Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 3 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.
*
There is more in the child than any man has been able to keep.
—William Empson
◊
Ik zag een meisje op het strand. Ze droeg een stethoscoop die ze hardhandig op de borst van haar babypop drukte. Ik wilde ook dokter worden toen ik zes was. Ik zag mezelf als kinderarts in een stoffige dokterspost in Afrika. Later overwoog ik een studie Italiaans om als vertaler of correspondent in Rome te gaan wonen. Het werd een studie Nederlands in Utrecht. Daar gebeurden alle dingen die leidden tot wie en wat ik nu ben. Ik ben schrijver en journalist. Ik heb een leven. Ik ben ik. Niet de dokter in Afrika, niet de vertaalster die in Rome woont.
◊
We beginnen met een oneindigheid aan mogelijkheden, zegt filosoof Adam Phillips. Als we geboren worden zijn er duizenden verschillende levenspaden te bewandelen. Maar onderweg nemen we afslagen, kiezen richtingen. Het aantal mogelijke levens krimpt naarmate we langer onderweg zijn. Tot er slechts één over is: het leven dat we leiden.
◊
Ik nam de telescoop mee naar het eiland. Als het niet bewolkt of mistig is kun je met het blote oog de Melkweg zien. Wolkjesblazend in de koude oktoberlucht speur ik ’s avonds de hemel af. De dubbele ring van Saturnus. De groene gloed van Uranus. En de maan. Zo dichtbij dat hij amper in de zoeker past.
◊
Naar de maan kijken troost. Ik doe het sinds mijn opa me belde, jaren geleden, tijdens een oudejaarsnacht die ik door een treurige samenloop van omstandigheden in mijn eentje doorbracht. Hij zei me naar het raam te lopen en naar de maan te kijken. We zien nu allebei dezelfde maan, zei hij. We kijken er samen naar.
◊
Op bewolkte avonden richt ik de telescooplens op het hotel met appartementen langs het strand. Ik zie de mensen. Ze zitten op de bank, lezen de krant, schenken een glas in of wiegen hun baby.
◊
Doe je het tegen de eenzaamheid? vraagt een vriendin die belt. Maar dat is het niet. Het geeft me hetzelfde gevoel als wanneer ik, toen ik nog thuis woonde, inbrak bij de buren tijdens de zomervakantie. Niet om iets te stelen. Alleen maar om erachter te komen hoe een ander leven voelt. Om te ervaren hoe mijn leven ook had kunnen zijn: op een andere bank te zitten dan de mijne, in een ander bed te liggen dan mijn eigen, de geuren van een keukenkastje op te snuiven dat door een andere moeder is ingericht. Zo is het ook met de telescoop. Ik kijk naar een leven dat evengoed het mijne had kunnen zijn. Als ik andere keuzes had gemaakt.
◊
Soms vraag ik me af wat er van me zou zijn geworden als ik geneeskunde was gaan studeren en als arts naar Afrika zou zijn vertrokken. Of als ik Italiaans gekozen had en me als vertaler in Rome had gevestigd. Of als ik, jaren eerder al, besloten had een gezin te willen.
◊
Als ik andere keuzes had gemaakt…
As, as, as, zou mijn opa zeggen. As is verbrande turf.
◊
Lees de bladspiegeledities van De Revisor voor eigen afdruk en tabletgebruik. Download ze gratis, en overweeg een abonnement.
No products found which match your selection.
Pauline de Bok: de redacteur las een aantrekkelijk natuuressay vol observaties en grote vragen.
*
Daan Stoffelsen: Pauline de Bok, De poel
Mijn vriendin en ik dromen er allang en hardnekkig van: een huis in het bos. Ook vóór de exorbitante prijsstijgingen was dat natuurlijk onbetaalbaar voor een verloskundige en een parttime webredacteur, zeker in Noord-Brabant, waar de verloskundige haar werk heeft, maar ik gun ons die visioenen van harte. En soms worden die beelden gevoed door mensen die wel de stap naar verder weg hebben gewaagd, zoals Pauline de Bok. Ik leerde haar proza kennen in Buit, het boek waarin ze beschreef hoe ze jager werd, een gedreven boek dat zowel de natuur om haar heen als de morele dilemma’s van dat nieuwe vak recht deed.
Nu is er De poel, een iets minder gericht, uitwaaierend boek over anderhalf jaar in haar verbouwde koeienstal in Mecklenburg-Vorpommern. Het is genomineerd voor de Jan Wolkersprijs, voor Athenaeum.nl schreef ik erover. Het is 2019, en de poel van de titel staat droog. Is dat die klimaatverandering waar de wetenschappers over spreken? En wat voor gevolgen heeft dat voor de dieren en planten waarmee De Bok feitelijk samenleeft? Kan ze er iets tegen doen?
Die vragen, en vragen over gif, windmolens aan de horizon, de gelijkwaardigheid tussen soorten, doden of niet, maaien of niet, bijvoederen of water geven of niet, komen telkens aan bod in dit uitgebreide natuuressay. Maar die grote vragen, waarin ze telkens haar ‘hoofd [schudt] om [haar] taaie neiging van elk beest meteen weer een individu te maken met een eigen verhaal’ en zichzelf een zeur en een twijfelaar vindt, wisselt ze af met geweldige observaties. Hele Vroege Vogels-fenolijn-afleveringen zijn ermee te vullen, ik citeerde al ruim op Athenaeum.nl over een moment dat de kraanvogels, de ooievaar en de hazen tegelijk op haar terrein te zien zijn. De Bok kijkt, verwondert zich, geniet. Maar soms botst het, letterlijk.
‘Dan waagt de eerste [jonge zwaluw] zich in de lucht, meteen daarop de tweede, ik loop onder de ladder door, een zwaluw moet voor me uitwijken, en vliegt in volle vaart tegen de ijzeren deurpost. “Hè nee,” roep ik, “sorry, sorry…” Ik kijk naar de latten, de zwaluwbolletjes zijn weg. Ik kijk naar de grond, in verwrongen houding ligt hij op de drempel. Verdomme, een jonkie, gebroken nek, rug, vleugel? Hij begint te fladderen, maar blijft dan op zijn rug liggen. Dood? Zijn pootjes trillen licht, hij beweegt zijn snaveltje een beetje. Geluidloos. Het krijsen en schreeuwen van de ander zwaluwen gaat crescendo, doet pijn aan mijn oren, ze duiken naar beneden, dicht naar het kleintje toe, lager, veel lager dan anders.
Wat nu? Altijd weer opnieuw die vraag: moet ik het zwaluwtje nu doodmaken?‘
Waar zoveel leven is, is de dood nooit ver weg. Is lijden natuurlijk, en heb je als opperpredator een verantwoordelijkheid? Om te voorkomen, ja, om te helpen? ‘Maar wat me als jager steeds duidelijker wordt: aan willekeur ontkom je niet, je bent god niet.’ Kan ze het zwaluwtje helpen? Moet ze de wild lopende schapen schieten? Moet ze de poel laten uitgraven en herstellen? Zijn dit nog morele dilemma’s? Eigenlijk zijn ze groter dan dat, De Bok beschouwt via deze individuele gevallen ons hele systeem met andere soorten, en dus onszelf. Dat is razend interessant, zeker gecombineerd met die verstilde observaties van grootse natuur en een prettige zelfreflectie. ‘Weer snapte ik niet wat ik zag,’ schrijft ze dan.
Jury’s schmury’s, ik ken ze, ik heb erin gezeten en mijn inschatting is weinig waard, maar De poel verdient een prijs, en voor de Jan Hanlo Essayprijs mag het boek ook opgaan. En mijn vriendin en ik? We gaan wel kamperen, en dubben of we als klimaatmigranten aan ons Duits moeten gaan werken, of het verder moeten zoeken.
AtlasContact gaf De Poel uit. Op Athenaeum.nl bespreekt Daan de hele shortlist.
In onze rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter.
Deze week: Twan Vet.
De vrouw die ooit mijn moeder was
Een vrouw staat bij mijn wieg. Ze draagt een
hemd van crêpepapier, werpt een scheve blik op
mij en ik, ik slaap en weet van niets.
Dan valt mij de leegte in haar armen op:
dat is de vrouw die ooit mijn moeder was,
denk ik. En die baby daar, dat is de zoon die ik
had kunnen zijn. Hoe ze daar doodstil staat, alsof een
ander mij zonet heeft uitgebraakt. We delen daar dezelfde
kamer, dezelfde lucht en hetzelfde raam met
uitzicht op een beter leven. De vrouw die nu door
stom geluk de titel ‘moeder’ draagt en nooit om flessen,
kleine kleren, luiers heeft gevraagd –
ze kijkt me aan, ze stopt me in, ze wenst me
alle goeds en draait me met twee vreemde
handen naar een ander leven toe.
De man die nooit mijn vader was
Mijn vader krijgt geen plek in dit gedicht.
Wel een trein die mij een nieuwe dag
in rijdt, een buurman die zijn tulpen aait,
een uitgebluste, duifgrijze vrouw die door
een hond door de straten wordt gesjouwd,
mijn kat, die gulzig over muizen, vogels,
hazen droomt – ik weet dat ze nog steeds in
het reusachtig rekken van haar kaak gelooft –,
het meisje dat haar zachte stempel drukte op
mijn bed en nu hardnekkig aan een ander denkt –
bijna iedereen mag in dit gedicht, maar niet de man
zonder gezicht, die laag en laf de benen nam
en zelfs geen letters voor me over had,
de man die de gevolgen van zijn daad,
zijn zaad, zijn voortbestaan vergat en ging –
mijn vader mocht geen plek in dit gedicht.
Het kind dat ik niet heb
Vanmiddag keek ik op de klok, schrok, griste mijn sleutels
van de tafel en fietste hard naar het verlaten schoolplein
waar ik uren wachtte op het kind dat ik niet heb.
Vaak weet ik dat ze niet bestaat, maar soms
denk ik dat mijn dochter over onverlichte wegen van
een sportclub naar het huis toe fietst en onverklaarbaar
oplost in het niets. In elke jongen die ik zie op
straat zie ik een monster dat alleen aan neuken
denkt en haar straks ook de hel in naait.
Vannacht zal ik weer zoeken naar de kamer die mijn huis
niet heeft, om te zien hoe ze vredig ligt te slapen,
om te fluisteren dat ze zich geen zorgen hoeft te maken.
Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedjes. Hij schreef columns voor o.a. Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei, Ooteoote en in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Van 2021 tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort.
Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 2 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.
*
‘De wal’ noemen ze het vasteland hier. Alsof het eiland een schip is. Of een losliggend vlot. Alsof het elk moment op drift kan raken.
◊
Misschien is het waar dat dingen op eilanden minder vast liggen. Ook de tijd lijkt zich er anders te gedragen.
◊
Vannacht werd ik — voor de zoveelste keer sinds ik hier ben — wakker van de stilte. Zo stil moet het zijn op de bodem van de oceaan, dacht ik. Of in de ruimte. Door de kier tussen de gordijnen flitste de morsecode van het vuurtorenlicht langs de wanden van de slaapkamer.
Ik dacht aan de astronaut die ik eens heb horen vertellen over zijn werk op het International Space Station. Hij kon slechts werken in etappes. Elke 45 minuten schoof de aarde voor de zon en zag je geen hand voor ogen in het heelal. Na drie kwartier kwam de zon weer op en kon hij verder met zijn werkzaamheden. Hij zag zestien zonsopgangen en zestien zonsondergangen per dag.
Ik viel in slaap. Terwijl ik sliep flitsten de etmalen voorbij. Bij het ontwaken was de wereld stokoud en ik nog jong.
◊
Op Malta geven alle 365 kerkklokken een ander tijdstip aan. Dat is om de duivel in verwarring te brengen. Zo weet hij niet wanneer het tijd is om iemand te komen halen.
Hoe vaak heb ik mijn eigen duivel hier niet om de tuin kunnen leiden? Hoe vaak heb ik hier niet kunnen vergeten dat het waar is wat ze zeggen: dat van uitstel afstel komt.
◊
Ik lees, ik zwerf over het eiland, loop kilometers per dag langs de zee. Het water trekt me aan. Niet alleen mij. Je ziet het bij alle strandwandelaars. We kunnen overal lopen, het strand is breed, toch lopen we eerst naar de branding. Bijna als onder hypnose lopen we naar het water. Bruusk wordt de betovering verbroken wanneer we — te dichtbij gekomen — terugdeinzen, geschrokken van het zuigende zand dat aan onze voeten trekt.
◊
Sommige wetenschappers beweren dat we door de zee worden aangetrokken doordat we eruit voortkomen. De percentages natrium, kalium, magnesium, jodium, chloor en andere mineralen in ons bloed komen overeen met die van zeewater.
Ik weet niet of dat waar is. Wél weet ik dat mijn tranen net zo zout zijn.
◊
Het is ons brein, zegt de Zweedse dichter Thomas Tidholm. Onze hersenen zijn niet wat we denken: Als we ze eruit lieten, zouden ze wegkruipen richting de zee. Daar zouden ze worden ontvangen door neteldieren en nautilussen, anemonen en octopussen. Bevrijd zouden ze hun kronkels losgooien en wegzwemmen tussen de koraalbanken.
◊
Ik ken iemand die geen weerstand meer besloot te bieden aan de roep van het water. Op een Engels eiland trok hij zijn schoenen uit, rolde zijn sokken op, legde zijn broek en shirt netjes opgevouwen op het strand en liep de zee in totdat hij niet meer kon staan. Toen is hij gaan zwemmen, steeds verder weg. Totdat er alleen nog water was.
◊
De verdrinkingsdood is de mooiste dood, zeggen mensen die het niet kunnen weten. Hoe kunnen ze het anders navertellen?
Een reisreportage na een lange fietstocht, dan is een glas bier verdiend in Roman Helinski’s korte verhaal ‘Lier’. Toch wringt het.
*
Het was al laat – de terrassen van de kleine stad waren nog halfvol, steeds meer mensen gingen naar huis, en zij die bleven trokken een trui aan, want de hitte van de dag was opgelost en het werd nu snel frisser. Laatste ronden werden aangekondigd door obers toen de fotograaf en ik vanuit het restaurant naar ons hotel wandelden. We hadden fantastisch gegeten – zeven gangen, ingrediënten uit het Neteland rondom de Belgische stad Lier. De kok was een paar keer uit de keuken gekomen om vertellen wat er op onze borden lag. We kregen de beste behandeling, zoals wel vaker, omdat we journalisten waren – of althans: als journalisten werden gezien. In feite was er aan ons werk niets wat de term journalistiek rechtvaardigde, een toeristisch verhaal afleveren met foto’s was de opdracht. In het restaurant hielp het ons dat de fotograaf op zoek ging naar de juiste hoek en het beste licht om het hoofgerecht te fotograferen – een zachte biefstuk, waarvan navraag leerde dat die dan weer niet uit de streek afkomstig was. We dronken zurige frisse lambiek als aperitief, Oostenrijkse en Luikse oranje wijnen, een Montepulciano uit 2018. En toch voelden we toen we later door die koele avondlucht naar ons hotel wandelden weinig van de wijn of die zeven gangen. Bedwelmd door de fijne combinatie van de smaken van het eten en de wijn, niet zozeer van het eten en de wijn zelf dus, liepen we naar ons hotel. We waren nog niet helemaal voldaan, want de stad die zo levendig was geweest toen we het restaurant binnen gingen, had in de binnentuin minder geleefd, en we verlangden naar de roes van bier en jeugd rondom ons; studenten die lachten, jonge vrouwen met blote buiken die naar ons keken, of ons in elk geval het idee gaven dat ze elk moment konden opkijken. We passeerden een café dat The Jack heette. De fotograaf stelde voor plaats te nemen op het kleine terras aan de voorkant, al kwam die zaak op het eerste oog op geen enkele manier tegemoet aan onze eenvoudige wensen. The Jack was een volkscafé; acht stoelen stonden buiten, allemaal bezet. Rokende mannen met ontblote armen met tatoeages, een oude barvrouw die ons een paar tellen nadrukkelijk opnam en daarna pas vroeg wat we bliefden. Ze zetten ons bier neer bij twee stoelen die net waren vrijgekomen. Om ons heen klonk plat Vlaams – Antwerps dialect. Rechts naast me een vrouw die me vanuit haar ooghoeken in de gaten hield. De fotograaf en ik spraken over onze reis tot zover – een fietstocht rondom de stad, vooral een tocht langs de slingerende rivier de Nete met zijn prachtige, verstilde oevers. Makkelijk in het gehoor liggende rock klonk vanuit de openstaande deuren van het café. Terwijl ik ernaar luisterde, voelde ik hoe moe ik eigenlijk was, de fotograaf vast ook, want die morgen waren we vroeg op de fiets gestapt. In een opwelling waren we hier gaan zitten, maar het gaf een fraai inkijkje in een andere wereld dan die waar we de laatste dagen hadden vertoefd. De arbeiders van Lier, de voetbalsupporters, in plaats van studenten en chef-koks, gidsen en medewerkers van toerismediensten die er alles aan deden om het ons naar de zin te maken.
Het gesprek met de mensen rond ons kwam niet van de grond; de knikjes naar elkaar waren vriendelijk, het heffen van het glas werd twee keer beantwoord. ’t Bolleke dat ik had besteld steeg aangenaam naar mijn hoofd; en dat onprettige gevoel dat ik soms heb bij nieuwe groepen bleef uit. De fotograaf zei ietwat hard, niet alleen voor mijn oren: ‘Zeventig kilometer langs de Nete gefietst.’ Dit trok de aandacht. Iemand vroeg: ‘Waarom?’
‘Een reisverhaal,’ antwoordde ik, waarna de dame snoof die op het terras naast me zat, een armlengte bij me vandaan. Ik bekeek haar wat beter. Een jaar of vijftig, flink opgemaakt, het gezicht van een roker. Haar ogen waren helder en er lag iets opmerkzaams in; het was alsof ze meer zág dan de meeste anderen.
Een korte uitwisseling over het fietsen langs de Nete volgde en vanuit daar vertakte het gesprek zich. De fotograaf sprak met een man die zichzelf voortdurend herhaalde, en die al die tijd had zitten mompelen terwijl er niemand met hem sprak. Ik praatte met een iele kerel die me al was opgevallen vanwege zijn merkwaardige, stijve loop toen hij naar het toilet was gegaan; ik vroeg me af of hij kunstheupen had. We spraken over Feyenoord, waarvan hij fan was, en over die andere havenploeg: Royal Antwerpen. Ik viste uit de poel van herinneringen oud-spelers van die laatste club op en legde hem wat feitjes voor. Ik prikkelde hem door te zeggen dat het naar mijn weten al jaren geen topploeg meer was, maar de man hapte niet en beaamde slechts mijn constatering. Een kalme kerel, doodgoed en vriendelijk. Ik verstond niet alles wat hij zei omdat de muziek harder was gezet. Ik vroeg hem een paar keer om luider te spreken, maar daarna verstond ik hem nog steeds niet goed, en toen knikte ik gewoon mee, mogelijk deed hij precies hetzelfde, want we spraken langs elkaar heen.
Zo kabbelde de avond voort. De fotograaf moest hard lachen om de verhalen van de mompelaar, en ik zocht naar een nieuwe gesprekpartner, want de voetbalfan en ik waren uitgepraat. Hij stond nog een keer op om naar het toilet te gaan, kwam naar buiten met een colaatje, want hij dronk niet en dat nam me voor hem in. Op dat moment draaide de vrouw naast me het hoofd half mijn kant op, en de overgebleven afstand tussen ons overbrugde ze door haar ogen naar de hoeken van haar kassen te laten drijven. Ze vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’ Instinctief wist ik wat ze bedoelde; waarom waren we uitgerekend in dit café op het terras gaan zitten? Ik antwoordde: ‘Wat we in Lier doen? We maken een reisverhaal.’ Ze wendde het hoofd af, zuchtend, alsof het moeite kostte. Daarna draaide ze weer terug, die blik vanuit de ooghoeken; schuw, minzaam. ‘Nee, meneertje, wat doe je híér.’ Geen vraag, het woord ‘hier’ kreeg nadruk.
‘Ik drink mijn biertje,’ zei ik. ‘Mág dat?’ Haar antwoord stond al vast, dat had ik al aan haar hele houding gezien, aan het wegkijken.
Ze herhaalde: ‘Wat doe je hier.’
Ik ging anders op mijn stoel zitten, keek naar de fotograaf die nog in gesprek was verderop, Hij was met zijn altijd open houding overal op zijn plek. De vrouw vroeg: ‘Waarom zit je hier en niet in die andere twintig cafés? Waarom praat je…’ Een veeg met haar arm naar de mompelaar. ‘Waarom praat je met de minderen hier?’
‘De minderen?’ herhaalde ik, bereid om haar met deze uitdrukking de rest van de avond om de oren te slaan. ‘Hoezo de minderen? Niemand is minder dan een ander.’
‘Ach,’ zei ze. ‘Je weet wat ik bedoel.’
Ik probeerde haar aan te kijken, maar ze draaide haar hoofd steeds weg.
‘Kunt u me gewoon aankijken als we praten?’ vroeg ik. Weer die blik, het schudden van het hoofd. De voetbalfan volgde het gesprek, maar zei niks. Ik glimlachte naar hem, hij schrok ervan en beantwoordde de lach niet. We hadden prima gepraat, leuk over voetbal, maar deze vrouw kende hij langer, in elk geval al de hele avond en dat was nog steeds eindeloos langer dan dat hij mij kende. Ik telde de mensen op het terras, en meende dat de meesten op onze hand waren, want we hadden ze niets misdaan.
‘Ga toch weg,’ zei de vrouw. ‘Je hebt hier niks te zoeken. En neem hem mee.’ Ze wees naar de fotograaf, ondertussen met een andere man in gesprek. Mijn bier was op, maar ik bestelde niet bij. De vrouw maakte voor de zoveelste keer een afkeurend geluid. Het was onplezierig om daar de veroorzaker van te zijn – net zoals het vervelend was om geen kans van haar te krijgen echt met elkaar te praten. Maar vertrekken op verzoek was geen optie. Ook al maakte ik reisverhalen die voor vijfennegentig procent bestonden uit positieve berichten over de stad – geen journalistiek werk dus – toch voelde ik me geroepen om te blijven. Deze vrouw zag mij als journalist en ze wantrouwde de journalist, en zette hem onder druk, zodat hij uit haar wereld terug zou stappen. Toch had ik ook iets van bewondering voor de scherpte van de vrouw, omdat ze de situatie goed inschatte. Waarom waren we hier eigenlijk binnengestapt? Was het de oprechte interesse om een andere wereld te zien, om andere verhalen te horen, of was het ludiek, een grapje van twee mannen die ongetwijfeld meer aangeschoten waren dan ze zelf door hadden?
De vrouw stond op, liep vlak voor me langs, en even was ik op mijn hoede voor een duw, of de inhoud van haar glas bier over me heen. Ik zou op tijd zijn weggesprongen, ondanks het extra biertje na al die wijn. Ze verdween en op het terras werden de gesprekken hervat. De voetbalfan sprak weer over voetbal tegen me en ik was wat milder over Royal Antwerpen. Ondertussen woog ik af: was dit een moment om er tussen uit te knijpen zonder gezichtsverlies? De fotograaf was nog steeds in gesprek, de mompelaar aan mijn linkerhand sprak in zichzelf. Ik riep de fotograaf, terwijl de vrouw alweer naast me plaatsnam. De fotograaf keek verstoord op. Met een paar woorden stelde ik hem op de hoogte van de situatie. Niet om twee tegen éen verder te praten, maar omdat hij veel meer dan ik het talent had om gemoederen te kalmeren, om spanning weg te lachen. Maar zijn gelach nu – oprecht, om het verzoek te vertrekken dat de vrouw nog eens herhaalde, met meer gif – viel niet goed. Ook hem gunde ze het niet om aangekeken te worden. Ze beet hem iets toe, richtte haar woede in het gesprek met hem op mij, aan mijn houding – ik had haar geschoffeerd. Opnieuw lachte de fotograaf haar woorden weg, de spanning bleef groot. In haar kroeg tussen deze mensen, mindere mensen zoals de vrouw ze zelf noemde, waarbij ze voor zover ik kon inschatten dus neerkeek op de mensen terwijl zij het tegelijkertijd voor hen opnam. Ik probeerde de vrouw nog een keer uit te leggen dat we een reisverhaal maakten, dat dit café niet in het artikel zou belanden, omdat niemand in een oppervlakkig reisblad wil lezen over een volkscafé na middernacht – hier herstelde ik mezelf, en maakte er café na middernacht van. Ze luisterde niet. De fotograaf vertelde haar dat hij met de arbeider een mooi gesprek had gevoerd over de kosten van het leven in Lier, maar het ging er niet in bij de vrouw. De wijn van die avond speelde op dat moment op in mijn maag. Ik slikte de zurige smaak ervan een paar keer weg. Mijn geduld was op. Ik verliet het terras, zonder nog woorden aan de vrouw vuil te maken, de fotograaf volgde. In mijn hotel liet ik het bad vollopen, ook al was het al één uur.
In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Willemijn van den Geest.
Het is niet dat ik vaak hemels mis.
Maar nu de daken op me janken, ze langs muren plengt
en bodems raakt, verloopt het.Wij leven in uitgegumde lijnen tot de wereld. Eten
voorverpakte ogenblikken. Herkauwen ons.En ik ken de regen, ken het vallen.
Het doet er niet toe. Ik kan op plekken komen waar nog
via straten in oneindigheid te lopen is.Daar verken ik zwarte tuinen. Waar verf door vocht van muren
bladdert. En ondanks dat klimops nog klimmen.Hemels in.
Teruggekomen zie ik ze op planken van bestaande meubels
stormt het als een wervelwind de kelen in begint
opnieuw het regenen.Wat ik niet ken: hoe tuinen horizontaal dagen in groeien
daar vormen van geluk aannemen.Hoe vloeren eindes zijn, dat heb ik nooit geleerd
ik loop er rond als dier dat wil gaan liggen maar ik lig niet
lig nooit.Blijf naar boven kijken. Hemels in.
Willemijn van den Geest (1988) is schrijver en dichter en woont in Italië. Zij studeerde Nederlands en Filosofie in Groningen en Amsterdam. Naast het schrijven van poëzie werkt zij regelmatig met muzikanten aan interdisciplinaire projecten voor spoken word en muziek.
Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoek ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 1 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.
*
Er hangt al dagen een dikke mist. De wereld klinkt zoals na een vers pak sneeuw. Toen ik hier op de eerste dag aankwam waren er duinen zover je kon kijken. Daarachter, onzichtbaar ruisend, de zee.
◊
Het eiland is altijd mijn toevluchtsoord geweest. Als kind ging ik er op vakantie met mijn ouders. Als volwassene vond ik er sterrenhemels, stilte, inspiratie en troost. Het eiland heeft me leren schrijven. Mijn eerste verhaal — ik zal tien geweest zijn, hooguit elf — ging over het eiland. Over een strandjutter die Willem heette en een schat vond die hij opnieuw begroef en nooit meer terugvond. Later schreef ik er mijn eerste ‘echte’ gedicht. Ook nu zit ik in een huisje in de duinen. In het uiterst bewoonbare oosten. Oostelijker gaat niet. Daar val je van de wereld af.
◊
Ik ben op het eiland om te schrijven. En ook: om ruwe dingen te onderzoeken. Oesterbanken. Zeepokken op rompen van schepen. Om de scherpte van een vers verdriet te laten slijten. Het te polijsten aan hun grillige kartels en randen. Om moed te verzamelen. Om te durven beginnen met schrijven.
◊
Het is misschien de eenzaamheid. Dat eilanden omgeven zijn door niets dan water. En dat je alles moet achterlaten om er te komen.
◊
Aan de noordkant zag ik mannen met metaaldetectors van links naar rechts zwiepend het strandzand scannen. Aan de zuidkant tastten lepelaars met precies diezelfde pendelbeweging het Wad af, zoekend naar garnalen. De vogels hielden stil toen ik dichterbij kwam, op hun hoede, maar vlogen niet weg.
◊
Oesters zijn zowel mannelijk als vrouwelijk. Zo kunnen ze zichzelf bevruchten. Dat is handig omdat ze zich niet kunnen verplaatsen. Zeepokken kunnen kiezen of ze mannelijk of vrouwelijk zijn. Ze hebben een dak dat open kan zoals bij een cabriolet. Soms, als ze zin hebben, schuiven ze het dak naar twee kanten open en steken hun piemel naar buiten, 25 keer zo lang als hun lijf. Daarmee kloppen ze op de daken van de buren. Totdat er eentje besluit een vrouwtje te zijn en hem binnen te laten.
◊
My love for traveling to islands amounts to a pathological condition known as nesomania, an obsession with islands. This craze seems reasonable to me, because islands are small self-contained worlds that can help us understand larger ones.
— Paul Theroux
Misschien dat dat het is. Dat ik zo van eilanden houd omdat ze me helpen de wereld te begrijpen.
◊
Nog altijd niets dan mist. Het uitzicht is spierwit. Zo wit en leeg dat ik me vanmorgen bij het wakker worden afvroeg of de wereld voorbij mijn huis nog wel bestond. Maar vanmiddag daverden er paarden langs het keukenraam.
Dorien Dijkhuis schrijft poëzie, proza en essays. Haar werk verscheen onder meer in Het Liegend Konijn, De Revisor, Papieren Helden, Tirade en Terras. Ze debuteerde met de bundel Waren we dieren bij Uitgeverij Nieuw Amsterdam. Momenteel werkt ze onder andere aan een serie muzikale vertellingen en een poëtische virtual reality-installatie die tijdens het festivalseizoen van 2022 op verschillende plekken te zien zal zijn. Meer info vind je op www.doriendijkhuis.nl.
Sarah Hall: de redacteur las de nieuwe roman van een favoriete auteur, en ziet hoe ze onze diepste emoties illustreert en analyseert.
*
Sarah Halls nieuwste roman Burntcoat is hele essays waard, maar er komt een recensie aan op Athenaeum.nl, en hier probeer ik die samen te vatten en van een uitgebreidere stijlanalyse te vergezellen. Allereerst: een geweldig boek. Hall weet dingen scherp te krijgen over maatschappij, mens en kunst in een verhaal dat afwisselend sexy en geestig, spannend en dieptriest, en wijs is.
Ze portretteert een onafhankelijke vrouw, een kunstenares, die net voor het virus de mensen naar binnen dwingt, verliefd wordt op een Turkse restauranthouder. Hij trekt bij haar in, het is een idylle, tot het virus ook hen bereikt, dan het wordt een hel. En terwijl Hall de levensgeschiedenis van de vertelster verweeft met die situatie, strooit ze met overtuigende seksscènes, indringende verhalen van de minnaar en serieuze dreiging.
In januari verschijnt de vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer, dan is een analyse vast nog interessanter – al was het maar omdat ik het Nederlands beter beheers – maar nu een scène die me aan het lachen bracht, net nadat de ik bij een gevecht gewond geraakt is:
‘My wrist was bandaged in crêpe; you’d wrapped it very neatly, to my surprise. The military service, you explained, when there was little to do but patrol the border, watching for feudal village activity, learning to polish, drill, practising first aid.
And watching pornography.
With the confession, you glanced up from doctoring my wrist.
Sorry.‘
We hebben net een ernstige scène achter de rug, het geweld buiten is bij ze binnengedrongen, en Hall vat het gesprek heel strak samen. Spreekt de ik haar verrassing hardop uit? Somt hij zijn bezigheden inderdaad zo summier op, in een tricolon? Omdat hij zo’n ronde vorm gebruikt, is de toevoeging in directe reden extra verrassend. (Maakt zij die opmerking? Ik denk het wel, maar vervolgens zijn alle zinnen in directe rede cursief.) Zijn blik omhoog en zijn reactie geven die geestige opmerking een andere lading. Dat klopt en werkt, en na een dialoog die ingaat op details en zijn gêne zichtbaar opwekt, is Hall ook in de analyse sterk:
‘I waited for you to tie the bandage, splitting apart and tucking the crêpe. The pinch of jealousy, as your courteous, discreet front spoiled and experience spilled out, was both painful and exciting. Shadowy scenes from your past, and I was a voyeur. You were kneeling beside me, had been looking down throughout the explicit interview. Now you held my gaze. Your eyes were brightly minted, full of mischief, mild disgrace, the glimmer of arousal.
Why are we talking about this?
It’s a painkiller.‘
In één zin (‘The pinch of jealousy…’) weet Hall het dubbelzinnige van de dialoog te vatten, de spanning en het ongemak, de intimiteit en de vervreemding. En ze observeert precies dat ook bij de minnaar. En dan die uitsmijter: praten over porno als pijnbestrijding, dat is mooi gevonden.
Nog geen tien pagina’s later komt ook hij verwond thuis en, blijkt even later, besmet. Seks en dood, die belangrijke thema’s voor Hall, zitten akelig dicht op elkaar. Maar ze zegt in Burntcoat dus ook heel zinnige dingen over kunst, over literatuur, over ziekte, over hoe we met elkaar omgaan. Over alles.
Burntcoatis uitgegeven door Faber. De vertaling, Het atelier, verschijnt in 2022 bij Ambo|Anthos.


