Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door lijstjes, gemopper, meningen, overdekte winkelcentra, baaldagen.

*

Het is lijstjestijd. Als ik een lijstje moest maken met interessantste mopperaars van 2021 zou schrijver, kunstenaar, podcastmaker Michiel Lieuwma erin staan. Onlangs mopperde hij in een instagramstory over lijstjes, het liet me niet los. Lijstjes zijn volgens Lieuwma, als ik het goed onthouden heb, behalve vervelend ook heel elitair. Wie denken die recensenten wel niet dat ze zijn?

Ja, wat denken we wel niet. Ook ik maakte voor NRC een (nog niet gepubliceerd) lijstje lievelingen. Mijn idee erachter is niet direct dat ik het plebs eens ga vertellen wat volgens de Almachtige Roos van Rijswijk Objectief de Beste Literatuur uit 2021 is. Maar goed, het lijstje staat wel in een elitaire krant, en die krant publiceert niet de lijstjes van álle lezende mensen in het Nederlands taalgebied– geïmpliceerde autoriteit. Nee, lijstjes slaan nergens op. Wat goed, fijn, mooi of leuk is, is totaal afhankelijk van moment, context, persoon, gemoed.

Zo ging ik eergisteren naar Stadshart Amstelveen. In mijn toptien van treurige plekken eindigt het minstens op drie. Toch ging ik er uit vrije wil heen. Ik had een baaldag, ik moest er even uit. Naar een echt stadscentrum, had ik kunnen gaan, of met een vliegtuig naar een zonniger oord, maar ik besloot tot Stadshart Amstelveen. Een half uur naar buiten kijken in een tram, door een overdekt winkelcentrum dolen.

Op mijn lijstje van de meest rustgevende plekken in het specifieke geval van hersenmist en lijfschmertz, eindigt het Stadshart óók in de topdrie. Samen met Hoog Catharijne en de IJ-tunnel van Amsterdam Centraal. Het zijn wat de Franse antropoloog Marc Augé ooit ‘non-plaatsen’ doopte. ‘Tijdelijke plekken waar mensen anoniem blijven en die niet belangrijk genoeg zijn om te worden gezien als “plekken”,’ aldus Wikipedia.

Niets kalmeert mijn innerlijke onrust zo gauw als een non-plaats. Het is volstrekt duidelijk wat je er moet doen, er klinkt muzak die je nergens aan doet denken, de temperatuur is er constant, net als het licht, met een beetje mazzel kom je er niemand tegen die aan je vraagt hoe het met je gaat. Er bestaat geen verleden, geen toekomst, alleen een lauwwarm nu. Volgens mij hangt mijn voorliefde voor dit soort oorden samen met mijn voorliefde voor zeer voorspelbare actiefilms. Je weet waar je aan toe bent, en dat het totaal onbelangrijk is.

Een plek als ’t Stadshart een non-plaats noemen is ook elitair, natuurlijk. Als je er iedere dag werkt en als al je vrienden er gaan funshoppen, dan liggen in al die glanzend gepoetste tegels betekenisvolle herinneringen opgeslagen. Dus als ik twee lijstjes maak, een met kloteplekken en een met lievelingsplekken, en op allebei zou het Stadshart op één staan, zou het alsnog een hopeloze onderneming zijn. Wie denkt Van Rijswijk wel niet dat ze is? Een gelaagde persoonlijkheid? Iemand die zich verheven voelt boven het volk dat haar muzak muziek noemt? Is ze soms op alle kloteplekken op aarde geweest?

Laten we de lijstjes maar afschaffen, mopperde ik intern toen ik in lijn 5 zat, van ’t Stadshart onderweg naar huis. Weet je wat, laten we alles maar afschaffen. Al die frictie. Al die meningen. Alle tegenmeningen. Al die niet-gehoorde toptienen, te weinig gelezen boeken, nooit gekeken films. We trekken er een streep door tot er geen lijstjes meer te maken zijn, tot er onder evenwichtige verlichting alleen nog zaken op kamertemperatuur geserveerd worden.
Omdat achter me in de tram iemand erg luid over een smerige aandoening begon te bellen stopte ik oortjes in mijn oren.

Voor het eerst (ik loop nogal achter de podcastfeiten aan omdat ik de hele tijd slechte actiefilms kijk) begon ik naar Lieuwma’s Boze geesten te luisteren; urenlange interviews met mensen die onder vuur liggen, of die zoals in dit geval, interessante dingen te vertellen hebben. Ik luisterde de aflevering waarin schrijver Lot Vekemans heerlijk kalm haar zienswijze op kunst, toe-eigening en emoties uiteenzet terwijl Lieuwma dan weer foetert en moppert, dan weer twijfelt, steeds aan haar lippen hangt. Ik was het lang niet met al het gefoeter eens, vond het een boeiend gesprek. Soms vergeet je bijna dat die combinatie óók bestaat, is er misschien een winkelcentrum nodig om je verhitte gemoed te dempen. Waarmee ik wil zeggen dat deze baaldag van alle baaldagen in 2021, gerangschikt naar voldoening, hoog in de toptien eindigt.

 

Ook De Revisor doet aan lijstjes, net als bij NRC Handelsblad verschijnen die eind volgende week. De lijstjes van 2020 en 2019 zijn terug te lezen, thuis of in het winkelcentrum.

Teju Cole: de redacteur begint aan een intrigerende essaybundel, die kunst en politiek engagement, beeld en persoonlijke inzichten vloeiend verbindt.

*

Daan Stoffelsen: Teju Cole, Black Paper

Een halve update ditmaal, want zo’n goed boek als Een geest in de keel werpt je even terug; wat past er daarna nog bij? Nu toch weer begonnen, aan een van de kandidaten voor mijn eindejaarslijstje: Teju Coles Black Paper: Writing in A Dark Time. Net begonnen, dus maar een paar inleidende opmerkingen. Het is een essaybundel weer, na de enorme bundeling Vertrouwde en vreemde dingen (2020, vertaling  Ton Heuvelmans, René Kurpershoek, Van der Lecq, Hien Montijn en Menno Grootveld), met vertrouwde thema’s: kunst, fotografie, racisme, politiek. In ons zomernummer stond bovendien een lang verhaal van hem. En na Maggie Nelson, Olivia Laing en Jan Postma, Jazmina Barrera – moet ik niet meer essays lezen? Tellen Koubaa en De Bok ook? – is dit weer een voltreffer.

Zo is de kunsthistorische missie van Cole in het openingsessay, ‘After Caravaggio’ (eerder gepubliceerd in het New York Times Magazine), wat droog ingeleid met een levensgeschiedenis van de schilder die telkens op de vlucht moest voor juridische vervolging (waar heb ik daar toch eerder over gelezen? Bij Pfeijffer? Van den Broeck? Deen?), ook een reis naar de kusten waarop het Europese migratiedrama stukslaat.

‘The places of Caravaggio’s exile had all become significant flash points in the immigration crisis, which was not entirely a coincidence: He’d gone to them because they were ports. A port is where a given territory is most amenable to arrival and to escape, where a stranger has a chance to feel less strange. I had two strong reasons for deciding to undertake the journey: First, I longed for the turmoil I knew I would feel in front of Caravaggio’s paintings in the museums and churches where they were held. But second, I wanted to see something of what was happening at that moment outside, beyond the walls.’

Dat is de kracht van een goede essayist als Cole: twee totaal verschillende onderwerpen samenbrengen, en ze elkaar laten versterken. Caravaggio was geen schilder van schoonheid, maar eerder van duisternis en geweld, en juist dat is wat de gestrande mensen op Sicilië en Malta hebben ervaren. Cole neemt zelfs een Gambiaanse jongen mee naar een van Caravaggio’s schilderijen, en bedenkt: ‘Outside, D.’s eyes seemed full of wonder, as much from Caravaggio, I supposed, as from me, this strange fellow West African who appeared out of nowhere, asking odd questions.’

Dit wat traditionelere reisreportage-essay laat Cole volgen door een fragmentarisch kunststukje, waarin hij de oudste geschiedenis van Syrië, een museumbezoek en de jongste geschiedenis, van martelingen onder de oude Assad en de verwoestingen door IS, laat samenlopen. En dan zijn er elegieën voor kunstenaars als Tomas Tranströmer en Aretha Franklin, voor mij onbekendere kunstenaars, en een warm essay over zijn overleden grootmoeder, en hoe de foto’s van haar bij leven, in coma en overleden verschillende indrukken op hem maken.

Het beeld – uitgesneden, geschilderd, in woorden gevat of gefotografeerd – en de emotie, politiek of persoonlijk, daar gaat het over. Razend interessant, en prachtig, zo’n boek dat nog lang mag duren.

Black Paper werd uitgegeven door The University of Chicago Press.

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het vierde verhaal: ‘Omhoog’. Dit zijn de eerste acht woorden: ‘Ik herinner me hem met zijn hoofd omhoog.’

*

Doireann Ní Ghríofa, Ilse Josepha Lazaroms: de redacteur las twee boeken die het moederschap en het vrouwelijke verweven met binnendringend en historisch drama, een essayistische roman met mooie elementen en wat karikaturen en een rijke, fascinerende memoir die het vrouwelijke vooropzet.

*

Daan Stoffelsen: Doireann Ní Ghríofa, Een geest in de keel en Ilse Josepha Lazaroms, Duet

Ha, riep mijn collega uit toen hij op mijn scherm meelas, een Luiselli’tje! Het was twee persconferenties geleden, we werkten nog in ons kantoor hoog boven het Spui, maar Valeria Luiselli was in onze prille werkrelatie al een belangrijk referentiepunt. Ik was voor Athenaeum.nl wat stukken aan het publiceren over Doireann Ní Ghríofa’s Een geest in de keel (A Ghost in the Throat, vertaald door Caroline Meijer), waarvan Joost Baars de Engelse editie al de hemel ingeprezen had. En op dat moment lazen we hoe de Ierse dichteres de literatuur met moederlijke beslommeringen mengde, zoals Luiselli dat in De gewichtlozen deed. Ga ik lezen, dacht ik, en: misschien kan ik het combineren met dat andere moederboek dat klaarligt.

Ergens klopte dat wel, want Ilse Josepha Lazaroms ontleende het motto voor haar romandebuut Duet aan Archief van verloren kinderen. Maar ergens ook niet: je doet de boeken weinig recht door de vergelijking. Zo is Duet een ‘roman’, al vermoed ik dat er wel wat autobiografie inzit, en heeft het essayistische trekjes, al was het maar doordat Lazaroms expliciet verwijst naar andere literatuur (‘“Maar dit is het addertje onder het gras,” schrijft Maggie Nelson in De argonauten, een boek dat ik las in de vertroebelde maanden na mijn dochters geboorte. “Ik kan niet mijn kind vasthouden en schrijven tegelijk.”’). En is Een geest in de keel bovenal memoir, er zit geen fictie in.

Duet is een boek over liefde, zwangerschap en moederschap in een wereld die zulke levensbepalende gegevens liever negeert – de arbeidsvoorwaarden in de Verenigde Staten – en die in toenemende mate polariseert – de vriend van hoofdpersoon radicaliseert tot een agressieve complotdenker. Dat alles op Duet, een woonboot die het hele jaar in New York ligt. Lazaroms schrijft mooie dingen,

  • zoals hoe ze vaststelt dat haar koers (of stilstand) bepaald wordt door haar zwangerschap: ‘Sinds een paar dagen weet ik dat er in mijn lichaam een anker is uitgegooid dat er niet meer uit kan.’ (Later gaat ze in op het fenomeen van ankerbaby’s, die willen ze in de V.S. voorkomen, en daarom heb je geen recht op prenatale zorg. ‘Zwanger zijn doe je op eigen risico. Bevrucht het land binnenkomen al helemaal.’)
  • Ze denkt na over vroedvrouwen, en na wat woordenboekdefinities schrijft ze: ‘Een verloskundige doet het verlossende werk niet. De barende vrouw verlost zichzelf. De vroedvrouw wijst alleen de weg. Als een richtingaanwijzer op zee. Een vuurtoren. Een baken.’ Idealiter, denk ik dan als man van de verloskundige, dat is je niet altijd gegeven (zie ook de bevallingen van Doireann Ní Ghríofa).
  • Ze beschrijft haar bevalling (iets wat ooit te weinig gebeurde, zie mijn essay Het literair couvadesyndroom, maar nog steeds aan te moedigen is): ‘Ik klamp me vast aan de tafel. Uit mijn diepste binnenste komen ze. Draden van licht. Van ijzer. Ze reiken tot aan het puntje van mijn buik tussen mijn borsten. Haken zich vast in mijn vel. Spannen zich aan, nemen de tijd. Hun kracht zwelt aan. Geen weg terug. Het web van moordende zenuwen ligt als een harnas om mijn buik. Pijn. Adem.’

Maar het houdt iets lichts, en dat heeft te maken met de strakke zinnen, maar ook met plot en karaktertekening: de vader van het kind is wel erg extreem, onnadenkend, in scherp contract met de essayerend denkende moeder, en het verhaal heeft iets willekeurigs en tegelijk lineairs.

*

Maar is dat een probleem? Zo is het leven toch, je wordt verliefd, je wordt zwanger, krijgt een kind, je vertrekt? In een roman heb je de vrijheid om de lijnen te doorbreken, iets ronder te maken. Non-fictie staat minder flexibiliteit toe, en wie Een geest in de keel leest, krijgt ook het gevoel dat de verteller – in dit geval dus absoluut Ní Ghríofa zelf – allerlei dingen overkomt. Maar dat verhaal is ondergeschikt aan het onderzoek.

Waar Lazaroms Ilse haar eerste kind krijgt, is Ní Ghríofa aan het begin van het boek moeder van drie jongens, en wordt ze zwanger van haar derde kind. Ze zorgt, ze geeft borstvoeding (en doneert melk voor premature baby’s), schept genoegen in die dienstbaarheid, en vult al haar andere tijd met een onderzoek naar de achttiende-eeuwse dichteres en edelvrouw Eibhlín Dubh Ní Chonaill en haar gedicht Caoineadh Airt Uí Laoghaire. (Je kunt niet gelijktijdig zorgen en schrijven – maar je kunt het wel nadien doen, of tussendoor, iets wat Nelson overigens ook illustreerde.)

Het huiselijke leven, het onderzoek, Eibhlín Dubhs levensgeschiedenis en die van Ní Ghríofa zelf (een mislukte tandartsstudie, zelfmoordpogingen, maar ook schokkende gebeurtenissen in het nu, bijna-ongelukken en een bijna-doodgeboorte) verweeft ze tot een fascinerend boek, tot een vrouwelijke tekst, zoals ze al in de eerste regels aankondigt:

‘Dit is een vrouwelijke tekst, gecomponeerd terwijl ik andermans kleren opvouw. De tekst is nooit uit mijn gedachten en groeit, teer en traag, terwijl mijn handen ontelbare taken verrichten.’

Elfmaal benoemt ze iets als vrouwelijke tekst: het boek, ‘een gezinsplanner vol ballpoint- en potloodkrabbels, allemaal in hetzelfde handschrift’, ‘een lichtroze vestje dat door haar grootmoeder is gebreid […] waarin elke steek een lettergreep is’, de Caoineadh zelf natuurlijk, de sleutelring aan de riem van Eibhlín Dubhs moeder, twee ongevaarlijke gezwellen in haar linkerborst, de vaststelling dat ‘naamloze vrouwen zich een familieverhaal toe[eigenen] en herschrijven […] met vuur’ door documenten te verbranden, een sprookje. Tekst, dat zijn oorsprong vindt in het Latijnse woord voor weven, is alles, en alles is vrouwelijk. En:

‘Ik laat de handdoek op de grond vallen en onderzoek mijn lichaam nieuwsgierig: mijn melkflessendijen, in stukjes opgedeeld door turquoise aders; mijn borsten, ongelijk in grootte maar prachtvol; het heilige deurtje van mijn viervoudige keizersnede, mijn hangbuik, geribbeld met zwangerschapsstrepen als een strand bij eb. Mijn navel grimast daar, het onzichtbare koord dat mij altijd met mijn moeder zal verbinden, precies zoals die van haar haar verbindt met haar moeder, en zo verder, en verder, en verder. Ik bestudeer dit lichaam van mij, zomaar een lichaam in een lange lijn, en ik voel geen afkeer, alleen trots. Dit is een vrouwelijke tekst, denk ik.’

Zo fysiek, zo intiem, en zo trots: dat wekt mijn bewondering op. En zo rijk: terug keert de melk, terug het vrouwelijke perspectief en de vrouwelijke tekst, op komt het beeld van de ironische heilige deur, op het strand bij eb. En even relativerend (‘zomaar’) als beslist (‘geen afkeer, alleen trots’) is het.

In haar onderzoek probeert Ní Ghríofa de dichteres van drie eeuwen geleden en haar vrouwelijke omgeving te vinden, en stuit ze telkens op hiaten. De mannen rondom Eibhlín Dubh Ní Chonaill verzwijgen haar, verraden haar zoals de vijand van haar echtgenoot Art Ó Laoghaire hem in een hinderlaag vermoordde. Het achttiende-eeuwse gedicht had dat al in zich, het draait om die vermoorde man en Eibhlín Dubhs grote liefde voor hem, haar machtige woede gaat om hem. Maar Ní Ghríofa compenseert dat manvormige zwarte gat met haar eigenlijk verhaal, een nieuwe vrouwelijke tekst om die oude aan te vullen. Een van dienstbaarheid en liefde en begeerte – maar vooral van trots.

Over Ní Ghríofa’s lichaam mag alleen zijzelf oordelen, maar haar boek is geweldig, het heeft een gewicht en een verstrekkendheid die ik zelden aantref. Een Luiselli’tje? Een geest in de keel heeft het dramatische en urgente van Archief van verloren kinderen en het literaire (maar niet het meta-, en het absurdisme) van De gewichtlozen. Het is poëtisch (en bevat de Caoineadh integraal in het Iers, Engels en Nederlands), verhalend én essayerend. Het is een vrouwelijke tekst, een menselijke tekst, een universeel verhaal dat meer is dan plot: het is een weefsel van de kleine dingen en de grote emoties, zoals alleen een vrouw dat kan maken.

Uitgeverij Cossee geeft Duet uit.Uitgeverij Van Oorschot geeft Een geest in de keel uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, Joost Baars’ boekentip en een toelichting door vertaler Caroline Meijer.

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het derde verhaal: ‘Watervaltwist’. Dit zijn de eerste zeven woorden: ‘Ik vlecht de haren van de doden.’

*

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door een kleine man, universele ouwe Jordanezen, meerkoeten en een foto.

*

Onderweg naar Albert Heijn, het is elf uur ’s ochtends, zie ik een man zijn deur openmaken. Klein van stuk is hij, zo’n één meter zestig. Hij draagt een rode muts, een groene ribbroek en een jas die misschien ooit geel is geweest. Om zijn kin kranst een spierwit baardje. Zijn ogen zijn groot als die van een kind en zijn wangen blozen als die van een meisje, hij glimlacht naar me met stompe, spierwitte tanden. In zijn knuistje houdt hij een sleutel die in ieder andere situatie geen voordeur, maar een schatkist zou openen. Ik lach terug (niet: uit), steek een zebra over.

Heb je het door als je ergens gedurende je leven in een kabouter metamorfoost? Of in een van de dames die in het straatbeeld een constante vormen; een lange jas in poedertint, het lichaam licht gekromd, de gezwollen enkels besteunkoust boven dikke zolen, een permanent met een paars waas? Plastic regenkapjes. Als je goed naar de schilderijen van Bruegel kijkt ze je ze er daar ook al rondschuifelen. Ze voeren eendjes of speuren door hun jampotglazen de ijspret af om te zien of er nog iets af te keuren valt. God, wat is er veel waarin je kunt veranderen, ineens zie ik ze overal: orgeldraaiers, boswachters, heksen, Maarten van Rossems, universele ouwe Jordanezen.
Achter me sluiten de schuifdeuren van de supermarkt. De man van zojuist hangt in zijn eigen halletje zijn jas aan de kapstok en haalt voor de grote spiegel die er hangt zijn vingertjes door zijn baard. Ja, denkt hij, ik ben een prachtige kabouter!

Bij het brood kijk ik licht bevreesd naar wat ik van mezelf kan zien. Mijn handen zijn bij lange na niet de vogelklauwen die het ooit, moge ik lang genoeg leven, zullen worden. In een ervan bungelt een plastic zakje met een kaascroissant. Ik draag een sjaal met zwart-geel ruitpatroon. Een zware wollen jas, donkerblauw. Een zwarte broek met een vouw. Zwarte brogues. Mijn haar, weet ik, is te lang; ’s ochtends kam ik het naar achter, tegen de tijd dat ik de deur uitga is het droog en zou ik de liefdesbaby van George Michael, Dracula en Hans Klok kunnen zijn.

Ik probeer mezelf te bekijken in de weerspiegeling van de vriesdeuren. Dat lukt niet, hoeft ook niet, ik weet het al. Het wordt grijs, mijn haar, maar alleen nog bij de slapen. Onder mijn ogen begint de huid er wat vermoeid uit te zien. Een foto die M. laatst van me maakte verschijnt voor mijn geestesoog. We liepen door een bos dat zo herfstig was dat je er een hap van had willen nemen – van de bladeren, schreeuwend geel, de grond die naar rot en paddenstoelen rook, van de lucht die zo vol zuurstof en leven zat dat iedere ramp onwaarschijnlijk leek. Op de foto stond ik met mijn bleke harses en mijn handen in mijn zakken een beetje naar een watertje te turen. Het zag eruit alsof ik ieder moment een notitieboek uit een van de zakken van die zware jas kon halen, en uit de andere een tuitknak, om vervolgens met die sigaar in mijn mondhoek en een vulpen in mijn hand de eenzame meerkoet die in het watertje dreef te vragen naar de jazz die hem gevormd had.
O God, zei ik toen ik de foto zag, die moet je wegdoen hoor.

Met de croissant, wat peren en de ingrediënten voor spinaziecurry in mijn rugtas passeer ik het huis van de prachtige kabouter weer. Hij zal nu op zijn bank zitten, een pijpje roken. Zijn vrouw verschijnt in de woonkamer, ze veegt haar handen af aan haar paarse schort en zet haar puntmuts recht- of hij ook een kopje nootjeskoffie wil.
Naar wie dacht de kabouter dat hij glimlachte, toen ik hem passeerde? Je hebt ongelijk, wil ik roepen, ik weet helemaal niets van jazz!
Maar goed. Ondanks mezelf betreed ik vervolgens dus wel de zolderkamer die schrijvers in films altijd bewonen. Voor ik koffiezet en aan het werk ga hark ik in de spiegel mijn kapsel nog eens naar achter. Zwart, drink ik die koffie natuurlijk, en op mijn ene been ligt een boek en op het andere een notitieblokje en ach: je kunt het ook omarmen.

Een nieuw kort verhaal, van Johanna van Os. Een verhaal over een broer en groeiende afstand en meer. ‘Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water.’

*

Vroeger had ik een broer. Ik weet niet waar hij nu is. Of hij gelukkig is, of nog lijdt. Of hij weet dat mijn hoofd vol zat met keurig op elkaar gestapelde herinneringen, die uit mijn harde schijf op de grond zijn gedwarreld zonder paginering. Ik had een broer die geen vrienden mee naar huis nam en me niet beschermde tegen de pestkoppen op school. Ik had een broer die vanaf zijn geboorte tweeëneenhalf jaar lang zweeg en in volzinnen begon met praten. Het was een engeltje om te zien weet ik van foto’s, met blonde pijpenkrullen die er al snel uitgroeiden. Hij deed zout op slakken, trok poten uit muggen, stak brand in een mierenhoop. ‘Kijk, zo doe je dat.’ En ik kijken hoe de dieren ineenkrompen. Dezelfde jongen die wonderschoon pianospeelde. Misschien begon het daar wel, in die prille kindertijd, de gedachte dat hij anders was. Op zijn zeventiende behaalde hij met Kyokushin karate, de zwaarste Japanse variant, de zwarte band eerste dan. Een uitzonderlijke prestatie waar we heel trots op waren, maar wat verlangde ik naar een gewone broer, liefst één met krullen.

Ik hoor hem nog gillen. Het eerste incident waar ik bij was. We stonden in zijn tuintje met een kop koffie naar de bloeiende magnolia te kijken, die hij onlangs had gepland. De schop stak nog in de aarde, dicht bij de schutting. Ik zag zijn kopje vallen en hij begon aan iets dat op rennen leek, maar verstijfde. ‘De mannen, ze zijn hier,’ fluisterriep hij zonder zijn lichaam nog te bewegen. Zijn opengesperde ogen gericht op iets achter mij. Ik keek over hem heen naar de schutting maar zag niets. Even plotseling als de verstarring gekomen was – een variant op vluchten of vechten, leerde ik later – werd de playknop weer ingedrukt, rende hij naar binnen en gooide de deur van de wc in het slot. Toen begon het gillen en ik probeerde er tegenin te schreeuwen, maar hij was totaal onbereikbaar, als een verre ster. Terwijl ik de klink tevergeefs omlaag en omhoog bewoog, bonkte hij met zijn vuisten op het hout. ‘Ze zijn niet echt, niet bang zijn!’ riep ik en ik bleef het herhalen tot mijn keel schor was en hij met zijn elleboog het bovenruitje aan diggelen sloeg. Glasgerinkel. Hij moet toen op de wc-deksel zijn gaan staan want hij wrong zich op zijn buik over de paar achtergebleven scherven heen en liet zich vallen, een spoortje bloed achterlatend. Ik bleef bij hem tot hij rustig was. Het was niet de eerste keer dat er een arts aan te pas kwam.

Niet veel later belde ik hem, al was het maar om zijn vertrouwde stem te horen. Maar we zwegen meer dan we spraken en dat was oké geweest, als zijn gegil niet nog steeds weerklank gaf. Het bleef op me drukken als een zware deken die je van je af wil trappen. Je benen zijn verlamd, je armen willen het misschien wel doen, maar dan krijg je het koud van de gedachte alleen al en begint het zwijgen en malen weer van voor af aan. We hingen altijd op dezelfde manier op, met ‘we bellen snel weer’ en een vluchtig ‘ik hou van je’ van mijn kant, zonder enig idee wanneer we elkaar weer zouden horen of zien. Schaamte en machteloosheid zijn een bijtend gif dat zich niet laat neutraliseren door liefde. We probeerden het, dat wel.

Zo waren er eindeloze kaartavonden, bezoekjes aan de bioscoop en de filmplots die hij met smaak navertelde. Vakanties in de Ardennen, in Duitsland, op avontuur met zijn fiets door de duinen. Samen met de trein naar Praag, slapen op de aan ons vastgeketende rugzakken, struinen door de Staré Mesto.

Andere uit mijn hoofd getuimelde herinneringen. Hij ging vissen en ik ging mee. Zijn hengel mocht ik niet aanraken, het visnet wel. Mijn kleine handen pasten met een beetje moeite door de mazen. Het nylon liet na terugtrekking rode striemen achter. Zondag na zondag vond ik schubben in de mouw van mijn trui. Je zou zeggen dat ik hem beter leerde kennen op die stille dagen langs de rand van het water. Voor een deel is dat zo. De kromming van zijn rug, zijn eeltige handen, zijn blik als hij met een voorn een snoek ving en later toen hij trots aan het grote werk begon: het karperen. Praten deden we niet veel. Daarmee joeg je de vissen weg. Toen hij me oud genoeg vond, gaf hij me een kleine polaroid, zodat ik zijn vangsten vast kon leggen. Het zijn de weinige foto’s waarop hij lacht.

Vanaf het moment dat we op onszelf woonden, hij eerder dan ik, troffen we elkaar soms op verzoek van onze ouders in het huis dat we geen thuis meer noemden. In die oude gezinssamenstelling wisten we ons tot elkaar te verhouden. Hij was de oudere broer, maar hij gedroeg zich er niet naar. De letters die ‘lethargisch’ vormden, dansten door mijn hoofd, het woord werd als een mantra dat zich in mij bleef herhalen. Zijn haar wat langer dan de laatste keer dat ik hem zag, maar krullen wilden er maar niet in komen. Rode plekken van het slordige scheren. We kusten elkaar vluchtig, zijn stoppels prikten. Een vleug aftershave die me volwassen voorkwam. Hij volgde me naar de keuken, waar ik hete thee voor hem neerzette. Op zachte toon hoorde ik de verwijten vanuit de woonkamer tussen mijn ouders oversteken. Toch ving ik het een en ander op. ‘Waarom zien zij elkaar niet vaker?’ En: ‘Heeft hij dan helemaal geen vrienden?’ Ik had ons willen verdedigen, maar hoe? De waarheid is dat ik hem niet kende, niet wezenlijk. Hij was mijn ongenaakbare broer, in mijn dromen heeft hij krulhaar. Wat ons bond is duidelijk en de rest scheidde ons.

Toen we klein waren dacht ik dat we samen speelden. Maar nu realiseer ik me dat hij werkte en ik hem volgde. We verkenden alle tuintjes in de buurt, hij voorop met schep, ik erachteraan met snottebellen. Honderd tegels telde ik van tuin naar tuin naar tuin. Mijn blik op hem gericht als ik klaar was met tellen. De voortuinen waren het gemakkelijkst. Omspitten, onkruid wieden, de bladeren bijeen vegen. Het betaalde vast niet veel maar voor mijn broer was het genoeg. Zijn vuile handen in de aarde, groene vlekken op zijn knieën en zijn zusje dat naar hem keek. Maar toen ik bij de thee in de keuken begon over die middagen die eindeloos lang leken te duren, dan kwam er niets. ‘Mevrouw De Groot, herinner je je die nog?’ Het vraagteken bleef tussen ons inhangen.

Jaren later. We wonen allebei in een andere stad. Hij zo ver mogelijk van dat vroegere thuis verwijderd. Hij leert de tekens van een andere taal, ik verdiep me in de mijne. Het Japans kent steeds minder geheimen voor hem, hij heeft er des te meer voor de mensen om hem heen. Ik stel me voor dat we allebei in stilte eten. De enkele keer dat ik op zijn studentenkamer kom, doen we de afwas zonder te koken, de vieze bakjes van de Chinees zullen te lang op het aanrecht blijven staan.

Ik weet dat hij er is, mijn broer. We hebben elkaars telefoonnummer, bellen doen we niet. Van mijn moeder weet ik hoe het met hem gaat, en toch. Overdag kan ik hem vergeten. Er zijn lessen, wandelingen, opdrachten, sociale verplichtingen. Iedere avond ga ik achter mijn bureau zitten en lees. ’s Nachts droom ik zijn leven.

Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water. Het moet rond de tijd zijn geweest dat ik zijn kamer niet meer in mocht. Ik begreep dat mijn broer tijd voor zichzelf nodig had. Maar wat ik niet begreep, is dat hij in die uren onder zijn bed ging liggen. ‘Ik oefen in ledigheid,’ was zijn verklaring, terwijl ik alleen maar wilde weten waarom hij niet óp zijn bed ging liggen. De keer dat ik zijn kamer binnenglipte – het moet op een zondag geweest zijn, als hij in zijn eentje ging vissen – en snel onder het bed dook, is voor altijd in mijn geheugen opgeslagen. Waar ik vieze sokken, pakjes shag, lege bierblikjes, ja zelfs pornoblaadjes verwacht had, was de vloer bezaaid met gele post-its, kleine notities aan zichzelf. Alles in schreeuwerige hoofdletters. LUISTER ALS ANDEREN PRATEN / HOUD JE RUG RECHT / EET GEZOND / OVERDRIJF NIET / VERGEET DE NACHTMERRIES. Ineens hoorde ik hem de kamer binnenkomen en zo trof hij me aan, steunend op mijn ellenbogen, mijn achterste in de lucht, mijn achterhoofd over de matrasspiraal schurend. Ik kroop op m’n knieën achterwaarts onder het bed uit. Daar houdt de herinnering op. Het ene scenario is dat zijn blik voldoende was me naar buiten te sturen. In het andere scenario is er een explosie van geweld, woede en onmacht. Vreemd genoeg was het dat eerste scenario dat me wakker hield.

De dagen en nachten rijgen zich aaneen, als een ketting madeliefjes. En dan kan ik hem niet meer volgen, ook ’s nachts niet. Ik weet niet waar ze hem mee naartoe hebben genomen. Ergens waar het stil is en wit, vermoed ik, waar de deuren op slot zitten en karretjes met koffie rondgaan. In de universiteitsstad heb ik niets te zoeken. Het is zomer en de terrassen worden bevolkt door jonge mensen. Ik loop over drukke grachten, onderdruk ondanks de warme zon op mijn rug een rilling en sla mijn jasje nog wat strakker om me heen. Als ik hem denk te herkennen in de spiegeling van een etalageruit ben ik niet verbaasd, we hebben dezelfde trekken. Ik mis hem, maar weet niet of hij die emotie kent. Wat zou het leven eenvoudig kunnen zijn. Iemand niet te missen zoals je een nier mist.

In die tijd overweeg ik te verhuizen. Maar het gemak waarmee ik me ’s avonds achter mijn smalle bureau voor het raam zet, wint het van ieder verlangen een andere plek te zoeken. Op straat, in het bleke schijnsel van de lantaarnpaal, trekt de overbuurvrouw de deur achter zich dicht. De zoom van haar jurk, van een afschuwelijk paars velours, blijft achter de deurpost steken. Even ben ik geneigd het raam te openen en iets te roepen. Een fractie later gaat de deur weer open, wordt de zoom naar binnen getrokken en is het moment voorbij.

En toen kwam het onaangekondigde en toch verwachte telefoontje. Mijn vader is kort en zakelijk. Zijn afdeling is gesloten maar er zijn bezoektijden.

Stil en bleek zit mijn broer tegenover me. In de hoek, zodat hij de ruimte goed kan overzien. Als ik zijn ogen zoek, is het of hij probeert te kijken naar iets achter mij. Zijn pupillen schieten heen en weer, opgejaagde stippen, de beweging die past bij een achteruitrijdende treinreiziger. Ik zie dat hij iets ziet dat er niet is. Hopelijk is het dit keer maar één man. Voor ons staan twee plastic bekertjes, koffie voor mij, water voor hem. Hij probeert een slok te nemen. Het water volgt het opgedroogde slakkenspoor dat over zijn kin loopt zijn nek in. ‘Gaat het een beetje, heb je kunnen slapen vannacht?’ Hij zwijgt. Na een half uur staat de te grote jas die zijn lichaam is op en hangt wat tegen me aan in een poging tot een omhelzing. De geur van zweet. Zijn jas is heet vochtig, alsof hij te vroeg uit de droger is gehaald. Ik probeer het zuur dat omhoogkomt weg te slikken. En ik sla mijn armen om zijn bonkige rug. Zijn armen blijven langs zijn lijf hangen.

In de maanden die volgen zoek ik hem iedere week op. Maar het had net zo goed bij één keer kunnen blijven. Iedere week, op dezelfde dag, om dezelfde tijd schakel ik mezelf uit en ben ik louter omhulsel. Ik zet de ene voet voor de andere, mijn lichaam verplaatst zich van de hal naar de kille ontvangstruimte. In de zesde week lopen we met z’n tweeën de tuin in. Dat is een vrijheid die hij verdiend heeft, zo legt een stevige vrouw in het wit me uit. Ze draagt rode sandalen, een anomalie die ik niet goed kan verhapstukken. Een stukje braakliggende grond, klaar om omgewoeld te worden met de schop die eruit omhoogsteekt. Ik zie het te laat. Dat wil zeggen, na hem. Wat er daarna gebeurt, probeer ik iedere nacht te wissen. Iedere slaap is een vruchteloze poging die gebeurtenis in de tuin in stukjes te knippen, te hergroeperen en anders op te slaan. Zodat ik kwijtraak hoe ik hem zag en er de polaroids van het vissen overheen kan schuiven. Ik kan proberen te beschrijven hoe het is om iemand zijn wezen te zien verliezen. Maar het zal nooit in de buurt komen van wat ik die dag zag. Als het voorbij is – net zo onverwacht als de orkaan gekomen is, gaat hij weer liggen – valt hij uitgeput op de grond neer. Hij spuugt nog wat zand uit en komt zwijgend overeind. De verpleging die in allerijl is toegestroomd probeert hem te kalmeren, wat vreemd is, want hij is kalm, ijzig kalm. De vrouw met de rode sandalen noemt het een doorbraak, een eerste stap naar herstel. Misschien is wat ik gezien heb gekte, maar in die termen wil ik niet over hem denken. Het stadium van lethargie is in elk geval doorbroken.

Na vier maanden wordt hij ontslagen. Niemand die zich bekommert om hoe het verder moet. Hij kan nergens heen, dus gaat hij terug naar ons ouderlijk huis waar hij niet op maar onder zijn bed ligt. Ik staak mijn frequente bezoeken. Ik treed niet binnen in zijn ruimte, er zijn anderen die verantwoordelijk voor hem zijn, dus ben ik het niet.

De maanden daarna gaat de herfst onmerkbaar over in winter. Ik neem me iedere dag voor hem te bellen. Dan kondigt de lente zich luidruchtig aan. Schalmende stemmen op de grachten, kwetterende vogels, de nieuwe voorjaarscollectie. Iedere dag denk ik: hij heeft mijn nummer ook. Hij kan heel goed alleen zijn. Of zeg ik dat slechts om mijn groeiende schuld en onrust te bezweren? Toch zijn er mensen die hem nodig hebben. Ik heb hem nodig.

Een visser en zijn maat vinden een hand verstrikt in de mazen van een groot leefnet. Er blijkt een lichaam aan vast te zitten. De huid is wit en zacht, maar te herleiden tot de essentie. Het telefoontje komt opnieuw van mijn vader. Wat volgt is administratie. Alle emotie wordt afgeboekt. We zijn een gezin min één, en regelen alles tot in de puntjes. Alsof het nog niet te laat is. Ik vraag de muizige vrouw die de verzorging op zich neemt of we hem nog kunnen zien. Ze aarzelt, raadt het ons af en zegt: ‘Herinner je hem als de broer die hij was. Hij had vast prachtige krullen. Net als jij.’

Na de begrafenis – hij had het machtig gevonden verteerd te worden door micro-organismen – zijn er broodjes, te dik met boter besmeerd. De ruimte ruikt naar vis.

Rob van Essen: de redacteur las een vanzelfsprekend fantastische roman met fonkelende passages.

*

Rob van Essen, Miniapolis

Zo begint het:

‘In tram 81 zat zijn moeder. Jonathan had haar niet zien instappen, opeens zat ze daar, aan de overkant van het gangpad, op een van die banken die met hun rug naar het raam stonden, ingeklemd tussen twee andere passagiers. Ze was al vier jaar dood en zag eruit alsof ze zware jaren achter de rug had.’

En je denkt: is de moeder van Een goede zoon terug? Komt er, nog voor die roman vermusicald is, een vervolg? Maar dat is niet zo: in Van Essens nieuwste tref je een andere zoon, een andere moeder, en andere raadsels. Deze wordt niet opgelost, maar de meeste wel, op een fantastische manier. (Ik bedoel hier ‘fantastisch’ in eerste instantie als ‘aan de fantasie ontsproten’. Denk Belcampo. Denk Van Essen.) Miniapolis is als een raam op een mogelijke wereld, en alle elementen zijn puzzelstukjes die wonderwel in elkaar blijken te passen. En zoals Een goede zoon voorsorteerde op een musical, zie je Miniapolis als film voor je, met Diederik Ebbinge als Wildervanck.

Vanuit die eerste zinnen ontstaan twee verhaallijnen: Jonathan vindt zijn moeder en gaat met haar op zoek naar het huis van haar jeugd, na geld te hebben gekregen van Wildervanck, de chef van het bijkantoor van een soort sociale dienst. Zij woonde, nota bene, met andere kinderen van glazenwassers en schoorsteenvegers, op het dák van dat huis van haar jeugd. Wildervanck op zijn beurt woont boven dat bijkantoor, en besluit op gegeven moment dit bijna-thuiswerken te doorbreken door steeds grotere rondjes te fietsen naar zijn werk. Zijn collega Scherpenzaal, die Jonathan bij Wildervanck ziet en meent te herkennen als de jongen die aan de grote brug hing (en dus ook wel dood moet zijn), ontdekt dat, en begint Wildervanck te volgen.

Dat is een hilarisch gegeven, maar Van Essen weet dat heel vanzelfsprekend te brengen, als het slapstick is, dan sluipend (vergelijk de scènische slapstick bij Sander Kollaard als de hondenlijnen weer verstrikt raken). En als het drama is, dan onderkoeld: de moeder-zoonrelatie is eerder toevallig, met een grimmige ondertoon (zij mept hem continu als hij iets verkeerds zegt – oké, slapstick). En de ongelijke verhouding tussen de twee collega’s wordt nergens tragisch. Er zit minder verdriet in dan in Van Essens vorige roman.
Scherpenzeel zien we het diepst in zijn ziel, hij schrijft aforismen op, maar ‘wanneer hij overlas wat hij had geschreven, was het plezier waarmee hij het had verzonnen al verdampt, en met die damp verdween ook elk vermoeden van scherpzinnigheid of gevatheid. Bovendien dacht hij bij elk aforisme dat hij noteerde, alsof hij zijn eigen psycholoog was: dit heeft vast met je ouders te maken‘. Om vervolgens bij een echte therapeut geen woord te zeggen. Opgewekt, of althans zonder tegenzin, trekken de hoofdpersonen het land in, en daar, bij een groot landhuis, komen alle lijnen bij elkaar en worden de verhoudingen omgekeerd.

Puzzel gelegd, nu weer stukje voor stukje opruimen, moet Van Essen vervolgens gedacht hebben, voor een prachtige finale scène.

En er zijn ook daarvoor ronduit mooie passages, die fonkelen van potentie (Van Essen lost die mogelijkheden in) en fantasie. Wie bedenkt dit?

‘Vaal licht stroomde naar hem toe, verdeeld door een grillig netwerk van harde, dunne lijnen. Achter het luik bevond zich een spits toelopend kerkraam – of iets wat daar sterk aan deed denken; geen venster maar een rooster, vervaardigd van gietijzer dat hier en daar door roest was aangevreten. De vakjes van het rooster hadden de vorm van klassieke legpuzzelstukjes, sommige staand, andere liggend. Geen enkel vakje bevatte nog glas, als het er al ooit in had gezeten. Hier en daar waren stukjes dichtgestopt met propjes vergeeld papier, misschien om de tocht buiten te houden. Enigszins ongerust voelde Scherpenzeel een frisse avondkoude uit het rooster komen, of beter gezegd, door het rooster. Als het eenmaal herfst was geworden zou dit zijn stookkosten aanzienlijk opjagen, het luik dat het rooster afsloot zag er niet uit alsof het over een groot isolerend vermogen beschikte. Hij kon zich voorstellen waarom de afgezant van de verhuurder dit venster had overgeslagen bij de rondleiding.’

Het is een en al mysterie, Harry Potter had erop kunnen stuiten, en dan voelt Scherpenzeel zich opeens ‘enigszins ongerust’ en de werkelijkheid van die stookkosten. Gelukkig komt het niet zover, want met die propjes vergeeld papier, waarop instructies staan, begint Scherpenzeels odyssee, en daarmee eindigt hij ook. Ach, lees dat boek nu maar, wacht niet op de verfilming, je wordt niet teleurgesteld: het is wat minder speculatief en uitzinnig, wat minder zwaar ook, maar Van Essens humor en fantasie is even subtiel, alledaags en ongerijmd.

AtlasContact gaf Miniapolis uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Nieuw proza! Vandaag Bas van den Bosch, met ‘19 september’, een verjaardagsverhaal, een tocht naar het verleden, over vriendschap en nostalgie.

*

Vandaag, op 19 september, moet ik denken aan mijn vroegere klasgenoot Joost De Winter, die we Jo de Sprinter noemden, omdat hij als tengere rechtshalf van net één meter vijftig bij voetbaltoernooien brede buitenspelers van de bal liep. Of maak ik het nu mooier dan het was en noemden we hem alleen maar zo omdat dat geiniger klonk dan Joost De Winter?
Ik denk aan Jo, en aangezien ik sinds een halfjaar lange, lege dagen moet zien vol te krijgen, besluit ik richting Hunzestraat te fietsen, waar hij naast de slagerij op de hoek van de Scheldestraat woonde. Die familiezaak zit daar nog steeds en als ik er in de buurt ben, koop ik er een bakje vleessalade, eigenlijk alleen omdat er al sinds mensenheugenis een bordje met de tekst: ‘Beste van de stad!’ naast de schaal in de vitrine staat.
Sasja weet dat ik moeilijk kan accepteren dat ik gemeenteambtenaar af ben, dat de dagelijkse routine van vaste gewoonten en vertrouwde verrichtingen na veertig dienstjaren voorbij is en dat ik de afwezigheid van mijn bureaustoel probeer goed te maken met het zadel van mijn fiets. Ze komt naast me staan als ik de achterband oppomp, maar zegt niets, grijnst alleen. Ik heb spijt dat ik haar vorige week vertelde over mijn recente fietstochten naar de Rivierenbuurt, waar ik sentimenteel de bomen in de Biesboschstraat aantikte, alsof ik er weer diefje-met-verlos speelde. Ook vertrouwde ik haar toe dat ik het portiek van mijn ouderlijk huis was binnengegaan en dat het daar leek alsof de motieven in de mozaïekvloeren me als oude bekenden begroetten. Allicht vertelde ik haar ook over mijn oude jongensschool iets verderop, die van binnen was veranderd in een appartementencomplex, maar van buiten trouw bleef aan mijn herinnering: rode baksteen, ramen met zestien kleine raampjes, en de donkerbruine dubbele deur die destijds onverbiddelijk twee werelden scheidde: straatgeluid-stilte, vrijheid-discipline, buiten-binnen.
Als ik bij Sasja wegfiets, kijk ik niet om, terwijl ik weet dat ze bij de deur is blijven staan om me uit te zwaaien. Kinderachtige kerel. Ik zet er de vaart in en sta binnen het halfuur op het Victorieplein met in de schaduw van de wolkenkrabber het standbeeld van Anne Frank. Stond dat beeld daar begin jaren zestig eigenlijk ook al? Er ligt een boeketje bloemen voor de sokkel, meisje met boodschappentas in de rechterhand en boekentas onder de linkerarm; een boekentas zoals wij vijfentwintig jaar later ook zouden dragen, of droegen wij die toen niet? We droegen elkaar, op onze rug en schouders, we vochten soms, maar daarna reikten we elkaar de hand, moest van de meester, en nooit werden we opgepakt omdat onze neus verkeerd stond.
Jo de Sprinter. Ik herinner me zijn geringe lengte, maar ook zijn bril. Andere jongens droegen ook een bril, maar die van Joost had glazen die zijn ogen klein maakten als rozijnen. Ik hoor hem weer lachen, een aanstekelijke lach. Al vroeg had hij door dat lachen afleidde van zijn kleine postuur en zijn bril, en dus lachte hij vaak en verder deed hij zijn best om niet te veel op de voorgrond te treden. Maar soms was hij ongewild toch het middelpunt, want als hij las, bracht hij zijn gezicht tot vijf centimeter van zijn schoolboek en dan keek je vanzelf zijn kant op. Toen de meester van de derde hem bij een fout voorgelezen woord een keer snauwerig vroeg: ‘Kan je het zien, knul?’, lachte Joost hartelijk met de anderen mee.
Paul Michielse. Ik sta voor Jo’s deur in de Hunzestraat en zie dat een slordig stukje papier met de naam Paul Michielse het chique, geëmailleerde naambordje van R.M. De Winter heeft vervangen. R.M. De Winter, ongetwijfeld Jo’s vader, die er nooit was en die ik dus nooit heb gezien omdat hij werkte, ander woord voor, begreep ik later, een leven met een nieuwe vrouw en nieuwe kinderen. Joost liep niet met zijn werkende vader te koop en waarschijnlijk had ik dat in zijn plaats ook niet gedaan, want in die tijd schaamde je je voor scheiding en schaamte hield je voor jezelf. Daarbij had Joost altijd nog een moeder, een nogal hoekige, beweeglijke vrouw, bozig brommend op zoek naar dingen die ze kwijt was en die ergens op de grond leken te liggen. Tegen haar hoefde Joost niet te lachen, want dat maakte haar niet aardiger. Er was ook een grote broer, die evenmin aardig was, en die ons, kleine gastjes, totaal negeerde of ons toeschreeuwde ergens anders te gaan spelen.
Vandaag, 19 september, sta ik voor Jo’s deur en zou ik hem weer de hand willen schudden om hem nog vele jaren te wensen. De verjaardagen van anderen ben ik vergeten, maar die van Joost vergeet ik nooit omdat hij vanaf klas één elk jaar op 17 september dezelfde woorden in mijn oor fluisterde: ‘Nu ben jij jarig, maar over twee dagen ben ík aan de beurt.’ Pas in de zesde klas, toen ik het zinnetje dus al vijf keer had gehoord, verraste ik hem door, voor hij zijn mond kon openen, te zeggen: ‘Ja, Joost, over twee dagen ben jij aan de beurt.’ Hij lachte zijn lach.
Na die zesde klas scheidden onze schoolwegen, maar bleven we wel samen voetballen, bij een club die ik op mijn achttiende verliet. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien en in de vijftig jaar tussen toen en nu heb ik maar één keer iets over hem gehoord. Op een dag, nu zo’n dertig jaar geleden, belde mijn vader me tijdens zijn vakantie in Frankrijk. ‘In een tankstation kwam er een nogal kleine, beweeglijke man op me af,’ zei hij, ‘en die vroeg: “u bent toch de vader van Hugo?”‘ Joost had hem herkend als de man die twintig jaar eerder aan de zijlijn van het voetbalveld had gestaan, een vader die er wel was. Mijn vader verbaasde zich over Joosts geheugen, over het feit dat hij hem na zo’n eeuwigheid nog kon herinneren. ‘U bent geen jaar ouder geworden,’ zei Joost, en hij wist nog dat mijn vader op mijn tiende verjaardag – waar Joost kennelijk ook aanwezig was geweest – een 16 mm-filmpje van Laurel en Hardy had vertoond. ‘Een enthousiaste man,’ zei mijn vader, ‘heel vrolijk en goedlachs en intussen getrouwd met een mooie, langbenige Française. Hij stelde haar keurig aan me voor en vertelde dat hij nu in Lyon woont en iets doet in de wijncoöperatie van de familie van zijn vrouw. Hij heeft zijn huisadres voor je opgeschreven, voor als je eens in de buurt bent.’
Dat vond ik sympathiek, en ik betwijfelde of ik hetzelfde gedaan zou hebben als ik zijn moeder toevallig in Frankrijk was tegengekomen (en haar had herkend!). Ik was blij voor hem dat hij een knappe Française aan de haak had geslagen en betrapte me op de gedachte dat ik zo’n verovering niet achter hem had gezocht.
‘Ik zal hem een kaart sturen als hij jarig is,’ zei ik tegen mijn vader, zonder verder iets uit te leggen over zeventien en negentien september.
Ik open de deur van de slagerij en ben de enige klant in de zaak. Een meisje achter de toonbank vraagt of ik het al weet en ik wijs naar de schaal met vleessalade.
De slager, die een mes slijpt, vraagt of ik misschien naar iemand op zoek ben. Hij is van mijn leeftijd, schat ik, en qua houding en postuur zou hij een zoon kunnen zijn van de slager die hier stond toen Joost en ik klein waren.
Paul Michielse schiet hinderlijk door mijn hoofd, maar ik vertel dat ik hier zestig jaar geleden in de buurt heb gewoond. ‘En hiernaast woonde een schoolvriendje, dus voor de gein keek ik even naar de naambordjes, macht der gewoonte.’
‘Nostalgie,’ zegt de slager. ‘Hoe heette dat vriendje?’
Jo De Sprinter, wil ik zeggen, maar net op tijd slik ik dat in: ‘De Winter, Joost De Winter.’
‘Ah.’ De slager glimlacht. ‘Ik ken zijn broer. Frans.’
Ik knik en hoor een stem: Ga ergens anders spelen.
‘Als jongen hielp ik hier mijn oom,’ zegt de man, ‘en ik kende Frans De Winter van de detailhandelsschool. Pas later ontdekte ik dat hij hiernaast op twee hoog woonde.’ Hij staart omhoog en laat zijn blik langs de wanden van de slagerij gaan. ‘Deze zaak heb ik vijfenveertig jaar geleden van mijn oom overgenomen en over drie maanden ga ik sluiten, dan is het finito’ Het geslepen mes hangt hij aan een haak tussen andere messen. Als het ding stopt met bewegen, kijkt hij me aan, pensionado’s onder elkaar.
‘Frans de Winter scharrelt, net als u, ook nog wel eens door de buurt en een heel enkele keer loopt hij hier binnen om gedag te zeggen.’ De slager haalt zijn schouders op. ‘Maar ú kende dus Joost, de jonge broer als ik me niet vergis.’
‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘We zaten hierachter op de jongensschool.’
‘Joost was, als ik het goed begreep, een beetje een zenuwenlijertje vroeger,’ praat de slager verder. ‘U weet dat hij drie jaar terug is overleden?’ Van boven zijn bril kijkt hij me nog eens indringend aan. ‘O, dat wist u niet.’ Hij doet een stap in mijn richting en vervolgt, iets zachter: ‘Frans liep hier in juni of juli weer eens binnen en toen kwam het op zijn broer. Het scheen dat die in Frankrijk woonde.’ De slager klopt op zijn borst.
‘Het hart.’
Het meisje zet mijn bakje salade op de toonbank en sluit de schaal in de vitrine af met vershoudfolie. Haar pink scheert rakelings langs het bordje ‘Beste van de stad’. Ze vraagt of ik nog iets anders gewenst had en of ze er een tasje bij zal doen.

Ik fiets terug door de Rooseveltlaan en ineens dringt tot me door dat vanaf vandaag voor mij Joosts geboortedag ook zijn sterfdag is geworden. Nooit meer zal hij twee dagen na mij aan de beurt zijn en daarmee, realiseer ik me, zal ook mijn eigen verjaardag iets van zijn glans verloren hebben. Alles houdt op en houvast bestaat niet.
Voor het voetgangerstunneltje naar de Roerstraat stap ik af om ook daar nog eens doorheen te lopen. De muren zijn recentelijk gevoegd en de zware metalen deur met het opschrift GEB kreeg een nieuwe, groene verflaag. Gelukkig heeft het middendeel van de tunnel nog steeds geen plafond en net als vroeger drijven de wolken ongestoord voorbij. Dat voelt als troost, alsof er toch dingen bestaan die blijven zoals ze waren.
Ik verplaats mijn voet omdat er een streepje water langs de deurlijst in de richting van mijn schoen sijpelt. Ooit, tijdens het douchen na een voetbalwedstrijd, vroeg Jo of hij van iemand een stukje zeep mocht lenen omdat hij zijn eigen zeep vergeten was.
Ronald – twee koppen groter dan Jo – overhandigde hem een haast onzichtbaar reepje zeep met de woorden: ‘Hier moet jij het wel mee kunnen redden, toch?’
We moesten er allemaal om lachen. En Jo het hardst.

 

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het tweede verhaal: ‘Sluitgordijn’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Na de dood komen de dingen.’

*