De Revisor is alweer meer dan een papieren tijdschrift, een website en een nieuwsbrief. Lees de Revisor Bladspiegel, met als eerste aflevering het gebundelde Schrijfdagboek van Jan van Mersbergen, over zijn schrijven aan Naar de overkant van de nacht, voor eigen afdruk en tabletgebruik, bij gelegenheid van het begin van het Vastelaovendseizoen 2015.
Jan van Mersbergen werkte in 2010 aan een roman die in november 2011 moest verschijnen, en Naar de overkant van de nacht zou gaan heten. Voor de Revisor hield hij een schrijfdagboek bij op Revisor.nl. Vanaf het eerste kleine idee is te volgen hoe het zich langzaam ontwikkelde tot een roman. Ook is te zien tegen welke dilemma’s de schrijver aanloopt.
Deze alinea, een parafrase van de inleiding van Jans blogs, kan volstaan om deze uitgave in te leiden. Wat dit dagboek het lezen of herlezen waard maakt, is hoe de schrijver zich blootgeeft, hoe hij laat zien waar een ambachtsman zijn ideeën vandaan haalt, hoe hij zich verhoudt tot de werkelijkheid, dat perspectief, karaktertekening, zelfs alinea-indeling in een roman niet gegeven zijn maar het resultaat van een worsteling.
De bladspiegeluitgaven zijn gratis PDF-uitgaven, met dank aan het Nederlands Letterenfonds.
Toen mijn zoon geboren werd struikelde ik in het ziekenhuis over de mensen: verloskundige, gynaecoloog, stagiair, arts, broeder, nog een broeder. Toen vier jaar later mijn dochter geboren werd was er niemand anders bij dan de moeder en ik. De verloskundige was onderweg en moest lang rondjes rijden in de buurt om een parkeerplaats te vinden. De bevalling ging heel snel, de verloskundige was te laat. Ik ving haar op. Ze was paars. De navelstreng zat om haar nek. Eerst ademde ze niet, dat duurde een minuut, schat ik. Dat duurde in werkelijkheid een paar seconden. Toen huilde ze.
Een verslag van twee geboortes – ze zijn inmiddels twaalf en acht. De woorden ervoor schieten altijd tekort. Woorden die een geboorte moeten vangen benaderen slechts de realiteit. Ook in romans, hoe verzonnen of uit het leven gegrepen ook.
Daan Stoffelsens Het literair couvadesyndroom is nu als Bladspiegeleditie voor eigen afdruk en tabletgebruik beschikbaar.
In mijn vijfde roman, Zo begint het, beschrijf ik drie moeders, één geboorte en een dramatisch voorval met een hond. Toen ik het boek schreef kwam ik Volkskrant-recensent Daniëlle Serdijn tegen in de bibliotheek in Amsterdam. Ze vroeg me of ik aan een roman werkte, en ik knikte maar voegde er meteen aan toe: ‘Dat moet jij niet lezen.’ Serdijn was op dat moment zwanger. In het boek wordt een baby door de hond doodgebeten. Een pak luiers van een te grote maat dat door de vader is gekocht, blijft ongebruikt onder het bed liggen. In haar recensie schreef Serdijn – inmiddels bevallen – over dat beeld.
Tijdens een lezing zat een vrouw op de eerste rij die me vroeg hoe ik me zo in had kunnen leven in wat een vrouw tijdens een bevalling meemaakt. Ik antwoordde dat ik me niet ingeleefd had, ik keek alleen goed om me heen. De vrouw was gepikeerd. Ze had het boek gelezen en ze had gevoeld wat ze voelde toen haar kinderen geboren werden. En het boek was geschreven door een man. Hoe kon dat? Ik zei: ‘Kijken is voor een schrijver belangrijker dan dat allemaal zelf voelen.’ De avond werd er niet beter op.
Een geboorte als begin, een geboorte als einde. Wat er nog niet was, een gedegen analyse van de bevalling in tekst. Wat gebeurt er? Waar kiest de schrijver voor? Wat zijn de motieven en stijlmiddelen?
In romans zoeken schrijvers naar de kern, en toch draaien ze om die kern heen. Baren in tekst is een afgeleide van die kern. Laatst vroeg iemand me (voor de zoveelste keer): ‘Maar wat is literatuur?’ Belangrijk is het woordje ‘maar’ voorafgaand aan de vraag. Alsof literatuur niet duidelijk en helder te vatten is. Ik had één woord paraat: ‘Gevoelsoverdracht’. De man die zelf weeën voelt terwijl zijn vrouw die heeft, dat is literatuur, mocht het overgebracht worden. Daarover schrijft Daan Stoffelsen in dit essay. Over de afgeleide die zo echt is dat het gevoel aankomt. Over literatuur.
Namens de redactie, die tot voor kort niet bestond uit vijf mannen, maar uit vijf vaders,
Jan van Mersbergen
In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Tyche Tjebbes.
OUDST
de oudste man ter wereld is weer overleden
het staat in de krant en altijd woont hij ergens anders
alsof hij niet dood maar gewoon verhuizen wil
Over de dichter:
Tyche Tjebbes (1982) schrijft proza en poëzie. Ze studeerde filosofie en religiestudies
aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder verscheen haar werk in Op Ruwe Planken
en in de festivalbundel van het ILFU.
In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 3: ‘Lens’.
*
Vaak vergeet ik mijn buitenkant. Als ik mijn ogen sluit, voel ik niet eens waar mijn lichaam eindigt. Behalve op de plekken waar ik iets aanraak: de ribbel van de f- en j-toets onder mijn vingertoppen, de stoel die tegen mijn zitbotten drukt, de rand van het koele tafelblad tegen mijn onderarmen. De stof van mijn coltrui raakt mijn hals waardoor ik voel waar mijn denkende hoofd aan de rest van mijn lichaam vastzit.
Ooit vond mijn linkerhand voor het eerst mijn rechtervoet, misschien zelfs nog voordat ik geboren was. Stap voor stap bewoon je als baby je lichaam. Later strek je op het juiste moment je hand uit om een bal te vangen, zet je stappen zonder te vallen. Na mijn kaakoperatie at ik maandenlang met een spiegeltje in mijn hand. Door de verplaatsing van mijn kaken (die maar een paar millimeter behelsde), wist een deel van mij niet waar het zich bevond. Lichaamsschema, noemt Merleau-Ponty dit, de eenheid van je lichaam ervaren zonder dat je daarbij hoeft na te denken.
Terwijl ik dit schrijf, dwaalt mijn blik naar een portret op mijn boekenplank: een gezicht waar een gat in zit. Van de vrouw in zwart-wit is alleen haar onderlip en kin te zien. Over haar gezicht ligt een ansichtkaart met het uitzicht vanuit een grot, door een poort van rotsen zie je blauwe lucht en een rechthoekje zee. Ik denk aan de witte zaal in het fotomuseum waar de tentoonstelling van John Stezaker te zien was, waar de gezichten met hun landschappen me op een fijne manier duizelden. In de museumwinkel kon ik bij de kaarten niet kiezen uit de reeks gezichten waarin een uitzicht lag.
Toen ik me eens verdiepte in de werking van het oog, hoe dit zintuig signalen doorgeeft aan je hersenen en het tot me doordrong dat de hele visuele werkelijkheid zich afspeelt in je hoofd, voelde ik mijn hersens breken. Het idee dat de hele wereld door een gaatje ter grootte van een luciferkop mijn hoofd binnentreedt, daarna vertaald wordt door mijn hersenen en naar buiten geprojecteerd wordt, duizelt me elke keer dat ik er bij stilsta. Er zal maar een hapering optreden in dit haarfijne systeem en je bent de weg kwijt. Je stapt naast de kade in plaats van langs de rand, ziet vertraagd een auto aankomen of loopt door een wereld die ondersteboven hangt. Stel dat je brein de schok die je lichaam bij elke stap maakt, niet meer dempt. Dat je gezichtsveld niet meer visueel wordt gladgestreken. Buiten je lichaam is een pulserende wereld waardoor je alleen nog vooruitkomt langs muren, relingen of kruipend.
Een paar dagen geleden stapte ik impulsief op de trein naar Den Bosch. Ik had haast, want bij toeval had ik op Facebook gezien dat het gebouw van de kunstacademie waar ik studeerde, werd gesloopt. Ik moest en zou het bijzondere pand, ooit gebouwd als typemachinefabriek, nog zien voordat het niet meer bestond. Het was niet alleen sentiment dat me met haast naar het gebouw dreef, ook beviel het idee me niet dat de volgende keer dat ik door mijn geboortestad zou lopen, de weg ineens zou zijn omgelegd, met compleet andere bebouwing en dat er nieuwe uitzichten zouden zijn, de oude voor altijd weg.
Wat wordt er afgebroken als een gebouw wordt afgebroken? Wat gaat er verloren en wat is het dat ik zo angstvallig wil bewaren? Bij de kunstacademie aangekomen, zie ik dat de voorgevel, een paar muren en een deel van de gang nog overeind staan. Ik maak een foto. Het lukt me om helemaal om het gebouw heen te lopen, al kom ik niet dichtbij doordat het met hekken is afgezet. De achterkant is al weg. Achter de voorgevel strekt zich een heuvelig landschap uit van stukken muur en tegels. Aan de hand van de sporen op de grond probeer ik de muren weer op te trekken. Wat was hier, de hout- en grafiekwerkplaats, of de keramiekoven? Hoe groot was het, waar zaten de ramen, waar kwam je binnen?
Het lukt me niet de brokstukken tot gebouw te denken. Kan het zijn dat wanneer een gebouw verdwijnt, ook de herinneringen aan de ruimtes vervagen? Zoals fragmenten van een foto, snippers waar teveel aan ontbreekt om ze weer aan elkaar te lijmen. Achter het hek onderdruk ik de drang om door de gang te lopen, een paar stappen in het verleden te zetten. Ik troost mezelf met de gedachte dat er van de onbereikbare gang toch al niet veel over is: een paar meter uitkomend in de open lucht. Kraaien scharrelen tussen het puin. Ik ben jaloers op die kraaien, zij kunnen alle stukjes gebouw nog aanraken. Misschien gebruiken ze fragmenten voor een nest.
Terwijl mijn trein vaart maakt op de brug over rivier De Dieze, zie ik het gebouw vervagen. Op elke foto dezelfde nevel, mijn vingerafdruk op de lens.
*
Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie). Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.
In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 2: ‘Façades’.
*
Mijn helderste herinnering aan de Efteling is een mislukte rit in Droomvlucht. Terwijl we door een lila, fonkelend sterrenstelsel zweefden langs grote bollen die half maan half sprookjeskasteel waren, kwam onze gondel met een schok tot stilstand. De noodverlichting sprong aan en ik zag de ware aard van de kasteelmanen: grijze, bolvormige constructies bungelden in tl-licht aan het plafond van een loods. In de diepte lag grauwe vloerbedekking zoals in een kantoor en in de hoek was een deur met een lichtgevend nooduitgangbordje. Daar stond een stofzuiger, het snoer nog uitgerold, een spoor van mensen die na sluitingstijd de sprookjeswereld poetsen.
Na een paar lange minuten stil hangen, floepte de sprookjeswereld weer aan en zweefden we verder. Hierna waren de fonkelende planeten nooit meer hetzelfde, en toch, ik had iets gezien dat veel bijzonderder was. Misschien is het verbreken van de betovering wel net zo betoverend als de betovering zelf.
Ook op andere plekken schuurt de echte wereld tegen de namaakwereld aan. De gevel van een appartement in Greenwich Village werd gebruikt als denkbeeldige locatie voor de serie Friends. Elke aflevering was het shot meermalen te zien, ook al werd de hele serie in een studio opgenomen. Op Tripadvisor kun je dit uitzicht in New York als attractie beoordelen. Marco W uit België schrijft in zijn review: Gewoon gebouw in de straat. Je bent er zo voorbij, maar wel leuk als je de serie terug ziet, dat je daar was. Iemand anders: I was surprised at how many people were on the street taking photos. When you look at it in real life you don’t get the same perspective as you do on TV, but if you take a picture and look at it you can see it. Het lijkt alsof het tegenvalt in het echt. Alsof de beroemde gevel thuishoort in een andere werkelijkheid. Alleen als je er een foto van maakt en die bekijkt, dan is het uitzicht weer voorzien van de magische gloed.
Wat is de aantrekkingskracht van gebouwen en plekken die we kennen uit een film of serie die ervoor zorgt dat velen ze willen zien in de realiteit? Misschien gaat het om het gevoel zelf een stap te zetten in een verhaal waar je tot dat moment alleen van een afstand naar kon kijken. Staand voor een appartementengebouw uit een serie, wordt de echte wereld fictiever, minder echt. Twee realiteiten vallen kort samen, zoals de rode en groene afdruk van een beeld zodra je een 3d-bril opzet.
Op een ochtend verliet ik mijn huis terwijl een filmcrew zich in het trappenhuis installeerde. Later zag ik in een politieserie Yolanthe Cabau in politieuniform over de galerij rennen en naar beneden roetsjen langs de regenpijp die ik al jaren uit mijn raam zie.
Een andere ochtend, vorig jaar in Londen, ontdekte ik dat mijn hotel vlakbij een bijzondere filmlocatie van Sherlock stond. Het ging om een huis dat geen huis was. In een rij Victoriaanse panden bestaat één huis uit enkel een façade. Ik had het in de serie gezien en nam aan dat het een decor was, zo mooi en geraffineerd zag het eruit, totdat ik als Sherlock-fan dwalend door Wikipedia op het gebouw stuitte. Daar las ik dat in de straat waar dit gebouw staat, in de negentiende eeuw bij de bouw van een metrolijn een huis uit de rij moest worden gesloopt. Om de deftige straat er niet als een gehavend gebit uit te laten zien, werd de façade herbouwd.
Na tien minuten wandelen vanaf mijn hotel sta ik in Leinster Gardens, een autoluwe straat met oude bomen en geschakelde, witte villa’s. Ik kijk omhoog naar de statige façades, zoek het huis dat een dummy is. Het duurt even, maar op huisnummer 23 en 24 zie ik ze: de grijs geschilderde ramen, de voordeur waarachter zich een diepte bevindt. Eén stap en je valt meters diep de tunnel in van de metrolijn tussen Bayswater en Paddington Station. Ik maak een foto. Onder mijn voeten trilt de grond. In twee tellen is de Circle Line me onzichtbaar gepasseerd en wordt de grond weer vast.
*
Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Zij publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie). Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.
Anthea Bell over W.G. Sebald: de redacteur stuitte op een mooie beschrijving van vertalerscorrespondentie en, midden in de mist van onvertaalbaarheid, een prachtig citaat over een ballingschap in taal.
*
Daan Stoffelsen: Anthea Ball, ‘A Translator’s View’, en W.G. Sebald, Austerlitz
Ik lees wat minder. Wat korter ook. Ik las een mooi essay van Anthea Bell (1936-2018), de bekroonde vertaler van de Asterix-reeks, Kafka, Freud, Zweig, Hans Christian Andersen, Saša Stanišic, Hans Magnus Enzensberger – en W.G. Sebalds Austerlitz. Daarover gaat haar beschrijvende essay ‘A Translator’s View’ in Five Dials #26, een bewerking van een gesproken bijdrage aan de BBC uit 2011. Ik kwam het op spoor toen ik op zoek was naar meertalige auteurs, en de inleidende woorden waren veelbelovend:
‘After thirty years teaching at the University of East Anglia, he could easily have written in English, but he preferred to write in his native language and be translated. How closely would I be able to reproduce his unique voice in English? That is always the translator’s aim. The process itself, I’ve found, cannot be described without the use of metaphor, so we speak figuratively of finding the right voice, or of translation as a performance art like acting, or of trying to get inside the author’s mind.’
Ze vertelt vervolgens veel over de communicatie rond het vertaalproces, een uitgebreide variant van de stukken in de Athenaeum-vertaalrubriek, en Sebald blijkt een ouderwetse briefschrijver te zijn, en een goede gesprekspartner: ‘Some of these points ran to several exchanges in our correspondence, and it was interesting to be working with an author whose own English was so good. Because of that very fact, I think, if occasionally I insisted that one phrase sounded better in English than another, he would accept it.’
Ze schrijft dat Sebald ‘knew that language develops of its own accord, and his account of Austerlitz’s nervous breakdown, when language itself fails him, is eloquently moving’. Ik twijfel of die ‘and’ hier daadwerkelijk wat illustreert of vooral een bruggetje is naar dit citaat, en terwijl we ver afgedwaald zijn van mijn oorspronkelijke interesse in naar andere gebieden, citeert ze die beschrijving, veel minder uitgebreid dan in het boek overigens. Daar stond het zo:
‘If language may be regarded as an old city full of streets and squares, nooks and crannies, with some quarters dating from far back in time while others have been torn down, cleaned up and rebuilt, and with suburbs reaching further and further into the surrounding country, then I was like a man who has been abroad for a long time and cannot find his way through this urban sprawl any more, no longer knows what a bus stop is for, or what a back yard is, or a street junction, an avenue or a bridge The entire structure of language, the syntactical arrangement of parts of speech, punctuation, conjunctions and finally even the nouns denoting ordinary objects were all enveloped in an impenetrable fog.’
Ik moet denken aan Jannie Regnerus’ Wolkenpaviljoen, waar de stad een beeld is voor het geweten (‘Nu Luut veertig is en achteromkijkt, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’). Ik blijk dat al eerder volledig geciteerd te hebben, een bewijs van de kracht van het beeld, of van de herhaling, en ook toen moest ik aan Jan van Akens variant op het geheugenpaleis denken: ‘innerlijke stadskwartieren’ waarin straten en huizen kennis bevatten.
Maar wat Bell natuurlijk interesseerde, althans dat moet ik aannemen want ze springt snel verder, was het zeer sebaldiaanse beeld van de terugkeer van de balling, de ‘urban sprawl’ en het verdwalen, de ondoordringbare mist. Nee, het is meer dan dat beeld van de balling. Want al kan een stad onherkenbaar blijken bij terugkeer, een bushalte herken je nog wel, toch? De functies van elementen kun je dan nog wel duiden. Sebalds beeld is veeleer als dat van de immigrant in een totaal andere cultuur. En dat is daadwerkelijk beangstigend: geen vertaling van een bekende werkelijkheid meer weten te maken.
‘Wenn man die Sprache ansehen kann als eine alte Stadt, mit einem Gewinkel von Gassen und Plätzen, mit Quartieren, die weit zurückreichen in die Zeit, mit abgerissenen, assanierten und neuerbauten Vierteln und immer weiter ins Vorfeld hinauswachsenden Außenbezirken, so glich ich selbst einem Menschen, der sich, aufgrund einer langen Abwesenheit, in dieser Agglomeration nicht mehr zurechtfindet, der nicht mehr weiß, wozu eine Haltestelle dient, was ein Hinterhof, eine Straßenkreuzung, ein Boulevard oder eine Brücke ist. Das gesamte Gliederwerk der Sprache, die syntaktische Anordnung der einzelnen Teile, die Zeichensetzung, die Konjunktionen und zuletzt sogar die Namen der gewöhnlichen Dinge, alles war eingehüllt in einen undurchdringlichen Nebel.’
Bell kiest voor het veel minder gebruikelijke ‘urban sprawl’ boven ‘agglomeration’, dat ook in het Engels bestaat. Maar ongetwijfeld is hier een betekenisverschil, is dit een valse vriend. Maar hoe kun je zoiets vanbuiten een taal vaststellen?
Tot slot zocht ik deze passage in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel en vond hem niet, alsof de Nebel en fog de grenzen en het Kanaal overstoken waren in een ultieme poging de onvertaalbaarheid van alles te onderstrepen, en werd toen gered door de vertaalster zelf die me de goede pagina mailde:
‘Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de sytnactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.’
De werkelijkheid is immers wel vertaalbaar, zij het dat je het absurde niet weg kunt redeneren (ja, ook ik heb gestemd en ben teleurgesteld), en dat alle taal en alle werkelijkheid context heeft. Ja, wie afbeeldingen zoekt via Google vindt heel andere dingen op ‘Hinterhof’ dan op ‘back yard’; ‘binnenplaats’ blijkt in onze taal vooral iets van kastelen te zijn, niet van oude binnensteden. En als je die methode doorzet naar ‘Agglomeration’/’urban sprawl’/’agglomeratie’, dan ontdek je dat die eerste term vooral scheikundige plaatjes oplevert. Je zal maar terugkeren naar je geboortestad en alles in deeltjes en verbindingen zien uiteenvallen – terechte keuze van Bell.
Zo kom je van meertaligheid in je eigen achtertuin terecht. Natuurlijk is de volgende stap Austerlitz te herlezen, en ik krijg er enorme zin van, maar mijn voornemen vooral vrouwen te lezen, een voornemen dat tot nu toe mooie resultaten heeft opgeleverd, staat dat nog even in de weg. Voor een regenachtige vakantie.
Bells essay is te lezen bij Five Dials. Austerlitz is uitgegeven door De Bezige Bij. Een fragment eruit is te lezen op Athenaeum.nl.


