Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week de slotaflevering, 7, van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

We saw for a moment laid out among us the body of the complete human being whom we have failed to be, but at the same time cannot forget. All that we might have been we saw; all that we had missed, and we grudged for a moment the other’s claim, as children when the cake is cut, the one cake, the only cake, watch their slice diminishing.
— Virginia Woolf, The Waves

Naast het leven dat we leiden, bestaat het parallelle leven, zegt filosoof Adam Phillips: het leven dat we alleen in gedachten hebben geleefd. Het leven van de risico’s die we hebben gemeden en de kansen die we voorbij hebben laten gaan of die zich nooit hebben aangediend. Dat leven is altijd gepaard aan het leven dat we wél leiden. We delen ons leven met andere woorden met degenen die we nooit zijn geworden.

One’s real life is so often the life that one does not lead (Oscar Wilde).

Ik slaap veel op het eiland. Als ik ’s ochtends wakker word van het licht dat door de dunne gordijnen valt, trek ik een kussen over mijn hoofd en slaap verder. Misschien is het de zee. De buitenlucht. De huilbuien. Misschien is het omdat ook slapen een vorm van vluchten is. Terwijl we in deze wereld slapen, zijn we wakker in een andere. (Borges)

Terwijl ik wachtte, reed ik op een parallelweg. Links, voorbij de vangrail, lag de weg waarop ik elk moment zou kunnen invoegen. Daar zou ik rijden in een grote Volvo met gekleurde boerderijdieren op de achterramen. De invoegstrook kon zich elk moment aandienen. Terwijl ik wachtte verlangde ik naar een teken. Een verkeersbord: ritsen over 300 meter.

You think of the child you might have had but didn’t. When the midwife says: ‘It’s a boy’, where does the girl go? When you think you’re pregnant and you’re not, what happens to that child that was already formed in your mind? You keep it filed in a drawer in your consciousness, like a short story that wouldn’t work after the opening lines.
— Hilary Mantel, Giving up the ghost

Soms bestonden beide levens tegelijk. De dagen voor de ochtend — eindelijk — dat het tijd was om over een plastic teststaaf heen te plassen.

Tijdens die wachtdagen dacht ik vaak aan Schrödinger en de kat in de doos. De kat leefde en tegelijkertijd leefde hij niet. Terwijl ik wachtte, was ik tegelijkertijd zwanger en niet zwanger. Ik had een toekomst als moeder en een toekomst waarin ik geen moeder was. Ik was beide vrouwen tegelijk.

Ik zou hier iets kunnen zeggen over regenwormen. Wanneer je die in tweeën knipt, leven beide helften door. De worm splitst zich; hij leeft twee levens in plaats van één. Maar er worden zoveel dingen beweerd. Een worm die je doormidden hakt, gaat vaak gewoon dood. Beide helften blijven nog een tijdje kronkelen waardoor het lijkt alsof ze leven. In werkelijkheid zit je gewoon te kijken naar een dier dat stuiptrekkend het loodje legt.

Alleen als de schade niet al te groot is, is een regenworm in staat zijn ontbrekende lichaamsdeel weer aan te laten groeien. Soms lukt het hem om weer heel te worden.

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het eerste verhaal: ‘Glimp’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Als kind ving ik een glimp.’

*

Sander Kollaard: de redacteur las een roman over isolatie, over kleuren en verhalen, die rond is en warm en raak — en fietst er nog een verwijzing naar de nieuwe Revisor in.

*

Daan Stoffelsen: Sander Kollaard, De kleuren van Anna

Ik kom nog met een aantal goede redenen om Sander Kollaards nieuwste roman te lezen, maar wat mij ook trof in dit boek was hoe hij, getriggerd door de observaties van een bevriende oudere vrouw, Anna, meer oog krijgt voor kleur. Dat vertaalt zich, en dat herken ik van mijn eigen bijdrage aan de nieuwste Revisor (koop dat nummer! Word abonnee!) in een specifiekere taal. Dat wordt bijna onvertaalbaar als ik kom tot ‘door celadon en mantisgroen gestut niets met een cambridgegroen-witte stuntvogel’, en ik moet toegeven dat ik aan het einde van mijn essay wat doorgeschoten ben in de groenvariaties maar een enkel nieuw woord verrijkt vooral. Kollaard houdt zich in, al heeft zijn aandacht iets verliefds:

‘Waar ze liep kreeg het bos meer kleur. In het mos bij haar voeten ontdekte ik gele, blauwe en roze vlekken. In haar spoor lichten paddenstoelen op: roomwit, lichtgeel, oker, abrikooskleurig, rood en kastanje. Op de stammen waarbij ze zo nu en dan steun zocht kwamen beige en bruin tevoorschijn, paars, blauwgrijs en het turquoise van wat slierten mos.’

De wereld is meer dan groen en grijs, dat punt wil Kollaard – en ik met hem – graag maken. Ja, Sander Kollaard, de man die het gelukkige schrijven volhoudt tot in zijn droevigste roman (Stadium IV, ook zo’n aanrader), schreef een lockdownboek rondom een bijzondere oudere vrouw, die dus oog heeft voor kleuren, de natuur beschermt en uitgroeit tot een muze. Haar verhalen, in Kollaards kenmerkende sebaldeske indirecte reden, maken de roman, met essayistische delen over de kleuren rood (woede! virus!), geel (Willem de Kooning, de dageraad), blauw (Joe Biden, de pest op Aegina) en groen (Histor, Darwin). En het speelt zich af in een heimwee-oproepend Zweden in de sneeuw, gekruid met bedaagde wijsheid en slapstick met hondenlijnen – De kleuren van Anna is een roman voor deze tijd en voor deze tijd van het jaar.

Isolatie

Twee persconferenties geleden dronk ik koffie met Bart Koubaa, oud-collega en vriend op afstand, en merkte tot mijn eigen verrassing op dat de nieuwe Kollaard een sterker quarantainegevoel geeft dan Koubaa’s nieuwe boek. Waar de schrijver in zijn Dansen in tijden van droogte amper het huis in Gent verlaat, zwerft de ik in De kleuren van Anna in ruime cirkels rond zijn Zweedse huis. Toch is de pandemie aanweziger, de ik en Anna praten erover, de schrijver denkt erover na, een beetje zoals Kollaard zelf voor zijn Revisor-correspondentie met Roos van Rijswijk deed.

‘En al die tijd ging het virus rond, onzichtbaar, maar desondanks in staat om alle aandacht op te eisen. Het kwam mij meer en meer voor alsof we in de greep kwamen van een nieuwe god. Onze aandacht werd een vorm van aanbidding, onze quarantaine een eredienst, onze angst een bewijs van geloof. Alsof inderdaad sprake was van een nieuwe god verstrikte het virus ons in een verbond dat wij niet konden breken, dit keer niet bij gebrek aan kennis van goed en kwaad, maar omdat er geen vaccin was. En waar anders dan in de ban van een almachtige god, zo dacht ik, kon onze woede eindelijk tot bedaren komen? Want opeens voelden we iets zachts vanbinnen. Opeens voelden we de drang om goed te doen. Opeens zochten we naar verbinding en deden we boodschappen voor de bejaarde buren en stuurden we elkaar gedichten en zongen we vanaf ons balkon. En zo begon ik stilletjes te hopen dat deze god, deze nieuwe god, deze op het oog zo verschrikkelijke god, uiteindelijk iets goeds zou brengen.
Nou, zei Anna, toen ik haar dit voorhield, je draaft wel een beetje door, maar ik begrijp je punt.’

Het kleine dorp, de bossen eromheen, de afstand tot alles (‘Toen het virus uitbrak, veranderde er bij ons in het dorp niet veel. We maakten grapjes over het advies om afstand te bewaren.’) – het ademt covid, hoezeer ook op afstand. En waar Koubaa met niet-verzonden brieven en niet-geboekte reizen paradoxaal genoeg heel ver komt in een soort kennismaking met een onbekende Keniaan, lijkt Kollaards ik die reislust te ontberen: De kleuren van Anna heeft de intimiteit van een persoonlijk essay, thuis, geïsoleerd. Want ja, Koubaa schrijft zijn eerste non-fictieboek, Kollaard verwerkt voor het eerst grote essayistische stukken in een roman. Daarmee houdt de vergelijking op, en ik bestelde een tweede kopje koffie.

Anna

Maar als je dus begint aan De kleuren van Anna, hoofdstuk ‘Rood’, val je meteen in zo’n essayistisch deel. Kollaard somt op wat er rood is, onderzoekt gevaar, waarschuwingen, de woede. Willem-Alexander komt langs. De karnemelkflessen van vroeger roepen een paragraaf aan herinneringen aan de melkboer op, ‘Piet, een reusachtige man met een groot, rond en rood gezicht’, de kleur leidt tot een waarderende observatie van Anders Zorns zelfportret uit 1920, en tot een lofrede op faluröd. ‘Het is een rood dat met gemak de seizoenen zichtbaar maakt, en met die seizoenen de tijd, en met die tijd mijn leven, en dat van u en iedereen en alles wat leeft.’

Drie asterisken en over van de kleuren naar Anna. De openingsalinea van háár verhaal wordt al in de flaptekst geciteerd, maar hij is dan ook ijzersterk.

‘Anna was bij onze eerste ontmoeting even in de zeventig. Ze had een hond, net als ik, en we raakten aan de praat in het dorp. Ze stelde zich voor, wees vaagjes in de richting van het huis waar ze sinds een paar weken woonde, en vertelde me toen dat ze als jonge vrouw een paar uur had gevochten met een engel.
Ik vertel dat verhaal zo vaak ik maar kan, zei ze, terwijl ze een snelle stap deed om een hondenlijn te ontlopen, zodat ik het kan blijven geloven. Je moet soms je best doen om de waarheid te blijven zien.
Ik knikte.’

Het is natuurlijk volkomen ongerijmd, zo’n verhaal van een gevecht met een engel, maar Kollaard introduceert het zonder commentaar (‘Ik knikte.’), met signaalwoorden ‘verhaal’ en ‘waarheid’ die niet onderuitgehaald worden maar wel het belang van het eerste en de betrekkelijkheid van het tweede onderstrepen. Er zitten verder wat idiomatische weekmakers in de zinnen (‘even’, ‘vaagjes’) die niettemin prettig contrasteren met de besliste toon van Anna, die ook meermalen in de roman stelt dat de ik doordraaft – maar ze begrijpt zijn punt. Wat valt verder op? Ze is in de zeventig (ze zal overlijden, deze roman) en vertelt over haar jonge ik – en daarmee overbrugt Kollaard net als in zijn eerste verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde en Stadium IV bijna een heel leven. Ten slotte: het ontwijken van de hondenlijn zal een van de slapstickelementen in de roman worden.

Rond

Kollaard houdt de kleurenessays en het verhaal van Anna grotendeels gescheiden, lijkt niet heel gericht te schrijven, van de felrode hak op de dageraadsrozevingerige tak, maar zijn scherpe analyses en de vloeiende verhaallijn houden het boek bij elkaar. Het gaat daarin uiteindelijk om de kleuren ná Anna. Anna nam namelijk een jonge asielzoekster onder haar hoede, Zilan, die tot lang na Anna’s sterven zwijgt, en Anna’s geheim ontdekt in haar schuurtje. De idealistische oude vrouw bleek een activist. Zilan lost meer kwesties op, en wordt steeds meer als Anna, zodat als de ik op de slotpagina’s aankondigt een boek te gaan schrijven, ze hem aanspreekt zoals Anna dat deed: ‘Goed zo, schrijvertje, zei ze, nog altijd wiegend. Waar gaat het over?’ ‘Over kleur.’

Daarmee is het verhaal rond, en even twijfel je of je nu het eerste hoofdstuk weer kan gaan lezen. Dat wíl je ook, want het isolement en de verbinding, de prettige personages en de sterke ideeën, de toon en de stijl zijn een tegengif voor en een afleiding in lockdowns en Nederlandse winters. De kleuren van Anna is warm en raak.

Van Oorschot geeft De kleuren van Anna uit.Op Athenaeum.nl lees je een fragment.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door het lot, door Burrhus Frederic Skinner en zijn duiven, door krasloten.

*

Ik leed aan wandeldrang. Ik wist zeker dat er buiten op straat, buiten mij, iets van hoop moest gloren. Als ik lang genoeg door de stad liep zou ik vanzelf een oplossing tegenkomen. Een orakel dat me precies zou zeggen wat ik moest doen om mijn leven weer op de rit te krijgen, een weldoener die in mij de uitgelezen bewoner van zijn leegstaande zolder zag. Iemand die zou zeggen: elk halfuur klinkt er een bel, en dan hoef je alleen maar op deze knop te drukken, we betalen je twintig euro per uur. Dat die gedachtegang volledig geschift was wist ik terwijl ik op rubberzolen het stratenplan uitsleet ook wel. Maar op een of andere manier kon ik het geloof in dat orakel, de weldoener, enzovoorts, niet uitzetten. Het was als naar een uitermate slecht kostuumdrama kijken. Er verschijnen hengelmicrofoons in beeld, de gravin draagt een digitaal horloge, je hebt ook aan goede kostuumdrama’s een hekel, en toch moet je een traantje wegpinken als bij zoete harptonen de jonkheer sterft. Het is niet echt, je lichaam doet alsof en produceert de bijpassende emotie. Mijn geloof was een soort emotie.

Zelfs in al mijn gekte dacht ik regelmatig aan Burrhus Frederic Skinner. Hij zet in de eerste helft van de twintigste eeuw duiven in een doos, en bewijst daarmee dat ook gevleugelden aan bijgeloof doen. De duiven in hun doos krijgen zo nu en dan voer, gewoon, zomaar. Maar die duiven denken, in al hun almacht, dat hun eigen gedrag invloed heeft op het verschijnen van voedsel.

Ook ’s avonds doolde door de stad. Op een van die avonden, ik bewoonde inmiddels een kamer, had ik van tevoren hardop de wens uitgesproken dat ik bij het grofvuil een poef, een tafeltje of een stoel zou vinden. Voor de verandering leek me dat een vrij redelijke vraag aan het lot, dat me vooralsnog niet voorzien had van grote sommen geld en orakels. Prompt vond ik op de eerste straathoek een tafeltje, op de tweede een poef en op de derde (ik liep inmiddels wat moeizaam wegens het gesleur) een stoel.
Zou het, dacht ik.
Het voelde allemaal nogal rechtvaardig.

Dit was allemaal jaren geleden. Als het leven er nu even is laaf ik me er blijmoedig aan tot ik niet meer kan. Mijn hoop op orakels is goeddeels vervaagd. Soms, wanneer er iets van wanhoop om mijn hart flakkert, koop ik een kraslot van een euro. Dat houd ik dan de hele dag in mijn tas en ik kalefater er aanzienlijk van op, want gedurende die hele dag is het zeker dat ik ’s avonds een jaarinkomen open zal krassen. Rechtvaardigheid! Rond bedtijd ben ik van geluk het hele kraslot vergeten. Een paar dagen later valt het uit mijn tas en dan kras ik het open, nul euro natuurlijk, maar dat is niet erg.

Skinners duiven, nog steeds in die doos, zijn overigens uitgehongerd. Ze hebben maar driekwart het gewicht van een weldoorvoede duif. In hun hongerklop beginnen ze handelingen te herhalen die ze uitvoerden vlak voor het verschijnen van het voer. Pik, precies daar, pikkerdepik. Knik, het kopje opzij. Driemaal een pirouette om de zaken in beweging te zetten, of nee, maak er veertigmaal van, opdat het veelvuldig voer moge regenen.
Het is niet dat de wereld er zonniger op wordt, verder. Nu ik dit schrijf, bijvoorbeeld, heb ik een treurige dag. Ik ben bang voor het virus en boos over twijfelachtige plannen die, prik in je mik of niet, voor totale verdeeldheid zorgen. En O God, het klimaat, de oorlogen, het kapitalisme, waarom zijn de boodschappen zo duur?

Mijn systeem wringt zich in bochten om troost te zoeken. Vroeger hielden we rekening met de seizoenen, nu met de golven, ook dit moet wennen. Klimaatwisselingen zijn van alle tijden, dat we deze zelf hebben veroorzaakt maakt het zuur, niet anders. We zijn dieren, en alle dieren moeten overleven, dat ook wij dat moeten waren we hier alleen even vergeten. Bladiebla, gadverdamme. Door mijn zolderraam zie ik de lucht die egaal grijs is, de muur van een cel. Ik knip alle lichten aan en internet mezelf nog een diepere kuil in. Alsof ik, steeds weer de NOS-site verversend, klik, klik, zeker weet dat er een bericht moet verschijnen dat orakelt over het einde van pandemie en wooncrisis. Alsof er, klik, in mijn mailbox een echte miljonair verschijnt. Alsof op Twitter, klikkerdeklik, iemand in plaats van een scheldkanonnade de formule voor een medicijn zal delen.

Op het zolderraam verschijnen spatjes. De iep waar ik op uitkijk is al zijn blad verloren, hij steekt als een hongerige dominee boven de stad uit. Mijn vleugels steek ik in een regenjas en mijn poten in stevige schoenen, ik daal koerend zes trappen af. Als ik lang genoeg pirouettes draai moet het goedkomen, moet er iets op zijn plaats vallen, het kan niet anders.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 6 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

How much better is silence; the coffee cup, the table. How much better to sit by myself like the solitary sea-bird that opens its wings on the stake. Let me sit here for ever with bare things, this coffee cup, this knife, this fork, things in themselves, myself being myself.
— Virginia Woolf, The Waves

Het niemandsland. Het tussenland waar niets groeit, niets beklijft, waar alles slechts op doorreis is: het stuivende zand, de meeuwen, de golven, het rollende zeeschuim, krabbetjes, dingen die bij eb door de zee aan land worden gebracht en bij vloed weer worden meegenomen, ikzelf.

Ik was hier met geliefden, familie en vrienden. Maar het vaakst was ik er alleen, zoals nu. Ik houd ervan om alleen te zijn. Ik luister zelfs niet naar de radio. Soms als het te eenzaam wordt, laaf ik me aan het geroezemoes van een café, maak ik heel even deel uit van de mensheid.

Virginia Woolf: Nothing thicker than a knife’s blade separates happiness from melancholy.

Hoe kon ik vergeten dat het eiland in de vakantie overspoeld wordt door gezinnen?

Ik weet niet goed hoe je verdriet verwerkt. Óf ik het wel verwerk. Of mijn komst naar het eiland niet gewoon een vlucht is. Het barst hier van het zand waar ik mijn hoofd in kan steken.

Er zijn dieren die proberen te ontkomen door hard weg te rennen, zich in te graven in het zand, zich groter te maken of kleiner, zich als een ander dier voor te doen, zich onzichtbaar te maken door de kleur van de omgeving aan te nemen, stokstijf te blijven zitten in de hoop dat ze niet worden opgemerkt, een ledemaat af te werpen.

Escape [oorspr. Latijn: samenst. ex (uit) & cappa (mantel)]

Uit je mantel schieten en die in de handen van je belager achterlaten.

Er zijn ook dieren die proberen te ontkomen door het zicht van hun belager te vertroebelen met inkt. Tot die soort behoor ik. Ook ik begin met inkt te smijten wanneer ik ergens aan probeer te ontsnappen.

Al is van smijten nauwelijks sprake. Ik schrijf nog steeds weinig. Ik durf niet goed. Alsof ik de waarheid kan uitstellen zolang die niet op papier staat. Alsof het tot die tijd niet echt zo is. Niets is echt gebeurd tot het is opgeschreven (Virginia Woolf).

Je verzetten tegen pijn vergroot het lijden, zei een oudere wijzere schrijver die ik over verdriet en schrijven raadpleegde. En aan wie ik opbiechtte dat ik schrijvenderwijs nauwelijks progressie boek. Omhels je hel, zei hij. Aanvaard het en schrijf erover met alles wat je hebt.

Alsof dat makkelijk is. Alsof dat geen pijn doet, dat verzengende vuur.

Wat hij ook zei: een feuilleton is gebaat bij cliffhangers. Hoe steiler de kliffen hoe beter. Maar uiteindelijk zal de lezer willen weten waar het allemaal om draait. Uiteindelijk wil hij de worst eten die hem al die tijd naar de kliffen heeft gelokt.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag de laatste aflevering, met ‘Horizon’ en het gedicht ‘Verdwijnpunt’.

*

Horizon

Het heet de einder, maar het is het einde niet. Alleen dat al maakt dat je voortdurend moet schakelen tussen ogen en verstand. Nee, het is geen rand die ik zie, het gaat daarna gewoon verder. En er overheen kijken gaat ook niet, hoewel je vaak genoeg al een stukje kunt zien wat er achter ligt, de bovenste verdiepingen van de hoogbouw in een tegenovergelegen stad, of een windmolenpark zonder voeten.

© Marcelle Verberne

De mooiste horizon vind ik een waterhorizon. Hij suggereert de oneindigheid: een watervlak dat doorloopt tot aan een eindeloze oceaan waarheen je vertrekt om nooit meer terug te willen komen, ook al weet je heel goed dat je in werkelijkheid al na een paar kilometer zou stuiten op de langs een liniaal getrokken dijk van Enkhuizen naar Lelystad. Het zien ervan roept het verlangen naar die onbekende vertes op, zelfs al weet je dat wat er achter ligt helemaal niet spannend is. Die kim met zijn scherp tegen de lucht afgetekende golven ergens in de verte is een belofte, en een misschien niet op te lossen raadsel. Maar een beetje bedreigend is het wel, die rafelrand waar de lijnen in het verdwijnpunt samenkomen.

Maar die schijnrand geeft mij ook een direct zintuigelijk plezier als de plaats waar lucht en water zich aan elkaars kleuren meten. Dat is een spel met licht en materie: de oppervlakte van het water weerspiegelt de kleur van de lucht, en toch zijn de tinten nooit aan elkaar gelijk. De lucht erboven heeft geen oppervlakte, en de kleur ervan is dus letterlijk diepte, je kunt je ogen er niet op scherpstellen. En waar het water net als wij aan land gebonden is, schuilt achter elke onpeilbaar blauwe voorjaarslucht het diepe zwart van het heelal. Dat is prachtig om je in te verliezen, maar als ik moest kiezen tussen de kleuren van de lucht en die van het water, dan wint toch het laatste. Het watervlak is vrijwel nooit helemaal vlak, er zijn bijna altijd golven of rimpelingen, waardoor er in één watervlak verschillende stukken lucht worden weerkaatst, met dus vaak andere kleuren of in elk geval andere schakeringen. Het water zelf doet ook mee, je ziet iets van de eigen kleur ervan in de toppen van de golven. En omdat dat water blijft bewegen, is het elk volgend moment weer anders, en blijft je kijken achter bij de werkelijkheid: een mengvat aan verschillende tinten, bij helder weer vermengd met spatten spiegelhard zonlicht. Je probeert het te vangen met je oog, te vatten met je begrip, maar het is al weg. En de horizon, dat is de plek van vergelijken: daar lijken ze voor het oog samen te komen, water en lucht, al zijn ze net zo van elkaar verwijderd als altijd. En daar pronkt de oneindige diepte van de kleur van lucht direct tegen de ontelbare schakeringen van de weerspiegeling in het water. Geen einder, maar oneinder zou het moeten heten.

*

Verdwijnpunt

Langs de dijk, het gras
nog geel van wintermoe
en een bedekte hemel.
Drie zwanen vliegen mij van achter
vlak over, ik hoor het piepen
van hun vleugels,
de technische geluiden van
pennen, luchtdruk, wervelingen.
Vliegen in de breedte,
zwenken uit en kantelen.
En elke keer, bij elke wisseling
van koers een ander licht ,
afwezigheid van alle kleur
– een gat in dichtgepakte wolken –
tot paarsgrijsblauwig glanzend.

Niets dan het flakken van het wit
tegen een grijze lucht.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Buiten’.

*

Buiten

Winter, einde dag en alles blauw.
De bijeengedreven huizen,
hun ruggen naast elkaar
als jongvee schuilend in de regen,
afgetekend, veraf, op hun heuvel.
Een lange rechte sloot met smeltijs
verder, voel ik de warmte
van de verlichte ramen,
de geruststelling van huiselijke activiteit.
Kan ik, de kring rondom de keukentafel
verlaten, het donker zien.

© Marcelle Verberne

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Vaargeul’.

*

Midden in januari, nog niet eens zoveel jaar geleden, sta ik aan de oude zeedijk ten noorden van Durgerdam. Ik heb mijn jonge zoon, net tien geworden, meegenomen om naar kruiend ijs te kijken. Dat is er vast, want het dooit na een vrij lange periode van vorst en het heeft de dag ervoor gewaaid. Vooraf thuis was er protest, hij wilde niet mee naar buiten waar het vanwege de mist en het jaargetijde de hele dag al schemert. En de sneeuw kon hem ook niet trekken, die is kletsnat en plakt allang niet meer. Voor hem was er met een bezoek aan die dijk niks te winnen op zijn stadse binnenhuis, verwarmd en met volop lamplicht om de dreiging van de schemerhoeken af te wenden. Waar zijn lego veelkleurig wacht op het bouwen van een kasteel, een strijdwagen, een helikopter of een gevangenis. 

© Marcelle Verberne

Ik zoek het geweld van krakende ijsplaten, brekend en kreunend tegen de basaltblokken die de talud aan de kant van het water bedekken. De eerste keer dat ik dat zag, was ik zelf kind, door mijn ouders meegenomen naar dezelfde dijk. Op de foto’s van toen is het geklauter van mij en mijn zusje over de ijspunten te zien.  Als ik eraan terugdenk denk ik niet aan dat spelen maar besef ik hoe klein wij eigenlijk zijn, hoe volslagen weerloos en ongepantserd als we uit de omhulling van onze stadse wereld komen. En hoe ontzagwekkend groot de krachten kunnen zijn van het water, de aarde, de lucht en de wind en vooral: hoe nietsontziend en ongenadig. Binnen de wetten van de elementen heeft een mens geen plaats. 

Als ik bovenop de dijk kom blijken er helemaal geen ijsrotsen te zijn. Er zijn wel dikke schotsen maar die liggen nog steeds, dof geworden, geluidloos op het water te dooien. Het is windstil. 

Die stilte ligt als een dikke laag over een zwaar brommen in de verte. Daar, waar de schemering de overgang van lucht naar water grofkorrelig verstopt, gaat een konvooi vrachtschepen. Er vaart geen  ijsbreker meer voorop, want het is boven nul en het vaarwater is kennelijk al vrij, maar zo te zien is het nog wel nodig om kop aan staart te gaan. Zes, of zeven donkere dozen met zand op weg van Amsterdam naar Lelystad. Op de grote afstand die ik er van af sta, ver van de dieseldampen en de dreigende omvang van de metalen romp, is het lage geluid van de motoren geruststellend. Het is de geruststelling van door mensen bestuurde machines in een verder leeg schemerlandschap. Daar wordt gewerkt.

De vaarroute van de vrachtboten loopt van Amsterdam voorlangs Pampus en daarna in een vrijwel rechte lijn naar het noordoosten, naar Lelystad, door de Houtribsluizen, en dan naar Lemmer. Vlak langs het nieuwe land, en vlak langs het daarin opgenomen vroegere eiland Urk. 

Dat is ook ongeveer de route van de eerste zoektocht naar de drie vermiste Durgerdammers. De zee was tot dan almaar vol ijs geweest, en varen was nog steeds riskant. Maar ondanks het risico voor zijn eigen boot is een visser uit hetzelfde dorp, Arie Pauw, met een paar maten in zijn botter uitgevaren om het drietal te zoeken.  Op dat moment waren de Bordings al vijf dagen zoek en de kans dat ze nog in leven waren, was al niet meer groot, en áls ze nog leefden, moesten ze ook nog gevonden worden. 

Dat lukte niet. De boot raakte al snel midden in het drijfijs en kwam maar langzaam vooruit: de bemanning moest met haken de zwaarste schotsen wegstoten. De botter kon weliswaar in noordoostelijke richting doorvaren maar er was vrijwel geen zicht door de mist, met een blikveld van soms maar een paar meter. Zonder iets te hebben gezien of gehoord kwam de botter de dag erna op Urk aan. Pas toen het kruien van het ijs na een paar dagen wat ophield, konden ze weer terugvaren. Ook toen zagen ze weinig. Op de twaalfde dag kwamen ze terug in Durgerdam. Niemand geloofde toen meer in een behouden terugkomst van de Bordings. Achteraf gezien waren  ze waarschijnlijk niet heel ver langs elkaar heen gevaren, de botter met zes dorpsgenoten op weg naar Urk en de schots met de drie Bordings die rond die dagen in de richting van Enkhuizen dreef. 

Ik sta  ingesloten door stilheid,  en tegelijkertijd veilig aan de wal. Het water beweegt nauwelijks na die langsvarende vloot in de verte. Het deint alleen. Zo ziet een golf er dus uit die ijs moet tillen. Aan de voet van de dijk wiegen grote schollen, mat en grijs geworden, langs elkaar. Bij elke wrijving het geluid van brossend waterijs. Alleen hoorbaar door veelvuldigheid.

In deze klamme stilte is het water overal: als vloeistof, onder en tussen de schotsen, als sneeuw, als ijs en  nevel. Maar ook lijkt het, in mist en schemering, alsof al die staten – vloeibaar, vast en damp – in elkaar overlopen. Alsof er tussenstaten zijn: het ijs ziet eruit of het al zacht gaat stromen, en de lucht lijkt zelf vloeibaar van het vocht. 

Mijn kind heeft geen stilte gehoord. Hij heeft een potje verspringen gedaan tegen zichzelf, met luid geschreeuwde aanmoediging, ook van hemzelf. Met zijn rug naar het ijs toe sprong hij telkens opnieuw vanaf de bult naar beneden, in de dikke sneeuw van de dijkhelling. Nu trekt hij aan mijn arm: hij heeft koude voeten in zijn regenlaarzen en zijn speelgoed roept. 

Morgen, misschien overmorgen, is het ijs verdwenen.

Wat is ‘landschap’? Waar moet je aan denken? Aan het drassige herstelnatuurgebied hier verderop? Aan het strand of een stoffige vlakte? Er past veel in dat woord: veel wat groeit en beweegt, veel wat vreemd is en verrast, veel wat verloren is gegaan. Marieke Polderdijk ontmoet in haar beeldend essay de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) en onderzoekt deze altijd deinende watermassa als religieuze ervaring. Lees en bekijk het essay ‘Zee’.

*

Zee

 

 

De samenstelling van vruchtwater lijkt op die van zeewater.
Ik moest met de brute kracht van een vacuümpomp uit mijn moeder worden gezogen.
Mijn ouders waren klaar voor mij, maar ik was nog niet klaar met drijven.

 

De zee is vlak, deze keer. Kalm. Teruggetrokken.
Het blauw van het water loopt aan de horizon bijna moeiteloos over in de lucht.
Alsof de zee voelt hoe spannend ik het vind om deze keer echt te gaan bewegen in de branding,
te dansen, vast te leggen, het te gaan doen.
Ik ga in de branding liggen.
Ik adem uit.

Ik luister.

Met mijn handpalmen, voetzolen, billen, met mijn buik.

In het luisteren kom ik aan. Land ik in het natte, koude zand, hier, op deze plek. Mijn lichaam als voelspriet. Ik streel met mijn vinger over de zompige korrels en probeer te voelen of ik hier mag zijn van de zee. Mijn adem beweegt hoog in mijn borst. Ik vraag me af wat ik zou doen als het antwoord van de zee ‘nee’ zou zijn.

Er wandelen mensen voorbij. Hun starende blikken prikken in mijn rug.
De zee is bij me, denk ik, de zee is bij me.

 

 

 

De reikende hand van een golf raakt net mijn neus niet aan.

Het zand likt mijn huid als een kattentong.

Mijn armen met vingers als trillend schuim.

Een mensenlijf pruttelt in haar potje.

 

 

Wanneer ik in de trein zit richting station Goes en het heuvelachtige, boomrijke Arnhemse landschap langzaam zie veranderen in de uitgestrekte akker-wolkenlucht tweedeling voel ik het al: de ruimte, een opening in mijn borstkas, adem. Een gevoel van wakker worden en je hoofd neer kunnen leggen tegelijkertijd. Ik voel dit polderlandschap in mijn poriën.

Met mijn oudtante Marie Polderdijk deel ik mijn naam. Marie heeft haar hele leven uitgekeken over de Zeeuwse polders, afgezien van een enkele reis naar haar zoon die destijds in Cuba woonde. Voor een schoolopdracht onderzocht ik eens mijn familiestamboom van mijn vaders kant en kwam erachter dat mijn voorouders generaties lang uit landbouwers als Marie bestaan, slechts een enkeling waagde eens een wild tripje naar Amerika.

Het Zeeuwse polderland kan genadeloos zijn: de elementen scherp en op volle kracht nietsontziend, de polders eindeloos grijs, ontwapenend en eenzaam.

Zeeuwen houden zich warm door een gloeiend vuurtje diep onder het robuuste hout waaruit ze zijn gesneden: ze hebben geknokt voor hun land en zijn trots op hun overwinning en onderdrukking van het water.

In tante Marie zie ik wat ik in veel Zeeuwen zie: een spiegeling van het kleiland onder haar voeten: simpel, niet te veel poespas, bescheiden, nuchter, wat je ziet en hoort is wat je krijgt.

‘Ik worstel moedig en ontzwem,’ lees ik op haar gang in een ingelijste versie van het Zeeuws volkslied.

 

 

Volgens mijn ex D. smaakt mijn vulva naar oesters.

 

 

Mijn tong en keel rollen open.

Een klank diepgroen reist met de wind mee naar buiten.

Groeiend rollend soppend brullend trillend schuddend schuimend glijdend uitstrekkend armen benen buik zacht wordend smeltend opvouwend terugtrekkend in mijn eigen klauwafdrukken.

Beestachtig.

En mijn wang is knapperig.

 

 

Ik probeer een glazen augurkenpot te vullen met zeewater.
Ik wil de zee meenemen naar Arnhem, maar de zee lijkt er geen zin in te hebben. Eerst hield ik de pot stil en wachtte tot een golf hem zou vullen. Ik wilde niet opdringerig zijn, de zee zelf haar moment laten kiezen. Maar toen kwam ze niet, of in elk geval niet genoeg. Dus nu ren ik door het water hupsend achter de golven aan en schep ik ze bruut in mijn potje, draai het deksel er stevig op.
Uit mijn tas haal ik een dennentakje, duivenveertjes, eikeltjes. Stukjes Arnhem die ik de zee in ruil voor haar water wilde geven.
Ik gooi een dennentakje richting het water.
De wind slaat het terug in mijn gezicht.

Het potje met zeewater staat me nu aan te kijken vanaf een plank boven de tafel waar ik dit aan schrijf.
Er drijft een heel klein sliertje zeewier aan de oppervlakte.
Op het potje plakte ik een etiket met daarop de tekst ‘DE ZEE’.

Een verhaal heeft een plek nodig.
Maar dan moet het landschap wéér dienstbaar zijn.

 

 

Een aantal jaar geleden liep ik vast in mijn schrijven.
Toen liep ik naar een boom, klom daar in en voelde hoe de dingen weer begonnen te bewegen.
Ik zocht dijken op, vleide me neer op akkers, rolde door weilanden, dompelde mezelf in de zee.
De beweging bleef komen, alsof het van m’n schedeldak naar beneden droop m’n bekken in, m’n tenen in. Ik liet me er op mee drijven en ontdekte dat ik al de beweging als materiaal uit me kon laten vloeien.

Hoe vaker ik een boom in klom of bij het water ging liggen om de beweging op te zoeken, hoe dichterbij ik kwam, en hoe meer het gesprek een versmelten met werd, een opgaan in. Ik een geliefde leek te worden in een ongezonde, afhankelijke, relatie richting de grote ander. (ex D.)
Het verlangen af te brokkelen in de polder, me te laten versmelten met de zee: ik wilde mijn mensenlichaam afleggen, mijn ego de aarde in laten druipen.

Tegelijkertijd voelt mijn verlangen naar het opgaan in het landschap ook anders, inherent juist heel gezond. Ik word weer een kind dat voelt dat alles leeft, ademt en een stem heeft. Ik zeg ‘hoi’ tegen bomen, noem de studio waarin ik werk bij de naam die ik haar gaf en wrijf telkens even over de muren als ik daar wegga.
Zo voelt het landschap waarin ik beweeg, en vooral de zee, ronduit magisch. Het geeft me een gevoel van nietigheid, op een prettige manier, waarin ik een heel klein radartje ben in een groter levend geheel.

Hoe meer ik mezelf toesta het verlangen om te versmelten met het landschap te voelen, hoe meer ik me verzoen met het feit dat ik juist besta binnen de grenzen van dat mensenlijf, tegenover dat heilige water. Een grommend dier in de branding met een potlood in haar knuist, ontmoetend, ontmoetend, ontmoetend.

Dat ik niet één ben met maar onderdeel van.

 

 

Polders zijn eigenlijk stukken drooggepompte, opgehoogde zeebodem.

Een boerendochter die opgegroeid is op de Braakmanpolder in Zeeuws-Vlaanderen vraagt mij iets te maken voor een kunstproject op de voormalige akkers van haar vader.

Zeeuwse boeren werden na de Tweede Wereldoorlog op deze zeebodem aan het werk gezet en produceerden earrepols dat het een lieve lust was. Nooit meer een Hongerwinter.

Over gebieden zoals de Braakmanpolder groeide na verloop van tijd een ander geluid: het teruggeven van het land aan het water. Boeren werden gedwongen uitgekocht en zijn jaren later nog steeds niet terug kunnen gaan naar hun land; de herinnering is te pijnlijk. Op hun polders stromen nu beekjes, gecontrololeerd door Staatsbosbeheer, en pikken watervogels naar slakken. Er zijn paaltjes de grond ingeslagen om een wandelroute aan te geven.

Staatsbosbeheer zegt dat er een informatiecentrum is waar jij en je kinderen van alles te weten kunnen komen over dit unieke stukje natuur. De boeren zeggen dat wat zij deden ook natuur was.

Ik moet steeds denken aan al het trauma, gestold diep in mensenlijven en in die waarschijnlijk nog steeds ongehoorde bodem. En aan hoe ik die boer en boswachter bij de hand wil pakken om samen een tijdlang op zo’n akker te gaan liggen. Onze wang te leggen tegen de grond. Voelen hoe comfortabel warm het is, daar, net onder de wind.

En dat je, als je maar lang genoeg goed luistert, het kan horen pruttelen.

 

 

Ik zuig mijn longen weer vol als een glimmende vis.

Er vallen druppels uit
mijn
mond.

De bil.
Het vlees geeft mee.

 

 

Ik word mijn huid en botten.

 

Het zand draagt het geruis.

 

 

Ik zit op mijn hurken voor de zee.

Ik ben in een eerste impuls bij haar gaan liggen, maar werd al snel geconfronteerd met mijn eigen mensenlijfgrenzen: de kou van het zeewater trok vanuit de branding mijn botten in, verlammend klappertandend.

Alles is zo breed hier. De wereld is horizontaal. En alles beweegt, op ontelbaar verschillende manieren. Microwerelden van trillend wit zeeschuim, aangekomen golven die als een vloeibare, dunne deken over het zand glijden. Een zeesterretje dat zijn tentakels spreidt, een wobbelende, aangespoelde kwal, een kokkeltje dat bellenblaast.

Ik zit op mijn hurken voor de zee en spreid mijn armen. Ik wil laten zien aan de zee hoe breed ik ook ben. Ik wiebel met mijn vingers en zeg hoi zee. Hoi hoi hoi hoi. Ik ben er. Een golf rolt voor het eerst sinds ik bij het water ben, gevaarlijk dicht naar me toe, tikt mijn tenen aan.

Ik lach.

 

 

Rol me in glad zeewier.

Leg me in de branding. (Gods schoot)

M’n bekken en hoofd zakken als eerste weg.

MAMAMAMAMAMA

Ze komt.

Ssshhhht.

Een grote golf rolt als een hand over me heen en trekt me mee het water in.

Kopje onder.

 

 

Er is daar een hele wereld.

 

 

In het voorjaar van 2021 ontmoette Marieke de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) voor een onderzoek naar de zee als religieuze ervaring. Dit resulteerde in de fysieke performance op het strand ‘Daar liep zij een olijfgaard in, als een dorstige moeder’, waarin Marieke de zee ontmoette.
Verschillende stukken tekst uit dit essay zijn aantekeningen die Marieke maakte tijdens deze ontmoeting met de zee.

De beelden in dit werk zijn afkomstig uit een filmregistratie ervan.

 

Marieke Polderdijk (1994) beweegt, filmt, roept, zingt, speelt, tekent, kleit, performt en schrijft. Met het ritueel en in het landschap onderzoekt Marieke hoe je vrij kunt wonen en bewegen in een lichaam, een taal en een stem. De beelden, tekst en klank die in haar afstudeerjaar aan Creative Writing ArtEZ hieruit voortkwamen, werden gebundeld in de podcast ‘tietietietie’ en kwamen samen op de vloer tijdens een interdisciplinaire afstudeerperformance, getiteld ‘Hier’. Poëzie van Marieke verscheen in o.a. Kluger Hans en op Samplekanon. Haar performances en installaties waren te zien bij o.a. het Wintertuinfestival, Frontaal, Luxor Live, de Nieuwe Liefde, Perdu en Theater Oostpool. In 2018 won ze met haar poëzie de voorronde van Write Now! Nijmegen en in 2021 werd ze geselecteerd voor deelname aan het Slow Writing Lab.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 5 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

Biddende buizerds weten wat wachten is. Reigers langs slootkanten weten wat wachten is. Tapuiten, die van de Afrikaanse savanne naar de Hollandse duinen vliegen om in konijnenholen te broeden, weten wat wachten is. Maar van alle dieren die weten wat wachten is, wachten beerdiertjes vermoedelijk het langst. In tijden van droogte rollen ze zich op zoals we vroeger deden met de felgekleurde knuffels die we Popples noemden. Hun winterslaap kan jaren duren. Soms wel een eeuw. Ontwaken doen ze pas zodra de omstandigheden beter zijn.

Beerdiertjes worden vanwege hun bijzondere gave om zich schijndood te houden veel gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Ze zijn ingevroren tot –272 °C en verhit tot meer dan 150 graden Celsius. Ze zijn in een ijskomeet de ruimte in geschoten waar ze werden blootgesteld aan stralingsdoses, duizend keer hoger dan de fatale dosis voor een mens. Ze zijn samengeperst met een druk die zes keer groter is dan op de bodem van de oceaan.
Het deert ze niet. Ze rollen zich op, stoppen met ademen en komen met een druppel water telkens weer tot leven.

Is er een onderzoeksgebied waarin meer gewacht wordt dan in de astrofysica? De grootste ontdekkingen nemen decennia in beslag. Soms zelfs eeuwen. Het vergt uren en uren van wachten. Al is het alleen maar op antwoord. Bijvoorbeeld van de ruimtesonde die je het heelal in schiet op een reis ver voorbij ons zonnestelsel.

De New Horizons-ruimtesonde die vijftien jaar geleden gelanceerd werd om onderzoek te doen op Pluto, heeft de dwergplaneet allang achter zich gelaten heeft om nog verder het heelal in te trekken. Inmiddels bevindt hij zich vijftig keer verder van de aarde dan de zon. Kwam een teken van leven in 2006 vrijwel onmiddellijk, nu duurt het veertien uur voordat er een antwoord terugkomt naar de aarde.

Intussen: stilte, niet-weten, afstand.

Wat doe je tijdens het wachten? Je stelt je alvast voor wat je aan zult treffen. Je hebt geen idee, dus fantaseer en speculeer je, je creëert scenario’s die nog niet plaatsgevonden hebben. Wachten stelt ons in staat ons voor te stellen wat nog niet bestaat. Anders gezegd: tijdens het wachten worden angsten bezworen. Dromen gedroomd. Verlangens gevoed.

Wat Freud over verlangen heeft gezegd: hoe meer het gefrustreerd wordt, hoe meer waarde we aan dat verlangen gaan hechten.

Ik weet maar al te goed hoe waar dat is. Ik begrijp nu trouwens pas écht wat verlangen met tijd te maken heeft. VER & LANG. Afstand & tijd. In wezen is alle verlangen wachten. En andersom: alle wachten is verlangen naar het moment waarop het wachten wordt beloond.

Freud, opnieuw: de frustratie van het verlangen vergroot niet alleen de waarde die we aan het verlangde hechten, we kunnen ons het ook dán pas voorstellen: het visualiseren, erover fantaseren.

Kon het maar, gewoon gaan slapen als de omstandigheden ongunstig zijn. En dan, jaren later, als de situatie is verbeterd, wakker te worden gekust door een druppel regenwater.