We hebben een vacature. Iets voor jou?

*

Wat we doen:

Onze vijfkoppige redactie is gezamenlijk verantwoordelijk voor de invulling van het tijdschrift, van het benaderen van schrijvers en het redigeren van kopij tot aan het kiezen van titel en omslag. Samen denken we na over wat er speelt in de literatuur en de maatschappij en welke nieuwe vormen daarbij passen. We zoeken nieuwe teksten die ons – en hopelijk vele lezers met ons – verrassen. We zijn het niet altijd eens, maar dat leidt alleen maar tot rijke en diverse nummers.

Naast het papieren tijdschrift dat vier keer per jaar verschijnt, zijn we ook verantwoordelijk voor de bijdragen op de website. Ook is er ruimte voor initiatieven om het tijdschrift heen, zoals het organiseren van presentaties, podiumprogramma’s, of podcasts.

We vergaderen maandelijks, bij de uitgeverij of online, en verdelen de taken onderling. Denk aan het maken van plannen en begrotingen, het lezen van ingezonden kopij en het beheren van sociale media en de website.

Wat we zoeken:

  • Iemand die balans brengt in de redactie (qua gender, culturele achtergrond, leeftijd);
  • Iemand die met een frisse blik en nieuwe input ons blad versterkt;
  • Iemand die het netwerk van het tijdschrift vergroot;
  • Iemand met een neus en een netwerk voor talent;
  • Iemand die kan redigeren;
  • Iemand met wie we het gesprek kunnen blijven voeren over wat goede literatuur is.

Wat we bieden:

  • Een omgeving waar je je creativiteit kunt botvieren;
  • Een manier om je netwerk te verrijken;
  • Een platform om je eigen pen te scherpen;
  • Een hecht team van redacteuren met wie je samenwerkt;
  • Een redactievergoeding van €250 per nummer.

Klinkt dit als iets voor jou? Mail je motivatie (max. 500 woorden) en relevante info naar stefanie@derevisor.nl vóór 21 maart o.v.v. ‘redacteur gezocht’ en wie weet nodigen we je uit voor een kennismakingsgesprek.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door de huurbemiddelaar, een hete aardappel, verstandige dingen, het kapitalisme en normaliteit.

*

Nadat ik een huurbemiddelaar telefonisch mijn inkomen uit de doeken deed, was hij even stil.
‘Hallo?’ zei ik.
De man, hij klonk veel jonger en tegelijkertijd wegens bijzonder hete aardappel veel ouder dan ik, schraapte zijn keel.
‘Komt er nog verbetering in deze situatie?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat denk ik niet.’
Bij het wegdrukken van het gesprek miste ik hartgrondig de mogelijkheid met een hoorn te smijten.

‘Verbetering van mijn situatie! Dat impliceert,’ zo brulde ik later tegen M., die me stevig in haar armen hield omdat ik anders uit blinde woede op zou stijgen, ‘dat mijn situatie kennelijk niet goed genoeg is! Dat er iets niet klopt!’
M. zei allemaal verstandige dingen, zoals dat het aan het kapitalisme ligt, en aan de VVD, en dat ik bovendien toch gewoon rondkwam, en dat ik in godsnaam even uit dit spiraaltje moest komen, maar dat lukte dus niet.
‘Waarom ben ik niet normaal,’ jammerde ik, ‘waarom ben ik niet gewoon ergens accountmanager of administratief medewerker? En dat ik in een rijtjeshuis woon met een man en 2,5 kind, en dat ik in mijn vrije tijd graag ga shoppen, en dat ik één boek per maand lees, elke keer van Tommy Wieringa, voor mijn leesclub, waar ik dan ook witte wijn met bubbels drink en praat over alle 2,5 kinderen van de andere leesclubgenoten!’
M.’s grip begon, om allerlei zeer begrijpelijke redenen, wat losser te worden.
‘Ik heb het geprobeerd!’ gilde ik als een waanzinnige door mijn zolderkamer. ‘Ik heb zo hard geprobeerd geen schrijver te worden!’

Dat was niet gelogen. Hoewel al m’n innerlijke kompasnaalden altijd naar het woord wezen, wilde ik er niet aan. Ik durfde niet. Ik nam gewone banen, met Excelsheets en printerhokken, tot ik – ergens in de twintig, scheel van slaapgebrek en sluimerende depressies – op een kantoor naar mijn pensioen zat te verlangen, en me inschreef voor een studie Nederlands. Dan kon ik, zo redeneerde ik, misschien wel taalkundige worden. Lesmethodes ontwikkelen. Voor een salaris. Enfin. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en bij mij is dat dus het papier op, tot het in zwarte lettertjes opdroogt.

Ondanks mijn larmoyante zelfbeklag bleef M. naast me zitten, want ze is een volhouder. Zij heeft nooit een kantoorbaan gehad – ze wist al vanaf dat ze kon bewegen dat ze danser wilde worden. En dat werd ze. Zelfs als de godganse wereld op z’n gat ligt te jammeren is M. dingen aan het maken: voorstellingen, installaties, plannen. Toen we elkaar nog niet kenden, maar zo lang kennen we elkaar nog niet, hing ik bij de minste tegenslag direct al mijn plannen aan de wilgen. Dan werd ik postbode, schoonmaker of communicatiemedewerker. M., daarentegen, ging desnoods op droog brood door. Uit bevlogenheid en een rotsvast geloof in de waarde van kunst.
‘Je moet helemaal geen flitsbezorger worden,’ onderbrak ze mijn snotterige monoloog voor de zoveelste keer, ‘en adem alsjeblieft even in.’
Dat deed ik. En uit. Tot ik weer begreep dat er helemaal niets zielig is aan mijn situatie, zo met die grote liefde en de literatuur en zo – menigeen zou voor minder z’n ziel verkopen.

Wat ik die huurbemiddelaar had moeten antwoorden op de vraag of er nog ‘verbetering in deze situatie’ kwam weet ik nog steeds niet precies. Misschien had ik de vraag met beide handen terug moeten slingeren: ‘Wat kunt u doen om deze situatie te verbeteren?’
Ik heb het idee dat ik naar iets groters zoek. Niet alleen een weerwoord op deze ouwelijke jongen, maar op iedereen die situaties als de mijne een dwaling lijkt te vinden. Die van vele met mij. De scheppers, de makers, de mensen die met pen, lijf, penseel of beitel de kieren van een kleurloos klimaat te lijf gaan, ook als er niemand kijkt. Je merkt pas hoe grauw het wordt als ze daarmee stoppen.

 

Beeld bij deze column: Protestaktie van kunstenaars tegen falend kunst en kultuur beleid kunstenaars plakken muurkranten op Stedelijk Museum Amsterdam, op voorgrond Ernst Vijlbrief. Uit het Nationaal Archief.

Agustín Fernández Mallo: de redacteur kwam micronaties tegen in een intrigerende mozaïekroman, en het spel tussen bureaucratie en de menselijke conditie.

*

Daan Stoffelsen: Agustín Fernández Mallo, Nocilla Dream, vertaald door Adri Boon

In korte tijd — op de tijdschaal van mijn twaalfjarig redacteurschap — ben ik groot fan geworden van themanummers. Van literaire thema’s, van maatschappelijke thema’s. Micronaties, het door Lotte Lentes opgeworpen onderwerp voor De Revisor 31, onttrekt zich aan die indeling. Want ja, buitenrechtelijke staatsvorming gaat over autonomie en vrijheid en grenzen — maar de mensen achter die minilandjes zijn niet zelden fabulerende dilettanten, stranger than fiction. Dus is het ook niet verwonderlijk dat er in #31 ijzersterke fictie staat. Wel gek dan, dat er zo weinig romans in me opkomen die spelen met het onderwerp. Dat zal aan mij liggen, of aan het moment dat ik deze vraag opwierp op Twitter: de kracht van Twitter, vorige week nog zo bejubeld, kwam slechts op Leonard Wibberleys The Mouse That Roared (1955, over Grand Fenwick), Kurt Vonneguts Cat’s Cradle (1963, over San Lorenzo), en Agustin Fernández Mallo’s Nocilla-trilogie (2006, Adri Boons vertaling is van 2021).

Het eerste deel van die mozaïekachtige roman, Dream, speelt zich grotendeels af in de woestijn van Nevada, rondom eenlingen van allerlei soort, letterlijke grensgevallen. Stuk voor stuk hebben ze fascinerende verhalen, die Fernández Mallo ook nog eens meermalen herschrijft, zodat er opeens iemand anders met een koffer vol gevonden foto’s opduikt bij een andere prostituee. Ook de chronologie is moeilijk te vatten, en de associaties tussen de verhaallijnen zijn af en toe nogal los. Ik voelde me bovendien niet zelden nogal dom door de filosofische en wetenschappelijke uitstapjes (de auteur is ook natuurkundige), maar als ik iets welwillender naar mezelf ben, moet ik zeggen: dit boek intrigeert, en inmiddels ben ik met deel 2 bezig.

Vanaf hoofdstuk 39 (van de 119) duiken er micronaties en hun bewoners op: ‘Via de digitale snelweg wenst Ted alle internetters ter wereld een gelukkig nieuwjaar, maar in het bijzonder hen die net als hij in een micronatie wonen en werken.’ Dat concept licht de verteller toe, beginnend bij Sealand (waarover Nicole Kaandorp een levensecht verhaal heeft geschreven voor #31), verwijzend naar verschillende overzichten en duikend in Teds eigen micronatie, Isotope Micronation, ‘een soort grote kubus […] begraven onder een lege vlakte van zo’n 77.000 m2, een darm van beton die uitgestrekt bijna 600 kilometer lang zou zijn’. De vorige bestemming was het zogenaamde Radioactive Waste Management Center. Fascinerend genoeg, maar dit detail geeft net iets meer smaak:

‘In die megagrote onderaardse kubus hebben de 178 bewoners zoveel ruimte dat er gerust een maand kan verstrijken zonder dat ze elkaar ook maar één keer tegenkomen, en als ze elkaar dan tegenkomen is dat meteen voldoende reden om elkaar een maand lang niet meer los te laten om erachter te komen hoe het hun vergaat. Ze weten dat de dag waarop iemand op weg naar een zaal of galerij onverwacht mocht sterven, het heel lang zal duren voordat diegene gevonden wordt, maar dat geval heeft zich nog niet voorgedaan: de micronatie bestaat nog maar tien jaar en vanuit dat perspectief zijn de bewoners nog onsterfelijk. Een van de “micronationale pleziertjes”, gereguleerd door de Afdeling Wetenschappen van de microstaat, ressorterend onder het Knooppunt Economie en Invordering, bestaat erin eens per week op een paar speciaal voor dit doel voorgedrukte formulieren de naam aan te kruisen van de ingezetene van wie men inschat dat hij of zij de eerste zal zijn die het loodje legt.’

Bureaucratie en de condition humaine in één bizar gegeven gevat.

Ook de non-place-ambassadeur van Elgaland & Vargaland duikt op, ook al zo’n man die een roman op zich zou verdienen. Maar dat is de lol van dit boek: Nocilla Dream is als een bibliotheek van mogelijke romans in verschillende fases van wording, en we mogen ze allemaal tegelijk lezen. Verder in Nocilla Experience!

Koppernik gaf de Nocilla-trilogie uit. Op Athenaeum.nl staat een toelichting door vertaler Adri Boon.

In Parijs is het makkelijk van alles te verliezen. Zoals een exemplaar van De wetten van Connie Palmen bijvoorbeeld. Een nieuw kort verhaal van Janne Heling. Lees verder

Een nieuw feuilleton! Esha Guy Hadjadj (1994) schreef voor #28, ’n Brasa van talen, ‘Ghadina fi yaddina – onze morgen ligt in onze handen’. Zijn online feuilleton voor ons speelt in Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Lees deel 1!

*

De metrodeuren zuchten open. Een groepje jongeren stapt stilzwijgend binnen. Hun huid is amper zichtbaar door hun jassen, petten, maskers en neerwaartse blikken. Alleen een enkele scheur in een spijkerbroek verraadt een schaafwond op een knie.
De wagon is bijna leeg. Hier en daar dommelt een oudere man op een uitvouwbare stoel, swipet iemand leunend tegen het raam op z’n telefoon.
Een aantal maanden geleden had Dorine haar tas nu strak tegen zich aan gehouden. Ze koesterde papa’s waarschuwingen, ‘wees altijd op je hoede in de metro’. Maar sinds ze hier meer dan een halfjaar woont, vermoedt ze dat dat niet voortkomt uit levenservaring, maar eerder uit de onkantelbare angst voor wat vreemd is. Tot die conclusie kwam ze druppelsgewijs. Iedere week liet ze de woorden van haar ouders wat meer los, ontspande haar arm iets meer, tot uiteindelijk haar tas vanzelfsprekend tegen haar zij bungelde.
Zodra de metrodeuren dichtschuiven stapt de jongen met de schaafwond naar voren en begint luidkeels door zijn masker te praten:
– Excuseert u mij, dames en heren, dat ik wat van uw aandacht vraag in deze drukke tijden, maar ik moet u wat vertellen. De dagen zijn misschien donker, het uitzicht is somber, Parijs nog weerbarstiger dan normaal, maar vertrouw me: je kunt altijd bij iemand terecht.
De metro stort zich in de tunnels met overweldigend kabaal. De ramen staan open om het virus af te weren. Het maakt het beslist niet makkelijk voor de jongen, die zijn stem uit alle macht door zijn mondmasker en boven de wagon uit probeert te schreeuwen.
– NEEM HET VAN MIJ AAN. VORIG JAAR SLIEP IK NOG OP STRAAT. MIJN GEDACHTEN STREKTEN NIET VERDER DAN DE VOLGENDE DAG. MAAR OP EEN GEZEGEND MOMENT ZAG IK HET LICHT. IK LIET JEZUS TOE IN MIJN HART, EN SINDSDIEN HEB IK OPVANG, ETEN, EN NOG BELANGRIJKER, EEN DOEL GEKREGEN.
Dorine glimlacht naar de jongen; ze is de enige reiziger die hem lijkt te verstaan. De rest swipet en slaapt ongestoord door. Ze vraagt zich af of het zijn eigen idee was om te prediken in de metro, of dat iemand anders hem daartoe de opdracht gaf in het kader van een hersteltraject. Misschien dat in de volgende metro een van zijn stille handlangers het stokje van hem over moet nemen.
Niemand anders in de wagen zou geloven dat Dorine in de jongen iets van zichzelf terugziet. Bij haar ouders thuis hing in iedere kamer wel een kruis. Het was de reden dat ze nu in deze metro zat, op weg naar haar eerste actievergadering.

Een paar maanden geleden was ze voor het eerst sinds een half jaar weer bij haar ouders thuis. Bij binnenkomst had ze haar spullen nauwelijks van haar schouder geworpen of ze rende de woonkamer in: op zoek naar wat er ondertussen was veranderd. Papa besloot vermoedelijk ooit dat hij het best met zijn eigen sterfelijkheid om kon gaan door antieke meubelen en schilderijen te verzamelen. Het begon rond haar tiende. Zo groot scheen zijn angst voor de leegte dat in elke kamer portretten van volslagen onbekenden uit voorbije eeuwen ieder stuk muur moesten bedekken.
Deze keer was het makkelijk: Dorine ziet gelijk hoe een commode in de stijl van Louis XVI is vervangen door een monster dat bijna drie keer zo hoog is. Pap komt net vanuit de keuken de kamer in gelopen.
– En? vraagt hij glunderend.
– Wat is dit nou weer voor lelijk ding pap? Zo’n grote kast met alleen maar lades?
– Aha, dat is zeker waar. Zeven lades: één voor iedere outfit van de week. Dat was het idee. Maar moet je eens kijken Dorine.
Hij pakt uit een kistje een sleutel die hij in een van de hogere lades steekt. Wanneer het slot openklikt, blijken drie lades eigenlijk een uitklapbaar tafeltje waarachter een geheim compartiment schuilt.
– Is het niet prachtig? Het komt uit de achttiende eeuw. Mensen verstopten hier hun correspondenties en andere belangrijke zaken zodat de hulp ze niet zou vinden.
Mam kwam naar beneden gelopen, kuste haar dochter tweemaal op haar wang en gaf een stevige knuffel. Toen ze pap zag staan naast zijn nieuwste aanwinst schudde ze haar hoofd. Dorine zou waarschijnlijk de laatste in een lange serie gasten zijn geweest die als publiek diende voor haar vaders goocheltruc.

Toen de borden die avond leeg waren en de schaal vol lag met kippenbotjes, las pap enkele passages voor uit de Bijbel.
– We zijn blij dat je hier bent, zei hij uiteindelijk tegen Dorine, en schoof het boek terug in de la onder het hoofd van de tafel. Maar je moet ons wel even iets uitleggen hoor. Je bent pas zes maanden aan het studeren en nu al horen we bijna niks meer van je! Ben je ons nu al vergeten?
– Laat haar nou Patrick, zei mam. Ze is nu toch hier? Die zoons van je zie ik anders nergens.
Haar ma had de vorige avond na Macrons toespraak alles geprobeerd om haar kleinste, haar petite dernière uit Parijs te krijgen voor de lockdown. Een halfuur lang bleef ze aan de telefoon, niet om haar dochter te overtuigen, maar om haar uit te putten. Het was mam niet te doen om de inhoud, maar alleen om hoe vaak ze dezelfde boodschap moest herhalen tot haar dochter niet eens de energie had om zich ertegen te verzetten.
– Ik mag het toch gewoon vragen? Alle andere studentes komen ieder weekend gewoon terug hoor. Voordat je het weet zijn we onze Dorine verloren aan die arrogante coltruien.
Hij doopte sneetjes stokbrood in de overgebleven jus op zijn bord. Dorine bestudeerde vooral het nieuwe boeket op tafel. Ze gingen altijd voor sobere samenstellingen, maximaal drie kleuren waarvan altijd eentje groen. Dit keer waren de andere twee kleuren wit, vertegenwoordigd door extra witte graanhalmen en een ontluikende wilgentak, en een dof paars dat van de bladeren kwam, waardoor het geheel iets weghad van de dure salade die Dorine wel eens in de buurt van Sciences-Po haalde.
– Het is oké pap, ik ga nergens heen.
– De komende tijd in ieder geval niet!
Pap veegde zijn mond af met een servet en spreidde glimlachend zijn armen uit over de eettafel. Zijn bord was blinkend wit, alsof er nooit een druppel vet op was gekomen.
– Dat valt toch wel mee? Misschien dat we een maand binnen zitten maar dan is het wel voorbij.
– Je bent nog jong jij, antwoordde mam. Je beseft niet hoe makkelijk de maatschappij kan veranderen. Wij hebben het gezien toen je nog jong was, toen ze zomaar besloten dat het huwelijk voor iedereen toegankelijk moet zijn. Een millennia oud instituut zonder waarschuwing onder de guillotine! Door deze pandemie moeten we misschien we zelfs onze demonstratie dit jaar aflasten.
– We wilden hem dit keer in Parijs houden, zei papa, in het hol van de leeuw! Dat zou nog eens wat zijn hé? Jij zou er in principe naartoe kunnen wandelen. Sterker nog, wie weet kan jij ondertussen meewerken in de organisatie, Dorine. Je woont al op jezelf, je bent zelfstandig, je studeert politieke wetenschappen. Misschien wordt het tijd dat je je ook inzet voor de Manif pour tous. Niet als dochter van, maar gewoon als Dorine.
– Misschien wel, antwoordde Dorine terwijl ze opstond van tafel en begon af te ruimen. Toen ze de kraan opendraaide en de spons uitkneep, stroomden herinneringen aan de Manif pour tous in willekeurige volgorde door haar hoofd. De warmte van papa’s hand en nek als hij haar op zijn schouders tilde. De eindeloze sliert hoofden en borden die ze van daaruit kon zien. Of hoe de kinderen op de grond ongemerkt grassprietjes in haar haar gooiden. Ze zochten elkaar iedere demonstratie weer op om te kunnen spelen. Af en toe had Dorine het door en veegde ze het projectiel uit haar haar, om vervolgens een triomfantelijke blik over over haar schouder te werpen: ‘Ik heb jullie wel door.’ Pas thuis zou ze erachter komen hoeveel er nog in haar haar was blijven steken.
Het kippenvet verdween moeiteloos van het servies, alsof de borden en het bestek amper het vlees aangeraakt hadden. Dorine hoorde haar ouders in de woonkamer op fluistertoon verder praten. Haar ouders schreeuwden amper mee met de leuzen tijdens al die demonstraties waar ze haar en haar broers mee naar toe sleepten. Ze babbelden vooral met hun buren over de tuin, het varken dat ze die winter wilden slachten, of over hun kinderen. Enkel uit de borden en stemmen om hen heen kon Dorine afleiden wat er in haar ouders’ hoofden omging: behoud het gezin; abortus is moord; bescherm de kinderen – tegen het homohuwelijk! Zij waren liever degenen die in de aanloop naar de demonstratie de zaken in goede banen leidden dan dat ze op het podium stonden. Tijdens de toespraken weken hun ogen alleen af van de spreker om de kinderen te waarschuwen stil te blijven, net als met de pastoor in de kerk.

Tonke Dragt & Rindert Kromhout, Els Pelgrom: de redacteur las twee jeugdboeken die micronationaliseren in het hoofd, kosmopolieten maken van kinderen — terwijl moderne micronaties juist verengen.

*

Daan Stoffelsen: Els Pelgrom, Het verloren paspoort, en Tonke Dragt, Wie achter deze deur verdwaalt

Binnen de kaders van je hoofd mag je denken wat je wil, binnen de muren van je huis mag je veel doen wat je wil, en ook binnen de grenzen van dit land heb je grote vrijheid. Volstaat dat? En op basis waarvan bepaal je dat? En wat dan? Wordt het dan

  • Ik vertrek (voorspelbare soap) of
  • Verzet! (een titel die door twee oud-redacteuren van dit tijdschrift gebruikt is, dus wel literair moet zijn)
  • of bevries je in oneindige contemplatie (mijn reflex, vrees ik, werktitel: De dood van de essayist)?

Zoals gebruikelijk zit er lange tijd tussen het aanzoeken van schrijvers, het begeleiden van hun schrijven, en de uiteindelijke publicatie van De Revisor. Het zal gek overkomen dat ik nu schrijf over iets wat op zijn vroegst eind maart 2022 zal verschijnen, maar zo’n themanummer geeft nú focus aan mijn lezen, overal zie ik snippers werkelijkheid die raken aan wat er het tijdschrift komt te staan. De Revisor 2022-1 gaat over Micronaties, ‘landen die niet bestaan. Landen die beweren onafhankelijk te zijn, maar niet als zodanig worden erkend of serieus genomen’, zoals Lotte Lentes het in haar Redactioneel zal verwoorden.

(De formuleringen in dit stukje zullen wat futuristisch blijven.)

2022: Zuidland

In de afscheidsreportage van Zuid-Afrika-correspondent Bram Vermeulen in de NRC onderzoekt hij waarom hij zich maar niet thuis is gaan voelen in zijn standplaats. Hij spreekt ontheemden en daklozen, maar reist ook af naar een boerderij waar men een republiek heeft uitgeroepen, Zuidland. De ‘president’ van deze nieuwe staat zegt: ‘We zijn alles kwijt geraakt in dit land: onze cultuur, onze erfenis, alles wordt ons afgenomen. Het ANC domineert ieder aspect van ons leven. De enige manier om van ze af te komen, is door afscheiding.’

Een micronatie dus, waarin al de eerste politieke conflicten hebben plaatsgevonden – een terugkerend fenomeen, lees ik in Jorie Horsthuis’ bijdrage aan ons nummer. Horsthuis maakt samen met Floor Koomen De Facto, een site over dit onderwerp, en ze is dus dé expert.

1982: Het Koninkrijk der Kosmopolieten

De Facto is een veelzeggende formulering. ‘De jure, they may be part of another country, but de facto, they operate as an independent entity,’ schrijven Horsthuis en Koomen, er is iets gecreëerd wat aan wetten lijkt te ontsnappen maar toch werkelijk is. En daar komt een andere tegenstelling in beeld, die tussen feit en fictie.

Bij verschijning van Wie achter deze deur verdwaalt, van Rindert Kromhout en Tonke Dragt met Dragt-achtige illustraties van Linde Faas (2021), werd de ‘paspoortaffaire’ in herinnering geroepen. In 1982 schreef Els Pelgrom bij het tienjarig jubileum van Uitgeverij Kosmos Het verloren paspoort, een kinderboek in de vorm van een echt paspoort, vormgegeven door Max Velthuijs. Vanwege die gelijkenis probeerden kinderen er geld mee op te nemen bij de bank (ging dat dan toen zo?!), en besloot Justitie het uit de handel te halen. Bertram Mourits vat de kwestie samen op Literatuurmuseum.nl, en hij verwijst daar naar een artikel uit 2001 van Joke Linders, dat nu op de DBNL terug te lezen is. Want het staartje is dat Tonke Dragt op dat moment een stapeltje Verloren paspoorten kocht, en daarmee een levendig spel begon te spelen: ze bedacht formulieren waarop je je kleur stem moest invullen en de ‘wereld-vreemde landen’ waar je een visum voor wilde, Velthuijs maakte stempels, er werd gecorrespondeerd tussen allerlei kinderboekenschrijvers en genootschappen.

Terug naar 1982: het verhaal van Het verloren paspoort is eenvoudig, maar het boekje is door de vormgeving wel de moeite waard. Het half-Italiaanse meisje Rossella krijgt haar eigen paspoort en besluit ermee naar haar vader te reizen, een beroemde filmacteur in Rome. Al in de eerste pagina’s krijgt het reizigersvirus haar te pakken:

‘Ze liep de hele weg naar het station, at onderweg patat en een kroket, maar de tijd ging zo langzaam voorbij dat ze dacht dat alle klokken in de stad waren stil blijven staan. Ze keek naar de etalages, naar de mensen en de trams. Zij had geen huis meer, leek het, zij woonde nergens. Vreemd dat al die mensen op straat in Amsterdam bleven! Zo voelt het dus als je alleen op reis gaat, begreep ze.’

Het is toegankelijk proza, toegesneden op jonge lezers, maar het sentiment is herkenbaar. De wereld komt lós als je vertrekplannen hebt, je laat het vertrouwde achter. Letterlijk. Als haar paspoort ingenomen wordt in de trein, volgen twee tekstloze pagina’s met Duitse en Zwitserse stempels.

(Ik kan dat nu met eigen ogen zien, dankzij de Kracht van Twitter, en met name de snelle reactie en het grote vertrouwen van Raymond Frenken, die me Het verloren paspoort uitleende, ingepakt in een landkaart. Want het boekje is dus daadwerkelijk nergens meer te vinden – tenzij tegen woekerprijzen.)

Het paspoort raakt kwijt, en een Italiaanse jongen, Umberto, vindt het en vervalst het, zodat hij mee kan reizen naar Amerika. Hij ontmoet zelfs Rosella (‘Hij knipoogde zijn langzaamste knipoog,’ dat wil ik ook kunnen) en ‘voordat ze een uur in de lucht waren, vertelden ze elkaar sterke verhalen en deden samen spelletjes’. Grote Avonturen volgen, aanstekelijk maar wat kort (het boekje bevat maar 64 pagina’s) uiteengezet door Pelgrom. Denk Kuifje, denk Hollywood, zonder rafelrandjes maar erg leuk. In een verhaal, in je hoofd, kán het.

2021: Forumland

Politiek kan me al langer niet tot razernij brengen, en mijn weloverwogen stemgedrag heeft geen enkel strategisch effect, maar ik volg met enige fascinatie de wendingen in het politieke leven van een van onze jongste fractievoorzitters. Ooit verkocht ik boeken in de winkel waar hij, twee jaar jonger dan ik, kind aan huis was, nu staat hij volop in de publieke aandacht met ongerijmde oproepen tot verzet tegen het politieke systeem waar hij zelf zijn podium aan verdient. Ook hij speelt continu met wet, feit en fictie, en zijn meest speculatieve stap om zich buiten de werkelijkheid te plaatsen is wat hij over ‘Forumland’ oppert. Een toevluchtsoord, met eigen grondgebied, app en munt.

Moeilijk serieus te nemen, alhoewel je daarmee zijn volgelingen onderschat. Een statenlid berekende al dat het ledental het inwonertal van een land als San Marino oversteeg, en schreef: ‘Wijs maar een stuk land aan voor ca. 100.000 mensen en dan maken wij daar de mooiste en beste staat ter wereld van. Mooie gebouwen, geen moderne kunst, goed onderwijs en geen coronagekte.’

We zijn nog niet zover, traditioneel begint een micronatie met het grondgebied, alvorens het rechtstelsel om te gooien: autonomie heeft een plek nodig. Vooralsnog komt het niet buiten de hoofden van enkele Sanmarinezen Foruminariërs. Er is nog geen paspoort uitgegeven.

2021: Het Koninkrijk der Kosmopolieten (bis)

In 2021 verscheen dus Wie achter deze deur verdwaalt, een variatie op Tonke Dragts paspoortaffaire. Een schoolklas van de Max Velthuijsschool, waarin de kinderen allemaal namen van Dragt-personages dragen (en een uit haar lievelingsboek, De geheime tuin), leert Lavinia Morgenster kennen, een schrijfster als Tonke Dragt, die een deur in haar huis heeft die leidt naar het Koninkrijk der Kosmopolieten.

Met behulp van Meester Tom en de schrijfster bemachtigen de leerlingen paspoorten, tekenen ze visa, en komen ze door de deur. Na alle werkelijkheid, waarin Dragt en Kromhout hoofdrollen speelden, en haar roerigere eerdere schoolroman De zevensprong is dit een wat braaf, veilig boek. Ja, deze kinderen hebben nog meer dan Rosella problemen thuis: gescheiden ouders (waarvan hoofdpersoon Laurenzo ook een vader in Italië heeft), onveilige thuissituaties en allerlei diagnoses. Er zitten mooie vondsten in (spoilers!), zoals de rol van kat Iwan de Verschrikkelijke (rechtstreeks uit De Zevensprong) als ambassadeur van het Koninkrijk, en het slot, dat letterlijk tot reflectie oproept. Maar nee, verder dan een boodschap van verbroedering, van lezen en fantaseren strekt dit boek niet.

Dat is overigens heel veel waard. Waar het fabuleren van de politieke leider een kleinere en engere wereld creëert, stimuleren Pelgrom en Kromhout & Dragt het zoeken van ruimte en openheid. Want ook binnen deze muren en grenzen is er veel mogelijk, zoals gevaarlijke onzin uitspreken en stimulerende jeugdliteratuur schrijven. Daar heb je geen eigen staat voor nodig, alleen een paspoort in gedachten.

Wie achter deze deur verdwaalt is door Leopold uitgegeven.

 

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door mensen op straat, door doempredikers, door alle veranderingen om haar heen en de levens die ze allemaal nog kan gaan leiden.

*

Sinds enige tijd ben ik ‘u’. In winkels, op straat: u. Het is een denkgroef tussen mijn wenkbrauwen, het grijzende haar, de kilo’s die ik cadeau kreeg van een medicijn, de plooien van (slechts) mijn kussen in mijn wang. En in tegenstelling tot wat ik altijd geleerd heb – namelijk dat je een heel lange fase door moet waarin je met iets te hoge stem roept GOD NEE ZEG MAAR ‘JE’ HAHA ZO OUD BEN IK NIET HOE OUD DENK JE WEL NIET (enz.) – vind ik het helemaal niet erg, een ‘u’ zijn. Ik vind het, geloof ik, zelfs wel leuk. Natuurlijk besef ik ten volle dat hier enkele andere privileges (nee, geen vinkjes, ga toch heen) meespelen, maar ik bemerk werkelijk geen enkel nadeel aan mijn u-zijn. Mijn beweringen worden serieuzer genomen (vooralsnog, moet ik hierbij aantekenen; het schijnt dat je als vrouw na je vijftigste helemaal nooit meer serieus genomen wordt). Ook wordt er op een enkele opmerking over mijn veronderstelde geaardheid na nog zelden iets goors naar mijn hoofd geslingerd op straat. Sterker nog: zelfs het weinige slingeren lijkt eerbiedwaardiger te gebeuren. Zo riep iemand me vandaag in de Leidsestraat uit de grond van zijn hart toe: ‘Wat bent u een mooie vrouw!’ Ik riep: ‘Dank je wel!’ Een omstander beet me toe: ‘Don’t engage!’ Mijn aanbidder vervolgde: ‘Ik heb mijn tenen op slot gezet voor Jezus!’ En daar ging ik inderdaad maar niet op in.

Toen ik mijn geluk over het gebrek aan straatintimidatie eens opgelucht verkondigde in gezelschap, vond iemand het nodig om te zeggen dat ik heus nog wel een lekker wijf ben. Dat ik me daar geen zorgen over zou gaan maken, zeg maar. Wat heel lief bedoeld was, maar ook een beetje jammer, want dat weet ik zelf ook wel. Het u-zijn staat me goed. Ja, ik heb een raar pijntje in mijn rug en rammel licht bij het opstaan, en nee, ik heb geen idee naar welke muziek mensen van onder de dertig luisteren, maar trek mij een lange jas aan en geef me een bril om streng overheen te kijken en je staat niet meer voor jezelf in. Of wel, juist wel, omdat je net als ik volwassen bent en alles in je broek kunt houden.

Het is niet alleen dat de wereld me anders ziet, ik ga ook anders door de wereld. Achter me sloten zich wat deuren, kamers vol gemiste en genomen kansen, stampende beats en zwetende twintigers. Voor me gingen er evenveel weer open, kamers vol diepere vriendschappen, betere maaltijden en iets meer ruggengraat. Dat die weidse toekomst niet altijd zo weids zal zijn snap ik al te goed, want iets wat nooit lijkt te verdwijnen is het doemprediken van oudere generaties. Wacht maar, krassen ze, tot je pubers hebt, of oude ouders, of de menopauze, of twintig jaar huwelijk, of artritis. Tot je te oud bent om nog te beginnen met hardlopen, te moe om nog noten te leren lezen, te druk om zomaar naar de kroeg te gaan, te grijs voor een flirt bij de incontinentieluiers, zelfs!

Als ik terugdenk aan alle doempredikers uit mijn zesendertigjarig bestaan zijn er ook een hoop bij van mijn huidige leeftijd. Ze beten me toe dat mijn tienerjaren de beste tijd van mijn leven waren, dat ik nooit meer zo fit zou zijn als op mijn vijfentwintigste, dat ik maar moest wachten met klagen tot ik boven de dertig was, dan zou het pas erg worden. Ze stonden altijd op een of andere manier tegenover me, zelden naast me, alsof een leeftijdsverschil van amper tien jaar een onoverkoombare horde was bij het voeren van een normaal gesprek.

Misschien bevind ik me nu inderdaad op een dood punt, gewichtloos, zoals een bal even stilhangt in de lucht voor hij weer valt. Wordt alles vanaf nu alleen maar erger, zieker en lelijker. Maar dat vallen, de rampen, dat kan toch niet het enige zijn. Mijn tienerjaren waren helemaal niet de beste van mijn leven, en niemand heeft me ooit verteld dat ik die grijze haren leuk zou vinden, yet here we are. Ik wou dat iemand me het wel verteld had. Gewoon, omdat het soms fijn is je op je latere versies te verheugen, al is het uit nieuwsgierigheid.

Olga Tokarczuk: de redacteur las een fris, geestig, eigenaardig pistooltje met een klassiek aura en een behartenswaardig activisme.

*

Daan Stoffelsen: Olga Tokarczuk, Jaag je ploeg over de botten van de doden (vertaald door Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra)

Deze rubriek, nu al een tijdje (bijna) solo gevuld, is op zoek naar een nieuwe vorm. Moet het korter, gevarieerder? Toen we in de zomer van 2016, op initiatief van interim-poëzieredacteur Marjolijn van Heemstra (Stadsdichter van Amsterdam! Groslijst Dublin Literary Award!) begonnen aan een variant op This Week’s Reading van The Paris Review, deden we alle vier mee. We waren soms summier, en er deden ook films en muziek mee. Wel volledige kunstwerken. Maar waarom zou een woord — zoals Trouw een woord van de dag kiest, vandaag is dat ‘onbesnut’ of een zin — zoals we een tijdje op deze site deden — niet ook mogen? Een kleur — #7e6c3b is de steunkleur van de komende Revisor) — een onooglijk insect, een stuk zwerfafval? Een detail van de dag of week dat de moeite waard is om mee te nemen naar een volgende, dat iets zegt over de redacteur als observateur, als lezer?

Het is iets waarover we de komende tijd gaan nadenken.

Maar tot dat moment gebruik ik dit hoekje in de literaire speeltuin die De Revisor is, om verslag te doen van wat ik lees. Ik ben bezig in twee romans, een essaybundel, een dagboek uit 1942-1944 en een uit 1966-1967. Maar ik las Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden uit. Een boek dat in 2009 in het Pools verscheen, maar pas ná haar Nobelprijs voor de Literatuur in vertaling (De Geus had al eerder werk van haar uitgebracht, ere wie ere), en dat door die prijs al een klassiek aura heeft. Maar het is vooral fris: het verhaal van een oudere vrouw op het Poolse platteland die een reeks mysterieuze doden onderzoekt, is geestig, eigenaardig en spannend (de bibliotheek heeft er een pistooltje opgeplakt!). De thematiek — hoe gaan wij om met dieren, hoe leven we met ze, eten we ze, bejagen we ze — is uiterst actueel.

Het is vooral fris omdat de vertelster, mevrouw Janina, zo’n energie heeft, ondanks allerlei vage klachten, door haar rechtvaardige eco-activisme (ze probeert jachtbijeenkomsten te verstoren en een mis voor St. Hubertus), haar feminisme, omdat ze zo heerlijk en eloquent boos kan zijn:

‘Woede zorgt ervoor dat je verstand helder en scherp wordt, dat je meer ziet. Zij maakt zich meester van de andere gevoelens en heerst over het lichaam. Het lijdt geen twijfel dat alle wijsheid uit Woede ontstaat, omdat Woede in staat is alle grenzen te overschrijden.’

De lerares Engels leent frases van William Blake (de titel is er een van), wiens werk ze met een oud-leerling vertaalt, en bekwaamt zich in de astrologie. Ze is telkens een van de eerste getuigen bij de crime scenes, ontdekt dat de moorden al in de sterren geschreven stonden. Haar hoofdlettergebruik geeft dieren rechten en emoties en klachten belang. Haar tegendraadse meningen verrassen, roepen soms een lach op:

‘Ik dacht bij mezelf dat hij een heel goed Mens was, die Boros. En het was goed dat hij zo zijn Kwalen had. Gezondheid is een onzekere toestand en belooft niets goeds. Je kunt beter gewoon ziek zijn, dan weet je tenminste waar je aan doodgaat.’

En ze maken haar telkens kleurrijker. Ze is niet alleen in staat tot Woede, maar ook tot liefde (kleine letter) en tot ingrijpende interventies. Uiteindelijk is Jaag je ploeg over de botten van de doden inderdaad een heel ingenieus pistooltje, wat klassieker dan Eva Meijers De nieuwe rivier,  met een sympathieke, complexe moordenaar. En het leverde mij het inzicht op dat astrologie bedrijven, het controleren en repareren van zomerhuisjes in de winter, het vertellen van verhalen en het vermoorden van slechte mensen gewoon verschillende manieren zijn om het leven structuur te geven. Om de wereld beter te maken.

De Geus gaf Jaag je ploeg over de botten van de doden uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Alejandro Zambra: de redacteur las een mooie roman met twee concurrerende en even passende titels, die geestig en sexy en interessant is.

*

Daan Stoffelsen: Alejandro Zambra, Bijna een vader

Waarom heet Brigitte Coopmans’ vertaling van Poeta chileno in het Nederlands Bijna een vader? Susanne Langes vertaling heet ook al Fast ein Vater, maar die van Megan McDowell Chilean Poet?

(En waarom heeft niemand mij vertelt dat de geweldige Jazmina Barrera Zambra’s echtgenote is? Je krijgt ook niets te horen als je niet naar Amsterdamse schrijverscafés en Spaanstalige wikipediapagina’s gaat.)

(En waarom heeft de Franse uitgever het opgegeven om Zambra uit te geven?)

Het is een serieuze vraag aan de uitgever — ik weet dat je dat niet aan vertalers mag vragen, al meermalen is in de vertalersrubriek op Athenaeum.nl geboekstaafd dat ze daar wel over nadenken maar niet altijd gelijk krijgen — maar ik heb wel een idee. Behalve dat Bijna een vader, Zambra’s grootste roman tot nu toe, aanstekelijk over liefde en seks gaat…

(Lees maar eens de eerste pagina’s; het beeld van de twee tieners, ‘praktisch naakt en trillend van angst’ onder een enorme poncho, raak je niet meer kwijt: ‘De ponchomethode bood Carla en Gonzalo de kans om ondanks alle hindernissen zo’n beetje alles uit te vreten, behalve dan de fameuze, sacrale, zo gevreesde maar ook langverwachte penetratie.’)

… en coming-of-ageachtig is, gaat het nadrukkelijk over vaderschap, of eigenlijk stiefvaderschap. De tienergeliefden raken elkaar uit het oog, maar ontmoeten elkaar jaren later, gaan weer afspreken, gaan weer samenleven — met haar zoontje uit een ander huwelijk. Gonzalo groeit in zijn nieuwe rol, en stelt op gegeven moment vast dat je een heel leven stiefvader blijft. Of die overtuiging helemaal standhoudt als Carla en Gonzalo met elkaar breken, weet ik eigenlijk niet, maar feit is dat de breuk mede veroorzaakt wordt door Gonzalo’s ambities als Chileense dichter.

Bijzonder genoeg, maar door Zambra geestig en overtuigend toegelicht, wil ook zijn stiefzoon Vicente dichter worden. In een hilarisch derde deel volgen we hem en de Amerikaanse gringa Pru, die net verlaten is door haar vriendin en op zoek is naar een onderwerp voor een journalistieke reportage. Zij interviewt een groot aantal dichters van allerlei pluimage en bezoekt een dichtersfeest, en ik moet denken aan verhalen van Erik Lindner en Jan Baeke over literaire festivals, en het plan van Bernke Klein Zandvoort om de Mexicaanse literaire scene in te duiken. Bizar en volstrekt geloofwaardig in ieder geval. Pru leert daar belangrijke dingen over die wereld:

‘Maar het is een betere wereld. Ietsje beter. Het is een echtere wereld. Minder saai. Minder treurig. Ik bedoel, Chili is klassenbewust, machistisch, streng. Maar de wereld van de dichters is iets minder klassenbewust. Een klein beetje maar. Ze geloven in elk geval nog in talent, misschien geloven ze wel te veel in talent. En in de gemeenschap. Ik weet niet, ze zijn vrijer, minder bekakt. Ze mengen meer.’

En dan komen de titelvarianten — eerder al vermengd in de zin ‘“Mijn stiefvader is een slechte dichter,” stelde hij zich voor dat Vicente zou antwoorden.’ — samen in een vierde deel, waar de stiefzoon en -vader elkaar weer treffen. Heel opzienbarend zijn de verhalen van Carla, Gonzalo en Vicente niet, maar ze zijn geestig en met mooie details doorspekt. Bovendien is de verteller prettig aanwezig. De bomen op een plaatselijke begraafplaats spelen een rol. Gonzalo heeft de namen geleerd om ze aan Vicente te vertellen, maar bedenkt zich kort daarop: ‘Als je de namen van de bomen niet kent, verzin je ze gewoon.’ Dat breidt Zambra twaalf pagina’s later uit: ‘En als je de namen van de bomen niet kent, verzin je ze gewoon, bedacht hij die nacht somber, terwijl hij Carla met bedrevenheid befte.’

Met bedrevenheid beffen, ik wil niet eens weten wat er in het Spaans stond, voor deze alliteratie dank ik Brigitte Coopmans hartelijk. En Zambra voor de bijwoordelijke bepaling in deze bijstelling. En sowieso fijn, een verteller die zich niet verstopt. Aan het slot van het eerste, jeugddeel:

‘Santiago is groot genoeg om langs elkaar heen te kunnen leven en Carla en Gonzalo hadden elkaar dus nooit meer tegen hoeven te komen, maar op een avond, negen jaar later, gebeurde dat toch, en het is dankzij die ontmoeting dat dit verhaal voldoende bladzijden heeft om als een roman te kunnen worden beschouwd.’

Dus hoewel het toegankelijke verhaal door verwantschap wordt gekleurd, en ook doet nadenken over wat iemand een vader maakt, krijgt het boek smaak door Zambra’s portrettering van schrijvers, door zijn perspectief op literatuur, door de vertelstructuur. Ik had voor Chileense dichter gekozen, maar ‘dichter’ vind ik ook niet lekker bekken —Bijna een vader loopt beter, en verkoopt hopelijk beter.

Mijn voorstel, na die eerdere vraag, aan de uitgever: als deze roman eenmaal een bestseller is (en dat móét!) dan mag er een cultherdruk komen met de oorspronkelijke titel. Plan?

Meridiaan gaf deze roman uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

P.S. Per abuis verscheen in een Insta-story over de boeken op mijn nachtkastje de titel Bijna een zoon. Die titel zou echt niet kloppen, want hoewel de vaders schimmig zijn in deze roman, is volstrekt helder wie de zoons zijn. Gecorrigeerd.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door woningnood, huizenhonger, verkamering, Nieuw-Vennep, panieksollicitaties en in godsnaam alle onderbroeken.

*

Je moet je zegeningen tellen. Hoewel ik me bij zesendertig jaar zijn niet echt had voorgesteld op kamers te wonen, heb ik in ieder geval een dak boven mijn hoofd. ‘Sommige mensen,’ zei een vriendin eens om me op te beuren, ‘kiezen voor deze woonvorm.’ Dus telde ik ook de zegeningen van degene die ik was geweest als ik voor deze manier van leven had gekozen. Dat ging ondanks een hoorbaar splijtende persoonlijkheid best oké, maar toen werd ik verliefd, en zij ook op mij, en dat bleef duren en duren, tot we stapelgek werden van het steeds weer bedenken: bij wie? Wanneer? Ligt die oplader niet bij jou? Waar blijven in godsnaam alle onderbroeken?

Het was handig geweest als een van ons, zeg, kaakchirurg was, maar helaas; ik ben een schrijver in een zolderkamer, M. is een danser in een andere kamer. Zie met dat culturele & pandemische budget maar eens in de hoofdstad een plek met tenminste twéé kamers te vinden.

Voor u woest ter toetsenbord stort om ons ervan te overtuigen dat Amsterdam niet zaligmakend is wil ik graag melden dat ik heel blij voor u ben dat u een plek heeft gevonden buiten het Randstedelijke Sodom en Gomorra. Er zijn echter ook mensen die nog even blijven hopen, omdat ze er zoals ik geboren, en zoals wij beiden geworteld zijn en– Ach. Het feit dat ik me moet verdedigen als ik zeg dat ik in de stad waar ik al woon (al woonde ik er niet!) wil wonen is natuurlijk te tragisch voor woorden. Net als dat we via Woningnet misschien over ongeveer vijf jaar een kelderstudio kunnen bemachtigen, net als de bizarre inkomenseisen voor vrije sector-woningen.

We krijgen best wat reacties als we dan maar een oproep plaatsen op sociale media. Je weet dat het erg is, met stijgende huurprijzen en altijd wel een VOC’er die zo’n pied-à-terre kan lijen, maar als je het keer op keer ziet bevestigd in huren van zeventienhonderd euro exclusief is het toch even slikken.

‘Succes,’ appt een kennis uit het culturele veld bemoedigend: ‘Wij zijn naar Nieuw-Vennep verhuisd, maar misschien lukt het jullie wel!’

Na twee uur Twitter refreshen verdiep ik me verwoed in mogelijkheden om me om te laten scholen tot iets waar je modaal van gaat verdienen. Fuck de literatuur, dan maar. Ettelijke uren panieksolliciteren verder en in de volle overtuiging dat ik een uitstekend ziekenhuisdirecteur zou zijn besef ik dat ik even naar buiten moet.

Koud, is het, een rozig waas sluiert door de stad, die zo mooi is dat je ’m in z’n geheel zou willen omhelzen, tel die zegening nu het nog kan. En God, wat staan er veel huizen buiten. Ik tel meer ruiten dan zegeningen. Het moet toch kunnen, zingt er iets in me, hoewel het deuntje wat ijl, misschien zelfs vals klinkt. Er moet tussen al die huizen in toch één plek zijn waar wij passen. Hier, thuis.