (voor de duidelijkheid: fictieve) krantenknipsels, met veelkleurige foto’s van beschreven personages, met tot in het detail uitgewerkte FBI-documenten, met een menukaart van het fameuze Double R Diner, met negentiende eeuwse tijdschriftpagina’s, met handgeschreven commentaren in de kantlijn.

Alles is bijzonder fraai uitgevoerd, en staat in dienst van de springerige, af en toe innemende en af en toe vermoeiende, uitgebreide tekst. Is The Secret History of Twin Peaks een roman die op eindejaarslijstje zal eindigen? Nee, het boek is alleen voor toegewijde fans, er staan nauwelijks (je kunt ook zeggen: geen) bijzondere gedachten of zinnen in, er wordt amper een verhaal verteld. Waar gaat het dan over? Tja, dat is lastig samen te vatten. Eigenlijk kun je dit boek beter een dossier dan een roman noemen. Het betreft een ruim driehonderd pagina’s tellend, papieren FBI-rapport; een verzameling door rechercheurs bijeengeschraapte bronnen en documenten over de plaats Twin Peaks. Het is vervolgens aan de lezer om die opgevoerde flarden te doorgronden en conclusies te trekken over de personages. En om zich zo onder te dompelen in de absurde, onheilspellende wereld die wordt beschreven – over allerlei figuren die in de tv-serie opduiken, maar ook over nieuwe personages, het voelt veel te ver door om het hier allemaal te beschrijven. Voor iedereen die de serie volgt en/of verlangend uitkijkt naar het nieuwe seizoen: lees dit boek, of blader het ten minste door. Voor degenen die denken: Twin Peaks, dat is toch dat vage project van David Lynch, met dansende dwergen en voorspellende dromen? Laat dit boek gerust links liggen.

Wel vestig ik graag nog de aandacht op de meerstemmigheid van Frosts roman, literair gezien het interessantste aspect van deze Secret History: om te beginnen is er het personage Gordon Cole (in de serie gespeeld door David Lynch, ook in het nieuwe seizoen), die aan het begin van deze roman special agent ‘TP’ – door middel van een innemende brief – aanstelt om de identiteit te achterhalen van ‘The Archivist’. Ofwel: degene die dit dossier samenstelde. Wat volgt is een ondoorzichtige constructie met allerlei stemmen en interpretaties door elkaar: we lezen de in het dossier opgenomen bronnen zelf, we zien de selectie van de mysterieuze samensteller, en in de kantlijn ook nog het bijzonder cynische commentaar van ‘TP’. Drie perspectieven die kriskras door elkaar lopen. En die vaak haaks op elkaar staan, soms nadrukkelijk, soms subtiel. Eigenlijk is dat het enige moment waarop dit boek de titel roman verdient, of in elk geval iets literair krijgt. Waarmee ik allerminst wil suggereren dat de rest van The Secret History niet de moeite waard is – ik kijk na het lezen hiervan in elk geval nog meer uit naar het aankomende seizoen.

The Secret History of Twin Peaks is een uitgave van Pan MacMillan, verkrijgbaar in Nederland bij onder andere Athenaeum.

Jan van Mersbergen: Paulo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen

‘Zijn vrouw was uit zijn leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui.’

In De eenzaamheid van de priemgetallen poogt Giordano aan de hand van vergelijkingen zijn publiek te bekoren en het lijkt erop dat hij van te voren zijn doelgroep bepaald heeft én dat het gewerkt heeft, getuige de quotes uit de Esta, Libelle en Veronica Magazine die de vijftiende druk prijzen. Een verkoopknaller met een bijzonder goed gelukt en zeer bekend omslag (door Marry van Baar, die ook de omslagen van mijn eerste romans verzorgde) die ik trof bij het Juttersdok in Amsterdam West, waar ik ook Een weeffout in onze sterren vond en Trainspotting en Portnoy’s klacht en nog een boek, in totaal vijf boeken voor zeven euro. Kon ik niet laten liggen.

Als eerste las ik De eenzaamheid van de priemgetallen.

‘Een vochtkring die verdwijnt uit een trui.’ Ik kan lang over zo’n zin nadenken, vooral om de vergelijking misschien te doorzien en om de kriegeligheid die zo’n zin oproept op zijn beurt misschien te laten verdwijnen, om de manier van vertellen te begrijpen. Dat vertellen is soms erg onhandig.

De roman is bijna tien jaar oud. De titel weerhield me er steeds van het boek te lezen. De koppeling van wetenschap, of enkel wiskunde aan een roman, ligt me niet. Titels als Een kleine geschiedenis van bijna alles, de eerder genoemde Weeffout in onze sterren, De telduivel, Het symmetriemonster, De ontdekking van de hemel en dus ook deze Priemgetallen weerhouden me ervan die boeken te lezen, al las ik wel Mulisch’ dikke klassieker toen ik nog studeerde. Die boeken zit vol wijsheden, die boeken laten vooral zien hoe slim de schrijver is, die boeken zijn in overdrachtelijke zin wat betreft het gevoel vaak erg armoedig. Is mijn vooroordeel, en het lezen van die boeken doe ik soms om dat vooroordeel te logenstraffen. Dat lukt zelden.

De bio op de flap van deze roman vertelt over Giordano dat hij ‘natuurkundige is en momenteel aan zijn promotie werkt’. Eigenlijk zegt dat: het schrijven van deze roman doet hij er maar een beetje bij. Een lolletje. Een verzetje. Ook dat maakt me wantrouwend, een roman schrijven is minstens zo moeilijk als natuurkunde studeren, het lijkt alleen veel gemakkelijker en lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine zullen eerder geïmponeerd zijn door een natuurkundige die er ook nog eens uitziet als een profvoetballer van Juventus of een Engelse TV-kok dan door een schrijver die zegt dat hij schrijver is.

Lezen dan maar. En het moet gezegd: De eenzaamheid van de priemgetallen leest tot op zekere hoogte heel goed. De eerste paar hoofdstukken. Dan verliest Giordano de macht over zijn personages en zijn verhaal, dan moet er een groots thema komen dat de natuurkunde waar hij zich in de werkelijk belangrijke tijd mee bezighoudt linkt aan dit verhaaltje.

‘Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 of door zichzelf.’

Zo begint hoofdstuk 21. Klopt helemaal niks van want die getallen zijn prima deelbaar, er komt alleen een getal uit met een paar cijfers achter de komma, geen telgetal. De toevoeging: ‘Een priemgetal is een natuurlijk getal groter dan 1 dat slechts twee natuurlijke getallen als deler heeft,’ maakt de bewering beter. Dan is duidelijk dat priemgetallen gaan over natuurlijke getallen, over telgetallen die teruggrijpen op een appel, twee appels, drie appels. En geen halve appels. Aan de ondeelbaarheid van priemgetallen koppelt Giordano het idee dat die getallen eenzaam zijn, omdat ze dus niet deelbaar zijn: ‘Het zijn argwanende eenzame getallen.’ Waanzin, denk ik dan. Een leuk idee, maar die priemgetallen zijn ook gewoon aanduidingen voor het aantal appels of wat dan ook.

Het wordt nog gekker. De twee hoofdpersonen van deze roman hebben in hun vroege jeugd iets traumatisch meegemaakt, die hoofdstukken zijn zoals gezegd erg sterk en trekken de lezer eigenlijk het hele boek door. Die twee personages, een jongen en een meisje, zijn in hun jeugd beschadigd. Het meisje ontwikkelt als gevolg daarvan een eetstoornis en de jongen snijdt zichzelf. En ze komen elkaar tegen, natuurlijk. Als ze wat groter zijn. Voor Giordano zijn die twee personages priemgetallen die in de reeks vlakbij elkaar staan, zoals 11 en 13. De personages zijn op zichzelf en eenzaam maar ze lijken ook op elkaar en ze kunnen elkaar niet aanraken. Die 12 staat er tussen.

Zo’n theorie slaat de complete roman dood. Deze personages dragen een last met zich mee, heel goed gedaan, invoelbaar ook, en dat verhaal is mooier dan een verzonnen idee over getallen die eenzaam zijn en personages die net priemgetallen zijn. Hou op, man. Ga lekker terug naar je faculteit.

Schrijven is meer dan in je vrije tijd een verhaaltje wat inkaderen en inkleuren. Schrijven is overdracht en techniek en vasthoudendheid. Dat mist Giordano, en dat lees je af aan het eindeloze gebruik van de voltooid verleden tijd en de sleetse uitdrukkingen die herhaaldelijk opduiken.

Dat ligt niet aan de vertaling van Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek. De eerste bladzijden van hoofdstuk 9 grijpen terug op een misstap van de huishoudster die ooit een man meenam naar het huis waar zij werkt, waar het meisje de dochter is. Dat verhaal wordt volledig in die vreselijke had-was-had-wastijd verteld, en dat leest heel erg slecht. Dat is omslachtig en ver weg. De handelingen spelen wel in een tijd vóór de verteltijd van het boek (verleden tijd), maar dan nog kan een lezer wel begrijpen dat dit ergens daarvoor speelde als die tijd aan het begin van zo’n hoofdstuk verteld wordt. Giordano kiest voor deze manier van vertellen en de vertaalsters hebben dat netjes overgenomen.

Sommige van de uitdrukkingen komen, neem ik aan, wel uit de koker van de vertaalsters. ‘Hij verroerde geen vin’ komt twee keer voor in de roman. Ik kan dit niet controleren maar verwacht dat in het origineel een soortgelijke uitdrukking gebruikt is en dan is het de taak van de vertaler om daar een mooie vlotte Hollandse zin van het bakken. ‘Hij begon het Spaans benauwd te krijgen’ is ook zo’n zin. ‘Hij reageerde als door een wesp gestoken.’ Die manier van praten komt wel voor, in een roman is het erg storend. ‘Mattia liep gedwee achter haar aan.’ Ik durf te zeggen dat er voor ‘gedwee’ in het Italiaans geen woord bestaat, of anders een woord dat ook daar al vijftig jaar niet meer gebruikt wordt. Verderop in die passage: ‘Hij volgde haar alsof hij een schoothondje was.’ Of: ‘Hij bleef stokstijf staan.’ Laat ik de vertalers beschermen en zeggen dat Giordano nou eenmaal deze manier van vertellen gebruikt. ‘Hij had er schoon genoeg van.’

Kenmerkend ook is het overduidelijke aankaarten van gevoelens. ‘Hij voelde dat…’, ‘Hij was het zat om…’ Dat is erg jammer omdat er geen beelden gezocht zijn en vooral omdat deze manier van duiden afleidt van de personages en hun last. Deze manier van vertellen werpt me terug op de tekst en niet op het drama.

Toch komt dat drama misschien juist door die uitdrukkingen heel goed binnen bij de lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine. Kan zeker kloppen, deze roman leest als een tijdschrift, zoals eigenlijk alles aan dit boek behapbaar is gemaakt en uiteindelijk de last van de personages amper serieus te nemen is, vooral omdat de schrijver een knieval maakt voor het tijdschriftenpubliek.

De Bezige Bij gaf De eenzaamheid van de priemgetallen uit. De uitgeverij biedt ook een pdf-voorproef aan.

25 april verschijnt de roman Gezelschapsjongen van Bernard Wesseling, een onstuimige roman over de roekeloze, radeloze, redeloze liefde. Wij brengen het eerste hoofdstuk.

*

Ik betrapte haar op de uitvaart. 
Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen.
‘Om de grond aan te stampen,’ had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. 
Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen, die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. 
Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.

De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze – de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.

Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net.
Terwijl verderop de stoet zo’n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind.
Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest.
Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op Oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat ‘waardevaste kennis’ wilde opdoen) en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste – voorbij in een vloek en een zucht.

Volgens de statuten was het lente.
Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo’n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog – zij als alert wild, dat ergens van ophoort – alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.

Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.

Vijf minuten later kwam ze naar buiten met een gestrikte doos onder haar arm. Ze liep kalmer nu, alsof het leven nieuwe betekenis had gekregen met wat er in die doos zat. Ik dacht een veer in haar verderfelijke stap te zien. Het begin van een ladder in haar panty, boven haar hiel. En toen, bij een zebrapad, keek ze in mijn richting.
Ik dook weg, een portiek in, en riskeerde juist op te vallen door me zo plotseling uit haar gezichtsveld te bewegen.
Stom, stom.

Het volgende moment was ik haar kwijt. Ik bevond me op een drukke winkelstraat. Een broeierige Marokkaanse jongen met zachte ogen, boos om zijn eigen verlegenheid, stootte me aan – liep snel verder. De ruit van een bushok trilde licht in zijn sponningen. Een bus draaide in, de deuren sisten open. Niemand stapte uit of in. Tenzij ik, begreep ik even uit de vorsende blik van de buschauffeur. Deel van de stoep was opgebroken. Een geel gehelmde bouwvakker verdween in een tent in de grond.
De omgeving leek erop uit me oneindig af te leiden. Ik was dan ook bang dat een levend standbeeld waar ik vervolgens langsliep, een slordige Centurion van uitgeslagen koper, een schijnachtervolging zou inzetten – toch bleef hij staan.
Maar, en dit was mijn geluk, niemand kleedde zich op deze verhitte dag in het zwart. Een tweede keer verscheen ze, nu voor een winkel. Daar bekeek ze iets in de etalage: een niemendalletje, een negligé, de mannequin of de man die haar ontkleedde.
Toen pas schoot de term me te binnen die gebruikt wordt om vrouwen zoals zij te beschrijven: schaduwweduwe. En het was even alsof ik vat kreeg op haar wezen.
Bij een drukbezocht stoplicht kwam ik zo dichtbij dat ik, een heerlijk oneerbiedig moment lang, op haar door een muur geknakte slagschaduw stond.

Voor een statig gebouw, uiteindelijk, hief ze een knie waar ze haar schoudertas op rustte en viste haar sleutels te voorschijn, de gebakdoos hing aan het touwtje tussen haar tanden.
Dit was mijn kans.
Maar voordat ik mijn voet in haar deuropening kon steken, voordat ik haar huis binnen kon dringen, werd mij nog één keer de weg versperd door een leeglopende balletschool: balletdanseressen hadden ineens de stoep in beslag genomen, binnen enkele seconden stonden ze tot midden op straat. Overal knotjes en pezige schouders, overal ranke benen en benige armen. Ze hadden zich allemaal gewend tot de artiestenuitgang waar ze net uit kwamen; een zwart vierkant gat naast een opengezwaaide ijzeren deur. Geen van hen leek mij op te merken toen ik ze passeerde, met mijn handen omhoog (om me smal te maken, te laten zien dat ik niets ongepasts deed) terwijl ze toch weken voor mij, een voor een, als wuivend graan. Ik trok een sprint, stopte, wandelde in snel tempo verder en was op tijd – ze schouderde haar tasje, klaar met het bekijken van een behulpzame envelop – om me haar achternaam toe te eigenen.

Ze woonde op stand. Ja, mevrouw had het zich gemakkelijk gemaakt. Het viel me op hoe degelijk haar gebouw was, de diepe huizen in Berlage-stijl van grote brede stenen en afgewerkte rondingen, de werkjes hier en daar. Het strookje Amstel voor de deur, de plezierboten en de villa’s aan de overzijde van de oever, ganzen op het gras, de zondoorschenen populieren.
Ik stelde me de verwoesting van haar appartement voor door vuur, hoe het langzaam maar onherroepelijk uitbrandde midden in het gebouw, een met roetbeslagen gat achterliet dat vervolgens niet werd opgeknapt maar met rust gelaten, gewoon zoals het was, terwijl omwonenden zich afwisselden, de blootgestelde woning steeds opnieuw opgeleverd in de stijl van de seizoenen.

Toen pakte ik mijn telefoon erbij en googelde op haar achternaam die Frans genoeg was om exotisch te heten. Ik zocht een toepasselijk gezicht voor haar, vond daarna haar straat met Streetview, zoomde in op haar pand, scrolde en strandde tot aan de deur van haar hal, niet verder, tot waar ik stond. Nu, hier. Onvoorbereid.
Wel aanbellen, niet aanbellen.
Ze zou vanavond al op reis kunnen gaan, dat was goed mogelijk. Emigreren, omdat alles in deze stad aan hem deed denken. En dan snel op zoek naar een nieuwe suikeroom.
In mijn herinnering begon het te regenen. Schuin het portiek in, zodat ik wel naar binnen moest. Maar het zal verzonnen zijn.

Toen ik de bel indrukte, zorgde ik ervoor dat ik mijn mond niet te dicht bij de intercom hield. Haar geluid kwam door.
Ze vroeg iets – had iets gevraagd. Ik diende te spreken, mijzelf kenbaar te maken.
‘Poststuk.’
‘Kunt u het in de hal leggen?’
‘Krabbel nodig.’
Ze drukte me binnen. Even twijfelde ik en stond met de deurknop in mijn hand en hield zo onbedoeld de deur open, als een braaf padvindertje, voor een oude van dagen die ik zag denken: akelig jong, mag alles nog eens dunnetjes overdoen.
Ik werd vriendelijk bedankt.
‘Jaja, alstublieft,’ zei ik en keek de dame of heer na. Daarna volgde ik met loden benen naar boven.

Kalm en doortastend zijn, zei ik bij mezelf.
Er zat een spion in haar voordeur. Mijn neusbrug bolde en gleed er nu doorheen, als door een vissenkom, daarna mijn oog. Dat zij mij nu zag, wist ik zeker, en was ondragelijk. Ik wilde de deur wel intrappen of er hard op beuken – maar zij deed hem ineens open zodat ik daar een poot stond te geven.
Voor ik haar kon bekijken ging ze mij voor. Ik zag alleen haar bleke arm die vervolgens een vertrek aanwees, terwijl ze zelf doorliep naar een toilet, en het idiote verzoek uitsprak of ik mijn schoenen uit wilde doen, want ‘er was net nieuw tapijt gelegd.’
Mijn sokken, wit, waren onfris. Aan de randen van de tenen zat een kleurtje. Ik bloosde ook, godverdomme. Hoe, dacht ik, hoe ga je haar eens goed de waarheid zeggen op je sokken?

Om haar niet aan te hoeven kijken ging ik bij het raam staan, met mijn handen op mijn rug (in de beste traditie van mannen-van-de-wereld die ermee te kennen geven; die pakt niets meer aan en niets hem, vooral).
Het duurde even voordat ze binnen kwam en ik me omdraaide.
Teleurstelling, in eerste instantie. Van alle gezichten die ik haar had toegedicht was dit het minst aannemelijke. Ik weet hoe dat klinkt, ik verwachtte geen hommage, maar er was niet eens sprake van zoiets als een collage van mijn verzinsels, of de vertekening van een abstractie. Nee, niets had ik goed geraden. O, een héél mooie vrouw, daar niet van. Met een ‘open gezicht’, geloof ik dat je het noemt, bruine ogen, springerig blond krulhaar, een licht uitwendige neus: haar neusvleugels stonden de kleinste glimp toe van haar zachte rode voering. (Dit alles volgens de schaamteloze oogopslag van de terugblik.)
En toen, zomaar, dit: ze opende haar decoratieve mond en liet me het lichtend spoor van een beugel zien. (Waarbij ze haar naam opzei en haar hand uitstak, die ik allebei misgreep.) Een slotjesbeugel, een mondsieraad!
Ook kwam ik erachter dat we niet alleen waren. Een statige duifgrijze poes kruiste het tapijt, staart kringelend hoog, poot voor zachte poot. Inmiddels zag ik dat we ons in een soort salonachtige kamer bevonden met varens en stoelen met hoge ruggen. Ze had een oude smaak, dat was bekend. Ze nam haar huisdier op onder de voorpoten, tilde het in de kom van haar schoot en zei: ‘De hele dag niets doen zeker, hè, dan de zon door het huis volgen.’
En hoewel wat ze zei vals gefluister was, had ze een zuiver geluid. Een stem die aanspraak maakte op een oude onschuld, lang verspeeld.
Ze begon nu zelfs over het stomme dier te vertellen – de stem klein maar vast – over hoe ze haar deelde met een autistisch meisje verderop uit de straat, dat er geen weet van had dat deze hier van een ander huishouden kwam, en de poes voor een kater hield, en haar Wammes noemde, en af en toe, ondanks herhaaldelijke uitleg van haar ouders, A4’tjes in de wijk verspreidde als ze hem kwijt was met Wammes’ signalement.
Ik weet niet of de anekdote als bewijs diende dat ze een groot hart had. Zo ja, het had niet de gewenste uitwerking op mij.
Ik vroeg me af of zij mijn vaders geur zou dragen, die van boeken en van pijptabak. Zoals hij naar haar moest hebben geroken, van bloemen, godverdomme, van droogbloemen –
Om een of andere onbegrijpelijke reden was het nog altijd vandaag.

Ik dwong mezelf aan mijn moeder te denken, met haar migraines en haar vermoedens, keer op keer door hem weggehoond met het vertoon van een toneelamateur die weet dat hij het klein moet houden, de krampachtige verontwaardiging, de geheven handen, en dan alsnog het hele goedkope pandemonium, alsof zij het was die zich onmogelijk maakte.

De Schaduwweduwe pakte haar handtas van een koffietafeltje, haalde er een etuitje uit en begon haar make-up bij te werken.
Ik wende me meteen af, alsof je niet bijgelovig hoefde te zijn om te weten dat het bespieden van dit ritueel tot groot ongeluk zou leiden. Bewust of niet scheen ze daarbij pesterig met het spiegeltje wat zonlicht in mijn oog. Ik stond op, vroeg naar het toilet. Zij wees weer, waarop ik haar vinger volgde.

Nadat ik haar medicijnkastje had doorzocht – op informatie, iets over een kwaal, een verslaving, iets wat ik haar kon onthouden of mezelf juist kon toedienen – keek ik een tijdje in het spiegeldeurtje. In een lager register dan ik van mezelf gewend was, zei ik: ‘Niemand weet hoe slecht ik ben.’

Een man en een vrouw alleen. Ik kon haar verkrachten maar dan moest ik het wel nu doen. Haar overmeesteren leek me geen probleem, ze was een kop kleiner, tenger, had een beugel.
Nu schatte ik haar gewicht in, het bereik van haar armen. De missionarispositie was uitgesloten. Ik moest tussen haar dijen vandaan blijven, waar de sterkste spieren van het lichaam zitten, een bankschroef waarmee ze mijn middel zou kunnen afknijpen. Nee, er was eigenlijk maar één manier: ik moest haar van achteren benaderen, haar armen vastpakken bij de polsen – daarmee zou ik haar lichaam kunnen manipuleren, door ze snel omhoog te trekken zodat haar hoofd naar beneden werd gedwongen – haar dan, kont omhoog, naar een bank of tafel kruien als het ware, haar armen naar haar onderrug brengen terwijl ik haar over een tafel of bank heen legde. Vervolgens hoefde ik, als ze begon te bokken of te snokken, wat ze zeker zou doen, haar armen alleen opwaarts te duwen tot de pijn in haar schouders haar zou dwingen zich stil te houden. Nu werd het lastig. Haar polsen gekruist op haar rug gedrukt houdend, moest ik mijn linkerhand vrijmaken om haar rok omhoog te schuiven, haar panty en ondergoed naar beneden, en mijn eigen geslacht vrij te maken en naar binnen te werken. Dat moest dus snel gebeuren. Ik deed mijn riem los, ritste alvast mijn gulp open.
Toen trok ik door, loos, aan een koord. Waste mijn handen met een kromgetrokken stukje roze zeep, onder een stroef kraantje dat ik zowat afbrak.

Daan Stoffelsen

Zij rechtte haar nek en vogelde haar knot los, schikte die met snelle vingers tot een wrong, dofte de dos met een handpalm, bleef me aankijken.
Ik staarde naar haar gezicht tot er geen uitdrukking meer op was.
‘Je hebt me dus gevonden, en nu? Wat wil je horen?’ ze lachte zonder tanden.
Nee, karaktermoord alleen zou niet volstaan.
Ze vroeg of ik wilde gaan zitten.
Ik bleef in positie. Maar ik stoorde me aan mijn gewonde houding: met mijn rechterhand hield ik mijn linkerarm vast, alsof ik daarnet liters bloed had afgestaan. Ik liet mijn armen hangen, maakte vuisten. Hij diende zich weer aan, de verwildering, de behoefte om haar te nemen. Die denigrerende glimlach van haar te breken, haar gezicht verwrongen te zien, die lachende ogen gedoofd.
‘Heb je een glas water?’ blafte ik.
Ze was de kamer meteen uit, ik hoorde het water in de keuken lopen. Langzaam kwam ik in beweging, stapte achter haar aan –
Dat ik onwil voelde, en weerzin, deed er niet toe. Hierdoor had het juist wat te betekenen, kreeg het lading. De nodige geilheid zou vanzelf komen. Ik sloot mijn ogen en balde mijn gedachten tot ik een natuurkracht was, een allesverzengend licht. Ik opende mijn ogen.
Daar liep ze al op mij af met haar water.
Ik mompelde nog, vrees ik: ‘Ik ben de rechterhand van de profeet die een vuist maakt.’

Er was iets verzachtends in de stem van de Schaduwweduwe die middag toen ik afdroop, onder gestamelde voorwendsels.
‘Jij bent niet half zo hard,’ zei ze, en raakte zelfs even mijn wang aan, ‘als je denkt dat goed voor je is.’ Terwijl ik mijn blik op haar wespentaille gericht hield, een sluipwesp –
Daarna liep ik twee treeën tegelijk door het galmende trappenhuis – ‘Je gulp -’ riep ze me na – en het volgende moment stond ik op de stoep een taxi aan te houden en was de zon een speelbal die van raam naar raam werd gegooid toen er een voorreed.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Jente Posthuma zich inspireren door W.F. Hermans

*

Ze kochten een hond. Zij noemde hem Hermans, hij zei W.F. Hermans, zoals het hoorde. De hond luisterde vooral naar hem.
De naam W.F. Hermans vond hij op het internet, toen hij ‘1 september’ en ‘verjaardag’ googelde. Hij wilde weten welke bekende mensen op dezelfde dag jarig waren als de hond. Even overwoog hij Ruud Gullit, totdat zij zei dat er al zoveel honden Ruud Gullit heetten.
Zij kende het werk van Hermans wel, maar hield meer van Gerard Reve, alleen was die op een andere dag jarig dan de hond. Helaas. Dat woord gebruikte ze vaak: helaas.

Helaas zit mijn man de hele dag op het internet. Helaas houdt mijn man meer van zijn hond dan van mij.
Dat meen ik niet hoor, zei ze altijd, dat is ironie.
Als je het niet meent, zei hij, waarom zeg je het dan? Ironie is als een steentje in je schoen. Maar je moet niet je hele schoen vol steentjes hebben. Zoiets las hij op het internet, W.F. Hermans zei het kort voor zijn dood.
W.F. Hermans was een dwergschnauzer, zo’n keffertje. Hij was fel, maar had opvallend lieve ogen en zachte oren. Het liefst lag hij bij zijn baas op de bank en dan keek hij dankbaar omhoog als die zijn oren streelde. Wanneer zij erbij kwam zitten sprong W.F. Hermans overeind en blafte net zolang tot ze opstond en zich een eindje verder in een stoel liet zakken. Na een paar keer nam ze de moeite niet meer en liep ze meteen door naar de stoel.
Vanuit de stoel keek ze iedere avond naar een talkshow terwijl W.F. Hermans en haar man een dutje deden op de bank. Zo nu en dan praatte ze tegen de tv, meestal als ze het niet eens was met een gast. Dan werd W.F. Hermans wakker en gromde naar haar. Op een avond – ze had net iets geroepen naar een controversiële cabaretier – sprong W.F. Hermans van de bank en beet haar in haar enkel. Ze schreeuwde, haar man schrok wakker en schreeuwde ook. W.F. Hermans blafte hysterisch en hield daar pas mee op toen ze hem met een kandelaar hard op zijn kop sloeg.
De hond lag bewegingloos op het tapijt.
De talkshowhost zei dat het tijd was voor muziek.
Dit wilde ik niet, zei ze.
Hij keek naar haar roze knieën en naar de vingers om de voet van de kandelaar. Hoger wilde zijn blik niet gaan. Ze heeft nog steeds worstige vingers, dacht hij. Ze heeft altijd worstige vingers gehad.
Ik ga even wandelen, mompelde hij. Hij pakte zijn hond op en liep naar buiten.

Marja Pruis, Knut Hamsun, Michael Robotham: de redactie las een rijk essay over schaamte en familie (en en passant een stukje Nieuwe Testament), een kernachtige, gevoelige boerenroman en een klassiek opgebouwde vliegtuigthriller.

*

Thomas Heerma van Voss: Michael Robotham, Leven of dood

Afgelopen maandag was ik ruim een etmaal onderweg – wachten, vliegen, overstappen, wachten, vliegen, vertraging, wachten, een busrit, wachten, nog een busrit, verdwalen, me door een taxi laten vervoeren – en bij dergelijke vermoeiende reizen grijp ik graag terug op Amerikaanse thrillers: om de tijd iets sneller te laten gaan, en omdat een thriller zich leent voor snel, langdurig lezen. Leven of dood telt ruim vierhonderd bladzijdes en nog voor aankomst had ik het boek uit. Dat is meteen al een plus: auteur Michael Robotham (van wie ik nooit eerder iets las) weet als geen ander hoe hij de aandacht moet vasthouden.

Leven of dood is een klassiek opgebouwde thriller, met een onschuldig veroordeelde, corrupte politie, een verleden waarmee ‘afgerekend’ moet worden, een sympathieke vrouwelijke rechercheur die zich tegen de gevestigde orde verzet, een boel actiescènes, een paar onschuldige slachtoffers en een vroeger raadsel dat stukje bij beetje ontrafeld wordt. Nee, origineel klinkt dat allemaal niet, maar Robotham weet zijn verhaal bijzonder effectief op te bouwen. Het sleutelwoord: dosering. Voortdurend zijn er perspectiefwisselingen, flashbacks, kleine vooruitwijzingen – meer dan ik bij thrillers gewend ben, maar net niet zo veel dat je al lezende de draad verliest. Daarin blikt deze auteur uit: je voelt als lezer wel welke kant het allemaal opgaat, en heel origineel wordt het weliswaar niet, maar toch slaagt Robotham erin me mee te nemen, in een keer, vierhonderd pagina’s lang.

Mocht u nu denken: ik wil al tijden weer eens een behendig opgebouwde thriller lezen, denk dan aan Leven of dood. Mocht u bij het woord thriller al bij voorbaat in een kramp schieten, sla dit boek dan vooral over, want er zijn ook genoeg argumenten in Leven of dood te vinden om te onderbouwen dat het hele thrillergenre van clichés of ongelukkige beeldspraken aan elkaar hangt. Nog los van de vele spatiefouten, misplaatste aanhalingstekens en tikfouten die uitgeverij Cargo niet uit deze vertaling heeft gefilterd, gaat Robotham eigenlijk steeds de mist in wanneer hij zich van beeldspraak bedient: iemand is ‘zo welkom als een stinkdier op een tuinfeest’, iemand praat als ‘een vis die een haak heeft ingeslikt’, een bibliotheek is ‘het architectonische equivalent van een liefdesbaby van een betonboer en een kubist’. Tja, dat is ronduit bedroevend schrijven. En toch haakte ik niet af. Dat lag wellicht deels aan een gebrek aan alternatieven, maar ook zeker aan Robotsham talent een spannend verhaal te vertellen.

Uitgeverij Cargo gaf Leven of dood uit.

Jan van Mersbergen, Knut Hamsun, Hoe het groeide

Deze week bestelde ik Oogst, van Jim Crace. Boek van de maand bij DWDD, maar al flink wat maanden gelezen. Na een fragment op Amazon besloot ik het boek te kopen. Het geel en blauw van de ‘Look Inside’ op die verkoopsite, boven de cover van boeken, samen met dat pijltje, zijn me inmiddels heel dierbaar. Er is geen betere reden om een boek te kopen dan het boek zelf, maar dan wil ik wel even binnen kunnen kijken. Amazon begrijpt dat. Uitgeverijen begrijpen dat ook steeds beter, want die strooien tegenwoordig met mooie leesfragmenten op hun websites.

Toen ik wachtte tot het boek bezorgd was en ik voor mijn boekenkast ging staan sprong Hoe het groeide bijna van de plank. Boeken vormen altijd verbanden, en de connectie tussen Oogst en mijn boekenkast was dit oude boek van Knut Hamsun, een van mijn favoriete schrijvers van toen ik twintig was, en net was begonnen met lezen.

De beginzin, wist ik nog, had iets te maken met een pad en het ontstaan van een pad op een stuk land. Een olifantenpaadje, maar dan niet een afgesneden stuk tussen twee slecht aangelegde stukjes trottoir in een nieuwbouwwijk, maar een eerste pad op een tot dan toe ongerept stuk natuur.

‘Dat lange, lange pad, dat over het moeras en door de bossen loopt, wie heeft dat gebaand.’

Een boerenroman die eigenlijk meteen na verschijnen een achterhaalde thematiek aanhaalt: de boeren die dichtbij de aarde staan en een goed leven leiden, in een wereld die door de industrialisering snel verandert. Met die thematiek had ik veel toen ik twintig was, of eigenlijk moet ik zeggen: die thematiek staat dicht bij mijn ouders en ik stond dichter bij hen toen ik net een jaartje in Amsterdam woonde en in tweedehands boekwinkels de uitgaves van Hamsum tegenkwam die mijn vader ook in de kast had staan. Ik kende de sterke liefdesromans Pan en Victoria, het geweldige Honger en het mooie Mysteriën. Ik kende de verhalen over Hamsun die met de nazi’s heulde toen hij al bijna tachtig was. Hoe het groeide is uit 1917, jaren voordat Europa in de oorlog verzeild raakte, en Hamsun levert met dit boek een laatste sterke roman af, na jaren van twijfelachtig schrijven, zoals Hemingway deed met The Old Man and the Sea.

Hamsun schreef Hoe het groeide twintig jaar na Victoria. In de tussentijd zat hij niet stil, de ene na de andere boerenroman produceerde hij, maar nooit zo goed als Victoria en ook niet als Hoe het groeide, een verhaal dat in tegenstelling tot die andere boeken kernachtig is, eenvoudig, gevoelig.

In de aanloop naar Oogst herlas ik dus passages van Hoe het groeide en geen moment stelde dit proza van mijn jeugd me teleur, ook niet na al die jaren.

Hoe het groeide is niet meer leverbaar, maar nog wel te koop op Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, Genoeg nu over mij

Ik schrijf dit terwijl in Amsterdam men uitroept: ‘Het essay leeft!’ Men definieert: ‘In het grensgebied tussen literatuur en journalistiek, het verhalende en het beschouwende, het particuliere en het universele is het essay een genre dat de schrijver op unieke wijze in staat stelt een snaar te raken of aan het denken te zetten.’ En men stelt vragen: ‘Maar hoe ziet de toekomst van het essay eruit? Zal het essay met het krimpen der kolommen in de verdrukking raken? Of staan we aan het begin van een bloeiperiode van het zelfreflectieve schrijven en denken op de korte baan?’

Ik ben er niet – misschien moet ik daar maar eens essays over schrijven, dat eeuwige gevoel er niet bij te zijn, zelfs als ik er wel bij ben, geboortes, boekenfeestjes, bijna-doodervaringen (dat laatste was een grap, daar ben ik nog nooit niet bij geweest) -, ik ben er niet want ik had te laat door dat vanavond deze belangrijke vragen gesteld zouden worden, door interessante mensen als Marja Pruis en Jan Postma en Roel Bentz van den Berg en Miriam Rasch, en ik moest een meisje afdrogen en een jongen op een potje zetten en ze allebei voorlezen, de een over Poeh, de ander over Boer Boris.

(Is Winnie de Poeh een essayist? Zijn goede kinderboeken essayistisch?)

Ik ben er niet, dus ik lees maar. Ik heb net Marja Pruis’ Genoeg nu over mij gelezen, en ik ben enthousiast. Ik vroeg me af of ik het niet bezwaarlijk vond dat ik een paar stukken herkende uit De Groene Amsterdammer, één uit Revisor (over Advocaat van de hanen), omdat bundelingen niet per se goede boeken maken. Pruis’ collega Joost de Vries maakt het onderscheid met essaybundels om zijn ‘essayboek’ Vechtmemoires te beschrijven: ‘Ik hoop dat de essays onderling met elkaar te maken hebben, elkaar op een natuurlijke manier opvolgen, verhelderen, versterken, en ongetwijfeld soms tegenspreken.’ Ik vond hem daarin niet helemaal geslaagd, maar Pruis slaagt er wel in, het heeft allemaal met schaamte, met uiterlijk, met kijken te maken. En met literatuur. Genoeg nu over mij is een essayboek.

Ik vroeg me ook af wat ik nu het beste stuk vond (Trouw-recensent Emilia Menkveld vond dat dat het Revisorstuk was), en ik realiseerde me dat dat ‘De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden’ was. Ook een oud stuk? Nee. Pruis schreef wel in 1999 ‘De ervaren schamer’, een interview met psychotherapeut en holocaustoverlever Louis Tas. Dat stuk komt ook terug in dit essay, waarbij ze de omstandigheden van het gesprek, haar onzekerheden ook, bespreekt. (Vergelijkbaar met de opening van haar roman Zachte riten, of Teju Coles ontmoeting met Vidia Naipaul in Known and Strange Things, ongemak en bewondering gecombineerd.) Een ontzettend interessante man, dat helpt, en de snippers interview en Pruis’ commentaar geven al diepte aan het essay. Maar Pruis schrijft ook over haar verhouding tot haar kinderen (later zal ze over haar dementerende moeder schrijven):

‘Nazmiye Oral gaat op het toneel in gesprek met haar moeder, lees ik bij de foto’s van Cigdem Yuksel. “Ik wil niet dat zij sterft voordat zij weet wie ik echt ben of ík weet wie zíj echt is.” Het is het andere uiterste, denk ik, met zo weinig mogelijk judgementality. Alsof het uiteindelijk om woorden gaat. Terwijl de luxe van de bloedband de stilzwijgende intimiteit is, opgebouwd uit onbegrip, irritatie en schaamte.
Van die drie schaamte misschien nog wel het meest.
Ik ben gehecht aan die schaamte.’

Het gaat me niet om Oral en Yuksel, maar het is een rijkdom dat Pruis hen erbij haalt, het gaat me om de gevoelens tegenover de woorden. Want ja, woorden doen ertoe, maar veel van het weten is onverteld. Ik kan me nog weinig voorstellen van die luxe, al realiser ik me, terwijl ik het schrijf, dat dit de houding is die ik tegenover mijn vader heb. Ook bij hem: ik ben er niet.
Pruis gaat nog alle kanten op. ‘Schaamte is volgens de man die het kon weten een gebrek aan empathie met jezelf, en moet overwonnen worden wil je niet ten onder gaan aan zelfhaat.’ Die man is Louis Tas. Ze onderzoekt het verhaal van Aartje Greven, de pr-vrouw van Prometheus met wie niet alleen ik een ongemakkelijke relatie had, en die later niet alleen geweldig, ongemakkelijk en lief bleek te zijn geweest, maar ook een vrouw die loog. Haar vader schreef daarover een boek. En dat kan: schaamte is soms niet een gebrek aan empathie voor jezelf, maar een overdaad eraan voor de ander, stelt Pruis.

Ik weet dat niet, maar Pruis zet me aan het denken, telkens weer, en dat is wat literatuur hoort te doen. Maar dit essay is niet alleen interessant, het is ook slim: ze schrijft over relaties maar laat haar kinderen buiten schot, die behouden hun recht op leven buiten de literatuur. Het is ook talig mooi, ten slotte. Er zitten in de laatste drie zinnen van dit citaat bijzondere combinaties. De luxe van de bloedband, dat maakt veel meer van het woord ‘bloedband’ dan normaal taalgebruik toestaat. Tegenstellingen: intimiteit (+), onbegrip, irritatie, schaamte (-). Gehecht (+), schaamte (-). En natuurlijk die parafrase van 1 Korinthiërs 13: ‘En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.’

(Fantastische passage, dat 1 Korinthiërs 13, over de liefde, trouwens. Mooie bijbellezing voor komende zondag.)

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar gaf Genoeg nu over mij uit. Op Athenaeum.nl staan twee kortere stukken uit het boek.

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek. Vandaag de derde aflevering: een vergelijking tussen romans en thrillers, en dan vooral het schrijven van een roman en het schrijven van een thriller: vertrekpunt, volgorde, onderliggende lagen.

*

Het grootste verschil tussen het schrijven van een roman en een thriller is het vertrekpunt. Een roman, zo heb ik in de loop der jaren ontdekt, begint met een idee. Met een onderzoeksvraag, zoals mijn redacteur Christoph Buchwald van uitgeverij Cossee dat stelt: Wat gaat er in dit boek onderzocht worden?
In mijn laatste roman stond de vraag centraal wat er met een meisje gebeurt dat in een vervelende situatie is beland met een vriend die loverboy en bendeleider blijkt te zijn. Waarom voelt ze zich aangetrokken tot die jongen? Hoe voelt ze zich aangetrokken tot die jongen? Het meisje denkt dat ze die jongen aan kan, hoe steelt haar overschatting in elkaar? Verder verwerkt het andere oudere personage het verlies van zijn vrouw, jaren terug. Hoe speelt dat bij een oude man? Op welke manier maakt dat zijn leven in die laatste jaren anders? Wordt hij naar zijn einde toegedreven?

Mijn thriller begon niet met een onderzoeksvraag maar met een spel. Een eenvoudige puzzel eigenlijk. De hoofdpersoon, Barbara, is met haar zoontje en nieuwe vriend op vakantie in de Ardennen. De zoon is de oplader van zijn iPad vergeten en als hij geen spelletjes meer kan doen gaat hij zich vervelen. Om dat voor te zijn maakt de moeder een fictief dagboek, geschreven vanuit een meisje dat in deze streek vermist is. Voor haar zoontje is het een spannende speurtocht. Het spel houdt de jongen even zoet, tot ze aanwijzingen tegenkomen die de moeder niet heeft uitgezet. Hoe zit dit in elkaar? Leeft het meisje misschien werkelijk nog? Waar is ze? Wie houdt haar verborgen?
Een roman begint met vragen die in de karakters verborgen liggen. Een thriller begint met vragen die in de situatie besloten liggen: een vakantie met een vermissingszaak.
In mijn romans heb ik verschillende vertellers opgevoerd: afstandelijke derdepersoonsvertellers, een dronken man, de vader van het vriendje van de zoon van de hoofdpersoon – ook om afstand te creëren – en zelfs een dier. Bij de eerste ideeën voor die boeken wist ik nog niet wie de verteller zou worden, behalve misschien bij mijn eerste romans die allemaal in de verleden tijd zijn, ver weg, filmisch. In die boeken ben ik een stille camera die registreert wat er gebeurd is. Weinig duiding, veel beelden, veel platteland.

Met mijn laatste roman keer ik terug naar dat platteland, het verhaal speelt grotendeels op een stuk land dat vergelijkbaar is met het land van mijn ouders. Het moest echter geen boek worden over dat stuk land of over mijn ouders. Zij zijn inmiddels in de zeventig en zorgen iedere dag voor de schapen en kippen op dat land, houden de moestuin bij, baggeren de sloten uit, hooien en maaien en snoeien. Mijn verhouding met dat land is dubbel: het is prachtig maar het is ook veel werk.
Het enige wat mijn ouders niet hebben is een paard. Dus ik wist dat als ik een paard daar neer zou zetten, de roman in de ogen van mijn ouders zeker fictie zou zijn.
Ik wilde die roman in de ik-vorm vertellen. Geen derde persoon meer, daar heb ik genoeg van. Ik wilde een sterke ik, maar wie moest de ik-verteller worden?

Ik had drie personages: het meisje, de grootvader en het paard. De andere personages, zoals de loverboy en de vader van het meisje krijgen simpelweg te weinig van het verhaal op die strook land mee. Mijn stelling: een paard als verteller omdat dat een betere keuze is dan het meisje en de oude man.
Een meisje van een jaar of vijftien dat in zo’n affaire zit weet zelf niet precies wat er gebeurt. Ze kan wel andere zaken vertellen, maar ze heeft weinig afstand. Bovendien is een jonge stem in een roman erg moeilijk. Dat verwacht je niet, maar ik denk dat vanuit een meisje van vijftien schrijven moeilijker is dan schrijven vanuit een paard.
De oude man was ook een mogelijke verteller, maar dan is het gevaar voor fotoboekproza groot. Een oude man die terugkijkt op zijn leven, aan de hand van beelden, van foto’s eigenlijk. Beetje vrijblijvend bladeren. Een meisje op bezoek krijgen en daar weinig van begrijpen, dan zou ik nooit tot de kern komen.
Een paard dus.

Bij de thriller had ik in eerste instantie nog geen verteller. Ik had alleen het verhaal over het dagboek dat in de rivier zou drijven, de zoon die de blaadjes niet kon missen, ze eruit vist, en gaat speuren. De vermissingszaak had ik nog niet ingevuld. De vragen die vervolgens kwamen waren: hoe zit die vermissingszaak werkelijk in elkaar? Wie is de dader? Leeft ze nog? Vinden ze het meisje? Vinden ze de dader? Wordt het heel gevaarlijk voor het gezin?
Kortom: wordt het een spannend boek met dood, bloed, moord, achtervolging, ontkomen, of wordt het een spannend boek dat leunt op de suggestie, op de opties die in het hoofd van Barbara passeren, die gekoppeld worden aan de kern van haar leven: de zoon, moederschap, de nieuwe vriend, haar ex?
Een laatste vraag was: Wie gaat het verhaal vertellen? Ik moest eerst de puzzel compleet maken voor ik wist wie de verteller zou zijn. In een eerste versie hanteerde ik de mij bekende derde persoonsverteller. Toen die eerste versie door de redacteur gelezen was en het verhaal meer body kreeg en de uitkomst van de puzzel helder werd kon ik een andere verteller kiezen.

De keuze voor die verteller werd gemaakt tijdens het schrijven. Beter gezegd: tijdens het puzzelen. Bij mijn laatste roman stond dat eigenlijk vooraf al vast.
Bij een eerdere roman veranderde de verteller wel, maar dat kwam vooral omdat ik er langzaam achterkwam dat de thematiek van het boek vroeg om meer afstand. Bij het schrijven van De laatste ontsnapping koos ik eerst voor de ik-vorm vanuit de hoofdpersoon, een man die ontdekt dat hij een zoon heeft. De verteller zat te dicht op het verhaal en de tijdspanne was te groot. Iedere week had de vader een kans om zijn zoon te zien, tijdens zijn karateles. De eerste keer die jongen opzoeken is heel spannend, het wachten op een volgende keer is al vervelend wanneer dit in de ik-vorm in de tegenwoordige tijd uit de doeken gedaan wordt, een derde keer wordt heel erg saai. Daarom koos ik voor een tweede versie voor de vader van het vriendje van de zoon als verteller. Personages in een roman worden langzaam opgebouwd, dat ontstaat tijdens het schrijven. Thema’s volgen de personages. Een belangrijk thema van De ruiter is stad versus platteland. In de eerste versie was dat thema minimaal, in de latere versies werd dat steeds uitgebreid. Ook werden de verhalen achter het meisje, de grootvader en het paard steeds uitgebreider.

Bij het werken aan de thriller gebeurde hetzelfde. In de eerste versie had ik de puzzel die nog niet helemaal af was; ik had het verhaal ovder de dagboekblaadjes en de spanning die de vermissing met zich mee zou brengen, ik had nog geen werkelijke personages en het belangrijkste thema bleek moederschap te zijn. In de tweede versie werd de verhoudingen tussen de moeder en haar nieuwe vriend uitgespeeld en pas in de derde versie begreep ik dat de verhouding tussen de moeder en haar zoon het belangrijkste was: het beschermende, het onvoorwaardelijke, het nietsontziende. Dat kon ik aan alle personages verbinden, iedere op zijn eigen manier.
De volgorde was dus anders dan bij het werken aan De ruiter. Bij die roman lagen de thema’s dichtbij de vragen waar het schrijven mee begon. Ik ging uit van die personagesen hun bijzonderheden, en zocht daar een verhaal hij, zocht daar scènes bij. Bij Dagboek uit de rivier had ik een spannend gegeven en voegde later het thema moederschap toe.
Ondanks een ander vertrekpunt en een andere volgorde van schrijven en bleek het opbouwen van de diepere lagen van zowel een roman als een thriller op dezelfde geleidelijke manier te gaan. Die ontdekking had ik als schrijver niet willen missen.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Roos van Rijswijk zich inspireren door een foto van Hermans. Lees ‘Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt’.

*

Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt stalt ze de spullen uit en naast de spullen zet ze haar zoon neer. Thuis zeurde hij nog om een lange broek zoals die zijn vader draagt op de foto op het dressoir.
‘Nee, Zoetje. Als je groot bent.’

Als je zo groot bent dat je geen gaten meer in je knieën valt, en zo lang bent dat je de mieren die voor je voeten linten vormen niet meer ziet, als je niet meer hoeft te bukken om dat verborgen rijk te bestuderen, maar recht vooruit kijkt. Naar meisjes en wat voor je ligt.

Nu gebeurt het, langzaam, passanten rekken zich stilletjes uit in hun jassen en bekijken de uitgestalde waar terwijl ze de rest nog uit de zak moet halen. Jopie komt erbij staan, even vaderloos als die van haar maar met een moeder die niet helemaal in orde is – of dat altijd zo geweest is weet ze niet, ze kent de vrouw en haar Jopie pas even. Zoetje ziet de verschillen tussen hem en Jopie nooit, al zal hij vandaag zeker opmerken dat Jopie wel een lange broek droeg.

Als je benen belachelijk en harig uit die pijpjes steken, Zoetje, als je het zwartespinnenbloed van je vader hebt. Dan. Als je stem in duizend stukken breekt, die ik allemaal zal verzamelen, dan, misschien.
‘Nee, de kar is niet te koop, maar wilt uw vrouw geen nieuwe schoenen, meneer? Dag buurvrouw, nee da’s Jopie die zo schreeuwt, z’n moeder is gaan dwalen denk ik, roep het rond, roep het rond.’

Jopie met zijn kop in een wollen muts die hij ook in de zachte aprilzon niet af wil doen, met zijn kippenlijfje in een dikke jas. Hij staat te bomen als een ouwe kerel, terwijl haar zoon gedwee naar hem luistert. Ja, verschil is er wel, nu ziet ze het ook; Jopie is sterk, en die van haar is een volger. Ze vist een oud paar handschoenen uit de zak, twee gekleurde flessen, een nooit gebruikte scheerkist, die ze had gehouden als hij ouder was. Een pan die nog best even mee kan en de houten blokken waar Zoetje op uit is gekeken.
Het zal veranderen. Ooit zal Jopie Zoetje moeten volgen, omdat diens dictie keurig is en zijn broek gesteven. Ze knijpt in een oude sandaal.

Ze kopen niet, haar waar is niet goed genoeg. De buurvrouw gluurt niet meer minzaam, maar vol medelijden hun kant op en Jopie is languit op de straat gaan liggen, in zijn eigen lentewinter, misschien vliegt hij, of zwemt hij, straks zal Zoetje mee gaan doen en dat is prima. Zijn knieën kunnen toch niet stuk.

Wanneer je zo sterk bent dat je me met één arm op kunt tillen, wanneer iedereen je Edo noemt, wanneer je in stilte kwaad kunt worden en in het geniep gelukkig. Dan, dan, dan.

Hoelang blijft iemands oeuvre levend? Zolang nieuwe generaties auteurs zich door hem laten inspireren, soms nadrukkelijk, soms subtiel? De aanleiding voor De onbekende Hermans zijn de delen die vanaf nu in de Volledige Werken zullen verschijnen. De reeks zal in het teken komen te staan van de meer onbekende Hermans: dus niet de auteur van veelvuldig herdrukte bestsellers maar de essayist, de fotograaf, de biograaf, de verteller van korte verhalen, de toneelschrijver & scenarist, de beeldend kunstenaar.

De redactie van Revisor had het voorrecht om al kennis te nemen van de nog te verschijnen delen. En we vroegen auteurs die Hermans hoog in het vaandel hebben staan zich erdoor te laten inspireren. Roos van Rijswijk baseerde haar fictieverhaal ‘Op zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt’ op een ongepubliceerde foto van Hermans, Jente Posthuma gebruikte Hermans’ ironieopvatting (en zijn naam) voor een kort, afgewogen verhaal, en Laura Broekhuysen en Frederik Willem Daem kozen Hermans’ verhalen. Daem schreef een komische, springerige tekst op de toon van Dinky Toys (1976), Broekhuysen leverde met haar vervreemdende ‘Mensuren’ een tekst naar ‘Cascaden en riolen’, een surrealistisch kort verhaal uit 1943 – en pas toen we dát verhaal gelezen hadden, begrepen we werkelijk wat ze beoogde. Maar we bieden meer dan alleen fictie, net als Hermans zelf. Willem Otterspeer, auteur van Hermans’ tweedelige biografie, werkte voor ons een alternatief concept uit om Hermans’ leven mee te beschrijven. Bert Natter schreef in een persoonlijk essay wat de hermansiaanse roman voor hem precies behelst – en wat hem daarin zo treft. Deze schrijvers laten zien dat Hermans voortleeft als inspirator en dat hij doorklinkt in allerlei nieuwe, nog niet canoniek verklaarde oeuvres.

Thomas Heerma van Voss,
namens de redactie van Revisor

Daan Stoffelsen opende de presentatie van Revisor 14 met schriftlezing. Over Collectieve Propaganda, vruchten, vla en vluchtelingen.

*

Gemeente!

Wij lezen vandaag Genesis 3.

Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;
Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

Verderop staat er:

En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Gemeente, deze tekst kan ook allerlei manieren gelezen worden. Voor Collectieve Propaganda, voor Christelijk populisme, voor verhalen over verleiding. Ik wil u vandaag vooral vragen meegeven.

  • was de verboden vrucht een appel of een mandarijn, en wist de redactie van Revisor dat toen de opdracht voor dit omslag werd gegeven aan Eline Kentie?
  • wat is een grotere seksuele deviatie: seks met een slang en een vrucht in een boom of met Eppo van Nispen tot Sevenaer in een bad vol vla?
  • gaat Genesis over het verlangen van het moderne individu of over de zonde van ons allen?
  • zijn Adam en Eva vluchtelingen of verwende burgers?

Gemeente! Literatuur is gelukkig eenduidiger. Vandaag vieren we een nieuw nummer van Revisor en een speciale uitgave, De onbekende Hermans. Hermans kon er vandaag niet bij zijn, maar wel Florimond Wassenaar, Anne Eekhout, Anne-Fleur van der Heiden en Richard de Nooy. We vieren het met verhalen en poëzie, en met fruit, want nadat we Eline die opdracht hadden gegeven – een uitgedroogd mandarijntje tegen een paarse achtergrond – realiseerden we ons dat

  • ons nummer relevanter was dan we dachten. Ariel Dorfman en Florimond Wassenaar schrijven verhalen voor een wereld waarin Trump, Wilders en de hunnen zich cherubim wanen bij de hof van Eden;
  • nieuwe schrijvers hun rijpheid tonen in Revisor;
  • Naomi Rebekka Boekwijt en Bert Natter over verboden vruchten schrijven;
  • er een banaan in Richard de Nooys verhaal zit;
  • vandaag de Boekenweek begint.

Gemeente! U krijgt het geschenk bij aanschaf van € 12,50 aan Nederlandse boeken – of literaire tijdschriften. Revisor kost € 12,50. De onbekende Hermans is gratis. Grijp uw kans, pak een mandarijn en luister.

(Foto’s van de presentatie op Facebook.)

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Boekenweekgeschenkauteur Herman Koch zich door W.F. Hermans inspireren. Lees vandaag ‘Muggen’.

*

Met muggen is het een beetje als met kiespijn: zolang je het niet hebt, is het nauwelijks voorstelbaar hoe erg het kan zijn. Over muggen lezen is iets anders dan muggen in het echt. Eén mug in je slaapkamer kan je een hele nacht uit je slaap houden, maar op zeker moment – je staat intussen rechtop op je bed, een kussen in je hand, met alle lichten aan – zie je hem toch echt op het plafond zitten. Eén welgemikte klap – dood! – en de nachtrust kan beginnen.
Duizenden muggen, miljoenen muggen, is een ander verhaal. Ze zijn er gewoon, altijd en overal: hun aanwezigheid is net zo vanzelfsprekend als de lucht die je inademt.

Ze zijn er zoals de bergen er zijn, de eeuwig groene naaldwouden, de branding: de golven die ook al voor het verschijnen van de eerste mens tegen de kust aansloegen, en dat ook zullen blijven doen nadat de laatste mens de deur achter zich dicht heeft getrokken.
Ik was gewaarschuwd toen ik in de winter van 1973 naar Finland vertrok om een halfjaar op een boerderij in Noord-Karelië te gaan werken. Ik had over de muggen gelezen, niet in een reisgids maar in een Nederlandse roman. Ik was nieuwsgierig of het echt zo erg zou zijn met die muggen, maar eigenlijk geloofde ik toen nog dat het wel mee zou vallen.
In die eerste maanden was er nog geen mug te bekennen. Daarna zette de dooi in. In Finland duurt de lente nog geen tien dagen. Van de ene op de andere dag krijgen ook de massaal aanwezige berkenbomen doorschijnende groene blaadjes. Overal schieten bloemen omhoog. De ijsvlakte waar je drie maanden op hebt uitgekeken verandert in een lichtblauw meer. Je hoort een bekend geluid dicht bij je oor, je voelt iets prikken op je onderarm en daarna ook in je nek. De idylle is voorbij.
Nu duurde het ook niet lang meer voordat de zon nooit meer onderging. Je keek door het raam naar buiten. Wat je zag was zonder meer een mooi uitzicht te noemen. Wat zou het heerlijk zijn om met een boek op die steiger te gaan zitten. Om met de daar afgemeerde roeiboot naar de overkant van het meer te roeien.
Maar je deed het nooit. Je wist dat deze wereld door andere wezens dan door mensen werd bewoond. Dat ze in de meerderheid waren en overal, op alle tijden van de vierentwintig uur durende dag, de overhand hadden. Je was hier slechts te gast. Je bleef binnen.
Afgelopen zomer was ik voor het eerst in drieënveertig jaar terug in Finland. In een huis aan hetzelfde meer waar ik als negentienjarige een halfjaar op de boerderij had gewerkt. De parallel met kiespijn gold nog altijd. Ik dacht dat het deze keer, in 2016, wel mee zou vallen.
Soms werd ik om drie uur ’s nachts wakker. De zon was dan al op. De verleiding is dan groot om gewoon op te staan, met een mok koffie op het terras te gaan zitten en over het meer uit te staren.
En zo ontdekte ik iets wat me in 1973 kennelijk was ontgaan: dat er op dat vroege tijdstip geen muggen waren. Nou ja, geen… Een enkel sloom exemplaar dat je makkelijk doodsloeg wanneer het op je arm landde. Ook de muggen waren om drie uur in de ochtend nog niet helemaal wakker.
Dat werd mijn nieuwe dag- en nachtritme. Niet voor het eerst dacht ik aan Nooit meer slapen, en dat over muggen lezen iets anders is dan te gast zijn in het land waar deze dieren de dienst uitmaken.

Anton Patrick zoekt zonder licht te maken naar het kladblok waarop hij zijn boekhouding bijhoudt, scheurt er een stuk papier af en schrijft in afhellende letters Uitzonderlijk gesloten wegens een gelukkig voorval. Hij buigt zich over de enorme pinguïn die voor de deur staat, maakt voorzichtig het portret van zijn grootvader los en plakt het papier op die plaats tegen het glas. 
De honderden beren, kalkoenen, marters en miereneters kijken hem na terwijl hij het portret naast de paraplubak op de grond legt.
Ici on remplace les mauvaises têtes.
Het komt uit een andere tijd. Niemand herstelt nog, iedereen koopt nieuw. Hij gaat er prat op de grootste biodiversiteit aan pluchen dieren te bezitten. Het komt zelden voor dat hij een kind moet teleurstellen. (Natuurlijk heeft hij niet iedereen blij kunnen maken in zijn leven en niet alles wat stuk is, valt te herstellen, maar) hij duwt die gedachte snel weg, neemt zijn jas en hoed van de kapstok en wanneer hij het geluid van de klingelende belletjes hoort wegvallen achter het dichtslaan van de deur, weet hij dat dit een goed idee is.

De gouden woorden kijken hem na. Pelucci d’Anton. Zijn grootvader noemde zijn zoon Anton en op zijn beurt gaf zijn vader de verwachting door, door hem dezelfde naam te geven. Anton diende ertoe om iets in stand te houden, hij kon niets anders worden dan een kopie van zijn vader. Een reproductie is zelden beter dan het origineel. (Even verwacht hij dat het verdriet nu de kop zal opsteken, zoals het de voorbije maanden steeds bij hem is geweest, met een overspoelende kracht maar het komt niet en) hij haalt adem, loopt de Rue Raymond Losserard verder in. Sinds 1903 is de sluitingsdag op zondag. Vandaag zal hij zijn eigen regels voor het eerst overtreden.

Zijn wijk ontvouwt zich in het leven zelf, niet in plekken van grote betekenis. Achter elke hoek kan een volkomen ander gezicht van de stad opduiken. Brede boulevards naast smalle gangetjes, statige gebouwen met onduidelijke functies naast met mos overgroeide overblijfselen van iets wat ooit statig was geweest. Wat er zich al van toeristische bezienswaardigheden bevindt, heeft te maken met de dood. Een kerkhof waar enkele beroemdheden liggen maar dat niet kan concurreren met Père Lachaîse. De ingang van de catacomben.
De kans om hier toeristen tegen het lijf te lopen, is kleiner dan elders in de stad. Hij wordt ongemakkelijk van ze. Ze zien iets wat hij niet ziet. Hoewel ze naast hem op dezelfde stoep lopen, wandelen ze toch in een andere straat dan hij. Een straat die beschreven staat in een gidsje dat heeft samengevat hoe de straat moet zijn. (Er valt natuurlijk helemaal niets vast te leggen, geluk is vaak het voorstadium van verlies, altijd dezelfde snijdende gedachte) schiet weer door zijn hoofd terwijl hij tussen de auto’s door de straat oversteekt. Hij mijdt oogcontact met de passanten, hij zou zichzelf te zeer vastgelegd zien in hun blik. Een deftig mannetje in een tabaksbruin pak met een hoed, meneer Patrick van het winkeltje, overblijfsel uit een andere tijd. Ziet er ouder uit dan hij is, wordt desondanks dikwijls als verkleinwoord aangesproken, niet waar meneertje Patrick?
Iemand die hij vandaag niet is, want het is dinsdag en toch is de winkel gesloten.

Vietnam ligt hier schouder aan schouder met Libanon, China en Algerije. Midden in zijn buurt ruikt het naar werelden die hij niet kent. Bij het zien van de opgeblazen pekingeenden, aan hun nek opgehangen en blinkend oranje, moet hij zijn blik afwenden.
Rul, kaal vlees.
Een koud lichaam, hangend hoofd.
Even lijkt het alsof hij op een hellend plateau staat. Hij concentreert zich om het beeld weg te krijgen (de onmogelijkheid om contact te maken met iemand die zo vaak haar armen rond zijn hals heeft geslagen, hem zoende op zijn slaap, het zou nooit anders zijn), tast dan naar zijn schoudertas.
Mensen lopen langs hem heen, een jonge vrouw stoot hem per ongeluk aan. Ze kijkt haastig om en hij ziet haar lippen een verontschuldiging vormen, meteen loopt ze verder, tussen alle andere lichamen op weg naar een andere plek. (Dat alleen hij het ziet: alles kan meteen ophouden, deze verzameling huid en water, er is niet veel nodig. Zijn schoudertas weegt licht, te licht voor het gewicht van zijn plan. Driehonderd gram, niet meer. Zelfs wie echt naar hem zou kijken zou alleen een man zien die zijn tas weegt.)
Hij loopt snel voorbij de eettentjes, slaat een zijstraat in, voelt hoe zijn ademhaling weer vertraagt.

Hij heeft zijn grootvader vaak helpen zoeken naar de juiste nieuwe huid, in de lade met verschillende velletjes. De bokalen met ogen stonden naast de bokalen met voorpoten. Hij raakte elke keer begeesterd door de concentratie waarmee de oude man de beren openlegde met een vlijmscherp mes, hen van een nieuwe vulling voorzag, hoe hij hen zorgvuldig weer dichtnaaide, steeds met de hand en zo onzichtbaar mogelijk. De zucht van tevredenheid wanneer zijn grootvader de nieuwe teddybeer tegen het licht hield, stond in schril contrast met de teleurstelling die vaak gepaard ging met het overhandigen van het genezen knuffeldier aan de kinderen. 
Ze hechtten vaker dan volwassenen dachten aan afgeknabbelde oren, aan ontbrekende ogen, aan kaalgestreelde buiken. Omdat Anton nauwelijks boven de toonbank uitkwam, keek hij recht in hun ogen en zag dat ze beseften dat iets wat verdwenen was, nooit meer terug kon komen.

Veel van wat hij in het leven heeft geleerd, heeft hij van klanten in de winkel. De grootste wijsheden komen op fluistertoon, tussen de zwijgende steenarenden en poolvossen. Ook het licht is gedempt, het gaat verloren tussen de bonobo’s en de wombats, tussen de nachtvlinders en de bidsprinkhanen. In zijn winkel houdt alles zijn adem in.
Een van de dingen die hij gehoord heeft en dat hem steeds bijgebleven is, is dat in het begin van een liefde al het einde besloten ligt. Bescherming kan verstikking worden, wie iemand redt wil eigenlijk zelf worden gered, hij had het moeten weten, hij heeft niet goed geluisterd. Langs de laan staan oude platanen, er zijn annonces in de stam geprikt. In internettijden zoekt Parijs nog steeds contact via de melancholie (en zelfs dat stemt hem niet meer hoopvol, wie elkaar per toeval vindt, verliest elkaar zo, per ongeluk. Alsof ook zij slechts toevallige passanten waren geweest die tegen beter weten in iets anders hadden geloofd en alleen getrouwd waren om het lot een pootje te lichten, hij had het moeten weten), hij wendt zich af van de stammen. Het portret van zijn grootvader herinnert aan de tijd waarin er werd geloofd in herstel, ici on remplace les mauvaises têtes. Nu verkoopt hij replica’s van de werkelijkheid. Een betere versie ervan. Vachten zonder schurft. Iets waarvoor gezorgd kan worden en dat bij verwaarlozing toch niet zal sterven.

Wat hem zo kwaad maakt weet hij niet. Er drukt iets op hem, iets wat ouder is dan hijzelf, alleen in de winkel wordt hij rustig. Het begint met een plek op zijn borstbeen dat begint te gloeien tot het schroeit wanneer hij de rij aan de catacomben nadert (het maakt hem van streek, zou hij willen vertellen aan iedereen die hij passeert. Hoe levens elkaar maar zijdelings raken, het is ondraaglijk, vindt u ook niet en uiteraard zwijgt hij want hun reacties zouden exact zijn wat hij bedoelde, dus) schuift hij niet aan, maar loopt een eindje verder. Focus op de straatstenen, focus op het zetten van de ene voet voor de andere, tot Parijs verkleint tot zijn eigen hartslag.

Naast de rij staan is de beste manier om jezelf iemand te voelen. Hij wacht een paar momenten. Ziet hoe niemand echt opschiet, iedereen is bereid desnoods eeuwig daar te blijven, het wachten op zich volstaat. Onder hen de schedels, de gangen, de knoken die de fundamenten vormen van de stad.
Terwijl hij het mes uit zijn tas haalt ziet hij zichzelf staan, hij wordt deel van de rij en toch weer niet, hij ziet zich verbaasd naar het ding in zijn handen kijken. Hier behoort het toe aan iemand die hij niet is. Dat moment duurt zo lang dat hij merkt dat er toch iets is veranderd, er is onrust, paniek, hij heeft nog steeds de tijd om traag te ademen, weer samen te vallen met zichzelf en het lemmet tegen zijn linkerpols te drukken (hij heeft de tijd om aan de dode dieren in de winkel te denken, aan het portret van zijn grootvader, hij heeft de tijd om eraan te denken dat hij zo erg op zijn grootvader lijkt dat het klanten verwart, hij heeft gewonnen van de tijd, hij heeft de tijd om op te kijken en alle hoofden te zien, en daarboven alle gedachten, alle intenties en alle herinneringen, ongrijpbaar, zoals waarom iemand op een ochtend die zo veilig begonnen was een beslissing neemt die het leven kantelt, hij heeft de tijd om daar allemaal aan te denken terwijl) hij naar het mes kijkt en voelt hoe vertrouwd het tegen zijn ader ligt, ook buiten de winkel.

Deze tekst ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.