In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Maaike de Wolf.












PARTY

Het zuur staat naast de leverworst te glanzen.

Een groepsgesprek komt op vette vis.
Alle vissers zijn verslaafd, zegt er een.
Alle vissers zijn gelovig, failliet en verslaafd, vult een ander aan.
Tonijn versus zalm.
Omega 3, visvetzuren.
Vragen van kennissen om te bepalen waar je je bevindt.
Mannen versus vrouwen.
In or out.
Zalm of haring.
Shotje soja, shotje sake.
Een omhelzing met de host.

Toastjes komen langs met een meisje dat liever jongensdingen doet. De eenzaamheid van jongens
lijkt haar beter verteerbaar dan die van meisjes. Zo ook de schaamte.


Die hand moet je trainen als een blaas, zegt een oom. Hij showt zijn spierbal en maakt een vuist.
Als een wil.

Een taoïstische monnik danst je blikveld in. Voordat je je hoofd bij kan draaien is hij alweer verdwenen
in een roze gloed aan de rand van de duisternis.


Er valt een tampononvriendelijk grapje.
Angela Merkel wandelt de tuin in met een levend cadeau.
Er volgt een vluchtelingonvriendelijk grapje.
Maar wat blijkt? Een jong hondje kan iedereen met open armen ontvangen.
Personality goes a long way.


Muziek.
De vader van de host brengt goede smaak ter sprake. 

Verderop
een man lag lepeltje-lepeltje-lepeltje
vertelt het verhaal – hear me out
onder invloed van LSD
completely awesome
in bed tussen twee van zijn evenbeelden in
vlezig en echt als jij en ik
weird maar lief
in de nacht lag hij zo precies waar hij zijn moest zo
stil als hij kon om de ik voor hem en die achter hem
niet wakker te maken.

Binnen sta je met tallozen in de rij voor de wc.

Of je aanwezigheid in het leven van een hond betekenis aan je eigen leven geeft, is de vraag. 
Maakt het iets uit dat je de hond overleeft en dat een hond niet over jou kan
vertellen? De betekenis blijft gevangen, zegt iemand, tussen jou en je hond. Dat moet genoeg zijn.

Een hele mensheid staat op je schouder te bonzen.

 


Maaike de Wolf
(1978) maakt poëzie en zeer kort proza. Ze studeerde aan de School voor Journalistiek
en de Schrijversvakschool Amsterdam. Eerder verschenen haar gedichten in o.a. Hollands Maandblad,
De Gids en Het Liegend Konijn. Ze draagt graag voor op literaire podia en festivals. Daarnaast werkt
ze als freelance tekstschrijver.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 7: Wand.

 

 

In de theaterwereld spreekt men van de vierde wand. De eerste drie wanden zijn achterkant en de zijkanten van het toneel, de vierde wand is een denkbeeldige wand tussen het publiek en het podium. Deze krijgt vooral betekenis als ze wordt doorbroken, want daarmee wendt een personage zich plots tot het publiek en erkent daarmee dat de realiteit van het toneelstuk een illusie is. 

In Japan bestaat een bedrijf waar je familieleden kunt huren: Family Romance. Dit klinkt als een verhaal uit een film, wat filmregisseur Werner Herzog ook moet hebben gedacht toen hij hier een film over maakte met de gelijknamige titel. Ik heb de website van het bedrijf gevonden en scroll nu door de verschillende opties. Zo kun je bijvoorbeeld gasten huren voor je bruiloft, of een partner die je vergezelt naar een receptie. Een ‘scolding agent’ behoort ook tot de mogelijkheden: voor 10.000 Yen huur je iemand om je een uitbrander te geven als je een fout hebt gemaakt (al lijkt het mij niet nodig een echte fout te maken, als je voor de uitbrander toch iemand inhuurt). De mogelijkheden zijn eindeloos: het huren van ‘ouders’ om aan je nieuwe partner voor te stellen, het huren van een ‘partner’ om aan je ouders voor te stellen. Het huren van vrienden voor een picknick in het park of alleen voor de foto hiervan om te stralen op Instagram.  

Het is een populaire service. In de reacties lees ik dat klanten blij zijn dat ze hun ‘man’ mee konden nemen naar een etentje met hun baas, zodat ze een goede indruk maakten, terwijl ze eigenlijk al jaren gescheiden zijn of hun man een zware alcoholist is.

Is het geen zelfverloochening om fictieve mensen te huren, alleen voor de indruk die je achterlaat bij anderen? En wat heb je aan die goede indruk als de werkelijkheid miserabel is? Is het dan niet zinniger om iets aan de werkelijkheid te veranderen, door nieuwe vrienden te maken, te scheiden of te verhuizen? Terwijl deze vragen bij me opkomen, vraag ik me af of zoiets in Europa denkbaar zou zijn of dat dit iets zegt over de Japanse cultuur. 

Ook realiseer ik me de hypocrisie van mijn eigen vragen, want hoeveel vormen van sociaal bedrog gebruik ik op een dag? Ik kom een kennis tegen op straat die enthousiast zwaait en roept dat het zo lekker gaat met mij, wat ze af kan lezen aan wat ik deel op social media. Ik knik een beetje en probeer tevredenheid uit te stralen, terwijl ik in werkelijkheid met mijn tong op mijn schoenen loop omdat ik net op tijd twee deadlines heb gehaald, wat me slapeloze nachten en veel gepieker heeft gekost. Het beeld van succes is niet eens een bewuste illusie, maar het gepieker houd ik voor mezelf terwijl ik het resultaat online deel, omdat me dit relevant lijkt. Zo creëer ook ik een aangepaste versie van mezelf. 

Dat is vergelijkbaar met fotoalbums van mijn jeugd. Als ik ze doorblader lijkt het leven in de jaren tachtig een aaneenschakeling van kerst, verjaardagen, zomervakantie en weer kerst. Er was nooit een druilerige zondagmiddag of een oersaaie schooldag, of althans, dat was geen foto waard waardoor elk verleden een collage van hoogtepunten is geworden. 

Ik stel me voor dat ik in een werkelijkheid leef die uit vier wanden bestaat. Ook al huur ik geen vrienden, toch is het altijd een keuze welk deel ik van mezelf laat zien op social media. Of het een positief of negatief bericht is, het is altijd uit de werkelijkheid gemonteerd en kan zo door een ander bekeken worden. Mijn vierde wand is het nieuwsoverzicht van Facebook, de stories op Instagram, mijn LinkedIn-profiel; een scherm waarop je gemonteerde varianten van jezelf projecteert en waarvan de kijker weet dat het niet meer dan facetten zijn van de ander.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

W.G. Sebald, Len Howard (en Eva Meijer en Bart Koubaa en Jazmina Barrera): de redactie las een eigenzinnig, gedurfd en voortreffelijk geschreven boek tussen alle genres in, en zoekt het vogelen in de literatuur.

*

Thomas Heerma van Voss: W.G. Sebald – De ringen van Saturnus

 In de documentaire Patience (with Sebald), die me werd aangeraden door de beminnelijke collega-schrijver Maarten van Riel, wordt een wandeling gevolgd die W.G. Sebald naar het schijnt in de jaren negentig maakte door Oost-Engeland en die de basis vormt van zijn De ringen van Saturnus (vertaald door Ria van Hengel). Op een charmant trage wijze proberen de Britse makers te achterhalen welke afstanden hij precies in welke volgorde aflegde, welke gebouwen hij wanneer zag. Er worden routekaarten en archiefbeelden van stal gehaald, evenals foto’s die Sebald zelf al lopende maakte en die worden vergeleken met beelden van die plekken in het echt. De documentaire deed me twee dingen beseffen: 1) Zulke documentaires, waarin een boek dat geen bestseller is tot in detail en uit oprechte fascinatie wordt uitgeplozen, bestaan niet over boeken van de laatste jaren. (Wat uiteraard wel weer goed te verklaren is.) 2) De wandeling van Sebald  was op zichzelf niet opzienbarend, dat werd-ie pas toen hij er woorden aan gaf.

De ringen van Saturnus dus. Een vol boek, met lange zinnen en dichte pagina’s die zonder inspringingen of losse alinea’s voort denderen. De stijl is vitaal en associatief, Sebald beschrijft in losse hoofdstukken hoe hij door delen van de streek Suffolk trekt, waarbij hij veel oog heeft voor (steevast tragische) passanten en erop los mijmert. Dan staat hij bij de kustlijn en denkt hij in een adem aan vloten van eeuwen geleden, aan oorlogen op zee, hij beschrijft de wereldwijde haringvangst en verklaart de liefde aan de felle, na vangst meteen verdwijnende schubkleuren, waarna hij binnen een paar pagina’s refereert aan de holocaust en vervolgens verder wandelt.

Regelmatig moest ik terugbladeren om te zien hoe Sebald het ene onderwerp nou weer met het andere heeft verbonden, maar hij presenteert het allemaal logisch en onontkoombaar, en in die meanderende, soms wat stroperige, toch meeslepende stijl verbindt hij steeds weer individuele lotgevallen en overpeinzingen met de grootste wereldgeschiedenis. De Chinese massamoord van eeuwen geleden duikt op, maar ook flarden van de Eerste Wereldoorlog, hij vindt een in detail nagemaakte piramide op miniatuurformaat en daalt in zijn geheugen af naar zijn geboortegrond in Duitsland. Wat al die overpeinzingen en flarden delen is, los van de secure en breedsprakige stijl, dat alles vroeg of laat uitkomt in onverbiddelijke destructie, en in de catastrofes die mensen vooral gedurende de 20ste eeuw over zichzelf hebben afgeroepen. (In dat kader is de ondertitel Een Engelse pelgrimage ook zo misleidend, want mensen die een pelgrimage ondernemen vinden vaak zielenrust terwijl de ziel van deze verteller juist steeds zwarter kleurt.)

‘Op elke nieuwe vorm ligt reeds de schaduw der vernietiging. De geschiedenis van elk individu, van elke gemeenschap en van de hele wereld verloopt namelijk niet in een boog die zich steeds ruimer en fraaier welft, maar in een baan die na het bereiken van de meridiaan omlaag voert, het donker in.’

Dit noteert Sebald vrij terloops in een van de eerste hoofdstukken. Ruim honderd bladzijdes later, wanneer hij een gesprek aanknoopt met een langslopende vrouw: ‘Terugblikkend zag ze nu, zei ze, dat de geschiedenis uitsluitend bestaat uit de rampen en aanvechtingen die golf na golf over ons heen slaan als over de kust van de zee, zodat wij in de loop van al onze dagen op aarde niet één ogenblik bleven dat werkelijk vrij is van angst.’

In Patience (with Sebald) wordt trouwens niet alleen de tocht van Sebald nagelopen, er wordt ook gereflecteerd op zijn stijl en werkwijze. Iemand werpt in een voice-over de vraag op: liep hij die afstand werkelijk in het korte tijdsbestek dat De ringen van Saturnus suggereert, deed hij er niet veel langer over? Een andere spreker – in mijn herinnering een collega-auteur – wijst erop dat een aanzienlijk gedeelte van dit boek verzonnen is: de ontmoetingen, de gesprekken, zelfs de historische feitjes. De vraag die opdoemt: is dat erg? Het boek is bewust niet uitgegeven als roman, omdat over alles de zweem van het waargebeurde heen hangt. Tegelijkertijd leeft Sebald zich duidelijk op alle niveaus uit, ook wat betreft waarheidsvinding. Een ander feitje dat in Patience (with Sebald) wordt genoemd is dat hij zijn boeken het liefst in álle genres tegelijk wilde onderbrengen. Misschien heb ik te weinig van Sebald gelezen om zulke brede uitspraken te doen, maar toch: hij schrijft zo eigenzinnig, zo gedurfd en zo voortreffelijk, dat naast kafkaesk ook sebaldiaans van mij voortaan een genreaanduiding mag worden.

De Bezige Bij gaf De ringen van Saturnus uit. In 2012 schreef Daan Stoffelsen al en passant over De ringen van Saturnus.

Daan Stoffelsen: Len Howard, Vogels als huisgenoten

Op dokteradvies ben ik deze dagen heel veel buiten. Ik wandel en kijk vogels. Mijn triomfen zijn klein en meestal bruin: graspieper, rietgors, rietzanger. Ik hoor de kleine karekiet maar ik zie hem niet. Zojuist zag ik wel mijn eerste sprinkhaanzanger. Gelukkig zijn er ook boerenzwaluwen en een enkel blauwborstje, en als er maar een beetje een bosje is een koolmees. Je herkent die beestjes op geluid, en daarin is de koolmees, een van de sociaalste vogeltjes, ook een van de diverste. Dus leende ik, weer helemaal in Eva Meijer-sferen, Len Howards Vogels als huisgenoten (vertaling Gr. Grose-Roolfs), dat Meijer inspireerde tot de geweldige, kalme roman Het vogelhuis. Daar zit biografie en verhaal in, psychologie, sfeer:

‘Gemaaid gras, laag licht, late zomer; na een paar hete windstille weken is het gaan waaien, de herfst is te ruiken. Ik maak een lijst van de nesten in de tuin en zet erbij wie ze afgelopen jaar gebruikt hebben – de merels in de klimop, de mussen in de heg (twee paar), de koolmezen in de verschillende bomen. Ik loop alles langs om te kijken of ik niets vergeten ben. Ik heb de vaste vogels namen gegeven – ik vergis me nog regelmatig, maar als ze lang genoeg blijven zitten, zie ik wie wie is. Ze zijn allemaal net anders getekend en gekleurd, hebben stuk voor stuk een andere manier van bewegen, van reageren. Sommige vogels zijn luidruchtig en bruusk in hun bewegingen, anderen verdwijnen bijna onopgemerkt. Ik begin ze ook aan hun zang te herkennen, zowel aan hun liedjes als aan hun stem. In Londen zag ik ze als een groep – er was een oude koolmees in het park die ik herkende, en in de boom voor Thomas’ boot woonde een stelletje dat we volgden, maar ik had er geen idee van dat ze zo van elkaar verschillen. Zien heeft tijd nodig. In Londen was er veel te veel afleiding.’

Dat is Meijers versie van Len Howard. Deze vrouw, professioneel musicus, kocht een huis in Sussex en opende het voor de vogels om zich heen. Ze bouwde een band met ze op. In Vogels als huisgenoten beschrijft ze hoe de vogels zich gedragen, en overtuigt ze je ervan dat ze slim en sociaal zijn, en zowel uiterst empathisch als uiterst aggressief kunnen zijn. Ze neemt de tijd en ziet veel. In het begin laat ze zelf ook zien hoe geestig ze is:

‘Wie altijd in gezelschap van een groot aantal vogels leeft, krijgt met allerlei praktische problemen te maken: het huis moet steeds worden schoongemaakt, alles loopt kans door de vogels vernield te worden, de kamers zien er altijd uit of ze een grote beurt krijgen, met kranten over de meubels en alle boeken afgedekt. En dan de persoonlijke problemen: ik kan bijna nooit ongestoord slapen. ‘s Zomers, als de nachten kort zijn, sluit ik ‘s avonds de ramen om de vogels buiten te houden. Dan worden ze boos: ze gaan woedend op de ruiten hameren en willen binnengelaten worden. Trouwens, ze doen altijd hun best om te zorgen dat ik me met niets anders bezighoud.’

Maar veel vaker observeert Howard alleen maar, en komt ze tot een soort antropologie maar dan met dieren in verhalende stijl, waar de observator of verteller uit verdwenen is. Die wat opsommerige non-fictie leidt tot andere dan persoonlijke problemen. De veelheid van vogeltjes leidt onvermijdelijk tot verwarring, zozeer dat Howard, als we een flink eind in het hoofdstuk ‘Koolmezenbiografie’ zijn, maar een stamboom introduceert. Jane, Grijsje, Dikkie, Krullenbol, Mops, Monocle, Sterretje, Kabouter… En je mist een baken: wie is de ik nu eigenlijk? Dat heeft Meijer dus mooi opgelost met die roman, maar het maakt Howards boek minder leesbaar. Blijft staan dat Vogels als huisgenoten enorm leerzaam is:

‘Vogels hebben verschillende manieren om te vragen om voedsel. Kronkel streek altijd op mijn schouder neer en keek mij dan smekend aan. Als ik zei: “Ik heb niets”, veranderde haar uitdrukking. Ze leek dan opeens boos, vloog van mijn schouder af en ging vlak voor me zitten, me strak aankijkend. Zei ik: “Zal ik wat halen?”, dan vloog ze begerig en vol verwachting naar de deur.’

Je vraagt je niet zelden af of ze haar huisgenoten niet tezeer mens maakt, maar het omgekeerde kun je natuurlijk ook stellen: mensen blijken maar al te dierlijk te zijn.

*

Jazmina Barrera schrijft in Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) over verzamelingen, en als Jonathan Franzen, fervent vogelaar, een vuurtoren bezoekt, ziet ze parallellen. ‘Franzen reist de wereld over om zoveel mogelijk soorten vogels te zien. De vogels vertegenwoordigen voor hem de overblijfselen van een rijk dat met uitsterven wordt bedreigd, een dat wij mensen bijna omver hebben geworpen, maar waar we “nog altijd onverschillig tegenover staan”.’ Verschilligheid is inderdaad waardoor ik me tijdens mijn wandelingen op prescriptie onderscheid van de andere mensen, die oortjes in hebben en hier de rietzangers, daar de fitissen en verderop de zwartkoppen niet horen. Aandacht. Of het me een beter mens maakt – in de niet-medische zin – weet ik niet, maar zo voelt het niet. Eerder volg ik Barrera’s redenering:

‘Verzamelen is een vorm van escapisme. Wie zijn aandacht, verlangen en wil steekt in iets vreemds, in zijn schoonheid, zijn volgorde, zijn classificatie en accumulatie, voorkomt gebreken en leegtes. In vervoering raken kan rustgevend zijn in zijn herhaling, als een mantra. Het verzamelen van, bijvoorbeeld, vuurtorens geeft je een richting, hoe arbitrair ook. Op die manier wordt het niet alleen een vorm van vluchten, maar ook van construeren. Je kunt creëren via de vlucht.’

Tegelijk voel ik me minder een verzamelaar dan een student. Ik leer ze kennen, die uitstervende getuigen van de wildernis, als een vreemde cultuur. Hun geluiden een vreemde taal, hun uiterlijk nog verre van geïndividualiseerd. Het voelt respectloos, als een pakketreistoerist in een ver land. Maar ja, die vogels vliegen telkens weg voor ik een gesprek kan beginnen.

*

In 2015 schreef ik een klein essay, ‘De vogels van proza’ (te lezen in de DBNL), waarin ik boeken besprak en dingen als: de beloning die een vogel kan bieden, de verrassing in een scène, de wens tot ornithogonia. Zou ‘ornithogenese’ niet beter zijn? Ik bekende daarin: ‘Ik ben geen vogelaar.’

Inmiddels zeg ik: een beginnend vogelaar, zoals je ook beginnend overspannen kan zijn, of een beginnende vluchteling. Nee, dat is een ander beginnen, je kunt nog terug naar nul. Maar een koolmees en een pimpelmees zul je altijd blijven onderscheiden.
Bart Koubaa schreef zijn De vogels van Europa in 2014, en inmiddels heb ik de Vogelgids van Europa in huis. Koubaa beschrijft dat beginnen, als lid van een groepje, ‘uitverkoren’, ‘lid van een geheim genootschap’. In het hoofdstuk ‘Rietzanger’:

‘Eddie had iets gespot in het riet langs het meer, ik keek door de verrekijker van de koorleider – ik had er zelf nog geen – en merkte de dunne streep op die als een smalle wenkbrauw over het oog van het vogeltje liep.
“Een rietzanger,” probeerde ik wat onzeker.
“Nee joh, is veel te groot, het is een karekiet,” fluisterde Eddie. “Kijk, hij is zijn nest aan het bouwen.”
“Schitterend, Eddie,” fluisterde de koorleider zonder de vogel gezien te hebben en hij nam zijn gids, bladerde erin en las stilletjes…’

Eddies zelfmoord, jaren later, en de verdenking van iets ongehoords tussen de koorleider en zijn jeugdvriend, brengt de verteller tot een zoektocht. Zijn hoofdstukjes hebben de namen van vogels – maar niet zelden wordt de verkeerde vogel geïdentificeerd, of is hij slechts passant: ‘Oké, zei ik tegen mezelf toen ik op mijn eerste vrije maandagochtend in jaren met een kop koffie in de hand naar een acrobatisch pimpelmeesje in de tuin stond te kijken. Misschien zei ik: “Olé.”‘

De grote karekiet, want dat is de vogel die Eddie zag, is inmiddels ‘schaars in Nederland’.
De koolmees is afwezig in De vogels van Europa.
Ik heb als beginnend muzieklezer door Len Howards beschrijving geen beter begrip van de talloze geluiden van de koolmees gekregen.

Beginnen en verzamelen, verrast en verward, zo gaan we verder.

Vogels als huisgenoten werd uitgegeven door Cossee. Net als Het vogelhuis. Lees een fragment daaruit op Athenaeum.nl. De vogels van Europa kwam bij Querido uit, er is een fragment uit te lezen bij Athenaeum. Het is nog in de ramsj te koop.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 6: Huid.

 

Nu het al een tijd niet mogelijk is naar een ander land te reizen, lijkt mijn verlangen naar een andere omgeving alleen maar toe te nemen. Nu ben ik zelf geen globetrotter, zoals ik laatst al beschreef (aflevering 4, Grens) maar toen ik afgelopen week voor een werkafspraak in het zuidwesten van Brabant moest zijn en de routeplanner me via België leidde, zat ik te juichen achter het stuur toen ik de grens passeerde. Het is meer dan een jaar geleden dat ik op een nieuwe plek was. Verandering van omgeving voelt altijd verfrissend. Niet om de nieuwigheid van de plek, maar vooral door wat ik achterlaat: mijn dagelijkse leefomgeving, het vaste decor waarin ik beweeg. Alsof ik, nadat ik mijn context heb afgeschud, niet alleen door onbekende straten dwaal, maar ook mezelf herontdek. 

Hoe verfrissend dat ook is, het blijkt meestal maar een dun laagje. Vroeg of laat sijpelt het besef door dat ik helemaal niet veranderd ben, of zoals mijn vader zegt: het nadeel van reizen is dat je altijd jezelf meeneemt. 

Sinds een aantal jaren is het mogelijk om te reizen zonder je fysiek te verplaatsen. Je kunt voorgeprogrammeerde avonturen beleven via virtual reality: de Mount Everest beklimmen, een tocht maken in een luchtballon of de piramides van Gizeh bezoeken. Toch heb ik surfend over het internet nog niet gevonden wat ik zocht; het zijn vooral sportieve, prikkelende avonturen op die bekende plekken terwijl ik het liefst het voor mij al voldoende zou zijn om te dwalen door onbekende straten in een stad die zich onder mijn voeten openvouwt. Misschien is het zelfs mogelijk virtueel te verdwalen en zo het gevoel te krijgen dat de plek me heeft geabsorbeerd. 

Een futuroloog van communicatiebureau Futurizon voorspelt een techniek die het virtuele reizen binnen tien jaar nog realistischer maakt: Active Skin. Dit zou moeten bestaan uit een speciale spray die op je huid wordt aangebracht en die vervolgens signalen doorgeeft aan je zenuwstelsel, zodat je tastzin gemanipuleerd kan worden. Zo kun je imitaties ervaren van zonlicht op je lichaam, een briesje in je gezicht of bijvoorbeeld het zand van het strand onder je voeten. Met deze sensaties op je huid kun je een virtuele reis ook lichamelijk ervaren. 

Intussen zit ik levensecht in mijn kamer, waar niets specifieks te voelen is. Of misschien komt het doordat ik minder alert ben op een plek die zo vertrouwd is als mijn huis. Bij thuiskomst was het hier koud, nu gloeit de zon warm op mijn benen en hoor ik het suizen van de verwarming. Ik refresh nog maar eens de NOS-site, uit verveling en een behoefte aan een beetje sensatie. 

Ik lees dat de Mars-helikopter zijn eerste vlucht heeft gemaakt, dertig seconden in de ijle, donkere lucht. Bij het artikel staat een still uit een filmopname: een roodbruin woestijnlandschap geprojecteerd op een scherm, eromheen klappende mensen in oranje polo’s, bevroren op het moment dat hun handen nog maar tien centimeter uit elkaar zijn. Snel klik ik het venster weg. Beelden uit het heelal verdraag ik slecht. De onvoorstelbare omvang van het heelal, de donkere dieptes, de rotatiesnelheid van de bol waar we ons op bevinden, de bewegingen van die bollen ten opzichte van elkaar, het razendsnelle vallen van melkwegstelsels, het uitdijen van het geheel en vooral de vraag waarin het dan uitdijt en dat ik van dit alles niets voel, afgezien van duizelingen die misschien uit angst voortkomen maar die ik me ook wel eens voorstel als zintuiglijke uitingen van het roteren, vallen, draaien – ik kan het alleen maar negeren. Het venster in mijn beeldscherm sluiten, misschien zelfs het gordijn dichttrekken en kijken naar de muren van mijn kamer waarin ik gelukkig geen enkele beweging kan ontwaren. 

Rond mijn hoofd zoemt een fruitvliegje, de eerste van het seizoen. Even houdt hij stil op tafel naast mijn toetsenbord. Ik sla hem dood met vlakke hand en veeg met mijn vinger de kruimels van het geplette lijfje op de grond. Daarna voel ik nog de afdruk van het minuscule vliegje tegen mijn vingertop. Met mijn hand strijk ik langs het gladde tafelblad zodat mijn huid het vergeet.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Jazmina Barrera: de redacteur las het tweede, frisse essayboek van een Mexicaanse schrijfster over vuurtorens en verzamelingen en literatuur – en probeert vergelijkingen uit.

*

Daan Stoffelsen: Jazmina Barrera, Vuurtorenberichten

Heeft vergelijken zin? Het fantastische Words Without Borders stelde die vraag: ‘”Brazil’s Virginia Woolf.” “Sebaldian.” An heir to Flaubert, Stendhal, Sterne… Comps—or comparative titles/authors—are ubiquitous in publishing, particularly when it comes to international literature.’ Maar verhullen ze niet meer dan ze verduidelijken? Goede vraag, al denk ik dat zolang je een debutant niet vergelijkt met Borges, Cervantes, Kafka en Woolf, het doorgaans wel helpt. En als je uitlegt waar de overeenkomsten in zitten: hoe is Jazmina Barrera’s Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) te vergelijken met boeken van Valeria Luiselli, Arjen van Veelen en Charlotte Van den Broeck?

Uiteindelijk is zo’n vergelijking voor mij een manier om grip te krijgen op wat ik aantrekkelijk vind in een boek of een schrijverschap, wat werkt, en hoe dat anders werkt dan bij andere boeken of schrijvers. De Luiselli-associatie komt door afkomst (Mexico, New York) en uitgeverij (Karaat), het onbevangen persoonlijk-essayistische, het onthecht kosmopolitische, het verhalende naast het onderzoekende. Ook Barrera haalt Walter Benjamin aan, ook Barrera reist rond, in dit geval voor haar eigen interesse: vuurtorens. Dus schrijft ze ook over Alexandrië (die ‘zou voor altijd de stad blijven van de vuurtoren, die als een enorm spook in de geschiedenisboeken werd opgenomen’), net als Arjen van Veelen, met zijn obelisken-obsessie (en Irene Vallejo, vanzelfsprekend, maar dan met focus op de beroemde bibliotheek).

Ze leest Virginia Woolf en Walter Scott, ze zoekt vuurtorens op en denkt na over deze eigenaardige verzameling en het concept verzamelen:

‘Dat is de paradox van verzamelingen: ze leiden de aandacht af van het gebruik van dingen en verleggen die naar het voorwerp zelf, precies zoals in de poëzie de nadruk ligt op de taal zelf en niet meer op zijn doel van het overbrengen van een boodschap, of zoals bij ready-mades: wanneer een uit zijn context gehaald voorwerp niet langer een urinoir is maar iets heel anders wordt — zij het dat je een vuurtoren niet uit zijn context kunt halen. In ieder geval niet helemaal, want de middeleeuwse Engelsen bouwden Romeinse vuurtorens om tot kerk- en kasteeltorens. Maar op het moment dat ze verwijderd werden van de zee, waren ze al geen vuurtorens meer.’

Dit is zo’n fijn onbegrensde redenering: we verlaten de gevaarlijke landtong kortstondig voor de poëzie en de moderne kunst, en daarmee wordt de vuurtoren zelf kunst, en meteen daarna weer oude geschiedenis. Knap gedaan. Vanzelfsprekend komen de schrikbreukelingen en de waanzinnige vuurtorenwachters aan bod, de verschillende bouwvormen (en ook lichtschepen, zoals bij Mathijs Deen), de dood en de eenzaamheid. Er zit dan ook iets melanchisch in dit boek, iets morbides: zoals Charlotte Van den Broeck obscure gebouwen van suïcidale architecten opzoekt, zo zoekt Barrera monumenten van redding en zelfvernietiging op.

Meer dan Luiselli, Van Veelen en Van der Broeck heeft Barrera sociale contacten tijdens haar zoektocht – vriendinnen, familie, reizigers – maar die mensen blijven wat schematisch, de vuurtorens worden interessanter. Ze is openhartig over zichzelf, maar komt het meest tot leven in het laatste, Spaanse deel van het boek, dat ze als een reisdagboek heeft opgeschreven. Daarin schrijft ze ook over medereizigers en een dode vuurvlieg en de verslagen van Walter Scott. Heel geestig reflecteert ze hier ook op de vorm van haar schrijven:

‘29 juni

Het valt me op dat ik over Scott in de tegenwoordige tijd praat en over mijn reis in de verleden tijd. Voor mijn gevoel is wat Scott zoveel jaren geleden is overkomen meer in het heden dan wat ik zelf meemaak. Voor mijn gevoel zijn de ervaringen van anderen op papier heel vaak veel dichterbij dan wat ik in levenden lijve heb ervaren. Bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over dode walvissen. Scott ziet honderden dode walvissen op het strand liggen. Honderden door walvisvaarders achtervolgde en vermoorde walvissen, die daar nu liggen als een massaal gestrande, onverslaanbaar geachte oorlogsvloot. Ik kan ze zien, ik zie ze beter en nog gedetailleerder dan de vissen die ik de afgelopen dagen in de zee heb gezien.’

Dat tijdsgebruik viel mij ook al op, en de reflectie op haar lezer- en schrijverschap is aanstekelijk. En dan die oorlogsvloot! Kijk, je kunt vergelijken wat je wil, maar uiteindelijk gaat erom dat een schrijver zichzelf is, en dat een boek vermaakt en intrigeert en je blik verandert – tot het zelf een referentie wordt bij de volgende stappen in je leesgeschiedenis. Dat doet Vuurtorenberichten.

Uitgeverij Karaat gaf Vuurtorenberichten uit.

Jesse van Amelsvoort en Michiel Driebergen in Armada, Kesia Smit in De Gids en Marc van Oostendorp en Leonie Cornips op Neerlandistiek.nl: de redacteur zocht en vond perspectieven op meertaligheid – naast die van het komende nummer.

*

Daan Stoffelsen: meertaligheid in Armada, De Gids, Neerlandistiek.nl

Themanummers zorgen voor een bepaalde gevoeligheid, ook ver nadat je er nog iets mee kan doen. Ik bedoel, ‘’n Brasa van talen’ is samengesteld, nagekeken en nog eens nagekeken, en is nu naar de drukker; we verwachten het nummer 22 april. Maar toen aan de achterzijde van De Nederlandse Boekengids de nieuwe Armada binnenkwam, thema ‘minderheidsliteratuur’, bleek het onderwerp voor mij niet afgesloten te zijn. Ik begon meteen nieuwsgierig te bladeren: zouden de wereldliteratuurlezers en -wetenschappers iets toevoegen aan wat onze auteurs over het onderwerp schreven? Natuurlijk.

De kracht van dit literaire tijdschrift is het introduceren van literaturen en auteurs, je warm maken voor nieuwe boeken en gedichten, vertaald en onvertaald. En als het dus over minderheidsliteraturen gaat of meertaligheid, dan via die auteurs en nieuwe boeken. Ondanks die route levert Armada nog mooie aanvullingen op. Jesse van Amelsvoort merkt in zijn Redactioneel op:

‘De Franse structuralist Roland Barthes schreef in De nulgraad van het schrijven (1953) dat taal voor de schrijver een comfortabele, natuurlijke omgeving is. Als de bijdragen aan deze Armada iets laten zien, is het wel dat taal misschien comfortabel aan mag voelen, maar dat zeker niet altijd is: waar taal is, is politiek. Tegelijkertijd maakt deze Armada duidelijk dat we niet per se in nationale termen over literatuur hoeven te denken. De natiestaat drukt verhoudingen tussen mensen, taal en literatuur op een vaste manier uit, en laat daardoor een spanningsveld toe met wat zich daarbuiten afspeelt.’

Ik weet niet of taal altijd politiek is – de voorbeelden in dit nummer zijn evident, maar voor de meertaligen in ‘’n Brasa van talen’ is het eerder cultureel of sociaal: het gaat om hoe je je verhoudt tot je ouders en grootouders, tot je vrienden, tot de mensen op school of op werk. En tot wat je leest en schrijft. Maar dat taal niet voor elke schrijver comfortabel en natuurlijk is, onderstrepen onze auteurs wel. Aleksandar Hemon schrijft bijvoorbeeld (in de vertaling van Toon Theuwis): ‘Ik besefte dan ook dat ik de komende tijd niet in het Bosnisch kon schrijven, omdat de taal door de oorlog een richting uitging die ik niet kon bevroeden; en dat ik pas in het Engels zou kunnen schrijven als ik die taal even goed beheerste als een Engelstalige schrijver.’

Comfort kost tijd en inspanning. Michiel Driebergen beschrijft het meertalige Lviv (Lvov, Lwów, Lemberg), en noteert: ‘In Lviv word je alleen gezond oud als je verlies kunt accepteren, weet Boris Dorfman. “Dos lebn setzt zich fort waiter.”’ Dorfman is de laatste spreker van het Jiddisch in de stad, die zich wel bewuster wordt van de rijkdommen die meertaligheid biedt:

‘De stad stelt zich intussen meer en meer open voor de eigen veeltalige geschiedenis. Soms gebeurt dat vanzelf: op sommige plekken bladdert de verf van de muren, en dan verschijnen plotseling de winkelopschriften van de jaren dertig: “boter en melk”, “chocolade” of “hoeden te koop”: niet in het cyrillisch, maar in het Pools, Duits en Jiddisch. Een jaar of tien geleden werden de stadsbewoners er wat nerveus van, en schilderden ze vlug-vlug de reclames weg. Nu wordt de verf er behoedzaam afgekrabd, om de talen van weleer in ere te herstellen.’

Behoedzaam afkrabben dus, want taal is een ruttiaans vaasje, zij het niet zo broos als de waarheid. Ook in Armada: Zweeds in Finland, Armeens in Turkije, Afrikaans, Sami, Russisch-Duits, Jiddisch, en hoe literatuur ‘born translated’ wordt. Lees dat tijdschrift! (Via de Boekengids of armadawereldliteratuur.nl, dat even niet bijgewerkt lijkt te zijn.)

Een heel ander perspectief op meertaligheid vind je op Neerlandistiek.nl, de website die trouw over elke nieuwe Revisor bericht, maar ook over al het andere literaire en taalkundige. Waar in De Revisor volwassen schrijvers terugkijken of hun tweede taal terugvinden, komen hier bijvoorbeeld onderzoeken naar meertaligheid bij kinderen aan bod. Marc van Oostendorp vertelt daar bijvoorbeeld over. Leonie Cornips is ook een naam om te volgen, bijvoorbeeld in het artikel ‘Het alledaagse maar zo complexe verschijnsel meertaligheid’. Daar schrijft ze:

‘Het verschijnsel meertaligheid in Nederland van nu en vroeger is en was alledaags maar is sinds de negentiende eeuw ook zeer complex en gelaagd. Om meningen over taal en meertaligheid te kunnen nuanceren zou er in de samenleving meer begrip en kennis, en in alle lagen van het onderwijs meer aandacht moeten komen voor talige en sociale aspecten van meertaligheid: de samenhang tussen maatschappelijke ongelijkheid en de aandacht voor achterstandsdenken en de roep om de eentalige burger die alleen Nederlands spreekt, de beleving en talige vormgeving van nationale en sociale identiteit(en) en de daarmee gepaard gaande processen van in- en uitsluiting door diverse actoren zoals school, media en de sprekers zelf.’

Nuance en aandacht dus. Meer daarvan zie je ook in het nieuwe nummer van De Gids, dat als thema ‘Rotterdam’ voert (en ons eigen Rotterdamse redacteur opvoert). Kesia Smit schrijft daarin over hoe haar eigen moedertaal, het Sranantongo, overgenomen en verbasterd wordt door andere Nederlanders in een straattalige context. Er zit wat verdubbeling in deze illustratie, maar helder is het wel:

‘Het ene na het andere verhaal werd verteld door mijn collega’s, doorspekt met straattaal, om de verhalen extra “saus” te geven. Het woord pisi (dat “stukje” betekent) werd overmatig gebruikt in de verkeerde context. Bijvoorbeeld: Ben je een pisi boos? Een woord dat, zodra je het letterlijk vertaalt, natuurlijk niet klopt, maar kennelijk verward werd met “beetje”.’

In een andere context spreek je dan geloof ik van ‘cultural appropriation’. Interessant genoeg realiseert Smit zich tijdig dat Sranantongo feitelijk ook een mengelmoestaal was, een soort straattaal, en dat dit een natuurlijke taalkundige verandering is – waarin zij haar eigen weg moet vinden om het ‘Surinaamse deel van haar identiteit te koesteren en over te dragen’.

Behoedzaam lezen en oordelen, met nuance afkrabben – het lijkt wel literatuur. 22 april verschijnt ‘’n Brasa van woorden’.

(P.S. Ik schreef hier eerder over een essay van Sulaiman Addonia. Zijn roman verschijnt ook 23 april in de vertaling van Irwan Droog bij uitgeverij Jürgen Maas: Stilte is mijn moedertaal.)

Word abonnee van Armada of De Gids. Maar eerst van De Revisor!

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 5: Plaatsmaken.







Plaatsmaken

Nog steeds zwerf ik digitaal door Japan, nu in de regio Nagasaki. Daar struin ik door een themapark dat bestaat uit replica’s van Nederlandse gebouwen, samengevoegd tot een stadje omzoomd met nagebouwde polders. De tulpen staan in bloei (misschien bloeien ze onafgebroken of zijn ze van plastic). Bij de entree doemt een replica op van het Amsterdamse Centraal Station waar een luxe hotel in gevestigd blijkt te zijn. Even verderop ontwaar ik de Utrechtse Domtoren, een Amsterdamse gracht, de Oude Kerk van Delft en de Sneker Waterpoort, alles op een steenworp afstand van elkaar.    

Aan de rand van het park op een pad dat verder nergens naar toe leidt, vind ik het Amsterdamse Concertgebouw. Op de achtergrond zijn steeds de heuvels van Nagasaki in beeld, als enige constante in een landschap dat door elkaar gehusseld lijkt. De bekende gebouwen waarvan zelfs de bakstenen uit Nederland komen, stralen een vreemd soort vertrouwdheid uit. Ik krijg er haast de rillingen van om bekende gebouwen zo plompverloren bij elkaar te zien, als elementen uit een haperend geheugen, de brokstukken gehusseld tot een geheel dat zich niet verstaanbaar kan maken, een verwarde stad. 

 Afgezien van de vraag of mijn elastiek zich ooit laat oprekken tot aan Japan, vraag ik me af of het me zou geruststellen om tussen die vertrouwde elementen rond te wandelen. Het bekende in het vreemde zien kan er natuurlijk ook voor zorgen dat ik op mijn benen tollend van desoriëntatie mijn reis acuut moet afbreken.

Fietsend over de Stadhouderskade word ik ingehaald door een touringcar waarop in vette letters staat: DESTINATION MANAGEMENT. Achter de donkere ramen zie ik, afgezien van de chauffeur, geen gezichten. ‘Destination Management’ klinkt mij in de oren als iets dat te maken heeft met het organiseren van een lotsbestemming of een ‘laatste rustplaats’. Misschien komt het door de lockdowns en het grauwe weer dat mijn associatie bij het woord ‘bestemming’ niet zo zonnig is.

Eenmaal thuis zoek ik de term op en beland ik op verschillende Engelstalige websites met afbeeldingen van tulpen, tjalken en windmolens. Binnen enkele muiskliks komt steevast het Rijksmuseum en een uitzicht over de gracht in beeld. Misschien komt het door het Google-algoritme waarin ik verstrikt ben geraakt, maar het ‘Destination Management’ lijkt een oer-Hollandse, of Amsterdamse aangelegenheid. De service die wordt aangeboden behelst meer dan die van een reisbureau. Maar wat dat meer inhoudt, daar kom ik niet achter.    

De lucht zit dicht. Geen zon, geen regen. Ik lees ‘Langs de rivier’ van Esther Kinsky en wandel met de vrouw in het boek mee. De plekken waar ze wandelt komen tegelijk verlaten en drukbevolkt op me over. Ik volg haar langs de rand van de stad, langs onbedoelde uitzichten, vergeten bouwsels. Met elk hoofdstuk groeit het beeld van een onbestemde voorstad, een niet-plek. 

Door te wandelen door vreemde straten raak je er thuis. De bus nemen of fietsen heeft niet hetzelfde effect. Alsof het aanraken van de straat met je schoenzolen, een stempel is van je lichaam die zich herhaalt met elke stap. Hier was ik, en hier en hier en hier. Zo markeerde ik eens op de kaart mijn bewegingen door Berlijn om me sneller thuis te voelen. Met zwarte stift tekende ik een web. Toen het af was, sneed ik met een stanleymes mijn web uit de stad en stapte op de trein naar huis. 

De onbestemdheid van een niet-plek kan slinken onder je voetstappen, maar dan moet je er wel naartoe willen gaan. Gemeenten en projectontwikkelaars huren marketingspecialisten in om een verhaal te maken waarmee de niet-plek verandert in een bestemming, zodat mensen er graag een huis willen kopen. Dit proces heet ‘placemaking’. Om de betekenis van deze term te duiden, wordt vaak een dichtregel van Wendell Berry aangehaald: ‘if what we see and experience, if our country, does not become real in imagination, then it never can become real to us, and we are forever divided from it…’

Heb ik mijn verbeelding nodig om de werkelijkheid te kunnen zien? Ik kijk naar het Concertgebouw vanaf een brug over de Utrechtse Oudegracht. Schuin erachter de groene heuvels van Nagasaki, bebouwd met witte flats waar misschien iemand woont die ooit tijdens een rondreis door Europa zijn vertrouwde uitzicht terugziet in een vreemde stad.

*

 


Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

 

In het feuilleton ‘In het echt’ verkent Dorien de Wit gradaties van realiteit. Via surrogaatreizen op Google Street View, de glimlach van een deepfake en het bezoeken van een televisiedecor onderzoekt ze haar besef van tijd en plaats, beweegt ze tussen werkelijkheid en illusie, tast ze haar eigen grenzen af. Deze week aflevering 4: Grens.





Hoezeer ik ook kan verlangen naar een Parijse bakker, de wispelturige rukwinden op Land’s End of een wandeltocht over mistig Dartmoor – de opluchting dat ik daar nu niet naartoe kan is meestal groter. Ik reis het makkelijkst als ik mijn lichaam thuis kan laten.

Al jaren stil ik mijn reishonger via uitzichten van webcams en Google Street View. Daarbij geldt zelfs: hoe verder weg, hoe beter. Het liefst flits ik mezelf naar onherbergzame vlaktes diep in Mongolië, de gevaarlijkste straathoeken van Mexico-Stad of naar een bergkam op de Faeröer Eilanden. Plekken waarvan ik weet dat ik er in het echt niet naartoe durf, zijn het meest aanlokkelijk. Vandaag muisklik ik door een Boliviaans dorp in sepiatint, volg ik door stoffige straten een vrouw die zich met een vuurrode paraplu beschermt tegen de felle zon. 

Op een ander tabblad gooi ik een bestelling kattenbrokken in mijn digitale winkelmand. In het afrekenscherm trekt een advertentie mijn aandacht: een onzichtbaar hek. Dat klinkt als een magische afrastering, een vriendelijke manier om je dier in de tuin gevangen te houden. Zodra ik verder lees, begrijp ik dat het gaat om een halsband die stroomstootjes geeft zodra de hond of kat een tevoren gemarkeerd gebied, een tuin of erf verlaat. Een onzichtbare grens. 

Voor een echte reis moet ik ver voor vertrek obstakels overwinnen. Het is alsof ik met een elastiek verbonden ben aan thuis. De rekbaarheid van het elastiek verschilt van dag tot dag, van jaar tot jaar, maar het bepaalt mijn actieradius als een onzichtbare grens. Als ik het elastiek niet vaak genoeg oprek, wordt het strakker. Ik moet het dus af en toe onder spanning zetten, testen tot waar het reikt, en dan nog een stukje verder en hopen dat de rek er in blijft voor de volgende keer, als een paar stugge schoenen die eenmaal ingelopen niet meer knellen.

Het is niet altijd makkelijk inschatten, want het elastiek heeft zo haar eigen logica. Het gaat niet alleen om een hemelsbreed gemeten afstand. Plekken die goed bereisbaar zijn, lijken minder ver weg. Een stad waarvandaan elke dag vijf vluchten naar huis vertrekken, vind ik makkelijker te bereizen dan een eiland dat in kilometers dichterbij is, maar waar slechts één boot per week vaart. Bij de gedachte alleen al begint het knellen. En hoewel lange afstanden me nerveus maken, reis ik liever twee uur in een vliegtuig dan dat ik dezelfde afstand in twee dagen afleg per auto. In de lucht voelen de kilometers lichter, alsof het helpt dat ik niets hoef te zien of aan te raken van de wereld waarin ik me verplaats onderweg naar mijn bestemming. 

Op een kruispunt in Tokyo verspringt een verkeerslicht in grijstinten. Van bovenaf zie ik hoe een rij taxi’s van rechts naar links door het beeld zoeft. Daarna zijn de andere aan de beurt, elke auto trekt een lijn, beweegt in zijn eigen baan, horizontaal, verticaal, diagonaal. Maar ik wacht op het moment dat de voetgangers mogen. Ik heb het vaker gezien: even lijkt het beeld bevroren, daarna breken ze los van vier straathoeken. Ze stuiven het kruispunt over in alle richtingen, als ontsnappende mieren. De wegmarkering en zebrapaden negerend, ieder zijn eigen spoor trekkend. Het duurt maar een paar seconden tot het verkeerslicht weer verspringt. Altijd is er dan een laatste figuurtje rennend naar de overkant. 

Hierna begint de kruispuntdans opnieuw, alsof het voortdurend dezelfde mensen en dezelfde auto’s zijn die oversteken. De rechthoek in mijn beeldscherm is een postzegel in Tokyo, is de hele wereld. Ik ga naar bed en laat het tabblad met de webcam open staan. De hele nacht steken mensen over terwijl ik slaap.

*

Dorien de Wit tekent, schrijft, maakt korte films en ontwerpt (audio)wandelingen. Na de kunstacademie in Den Bosch voltooide ze de master Fine Art aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ze publiceerde poëzie, kort proza en essays in literaire en kunsttijdschriften zoals Hollands Maandblad, De Revisor, Liegend Konijn en Mister Motley. In 2017 won zij de Turing Gedichtenwedstrijd en in 2019 ontving ze de Hollands Maandblad Beurs (proza en poëzie).  Haar debuutbundel eindig de dag nooit met een vraag verscheen in februari 2021 bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Caroline Reeders, Bernke Klein Zandvoort: de redacteur las een opgewekt en opmerkzaam verslag van een ziekte en gedichten die leiden naar een wonderland dat heel werkelijk is.

*

Daan Stoffelsen: Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk & Caroline Reeders, U mag even plaatsnemen

Deze week las ik mannelijke schrijvers. Dat doe ik dus nog wel. Sander Kollaards eerdere verhalen zijn gebundeld met wat verspreid werk in De laatste dag van de koning, als een monument voor het schrijverschap van de Libris Literatuurprijswinnaar – heel chic van Uitgeverij Van Oorschot – en ik ontdek hem nu. ‘Ontdekken’ klopt niet helemaal natuurlijk, het is niet het eerste wat ik van hem las – dat winnende boek dus en zijn mooie brieven aan Roos van Rijswijk (lees Binnenpost), maar de flinters autobiografie en vooral de sebaldiaanse indirecte rede bevallen me erg. Ook: Ted van Lieshouts Wat is kunst? Begin een eiland…, dat geestig en informatief is en mooi gemaakt en genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs. Binnenkort meer op Athenaeum.nl.

Twee andere boeken heb ik net uit, en een derde sijpelt door mijn dagen heen, daar lees ik telkens wat in. Voor die eerste twee boeken is het dé week. Caroline Reeders neemt afscheid als mijn directeur bij Athenaeum Boekhandels (en wordt directeur bij AtlasContact), en Eva Meijer schreef het essay voor de Maand van de Filosofie. De week van Bernke Klein Zandvoorts essay valt in juni, als ze de Grote Poëzieprijs wint.

Hun stemmen zijn goed gezelschap, al voel ik me bij alle drie niet bevoegd uitgebreid over ze te schrijven, door de nabijheid en door gesprek aan expertise in de filosofie of poëzie. Maar dat geeft ook vrijheid en lucht. Ik kan gewoon blijmoedig citeren en zeggen wat ik mooi vind. Over Eva Meijer houd ik het hier kort, want op Athenaeum.nl schrijf ik uitvoeriger. Dit vind ik mooi:

‘Als we bijna bij het huisje zijn vliegen ganzen over – een soort zegening. Ik wijs Doris erop, maar haar interesse ligt lager, en ze heeft gelijk, daar gebeurt ook van alles, er liggen zandhopen en naalden en eikels. En gevallen bladeren, die zijn ook een zegening, konden wij maar verkleuren, ik zou het elk jaar doen.’

Mee-verkleuren zou ook natuurlijk beter kloppen: het licht en de temperatuur doen zoveel met een mens, net als iets terugkerends als een voorbijrijdende trein of een ingrijpend incident als een dodelijke ziekte. Vanbinnen of verborgen gebeurt er van alles, waarom mag je dat niet zien?

*

Uit ‘De ander’, uit Veldwerk:

‘in een bed naast de spoorlijn waar treinen overdag
elk kwartier een stilte raasden door onze gesprekken
daar waren we op gestemd
toch werd in die stilte elke keer de ander als een ander zichtbaar’

Het is moeilijk kiezen uit Klein Zandvoorts bundel, gedicht na gedicht leidt ze me regel na regel door een wonderland dat heel werkelijk is. Hier: het gegeven dat je pauzeert als de trein voorbijkomt, is mooi. Het stemmen is sterk, ook in deze ellips: afstemmen is natuurlijker maar minder rijk aan associaties. En dan dat die stilte ruimte maakte voor een groot ongemak, je uit de vertrouwdheid van die ander haalde. Ze gebruikt geen ingewikkelde woorden, maar ze herhaalt wel en suggereert al zo die dubbelheid, die splitsing. Maar ze gaat in de rest van het gedicht verder, de ik is bang niet te kunnen vertalen, poetst weg, stelt scherp en wacht – om in een scène van heel kort geleden uit te komen die het hier beschreven effect dieper onderzoekt. Geweldig. (Op Athenaeum.nl staan drie (andere) gedichten voorgepubliceerd, en wordt er een voorgelezen.)

*

Toen ik Caroline Reeders’ bundel korte, literaire updates van haar ziektegeschiedenis las, had ik net Anne Boyers schrijnende, woedende, pijnlijke kankerboek Het ontsterven gelezen. Die boeken zijn niet te vergelijken, hun medische dossiers ook amper geloof ik. Reeders is opgewekt en opmerkzaam, en ze geeft en passant uitstekend advies. ‘Ik wil mezelf en anderen niet te lang gijzelen in een interactie over mijn gezondheid,’ schrijft ze, en stelt vast:

‘Eigenlijk is de beste vraag, zo ontdek ik, een simpele vraag met een korte horizon. Hoe gaat het vandaag? Ik leer snel dat je altijd kunt antwoorden alsof de vraag zo is gesteld.’

Er is een alinea waarin ze voor de spiegel (Klein Zandvoort schrijft: ‘met de blik van een buitenstaander kijk ik in de spiegel
naar mijn gezicht / naar de tekening van tijd / waar ik zelf nooit bij lijk te zijn geweest’) staat, en beschrijft hoe haar bovenlichaam gekleurd en getekend is door de operatie en behandelingen. Die alinea voelt te pijnlijk persoonlijk om hier te citeren. En er is een hilarische ‘eenakter’ waarin C, de ‘Cone beam scan’ in dialoog gaat met R, de radiotherapeutisch laborant (‘C: Whhhhhuuuuuu… wukwukwuk… whuu hu hu hu huh… R: Nog ietsjes.’). Ze wisselen de ervaringen en levenslessen af die de kern vormen van U mag even plaatsnemen, een boek dat licht en optimistisch mag eindigen – als het betere afscheid.

Nijgh & Van Ditmar gaf U mag even plaatsnemen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Querido gaf Veldwerk uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.