In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Pieter Franciscus M

 

Novaceen

genetisch ongemanipuleerde kinderen plukken genetisch gemanipuleerd katoen
de jonge monnik draagt een habijt van hoogtechnologische waterafstotende vezel

Q: wat is er nodig om de wereld perfect te maken?
A: de terugkeer van de hongersnood en de zwarte mis
A: een gesubsidieerd archief met naaktfoto’s van alle wereldleiders en profeten
A: het uitbesteden van genocide aan de cloud

de jonge monnik drinkt een blikje Monster energydrank met thee-extract en zwijgt
of: de jonge monnik drinkt alleen nog gedestilleerd water, al de rest is samsara

ik zou een humanist zijn maar ik kan de mensen niet uitstaan
of: ik zou een Jezuïet zijn maar ik kan hun god niet uitstaan

of: ik zou de jonge monnik zijn maar mijn verlangen is te groot
naar een tuin in de afvalbergen, een theeceremonie met geslachtloze robots

ik wil wel naaktfoto’s van je kopen maar alleen als je gezicht er duidelijk herkenbaar op staat
of: alleen als je binnen afzienbare tijd een positie met macht en aanzien verwerft

ik was mijn handen in de cloud
Q: wat ben ik met pornografie als ik er niemand mee kan afpersen?
A: al de rest is samsara

het algoritme heeft de perfecte afstanden berekend
tussen de landschapselementen van de Boeddhistische Zentuin
die ik wil bouwen in de glooiing van de afvalberg
Q: maar waar vind ik mensen voor het ingraven?

ik heb geld maar geen vrienden of familie
wel invloed maar mijn handen zijn opgelost in het zuur van de cloud

Q: kan er iemand tegen betaling de microplastics uit mijn habijt komen pulken?
A: die technologie staat jammer genoeg nog niet op punt
A: en al de rest is samsara

 

Pieter Franciscus M (FKA Pieter Van de Walle, 1992) is schrijver en wetenschapper. Hij publiceerde in Het Liegend KonijnHard//HoofdDW B en De Optimist. Zijn teksten vielen in de prijzen bij Write Now! en de Interuniversitaire Literaire Prijs. Hij is klimaatdichter, recensent bij De Reactor en redactielid bij deFusie. Zijn werk is doordrongen van technologie, kleine absurditeiten, wilde natuur en menselijk falen. Meer vind je op https://nachtglas.be.

 

Gustaaf Peek: de redacteur licht een effectieve, illustratieve passage uit een indrukwekkende, actuele, prachtige en gruwelijke roman – en denkt na over oeuvrelezen.

*

Daan Stoffelsen: Gustaaf Peek, A.D.

Deze week schreef ik voor Athenaeum over de nieuwe roman van oud-Revisorredacteur Gustaaf Peek: A.D. Een indrukwekkend fysiek boek, raak over onderwerpen die er nu nog toe doen (racisme, klimaat, liefde, geweld) zonder te oordelen, op een poëtische manier duister, prachtig maar gruwelijk. Geen boek om cadeau te doen, wel om samen te bespreken, een boek voor een lezerspubliek.

Zoals altijd in een echte recensie – of een recensie zoals ik hem denk te moeten schrijven, hij is vast nog steeds te essayistisch naar sommige smaken – heb ik het weinig over stijl. Die is sterk, soms weerbarstig, soms bloedmooi. En effectief. Ik citeerde dit van de tweede pagina:

‘Kijk naar me, denkt de provoost. De mannen staan met opzet als een haag rond hun wandaden, altijd die gebogen ruggen, het laffe, gezichtloze wanneer hij arriveert, maar Jacob en vooral Aert steken daar duidelijk boven uit. Kijk naar me, waag het niet om weg te kijken. Hij is al van het bakdek afgedaald, hij kan niet meer verder, tussen de mannen is te dichtbij, ze moeten hem hier opmerken. Hier. Hier.
Weifelend lijkt de bottelier zich met dichte ogen weer op te richten, een wonder, Siem hoopt dat de wind het gekreun van z’n moeite verbergt, terwijl Aert met z’n knieën hun dommelende last op z’n plek vergrendelt.’

De provoost, die over de straffen gaat op het schip, benoemt hier iets essentieels: de bemanning functioneert als een machine met een mysterieus doel, als één, terwijl elk van die mannen (en een enkele vrouw) vooral gezien wil worden, erkend wil worden. Een mens wil zijn. En door direct terug te keren naar de amateur-tandartsscène, door drie andere bemanningsleden van veel lager rang in één zin aaneensluitend de focus te geven, benadrukt Peek het illusoire van zo’n ideaal. En dan de woorden: let op het rijm in die tweede zin, de korte en lange a’s, mannen als een haag rond wandaden. Let op de herhaling, kijk, kijk, hij, hij, hier, hier, hier. Let op het weifelen en dommelen van de bottelier (met de rotte kies die getrokken moet), vraag je af waarom Siem kreunt en Aert vergrendelt, waarom deze broers zo verschillen in hun kracht.

Toen ik bijna twaalf jaar geleden gevraagd werd om bij deze redactie te komen, was Peek – ik mag Gustaaf zeggen – de kartrekker, en ook de toenmalige collega’s Jan van Mersbergen (ik schreef al over zijn nieuwste roman) en Erik Lindner kwamen dit jaar met een nieuwe roman. En Bart Koubaa komt later deze maand met Dansen in tijden van droogte, een non-fictieboek. Lindners boek, 51 manieren om de liefde uit te stellen, begint met een jongensachtige romance, actie, geen taal, in Baskenland, en wordt na dat stormachtige begin een roman over uitstel en afwachten, over de films waar zijn geliefde aan meewerkte, over reizen naar die omgeving en haar mislopen, over tekort schietende communicatie. Een denkende liefdesroman zoals Peeks Godin, held veeleer een handelende liefdesroman was, onvergelijkbaar eigenlijk.

En dat onvergelijkbare, dat is interessant. Je ziet in die nieuwe boeken hetzelfde talent als eerder in het oeuvre, je kunt wel overeenkomsten opmerken in stijl of vorm (oh, Van Mersbergen liet eerder een paard vertellen, hij is goed met gekke vertelvormen) maar die zijn oppervlakkiger; feit is dat deze schrijvers zich vernieuwen, niet schrijven voor ‘fans’ maar voor alle lezers, niet vrezen af te schrikken maar pogen je met een nieuw verhaal, nieuwe vormen, nieuwe thema’s binnen te halen. Dat is het bevredigende aan oeuvres volgen, je weet niet wat je krijgt, maar je mag vertrouwen op de inzet.

Querido gaf A.D. uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. En 51 manieren om de liefde uit te stellen werd door Van Oorschot uitgegevenook daaruit is een fragment te lezen.

Kees ’t Hart: de redacteur las een speelse bundeling van verhalen of essays of hoe wil je ze noemen die vermaken en raken.

*

Kees ’t Hart, victorien, ik hou van je. Verhalen en ontboezemingen

Ik heb de term literaire ‘speeltuin’ al zo vaak gebruikt voor het literaire tijdschrift en De Revisor in het bijzonder, dat het als een cliché begint te voelen. En misschien ook wat al te licht voor dit tijdschrift (Barbarber, ja!), maar een veilige ruimte om eerste stappen te zetten en te experimenteren, dat bestaat af en toe ook in boekvorm. Veel algemener in het consequente toepassen van andere perspectieven, het laten ontsporen van verhaallijnen, maar specifieker in een bundeling als Kees ’t Harts victorien, ik hou van je. Verhalen en ontboezemingen.

(Ook een oud-redacteur van De Revisor, net als de Boekenweek-auteurs van komend jaar, Marieke Lucas Rijneveld en Ilja Leonard Pfeijffer. Misschien is ons publiek niet zo groot (word toch abonnee, mensen, je krijgt er zoveel voor terug), maar je ziet ons wel terug in de boekhandel.)

victorien is een speeltuin in boekvorm. ’t Hart wekt de suggestie autobiografisch proza te schrijven, vanaf het eerste (titel-)essay, waarin hij probeert uit te zoeken hoe de tekst ‘victorien, ik hou van je’ op de Waalbrug belandde. Want hij kende toen een Victorien. Een Victorine eigenlijk. ‘Waar is Victorine gebleven, en de zus die ik begeerde? Goeie eerste zin voor een episch gedicht over de Waal. Wat is dat toch, jongensbegeerte? Evelien heette ze. Met i-e-n. Denk ik.’ Het is een zoektocht die speelt met het zoeken, ’t Hart belt met die, mailt met die, spreekt de zus — maar het levert weinig op, behalve vermakelijke inzichten en ontboezemingen.

Ik geloof hem in dat verhaal of essay of hoe wil je het noemen, ik geloof hem volledig.

Maar als je met die instelling aan het volgende stuk begint, een verzameling mails onder de titel ‘Het proefschrift’, kom je bedrogen uit. Een freudiaanse onderzoeksvraag ‘Uw laatste brief heeft me enigszins gerustgesteld en tegelijkertijd opnieuw verontrust.’) leidt tot gênante vervolgstappen (‘Dit lijkt me geen goed idee. Ik blijf te bang voor bordelen (ja, ook voor warenhuizen en kastelen, en zeker voor kleedkamers, al weet ik niet wat je daar precies mee bedoelt), dat moet je toch snappen, ik heb nu wel genoeg gezien.’) en het loopt uit de hand (‘Het lijkt me al met al een behoorlijk smerig gedoe, met dat natte gips en dan moet ik hem daarin steken en dan zorg jij, zorgen jullie, moet ik zeggen, voor de rest.’).

Er zitten ook drogere bijdragen bij, over hoe Madame Bovary eruit zag, een lofrede op Bordewijk, een verhaal over Gorter als sporter, een lezing van Thomas Mann, secundair in zoverre dat je toch echt de boeken erbij gelezen moet hebben, en dat heb ik niet. Toch word ik geprikkeld: had ik maar meer gelezen, en was ik maar bij Bordewijk begonnen. Maar er is ook

  • een reisverslag (‘Op reis met het Toonbusje’),
  • een tweeluik over de Eerste Wereldoorlog,
  • twee gedichten,
  • een Eenzame Uitvaart-geschiedenis,
  • de voorbereiding voor een lezing…

Wie gecharmeerd is van Athenaeums jubileumtas met literaire personages zal zeker lol beleven aan ’t Harts ‘Na afloop’, met nieuwe weetjes als ‘Frits van Egters werkte tot 1978 in een meubelwinkel.’ en ‘Repelsteeltje begon een zaak in sierstenen.’ De uitsmijter is een dialoog met zijn en onze redacteur bij de uitgeverij, die hij bij de presentatie met haar heeft voorgelezen. Zo gaat dat dus, lieve mensen, in het boekenvak.

– Hoe vond je de roman? Het is natuurlijk pas een eerste versie.
– Ik vond hem erg goed, echt fantastisch, het wordt een bestseller, echt waar. En de Librisprijs komt eraan.
– Dus er hoeft niet erg veel aan veranderd te worden?
– Absoluut niet, het is gewoon helemaal goed, goeie toon, niet te opzichtig literair, mooie visie, alleen kan het eerste hoofdstuk wel weg.
– Hoezo, het eerste hoofdstuk kan weg?

Maar geloof je dat nog? ’t Hart is afwisselend hilarisch en ontroerend en nieuwsgierig makend en raak. Maar vooral: hij dolt je. Wie een schrijver van 77 wil zien spelen, leze victorien, ik hou van je.

Querido gaf victorien, ik hou van je uit. Op Athenaeum.nl lees je een fragment uit het titelessay.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Emma van Hooff. 

 

ik ga licht worden waar geen licht is

al moet ik mijn ziel drie keer wassen

en mijn lichaam dezelfde koprollen

laten maken als mijn ziel in de droog-

trommel zodat ik synchroon blijf lopen

wanneer ik mezelf weer bij mezelf voeg

 

ik ga licht worden waar geen licht is

aan het einde bijvoorbeeld

als plafondlamp die alleen brandt

wanneer er iemand onderdoor loopt

 

maar wat als iedereen licht wordt

waar geen licht is en daardoor

nergens onderdoor loopt en het overal

donker blijft dan kan ik beter

een deur worden waar geen deur is

 

en voelen hoe een mens in mijn opening

groeit in zijn vertrek

 

Emma van Hooff (1997) is dichter en schrijver. In 2021 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool in de vakken poëzie en toneel. Ze publiceerde gedichten in onder meer Het Hollands Maandblad, Kluger Hans, Ooteoote, De Revisor en Tijdschrift Terras en betrad meermaals het podium. In januari 2022 verschijnt haar debuutbundel bij Uitgeverij Atlas Contact.  

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Anne Louïse van den Dool. 

 

Zwem af

Naarmate je ouder wordt, vergeet je de
ware aard van de dingen.
Een kaars is geen potentiële brand,
een knetterend stekkerblok geen vagevuur,
een gaspit geen voorstadium
van een verkolend huis.

Huilen is niet langer een teken van verdriet maar van hysterie,
de afstand van je voeten tot de grond geen vallen maar
de overgang van hier naar zelfstandigheid,
een lekkere band, een losse stoeptegel
geen voorbode van iets kwaads,

de drie keer trappelen naar de
zwembadrand de lengte van een mierenlijf, alsof
zoveel diepte niets is om bang voor te zijn –
tijdens het afzwemmen tuf ik mezelf vol water,
houd ik met een verkrampte pink de tegels vast.

Wanneer we naar buiten lopen –
handen op mijn klamme schouders,
bibberend van de wolken die ik blaas –
gaat mijn diploma van omahand tot omahand.
Van dichtbij bekijken ze
de handtekening van de badmeester,
alsof ze speuren naar een teken van vervalsing.

 

Anne Louïse van den Dool is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, Vrij Nederland, HP/De Tijd en vtwonen. Ook geeft ze regelmatig cursussen, workshops, lezingen en performances. Haar debuutroman Achterland verscheen in 2014 bij Querido; haar tweede boek, Vluchthaven, verscheen in augustus 2020. Haar gedichten verschenen onder andere in Tirade, Poëziekrant en DWB.

 

Jan van Mersbergen, Jan Postma: de redacteur las op vakantie twee Jannen, één spannende uitgesponnen scène met een maatschappelijke boodschap, en een essaybundel vol zijpaden en nuance.

*

Daan Stoffelsen: Jan van Mersbergen, Een goede moeder, & Jan Postma, Is dit alles?

Ik kon mijn hoofd thuislaten, de afgelopen weken, ik was vooral buiten, in de natuur, in het landschap. Met gezin, twee fysieke boeken en een volgeladen e-reader. Ik begon met twee boeken die opvallend bínnen bleken, in de stad, in het hoofd, maar dat beviel goed. En ja, autobiografie speelt een rol, en de auteurs heten allebei Jan, maar daarmee zijn de overeenkomsten wel weg.

Eén lange scène in ingesproken appjes

Ik begin met dat biografische: ‘Dit is een roman,’ staat op een afsluitende pagina van Jan van Mersbergens Een goede moeder. ‘Alle personages, organisaties, plaatsen en gebeurtenissen komen voort uit de gedachtekronkels van de schrijver of zijn, als ze werkelijk bestaan, fictief gebruikt.’ Dat is doorgaans een open deur, maar Jan is onze oud-collega, ik heb zijn dochter weleens ontmoet en weet van de moeizame omgang met zijn ex. Ik durfde wel wat in de personages te herkennen, en in interviews geeft hij dan ook ruiterlijk toe dat de basis uit het leven gegrepen is. Dat is een lollige vaststelling, ook dat Van Mersbergen zichzelf niet spaart in die karakterisering, maar veel interessanter is het realisme in de roman, de mate waarin je in iemands hoofd bent en waarin indrukken en gedachten overeenkomen met de werkelijkheid.

Van Mersbergen (1971) is daarnaast niet alleen zeer productief (‘Daar gaat-ie hoor: Gaat wel goed. Ik heb het heel druk. Ik ben met verschillende projecten bezig.’), maar ook technisch vaardig, hij probeert dingen uit. In deze roman is het een perspectiefding: het leeuwendeel van de roman bestaat uit ingesproken appjes van de moeder, een gescheiden vrouw met psychische (depressieve en vele andere) klachten, en die beslaan vooral één dag waarop die dochter van elf op bezoek komt. (Ik las parallel hieraan Sjoerd Kuypers Hotel de Grote L voor aan onze zoon, dat heeft met een cassettebandjesdagboek zo’n zelfde truc.) En een structuurding: Van Mersbergen wisselt dat af met de frustrerende correspondentie met de organisaties die om moeder en dochter heen staan – en er maar niet in slagen ze te helpen. De data van die mails komen steeds dichterbij die van de ingesproken appjes. (Hoewel wie beter oplet dan ik deed, al op pagina 1 weet hoe het afloopt.)

Dat werkt! Je sympathie schommelt, vader Evert uit het boek is ook geen superheld (‘Hij werkte snel en slordig, zei hij altijd, en dat klopte wel. De afwerking was slordig, ongeschuurd, ongeschilderd. Maar allemaal stevig, recht en waterpas. Ik ben totaal niet waterpas.’ Maar ook: ‘Hij was verzot op seks. Iedere dag, ieder dagdeel kon ik weer waterpas.’ Dit woord is voor eeuwig besmet, Jan, dankjewel.), maar moeder Anja kan duidelijk niet voor haar dochter zorgen, en op een A.F.Th. van der Heijden-achtige manier weet Van Mersbergen de spanning op te rekken: hoe loopt deze dag af? Kan de moeder het goed doen? Kan het goed aflopen?

Ergens is Een goede moeder een klein boek, intiem, psychologisch, een beperkte situatie. Maar het is ook een aanklacht tegen de instanties die niet ingrijpen, niet helpen, aan de kant blijven staan. Ik doe geen recht aan Van Mersbergens inzet als ik het slot weggeef, maar dat verzacht de kritiek wel – op een manier die VVD-achtig cynisch is. Het falen van de participatiemaatschappij en de hulpverlenende instanties leidt niet altijd tot meer ellende.

Nuance en omwegen

Van Mersbergens maatschappijkritiek is hard en duidelijk, het biografische element is redelijk zwart-wit. Bij Jan Postma is dat natuurlijk anders: een essay hoort te zoeken, te twijfelen, en zelfs als hij in een vliegtuig met uitgezette asielzoekers zit, is zijn verontwaardiging en gêne vol van grijstinten. Tegelijk is hij het, de ik en de lezer in deze essays, en zo hoort het.

Postma (1985) is een van onze interessantste essayisten, jaloersmakend fris en slim, af en toe wat wollig en omslachtig maar wel verrassend. Ik schreef hier eerder over zijn debuut Vroege werken (2017) en het als boekje uitgegeven essay Geringere schepsels (2018, dat essay staat ook in Is dit alles?), en hoewel mijn lof voor en kritiek op die boeken ook wel gelden voor dit nieuwe boek, ben ik nu vooral meer onder de indruk. Nog steeds schiet ik in de lach als Postma weer een nieuw terzijde inleidt (‘Het is wellicht wat laat om nog een zijpad in te slaan, maar ik zie even geen andere mogelijkheid.’), nog steeds erger ik me als een zin zich vastdraait in iets wat almaar onbegrijpelijker wordt. Nog steeds is het wat meer lezen dan leven (pot, ketel, ik weet het).

Maar die zinnen worden zeldzamer, steeds vaker moet ik stilstaan bij zo’n zijpad en vaststellen dat ik het beter begrijp. En vooral: in onderwerpen en aanpak komen de felle ironische twitteraar en de bedachtzame essayist steeds nader tot elkaar. Via omwegen benadert hij werkbare definities en oordelen, legt hij – belangrijker nog – wonden open van onbegrip (wat ís nuance?). Al in het openingsessay zitten een paar zinnen die Nescio oproepen (riet!), maar dan een analytische, twijfelende en weinig mystieke Nescio:

‘Ik weet nog hoe het riet aan de rand groeide maar ik ben vergeten of het wuifde. Ik wist niet precies wat ik van riet moest denken, wat het nou eigenlijk was. En in zekere zin weet ik dat nog steeds niet. Ik weet nog hoe vies ik de goedkope wijn vond en ik weet nog hoe ik mijn gezicht bij iedere teug in de plooi hield. Ik weet nog hoe badpakken en bikini’s weinig verhulden zonder iets te tonen. Ik weet bijna niets meer. Alles, het leven zoals het op de gewoonste momenten is, verdwijnt maar de hele tijd. Het enige wat blijft is dat verdwijnen – en het geheugen als wonder dat altijd tekortschiet.’

Ja! Hij zegt niet-reproduceerbaar zinnige dingen over privacy en de surveillancemaatschappij, over nuance, over sentimentaliteit, kinderen krijgen. Hij schrijft met warmte over Nathalie Ginzburg, die ik nu ook moet lezen: ‘De reden dat ze ons als een tijdgenoot in de oren klinkt is dat ze schrijft in de overtuiging dat het maken van kinderen en tomatensaus een wezenlijk onderdeel van het leven is.’ Hij schrijft ook over Mary Shelleys Frankenstein, en die komt maar niet tot leven bij mij, maar werpt nieuw licht op Rachel Cusk. En belangrijk: hij spaart zichzelf niet.

Is dit alles? is kortom niet alles, maar wel zo’n boek dat veel oproept, niet in het minst denk- en schrijflust – en dat ik met graagte ga herlezen.

Cossee gaf Een goede moeder uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.
Das Mag gaf Is dit alles? uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment (dat essay met het riet).

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: rozalie hirs. Het gedicht komt uit haar nieuwe dichtbundel oneindige zin die dit najaar bij Querido verschijnt. 

 

*

 

de eigen dood gewekt door een slang in de kist wel

een levende als de geplukte appel van je kind te verstaan

 

als de valsheid van de wereld zich opent in volmaakt

regelmatige bewegingen om de schijn te redden

 

dwalende sterren gewaar te worden misschien uitgaande

van een samenhang zelfs met andere sferen of een reeks

 

van weer andere oneindig gecompliceerde schijnbewegingen

te ontdekken sterren die in werkelijkheid schijnen nieuw licht

 

op een vraag te werpen misschien juist tastbaar op dit moment

en je de glans begrijpt als schijn van verschijning en dwaling

 

in weerschijn voor een ander begrip dan je zin uiteindelijk

blootgesteld alweer gescheiden van zijn begrijpelijkheid

 

rozalie hirs (1965) is dichter en componist. Van haar hand verschenen zeven dichtbundels bij Querido, van Locus (1998) tot oneindige zin (2021), en zes verzamelbundels in andere talen, waaronder haar meertalige manifest gestammelte werke (2017) bij het vermaarde kookbooks, Berlijn. Daarnaast maakt Hirs sinds 2002 in samenwerking met ontwerpers en beeldend kunstenaars regelmatig interactieve poëzie voor het scherm. https://www.rozaliehirs.nl/

 

Toef Jaeger: de redacteur laat zich enthousiasmeren door een tijdschriftgeschiedenis van vriendschap en lichtheid als poëtica – dat mede gemaakt werd door de deze week overleden K. Schippers.

*

Daan Stoffelsen: Toef Jaeger, De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde

De directeur belde, over iets anders, en zei: jullie moeten een Barbarber-themanummer maken. Welwillend gereageerd, altijd doen als de directeur belt, maar wel een spoortje wanhopige twijfel laten doorschemeren: ik heb nog nooit een Barbarber gelezen. Toen zei mijn collega bij de boekhandel met zijn onfeilbare tips: dat boek beviel me ook heel goed. Dus ik lees Toef Jaeger, die ervoor kiest niet het zware literatuurwetenschappelijke perspectief te kiezen, maar de vriendschap te belichten die het tijdschrift mogelijk maakte.

‘En het tijdschrift ademt die vriendschap, veel meer dan bijvoorbeeld de wens zich af te zetten tegen een vorige generatie. Barbarber werd bovendien geen literair tijdschrift, of een blad voor poëzie, of iets anders met literatuur in de ondertitel, maar een “Tijdschrift voor teksten”. Alles kon kunst zijn.’

Toch zien we die mannen minder als vrienden, ik weet niet of ik nu kan duiden wat de drie redacteurs – Henk Marsman (Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) en Gerard Bron (G. Brands) – zo in elkaar zagen. Wel de vanzelfsprekendheid, het gemak, de onderlinge steun en de langdurige trouw (1958-1971, en nog lang nadien verscheen er soms een soort Barbarber). Maar wel: het schoolkrantachtige enthousiasme, het typische literaire-tijdschriftgerommel (abonnee-aantallen, exploitatieverliezen, problemen met de kopij van Hanlo – natuurlijk rijmt De jongens van Barbarber op Thomas’ stuk in ons Kooimannummer over droevige redactiebeslommeringen), de geweldige ideeën (de rode autoped, het behangstalennummer) en een enthousiasmerende, lichte kijk op literatuur.

Alles kan kunst zijn, gevonden teksten en beelden, hele sobere poëzie (‘Als je goed / om je heen kijkt / dan zie je dat / alles gekleurd is’ stond het eerst in BBB), de bizarre essays van Jan Hanlo. Aanstekelijk! En inzichtelijk. Zo bewonder ik K. Schippers’ werk al langer, maar begrijp ik niet zo goed waarom – maar nu zie ik dat het onpersoonlijke en pointeloze me aantrekt, en hoe in zijn laatste roman Nu je het zegt daardoor de autobiografische snippers zo gloeiend oplichten.

Jaeger (een van onze voorgangers bij De Revisor, nu voorzitter van ons bestuur), aangespoord door diezelfde directeur (van onder andere Uitgeverij Querido en De Revisor), heeft het archief met bewonderenswaardige precisie doorgewerkt en met smaak opgedist. De zeurderige briefjes van Hanlo en Chris van Geel, de lof en de kritiek, de foto’s. Ze beschrijft, analyseert en schrikt er niet voor terug iets als geestig te duiden. Je krijgt van haar boek een enorme honger van om de Barbarbers zelf te lezen (maar helaas, DBNL heeft ze niet) of zelfs te maken.

Ik begrijp de directeur wel, en ik krijg er ook zin in, je zou met beperkte middelen en genoeg humor en Joost Oomen net zoiets moeten kunnen maken (in 1992 overweegt Stigter ‘een armoedige uitgave in de stijl van Holland Typing Office met de winst van de huidige computer en offset technieken. Zo langzamerhand is daar alles in mogelijk, ook wat betreft de typografie en het beeld’). Tegelijk: is dat niet heiligschennis? Is BBB (die afkorting alleen al gebruiken is de lol) niet simpelweg van Marsman, Stigter en Bron? En ik waardeer mijn collega’s enorm, ze weten meer van mij dan de directeur en ik zou zo een Revisor-zomerkamp voor ze organiseren, maar een vriendengroep zou ik ons niet noemen. Ik denk dat ik de opdracht maar teruggeef.

Querido gaf De jongens van Barbarber uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. K. Schippers droeg in 2007 (DBNL) bij aan De Revisor, en in 2017 (het nummer is nog te koop).

Gilles van der Loo: de redacteur las een warmbloedige, geslaagde roman vanuit ijsvogel- en mensenperspectief over schuld en vergeving en een dorp in een stad.

*

‘De volgende ochtend zat ze in de zon te ontbijten en rilde, want het weer was omgeslagen. De beer lag zoals gewoonlijk in de deuropening van zijn kot naar haar te staren. Wat denkt hij, vroeg ze zich af.
Ze had als kind heel wat boeken over dieren gelezen. […]
Toch kreeg ze beslist niet het gevoel dat de schrijvers of de kopers van deze boeken wisten wat dieren dreef. Zijzelf had geen idee wat dieren dreef. Het waren levende wezens. Het waren geen mensen. Ze nam aan dat hun functie werd bepaald door de omvang, vorm en complexiteit van hun hersenen. Ze nam ook aan dat ze een vaag, flakkerend, onverwoord geestelijk leven leidden.’

Deze passage komt niet uit Gilles van der Loo’s Dorp, maar hij voelt wel op zijn plaats bij een kritische noot die ik wil maken. Hij komt uit Marian Engels geweldige roman Beer (vertaling Barbara de Lange), en ik kan Thomas’ lof voor dit boek alleen maar onderschrijven. Geweldige roman, spannend, intelligent, verrassend. Met een analyse – bovenstaande analyse – die al snel wordt verdreven door gevoelens, maar die wel zinnig is. Wat dieren denken of voelen, kunnen we niet weten. Daarom zijn dieren als vertellers een valkuil. Lang geleden schreef ik in tijdschrift Vooys over Rosalind Belbens vooralsnog laatste roman, Our Horses in Egypt (PDF), waarin een deel van het verhaal vanuit het perspectief van een paard verteld werd. Volstrekt geloofwaardig, fragmentarisch en zintuigelijk. Je kunt je afvragen of het wel een leesbare roman was geworden als Belben niet ook een menselijke verteller had opgevoerd. Later heeft Jan van Mersbergen het wel gedaan, met een wat menselijker en dus begrijpelijker paard als verteller (in De ruiter), en nu doet Gilles van der Loo dat met een ijsvogel.

Ik geloof niet dat ijsvogels zo denken, zo in mensentermen:

‘In het begin was er het dorp en het dorp was een wereld, een thuis dat aan mijn kleinste veren trok, me dwong te vertragen, te cirkelen en dalen. Misschien was het de slinger in de dijk waarop de huizen stonden, het dorp dat om zichzelf sloot alsof het iets teers te beschermen had. Ten westen van de huizen lagen groene akkers, sloten die de hemel spiegelden. De horizon viel samen met heel verre duinen: wie er een snavel voor had kon geteerde palen ruiken, wier en vette vis, maar de sloten bij het dorp zaten vol voorntjes. Het was als jagen in een regenplas. Ik bleef, sliep en ontwaakte, volgde het draaien van de zon en de sloten voedden me door een winter, een lente, een zomer heen. De herfst kwam weer en ik bleef.’

Dat is mijn kritische noot. Want het zijn prachtige openingszinnen, een geweldige manier om het dorp dat Sloterdijk eens was te introduceren, vanuit een natuurlijke bewoner van een landelijk gebied. Een vogelperspectief (‘Hoewel me dat nooit werd opgelegd, is het mijn taak de dingen te vertellen zoals ze zijn gegaan.’) tegenover het beperkte perspectief van de hoofdpersoon van het verhaal, een mopperende oude man, beladen met een oud schuldgevoel, in rouw om de liefde van een leven en toch in staat tot het goede. Van der Loo vertelt met die twee vertellers, de naïeve buitenstaander en de insider, een prachtig verhaal van schuld en vergeving en hoe het gevoel van een dorp standhoudt in een verstedelijkt leven.

(En, voor straks bij ons najaarsnummer, sterke passages over het landschap en de mensen erin.)

Mooi geschreven ook. Ik merk dat ik weinig meer noteer de laatste tijd, ik moet echt gaan terugbladeren om te herlezen wil ik wat gaan schrijven. Maar bij Dorp rolde er zo een lijstje citaten uit. ‘Melchior beet op zijn tanden en probeerde niet te huilen, maar pa trok hem in zijn armen en omklemde hem alsof hij zijn parachute met hem moest delen en de val pas net begon,’ schrijft Van der Loo bijvoorbeeld. Die parachute! En:

  • ‘Wie een lijf levend gekend heeft zou het niet moeten aanraken als het koud geworden is, maar dat is wat hij bij Ella heeft gedaan en die kou is altijd blijven hangen, heeft haar warmte overschreven.’ Rouw.
  • ‘Een moeder legt een hand tegen haar dochters voorhoofd, begrijpt Melchior opeens, om te voelen of ze koorts heeft, maar ook zodat de ziekte op haar overspringen kan, het kind verlaat.’ Moederliefde.
  • ‘Soms viel de zon op haar gezicht en zag ik wat mijn jongen in haar moest zien: warme steentjes onder helder water. Als ze lachte wervelde dat water, verplaatsten scholen vlotte visjes zich onder het oppervlak.’ Verliefdheid (vanuit ijsvogelperspectief).
  • ‘Hier wonen de moeder en het meisje dat voortdurend praat en zingt, met het stemmetje dat glimt als regendruppels op jong riet.’ Jeugd.

Een warmbloedig boek, een volwaardige roman in minder dan tweehonderd pagina’s, niet ongevaarlijk of pijnloos, maar wel een boek om door te geven.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Dorp uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Nieuw kort proza bij De Revisor, van Dieuwke van Turenhout (van wie we eerder het quarantaineverhaal ‘Nova’ in drie delen publiceerden): ‘Een C is een gemankeerde O’. Een verhaal over jeugd en verlies.

*

Niemand had het echt zien aankomen, ik al helemaal niet. Ik was een kind met een vergrootglas, vieze nagels en een bos krullen die van mijn kale vader moesten zijn. Ik spoorde pissebedden op onder tuintegels en ving bij het water langs het spoor kikkers met mijn blote handen.

Mijn vader had een nieuwe baan, dat weet ik nog. Hij bleef langer thuis ’s ochtends, en bracht me zelfs naar school nu en dan, een hand diep in zijn zak, zijn andere grote, droge hand om die van mij heen. Ik bekeek het raster van zijn huid met één oog open, het andere ferm dicht. Zijn huid, zo besloot ik, leek op golfjes in de zee als je er hoog overheen vloog.
Hij werkte laat ’s avonds. We gingen niet meer op vliegvakantie dat jaar.
In plaats daarvan knipte mijn moeder haar haar af.

Uit school stond daar een lange vrouw, met kort haar.
‘Dat lange haar was allemaal theater,’ zei ze de volgende dag tegen me terwijl ze rode lippenstift op deed voor de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Tegen mijn vader zei ze: ‘Ik heb het gedoneerd. Voor pruiken. Wie weet hoe het zal gaan.’
Ik vroeg me niet af hoe wat zou gaan en ik kan me niet herinneren wat mijn vader zei. Misschien zei hij wel: ‘Natuurlijk lieverd, je bent zo ook prachtig.’
Hij aaide mijn haar wel vaker, als we naar school liepen. Ook was hij ’s avonds weer op tijd thuis. ‘Om een oogje in het zeil te houden.’ Mijn vader kon alles, maar hij kon niet voorkomen dat de poelen naast de spoorlijn verboden terrein werden. Het leek wel alsof ik de enige was die dit erg vond. Bulldozers en graafmachines joegen de kikkers weg en een grijs hek hield mij en mijn vergrootglas op afstand.

We gingen op vakantie in Nederland, ik zie mezelf nog zitten op de achterbank geklemd tussen de koelbox en een tas met handdoeken. Op mijn schoot een zwaar boek dat me maar matig kon interesseren, met foto’s van allerhande vogels. Voorin kibbelden mijn ouders. Mijn vaders stem krachtig en donker, mijn moeders stem zo veel zachter. Ik probeerde op te vangen waar het over ging en snapte niet waarom ze het zo oneens konden zijn over fotoalbums die mijn moeder wel en mijn vader niet wilde maken ‘voor later’.
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Hebben jullie ruzie?’
‘Nee meisje, het is niets. Niets om je zorgen over te maken.’
Ik ving hun blikken op in de achteruitkijkspiegel en zal de rest van de rit naar de weilanden buiten de auto hebben gekeken. We gingen nooit meer dan twee weken op vakantie, maar die twee weken rekten zich tot eindeloosheden van zon en wind. Over een fotoboek werd niet meer gesproken en het vogelboek lag vergeten in de tent. Ik kroop achter kevers aan in het bosje naast de camping en groef kuilen en geulen die zich brutaal vulden met gorgelend zeewater. Een tijdje had ik alleen oog voor schelpjes. Dat het dode materie was waar leven in had gezeten, wist ik niet.

Mijn moeder had een periode dat ze wat meer lachte, dat haar haar wat groeide, dat ze me knuffelde en me hielp met mijn spreekbeurt over poelkikkers, en toen was ze helemaal kaal, net als mijn vader. Kaler nog, wimpers en wenkbrauwen ook weg. Niemand kwam me meer van school halen.
‘Wat ben je toch groot,’ zei mijn oma.
‘Je moet je groot houden,’ zei mijn opa.
‘Je bent mijn grote meid,’ zei mijn vader gesmoord door mijn krullen.
‘Je blijft altijd mijn kleine meisje,’ zei mijn moeder eens.

Hoe kan ik mijn vaders ogen nog vertrouwen? Ze werkten niet goed, hij moest een bril en was niet vaak thuis om een oogje in het zeil te houden. Hij ging met mijn moeder mee en rimpelde thuis zijn voorhoofd. Mijn moeder lachte niet meer en gaf me de lippenstift waar ik ooit zo lang om gezeurd had. Ik trok er dikke strepen mee over de rug van mijn hand, over het keukenblad en over bakpapier, bekeek met mijn vergrootglas de vette sporen en groeven die me als rode voren in vochtig zand voorkwamen.

Ik fietste naar school. Taal en rekenen werden Nederlands en wiskunde. Voor mijn verjaardag kreeg ik een microscoop, en een haarband voor mijn krullen.
Dat er iets mis was met mijn krullen, wist ik inmiddels ook wel. Iedereen keek ernaar. Ik was de enige thuis met haar. Nieuwe klasgenoten trokken eraan. Er had eens een spinnetje op gelopen. Ik geloof niet dat het spinnetje van de bouwplaats naast het spoor kwam, waar roodbruine bakstenen en zwaar zand overleven onmogelijk maakten. Het spinnetje was voor een toegestroomd joelend publiek van mijn krullen afgepakt. Ik heb het beestje niet gezien, misschien was het niet eens waar. Theater, zou mijn moeder zeggen als ik het haar zou hebben verteld. Ik vertelde weinig.

Er zijn verhalen over meisjes die na een flinke kappersbeurt en een bezoekje aan een schoonheidsspecialiste razend knap worden, en populair. Ik probeer de haarband. Scheer mijn oksels wekelijks. Dieet.
Mijn vader hield mijn hand weer eens beet, mijn moeder keek me met holle ogen aan over de dampende koffie die ze al lang niet meer verdroeg. Het hielp allemaal niet. Niets hielp meer.

Rondom het spoor stonden inmiddels hekken, soms stond ik er ook, mijn handen als vishaakjes verstrengeld met het raster. Mijn krullen zijn van mij, dacht ik, niet van mijn kale vader. Ze waaiden in een vast patroon op toen de intercity langs raasde, gewichtloos. Het was een vrijheid in mijn hoofd, een gewichtloosheid die me betoverde.

Meestal kwam mijn bezorgde vader me halen, soms ook Max. Max gebruikte alle woorden die mijn moeder niet meer had kunnen zeggen toen ze er nog was. Zijn stem was rustiger dan die van mijn vader. Max bleef me verzekeren dat alles wat ik dacht en voelde normaal was. Ook als ik niets dacht. Niets voelde. Dat alles erbij hoorde. Dat alles uiteindelijk een plekje zou krijgen. Eerst dacht ik dat hij de gebouwen bedoelde die naast het spoor uit de grond verrezen, de stapels stenen, de lukraak gestorte hopen zand en grind. Ik liet Max mijn vergrootglas en microscoop zien, dat was mijn taal.
We hingen een foto van mijn moeder naast de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Het maakte mij niet uit dat Max geen vrouw was. Ik kocht mijn eigen tampons, maakte mijn eigen kruik als het nodig was, spoelde mijn eigen ondergoed voordat ik het samen met de rest van de was in de machine stopte. Ook een bh kopen lukte prima. Slechts eenmaal dook ik weg achter een rek met frivole azuurblauwe setjes. Het is één om ‘een grote meid te zijn’ en voor jezelf te zorgen, het is iets anders om geconfronteerd te worden met een zwerm zorgeloze meisjes in een lingeriezaak. Thuis bestudeerde ik mijn nieuw gegroeide borsten dagelijks. Nooit vond ik een knobbeltje. Ik stelde me voor dat mijn handen van iemand anders waren, van iemand die nu nog van niets wist. Handen die nu nog een boterham smeerden, of een koeienoog ontleedden. Droge handen zouden het moeten zijn, met een huidpatroon als de golfjes van de zee waar we ooit met zijn drieën gelukkig over vlogen.

Max verdween weer en een serie aan andere mensen bevolkte onze woonkamer. De een na de ander bleef slapen. Een Helen, een Boukje-met-een-buikje, er waren tandenborstels en zenuwachtige knikjes. De badkamer moest ik delen met nieuwe geuren. Een Marjan. Daarna een Mariëlle. We aten veel bonen en dan ineens weer vlees. Ik sloeg met deuren. Deuren gingen op slot. Er was een Sanne die niet kon wachten me te ontmoeten, zo zei mijn vader nadat ik haar rode slipje in de wasmand had gevonden. Die ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden. Eerst verdween haar ondergoed, daarna haar naam. Uiteindelijk verdween ik ook, met mijn bed, mijn slipjes en BH’s, mijn microscoop, weggebracht door mijn vader naar een studentenkamer in een leuk huis. Ik aaide zijn hand, nu nat van zijn en mijn tranen en hing foto’s van ons en mijn moeder aan de pas geverfde muur. Daarna dronk ik mijn eerste biertjes met mijn nieuwe huisgenotes – meisjes met en zonder krullen, met en zonder interesse in kikkers, kevers of spinnen, maar meisjes met een moeder die ze belden als ze haar misten, meisjes die leerden omgaan met een meisje zonder moeder.

Als ik de trein naar huis nam, remde die af naast de nieuwe woonwijk die allang niet nieuw meer was. De bomen groeiden en de tuinen trokken hun eigen insecten aan. Mijn vader wist er een appartement te bemachtigen en nu kwam ik hem helpen. Een foto van mijn moeder hing in zijn slaapkamer. Een andere, van ons drieën, genomen aan zee, haar korte haar levendig waaiend, hing ik in de keuken naast het krijtbord. Ik zette thee en tekende atoomschema’s op het krijtbord. Ik probeerde elementen te vinden die bestonden uit twee moleculen en drie atomen. Zwaveldioxide. Water. Koolstofdioxide. SO2. H2O, CO2.

Eenmaal stond hij achter me, zijn geur was hem vooruit gegaan, de geur van thuis en het kraken van het leer van zijn schoen bereikte me voor ik kon schrikken. Mijn achterhoofd vol krullen kwam al lang niet meer tegen zijn buik aan, maar tegen zijn ietwat gebogen schouder. Mijn harige hoofd rustte tegen zijn kale kin.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Ik zoek een oplossing,’ zei ik na lang wikken en wegen.
‘Wat is het probleem?’
Een tijdlang stonden we zo. Het was fijn dat hij achter me stond, fijn dat hij mijn beide schouders beet had op een manier die me liet voelen dat ik bij elkaar gehouden werd door botten, spieren, vel.
Met spuug veegde ik de witte lijn van de hoofdletter C weg. Langzaam verdampte het bewijs dat er ooit een C was geweest die de twee O’s verbond.
‘Niets papa, er is geen probleem meer. Er zijn alleen feiten.’