In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week de laatste afleveringEcht.



Jaren geleden, in het eerste jaar van mijn studie, pendelde ik dagelijks met de trein tussen het Limburgse dorp waar ik was opgegroeid en mijn nieuwe stad Nijmegen. Wanneer de trein afremde in de laatste bocht voor mijn bestemming, zag ik boven het spoortalud een torentje uitsteken. Als een pagode prijkte het in de lucht, twee etages met een gekromd dak, vuurrood met groene belijning. Altijd in die bocht keek ik omhoog en nam ik aan dat ik de top van een tempel zag of een enorm Oosters restaurant. Het werd een vanzelfsprekend onderdeel van mijn reis, het torentje als teken dat ik er bijna was.

Een jaar later woonde ik in die stad. Ik zocht er mijn weg, vond nieuwe ankerpunten langs mijn verschillende fietsroutes. Zoals de lichtgele letters van de BIOTEX-fabriek, de rookpluimen van de elektriciteitscentrale aan de Waal en de spoorlijn die de stad in drie stukken verdeelde. Doordat ik het torentje niet meer zag, was het ook uit mijn gedachten verdwenen. Totdat ik op een maandagochtend vanaf het station naar mijn Nijmeegse huis liep en besefte dat ik vlakbij die bocht in het spoor woonde. Ik rekende uit waar de trein ongeveer begon te remmen, in welke bocht de tempel moest liggen. Toen bleek dat ik er al vele malen ongemerkt langs was gefietst. Daar stond het, iets van de weg af: een klassiek schoolgebouw met rechte, bakstenen muren, hoge ramen met witte kozijnen. Er was niets Oosters aan, maar op het dak, in het midden, stond het torentje. Bovenop het gebouw de belofte van een heel andere plek.

Tot mijn schrik zie ik dat er over een paar weken een korte reis in mijn agenda staat. Ik ben al maanden niet meer ver van huis geweest. Het elastiek dat me met thuis verbindt is al die tijd niet meer opgerekt, waarschijnlijk is het zelfs gekrompen. Het idee om in een vliegtuig te stappen en tweeduizend kilometer af te leggen, voelt als een vrije val.

Geleidelijk zal ik de cocon die mijn huis is moeten verlaten om over drempels te stappen, naar plekken te gaan waar veel mensen zijn, niet wetend of ik iemand drie zoenen moet geven, in de armen val of toch een hand uitsteek, en zal ik weer vaker rennen voor een laatste trein naar huis. Ik zal nog steeds reizen via Google Street View, want dat deed ik al jaren, alleen zou dit in de normale wereld nieuwe vragen kunnen oproepen, want waarom zou je digitaal reizen als het ook weer kan in het echt?

In het echt. Steeds vaker hoor ik mezelf de woorden zeggen. ‘We drinken gauw weer eens koffie, in het echt.’ ‘Hopelijk tot snel, in het echt.’ Natuurlijk is het logisch om na een tijd van op afstand leven, van wachten, van uitstellen, van digitale ontmoetingen, van het mijden van aanrakingen, te verlangen naar het moment dat er geen scherm meer is tussen mijn gezicht en dat van de ander, of het nou een beeldscherm is of een laag plexiglas om te zorgen dat onze adem gescheiden blijft.

Binnenkort betreed ik weer nieuwe plaatsen, hoor ik andere stemmen, zie ik meer gezichten op één dag dan nu in een hele week. Mijn dagen en weken zullen weer versnipperen, over meerdere plekken en meerdere mensen. Ik zal bestaan als een gebouw met torentjes die uit allerlei werelden afkomstig lijken, door de verschillende mensen waarmee ik omga, het uiteenlopende werk dat ik doe, de plekken waar ik graag ben. Het leven in het echt was altijd al in stukken. Ongemerkt is mijn kijken voorzien van een schaar en knip ik zo een geheel bij elkaar. 

 

 

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

We hebben de gordijnen gesloten in een poging om de warmte buiten te houden en zij zit in de vensterbank met opgetrokken knieën, vergeelde vitrage als een bruidsjurk om haar heen. De punt van haar sigaret gloeit in het schemerdonker. De sprinkler kan elk moment afgaan en daar verlang ik naar: een regenbui in deze al te hete kamer, water om de meubels te doorweken, het hoogpolig tapijt. Vanmiddag scheen de zon zo fel dat alle straten uitgewassen leken. Toen ik naar buiten ging dacht ik even dat het gesneeuwd had, zo wit was het licht of misschien was er iets mis met mijn ogen. In de supermarkt stond een oude vrouw geluidloos te huilen. Haar haren hingen in vette lokken over haar schouders, ze stond naast het verpakte vlees, worst en spek in kille rijen uitgestald. Ik dacht eraan om haar een hand te geven, om iets tegen haar te zeggen. In plaats daarvan kocht ik wodka en crackers voor iemand die ik gister nog niet kende. Buiten zat een duif ineengedoken in de goot, haar rechtervleugel was een bloederige massa. Ze bleef proberen op te vliegen, maar het lukte niet.
Ik zag haar het eerst door het raam van de bus, ze droeg een wit overhemd en zo’n gleufhoed als detectives in oude films soms hebben. Ze zei iets wat de buschauffeur aan het lachen maakte, hij boog naar haar voordat hij haar tas in het ruim schoof. Tegen mij was de man stug en ontoeschietelijk geweest, maar ik was een toerist.
Ze koos de stoel naast mij uit en ik knikte naar haar. Ze zag het niet, ze staarde voor zich uit en wuifde zichzelf koelte toe met haar hoed. De wallen onder haar ogen waren rode halvemaantjes. De zomer was uitzonderlijk heet, hele stukken van het natuurpark vlakbij stonden al weken in brand. Zo nu en dan vlogen er helikopters over die verwaarloosbare hoeveelheden water op de vlammen lieten vallen. Of de hitte binnenkort zou ophouden, vroeg ik. Ze haalde haar schouders op en noemde een datum waarop ik alweer aan de andere kant van de wereld zou zijn, thuis. Ik zei dat ik ernaar uitkeek.
We reden langs dorpen die niets meer waren dan wat losse huizen met golfplaten daken, een bar voor de toeristen en uitgestrekt, dor land – het enige mooie eraan waren de Spaanse namen. Er zat een Chinees tegenover ons die om de twee minuten aan de buschauffeur vroeg waar hij was. Buiten het raam trokken gelige heuvels voorbij. Ik probeerde vast te houden wat ik tijdens de weken daarvoor had gezien, de granieten onverschilligheid van het gebergte en in het bos de beren en de herten en de vogels die niet bang van mensen waren, het bijna blauwe woud. In de stilte had ik iets gevonden wat ik alleen uit kinderboeken kende, maar ik wist ook hoe snel het zou verdwijnen.
Waar ik naartoe op weg was, vroeg ze. Nergens, wilde ik antwoorden, ik ga nergens naartoe, maar in plaats daarvan noemde ik de naam van een stad dichtbij. Ik had er op de heenweg overnacht in een motel dat Slumber heette. Het beloofde zwembad bleek een betonnen bak gevuld met zand, toen ik er ’s avonds aankwam stond de Indiase eigenaar me te woord vanachter tralies. Ik probeerde een grap te maken, maar hij keek alleen maar naar me, zijn bruine ogen ondoorgrondelijk. ’s Nachts lag ik wakker en luisterde naar de vrachttreinen die elk kwartier langs daverden. Mijn leven was wat zich in deze kamer bevond; nooit zou ik nog andere schoenen dragen dan de bergschoenen in mijn tas. De eenvoud van die gedachte had me gerustgesteld, de wetenschap dat er geen terugkeer meer zou zijn. Nu zat ik in een bus op weg naar de stad die ik toen had verlaten, op weg terug naar alles waarvan ik voor altijd afscheid had willen nemen.
‘Kan ik mee,’ vroeg ze.
Ik wist niet wat ze wilde en de gedachte aan gezelschap was beangstigend: wat ik zou moeten zeggen of doen, wat ze van mij zou verwachten. Maar ik had ook geen duidelijk plan en het leek het eenvoudigst om mijn schouders op te halen. Bij het eindstation van de bus stapten we uit, samen met de Chinees, die ons vroeg naar een trein die hier niet stopte. Voor de tweede keer liep ik langs de verwaarloosde huizen, de straten met het politiebureau aan de ene kant en bail agents aan de andere, de winkels vol met body parts. Het lukte mij nooit om bij dat woord aan auto’s te denken, maar toen ik dat tegen haar zei haalde ze alleen haar schouders op. Bij het motel stond ze erop om buiten te blijven terwijl ik een kamer boekte, ze drentelde wat rond het zwembad. Iemand had parasols in het zand gezet, en een hoog hek daaromheen.
‘Dit is het,’ zei ik toen ik de deur opende. Ik vroeg me af wat ik deed, waarom ik een onbekende mijn motelkamer aanbood. Dit is hoe mensen vermoord worden, dacht ik, één keer niet nadenken is genoeg. Ze gooide haar weekendtas op het bed en keek de kamer rond.
‘Die hoed staat je goed,’ zei ik.
Nu we in de kamer waren kreeg elke zin een ondertoon die ik niet bedoelde. Ik zette de televisie aan en zij trok mijn rugzak naar zich toe, haalde mijn spullen eruit: de vieze kleren en de brander, de slaapzak die geschikt was voor koude nachten in het hooggebergte, de waterzuiveraar. Ik vroeg me af of ze hier wilde blijven slapen en ook of ze een wapen had, een mes of een pistool. Ze vond mijn paspoort en bladerde erdoorheen, zocht naar stempels en deed een poging om mijn naam uit te spreken. Boven ons hoofd draaide de ventilator zinloos zijn rondjes. Dat paspoort is hier alles wat ik ben, dacht ik. Als ik dat kwijtraak kom ik niet snel thuis, misschien wel nooit.
‘Ik heb dorst,’ zei ze, en ik bood aan om iets te halen.
Wanneer ik terugkom met wodka en met crackers zit ze in de vensterbank, mijn paspoort nog steeds in haar handen. Ik had een politieagent kunnen zoeken, maar wat had ik moeten zeggen? Thuis had het eenvoudig geleken, het woud in te gaan en nooit meer terug te komen, er zou niet het gedoe zijn met een lichaam en iemand die dat vond. Mensen gingen dood in deze wildernis. Ze verdwaalden, vielen van rotsen of kwamen om van de dorst. Hier zou mijn verdwijning een ongeluk zijn, een van de zoveel per jaar. Maar toen ik eenmaal hier kwam was ik te bang om het te doen, mijzelf op te geven, en ook was het genoeg alleen te hoeven lopen en te slapen en te eten, om wekenlang niemand te hoeven zijn. Nu al voel ik hoe de paniek terugkeert over verwachtingen en verplichtingen, alles waaraan ik niet voldoe. Er moet een moment zijn geweest waarop iets in mijn leven zich omdraaide en vreemden veiliger gezelschap werden dan de vrienden die ik had, maar dat moment had ik gemist en toen ik het doorhad was het te laat, alles al te ver weg. Er was een beek waarvan het water zo koud was dat ik mijn lichaam niet meer voelde.
Haar handen trillen als ze een nieuwe sigaret aansteekt. De vlam van haar aansteker raakt bijna de gordijnen, maar ze lijkt het niet te merken. Ze beschermt haar sigaret met beide handen alsof het hierbinnen stormt.
Ze zegt: ‘Mijn vader is hier vlakbij vermoord.’
Ze zegt het zonder me aan te kijken, haar stem klinkt onverschillig. Toen ik hier voor het eerst kwam was ik ‘s avonds op goed geluk door de straten gelopen op zoek naar een motel, goed van vertrouwen en met mijn grote rugzak een duidelijk doelwit. Dat is het eerste waaraan ik denk terwijl zij verder praat over de stad, de banen die er niet meer zijn, de meth die alles kapot had gemaakt, ook haar, bijna: het risico dat ik in mijn naïviteit gelopen had. Merkwaardige impuls voor iemand die hier kwam om dood te gaan, maar dat is wat ze zeggen: dat wie van plan is om zelfmoord te plegen zorgvuldig wacht voor het verkeerslicht, voordat hij oversteekt eerst drie keer kijkt of alles veilig is. Het is eenvoudig om er zo, afstandelijk, over te denken. Er zijn de statistieken en de filosofische debatten, er zijn woorden die alles pijnloos maken. Op de dag dat ik weer in de bewoonde wereld kwam hoorde ik dat Robin Williams zelfmoord had gepleegd. Ik stond op de veranda van een winkel die alleen ijsjes verkocht en naast mij stonden twee vrouwen te praten over zijn dood, en dat ze ooit een show van hem hadden bezocht en toen geen woord van wat hij zei hadden verstaan.
Ze bestudeert haar nagels en zegt dat de bus er dagelijks langskomt, dat ze langs de plek waar hij vermoord is moet om bij haar werk te komen. ‘Alleen al het idee dat je hier weg kunt gaan,’ zegt ze. ‘Niet in deze kutstad te wonen, hier niet meer te hoeven zijn.’
Ze praat niet tegen mij, maar ze heeft mij nodig om iets te kunnen zeggen. Omdat ik hier niet ben, niet echt, omdat ik morgen weer vertrek kan ik degene zijn die luistert naar haar toonloze geneurie, het liedje dat hij vroeger voor haar zong. Dus wanneer de fles uit haar hand op de grond valt sla ik mijn arm om haar heen. Ik help haar van de vensterbank en met de paar wankele stappen naar het bed en ondanks de hitte stop ik haar in, de spullen uit mijn rugzak om haar heen uitgespreid als offergaven, mijn paspoort in haar hand. Als ze in slaap valt en zachtjes begint te snurken, staar ik naar de tv en wacht terwijl het donker wordt. Op hbo rijdt een man door eindeloos, moerassig land.
Toen ik vanuit het bos naar beneden kwam had ik de lichtjes gezien, de lampen en kampvuren waar mensen zich omheen hadden verzameld. Tussen de bomen was het al donker, maar de zon ging bloedrood onder boven de rivier. Het begon zachtjes te regenen en toen ik eindelijk, verdwaasd en moe bij de camping aankwam riep iemand vanaf zo’n vuur naar mij, welcome back among the living en ik had niet geweten wat ik terug kon zeggen.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer. ‘Stank’ verscheen in Revisor 7, in 2013, een verhaal over rot en relatie.

*

De stank komt op een zondagochtend. Eerst denkt hij dat die vreemde lucht van buiten komt, misschien wel van het industriegebied dat weliswaar niet vlak naast hun huis ligt, maar er toch zo dicht bij in de buurt dat ze zich zorgen maakte telkens als er weer een ramp gebeurt. Het is een indringende geur die hij nooit eerder heeft geroken, en niet zou kunnen omschrijven als hij ernaar werd gevraagd, onmiddellijk aanwezig als hij wakker wordt bij een fabriek ver weg.
Zij slaapt dan nog, het is vroeg in de ochtend. Als ze uiteindelijk haar ogen opent kust hij haar op de lippen, vraagt daarna of ze het ook ruikt.
‘Wat?’
‘Iets rottends,’ preciseert hij, ‘een vuile geur.’
Ze snuift, maar duidelijk alleen om hem een plezier te doen.
‘Ik ruik niets.’
Hij is niet verbaasd. Ze gaapt en sluit haar ogen weer. Terwijl ze slaapt kijkt hij naar haar, het zonlicht op de tere haartjes op haar wangen. Later snurkt ze, heel zachtjes. Dan staat hij op en maakt ontbijt, perst sinaasappels uit en bakt croissantjes. Terwijl de oven aanstaat staart hij naar buiten. Er zit een kat in de tuin, een cyperse met kille, gele ogen, zo dadelijk zal hij gaan schijten. Ze zeggen dat katten schone dieren zijn, maar de stinkpoep van deze beesten heeft het formaat van een hondendrol – ze worden al te goed verzorgd, ze krijgen te veel eten.
‘Ksst!’
Hij timmert op het raam om de kat weg te jagen, maar die reageert niet, kijkt hem alleen vuil aan vanaf zijn plek onder de rozenstruiken. Dus opent hij de deur en stuift naar buiten, maar het dier maakt rustig zijn drol af, kijkt hem onder het poepen verwaand aan. ‘Wegwezen,’ roept hij, ‘ga godverdomme de tuin uit!’
Boven hem gaat het raam van de slaapkamer open. Ze hebben de rozenstruik samen geplant, jaren geleden al. Bij gebrek aan kinderen is de tuin steeds belangrijker geworden, iets dat ze samen verzorgden, zagen groeien, de bloemen des te mooier door de fabrieksschoorstenen die erboven uittorenden, apocalyptische rook uitbraakten.
Gapend komt ze naar beneden, haar ochtendjas losjes dichtgeknoopt, daaronder haar magere benen, haar voeten in de konijnensloffen die hij ooit als grap voor haar gekocht heeft. ‘Waar maakte je je daarnet nou zo druk om?’ vraagt ze.
‘Een kat.’
‘Laat die beesten toch, het is slecht voor je hart.’
‘Ik ben geen oude man.’
Ze snuift, maar antwoordt niet.

Tijdens de koffie vraagt ze of hij het nu nog steeds ruikt en hij haalt zijn schouders op.
‘Het zal wel weg zijn nu.’
Ze knikt en slaat de bladzij van haar tijdschrift om.
Ze zijn nog niet zo oud dat ze niet meer hoeven te werken, maar ze zijn allebei begonnen aan het laatste jaar, zoals hun leeftijdsgenoten het wat spottend noemen, het antwoord op de vraag die hun allebei steeds vaker wordt gesteld: ‘Hoe lang moet je nog?’ Er is geen noodzaak meer om te presteren, alleen maar om het vol te houden en soms maken ze grapjes over de tijd daarna, de cruises die ze zullen maken. Daar praten ze nooit heel lang over door, het is een tijd waar ze naar uitkijken omdat dat nu eenmaal zo hoort, maar die ze ook, tegelijkertijd, licht vrezen.

Ze waren nog tieners toen ze elkaar op dansles ontmoetten. Zij was sierlijker dan hij, een klein en tenger meisje, maar als een van de weinige jongens was hij desondanks in het voordeel, hoewel hij lang en slungelig was en nooit de passen kon onthouden. Bij gebrek aan heren, zoals de dansschool het stel puisterige pubers eufemistisch aanduidde, moesten de meisjes die als laatsten overbleven met elkaar dansen, een vernederend lot waarvan hij haar gered had.
Nu nog kan hij zich die avonden herinneren, het nauwelijks verborgen ongemak. In die tijd waren ze allemaal als vreemdelingen in een land dat niemand kende, zodat niemand iets te zeggen wist, of niet op het juiste moment. Ze leek toen ouder dan hij was, en daarom ontzagwekkend, en het had lang geduurd voordat hij merkte dat de rollen op de een of andere manier waren omgedraaid: dat zij naar hem opkeek en hij voor haar zorgde. Ze is niet hulpbehoevend, maar kwetsbaarder dan hij en machtelozer, misschien omdat ze altijd op meer heeft gehoopt. Ook daarover praten ze nooit, maar af en toe kan hij het voelen, vooral ‘s avonds, een doffe teleurstelling die ze maar nauwelijks achter te snelle, gespannen glimlachjes weet te verbergen. Het is een daad van liefde dat ze hem niets verwijt, maar juist dat irriteert hem; liever had hij zich verdedigd. Op slechte dagen stelt hij zich voor hoe ze samen zullen verouderen, hoe er elke dag steeds iets minder zal zijn, totdat er niets meer is.

‘Moet je ruiken,’ zegt ze, en wijst op de rozenstruik.
Hij buigt zich voorover naar de bloemen, snuift nadrukkelijk. Onmiddellijk vult de stank zijn neusgaten – de lucht van iets dat bezig is te ontbinden, maar bijtender en duidelijk kunstmatig, vreemd.
‘Heerlijk hè?’ vraagt ze, en zoekt zijn hand.
Hij knikt. Heel even staan ze zo naast elkaar, de doornige struik tussen hen in.

Later vraagt hij haar of er soms nieuws gekomen is van de fabriek, of de plaatselijke actiegroep nog post gestuurd heeft.
‘Ik heb niets gehoord. Al heel lang niet meer.’ Ze vouwt één been onder zich. ‘Hoezo?’
Ze waren heel actief in het protest, toen pas was aangekondigd dat de fabriek er komen zou. Ze dachten dat ze in staat zouden zijn het te voorkomen, ze waren zelfs naar de rechter gestapt, ervan overtuigd dat iedereen zou inzien hoe onredelijk, hoe onrechtvaardig het besluit was. Maar onrechtvaardigheid bleek in de rechtszaal niet van werkelijk belang. De fabriek kwam, en iedereen die ze er daarna over spraken leek verbaasd dat ze ook maar hadden geprobeerd om het te stoppen. Zonder hen direct naïef te noemen wisten zelfs goede vrienden die boodschap uit te stralen, zodat ze er na enige tijd niets meer over zeiden en zich ook terugtrokken uit de actiegroep, die inmiddels klein en sektarisch was, verscheurd door onderlinge ruzies. Nog steeds spreken ze nooit anders over de fabriek dan als ‘dat vreselijke ding’.
‘Niets,’ zegt hij, ‘het is niet belangrijk.’
Geërgerd wimpelt hij haar af wanneer ze vraagt wat er toch met hem aan de hand is, maar de geur is sterker nu en hij moet zich bedwingen niet te kokhalzen.

Hij slaapt slecht die nacht en kijkt met jaloezie naar haar, die nergens iets van merkt, en als hij de volgende dag opstaat is hij chagrijnig. Maar op zijn werk is de geur er niet, zodat hij langer blijft dan normaal en haar belt dat hij nog iets moet afmaken. Hij doet alsof hij de verbazing in haar stem niet hoort. Wanneer hij later, het is dan al donker, de voordeur opent, haast ze zich door de gang naar hem toe alsof hij thuiskomt van een lange, gevaarlijke reis. Met nog maar één voet op de deurmat ruikt hij de stank alweer, deinst terug als ze bij hem komt. Zij ziet het en draait nu zelf weg. ‘Het eten staat in de keuken.’
Hij bedankt haar overdreven, terwijl ze al de trap op gaat en niet meer naar hem omkijkt.

Zo gaat het een aantal dagen. Elke nacht droomt hij onrustig, krijgt hoofdpijn van de stank. Wanneer hij op zijn kantoor zit kan hij zich de geur amper herinneren, zich niet eens voorstellen wat hem thuis toch zo verlamt. Hij denkt nu dat het misschien iets neurologisch is, de katten, of misschien toch de fabriek. Dat laatste zou het eenvoudiger maken, het zou hun een gezamenlijke vijand geven om samen tegen op te trekken, hoewel hij niet meer gelooft in het succes van een dergelijke onderneming. Even overweegt hij een bezoek aan de huisarts maar die zal zeggen dat het stress is, of zelfs al de ouderdom. De man is te jong om te begrijpen hoe ingewikkeld die ouderdom in feite is en hoe meedogenloos ontmantelend, zelfs nu al, op een leeftijd die niet meer als oud wordt gezien.
Op internet vindt hij duizenden pagina’s van meer of minder labiele vreemden. De meeste van hen hebben het contact met familie en vrienden al lang geleden verloren zodat het internet de enige klaagmuur is die hun nog rest. Hij bekijkt de virtuele uitwisselingen tussen al die slachtoffers van aardstralen en statische elektriciteit gefascineerd maar afstandelijk, want hij is een rationeel man – reden waarom hij het toen geen goed idee vond om nog een kind op deze overvolle, overbelaste aarde te zetten en zij was het met hem eens. Ze hoefden zelden echt te overleggen in die tijd; ze hadden idealen. Ze wilden schone lucht en helder water; roofvogels met eierschalen die niet door chemicaliën zouden zijn aangetast, verzwakt.

Hij leest over stilstaande lucht die, net als water, gaat rotten. Er moet in die verklaring iets ontbreken, maar de woorden blijven hangen in zijn hoofd. Hij vraagt zich af of het iets is in haar lijf, de verandering in haar hormonen, iets vrouwelijks waarvan hij het fijne niet wil weten. Hij stelt zich de lege holtes in haar lichaam voor, de opgedroogde poelen.
Hij koopt parfum voor haar, zoals toen.
Ze neemt het flesje van hem aan, sprenkelt de geur op haar polsen, giechelt. Opnieuw wendt hij zijn hoofd af.
In de tuin graaft hij de bodem af in een vergeefse poging de poep uit de grond te halen, alle resten te verwijderen, maar telkens als hij terugkomt is de stank er nog.

Het was maar één enkele keer, een avond, toen zij in bed lag met griep en hij wel naar Heleen was gegaan, die steevast gastvrouw speelde voor de protestgroep en dat iets te uitbundig deed, met zelfgebakken taartjes bij de thee en daarna wijn en port en toastjes, die ze hen bijna verontschuldigend serveerde. Het deed afbreuk aan het serieuze van de zaak, het maakte alles trivialer en natuurlijk dronk hij zelf geen alcohol, zodat het zijn rol was om de anderen bij het onderwerp te houden, te voorkomen dat het overleg zou ontaarden in gewoon een gezellige avond. Maar hij was machteloos, alleen, en dat maakte hem kribbig, niet in de laatste plaats omdat het hem herinnerde aan al die keren dat hij als jongen de regels van het spel had uitgelegd aan andere kinderen die nooit echt naar hem luisterden, achteloos alles verstoorden.
Die avond bleef hij als laatste achter, omdat hij geen zin had terug te gaan naar huis, waar zij in bed zou liggen met de kruik, de dekens opgetrokken tot haar neus, haar voeten in dikke gebreide sokken. Heleen was jong getrouwd en vroeg gescheiden en duidelijk op jacht; soms vroeg hij zich af of de komst van de fabriek haar werkelijk iets uitmaakte, hoewel ze hevig beweerde van wel.
‘Jij bent altijd zo serieus.’ Ze kwam naast hem zitten op de leuning van de bank. ‘Kom je wel aan jezelf toe?’
Ze droeg een blauwe jurk, die strak om haar borsten en billen spande. De hele avond had hij zijn adem ingehouden telkens als ze zich bukte om iemand in te schenken. Het was het soort kledingstuk waar hij graag commentaar op gaf en thuis met haar om lachte, maar nu, alleen met Heleen hier vlak naast hem, had die belachelijke jurk een effect op hem dat hij eerst nog met woorden wilde tegengaan en hij begon iets te zeggen, over de zaak en het milieu, maar zij legde een vinger op zijn lippen en daarna protesteerde hij niet meer.
Pas later, achteraf, toen het voorbij was en ze hijgend naast elkaar lagen in haar bed, al even boudoirachtig belachelijk, keerde de schaamte terug en stond hij op, trok zijn onderbroek aan met zijn rug naar haar toe en reageerde niet op haar vraag of hij nog iets wilde drinken. In de woonkamer keek haar kat hem aan met koude ogen. Hij gaf het dier een schop zodat het schreeuwde en van boven riep Heleen naar hem, bezorgd nu. Hij liep de kamer uit en deed haar voordeur dicht, trok hem daarna nogmaals beter dicht alsof wat er ook tussen hen had plaatsgevonden, wat er ook met hem was gebeurd, achter die deur zou blijven, in dat huis.
De bijeenkomsten daarna waren niet meer bij Heleen.
Ze had zich bij de secretaris afgemeld en niemand wist waarom.
Maar niet zo lang daarna zag hij haar in de supermarkt en eerst dacht hij dat ze gewoon te dik geworden was. Hij had iets willen zeggen, een conclusie willen trekken, maar deed een stap opzij zodat zij hem niet zou zien, verschool zich achter het schap met broodbeleg totdat ze weg was. Pas daarna merkte hij dat hij trilde, dat er iets in zijn borstkas was gebroken en hij staarde naar de vlokken, veegde zijn gezicht af en snoof.

Ze kijkt naar hem, hoe hij langzaam steeds kleiner, kwetsbaarder wordt. Ze kijkt naar hem terwijl hij gaten graaft en zoekt naar iets, ze weet niet wat. Nu pas merkt ze, tot haar verbazing, dat het verdwenen is, al die verbittering, de wrok waarmee ze sinds die tijd geleefd heeft. Op een ochtend moet het uit haar lichaam zijn gesijpeld, opgeheven – misschien was het een soort ziekte, die tijd opeiste in haar lichaam. Ze kijkt naar hem, naar zijn gebogen lijf en naar de gaten die hij graaft en ze heeft medelijden. Het is zijn hoop die haar vertedert, alsof hij met het groeien van de tuin de dood tegen kan houden.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (nog een reden om abonnee te worden!). ‘Val’ verscheen in het ‘halfjaarboek voor nieuwe literatuur’ 5, in 2012. Een verhaal van fysiek en verval.

*

Er is het geluid van de duiven ‘s ochtends in de zomer en lange tijd is dat genoeg, de duiven en de druppels dauw en al die gevoelens van verwachting. Waar ze allemaal wel niet heel goed in zullen worden, wereldkampioen, de beste aller tijden en allemaal tegelijkertijd, maar fatsoenlijke mensen zijn ze sowieso al.
Want de hele familie gaat altijd naar de kerk op zondag, ’s ochtends allemaal op bezoek bij God en heeroom Thomas, die priester is, vreemde gewaden draagt. Janna’s moeder doet dan een te zware hoed op, haar vader wringt zich onbeholpen in het pak dat hij direct na de dienst opgelucht weer uittrekt, onder het dwingende ritme van de klokken marcheren ze naar de open mond van de kerk. Ze heffen hun hoofden op naar heeroom Thomas om de hostie te ontvangen, doen hun monden alvast een beetje open en allemaal zijn ze weer kinderen, voor even. Pas tijdens het terug schuifelen naar hun plaatsen nemen ze hun eigen gedaante weer aan, schikken hun jasjes, halen hun schouders op en pakken hun portemonnee en dan staat heeroom Thomas daar nog altijd met die wijn, al die lichamen van Christus. Als iedereen naar buiten gaat staat hij bij de deur om hun een hand te geven en wat woorden en op het grasveld voor de kerk zwelt het geluid weer aan. Geen van de parochianen kijkt naar de kleine pastorie. Niemand gaat op bezoek bij heeroom Thomas, ‘zo’n man alleen’, hij komt bij hen en gaat weer. Die avond verwacht Janna wonderen van hem en iets van het blauw van Maria’s gewaad.

Als eerste ziet ze zijn sloffen en pas daarna gaat haar blik omhoog, langs zijn broek en trui naar zijn bleke gezicht, de dunne lippen en het zwarte haar dat hij in een scheiding opzij heeft gekamd. Hij zegt niet dat ze binnen mag komen en even staan ze daar tegenover elkaar, tot hij ten slotte in beweging komt en de deur wijder opent. Hoewel het lente is en al niet koud meer, draagt ze een bontjas die ze aanhoudt als ze hem naar binnen volgt. Zelfs in zijn eigen huis beweegt hij zich voorzichtig, alsof hij zich er voortdurend van bewust is dat dit niet zijn thuis is maar een ruimte die hij tijdelijk bewoont, van de parochie leent. Vaag herinnert Janna zich de dag dat hij gewijd werd en hoe hij in de kerk knielde, waar iedereen het zien kon. Plat op de grond lag hij, keerde zijn zolen naar het dreunende gebed van de gemeente. ‘Lichaam van Christus, amen’ – hij heeft geen vrouw, geen kind, hij heeft alleen maar God en die zegt niets, zegt althans nooit iets tegen Janna.

Ze is het oudste kind van de familie, maar dat telt niet omdat ze geen stamhouder is. ‘Aan meisjes hebben we niets,’ grappen haar ooms, die een voor een kinderen krijgen. Nieuwe nichtjes en neefjes worden naast elkaar en in de lucht gehouden, gewichten en maten vergeleken als vis op de markt. Janna beseft – langzaam – dat haar klasgenootjes toch gelijk hebben en vanaf dat moment kan ze niet meer begrijpen hoe alle volwassenen hun kinderen durven te tonen en hun dikke buik, hoe ze zomaar kunnen praten over zwangerschap. Ze is niet preuts, niet erg, niet voor een kind.
Heel vaak doet ze alsof ze doodgaat, dat is het beste spel. In haar kamer ligt ze met gesloten ogen en gevouwen handen op de grond en denkt aan het verdriet van haar ouders, dat overweldigend moet zijn, en hoe ze naast het graf over haar zullen praten. ‘Niet te snel fietsen,’ zegt haar moeder als ze een fiets met zijwieltjes krijgt, ‘niet te snel groeien.’ Soms twijfelt Janna of ze wel echt een meisje is, zo slecht is ze in touwtjespringen en in alle spelletjes waarvoor je met een elastiek je vingers moet verstrikken. Bij de kaasboer noemen ze haar ‘jongeheer’, aaien over haar korte, borstelige haren, ‘dat wordt een hartenbreker, later’. De verkoopsters hebben ruwe vingers, zware borsten. Ze vertellen haar het sprookje van Roodkapje zonder te zeggen waar de wolven zijn en Janna hoort alleen de goede afloop. Later zal ze, zoveel is zeker, een vrouw worden die lange, vaag geïrriteerde telefoongesprekken voert en haar familie belt vanuit een verre stad om te vragen wie ze vroeger was.
Nu kan ze alles nog verliezen: haar huid die nog geen rimpels heeft, haar toekomst en haar thuis en al haar dromen. Wat een rijkdom om zoveel te kunnen kwijtraken, maar natuurlijk is ze ongelukkig en ‘s avonds vaak in tranen die ze in de spiegel bekijkt. Lang oefent ze om mooi te kunnen huilen, staart vanuit haar slaapkamerraam uren naar de zieke bleke maan. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘was je jas.’ Eén keer krijgt Janna haar rimpelige lijf te zien, naakt onder een ochtendjas, haar borsten verschrompeld, haar aderen zichtbaar. ‘Zo word jij later ook, denk niet dat je eraan ontkomt,’ zegt haar moeder. Maar Janna weet dat dat niet waar is, dat je niet zo kunt verdrogen als je niet iets verkeerd hebt gedaan, of iets belangrijks hebt nagelaten. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘en je jas, die is net nieuw.’
Janna heeft een bontjas zoals iemand uit de film en ze weet nog hoe ze ermee voor de spiegel paradeerde en zich probeerde voor te stellen wie ze zou kunnen worden, terwijl de verkoopster en haar moeder op een afstandje stonden met gekruiste armen en verslagenheid op hun gezicht. ‘Ze groeien op, hè?’ zei de verkoopster, maar haar moeder antwoordde niet, ze had haar portemonnee gepakt en met een bruusk gebaar betaald. Soms zegt ze dat ze babykleertjes heeft zien hangen in de winkel, ‘zo schattig’. Kijkt dan naar Janna met spijt in haar ogen.

‘Wil je thee?’ vraagt heeroom Thomas en ze knikt. Ze is hier niet met een duidelijk plan gekomen, maar met een vage hoop en misschien is het genoeg om thee te krijgen, iets warms vast te houden dat hij haar heeft gegeven.
‘Zo,’ zegt hij, als ze tegenover elkaar zitten, ongemakkelijk en zonder elkaar aan te kijken. Hij heeft zijn handen gevouwen, zijn benen over elkaar geslagen. Hij wacht op haar probleem, haar vraag, want dat is waarmee mensen naar hem toe komen. Ze zegt niets. Er valt niets te zeggen, er is niets vastgelegd, niets zo duidelijk dat ze er woorden voor kan vinden, laat staan ze uit te spreken. Daarom zwijgen ze, en roeren in hun thee, houden ongemakkelijk hun kopjes vast en nemen kleine, voorzichtige slokken. Ze vraagt zich af of hij aan Hagar denkt, aan Judith en aan Bathsheba.

‘Zit niet zo wijdbeens,’ zegt haar moeder, ‘dat hoort niet bij een dame.’ Janna past panty’s als er niemand is, ze kruist haar benen en wacht totdat ze eindelijk zal bloeden. Gekregen snoep bewaart ze tot de chocolade wit is uitgeslagen, de zuurtjes droog en stoffig smaken. Wat pijn doet pakt ze in om het beter te ontvangen. ‘Dank u,’ zegt ze en denkt aan al het zoete dat zal komen, later. In haar buik begint iets krachtig, zenuwachtig te bewegen, iets donkers als de karpers van haar oom.
Ze heeft die bontjas al en later koopt ze een paar rode, hooggehakte laarzen bij de tweedehandswinkel in de stad. Waar Janna woont zijn er geen hoeren, maar natuurlijk weet ze wel hoe die eruitzien. Terwijl ze probeert uit te vinden hoe het is om je lichaam zo volkomen te beheersen dat je in staat bent om het te verkopen, verandert ze, wordt langer en ranker. ‘Een slanke den, je dochter,’ zeggen de tantes hoofdschuddend en Janna denkt aan bleke berkenstammen en het verwoeste lijf van Anna Karenina.
Aan de muur van de kapel hangt heeroom Thomas een schilderij van een naakt meisje, het landschap achter haar een uitgestrekte vlakte, Russisch of zoals Janna zich Rusland voorstelt, met dat soort ijzige kou. Het meisje heeft een bleke huid van olieverf, ze klimt een ladder op die nergens heen gaat. ‘Hoop,’ zegt heeroom Thomas, ‘is wat die ladder symboliseert.’

Zodra Janna haar kopje neerzet staat hij op om opnieuw in te schenken, zo snel dat hij een vaas omstoot. Ze houdt haar adem in maar hij vloekt niet, probeert alleen verwoed het water op te dweilen terwijl Janna de bloemen opraapt, de scherven van de vaas voorzichtig tussen twee vingers oppakt. In de keuken – sober maar netjes opgeruimd, geen vaat, geen spoor van wat hij eerder heeft gegeten – ziet ze flessen staan en ze vraagt zich af of hij de miswijn hier bewaart en wanneer precies die wijn het bloed van Christus wordt. Als ze weer tegenover elkaar zitten is het opnieuw stil, maar hun zwijgen is veranderd, bijna saamhorig nu.
‘Waarom bent u eigenlijk priester geworden?’ vraagt ze abrupt. Want ze moet weten of het waar is wat haar vader zegt, dat heeroom Thomas’ geloof niet het geschenk is dat hij hun voorspiegelt op de zondagsschool. Ze is maar al te graag bereid haar vader niet te geloven; nog steeds overweegt ze om heilig te worden. Tussen de prikkelbosjes achter het huis hangt Jezus’ doornenkroon en vaak voelt ze een grote kracht of boze geest diep in haar buik, vooral als ze alleen is. Steeds vetter wordt haar vader, vetter worden al haar ooms, alleen de heeroom groeit niet omdat je van het woord van God niet dik wordt. Ook daarom overweegt ze het martelaarschap. Ze hunkert naar bewijzen dat haar vader ongelijk heeft, dingen die ze hem in het gezicht kan smijten want tegenwoordig vecht ze zonder onderscheid, tegen de spruitjes op haar bord, hoe laat ze thuis moet komen, de oorlogen die elders op de wereld worden uitgevochten. Nooit eerder waren de plafonds zo laag.

Elke zaterdagavond komt heeroom Thomas eten en voor die gelegenheden dekt Janna de tafel met het witte tafelkleed, met het wedgwoodservies en het zilveren bestek, het is een offer dat wordt klaargemaakt. Ze legt de messen naast de borden en ziet voor zich hoe hij een van die messen door het vlees van de biefstuk beweegt, legt vorken neer en denkt hoe hij een van die vorken naar zijn dunne lippen brengt. ‘Thomas,’ zegt haar vader, ‘is zo geworden omdat niemand van ons wilde en iemand het moest doen. Maar ook is het iets dat altijd al in hem zat, dat heilige, het is een soort van ziekte, een gebrek aan bloed.’
Voor het eten gaat heeroom Thomas voor, vouwt zijn handen en bidt het Onzevader. Janna kijkt door haar oogharen naar de devoot gebogen hoofden van haar ouders. Heeroom eet met kleine, afgemeten happen; veegt na elke hap zorgvuldig met het servet over zijn mond. Er is de macht die hij op zondag heeft en hoe hij in zijn eentje zingt, zijn stem een steen met vleugels in de te grote kerk. Hem is het recht tot offeren gegeven, en elke zondag heft heeroom Thomas de hostie hoog, ‘lichaam van Christus’. Er is die macht en dan is er de jus die zijn mond doet glimmen van het vet.
‘Zij is,’ zegt haar moeder en wijst op Janna, ‘ze is nogal los. Als zij een puber wordt, berg je dan maar.’ Janna wiebelt op haar plek, volgt met haar vinger het bloemetjespatroon van de bank. ‘’t Kan alle kanten op,’ zegt haar moeder en gaat rond met de gevulde eieren, ‘de straat op of een oude vrijster, met haar weet ik het niet.’ Janna weet niet precies wat een oude vrijster is maar ze ziet vieze oude lijven, armoedig van verlangen voor zich. Ze moet de kamer verlaten om bij te komen. Als ze in de gang tegen haar eigen, nu al smoezelige bontjas leunt, ziet ze heeroom Thomas buiten op het plaatsje staan. Door het beslagen raam van de achterdeur blijft ze een tijdje naar hem kijken, het broze in zijn rug. Het gebrokene, preekt hij op zondag, is de essentie van ons mens-zijn.

‘Waarom?’ herhaalt hij haar vraag. ‘Misschien was het een val waar ik in ben getrapt.’ Zijn vuisten zijn gebald, de knokkels wit. ‘Te denken dat er zoiets groots bestaan kan, en dat, als het bestaat, wij ermee kunnen spreken… Dat is al heiligschennis.’
Hij kijkt langs haar heen naar het raam dat zich achter haar bevindt en even denkt ze dat hij zal gaan huilen. Uit zijn gezicht is alle samenhang verdwenen. Heeroom Thomas, houdt ze zichzelf voor, heeroom. Maar hij heeft niet meer alleen de hemel boven zich, hij is een oude man en bang als alle anderen. Plotseling ziet ze dat: hoe het verval zich al een weg baant door zijn huid heen.
Ze wil hier weg, ze trekt haar jas al aan, maar als ze opstaat valt hij op zijn knieën. Ze denkt dat hij wil bidden. In plaats daarvan grijpt hij haar benen vast, zijn handen zijn sterk en zijn greep is verkrampt. Ze onderdrukt de neiging om hem los te schudden, van zich af te slaan omdat ook hij niet is zoals ze had gehoopt.
‘Alsjeblieft,’ begint hij, ‘alsjeblieft’ – maar ze kijkt op hem neer en ziet de beelden in haar hoofd, ze ziet de films en zichzelf daarin. Ze maakt een knoopje van haar blouse los en dan nog een, ze weet niet waarom. Moeizaam komt hij overeind. Zijn handen op haar huid zijn tastend als die van een blinde, ze zoeken niet naar haar maar naar iets anders dat zij niet bezit. Hij hijgt en ze durft niet naar hem te kijken. Ten slotte maakt hij een geluid dat op huilen lijkt, zijn greep verslapt en ze stapt achteruit. Ze slaat haar bontjas dicht, de stof is ruw tegen haar huid en heel even nog aarzelt ze, kijkt om. Midden in de kamer is hij blijven staan, zijn armen hangen zwaar naar beneden alsof ze niet bij zijn lichaam horen, hij beweegt zich niet. Ze zou iets willen zeggen, iets van afscheid of een groet, een afronding van wat dit dan ook was. Maar ze zegt niets, sluit met een klap de deur, loopt door de lange gang naar buiten. Daar begint ze pas te rennen. Ze rent om haar spieren te voelen, hoe sterk haar benen zijn, hoe prettig alleen al de beweging van het rennen. De knoppen aan de bomen staan op barsten.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘Beesten’ verscheen in Revisor 11, in 2015. Destijds introduceerden we het zo: de beesten ja, die ‘zich verderop in de heuvels verscholen’, en dit is het verhaal van een ontmoeting met zo’n beest. ‘“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.’

Ontmoeting, schrijf ik, confrontatie, bedoel ik. Het is fysiek, en pijnlijk, en achteloos verteld. Dat is de kracht van dit verhaal, dat Versteeg de strijd tussen mens en dier laat beschrijven aan een schrijver, wiens blikken en vingers terloops afdwalen. Hoe vertel je iets ondenkbaar gruwelijks, iets wat meer is dan zomaar een verhaal? Hoe vertel je het verder? Het kan op zeker drie manieren, en Versteeg slaagt.

*

Zodra Alix niet oplet excuseer ik mezelf. Goed gezelschap zijn is simpel zolang ik op het podium sta; het is pas tijdens de borrel daarna dat ik geen raad weet met mijzelf. Het duurt nooit lang voor ik mezelf begin te haten om de onzin die ik uitsla over schrijven, de clichés die als waarheid ontvangen worden. Sinds mijn eigen rijbewijs is ingetrokken moet ik de tijd zien door te brengen totdat Alix me naar huis brengt, maar zij heeft plezier in deze avonden, de zeldzame gelegenheden waarbij ze in het middelpunt van alle aandacht staat, echtgenote van de schrijver. Ik oefen in het niet aanwezig zijn, staar naar de tuin van de villa, sneeuw op de coniferen en de bomen daarachter, donkerder vormen in de donkere nacht. Het raam weerspiegelt het feestje binnen, schaduwen van onszelf bewegen buiten in de sneeuw.
‘Wil je wat drinken?’
Ik draai me om en zie een vrouw van een jaar of vijftig. Eerder vanavond zag ik haar binnenkomen samen met haar echtgenoot, een man met het verslagen uiterlijk van de gepensioneerde academicus. Mensen bezoeken deze avonden niet omdat ze geïnteresseerd zijn in mijn boeken, maar omdat er hier in de buurt niets anders te doen is. De vrouw keert terug met een fles en twee glazen, vult die bijna tot de rand en overhandigt me er een. Ik vraag me af wanneer ze zal beginnen over haar eigen ambities om schrijver te worden, wanneer ze zal opbiechten dat ze nog nooit een boek van mij gelezen heeft.
Ze zegt niets. Dus uiteindelijk ben ik degene die de eerste platitude uitbraakt over hoe mooi dit toch is, de heuvels, de besneeuwde bossen. Ze snuift.
‘Wil je een verhaal horen?’
Ook die vraag heb ik al te vaak gehoord, maar ik heb geen zin om mijn plek bij het raam te verlaten. Ik maak een vaag, nietszeggend gebaar, dat zij opvat als een bevestiging.
‘We wonen hier niet ver vandaan’, zegt ze. ‘We zijn naar het platteland verhuisd om de rust en de stilte, rond de tijd dat Joshua ging studeren. Het huis dat we kochten ligt afgelegen, de dichtstbijzijnde buren kilometers verderop. Vaak raken mensen teleurgesteld als ze uit de stad hier naartoe komen, missen de theaters, musea veel meer dan ze vooraf konden bedenken. Maar wij waren gelukkig. We wandelden iedere dag uren in de heuvels. We waren vastbesloten hier te blijven, oud te worden. Het wemelt van de herten hier, soms zie je vossen. Je vindt de afdrukken van wilde zwijnen en vaak als we hier wandelden vroeg ik me af welke beesten zich verderop in de heuvels verscholen. Ik stelde me die dieren altijd voor als vriendelijk, zoals de pratende wezens uit mijn oude kinderboeken.’

Ze zwijgt even, staart uit het raam.

‘Het was winter, er lag sneeuw zoals nu, een prachtige dag om te wandelen. Joshua was hier en de laatste paar kilometer liepen Erik en hij een eind voor mij uit. Sneeuw in een bos waar niemand komt is prachtig, de wereld zo anders, het enige geluid dat van mijn eigen voetstappen. Ik was niet verbaasd toen ik een vos zag, een stukje verderop. Zijn vacht stak helder oranje af tegen de sneeuw, het was een prachtig dier. Eerst dacht ik dat hij me niet gezien had. Ik stond heel stil, staarde naar hem en na een tijdje keek hij op.
“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.
Alles was zo stil. Ik was dankbaar voor het moment, de schoonheid ervan.
Er bestaan plekken waar vossen brutaal zijn, zelfs huizen binnendringen, maar de vossen hier zijn schuw. Dit dier niet; het leek alsof er een elektrische schok door hem heen ging toen hij me zag. Toen kwam hij in beweging, rende niet van mij weg maar naar me toe.
Eerst begreep ik niet eens wat er gebeurde. Ik stond stil en wachtte, keek naar het dier dat op mij afstormde, zijn bek wagenwijd open. De vos maakte een keelgeluid tussen grommen en blaffen in, zijn oren lagen plat op de zijkant van zijn kop. Even was ik te verbaasd om te bewegen, toen begon ik te rennen. Terwijl ik rende bedacht ik hoe belachelijk het was om zo bang te zijn voor een vos, maar ik rende zo hard als ik kon. Het dier kwam snel dichterbij; nog voor ik me kon omdraaien viel hij aan. Ik trapte naar hem, maar hij was niet bang.
De vos had moeite om door de dikke stof van mijn skibroek te komen, maar het lukte hem wel. Zijn tanden zonken diep in mijn kuit. Ik struikelde, viel bijna over de vos heen. Terwijl ik viel lukte het me om het dier tegen de grond te duwen. Hij blafte, siste naar me, zijn nekharen recht overeind. Ik drukte hem met al mijn gewicht tegen de grond, maar ik wist niet hoe lang ik dat kon volhouden.
Ik schreeuwde.
Het geluid van mijn stem verdween in de sneeuw. Erik en Joshua waren waarschijnlijk al thuis en zouden me hoe dan ook niet horen. Het huis dat hier het dichtstbij was werd alleen in de weekends bewoond. De vos grauwde. Hij was veel sterker dan je van zo’n klein dier zou verwachten, worstelde als een bezetene om los te komen. “Erik!”
Er viel wat sneeuw van een tak, verder niets.
Ik was ervan overtuigd dat het dier me naar de keel zou vliegen zodra ik hem liet gaan. Hij zag er ziek en tegelijkertijd woedend uit, er was iets mis met zijn ogen. De hele tijd maakte hij dat keelgeluid, happend naar mijn wanten, zijn oren nog steeds plat tegen zijn kop. Ik probeerde hem te sussen, zachtjes tegen hem te praten. Het was zinloos. Het hele wezen van het dier, al zijn samengebalde energie was erop uit mij te verwonden. Uiteindelijk lukte het me om mijn telefoon te pakken en naar huis te bellen, de vos nog steeds tegen de grond gedrukt. Ik kreeg Josha aan de lijn, maar de verbinding was slecht en hij dacht dat ik een grapje maakte.
“Je moet opschieten, mam,” zei hij.
Ik wist precies waar hij stond, leunend tegen het fornuis, roerend in de pan chocolademelk die op het vuur stond. “Anders komt er een vel op.”
Erik mompelde iets onverstaanbaars op de achtergrond.
Ik stelde me de keuken voor: warm, goed verlicht, vriendelijk. Er waren alle dingen die we samen hadden uitgezocht, geblokte tegels op de vloer, het oude houten tafelblad. De wond aan mijn kuit bonsde als een bezetene. “Joshua, vraag papa. Neem iets zwaars mee om te slaan, een breekijzer, een hamer.”
Hij gnuifde. “Mama wil een breekijzer.”
Opnieuw Eriks stem, dringender nu. “Wat is er aan de hand?”
Ik herhaalde het verhaal. Hij zei dat ze zouden komen, dat ik rustig moest blijven. Inmiddels begon het te schemeren. Ik wachtte, terwijl ik de nek van het dier zo goed ik kon tegen de grond bleef drukken.’
Ze klemt haar beide handen om het glas terwijl ze praat, en ik bestudeer haar gezicht. Ik kan me haar niet voorstellen in gevecht met een wild dier en alsof ze voelt wat ik denk tilt ze haar jurk een stukje op, toont een groot litteken op haar kuit. Lacht spottend.
‘Ik weet niet hoe lang ik daar wachtte. De hele tijd voelde ik de wil van het dier, zijn pure haat. Ik wist niet eens dat dieren dat kunnen, haten, ik dacht dat dat iets voor mensen was. Uiteindelijk zag ik ze komen, Erik met Joshua naast hem, een ijzeren staaf in zijn hand. Ze wandelden heel rustig, versnelden pas toen ze me zagen.
“Gaat het,” vroeg Erik dom.
We wisten alle drie dat het dier dood moest, maar niemand wist hoe. Omdat we hier niet vandaan komen. Omdat we, anders dan onze buren, geen geweer hebben, altijd al tegen de oorlog waren. Maar als wij deze vos niet doodden zou hij zeker opnieuw aanvallen.
Erik staarde naar het breekijzer in zijn hand.
We kochten altijd biologisch vlees, met op de verpakking plaatjes van lachende koeien. Vliegen in de zomer brachten we een voor een naar buiten; het kostte zelfs moeite om een mug dood te slaan, als ik er ook maar even over nadacht. Joshua stapte naar voren, deinsde meteen weer achteruit toen de vos naar hem hapte.
“Ga maar weg,” zei ik. “Ik ben toch al gebeten.”
Hij stond daar als een klein kind, zijn handen hulpeloos langs zijn lijf.
Erik tilde het breekijzer op, alsof hij alleen wilde voelen hoe zwaar het ding was.
“Eén goede klap,” zei ik. “Eén klap op zijn kop.”
De vos worstelde harder nu, alsof hij begreep waar we het over hadden. Misschien begreep hij dat. “Sla dan,” zei ik tegen Erik. “Hard.”
Nog aarzelde hij, maar toen veranderde er iets in zijn gezicht en hij bracht het ijzer omhoog, toen snel naar beneden. Hij sloeg op het lijf van de vos, niet op zijn kop, waarschijnlijk omdat hij bang was mij te raken. Het dier schreeuwde, een bijna menselijk geluid. Het scheelde niet veel of hij had zich losgevochten.
Erik sloeg nog een keer. Weer krijste de vos. Hij worstelde om los te komen en ik leunde nog zwaarder op hem. Erik moest zestien keer slaan voordat het dier eindelijk opgaf. De laatste klappen kwamen op mijn hand terecht; in het ziekenhuis zeiden ze later dat de middenhandsbeentjes gebroken waren. Op dat moment wist Erik zelf niet eens meer wat hij deed, hij sloeg als een bezetene.
“Het is genoeg,” zei ik, voelde voorzichtig aan mijn kuit. “Je hebt hem doodgemaakt.”
Joshua hielp me overeind. De vos lag in de sneeuw, een bloederig hoopje vacht. “We moeten hem meenemen,” zei ik. “Hij moet worden getest.”
Erik stond nog altijd met het breekijzer in zijn hand, hij hijgde. We hadden niets om het dier in mee te nemen en dus trok Joshua zijn jas uit, rolde de vos daarin en gaf hem zo aan Erik. Ik hinkte naar huis, leunde zwaar op Joshua, Erik een stukje achter ons, in zijn armen dat zielige, bebloede lijf.’
Ze zwijgt.
Ik schenk ons opnieuw in. Achter ons hoor ik haar man met luide stem hetzelfde verhaal vertellen. ‘Dat beest grauwen als een bezetene en ik slaan, sláán!’
Ik ga met een vinger langs de ruggengraat van de vrouw, alleen om te zien hoe ze zal reageren. Ze reageert niet. Het is alsof we hier niet zijn, of niet zo dat het ertoe doet.
‘Zie je,’ zegt ze. ‘Ik hoef me niet meer af te vragen of er beesten zijn, verborgen. Ze zijn er, dat weet ik nu. Het is geen troostende gedachte.’
In de sneeuw buiten beweegt iets, maar als ik opkijk zie ik niets, alleen onze reflectie. Van de andere kant van de kamer wenkt Alix me om te vertrekken.
‘Wie was die vrouw,’ vraagt ze me terwijl we naar de auto lopen. Ik kijk achterom en zie haar naast haar echtgenoot, het gezicht afgewend.
‘Zomaar iemand,’ zeg ik. ‘Ik weet het niet.’
‘Jullie konden het zo goed met elkaar vinden.’
Ik haal mijn schouders op. De auto beweegt soepel door de heuvels, bomen aan beide kanten van de weg. Ik leun tegen het raampje en bekijk Alix’ profiel. Ze ziet er verdrietig uit; ik zou haar moeten aanraken.
In plaats daarvan schraap ik mijn keel.
‘Die vrouw vertelde een verhaal,’ begin ik, maak dan mijn zin niet af.

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 9: Gruis.

*

In de trein naar Zuid-Limburg lees ik over planetair geologe Nathalie Cabrol in een boek van Helen Macdonald. Cabrol vertelt hoe ze tijdens haar studie gefascineerd raakt door de planeet Mars. Terwijl ze overdag aan haar masterscriptie werkt, brengt ze haar nachten door in een observatorium waar ze zittend in haar slaapzak door een telescoop Mars bestudeert en zo het oppervlak leert kennen als haar handpalm. Op een dag haalt haar professor een kistje uit zijn kluis om haar maanstof te laten zien. Ze is eerst opgetogen, maar wanneer ze het grijze poeder ziet is ze onbewogen, zelfs teleurgesteld. Die avond onderweg naar huis, ziet ze de maan boven de stad. Met terugwerkende kracht maakt het maanstof diepe indruk op haar. Ze is overdonderd door het besef van de enorme reis die is gemaakt om het stof naar de aarde te krijgen en het vervolgens te doen belanden in een kistje dat je in je handen kunt houden.

Een paar dagen later fiets ik met een haast kinderachtige pret de grens over en eet ik een ijsje in het buitenland. Vervolgens stap ik op een pontje om opnieuw in Nederland aan te komen en fiets ik naar het zuiden om de grens op een ander punt weer over te steken. Zo zigzag ik heen en weer, mijn bewegingen als een kruissteek die Nederland en België met elkaar verbinden. Tegen het einde van de dag op de terugweg naar mijn logeerplek zie ik in de verte Maastricht dichterbij komen: de rode toren van de Sint Janskerk, de witte gevels van het MECC en nog twee kerktorens die ik niet kan thuisbrengen. Als de grens er niet was geweest, zou het ook een mooi uitzicht zijn, maar nu krijgt het een extra lading en sper ik mijn ogen wat verder open. Ik kijk van het ene land naar het andere en daardoor voelt het alsof mijn blik een enorme afstand overbrugt.

Bij de grens tussen Zuid-Korea en Noord-Korea bestaat een plek die veel toeristen trekt. Dat komt niet door de plek zelf, maar door het uitzicht dat zij biedt over het land dat zich daar voor je uitstrekt, maar dat ontoegankelijk en mysterieus is alsof je naar een andere planeet kijkt. Er is een uitkijkpost waar verrekijkers in een rij zijn opgesteld om bezoekers uitzicht te geven over het  niemandsland bezaaid met landmijnen, daarachter een gebergte. De meeste bezoekers richten de kijker iets lager, aan de voet van het gebergte ligt het dorp Kijong-dong: ‘Vredesdorp’ wordt het in Noord-Korea genoemd. Er zouden vooral militairen gehuisvest zijn. Vanaf de andere kant van de grens heet het ‘Propagandadorp’. Turend door de verrekijker hebben mensen opgemerkt dat er geen glas in de ramen zit. Ook zouden de lampen in alle huizen tegelijkertijd aan gaan. Het valt op dat in de flatgebouwen het licht op de bovenverdiepingen veel feller is dan beneden, waardoor men vermoedt dat achter de gevels een leegte gaapt waar één enkele lamp het hele gebouw verlicht. De vlaggenmast van het dorp is buitenproportioneel hoog en bij regen wordt de vlag meteen naar beneden gehaald. Ze zeggen dat de constructie zou bezwijken onder een vlag die zwaar is van de regen. Er gaan verhalen over de weinige mensen die door de straten bewegen. Ze zouden zijn ingehuurd als figuranten, om bijvoorbeeld de smetteloze straten te vegen.

Urenlang zou ik naar het dorp kunnen kijken, vertwijfeld of de heuvels op de achtergrond wel echt zijn, of de blauwe lucht geen doek is, zoals in de film The Truman Show. Helaas reikt zelfs Google Street View niet ver genoeg en blijf ik steken op een weg die uitmondt in een wazig landschap.

Ik pak de stofzuiger, zet hem aan en hoor hoe het Limburgse gruis dat ik meenam in de groeven van mijn wandelschoenen, door de stofzuigerslang rammelt en zich ophoopt in de zak.

 

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands MaandbladDe RevisorLiegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Rachel Cusk: de redacteur las de nieuwe roman van een favoriete auteur, en zag rake stellingen in een verhaal over een oudere kunstenaar.

*

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, De tweede plaats

De beste schrijvers verrassen bij een nieuw boek. Ontregelen. Om het contrast te tonen, dit is wat ik in oktober 2018 schreef:

‘Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs aan het proza van Rachel Cusk: het voelt zeer persoonlijk, autobiografisch aan, en tegelijk zien we amper iets van de auteur, de verteller zelf. Contouren en Transit voelen objectief, observerend, maar ze gaan over zeer intieme dingen, de relaties die we aangaan en verbreken, de verhouding tot geliefden en kinderen – en buren. Er is amper plot, maar de verhalen blijven intrigeren.’’

In de nieuwe roman van Rachel Cusk, De tweede plaats (Second Place, Marijke Versluys tekende weer voor de vertaling) is er een duidelijke plot – een teruggetrokken schrijfster nodigt de beroemde, bewonderde kunstenaar L uit om een tijdje in haar in haar tweede huis te wonen – en een nadrukkelijke ik-verteller (in een brief aan ene Jeffers, die Cusk leende van haar voorbeeld, Lorenzo in Taos, een memoire van Mabel Dodge Luhan). Wat er dan gebeurt, zal je verbazen. (Of eigenlijk niet: het loopt vanaf dag één fout, en dat is dramatisch, soms geestig en meestal tot nadenken stemmend.)

De toon van de ik-verteller is nu eens naïef over de gebeurtenissen – in 192 pagina’s komen 185 uitroeptekens voor! -, en dan weer diepgravend duidend over kunst, waarheid, man-vrouwverhoudingen, ouder-kindrelaties, ouderdom. En waar je in de prachtige Outline-trilogie meegaat in de korte verhalen in de indirecte reden, werpt Cusk in De tweede plaats telkens stellingen op die je aan het denken zetten.

Het interessante is dat de stellingnames van M, de verteller, door de bijna pamflettistische stelligheid telkens de vraag oproepen of het om haar en hem gaat, of over de systemen waarin ze functioneren.

‘Maar mijn doel is om je een beeld van L te schetsen: mijn ideeën over waarneming en waarheid zijn alleen nuttig voor zover ze bijdroegen aan mijn onbeholpen poging te begrijpen wie en wat L was en hoe zijn brein werkte. Ik vermoedde dat de ziel van de kunstenaar – of dat deel van zijn ziel waarin hij kunstenaar ís – volkomen moraalloos moet zijn, volstrekt vrij van vooringenomenheid. En aangezien het voortschrijdende leven onze vooringenomenheid juist blijft versterken om het ons mogelijk te maken de beperkingen van ons lot te aanvaarden, moet de kunstenaar extra alert blijven om die verleidingen te weerstaan en de roep van de waarheid te kunnen horen als die klinkt. Het is volgens mij doodeenvoudig die roep te missen, of liever gezegd te negeren. En de verleiding tot negeren doet zich niet één maar wel duizend keer voor, tot het einde aan toe. De meeste mensen zorgen liever eerst voor zichzelf en daarna pas voor de waarheid, waarna ze zich afvragen waar hun talent toch is gebleven. Dat heeft niet zoveel te maken met gelukkig-zijn, Jeffers, al moet gezegd worden dat de mij bekende kunstenaars die de verwezenlijking van hun visie het dichtst hebben benaderd, ook het ongelukkigst waren.’

Mooi vind ik het niet, het wordt abstract en onpersoonlijk, maar raak voelt het wel. Alleen: die verhouding tussen kunst en leven, waarheid en subjectief waarnemen, visie en geluk, gaat dat over L alleen, of over alle goede kunstenaars? Het lijkt me inderdaad moeilijk het compromisloze kunstenaarschap af te scheiden van het noodzakelijke samenleven, maar volgens mij parafraseer ik Cusk hier al tot een andere stelling. Hetzelfde kun je je afvragen als je ziet hoe L zijn bewonderende gastvrouw verafschuwt: is dit ‘de’ oudere man die ‘de’ middelbare vrouw verafschuwt, of roept M’s gretigheid dat op? Eigenlijk is dat zo’n vanzelfsprekende analyse – maar het tweede klopt ook! Of als ze schrijft:

‘Ware liefde komt voort uit vrijheid, en ik weet niet zeker of dat soort liefde ooit kan bestaan tussen ouder en kind, tenzij ze besluiten als volwassenen opnieuw te beginnen. Ik hield van Tony en ik hield van Justine en ik hield van L, Jeffers, ook al was de tijd die ik met hem doorbracht zo vaak bitter en pijnlijk, omdat hij me met zijn wrede gelijk dichter naar de waarheid trok.’

Het klopt bij M en haar volwassen dochter, klopt het ook bij mij? En is die vrijheid dezelfde als de vrijheid van de kunstenaar? En hoe is liefde te verbinden met die bitterheid en pijn en wreedheid? De tweede plaats is heel interessant, maar verrassend genoeg meer in de vragen die bij lezing het oproept dan in het verhaal, het essay dat het ook is.

De Bezige Bij gaf De tweede plaats uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, en Fleur Speets analyse.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 8: Vertrek.






Rakelings zoef ik op de fiets langs een paaltje en direct kijk ik achterom om te zien of ik er niet tòch tegenaan ben gereden, of ik niet bloedend en dubbelgeklapt van de pijn op de grond lig. Blijkbaar houd ik de mogelijkheid open dat ik in tweeën splits: een deel dat nietsvermoedend doorfietst en een deel dat aan mijn bewustzijn is ontsnapt, dat los van mij beweegt.

Ik werd eens wakker uit een droom, staand voor het raam van een hotelkamer met het gordijn in mijn hand. Ik keek naar buiten, over een Spaans plein omzoomd met straatlantaarns die een oranje gloed verspreidden. Even daarvoor zat ik in een nachtmerrie opgesloten in een donkere kist. Terwijl ik me slaand en schoppend uit mijn pikdonkere gevangenschap probeerde te bevrijden, was ik in de andere werkelijkheid uit bed gestapt en in de donkere hotelkamer op zoek gegaan naar licht of een uitgang. Ik opende mijn ogen op het moment dat ik voor het raam stond.

Gelukkig gebeurt het me niet vaak dat ik slaapwandel, want de verwarring bij het wakker worden draag ik nog dagenlang bij me. Ook deze keer kon ik het gevoel niet loslaten dat er twee werkelijkheden waren die allebei even echt leken: de droom en de hotelkamer. Gelukkig bleek ik vooral te bestaan in het hotel in die Spaanse stad en keerde de pikdonkere opsluiting niet terug. Het onwerkelijke gevoel bleef nog dagenlang bij me. Misschien is er zelfs nog een residu aanwezig, een twijfel over in welke werkelijkheid ik me nu bevindt, als een bodempje twijfel onderin elke dag.

Op YouTube kijk ik naar het beeld van een Canadese woonkamer. Er is niemand thuis. Een rode muur en grijze bank met een abstract schilderij erboven trekken het eerst mijn aandacht. Aan weerszijden van de bank staan schemerlampen die een symmetrisch schijnsel op de muur projecteren. Naast de bank geeft een aquarium een felgroene gloed af en links en rechts in beeld zijn grote ramen. Even lijkt het beeld een foto, maar dan zie ik beweging achter de ramen, takken slaan tegen het raam, daarna rookwolken. Het geluid van iets dat valt. Geknetter van vuur, brekend glas. Vlammen likken zich door het raam naar binnen. De kleuren van het huis veranderen naar grijstinten door de dikke rook.

Wanneer de kamer voor de helft met rook is gevuld, begint de rookmelder te piepen. Minutenlang gaat het piepen door, zonder reactie, en benadrukt zo de verlatenheid van het huis. Waar zijn de bewoners? Een paar kilometer verderop blijkt het stel net op tijd de stad te zijn ontvlucht. Op hun telefoon kijken ze live naar de beelden van de beveiligingscamera in hun woonkamer, zien hoe hun huis in enkele minuten wordt verslonden door een bosbrand. Zittend in de auto met de weinige spullen die ze hebben gered, houden ze in hun hand het beeld van hun verdwijnende thuis.

Regelmatig vergeet ik iets als ik van huis ga, want bijna altijd vertrek ik met haast. Op het moment dat ik mijn fiets in mijn hand heb, is er in mijn hoofd pas ruimte om het lijstje af te vinken met dingen die ik mee moet nemen, alsof mijn onderbewustzijn dan pas rust heeft. Meestal moet ik dan terug: voor een sleutel, mondkapje, oplader of portemonnee. Ik ben er zo aan gewend dat ik zonder morren de zeven trappen weer op sprint. Zodra ik de deur van mijn woonkamer open, gebeurt er iets vreemds: ik betrap de kamer op mijn afwezigheid. Het is alsof de kamer een eigen bestaan heeft en ik stap naar binnen midden in een gebeurtenis waar ik geen deel van uitmaak. Soms is het niet meer dan een nadrukkelijke stilte en de lichtinval door het dakraam die mijn aandacht trekt. Het gevoel duurt nooit lang, want met één stap over de drempel val ik weer samen met de kamer en ben ik vergeten dat zij ook zonder mij bestaat.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Evie Wyld: de redacteur las een indrukwekkende roman van vossen, wolven, mannen – en sterke vrouwen die zich staande houden in een duistere geschiedenis.

*

Daan Stoffelsen: Evie Wyld, Wij zijn de wolven

Alles met wolven is goed. Vossen mogen ook. Die voorkeur is niet heel erg beredeneerd, maar ik denk dat het hem hier in zit: literatuur gaat over mensen, hun aard, hun gedrag, hun omstandigheden. Ook als het over (niet-menselijke) dieren gaat, ze zijn de bewegende, denkende, onberekenbare contrastvloeistof bij de vertrouwde mensdieren. Of misschien is het, zoals Richard de Nooy eens noteerde als useless writing tip: ‘One of the best-kept secrets of world-class authors is that, at some point in their career, they all worked with wild animals.’ Evie Wyld heeft in haar derde roman, The Bass Rock, vooral een symbolische rol voor wolven (21 maal genoemd) en vossen (24 maal) weggelegd, en op de vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt heeft de uitgeverij meteen de aanlokkelijke titel Wij zijn de wolven geplakt. Die symbolische rol zit in de wolfman, de verpersoonlijking van een angstbeeld, en in een vergelijking als: ‘”Ben jij een vos of een wolf?” Ik zeg niets. “Vossen ruiken de dood, die komen meteen aandraven.”‘ Of, uit de contemporaine verhaallijn:

‘”Word jij wel eens bang van jezelf?” vraagt ze terwijl ze de rand van haar vloeitje natmaakt. “Kijk jij wel eens zo lang naar jezelf in de spiegel dat je iets anders begint te zien? Alsof er iemand anders onder je huid zit. Heb je ooit in de spiegel gekeken en opzettelijk een lelijk gezicht getrokken, je tanden ontbloot, gegromd en gegrauwd en toen ineens beseft dat er iets anders in je zit dat je niet laat ontsnappen? Alsof wij de wolven zijn, en er daarom op ons wordt gejaagd.”‘

De vrager is in beide gevallen een heks. De zeventiende-eeuwse Sarah wordt vervolgd, en opgenomen door een domineesgezin op de vlucht, de eenentwintigste-eeuwse Maggie doet haar eigen zin, verdient geld bij als sekswerker en dringt zich op bij Viv, de huisbewaarder van het familiehuis met uitzicht op Bass Rock. Allebei denken ze expliciet na over de verhouding tussen man en vrouw, zetten ze hun seksualiteit in en hebben ze een bijzondere band met de natuur. Zij zijn het uitgesprokenst in deze indrukwekkende roman die thema’s als femicide en kindermoord, misbruik en geweld onderzoekt aan de hand van drie verhalen:

  1. wat schetsmatig dat van dat meisje Sarah,
  2. klassieker dat van Ruth, die net na de Tweede Wereldoorlog met Peter – veteraan, weduwnaar en vader van twee zoons – getrouwd is en die bij the Bass Rock is gaan wonen,
  3. en heel eigentijds dat van Viv, wier vader onlangs is overleden.

Die drie lijnen, aangevuld met een aantal vignetten van gruwelijke geweldsdaden tegen vrouwen.

De roman is veel voller, al weet Wyld het gevoel van té te vermijden: er zijn in deze roman ook zussen die het beter lijken te hebben gedaan, moeilijke moeders en grootmoeders, assertieve bedienden. Er is een dood meisje dat regelmatig opduikt. Er zijn onduidelijke familiebanden, kostschooldrama’s, er wordt overspel gepleegd, gezwegen en keihard gelogen. En gedreigd: een verblijf in een sanatorium, een scheiding, geweld.

Er zijn mannen kortom, en ontzettend veel slachtoffers, maar vrouwen als Ruth en Viv houden zich staande met veel drank, humor en een scherp observatievermogen – elementen die de duisternis naar achter duwen. Zo treft Ruth de knuffel van haar zoon aan, achtergelaten nu hij naar de kostschool gaat. ‘Zijn lichaam moest nu het gevoel hebben dat er iets ontbrak.’ Er zijn prominentere souvenirs van overledenen in de roman, lapjes stof, een kistje met tanden, maar Wyld verwoordt hier heel mooi hoe fysieke objecten rouw kunnen dragen en draagbaar kunnen maken.

Viv merkt elders op, over een jongen zonder gêne met wie ze gaat daten: ‘Wat moet het heerlijk zijn om door het leven te kunnen gaan zonder dat het je kan schelen wat het van je denkt.’ Ik denk dat die aantrekkingskracht van het wilde dier ook zit in het fysieke, in het vermoeden dat er bij vossen en wolven een natuurlijker verbinding is tussen lichaam en geest. Maar is geweld deel van die natuur? Dat is een belangrijke vraag, die Wyld oproept. Belangrijker, en daarin dekt zowel de oorspronkelijke als de Nederlandse titel de materie niet, is de vraag hoe je je als vrouw kan gedragen – zonder dat het je kan schelen wat het leven van je denkt? Zo eenzaam, vies en slordig, cynisch, verslaafd en liefdevol als je maar wilt, onderstreept Wyld, want Wij zijn wolven is juist ook een ode aan deze eenlingen.

Roos van Rijswijks recensie maakte me destijds nieuwsgierig.De Bezige Bij geeft Wij zijn de wolven uit, en biedt ook een leesfragment (PDF).