In ons themanummer 10 leugenaars (#17, 2017, nog steeds te koop) leverde Bernke Klein Zandvoort de twaalfde bijdrage. Een essay over dreiging en vandalisme, werkelijkheid en waarheid. Vandaag halen we ‘Non-fictie en het andere verhaal’ uit het archief.

*

Vandaal (1778) – naam van een Germaans volk, ‘zij die rondzwerven’, waarin Germ. stam wandal voorkomt, ook in wenden en wandelen.
Vandalisme (1794) – term door een Franse bisschop bedacht om de reacties van het Parijse ‘gepeupel’ te kenschetsen tijdens de Franse Revolutie, die hem deden denken aan de stelselmatige plundering van Rome door de Vandalen in 455.
Vandalisme (1825) – het uitdooven van kunde, en het terugbrengen van barbaarschheid, verwoestinggeest.
Vandaal (2017) – iem. die zich schuldig maakt aan vandalisme.[1]

Mijn voordeur midden in de nacht, vijf jaar geleden: Bitch! You! Open the door! You think you can come to Tottenham, being all white, without paying up?
Als ik niet open zou doen, zouden ze terugkomen, werd er met veel volume gedreigd. De groep mannen, misschien waren het jongens, heb ik niet kunnen zien. Ik hoorde ze alleen. Met platte hand werd er op mijn deur geramd, series harde slagen met korte tussenpozen. Bewegingloos lag ik in bed te luisteren, te verkrampt om mijn telefoon te pakken. ’s Ochtends trof ik buiten een kleine ravage aan. Twee fietsen bleken gestolen, er waren gaten in het metalen hek geknipt, containers kapot getrapt. Op het politiebureau werd een aantekening over vandalisme gemaakt, meer kon er met mijn flarden informatie niet worden gedaan. Moe en nog steeds een beetje bang liep ik terug naar huis. Ik was gezien, maar ik wist niet door wie en wat dat betekende. Alsof ik me tegen iets moest wapenen, keek ik onwillekeurig iedereen op straat aan. Een jongen keek net iets te lang terug. Of deed hij dat omdat ik hém zo aanstaarde? Elke man die mijn kant op kwam, een vrouw die tegen me aan botste – iedereen was verdacht, iedereen werd deel van mijn schimmig scenario.
Tottenham, een wijk in Noord-Londen. Ik was er een jaar na de rellen van 2011 komen wonen. In mijn straat bedekten spaanplaten schots en scheef over elkaar getimmerd nog de uitgebrande ramen van een paar gebouwen, maar op zoek naar een nieuw huis was het mijne mooi en groot en goedkoop geweest. Bovendien vond ik dat ik best eens in een andere omgeving kon wonen dan de gemoedelijke woonwijken vol speeltuinen en groenstroken, gegund aan maar een dun reepje van de wereldbevolking. Hier zaten de stoepen vol gaten opgevuld met dikke klodders cement. Te zien vanuit mijn raam: een Poolse supermarkt, twee Somalische kappers, een pawnshop, een wedkantoor en op een blinde muur om de paar weken een andere billboardreclame. Drie weken lang heeft House of Cards recht mijn woonkamer ingekeken. Eenentwintig dagen de valse glimlach van Frank Underwood, het gezicht van een doorgewinterde leugenaar.

Ik ben een slechte leugenaar.

‘Je bent zo eerlijk als het schelle licht van de Maoz op de hoek van het Muntplein,’ omschreef een vriendin het eens. Ik lachte om het beeld, maar begreep waar ze op doelde. Eerlijk zijn is een kernwaarde in mijn familie. Het is synoniem aan volledige transparantie. Eerlijk zijn betekent, dat het selectief weglaten van delen van een verhaal, het vertellen van de halve waarheid is. En een halve waarheid is géén waarheid. Als je niet de hele waarheid vertelt, zo is de redenering, wordt automatisch de vertelde waarheid gediskwalificeerd.
Lang heb ik daarom gedacht dat het weglaten van informatie, liegen was. Maar in het leven dat buiten het tuinhek van mijn ouderlijk huis begon, zou die redenering aan het wankelen worden gebracht. Ik zag dat een roman, een gedicht of essay, vormen van vertellen zijn waarin heel veel niet wordt gezegd. Ik zag dat de verhalen die we over onszelf, over persoonlijke en gedeelde verledens vertellen, optellingen zijn van wat is weggelaten. Is het niet meer dan te verwachten dat daar vervolgens ficties insluipen?

De woorden

Een leugen is het negatief van de waarheid, een onwaarheid. Dat klinkt een beetje als een formule, (onwaarheid = waarheid x –1), maar veel meer over wat een leugen is, weet ik dan nog niet. Om daar dichterbij te komen, moet ik weten wat waarheid is, de variabele in de formule.
Wanneer iemand het over ‘de waarheid’ heeft, zie ik onopzettelijk een vorm opdoemen, een blob in de ruimte. Het doet zich voor als iets absoluuts, als iets dat niet alleen in je eigen hoofd afspeelt, en dat klopt ook wel als ik naar de vroegste betekenissen van het woord kijk: juist, echt, en werkelijk, feitelijk[2]. Als ik nog iets verder inzoom, zie ik dat ‘waar’ en ‘woord’ uit dezelfde stam zijn gegroeid. Feitelijkheid en woorden zijn dus in hun wortels met elkaar verbonden. Wat in woorden gezegd of geschreven wordt, is waar, lijkt die verstrengeling te zeggen. Lijkt, en daar ligt volgens mij precies het probleem.

Terug naar Tottenham, naar de rellen van 2011. Winkels en banken werden met stenen ingegooid, geplunderd en in as achtergelaten. Mensen renden over straat met plasmaschermen, sportschoenen en stapels kleding. Van auto’s bleef niets over dan hun metalen karkassen, ook bij mij in de straat, zou ik later op videomateriaal zien. Gezichten gewikkeld in bandana’s maakten brandende barricades. Samen met buurtbewoners van verschillende afkomst, jouwden de bandana’s de politie uit. Murderers! Murderers! klonk het in de straten, terwijl in de luwte van de tuinen in alle rust kledingstukken werden uitgeruild, de eerste laptop voor 20 quid werd verkocht.

De rellen in Tottenham gingen via artikelen, tweets, foto’s en video’s de wereld over als een uitbarsting van hebzucht en vandalisme. Schorriemorrie van de bovenste plank, dat was het, tuig dat zo nodig stennis moest schoppen. Dat is geen leugen, maar ook niet de hele waarheid.
Ik moest denken aan de Vandalen, het volk dat de geschiedenis in ging als barbaarse plunderaars, omdat ze na hun overmeestering van Rome, als zodanig door de Romeinen opgetekend werden. Alles wat dit volk nog meer deed, bijvoorbeeld dat ze in verhouding juist heel veel van de Romeinse cultuur bewaarden, werd weggelaten, kwam in het wit tussen de woorden terecht. Zoals in een kinderdagboek waarin alleen de slechte dagen je tot schrijven motiveerden, vertroebelde het beeld, sloop er fictie tussen de feiten, sloop de fictie in het woord ‘vandaal’.
Weggelaten uit de Tottenham-vertelling is de voortslepende armoede in die straten, waarbovenop de regering het jaar ervoor nog eens honderden banen in die wijk had geschrapt, het schoolgeld verhoogde, jeugdwerkers had weggesaneerd. Andere missende informatie: de dood van Mark Duggan, door twee politieschoten om het leven gebracht.

Twee schoten, drie verhalen

  1. Onder de naam Operation Trident onderzocht een afdeling van de Metropolitan Police wapencriminaliteit in de zwarte gemeenschap in Londen. De 29-jarige Mark Duggan was verdacht en werd afgeluisterd, waardoor het bekend was dat hij die bewuste donderdag met een zojuist gekocht wapen in een taxi Tottenham binnenreed. Politiewagens snoerden de taxi in, Duggan opende het portier, zette het op een rennen en werd met twee schoten om het leven gebracht.
    De officier, V53 wordt hij in de rapporten genoemd, vertelt de jury later dat hij er zeker van was dat Duggan een wapen in zijn hand had – I was only focussing on the gun. Hoewel het in een sok zat, kon hij de vorm van het wapen goed onderscheiden. De eerste kogel raakte Duggans borst, het lichaam kromp ineen. Omdat het pistool in Duggans hand bleef (I-was-only-focussed-on-the-gun), schoot V53 nog een keer, dit keer in Duggans arm. Het achterover vallende lichaam werd door de andere officiers omsingeld. V53 kan ondertussen het wapen nergens meer vinden. Het wordt uiteindelijk meer dan zes meter verderop gevonden aan de andere kant van een hek. Geen van de officiers, allemaal getraind om ogen op het geweer te houden, hebben het door de lucht zien vliegen.
  2. Mark Duggan – kledingverkoper, verloofd, drie kinderen – had twee relatief kleine veroordelingen voor het bezit van cannabis en handel in gestolen goederen op zijn naam staan. Die donderdag kocht hij een wapen met één kogel die er in een schoenendoos bij geleverd werd. Duggan wist dat hij werd gevolgd, want vanuit de taxi stuurde hij een sms Trident have jammed me. Vijf seconden voordat de taxi werd gestopt, tien seconden voor hij werd neergeschoten, sprak hij nog door de telefoon.
    Een forensisch patholoog stelde vast dat eerst de arm werd geraakt. De tweede kogel kwam onder een steile hoek in het lichaam terecht, dus toen Duggan al aan het vallen was. Duggans DNA werd niet op het pistool gevonden, noch op de sok. De trekker was nooit overgehaald. Een ooggetuige zag Duggan met a shiny object, een telefoon, de taxi uitkomen. De verklaring is nooit bevestigd.
  3. Vier dagen na de dood van Mark Duggan heeft de familie nog altijd geen verklaring gekregen. Samen met een menigte buurtbewoners verzamelen ze zich bij het politiebureau om te protesteren, antwoorden op te eisen. Als die niet komen, richten twee mannen hun woede op het eerste object in hun nabijheid, een politie-auto. Ondertussen verdeelt een jongere, agressieve groep zich met jerrycans en vuurwerk over de straten. Onder hen rommelt het gerucht dat een zestienjarig meisje door de politie met knuppels zou zijn neergeslagen. Of het gerucht waar is, is niet te achterhalen en maakt voor het verloop van de gebeurtenissen niets uit. Het rumoer werkt als katalysator. In een Youtube filmpje dat brandende auto’s laat zien en hevige gevechten, hoor je iemand over het beeldmateriaal heen schreeuwen ‘Didn’t you see the girl getting roughed[3] by the Feds, man? Come on!’[4]

Samurai-krabben

Ongeveer een jaar later vierde ik mijn verjaardag. Het was de avond voor het incident, klasgenoten waren gekomen, er werd gedanst, hard gelachen, de ramen stonden wijd open – ik had nog nergens erg in. Ik was al maanden gewend aan Tottenham, ging op in het buurtleven. Leerde okra koken, areppa’s eten, fietste via een aaneenschakeling steegjes het laatste stukje van mijn route terug naar huis.
Maar de dagen na het incident wist ik niet meer zeker of ik hier wel kon blijven wonen. Op straat bleef ik daarom iedereen recht in het gezicht aankijken, in de hoop dat het me antwoorden op zou leveren. Een groep jongens hing slaperig tegen een stapel dozen, anderen waaierden midden op de weg rond een grote geblindeerde auto. Op de hoek predikte een man het einde der tijden door een megafoon. Dat deed hij vaker in de weekenden, maar nu werd iedereen personage, en zijn apocalyps moeiteloos deel van mijn verhaal. In het volle daglicht was zich een fictie aan het ontspinnen. Beetje bij beetje voelde ik hoe mijn beweegruimte werd ingenomen door angst.

Ik moet denken aan de samurai-krab, waarover Carl Sagan vertelt in een van de afleveringen van zijn serie Cosmos. Een verademing, deze serie uit de jaren tachtig, tegenover alle hedendaagse natuurdocumentaires waar de oceaan wordt voorgesteld als een plek met een soundtrack en een plot. Sagan legt uit dat toen de samurai van een bepaalde clan een oorlog dreigden te verliezen, ze zichzelf niet aan de vijand, maar aan zee overleverden. De jaren erna ging het verhaal dat de samurai nog op de zeebodem voortleefden, en soms dacht men in het rugschild van een krab het gezicht van een samurai te zien. Als zo’n krab op het dek van een visser terecht kwam, werd die niet zoals andere krabben voor consumptie bewaard, maar terug het water in gegooid. Als gevolg van kunstmatige selectie is zo door de eeuwen heen de perfecte samurai-krab ontstaan, besluit Sagan, het boze gezicht steeds scherper in het schild getekend. Door te selecteren hielden de vissers het verhaal in stand.

Stond Mark Duggan tegenover V53 met een wapen in zijn hand? Het was waar voor V53. Een voorgeprogrammeerde gedachte vervormde de werkelijkheid.
Was het gerucht over het meisje dat zou zijn neergeslagen door de politie waar? Het is nooit bewezen, maar het verhaal leidde als een aansteeklont naar de feiten.

Ik wist dat ik op een soortgelijke manier ten prooi was gevallen aan kunstmatige selectie, de dagen dat ik unheimisch door mijn buurt liep, m’n voordeur achterdochtig van het slot draaide. Maar het maakte niet uit dat ik dat wist. Het was even realistisch. Ik wás mijn adrenaline, m’n angst, de flarden informatie die ik had, en vooral: alle informatie die ik níet had.
‘When you are in the middle of a story it isn’t a story at all, but only a confusion,’verwoordt Margaret Atwood het zo mooi, ‘a dark roaring, a blindness, a wreckage of shattered glass and splintered wood; like a house in a whirlwind, or else a boat crushed by the icebergs or swept over the rapids, and all aboard powerless to stop it. It’s only afterwards that it becomes anything like a story at all. When you are telling it, to yourself or to someone else.’ [5]

Het is pas nu, vijf jaar later, dat ik mijn herinneringen aan Tottenham als een verhaal kan ontvouwen en daarbij een beetje kan zien wat werd weggelaten.

Hoe ik in de spiksplinternieuwe Aldi om de hoek, niet zag dat daaronder de oude was afgefikt.
Hoe tot die bewuste nacht van mijn verjaardag het sireneblauw dat alle weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal, nooit het mijne.
Hoe een klasgenoot met haar borsten dronken uit het raam, de aandacht van een groepje dealers probeerde te trekken. Dat de voordeur van mijn appartementencomplex open bleef staan.
Hoe het sireneblauw dat in de weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal.

Dat mijn verhaal zich afspeelde binnen andermans verhaal, waarin nieuwe mensen oude gebouwen opkopen, white privilige met opgerolde yogamatjes door de straten fietst en 4 pond voor een brood of koffie neer wil leggen. Waarin ik wel even in een ‘echte’ wijk zou wonen en er met hetzelfde gemak weer kon vertrekken, terwijl anderen er heel non-fictie nooit uit weg zouden komen. Hoe ik nu met ‘raw material’ een verhaal kan schrijven. Een verhaal gemaakt van woorden, die stuk voor stuk gewoontes hebben en zich thuisvoelen tussen andere woorden. Woorden die samen een uitsnede maken, waarbinnen ik nog steeds niet goed weet wat liegen is, maar wel kan zien dat het onbegrip alleen maar verder is uitgedijd, nu ik schrijf.

[1] Etymologisch woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
Vandalisme, E. Sanders, nrc november 1994
De Vandalen, Wikipedia
Vandaal, Van Dale, Van Dale Uitgevers, 2017
[2] Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
[3]  Roughed = ruw bewerkt
[4] Mark Duggan’s death: two shots fired and two conflicting stories, The Guardian, januari 2014
Tottenham riots: a peaceful protest, then suddenly all hell broke loose, The Guardian, augustus 2011
[5] uit Alias Grace, M. Atwood, Little Brown UK, 1997

Bernke Klein Zandvoort debuteerde in 2010 in De Revisor, werd in 2017 redacteur, en vertrekt deze zomer. We gaan Bernkes enthousiasme, creativiteit, zorgvuldigheid en betrokkenheid enorm missen — maar we kijken ernaar uit nieuw werk van haar te lezen, te beginnen in het najaarsnummer (abonnees krijgen dat nummer automatisch).

Het was een bijzondere ervaring tijdens de presentatie van ‘onze’ eerste Revisor in 2010: direct na het optreden van onze poëziedebutante Bernke Klein Zandvoort snelde de redacteur van Uitgeverij Querido op haar af. Bij die uitgeverij verscheen haar debuut Uitzicht is een afstand die zich omkeert (Debuutprijs Het Liegend Konijn, nominaties C. Buddingh’-prijs en Jo Peters Poëzieprijs), en dit jaar Veldwerk (nominatie Grote Poëzieprijs). In 2017 werd ze onze poëzieredacteur, en nu zwaait ze af. Ze schrijft daarover in het Redactioneel van ons zomernummer (verschijnt 27 juli, reserveren kan al):

‘Na vier jaar redacteurschap heb ik besloten meer tijd vrij te maken voor mijn eigen werk. Ik zal De Revisor altijd blijven volgen en voel grote dankbaarheid voor alles wat ik heb geleerd en naar mijn collega’s in het bijzonder, die met onnoemelijk veel aandacht, ambitie en precisie dit tijdschrift maken.’

Bernkes werk bij De Revisor is voor een deel terug te lezen op onze site.

Haar tijdelijke vervanger is Lotte Lentes. Zij schrijft proza en theater. In 2017 verscheen haar bundel Een tweede keer kijken. Ooit zat ze in de redactie van het legendarische tijdschrift Das Mag, momenteel werkt ze aan haar debuutroman die zal verschijnen bij Uitgeverij Cossee.

 

Marian Engel, Olivia Laing: de redactie las een fascinerende roman, losgezongen van de bekende werkelijkheid, en een intelligent, vloeiend, raak en geestig essay over het lichaam en het politieke.

*

Thomas Heerma van Voss: Marian Engel, Beer

Alles wat uitgeverij Koppernik uitbrengt wil ik lezen. Niet alleen omdat de boeken van zo’n hoog niveau zijn, ook omdat ze er zonder uitzondering prachtig uitzien. Misschien had ik Beer dus nooit opengeslagen als het bij een ander fonds was verschenen, en als het niet met dit prachtige omslag nu, decennia na oorspronkelijk publicatie, voor het eerst was verschenen.

Die uitgave, in de vertaling van Barbara de Lange, riep bij mij trouwens wel de behoefte op aan een kort voor- of nawoord: waarom werd dit boek uitgerekend nu uitgegeven? Omdat het gaat over een zelfstandige vrouw die haar eigen route kiest, omdat het op die manier past bij sommige feministische literatuur? Omdat de natuur zo’n grote rol speelt? En hoe verhoudt het zich tot de rest van het werk van de Canadese Marian Engel, werd dit goed ontvangen, waren mensen geschokt door de relatie die de hoofdpersoon met een beer ontwikkelt?

Ik heb nog steeds geen idee, en ik zou een en ander natuurlijk best alsnog kunnen nazoeken – maar hoewel ik die behoefte zeker heb, gevoelsmatig past dat ook weer niet helemaal bij Beer. Want dit is een fascinerend verhaal dat zich af lijkt te spelen buiten de alledaags werkelijkheid. Eigenlijk laat deze roman zich het beste omschrijven als een sprookje, slim en geestig verteld, en het knappe: ondanks de zeer onwaarschijnlijke premisse volkomen geloofwaardig. We volgen een schuchtere, teruggetrokken bibliothecaris, die gewoonlijk ‘als een mol’ leeft, zoals de eerste zin al vermeld – ongetwijfeld is het opzet dat er meteen een klein, ondergronds dier wordt genoemd. Ze krijgt de opdracht de bibliotheek van een zeer afgelegen landhuis te inventariseren. Een opdracht van maanden, al ontdekt ze ter plaatse snel dat het helemaal niet zo veel werk is en dat de collectie ook niet zo veel voorstelt.

Maar als dat eenmaal tot haar doordringt, is ze al bezig haar verblijf te rekken: ze raakt gefascineerd door de beer die in de achtertuin woont. Ze voedert hem, aait zijn vacht, gaat op den duur met hem zwemmen, laat hem toe in huis. Heel vanzelfsprekend en zakelijk wordt die band beschreven, maar Engel slaat regelmatig een komische terzijde in en gebruikt toch geen enkele overbodige alinea. Wat mij vooral aansprak: het karakterloze van die beer. Gedurende de hele roman blijft het in het midden wat hij van haar vindt. Of hij blij is met haar aanwezigheid, onverschillig – ze vermoedt weleens dat hij verdrietig is, en vooral oud en log, maar ze beseft ook dat al die emoties projecties zijn.

‘Zijzelf had geen idee wat dieren dreef. Het waren levende wezens. Het waren geen mensen. Ze nam aan dat hun functie werd bepaald door de omvang, vorm en complexiteit van hun hersenen. Ze nam ook aan dat ze een vaag, flakkerend onverwoord geestelijk leven leidden.’

Tot aan het einde toe had ik ook geen idee, op de achtergrond blijft er sudderende dreiging vanuit de beer, ook al doet hij eigenlijk niks. Evenmin kreeg ik écht gevoel voor wat de hoofdpersoon bewoog of voelde. En toch ging ik helemaal mee in deze onvoorspelbare en onmogelijke dynamiek, losgezongen van de werkelijkheid zoals ik die kende. Een roman die nog lang door mijn hoofd zal gaan.

Koppernik gaf Beer uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Olivia Laing, Everybody: A Book About Freedom

Zo kan je ook schrijven over het fysieke: niet de focus op het lijfelijke, niet de meezwellende taal, niet de overtuiging dat lichaam en geest onscheidbaar zijn, iets waar je een hele Revisor (‘Huid’!) al mee kunt vullen, maar aandacht voor het politieke van het lichaam. Dit is, schrijft Olivia Laing in haar intelligente, vloeiende, rake en geestige zesde boek Everybody: A Book About Freedom (de vertaling van Henny Corver verschijnt dit najaar) de ‘essential Reichian dynamic: that the political world can make bodies into prisons, but that bodies can also reshape the political world’.

Dat vergt toelichting. Reichian bijvoorbeeld: Wilhelm Reich (1897-1957) was een uiterst getalenteerde leerling van Sigmund Freud, die boeken schreef als Die Sexualität im Kulturkampf (The Sexual Revolution), Die Massenpsychologie des Faschismus, The Bioelectrical Investigation of Sexuality and Anxiety en The Discovery of the Orgone. Eerst individueel, gericht op seksualiteit, steeds geëngageerder, met oog voor maatschappelijke achtergronden van psychische problemen, en uiteindelijk, in ballingschap, overtuigd van een seksuele levensenergie, orgon. Een fascinerende man, geniaal en gek, die in Laings boek regelmatig terugkeert en waarmee ze continu in gesprek gaat.

Reichs werk beïnvloedde veel denkers en schrijvers van de twintigste eeuw, en brengt Laing op een onderzoek naar het lichaam en hoe het beperkt wordt. Naar ziekte, naar seksualiteit, geweld, gender, gevangenschap, racisme, maatschappelijk protest en politionele reactie. Heel overtuigend mengt ze haar eigen geschiedenis – ze praktiseerde ‘herbal medicine’, kwam uit een homoseksueel gezin, maakte deel uit van radicale protestacties, identificeert zich als non-binair – met die van de bevrijdingsbewegingen van de twintigste eeuw, de bewegingen die onder groeiende conservatieve en radicale druk nog steeds relevantie hebben. De lichamen van mensen met een andere seksualiteit, gender of kleur dan die van de witte heteroman worden nog steeds gezien, onderscheiden en onderdrukt. Laing reist mee met Wilhelm Reich, maar ook met Nina Simone, Christopher Isherwood, Andrea Dworkin, Sigmund Freud, Susan Sontag, Marquis de Sade en Malcolm X. Maar ze introduceert ook kunstenaars van wie ik niet eerder hoorde, zoals Ana Mendieta en Agnes Martin en Philip Guston.

Ongetwijfeld heb ik als classicus en selfmade recensent niet de juiste achtergrond om Laings analyses op waarde te schatten, maar ze overtuigt me, en ze schrijft mooi en raak. Over Sontag en haar ziekte, fysiek en identiteit: ‘It was painful, also humiliating, this submergence of her self, her real being, into the passive, damaged body of the patient.’ Ze citeert Audre Lorde over ziekte en levensgeschiedenis: ‘Each woman responds to the crisis that breast cancer brings to her life out of a whole pattern, which is the design of who she is and how her live has been lived.’

Over onveilige seks schrijft ze:

‘We were feminists who’d cut our teeth on riot grrrl fanzines, still somehow incapable of saying put a condom on, not just out of embarrassment but because the present-tense surrender as so conclusive it thrust the future out of existence. […] We knew only an idiot would have unprotected sex, but that didn’t answer the onging conundrum, which is that the sex was better, it’s just that the life that followed was palpably worse, at least for one member of the experimental unit.’

‘Present-tense surrender’ is prachtig prozaïsch gezegd en ‘one member of the experimental unit’ benadrukt raak hoe de vrijheid van de seksuele revolutie (die van de jaren zestig, niet die van Reich) ongelijk verdeeld is.

Ze laat ons kennismaken met de vooroorlogse seksuoloog Magnus Hirschfeld, en besluit een alinea minstens zo geestig:

‘These interviews revealed such a diversity of sexualities, not to mention differences in genitalia, that Hirschfeld’s belief in the existence of anything so simplistic as two genders was eroded. No, the line between male and female, straight and gay was decidedly blurred. In 1910, he calculated that there were forty three million possible combinations of gender and sexuality, a near-infinite spectrum of human possibiliy that goes far beyond our own era’s tentative acceptance of gender and sexual fluiditiy. Imagine telling J.K. Rowling.’

En vertelt hoe zijn boeken door de nazi’s verbrand worden, en verbindt zo ideologie en gewelddaad: ‘Eugenics regards the human race as a kind of library, some volumes of which need to be removed from circulation.’

Ze leest Angela Carter over De Sade met instemming: ‘You don’t have to foreclose on erotic possibility just because you’d like to leave the bedroom with your limbs intact.’

We zijn dan nog niet op de helft van het boek. Ze laat zien hoe Reich eenzamer wordt en de vrijheid uiteindelijk zoekt in de ‘orgone accumulator’, een bizar soort kist waarin je levensenergie vrij kan stromen. Een gevangenis om in vrij te worden. Ze gaat door tot ruim na de Tweede Wereldoorlog met het aanwijzen van hoe lichamen en politiek botsen, hoe onvrij je kunt zijn als je anders bent of anders streeft. Ze ziet de paradoxen, hoe de bewegingen van de twintigste eeuw gestopt en omgekeerd werden, al in de jaren dertig, of in de Verenigde Staten onder Trump, ze ziet vernietiging en hoop. Everybody is een ontzettend rijk boek, zo’n boek dat je in vertaling gewoon gaat herlezen om meer te leren.

Everybody is uitgegeven door Picador, en te koop bij bijvoorbeeld Athenaeum Boekhandel. De vertaling van Henny Corver verschijnt bij AtlasContact.Meer informatie via Laings site.

Nieuw proza bij De Revisor: Levi Jacobs’ verhaal ‘Zullen we zo omkeren?’. Levi Jacobs is advocaat. Verhalen van hem verschenen in De Gids, Kluger Hans, Deus ex Machina, Liter, deOptimist en Tijdschrift Ei.

*

Nog niet weten dat je gaat sterven. Een doktersbezoek: een kantoorruimte in een ziekenhuis, haar naast me hebben, een arts in vrijetijdskleding daar tegenover, geen koffer met stethoscoop, geen witte jas, maar een stapel papieren in een plastic hoes. Uitslagen, scans, rapporten. Slecht nieuws weglachen. Het positief proberen te bekijken, zelf een oplossing aandragen. Haar troosten. Aanhoren dat het goed mis is. Overwegen dat artsen cynisch zijn uit zelfbescherming.

Een laatste dag op werk: om 08.35 loop ik kantoor binnen. Ik schrijf een overdrachtsnotitie voor de lopende zaken. Breng cliënten op de hoogte van mijn tijdelijke vertrek. Voer een laatste voortgangsgesprek met de twee partners voor wie ik werk. Ik draag een maatpak.
Ik zeg: ‘het betreft een tijdelijk ziekteverlof.’
En: ‘maak je daar vooral niet druk om.’
En: ‘dat hoger beroep doe ik na de behandeling.’
En: ‘we houden contact.’
Men raadt me aan te wandelen. Ik ga naar het bos. Staar naar de grond gedurende de 7 km die ik loop. Ik verdenk de advocaat die een van mijn zaken overneemt ervan slordig te zijn en een belangrijk detail over het hoofd te zien. Ik bel met mijn werk.
Overdag tel ik de uren af tot een sportuitzending begint. Verzin een ambitieus verbouwproject. Eindig lusteloos op de bank. ‘s Nachts lig ik wakker.
In de maanden die volgen verslechtert mijn gezondheid. Ik realiseer me dat ik niet meer ga werken.

Ik zit vaak op het bankje voor de deur. Daar schijnt de zon vanaf een uur of twaalf in de middag. Eerst lees ik de krant, maar na een tijdje houd ik daarmee op. Het lezen is te inspannend. Er is om me heen genoeg te zien.
Sjoerd komt langs met zijn baasje. Sjoerd is een Engelse Buldog die zijn twee voorpoten op mijn dunne benen zet en me kwijlend aanstaart. Ik sla brokjes in voor het dier. Iedere dag slikt de Buldog de brokjes zonder kauwen door.
Een meisje in de buurt heeft kanker. Haar ene oog is dicht gehecht. Ze is kaal. Eerst zie ik haar binnen zitten, voor het raam, naar buiten kijkend. We maken iedere dag oogcontact en glimlachen naar elkaar. Ook zij is gek op de Buldog, die tegen haar raam op springt.
In juli speelt het meisje buiten. Ze heeft wat haar. Gaat naar school. Met één oog kan ze prima zien.
Bij regen haal ik een frisse neus onder de deurluifel. De man met de wandelstok en honkbalpet is niet minder vrolijk. Volgens hem is het altijd een mooie dag, weer of geen weer. Ik stoor me daaraan.

Gedwongen in overweging nemen: nalatenschap, euthanasie, invulling komende dagen, weken, maanden, ik zeg jaren, maar men begint te zwijgen. Mijn hoofd schudden: het te vroeg vinden deze zaken te bespreken. Onder druk van de arts overstag gaan.
De arts meerdere keren per week spreken. Hem op het hart drukken dat het weloverwogen, rationeel, tegen mijn geliefden aangehouden is. Nog geen datum en een tijdstip afspreken, wel een voorstelling maken van de dood die intraveneus zijn intrede doet. Galgen-advocaten-humor voor gevorderden: ik teken mijn eigen doodvonnis.

We lopen over het strand. Het is ochtend. Een grijze lucht breekt open, alsof de wolken een blauw gat in worden gezogen. De zee wordt aangeraakt door een strijklicht dat je normaal alleen in bossen ziet, als lichtbundels die op een podium vallen.
Ze zegt: ‘mooi he?’
Ik zeg: ‘ja.’
We lopen dit stuk elke dag, alleen steeds korter. Ik ben altijd al een spelbreker geweest, maar nooit zo erg als nu.
Ik zeg: ‘zullen we zo omkeren?’
Ze verbloemt haar teleurstelling met het woord ‘tuurlijk’ en een gulle glimlach, die voortkomt uit een vage herinnering aan hoe we vroeger van Scheveningen naar IJmuiden liepen. Ik bewonder haar omdat ze eigenlijk nog even wil wandelen; ik ben veranderd, zij niet.
Verderop: ‘ik ben moe.’
We gaan even zitten. Het zeezicht is nauwelijks veranderd. Misschien iets meer schaduwen.
Ze zegt: ‘kom hier,’ en pakt mijn hand vast. Mijn duimnagel is gebroken, staat op scheuren. Ze bijt het stukje af. Ik probeer haar iets te vragen, maar ik kom niet goed uit mijn woorden. Kortademig.
Uiteindelijke zeg ik: ‘dat had ik zelf ook gekund.’
‘O ja?’
Zwijgen is minder inspannend. Vroeger moest ik uren lopen om mijn gedachten uit te putten, om mijn hoofd leeg te maken. Nu nog maar een paar minuten. Ze staat op. Ik zeg dat ik eigenlijk niet naar huis wil, omdat ik geen genoeg kan krijgen van het zand onder mijn voeten.
‘Gaan we toch nog even bij een strandtent zitten?’
‘Of zwemmen.’
‘Ook goed.’
Ik zie haar naakt. Zie mezelf naakt. Mager en bleek.
Het water verlamt me. Onze huid is ruw van het zout. We wachten op onze knieën, met onze ruggen naar de zee, tot een golf op ons breekt en ons de zee in duwt. Ik proest. Slik zeewater in. Ze helpt me overeind. Ze ziet hoe het zeewater met snot uit mijn neus komt.
‘Detox.’ Ik lach erbij.
We waden rillend terug richting de branding.
Sinds die dag zwemmen we elke ochtend in de zee.

Het bankje voor de deur schuift mee met de draaiende aarde, vooruitlopend op de dalende zon die steeds haastiger achter de portiekwoningen aan de overzijde van de straat verdwijnt. Ik volg gedwee, zit met het krimpen van de dagen, korter en korter op het bankje, vastgespijkerd op een heliocentrisch ritme dat toewerkt naar de kortste dag in december.

Precies zoals ik het wil: een gehuurde auto met comfortabele luxe; ik geniet van de voorbijtrekkende Duitse autowegen en 10 mg morfine. We stoppen iedere twee uur voor een pauze. Ik plas. Zij laat de hond plassen. Mijn ogen vallen dicht. Gedachtes, dromen en losse indrukken vervloeien: ik sta aan het hek van de kinderboerderij op de hoek. Er scharrelen kippen rond, geiten staan op hooibalen, een hangbuikzwijntje wroet in weggeworpen groenten. Ik zie mezelf: glimlachend in de volle zon, met de schaar in mijn hand knip ik stukjes van mijn vingers af. Ik voer de kippen, de geiten en het zwijntje. Als ik wakker word, zijn we pas twee nummers verder op de afspeellijst.

We rijden een andere wereld binnen, een van wit, grijs en bruin, sober en kalm, zoals rimpelloos water. We stappen uit. Met twee handen pak ik de sneeuw en ik hap. Ik wil de kou in me voelen. Ik krijg geen lucht meer. Van de kou in mijn mond en longen, van de schoonheid van het witte landschap met de magere, besneeuwde sparren tegen de hellingen, de dappere berken in het dal.
We zijn stamgasten in het hotel waar mijn moeder in haar jeugd al kwam. Vlak na negenen brengt de gastheer de schnaps op tafel, ik krijg Sprite omdat dat erop lijkt. Ze lacht en drinkt en kletst Duits.
Ik schenk haar zelf bij, keer op keer. Haar ogen vertroebelen, niet van verdriet maar van geluk.
Die nacht vrijen we voor het laatst. Ze zweet van de alcohol en is niet meer zo voorzichtig met me.
‘Laat me je drinken.’ Haar stem zwaar, diep, uitgeput.
‘Jij hebt genoeg gehad,’ zeg ik.
Haar toch laten begaan.

Honger heb ik niet meer. Aan drinken ook geen behoefte. Hoewel het guur is buiten, je de wind door de jaren dertig kozijnen hoort razen, neem ik soms een perenijsje.
Ik til mijn hand omhoog. Kleine wondjes, blaasjes, schilfertjes. Mijn huid legt het af tegen de vingers die me aanraken, tegen de schrale lucht, ze droogt uit omdat ze niet meer in staat is zichzelf te voeden, te verschonen. De buitenwereld dringt door. Ik merk het aan de kou in mijn botten. Aan de hoeveelheid zonnebrand die ik moet smeren. Aan de infecties die ik kan oplopen, virussen die me fataal kunnen worden. Op sommige plekken is het gevoel weg, voel ik alleen druk, zoals wanneer iemand het eelt op je voeten aanraakt.

De intimi bijeenroepen op die en die dag, op dat en dat uur.

Op de dag des oordeels nog één keer iedereen verrassen. Een angstige dokter met zijn zakken vloeistof aan je bed ontvangen. Natte plekken onder zijn oksels ontdekken. Vrienden en familie die zich in een kring verzamelen, schuifelende voeten, schurende stoelpoten, fluisterstemmen horen verstillen. Een strook hemels licht verdrijven door te vragen of iemand de rolluiken naar beneden laat.
De dokter een plezier doen: hem verlossen van zijn ondankbare taak een einde te maken aan iemands leven. Hem zienderogen opknappend een grap horen maken.
Lachend antwoorden: ‘ik stel het nog even uit,’ maar bedoelen: ik wil het verzet niet breken.
Een broer die zijn emoties de baas is zegt met een knipoog: ‘dan ga ik weer.’ Constateren dat de gewone gang van zaken niet op zich laat wachten: familieleden hebben het over hun kinderen, vrienden over hun voetbalopvattingen.
Schrikken van haar koude hand op de mijne. Fluisterend haar horen zeggen: ‘ik denk dat je iemand heel blij hebt gemaakt vandaag.’
Haar vragend aankijken. Zeggen: ‘je stond toch achter mijn keuze?’
‘Niet mij, de dokter.’

Ik lig op bed. Alleen. De lakens zijn schoon en stijf. Mijn lichaam is moe, ergens in een halfslaap, een roes. Ik hoor haar binnenkomen. Ze knijpt in mijn bovenbeen. Zonder haar te zien weet ik dat zij het is, mijn spieren herinneren zich de kracht van haar vingers.
Fut om iets te zeggen ontbreekt.

Een nieuwe gezamenlijke oproep! Voor ons najaarsnummer zijn we samen met De Nieuwe Garde op zoek naar essays rondom het thema literatuur en landschap. Stuur je essay in bij De Nieuwe Garde en maak kans op publicatie.

Literatuur is niet zelden gebonden aan een locatie: een verhaal heeft een plek nodig, net zoals een schrijver geboortegrond meedraagt. Taal is ingebed in een omgeving: een kamer, een gebouw, een landschap – en daar is het uitgangspunt van De Revisor 30: Literatuur en landschap. Wat doen de bergen voor het drama, de polder voor de scène, hoe beïnvloedt het uitzicht de taal? Hoe verandert de literatuur het landschap, kan het de kunst verruimen of juist inkaderen? In proza, poëzie en essay onderzoekt en illustreert De Revisor deze verhoudingen.

De Nieuwe Garde is er om aanstormende schrijvers te helpen hun beste essays te schrijven. Om ze naar publicatie te begeleiden binnen ons groeiende netwerk van partners. Om de Nederlandstalige essayistiek te blijven vernieuwen. Om de kruisbestuiving tussen het Nederlandse en het Vlaamse literaire veld te bevorderen.

Inzenden

Stuur je essay van maximaal 2.000 woorden uiterlijk 15 juli in via ons inzendformulier (kies bij beoogd tijdschrift/platform voor De Revisor) en maak kans op een mentoraat bij De Nieuwe Garde en publicatie!

Deze oproep wordt mede mogelijk gemaakt door het Lucas-Ooms Fonds.

Lieneke Frerichs over Nescio: de redacteur herlas een eerste versie van Titaantjes in De Revisor en grasduinde in de mooie, overtuigende Nescio-biografie van Lieneke Frerichs.

*

Daan Stoffelsen: Lieneke Frerichs, Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

‘”Jongens waren we – maar aardige jongens.”
Dit is een van de klassieke openingszinnen uit de Nederlandse literatuur, op één lijn met Gorters “Een nieuwe lente en een nieuw geluid.” Het lijkt ondenkbaar dat Nescio zijn Titaantjes ooit zou hebben laten beginnen met een andere zin.
Toch is dat zo geweest. Uit de talloze bladen en blaadjes van Nescio’s literaire nalatenschap zijn een aantal fasen te reconstrueren die aan de definitieve versie voorafgingen, en het verhaal dat u zojuist gelezen hebt is de eerste afgeronde versie van Titaantjes: de oer-Titaantjes om het maar eens lelijk te zeggen.’

Ondenkbaar, oer om het maar eens lelijk te zeggen: met die woorden begint Lieneke Frerichs haar commentaar bij de eerste versie van Nescio’s beroemde verhaal, dat door haar in De Revisor 1979-3 is gepubliceerd, toen we nog een ‘letterkundig’ tijdschrift waren, maar wel een aardig letterkundig tijdschrift. Nescio had gelijk, die eerste versie kwam maar traag op gang. (Na te lezen bij de DBNL, maar ook in het Verzameld proza en nagelaten werk.)

Terzijde over Nescio & A.L. Snijders

In haar mooie biografie, die onlangs verscheen en die ik nu doorblader, bespreekt Frerichs in het hoofdstuk ‘De wereld van “Titaantjes”. 1911–1915’ ook het verhaal ‘Kortenhoef’ (opgenomen in Boven het dal), waarin ‘onze oue vriend Snijders, met een fluweelen vest’ voorkomt. ‘”Hé Bavink!” “Goddori, Snijders.”‘ De deze week overleden Peter Müller (1937-2021), docent Nederlands en als A.L. Snijders columnist en schepper van het genre van het zeer korte verhaal was kenner van Nescio’s oeuvre, en kende dat verhaal ook, misschien komt daar zijn pseudoniem vandaan (die suggestie kwam ik ook in De Stentor tegen). Uit een ZKV uit 1997:

‘Op deze plaats kan nu alleen maar Nescio geciteerd worden. Ik heb het weliswaar al eens vaker gedaan, maar Nescio kan niet stuk en daarom doe ik het nog eens. Het is een noot bij het verhaal Kortenhoef dat omstreeks 1911 geschreven is. De noot is van 1942. Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig.’

(Hoewel in Het Parool een tegenstrijdige opmerking van A.L. Snijders geciteerd wordt: ‘In de tijd dat ik met mijn zkv’s begon was het voor columnisten gebruikelijk om onder een andere naam te schrijven. Ik nam de eerste naam die in mij opkwam, A.L. Snijders, maar het had ook J.H. van Dam kunnen zijn.’)

‘Ik moet nog 30 worden!’

Nescio dus, die in een voetnoot zijn romantische sentiment – het landschap was, stelt Frerichs, heel belangrijk voor Grönloh – heerlijk ironisch kleurt: ‘aardig’, ‘geplempt’, ‘god zegene’, ‘hardhandig’. Iemand die ook voor mij een belangrijke schrijver is, die me nieuwsgierig maakt (zoals hier) of boos (zoals hier) en me zelfs eens tot een Amsterdamse wandeling met hagel inspireerde. Ik kijk heel erg uit naar de rest van deze biografie.

Het helpt me altijd om dan terug te rekenen hoe oud iemand is op het moment van schrijven. Deze eerste versie, die in De Revisor kwam, stamt uit het voorjaar van 1912, schrijft Frerichs. Net na dat verhaal met Snijders. Dan is Frits Grönloh nog geen dertig! Oh wacht, daar heeft Frerichs wat over opgedoken, Grönloh zelf schrijft op een los blad:

‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man. Ik moet nog 30 worden! Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten. Ik weet niet of ’t me lukken zal, ik ben zoo’n stakker.’

Over die eerste versie:

‘In de eerste twee hoofdstukken wordt beschreven hoe de vrienden elkaar hebben leren kennen. Grönloh kiest daarvoor eenzelfde stramien als in eerdere verhalen, namelijk via een ontmoeting tijdens een wandeling of een zwerftocht. Dat begin heeft hij later verworpen, zo vertelde hij aan Nol Gregoor, omdat hij het te realistisch verteld vond. Met de hoofdstukken III en IV komen we weer op bekend terrein met de inzet: “Jongens waren we – maar aardige jongens” en de beschrijving van de bijeenkomsten op de zolder van Kees.’

Ja, analyseert ze: ‘Het “Titaantjes”-materiaal laat ook zien hoe de schrijver zocht naar een minder realistische manier van vertellen, meer aansluitend op de dubbele perspectief (toen en nu) van het huidige eerste hoofdstuk.’ En ze vertelt over de eerste toehoorders van het verhaal. ‘Ook aangrijpend voor de kinderen Grönloh, toen die het verhaal door hun vader voorgelezen kregen. Miep Boas-Grönloh herinnerde zich hoe ze bij de scène waarin de dronken Bavink smeekt om de zon op te bergen in een hoedendoos, huilend de kamer uit holde.’

(Nog eens wat anders dan hoe tijdgenoot Kafka lachend voorlas aan zijn zusjes en vrienden. Willem van Toorn vertelde me in 2019: ‘Kijk, voor mij is het van groot belang dat als Kafka zijn werk voorlas, vaak ‘s morgens als hij s nachts geschreven had, aan zijn zusjes, en ’s avonds aan zijn vrienden, en dat hij dan af en toe moest ophouden van het lachen.’)

Het verhaal was in 1914 af, maar werd niet in die vorm geaccepteerd door De Gids, vooral door ‘de tirades, waarin van God gesproken wordt, op een wijze die onder 90 pct van de Gidslezers groote ergernis zou wekken’. Toen stortte hij in. ‘Het is duidelijk: Grönloh was ernstig overspannen. Allicht zal hij teleurgesteld zijn geweest over het verloop van de onderhandelingen met De Gids, maar er lijkt veel meer aan de hand.’ Frerichs maakt aannemelijk dat het werk aan het verhaal ook depressies opgewekt heeft. ‘Overspannenheid en depressie liggen nu eenmaal dicht bij elkaar. Het voortdurend balanceren tussen een sterke vrijheidsdrang (de onconventionele vrijbuiter) en een sterk plichtsgevoel (de harde werker) zal hem zijn opgebroken.’ Het verhaal verscheen uiteindelijk met amper wijzigingen in 1915 in Groot Nederland.

De biografie

Het is verleidelijk veel van Grönloh/Nescio te citeren, Frerichs doet dat zelf ook, zoals in ‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man’. ‘Mijn stem was niet nodig, omdat Nescio’s stem al zo krachtig is. Ik leg het materiaal open en de lezer kan zijn of haar eigen gedachten vormen. Ik stuur wel, maar niet dwingend,’ zegt ze tegen Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad. Maar als ze stuurt, dan ga ik er wel in mee. Zoals bij die overspannenheid, maar al in de Inleiding – ik blader nu weer terug, naar de Proloog die ook op Athenaeum.nl is voorgepubliceerd – is haar analyse van Nescio’s taal en stijl heel sterk.

‘Het is een heel kort schetsje, “Pleziertrein”, maar het bevat om zo te zeggen de complete “Nescio”. Het lijkt net of het zonder enige moeite op papier gekomen is, terwijl het toch een hele kunst is om met zo weinig woorden een complete wereld op te roepen. Hoe doet de schrijver Nescio dat?
Het verhaal is om te beginnen geschreven in gewone taal, zonder opsmuk. Die taal, met zijn haast laconieke natuurlijkheid, is Nescio’s grote kracht. […] Opvallend zijn de vele herhalingen, die het stukje structureren […]. Opvallend is ook de lichtheid van toon […]. Die doelbewuste soberheid, met veel ruimte tussen de woorden, is eveneens kenmerkend voor Nescio’s werk. Bij hem gaat het niet om de plot (want in veel van zijn verhalen gebeurt eigenlijk niets) maar om iets anders, noem het maar een atmosfeer of een stemming, een stemming van weemoed en melancholie en verlangen.
En vergeet de humor niet. Overal in Nescio’s werk vind je die lichte geestigheid, die tegelijk ironisch is. […]
En tot slot tref je overal die twee tegenpolen aan, dat dubbele gezichtspunt waar Nescio het patent op heeft.’

Ja! En tegelijk weet Frerichs aannemelijk te maken dat Nescio’s proza veel biografische elementen van Grönloh bevat – wat niet wil zeggen dat er heel veel meer leven en werk náást de literatuur te beschrijven is, of dat alles autobiografie is. Er is kortom genoeg reden om door te lezen. Dat ga ik doen.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Marjoleine de Vos: de redacteur las een handzaam en mooi essay over landschap en verlies en goed kijken.

*

Daan Stoffelsen: Marjoleine de Vos, Je keek te ver

‘Maar het lezen hebben we verleerd. En wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden.’ Wie begon met dat leesbare landschap weet ik niet, Willem van Toorn (in Leesbaar landschap (1998)) of nog iemand eerder, maar Marjoleine de Vos’ lezing is wel erg aantrekkelijk. Ze schrijft over de geschiedenis in je uitzicht, hoe economische activiteit van weleer (fruitproductie – in die diepe tuinen daar stonden vruchtbomen – of het afgraven van vruchtbare grond) het landschap bepaald heeft, wat je dus met kennis kan winnen. Maar ook hoe onwetend er wordt gebouwd, gebulldozerd en gedempt – en er dus ontzettend veel te verliezen is. Je keek te ver is juist ook een essay over verlies, over rouw.

Je keek te ver is een van de eerste delen van de ‘Terloops’-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Het formaat en de vormgeving is prettig, de line-up voorbeeldig (Maartje Wortel, Nelleke Noordervliet, Gerbrand Bakker, Thomas Rosenboom, en Marijke Schermer en Willem Jan Otten komen eraan) de prijs is goed (koop ze in de fysieke boekhandel!) – eigenlijk gek dat ik verder alleen Bregje Hofstedes Bergje nog heb gelezen.

Rouw dus, want ik denk dat landschappen betekenis krijgen door hun bewoners (vogels! Een ree, een kudde van het een of ander), de passanten en kijkers. (Van Toorn: ‘Landschap is wat door een kijkende mens wordt gezien, door zijn blik in een kader geplaatst, in zijn uiterste vorm van natuur tot kunst gemaakt.’) En als een element ontbreekt, een medewandelaar, een medekijker, doet dat pijn. De Vos, understating:

‘Ik heb niets te klagen natuurlijk, ook al heb ik dan landschapspijn en rouw ik om wie net nog naast me waren, om iemand van wie ik zo zielsveel heb gehouden. Dat is normaal.’

Ze heeft dus heel veel te klagen, en dat is paradoxaal genoeg normaal. Een gegeven, zoals het landschap industriëler of kunstmatig natuurlijker kan zijn dan het altijd was – maar het is er, en het is mooi of niet. Normaal. Maar ondertussen weet De Vos de kunst van het verliezen en de kunst van het winnen heel mooi te combineren. Het landschap biedt allebei.

‘Je wordt iemand anders van [leven op het platteland], maar in welke zin? […] [A]ls je gevoelig bent voor het roze kleuren van een enorme avondlucht, voor hoe de zon schijnt op het groen in de hals van een woerd, voor de brede schuren van de boerderijen en het buitelen van hazen in het voorjaar, dan voel je je alsof je in zekere zin tot jezelf terugkeert door wat je ziet, hoort en ruikt.’

Ja, dat kun je sentimenteel vinden, maar van goed kijken is nooit iemand slecht geworden. En ja, Gilgamesj en Pessoa voelen als hoogdravend vreemde eenden in deze Noord-Groningse omgeving, maar C.O. Jellema past er zeker wel en Rutger Kopland ook. Marjoleine de Vos onderzoekt hun teksten, die omgeving, de mystiek, het herkennen en het missen – in maar 72 pagina’s zakformaat. Heel knap, en nu al een vademecum bij het maken van ons najaarsnummer, dat over literatuur en landschap gaat.

Van Oorschot gaf Je keek te ver uit. Abonnees ontvangen het najaarsnummer als eerste thuis.

A.F.Th. van der Heijden, maar vooral Hanna Bervoets: de redacteur las het Boekenweekgeschenk en denkt na over filters, overtuigingskracht en standaardromantiek.

(Lees ook eerdere bijdragen op derevisor.nl over de Boekenweekgeschenken van Haasse, Lanoye & Claus, Wieringa, Verhulst – en het Boekenweekessay van Özcan Akyol.

*

Daan Stoffelsen: Hanna Bervoets, Wat wij zagen

Eigen schuld. Willens en wetens raakte ik verstrikt in twee dikke boeken van witte mannen, terwijl ik had bedacht hier vooral over ándere boeken te schrijven. Na een week absentie las ik er weer een: terwijl ik bijna op een kwart ben van A.F.Th. van der Heijdens lesbische liefdesroman Stemvorken (en er nog geen hand tussen de benen is verdwenen) dient zich een natuurlijker verhouding aan in Hanna Bervoets’ Boekenweekgeschenk Wat wij zagen. Een novelle over filteren, zo moet je dat denk ik noemen, een geslaagde novelle over liefde en sociale media.

Kayleigh werkt bij een bedrijf dat aanstootgevende filmpjes, foto’s en teksten moet verwijderen van een Facebook-achtig platform. ‘Ik wist waar ik aan begon. Ik wist wat ik deed en ik was er nogal goed in.’ Ook al veranderen de regels continu: Kayleigh kan uitstekend het hilarische of leerzame of nog te redden scheiden van het beledigende of gruwelijke. Wat niet wil zeggen dat het gros van wat ze ziet vreselijk ís. En de omstandigheden zijn callcenter-min: weinig pauzes, hoge druk, geen psychologische begeleiding.

Reden om het bedrijf aan te klagen, en dat is de vorm van het boek: Kayleigh wil zich niet aansluiten bij de klagers en legt in briefvorm uit waarom haar probleem met het bedrijf eerder persoonlijk is. Ze wist waaraan ze begon, en ze werd verliefd op een collega. Die collega wordt steviger geraakt door wat ze ziet, slaapt slecht, en ze raken elkaar kwijt. Maar welke signalen zijn doorslaggevend? Wanneer zegt iemand echt nee? Die afwegingen maak je continu, zeker als je iemand net kent; Bervoets voert een scène in hun stamkroeg op (een ‘sportsbar’) waarin een collega grappen maakt over onder andere joden. Dat kan dan, hij is zelf joods, hij is onder vrienden. Als later de Holocaust in twijfel wordt getrokken door andere collega’s, kan dat níét.

Bervoets’ brief heeft tempo, is spreektalig en toegankelijk, eigentijds en prettig vanzelfsprekend over liefde tussen twee vrouwen. Van der Heijden heeft een andere ambitie in Stemvorken, dus een oordelende vergelijking is niet eerlijk, maar het illustreert wel de verschillen. Neem de eerste zoen:

‘Ik dans niet en ging op een van de laatste vrije barkrukken zitten. Sigrid kwam naast me staan, de muziek stond te hard om elkaar te kunnen verstaan en dus ook om shotjes af te kunnen slaan en mijn herinnering aan onze eerste zoen is eerlijk gezegd nogal vaag. Later, in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen, zou ik die zoen desalniettemin oproepen wanneer ik masturbeerde en inmiddels is mijn herinnering aan die fantasie scherper dan mijn herinnering aan de avond zelf. In de fantasie blijft Sigrid me almaar aanstaren. Ze doet alles om me aan te raken, hangt overdreven over me heen wanneer ze een nieuw biertje van de tray tilt. In de fantasie leg ik mijn hand dan op haar bovenbeen, waarop zij haar hoofd schudt en rood wordt, en dan ga ik naar de wc en komt zij achter me aan gelopen. Ze trekt aan mijn schouder om me naar zich toe te draaien en ik duw haar tegen de muur; we blokkeren het toch al smalle gangetje naar te toiletten en tegen de tijd dat onze lippen elkaar raken ben ik meestal klaargekomen […] Twee mensen die ergens vanbinnen weten dat ze waarschijnlijk worden bekeken maar zich door elkaar laten meeslepen en dus rollen ze die hele berg maar af, de alcohol hun zwaartekracht. “Jullie bleven maar tongen,’ zei Kyo de volgende ochtend, “jullie bleven maar tongen en tongen en doorgaan!’ Hij klonkt ronduit opgewonden, alsof wij zijn gescheiden ouders waren die vannacht hun liefde hadden hervonden.’

De alcohol hun zwaartekracht! Hoewel Bervoets’ brief iets vlaks heeft door het tempo en perspectief, zit er door zo’n vage vooruitwijzing (‘in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen’) wel meer reliëf in, en de verwarring tussen herinnering en fantasie is interessant. De overeenkomst met de eerste zoen in Stemvorken is drank: de ontmoeting met de jeugdvriendin van Zwanets echtgenoot Albert Egberts was doordrenkt en gezellig. Maar dat er zoenen inzat?

‘Ze legde een hand op mijn schouder, warm en gewichtloos, en fluisterde: “Zwanet, ik had nooit verwacht dat het zo fijn zou zijn. In het begin dacht ik nog: dit gaat de verkeerde kant op… het loopt helemaal fout af. Nu heb ik het gevoel dat ik er… nou ja… een vriendin bij heb.”
De laatste zinswending klonk bijna vragend, dus ik haastte me te zeggen: “Ik ook.”
“O, gelukkig.”
Ze keek me zo innig aan dat ik er bleek van wegtrok. Ik voelde mijn voorhoofd koud worden alsof er een zak met ijs op mijn kruin rustte, en de kilte zakte via de wangen naar mijn kaken, die verstrakten alsof hun spierweefsel uit hard, uitgedroogd elastiek was vervaardigd. Corinne verplaatste haar warme hand naar mijn nek, en trok me zo naar zich toe. Als er van twee mensen gezegd wordt dat ze elkaar “vol op de mond kussen”, wordt doorgaans een tongzoen bedoeld. Ik durf te beweren dat Corinne en ik elkaar vol op de mond kusten… zonder dat er tongen aan te pas kwamen. Het maakte de omhelzing er niet eleganter op. Het enig harmonieuze bestond eruit dat we niet voor elkaar onderdeden in klunzigheid. We duwden met gretige mond elkaars lippen omhoog en omlaag, maar hielden allebei onze tanden stevig opeengeklemd, zodat de tongen tegen de achterkant ervan stootten als om een doorgang te forceren. We hebben er later nooit meer over gesproken, maar ik denk dat het platte angst was die ons remde: de vrees voor wat het allemaal met zich mee zou brengen als we ons lieten gaan.’

Het maakte de omhelzing er niet eleganter op, en Van der Heijden lijkt er alles aan gedaan te hebben om, inclusief ijs en elastiek, het geen standaardromantiek te maken. Maar ik heb moeite het te geloven, me te laten overtuigen door het kunstmatige. Ik begin te denken dat dat bewust is, een willing suspension of belief, terwijl Bervoets traditioneler je laat meegaan in dit liefdesverhaal – om je nadien aan het denken te zetten. Op welk moment filter je, tijdens of ná? In de werkelijkheid en in de literatuur? Ik lees dus nog door in Stemvorken, en pak binnenkort Bervoets’ verhalen in Een modern verlangen erbij.

Je krijgt Wat wij zagen bij aanschaf van € 15,- aan Nederlandstalige boeken bij je boekhandel. Stemvorken is uitgegeven door Querido. Op Athenaeum.nl. staat een fragment.