Met Aswoensdag begint het vasten. Jan van Mersbergen, sociaal drinker, had zich voorgenomen dit jaar de alcohol te laten staan. Wat brengt het hem? Wat blijft? Wat komt terug? Een logboek, op zoek naar de de fietstocht van zijn jeugd en Nijntje in de kroeg.
*
In café de Klep in Venlo drink ik op Carnavalsdinsdagavond 1 maart 2022 mijn laatste biertje. In de aanloop naar Carnaval heb ik me voorgenomen de veertig dagen tot Pasen, min de zondagen, volledig te gaan vasten. Het idee van vasten is simpel: na de uitspatting volgt bezinning, maar hoe gaat die bezinning eruitzien, dag na dag?
Terug in Amsterdam krijg ik op de stoep bij de buren, waar mijn zoontje bij een vriendinnetje speelt, direct een biertje aangeboden. Ik zeg dat ik in de vastentijd zit, en dat duurt tot Pasen. Ik krijg een groot glas water. Ik drink het niet helemaal op, gooi het bodempje in een plantenbak voor het keukenraam. De volgende dag zie ik de buren weer. Ik drink drie blikjes Grolsch nul punt nul. Gilles van der Loo zei me ooit: ‘Jij gaat niet naar huis.’ Daar had hij gelijk in, als ik alcohol drink blijf ik hangen, al sinds mijn jeugd. Als ik er ben, dan blijf ik. Nu ga ik naar huis.
Zaterdagochtend wordt mijn jongste zoon om zeven uur wakker. De helderheid en besluitvaardigheid waarmee ik opsta, vertellen me dat die eerste week vasten al verschil maakt. Met mijn zoontje nog in pyjama op de bank kijk ik een filmpje waarin Nijntje drie ballonnen moet zien te vinden aan de hand van een schatkaart die ze zelf getekend heeft. Ik heb vaker met hem zo’n ochtend beleefd, ook na een avondje drinken. Ik heb niet het idee dat ik voor hem een andere vader ben, mijn concentratie en geduld zijn wel anders. We kijken het trage verhaal samen helemaal uit.
Wat ik ook wil bereiken: thuis onverminderd aanwezig laten zijn als ik elders ben. Ik gedij goed in een omgeving waar gedronken wordt, ben hongerig naar het volgende rondje, maar mijn gezin laat ik op die momenten thuis achter. Ik wil de helderheid van Nijntje in de kroeg.
Voor lezers die zich afvragen hoeveel ik dronk: ik kan behoorlijk doorpakken op plekken waar doorgepakt kan worden: voetbalkantine, stamcafé, feestjes, een avond bij de buren. En gevaarlijk: nooit een kater. Soms dronk ik wel een biertje in de tuin of een wijntje ‘s avonds thuis op de bank, maar dat was het dan wel. Dagen dronk ik thuis niks.
In de roman Englesby, van Sebastian Faulks, staat een definitie: ‘Wat is een alcoholist? Iemand die geld van zijn enige vriend zou stelen om een borrel te kopen, omdat die borrel belangrijker voor hem is dan het verlies van een vriend.’ De minachting voor de sociale component leidt de alcoholist, en juist het sociale drijft mijn vasten. Ik wil me tussen mensen staande houden zonder alcohol.
Die zaterdag worden er in de kleedkamer na de voetbalwedstrijd vier pitchers bier neergezet. Ik drink een flesje water. Geen moment mis ik het bier, en het is vooral belangrijk dat ik voor etenstijd naar huis fiets, om gezamenlijk spaghetti te eten.
De alcoholische roes waar ik sinds mijn dertiende zo van hou, ontdek ik nu, is het verzet van een jongen die zich verstopte. Op de middelbare school was ik een verlegen, stotterende jongen. Ik hakkelde echt als een idioot. Ik zei liever niks. Met een paar biertjes op durfde ik wel ergens te gaan staan, aanwezig te zijn, te praten. In tegenstelling tot de egocentrische alcoholisten uit de roman van Faulks maakte alcohol mij sociaal wel sterker, al hebben beide componenten te maken met durven. De een durfde asociaal te zijn, ik durfde er te zijn.
De eerste alcoholist die ik in boekvorm leerde kennen was Sus Antigoon uit Suske en Wiske, een spook met een fles aan zijn been geketend. Door zijn hoofd zit een kurkentrekker. Hij is gestorven aan de drank en kan zonder drank niet spoken. In hem zag ik nooit een tobbende alcoholist. Ik vond hem aandoenlijk, onhandig, vrolijk, verward, en vooral: aanwezig.
Die maandagavond ben ik bij een boekpresentatie in het zaaltje boven Kapitein Zeppos. Ooit was daar een liedjesavond, opgezet door Vic van de Reijt. Ik zong een Carnavalslied. In de vastentijd denken aan Vic, die ik alleen maar ken met een glas in de hand – het moet zo zijn. Ik verlaat als laatste de presentatie, maar ga wel naar huis. Ik fiets door het donker. De zwarte hemel, de sterren, ik zie de maan. Ik hoor een dynamo zoemen. Ik heb helemaal geen dynamo, het is de dynamo van mijn fiets toen ik dertien was en met mijn ouders en broer na een verjaardagsfeest door de polder terug naar huis fietste, in het pikkedonker. Voor me danste het lichtje van de koplamp over het asfalt. Het was het laatste jaar van die helderheid, daarna kregen die terugtochten een sluier van beschonkenheid over zich.
Vasten heeft iets calvinistisch. De meeste katholieken doen niet aan vasten, die pakken op Aswoensdag het gewone leven weer op. Ik ben van deels gereformeerde, deels hervormde afkomst. Straf is de basis, daarom past vasten bij protestanten. Waar de katholieken tot de zestiende eeuw aflaten kochten die het branden in de hel na de dood zouden verkorten, geselden de wederdopers zich om God te laten zien dat ze tijdens hun leven al boete deden.
Een bespreking van Mijn pa is nooit alleen, in HP de Tijd, opent met: ‘Jan van Mersbergen is de man die de lichten uitdoet op literaire feestavonden, de man die houdt van een praatje aan de bar, van gezelligheid, leven in de brouwerij, biertje in de hand…’ Dat geschetste beeld klopt. Het uitdoen van de lichten, dat bevestigde Gilles van der Loo al. Nu wil ik naar huis en daar geen duisternis treffen. Ik wil nog even samen op de bank zitten en om een uur of tien de lichten uitdoen.
Wat in die eerste droge weken naast het terugwinnen van tijd (op zaterdagmiddag fiets ik na de wedstrijd naar huis waar ik mijn zoontje nog goeienacht kan wensen) de grootste verandering is: ik ben zelf rustig in lijf en hoofd, en mijn zintuigen werken anders. Ik hoor de vogeltjes.
Op tafel in de Pels staan flessen Hertog Jan nul punt nul. Op de terugweg zie ik de maan hangen. Het is wel laat, tegen half drie, maar mijn gedachten in dat halfuur op de fiets zijn helder terwijl die fietstocht doorgaans veel later was en in een gedachteloze wolk. Ik zie de maan. Hij schittert.
Weer fiets ik door de polder van mijn jeugd, op mijn dertiende, voor ik alcohol begon te drinken en die fietstochten op thuis te komen nog niet verdoezeld werden. De tijdwinst is meer dan de avond en de ochtend, het niet-drinken brengt me terug bij mezelf toen ik een verlegen jongen was die geen roes nodig had om ergens aanwezig te zijn, maar die wel alles uiterst scherp zag en hoorde op die nachtelijke polderwegen.
In de schoolmusical van het Barlaeus Gymnasium – mijn dochter danste in die voorstelling – speelt een meisje dat ze dronken is. Ze wankelt, lispelt, ze is laveloos. Onbewust wankelen is moeilijk te acteren. Het meisje is zichtbaar nog nooit dronken geweest – gelukkig maar. Ze is dronken zoals Captain Jack Sparrow in Pirates of the Carribean, met slissende stem, een waggelende tred, maar met de zekerheid van voorkomen die Johnny Depp heel goed kan acteren. In de film maken de piraten een plan. De lamme Sparrow zegt dat hij ‘fully prepaired’ is om het plan uit te voeren. Die laag van dronkenschap is interessant: overschatting. Zelfvertrouwen. Die gezonde overmoed zocht ik in mijn jeugd.
‘Hoelang blijf je in bierquarantaine?’ vraagt de buurman via WhatsApp. Ik antwoord als grap: ‘Het hele jaar nog. Bevalt goed.’ Hij reageert met een kort: ‘Sjonge’. Dan is de app stil.
Voordat ik naar een borrel van de uitgeverij fiets denk ik: Waar ga ik na die borrel nog wat drinken? Een paar uur borrelen met collega’s is vrij kort, dus maak ik automatisch een plan voor een vervolg. Die woensdag denk ik: ik kan straks ook gewoon naar huis gaan. Dat doe ik.
Iedere laatste vrijdag van de maand: schrijversborrel in de Pels. Al zestien jaar. Aan de ronde tafel achterin de kroeg voel ik een roes, ook zonder alcohol. Het troebele vertroebelt, en dat besef ik nogmaals als ik een paar dagen later langs de Amstel loop en de stad hernieuwd zie, van de belettering op rioolputjes en de vorm van straatstenen tot de schilderachtige rivier en de regenbui in de verte. Ik kijk weer als onbevangen dertienjarige. Naar het stotteren verlang ik niet terug, die hervonden blik is een argument om het vasten het hele jaar vol te gaan houden.
Hoe dat voor mijn schrijven uit zal pakken moet blijken. Tijdens het etentje voor het Boekenbal, het laatste weekend voor Pasen, vertel ik wel mijn uitgever Eva Cossee dat ik meer zal schrijven dan ooit. Bereid je daar maar op voor. Op het Bal drink ik drie spaatjes.
Twee dagen later ben ik jarig. Ik krijg geen flessen drank dit jaar. Iedereen is op de hoogte. Ik reken uit dat ik ruim vijfendertig jaar alcohol gedronken heb. Misschien kan ik vanaf nu vijfendertig jaar geen alcohol drinken.
Op witte zaterdag, de dag voor Pasen, wordt op de Passeerdersgracht een evenement georganiseerd: stokbroodmeppen. Het is hilarisch. Compleet nuchter huppel ik als jongetje over het slagveld. Gilles krijgt een stokbrood in zijn oog. Hij weet dat ik nuchter ben. Hij zegt: ‘Ik merk totaal geen verschil.’
Foto CC BY 2.0 Vincent Anderlucci
Kirsten van Santen: de redacteur hoort de roep van het water door een van de betere boeken over zwemmen, maar dobbert nog wat rond de vraag of het een literair essay is.
*
‘Het water wenkt me.’ Het is een geweldige openingszin, en zoals Kirsten van Santen het water telkens hoort roepen, zo vergaat het de lezer ook. Water pakken. Een zwemgeschiedenis is een aanstekelijk boek, dat van een matige borstcrawler een marathonzwemmer in het diepst van zijn gedachten maakt. Hoe doet ze dat?
Wat literatuur maakt, is moeilijk te zeggen. Niet één ding althans. Niet alleen het verhalende, het stilistisch afwijkende, het persoonlijke, het complexe. Het monomane Swimming Lessons van Leanne Shapton is literatuur, doorspekt met beeldende kunst, alle kanten van elk chloorzwembad opschietend, en schitterend in zinnen als ‘When I swim now, I step into the water as though absentmindedly touching a scar.’ De oud-wedstrijdzwemster gaat amper in op haar privéleven, maar roept veel bijzonders op. Alexandra Heminsleys even monomane openluchtzwemboek Duik erin is meer lifestyle, in hoe het gaat over acceptatie en angst en ademhaling – het strakke omslagbeeld van een even strakke duikster doet de schaamte om haar lijf geen recht. (Toch wel een aardig boek hoor, het is nog te koop in de ramsj.) Charlotte Van den Broecks onderzoek naar falende architecten, waarbij ze een zwembad of strand niet mijd, heeft juist een zekere afstand.
Dus dat persoonlijke is het niet, je kunt zelfs iets te veel ik in het water gooien. Literatuur zit hem in het meer, het extra: het litteken bij Shapton, de opgesomde rituelen en dementie bij Otsuka, de terugkerende hartslag bij Peeters. Mis ik dat in Water pakken?
Ik hield me een boek lang voor dat ik een literair essay las, en Van Santen is een goede lezer — ik geloof niet dat ze een zwemmende schrijver heeft gemist, of het moet dus Koen Peeters zijn — en ze brengt haar fascinatie geweldig over. Water pakken is een geschiedschrijving van zwemmen in Nederland, een viering van onze zwemhelden, verhalen van duiken met oud-kampioenen, een naakte schrijver, amateurs in hart en ziel, en de gestage ontwikkeling van de zwemmer Van Santen. Van een strakke chloorzwemmer zoekt ze de plassen en stromen op, rivieren en zeearmen — tot ze de oversteek van Terschelling naar Ameland maakt. Een overwinning.
Maar ís het een literair essay? En doet dat ertoe? Ik stuit wel op wat herhaling, mystieke herformuleringen van een van de eerste zinnen, ‘Wie zwemt, of het nou in chloor, zoet of zout water is, overschrijdt een grens’. Ik geloof dat echt, maar na een paar keer geloof ik het wel.
In het Noord-Hollandse Oude Veer zwemt Van Santen met de drie Self Destructive Fools, drie openluchtzwemsters, het water is zes graden, en ze raakt in een meditatieve staat. Denk ik:
‘Hier zwemmen we dus, in een landschap met een eeuwenoud verhaal. Het is fijn om te weten waar ik zwem: in een zoete plas die ooit een kreek was, gevuld met moeraswater, gekruid met zout uit de Zuiderzee. In dit water, in dit water, denk ik, terwijl ik in- en uitadem, voel hoe mijn tandvlees bevriest, in de verte zwemt Ingeborg, wat kan die snel, maar in dit water, in dit water, zwommen zeehonden en zoetwatervissen, het stroomde alle kanten uit, dit water heeft iets verloren, de toegang naar zee, dit water, dit water, de mens moest land hebben, het water plooit zich wel, in dit water, daar zwem ik, in mijn eigen tijd en toch ook in het verleden, toen deze plas nog een kreek was.’
Het is een poëtische uitspatting in een verder eigenlijk journalistiek boek. De herhalingen (‘in dit water’, dat assoneert ook, het heeft iets beslotens) en de alliteratie (vooral zetten, ‘zeehonden en zoetwatervissen’) verhullen niet dat het vooral sfeer en beleving is, fijn en toch. Lifestyle. Maar meteen de volgende zin is Van Santen terug in het proza: ‘Wanneer we pauzeren zie ik dat we allemaal snorren hebben.’
Misschien is dat het extra. Van Santen is doorgaans gericht op één punt op de horizon (zwemmen in Nederland, punt), haar stijl en beeldspraak kennen amper golfslag, maar ze kruidt het met het mystieke (of het je smaak is of niet. Eigenlijk een Koen Peeters-greep) en ze kijkt heel goed. Een journalistieke deugd die dit boek brengt in een comfortabel tussengebied tussen geschiedenschrijving, reportage, memoir en essay. Een van de betere boeken over zwemmen, dat als het dan geen hoge literatuur is, je wel leidt daarnaar leidt. Paul Snoek!
AtlasContact geeft Water pakken uit. Lees daar ook het eerste hoofdstuk (PDF)
De Revisor 31 is te koop – het zal je niet ontgaan zijn. Maar waarom zou je hem kopen? Als de flaptekst een reclametekst is, dan is het Redactioneel de essayistische uitwerking ervan. Laat Lotte Lentes je overtuigen, en bestel ons nieuwste nummer (kan ook als e-book). Of word gewoon abonnee.
*
In de zomervakantie van 1998 bewoonde mijn buurmeisje Franca en ik voor drie dagen een boomhut op een stukje niemandsland aan de rand van onze achtertuinen. De boomhut bestond uit twee compartimenten: een woonkamer met een ingebouwde bank en tafel en een slaapvertrek waarin precies twee matjes pasten. We besloten naast de boom waarin de hut zich bevond, ook tien vierkante meter gras te confisqueren. We zetten het af met goudkleurig cadeaulint en doopten het geheel om tot ‘Koninkrijk Kakelbont’. Geen liefdevolle verwijzing naar ons favoriete kinderboek, maar een steek naar de kroon van Pippi Langkous herself. Zij een villa, wij een monarchie.
Na drie dagen ging het mis. Wat begon als een discussie over wier taak het was de hut schoon en opgeruimd te houden, eindigde in een uren durende onderhandeling over de verdeling van macht. Want wie bepaalde de regels in Koninkrijk Kakelbont en wie volgde ze op? We waren het erover eens dat twee kapiteins op één schip er eentje te veel was, maar geen van ons tweeën wilde de rol van onderdaan op zich nemen. Dat de boomhut door Franca’s vader was gebouwd, bleek uiteindelijk het argument dat alle andere argumenten van tafel veegde. Tegen de tijd dat ik geen enkele bewijslast meer kon verzinnen om tegen Franca’s vastberadenheid in te gaan, waren de onderlinge verhoudingen al dermate verpest dat ik direct van haar grondgebied werd verbannen. Ik moest onder het gouden cadeaulint door, een vernederende voetreis terug naar mijn slaapkamer tegemoet.
Dit nummer van De Revisor gaat over landen die niet bestaan. Landen die beweren onafhankelijk te zijn, maar niet als zodanig worden erkend of serieus genomen; zogeheten micronaties (niet te verwarren met ministaten of niet-erkende staten). Overal ter wereld zijn er mensen die het heft in eigen hand nemen – ze stichten uit onvrede, bewijsdrang, nieuwsgierigheid of uit hobbyisme hun eigen land. Op een verlaten marineplatform midden in de Noordzee bijvoorbeeld (Principality of Sealand), of in een caravan gestationeerd op het Beeston Regis Caravan Park in Sheringham, Engeland (The Copeman Empire) of rond een kunstwerk in een stadspark in Wenen (Republic of Kugelmugel). Sommige van deze micronaties zijn theoretische gedachte-experimenten die concepten als soevereiniteit en nationaliteit bevragen, andere zijn utopische voorbeelden van hoe een land zichzelf het beste zou kunnen organiseren. En dan zijn er ook nog de karikaturen van bestaande staatsbestellen, waarin gewone burgers zich voor even staatshoofd wanen in een uit de hand gelopen (en soms decennialang durende) performance.
De laatste bijdrage in de categorie ‘government’ op het forum van micronations.net luidt als volgt: ‘What is the day to day role/life of a dictator vs a democratic head of state?’ Er zijn acht reacties onder de vraag van GovLynxia geplaatst, waaronder een uiteenzetting over verschillende type dictators (mediageniek/mediaschuw, showpony’s/controlfreaks) en iemand die de contactpagina van het Witte Huis tipt, voor het opvragen van een lijst van dagelijkse beslommeringen van de president. ‘Day to day with both, is to show authority,’ antwoordt RJ the I als laatste.
De praktische vraag van GovLynxia is een van de minst populaire op het forum, veel liever wordt er gediscussieerd over abstractere thema’s als politieke ideologieën, diplomatieke betrekkingen of de waarde van nieuwe valuta door een bontgekleurde stoet aan zelfbenoemde koningen, hertoginnen, keizers, presidenten, ambassadeurs en tsaren. Het ene staatshoofd is serieuzer dan het andere. Voor sommigen is het stichten van een micronatie een waardig alternatief voor het oprichten van een politieke partij of het plegen van een coup, voor de meesten is het een uit de hand gelopen hobby. Ze ontwerpen vlaggen in Paint en verzinnen de meest idiote volksliederen, ze geven paspoorten en visa uit, zelfverzonnen valuta en postzegels, het liefst met hun eigen hoofd erop. Net als autofanaten die in hun vrije tijd een miniatuurversie van een Porsche 911 nabouwen, construeren deze mensen zo waarheidsgetrouw mogelijk een natiestaat.
Helaas wordt die laatste zelden met handleiding geleverd en dat zorgt op het forum voor de nodige vragen. Hoe voer ik vreedzaam oorlog? Wat is het e-mailadres van de vn? Hoe vind ik een bevolking? Of een bondgenoot? Hoe bereken ik de waarde van mijn valuta? Hoe schrijf ik een grondwet? Kan ik mijn vlag nog veranderen? Komt mijn micronatie op Google Maps? Hoe ga ik corruptie tegen als ik de enige bewoner ben? Legitieme vragen voor situaties die per definitie hypothetisch zullen blijven. Van de blauwe maandag dat ik politicologie studeerde is er weinig meer blijven hangen dan dit: een land = grondgebied + bevolking + bestuur. In Micronations: The Lonely Planet Guide to Home-made Nations is het volgende motto van Frank Zappa opgenomen: ‘You can’t be a real country unless you have a beer and an airline – it helps if you have some kind of a football team, or some nuclear weapons, but at the very least you need a beer.’ Vast een minder goede definitie dan die van de universiteit, maar wel eentje die meer tot de verbeelding spreekt. Wat definieert een land nou echt behalve praktische kaders als grondgebied, bevolking en bestuur? Hoe ver kun je gaan in het toe-eigenen van een paar kilometer aardoppervlak? En natuurlijk niet te vergeten: wat te doen met het kinderlijke verlangen over alles de baas te willen zijn, het juk van de onderdaan van je af te willen werpen, de boomhut te betrekken, het gouden cadeaulint te spannen, ter meerdere glorie van niemand anders dan jezelf.
In De Revisor #31 vragen we auteurs zich te laten inspireren door onbestaande landen. In hun verhaal, essay of in hun poëzie brengen zij een micronatie naar keuze tot leven of laten ze zich inspireren door het concept micronatie in het algemeen. We gaan onder andere naar EuroStaete en Sealand, ontvangen een g-g-gelukszoeker uit The Kingdom of Lovely, begeven ons in een studentenkamer die betwist gebied is geworden, denken na over het kosmische Raam, zoeken Tavolara op Langswater, engageren ons met het Groothertogdom Flandrensis en duiken in een Natie voor het verdwijnen. Nieuwe staten, nieuwe staatshoofden en nieuwe onderdanen. Wees welkom!
Namens de redactie,
Lotte Lentes
Feuilleton! Esha Guy Hadjadj (1994) schreef voor #28, ’n Brasa van talen, ‘Ghadina fi yaddina – onze morgen ligt in onze handen’. Zijn online feuilleton voor ons speelt in Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Wat saboteert ze, tegen wie spant ze samen? Lees deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, en deel 5, waarin Dorine haar plan uit de doeken doet in een verhaal dat uitdijt tot een zonsverduistering die een schaduw over heel Frankrijk werpt.
*
Buiten adem komt hij aan op de laatste verdieping, waar één deur op een kiertje staat. Hij duwt hem langzaam open en gluurt naar binnen. Dorine trekt hem in één ruk open.
– Mijn God, ik schrok me rot, hijgt Vincent, geeft haar twee kussen op de wang en gaat snel zitten op de bureaustoel vlak bij het raam.
– Je bent anders precies op tijd! Het eten is zo goed als klaar.
– Oei, dan moet ik opschieten.
Vincent haalt een sigarendoosje uit zijn borstzakje en haalt zijn pijpje en wiet eruit. Dorine giet de pasta af door een bord ondersteboven met een theedoek op de pot te klemmen en langzaam het water eruit te laten lopen. Daarna kwakt ze een paar lepels pesto en een handvol strooikaas erop. Ze roert met dezelfde lepel, terwijl ze het geluid van Vincents aansteker hoort. Ze schept op door de pan boven de borden te keren. Met haar bord gaat ze op bed zitten, vlak naast haar bureau. Vincents bord legt ze op de hoek van het bureau, terwijl hij heen en weer draait op haar bureaustoel.
– Heb je je mobiel bij je Vincent? Ik moet je wat vertellen!
Vincent concentreert zich op het geluid van een zweefvlieg. Waarom moet het raam hier altijd openstaan? Hij wuift met zijn hand in de richting van het geluid.
– Vincent luister nou even!
De zoete rookgeur verdwijnt langzaamaan weer uit de kamer.
– Hm?
– Geef even je telefoon.
Vincent haalt zijn telefoon uit zijn broekzak en geeft hem aan. Dorine pakt ook de hare, en zet ze allebei uit.
– Waarom doe je dat nou weer?
– Dat moet, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. De politie luistert af.
Waar de fak is zij nu weer met haar hoofd, denkt Vincent. Is ze zelf begonnen met blowen?
– De politie?
– Ja! Er is zoveel gebeurd. Waar was je überhaupt al die maanden?
– Dat weet je best. Mijn werf was helemaal in het Zuiden van Parijs en deze stad is echt teringgroot. Na werk wil ik gewoon chillen en niet van file naar file flipperen.
– Ben je de hele zomer aan het werk?
– Er zit niets anders op. Maar het is niet zo erg hoor. Kijk, nu kan ik vaak bij jou langs voor de lunch!
Vincent schuift het bord naar zich toe en neemt een theatraal grote hap.
– Ik moet me toch geen zorgen om je maken, hé? Zegt hij met zijn mond vol. Sinds wanneer kom jij in aanraking met de politie?
– Je moet eerst beloven dat je het aan niemand doorvertelt, zeker niet thuis.
Vincent kijkt haar aan en voelt de deegprop door zijn keel zakken als een reiger die een vis achterover kiepert. Dorine zit rechtop, een beetje voorovergebogen, en eet amper. Wanneer de prop in Vincents maag land, legt hij zijn hand op haar knie.
– Gaat alles wel goed met je?
– Beloof je het nou of niet?
– Wat? Ja… ja… ik kom toch bijna nooit meer thuis. Kom op Do, stop met zo vervelend te doen.
– Ik heb echt het vetste plan bedacht om bij mijn ouders uit de kast te komen.
– Huh? Maar je zei toch…
– Ik had je toch verteld dat ik met de colleuses werk nu? Ik heb ze voorgesteld om met z’n alle de Manif te infiltreren dit jaar als Mariannes. Op de bus hebben we een teken afgesproken waarop we elkaar allemaal gaan zoenen met rook en spandoeken en alles wat je maar kan bedenken!
Vincent voelt zijn hart tegen zijn ribbenkast bonken. Hij laat zijn bord kletteren op het bureau
– Jezus Do, is er een steekje bij je losgeschoten? Waarom de fak haal je dat in je hoofd? De Manif zal je zo goed in elkaar timmeren dat je pa je zal aanzien voor een van die kutkasten van hem.
Dorine begint rood aangelopen haar keuze te verdedigen. Lange haperende zinnen komen als morsecode bij Vincent aan, en hij moet zich goed concentreren om niet de draad van Do’s verhaal kwijt te raken. Het gaat niet alleen om haar, maar om alle LHBT-ers zoals zij, om een signaal af te geven dat ZE niet hun kinderen beschermen met die giftige lezing van de Bijbel, dat de generatie na haar zoiets niet meer hoeft te doen. Haar verhaal dijt uit tot het een maan wordt die voor de zon schuift, en daarmee een schaduw over heel Frankrijk werpt. Vincent raakt er duizelig van. Wie is deze Dorine die haar tanden stukbijt op zulke grote verhalen? Die zo verbeten is dat ze zichzelf moedwillig in gevaar brengt? Ze weet wie er in die stoet zullen lopen: broers en neven van haar, vrienden van hem, allemaal figuren die je liever niet tegenover je hebt.
– Je zei toch altijd dat je ouders het niet hoefden te weten? Waarom nu opeens wel? En waarom op zo’n theatrale manier? Je zei dat je onze jeugd achter je had gelaten en dat je op wilde gaan in Parijs. Ik snap er niks van, Do. Zo ben jij toch helemaal niet?
– Ik heb er genoeg van dat jullie allemaal denken te weten wie ik ben. Laat me gewoon mezelf zijn. En ik zei net al dat het hier niet alleen om mij gaat, oké? Denk aan al die kinderen die net als wij ieder jaar in die demonstratie meeliepen. Hoeveel van hen lopen met hetzelfde geheim rond? Het moet een keertje afgelopen zijn. Als je dat niet kan begrijpen hoef je hier niet meer langs te komen.
– Ik begrijp het wel, ik begrijp het wel… Natuurlijk sta ik achter je. Hij kijkt naar de veters van zijn schoenen, die ieder zigzaggend bij elkaar komen in een slordige knoop. Zo waren hij en Do toch ook? Niet aan elkaar verknocht, maar hun paden kruisten altijd.
– Maar ik ben ook gewoon bezorgd. Ik heb geen reserve-Do als het mis gaat.
Michael Tedja (1971) kreeg voor zijn werk de Jana Beranováprijs 2020 (een oeuvreprijs voor onafhankelijke auteurs die zich niet laten leiden door conventionele, modieuze, of morele criteria in de kunst) en in 2021 werd hem de Sybren Poletprijs toegekend. Deze twee gedichten zijn een voorpublicatie uit Het uitgelezen deel, dat in mei verschijnt bij Uitgeverij IJzer.
*
Charlotte
Hier lag het grote doek waarop ik de kat zag die met
een ingetogenheid was geportretteerd. Zoals in de jaren
die hiernaartoe gekomen waren te zien was. Er lag eenbekende tovenaar die zichzelf niet liet zien. Niemand
mocht weten waar hij zat of hij bestond en hoe hij dan
eruitzag. Alleen het werk wist of hij een ding an sichwas, zoals hij beweerde te zijn. Hij moest zich uitsluitend
dunne stellen voorstellen. Zij, die voor hem wildvreemden
waren. Dan waren zij er iets mee opgeschoten.Anders woekerden grondslagen en wetten zodat het leek
alsof hij uit zijn dak was geklommen. Absolute rust en
discipline waren dat iemand zoals hij die harde begrippenopenbrak. We liepen met zeer specifieke vragen rond.
We wisten wat de herkomst was waarvan de data niet
te kennen vielen. Totaal anders en toch iets herkennen.Alsof het gisteren gebeurd was. Dat het buiten alles viel.
Dat waar ik tegenop liep en waarvan iemand iets begreep.
Hij legde met mijn ene hand een knoop in mijn benen enverlichtte het lopen, de dingen, de kritiek. Meerstemmigheid
kneep mijn ogen dicht. Ik beeldde mij in dat ik zo gevaarlijk
was als de polemiek, de beweging, het centrum dat oordeeldeover goed en slecht, het hedendaagse, het anti-institutionele.
Lelijk was het en ik wilde de dieren iets heel, nee, ik wilde
uiteindelijk iets met de dood die ontstond vanuit het moeras.Ik nam afstand van het duiden. Voor de duidelijkheid:
voorbeelden gaf ik nooit en te nimmer. Hees een vol glas
naar binnen toen ik met twee opgestroopte mouwen hetbruggetje baarde. Wattendoos geopend. Krachtige relletjes
verschenen er op papier. Eksters. Zij tekenden rare omaatjes
daaromheen. Als hij niet bazig was sloot hij levens netjes af.John
Mijn experimentele geest liet
haar belangrijkste bestanddeel
rotten om een duistere John tecreëren in de krochten. Een
hoogstpersoonlijke boezem
toonde zich op het scherm.Mijn handelingen gaven
de dood iets zonnigs.
Ik zocht verder.Er werden eisen gesteld.
De abstractie en het
materiële waren ineen oorlog verwikkeld.
Zuurkool lag geometrisch
op het bord.Ik zat te wachten en
schilde Karel Appel
met een aardappelmes.Daarna pakte ik een marter
bij de korte haren vast en
doopte deze in de jus d’orange.Er werd op de tafel geklopt.
Ik deed het blad open.
Twee houten Klazen liepennaar binnen. Hun ogen hadden
ze met grote gebaren op het
kleed gelegd.Ze lazen elkaar de les over
hoe de westerse wereld
geboren werd.
Ilja Leonard Pfeijffer: de redacteur dwaalde rond in de jeugdmicronatie van de Boekenweekauteur, rekent uit hoeveel decennia aan Revisor-schrijvers je voor dertig euro kan kopen, en verandert op pagina 32 van mening over het Boekenweekgeschenk.
*
Het is Boekenweek, en al is de losse nummerprijs van De Revisor niet zover meegestegen dat je er altijd een Boekenweekgeschenk bijkrijgt, zijn er genoeg redenen om je als Revisorlezer te verheugen. De auteurs van de Boekenweek zijn oud-redacteurs: Ilja Leonard Pfeijffer (redacteur van 2001/1 tot 2009/6) schreef het geschenk, Marieke Lucas Rijneveld (2016) het essay. Alleen Bart Moeyaert, de auteur van het Boekenweekgedicht, heeft geen Revisor-achtergrond.
Mensen blijven zich afvragen waar het Revisorproza uit de jaren zeventig en tachtig is gebleven, zelfs toen we een vacature hadden. (Die tweet blijkt verwijderd.) Eerlijk gezegd ben ik te weinig literatuurhistoricus om te begrijpen wat dat dan is en wanneer Revisorproza gewoon literair proza is geworden, maar er zijn ook na volledige redactiewisselingen als in 2009-2010 dingen hetzelfde gebleven. Zo was er de afgelopen twintig jaar onafgebroken een classicus lid van de redactie. Maar een nieuwe redactie wil ook nieuwe dingen doen, en zo is de volledige Revisor-productie van Pfeijffer alleen in het rijke externe archief van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren te vinden. Rijnevelds werk vind je daarentegen grotendeels op derevisor.nl (plus een plukje in de DBNL).
Een aardige aanleiding om de nieuwste Revisor te combineren met Pfeijffers werk, is de digitale expositie die het Literatuurmuseum wijdt aan Mocanië, de fictieve staat die Pfeijffer ontwierp. Hij schreef erover in Brieven uit Genua (2016) en sprak erover tijdens Zomergasten. In de podcast POM, Jonge jaren, vraagt Ernst-Jan Pfauth hem er extra over door. Ik vraag me af: is Mocanië nu een micronatie?
Terzijde. Een handvol weetjes
- Wie De Revisor én het essay koopt, heeft recht op het geschenk: € 14,50 + € 5,- is drie decennia Revisor-kwaliteit.
- Een eerdere Revisor-redacteur die het Boekenweekgeschenk schreef, was Thomas Rosenboom. P.F. Thomése (1998/1 tot 2001/4) had natuurlijk gemoeten — maar zou die wel willen? —, en Kees ’t Hart voor het essay. En Oek de Jong (1998/2 tot 2000/4)? Zijn Zwarte schuur is bij de Libris Boekhandels nu slechts € 8,99. Dus € 14,50 + € 8,99 + € 5,- = vier decennia Revisor-kwaliteit.
- Ik gun de Nederlandse lezer Gustaaf Peek (2010 tot 2015/2) nog dit decennium als Boekenweekgeschenkauteur. Hij schreef ook een van de minst theoretische liefdeszinnen van Nederland:
‘Straks kom ik lieverd je moet stoppen je moet stoppen liefste het is te lekker mijn godin ik hou van je je gaat niet stoppen je wil m’n zaad wil je me proeven wil je m’n zaad proeven ik ga je geven wat je wil in je mond liefste in je hete mond heb je me gemist ik kom liefste ik kom in je mond ik —’
Uit Godin, held. € 12,99. Zijn nieuwste heet A.D.. € 23,99. Daarmee ben je nog sneller klaar.
- Van Jan van Mersbergen (2010 tot en met 2020) weet je dat hij het kan, hij schreef een mooie novelle voor de Week van het Venlose verhaal, Oase. Zijn nieuwste heet Mijn pa is nooit alleen. € 21,99. Zijn doorbraakroman Naar de overkant van de nacht (€ 12,99) moet je wel aanvullen met het essay. Maar dan heb je wel geheid feest, ook buiten het Boekenbal.
- Thomas Heerma van Voss (2015 tot 2022-2) is pas na deze generatie aan de beurt, maar je kunt ook gewoon zijn nieuwe verhalenbundel, Passagiers/achterblijvers aanschaffen. Krijg je het Boekenweekgeschenk gratis bij: € 21,99.
- Maar na een jaar met alleen maar mannelijke auteurs is het tijd voor een van de beste schrijfsters van Nederland: Manon Uphoff (redacteur van (2004/2 tot 2009/6)). We bereiden je er op voor met een Uphoff-themanummer, dat eind deze zomer gaat verschijnen. Tot dat moment kun je Vallen is als vliegen voor precies € 15,- aanschaffen.
- Marjolijn van Heemstra (2016) of Bernke Klein Zandvoort (2017 tot 2021) voor het gedicht. Ook Reistijd, bedtijd, ijstijd (€ 21,99) en Veldwerk (€ 17,99) geven recht op een geschenk.
- De Boekenweek gaat eigenlijk meer over rekenen dan over lezen.
Van gedetailleerde fantasie tot micronatie?
Het is geweldig wat Pfeijffer bedacht heeft: de geografie, het wegennetwerk, stadsplattegronden, geld, literatuur, een eigen taal (met eigen alfabet), en het is prachtig hoe het Literatuurmuseum dat in een virtuele vorm goot. Het doet denken aan wat Walter van den Berg in De Revisor beschrijft, de staat die hij als dertienjarige ontwierp, maar waarvan hij de naam vergeten is…
‘Het probleem is dat ik die naam en de rest van de inhoud van het schriftje in geheimschrift heb gespeld.
Het was meer een boekje dan een schriftje trouwens, met een harde kaft, A5-formaat, zwart en met een rode rug en rode hoekjes. Ik denk dat het bij de hema op het Osdorpplein vandaan komt en dat ik het daar rond 1983 heb gestolen.
Ik stal dat boekje niet uit noodzaak, maar uit gewoonte; ik heb in die tijd vrij veel uit de hema op het Osdorpplein gestolen.’
Pfeijffers taal is evenmin eenvoudig te reconstrueren, maar hijzelf kent de taal in ieder geval nog.
En kijk, Mocanië en Van den Bergs land zijn geen fysiek bestaande plekken met de al dan niet grappig bedoelde pretentie de concurrentie aan te gaan met landen als Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Ze hebben geen ambities tot een nationale staat. Maar het denken over wat zo’n staat nodig heeft, dat is even interessant als hoe die gedachten botsen met de werkelijkheid.
De fictie wordt volwassen: mensen en verhalen
In de literatuur van deze stichters van fictieve staten worden andere dingen belangrijker dan de details in het decor. De mensen, hun beweegredenen, hun daden. En, bij Pfeijffer heel nadrukkelijk: de manier waarop we daarover vertellen. Dat geeft zijn werk iets van een spel waarbij het voorop staat de regels aan te passen. Als hij in de eerste pagina’s zijn hoofdpersoon Carmen introduceert, een ontevreden (openingszin: ‘Wordt ontevredenheid tevredenheid als je je erbij neerlegt?’) oudere vrouw die evenementen organiseert voor de lokale bibliotheek, laat hij haar denken:
‘Zo vraagt ze zich nu af wat verloren momenten zijn. Als alle momenten als confetti op de ochtend na het feest door de tijd worden opgeveegd en geen enkel ogenblik op de onstuitbare teloorgang kan worden herwonnen, hoe kunnen sommige momenten dan meer verloren zijn dan andere? Elk uur wordt ze een uur ouder, ongeacht of ze energiek vooruitblikt of melancholisch over vroeger mijmert, en het gevolg daarvan is dat er steeds minder is om naar uit te kijken en steeds meer vroeger om te betreuren.’
De confettizin, met de grote woorden en gezochte beeldspraak, gecombineerd met de daaropvolgende zin met rijk aangezette clichés, doet het ergste over deze vrouw vrezen. Verderop zegt ze: ‘Klinkt dat pompeus? Het kan haar weinig schelen hoe het klinkt, want het is zo.’ Oei. Na een leven als de vrouw van de tweede man in diplomatieke dienst, van tennis en sherry en een onvervulde kinderwens (herhaal dit driemaal, dan weet de lezer het), leeft deze vrouw de levens van personages in de literatuur, liefst zonder open eindes – want die biedt het leven al genoeg.
Maar Pfeijffer, die zelf even later als ongenaakbaar personage optreedt in de bibliotheek op uitnodiging van Carmen, gunt haar zo’n leven in de literatuur – al stelt Carmen meermaals vast dat ze daar te gewoon voor is. Ze keert terug naar Monterosso, ooit de plek waar ze haar eerste liefde beleefde (een Boekenweekauteur die het Boekenweekthema verwerkt, dat is uiterst prijzenswaardig), voor een week vakantie. Ze raakt bevriend met de B&B-houdster (‘Uiteraard tutoyeren zij elkaar, want in de wereld van de private kamerverhuur is het altijd vakantie.’), en verzucht op enig moment over het slot van Liefde in tijden van cholera: ‘Het is bijna jammer dat er tegenwoordig geen epidemieën meer bestaan.’
Op dat moment begon mijn sympathie te schuiven. Carmens zelfbeeld wordt rijker, aardiger voor zichzelf, en ze beleeft warempel een verhaal. Ondertussen haalt Pfeijffer grappen uit zoals na een cliffhanger op te merken: ‘Carmen heeft een hekel aan cliffhangers.’ En daarop door te gaan, om pas na een tijdje de belofte van die cliffhanger in te lossen.
Wat is de mooiste liefdeszin in het Nederlands geschreven? Een representatieve peiling wees uit: ‘Dit is het enige wat telt, lieverd, dat iemand meer in je ziet dan je wist dat er te zien was.’ Een zin van Arthur Japin, uit Een schitterend gebrek (2003). ‘Volgens de auteur is de zin wat betreft stijl niet per se bijzonder of mooi,’ tekent de NOS op. ‘Maar hij is wel kernachtig.’ Niet per se bijzonder mooi, en zoals het hoort bij dit soort lijstjes (ook Anne Frank en Hugo Claus worden genoemd) roept het vooral tegenvoorbeelden op. En de vraag of dit soort nieuwsfeitjes zijn bedacht om de Nederlandse literatuur te promoten of inderdaad al het geschrevene in het Nederlands. Bij een kookboek krijg je immers ook een Boekenweekgeschenk.
*
We namen, na een emotionele WhatsApp-correspondentie, de handschoen op, en hernemen onze rubriek ‘Zin’, waarin de redactie enkele jaren geleden met enige regelmaat mooie zinnen naar voren bracht. Dit is onze keuze.
Yentl van Stokkum:
‘ik was er zeker van / dat jij het was, dacht ik al voor ik je kon zien, ik mis je zelfs / nu je er bent’ — Peter Verhelst, Zon
Stefanie Liebreks:
‘Zita hield misschien nog veel meer van Inni. Het was alleen maar omdat Inni niet van zichzelf hield dat alles was misgegaan. Er waren natuurlijk ook mensen die beweerden dat het kwam doordat ze alle twee zulke idiote namen hadden, maar zowel Inni (Inigo, naar de beroemde Engelse architect) als Zita (de moeder van de prinses van Namibië was een aanhangster van het Huis van Habsburg) wist dat de vreemde geluiden die hun namen vormden hen uittilden boven en afzonderden van de rest van de wereld, en ze konden dan ook uren in bed doorbrengen met Inni Inni Zita Zita, en bij bijzondere gelegenheden ook met fluwelen varianten, Zinnies, Itas, Inizitas, Zinnininitas, Itizitas, koppelingen van namen en lichamen die ze op zulke momenten wel altijd hadden willen laten voortduren, maar er is nu eenmaal geen grotere vijandschap dan tussen het geheel van de tijd en elk willekeurig, afzonderlijk deel ervan, dus dat ging niet.’ — Cees Nooteboom, Rituelen (oké, dit is meer dan één zin)
Daan Stoffelsen:
‘Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.’ — Nescio, Dichtertje (maar goed, dit is meer lust dan liefde, excuus)
Lotte Lentes:
‘Ik ging op het gestoffeerde bankje zitten, weer met uitzicht op zijn blote rug, en terwijl de wind over het dek blies dacht ik aan de wonderlijke afwisseling van betovering en ontnuchtering die in alle menselijke relaties voorbijtrekt, soms als een dreigende, donkere wolkenmassa en soms als niet meer dan een verre, raadselachtige sluier die een poosje voor de zon schuift en dan even achteloos overwaait.’ — Rachel Cusk, Contouren (vertaling Caroline Meijer & Lette Vos, we gaan hier de grens over, excuus)
Feuilleton! Esha Guy Hadjadj (1994) schreef voor #28, ’n Brasa van talen, ‘Ghadina fi yaddina – onze morgen ligt in onze handen’. Zijn online feuilleton voor ons speelt in Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Wat saboteert ze, tegen wie spant ze samen? Lees deel 1, deel 2, deel 3, en deel 4, waarin we Vincent ontmoeten, en Dorine vertelt hoe ze twintig vrijwilligers voor de Manif heeft opgetrommeld.
*
Vincent stelt zich voor hoe klei uit verschillende rivierbedden en zand uit een afgelegen kuststrook samenstromen in een kolkende bak water, tot gruis uitdrogen in een hittetoren, samen worden geperst onder een enorme machine, om vervolgens in een oven van duizend graden de wandtegel te worden waarover hij nu met liniaal en marker een lijn probeert te trekken.
Schichtig bespiedt hij vanonder de rand van zijn helm de voorbijgangers in de straat. Nu de mensen weer overdag naar buiten kunnen voelt hij hun ogen op zijn rug branden. Tijdens de eerste lockdown was er helemaal niemand, zelfs de manager van de winkel die hij renoveerde zat veilig thuis achter zijn computerscherm. Het waren de ideale omstandigheden om te beginnen in de bouw: de lente walste over een godvergeten Parijs, er was niemand om tegen hem te schreeuwen als hij weer eens een tegel liet vallen, en door de onstilbare bouwlust in de hoofdstad maakte het niet eens uit of hij iets fout deed. Parijs zou toch wel blijven groeien, en het bedrijf hoefde nooit bang te zijn dat slecht werk zou leiden tot minder werk. Tijdens de lunch draaide hij zonder na te denken een jointje op de werf. Zijn baas Ameziane bietste vaak een hijsje. Hij liet dan de rook uit zijn mond glijden terwijl hij naar de wolken keek. Goddank de lockdown.
Vincent schudt de marker heen en weer maar het mag niet baten, de punt is uitgedroogd. Het zoveelste slachtoffer van deze augustuszon. In de winkel zullen ze vast wel iets hebben dat hij kan gebruiken. Hij gooit de marker op de grond en loopt naar de voordeur. Op slot. Hij tuurt naar binnen. Zalfjes, lotions en ander spul in de schappen, maar verder niks. Misschien achter de kassa. Hij duwt en trekt de voordeur heen en weer, eerst zachtjes, daarna steeds harder.
– Waar ben je nou mee bezig man?
Vincent draait zich om. Het is Ameziane.
– Hey chef, ik zocht een marker om de wandtegels te snijden.
Ameziane loop op Vincent af en laat zijn hand op Vincents schouder vallen.
– Kijk, zie je daarboven waar de deur aan de magneet hecht? Als de deur een paar seconden het contact verliest met die magneet gaat het alarm af. Hier.
Zijn baas haalt iets rechthoekigs uit zijn broekzak. Vervolgens bodycheckt hij de deur en plaatst het voorwerp meteen op de magneet.
– Nu weet ’ie niet dat de deur open is en kun je gewoon naar binnen. Niet vergeten de magneet weer weg te halen als je klaar bent, oké? En dan snel de deur dicht!
De zon spat in duizend scherven uiteen in Dorines wijnglas. Ze zit in de voortuin samen met haar ouders en Celeste, een van de organisatoren van de Manif. Een paar vliegen cirkelen om de druiven en dadels op tafel en blijven uit de buurt van de bleu d’auvergne en de morbier. Het schooljaar is eindelijk voorbij, dus is ze op aandringen van haar ouders voor een weekje terug.
– Nou, ik ben blij dat ik jullie hier zo met zijn drieën mag treffen, concludeert Celeste. En dan te bedenken dat ik toevallig voorbij liep! Jullie dochter heeft mij al enorm geholpen met de voorbereidingen, heeft ze dat al verteld?
Papa’s ogen schitteren; mam trekt haar wenkbrauwen op. Dorine brengt haar chardonnay naar haar mond en neemt extra langzaam een slok om niets te hoeven zeggen.
– Ze moet al veel vrienden hebben gemaakt, gaat Celeste verder. Om zo snel twintig vrijwilligers voor ons op te trommelen. Je hebt niet stilgezeten, hè?
Celeste knipoogt half-oprecht half-spottend naar Dorine en heft haar glas. Haar kraaienpootjes hebben iets geruststellends. De vele ringen en armbanden doen Dorine denken aan Asma’s septumpiercing. Ze is de enige bij wie Dorine hem goed vindt staan. Pap buigt naar voren om een stuk bleu af te snijden.
– Ik dacht het al, ze lijkt op haar vader!
– Ach, laten we het niet groter maken dan het is. Ik heb alleen maar wat rondgevraagd op de universiteit. Ik ken ze niet supergoed ofzo. Ik denk dat de meesten het gewoon spannend vinden om te doen.
– Maar het getuigt van daadkracht!
– En verantwoordelijkheidsgevoel natuurlijk, voegt Celeste toe. Je kunt niet zomaar mensen van straat plukken hiervoor. In Parijs zien mensen de beweging het liefst in elkaar zakken. We moeten ook van ze op aan kunnen, nietwaar Dorine?
– Natuurlijk, ze zijn wel te vertrouwen hoor. Na dit jaar staat iedereen te springen om weer iets te doen, naar buiten gaan en mensen zien. Misschien was het daarom zo makkelijk.
– Altijd zo bescheiden, zegt mam. Je mag best trots zijn hoor.
Eindelijk voegt de grote wijzer zich bij de kleine, vlak onder de twaalf. Vincent legt zijn helm en oranje hesje op het aanrecht in de bouwkeet.
– Salut chef, ik ga wat te eten scoren, zegt hij tegen Ameziane die amper opkijkt van zijn laptop. Hij doet altijd alsof hij met ‘de administratie’ bezig is, maar hij speelt waarschijnlijk de hele dag online poker.
Maakt niet uit. Vincent verlaat de werf en wurmt zich door de mensenmassa. In dit deel van Parijs zijn de straten nog smal, en ruiken ze naar okselzweet en maïskolven. Aan het einde haalt Vincent zijn telefoon uit zijn zak en toetst hij de code op zijn scherm in op het apparaat naast de deur. Het slot klikt open. Vincent loopt door de tussengang en ziet zichzelf oneindig vermenigvuldigd in de spiegels aan beide kanten van de muur. Op de marmeren vloer kronkelen groene lijnen. Maar zodra hij de tweede deur doorgaat is de gang weer donker en smal. Niet eens een lift. Vincent zucht en sjokt de trappen op.
Beeld CC BY-ND 2.0 Avoidpaper
Feuilleton! Esha Guy Hadjadj (1994) schreef voor #28, ’n Brasa van talen, ‘Ghadina fi yaddina – onze morgen ligt in onze handen’. Zijn online feuilleton voor ons speelt in Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Lees deel 1, deel 2, en deel 3, waarin Dorines plan wordt uitgewerkt – en ze moet kiezen.
*
– Anders blazen we gewoon die bus op! roept iemand vanuit de tribunes. Sabrine fronst haar wenkbrauwen terwijl de rest van de zaal lauwtjes reageert op het voorstel. Ze geeft het woord aan een studente die met haar hand omhoog Sabrine strak aankeek.
– Als we hier het meeste uit willen halen moeten we een actie bedenken die mediageniek is. Alles binnen een straal van een kilometer gaat toch afgesloten worden door les keufs dus als we geen foto’s of film hebben zal niemand er vanaf weten.
Dorine ziet de handen in de zaal weer opstuiven. Ze staat nog altijd naast Sabrine, aan de grond genageld in het midden van de kuil. Wat weet zij nou van actievoeren?
Dorine laat haar blik dwalen door de ruimte en landen op het kladblok waar Asma over gebogen zit. Ze stelt zich voor dat Asma haar meeneemt naar de volgende plakacties. Dat ze samen achteraf bij Asma thuis iets gaan drinken en fantaseren over een betere wereld. Asma zou haar de ongeschreven regels van de colleuses uitleggen en misschien wel een paar roddels. Vroeg in de ochtend zou Dorine opstaan om de avondklok te trotseren, en Asma zou haar een afscheidskus geven die Dorine de rest van de terugreis probeert te herinneren.
Plotseling draaien alle hoofden, behalve die van Asma, naar de stem die rechts uit de zaal komt. Dus zo ziet Djuna eruit. Dorine had haar een paar dagen geleden via Signal gesproken. Djuna stuurde haar een bericht vlak nadat Dorine in de Facebookgroep had gepost dat de Manif pour Tous vrijwilligers zochten. Ze belden een kwartiertje, waarin Djuna op een zakelijke toon naar alle details vroeg. Tegen het einde werd haar stem zangerig, en uiteindelijk hing Dorine op met het idee dat ze bevriend waren geraakt. Dorine had zich een kettingroker bij haar voorgesteld, met cargobroek en bandana, maar je zou haar twintig keer op straat kunnen passeren zonder haar aanwezigheid ooit op te merken.
– Het lijkt me inderdaad belangrijk dat we een mediagenieke actie doen die tegelijkertijd radicaal is. Ik stel voor dat we als Mariannes op de bovenkant van de bus paraderen, een tijdje zwaaien naar de meute en voorbijgangers, en als iemand het sein geeft, droppen we het spandoek, steken we de rookbommen aan en in de lucht zoals Marianne de vlag van Frankrijk, en dan zoenen we elkaar pal voor de hele Manif!
Een woud aan wapperende handen schiet de lucht in. Zelfs Asma wuift met een hand terwijl haar elleboog nog leunt op haar kladblok.
– Het ziet er naar uit dat we langzamerhand naar een beslissing toe bewegen, zegt Sabrine. De meeste mensen lijken geïnteresseerd in Djuna’s voorstel. Hebben mensen nog toevoegingen of twijfels? Camille.
– Dit kan wel werken, maar hoe krijgen we onze fotografen dan binnen?
– Elisa.
– Laten we dan ook een borst vrij?
– Jo.
– Kunnen we alvast kijken wie deze actie zou willen doen? Leuk en aardig dat iedereen dit een goed idee vindt, maar uiteindelijk voeren maar dertig mensen de actie uit. Die mensen moeten ook kunnen doorgaan voor fascisten en zich misschien comfortabel voelen met naakt, plus ze kunnen vlak daarna op flink wat geweld rekenen, dus dit is niet voor iedereen weggelegd.
Dorine houdt haar klamme handen achter haar rug en wrijft met haar duim over haar pols.
– Farah.
– Fotografen binnenkrijgen zou niet zo moeilijk moeten zijn toch? Gewoon pers hesjes kopen, die kosten maar een euro of zo.
– Sara.
– Wat na de foto? We moeten ook nadenken over een exitplan.
– Salomé.
– Misschien kunnen we de bus gebruiken om weg te komen?
Ze hoeft niet mee te doen, denkt Dorine. Zij moet in principe alleen de vrijwilligers regelen. Ze heeft nooit tegen Celeste gezegd dat zij zelf ook mee zal doen. Net als haar ouders die tijdens de Manif verdwijnen in de achterhoede. Ze hoeft er niet eens bij te zijn op de actiedag. Ze kan de hele dag onder de dekens doorbrengen met haar telefoon op vliegtuigmodus als ze wil.
– Ik denk niet dat we nu al een hele exitstrategie kunnen bedenken met zijn allen, zegt Sabrine. Laten we ons voor nu beperken tot het plan, en de vrijwilligers. Het voorstel is als volgt: We infiltreren de Manif pour tous als Mariannes en stagen een zoenmoment met rookbommen en een grote banner voor film en foto. Naakt is niet verplicht, en slogans en een vluchtplan bedenken we later. Eén hand omhoog als je voor bent.
Voor zover Dorine ziet steekt iedereen haar hand omhoog. Ook Asma.
– Dorine, ben jij ook voor? Anders kan het natuurlijk niet doorgaan.
– Ah, natuurlijk! Ze steekt snel haar hand omhoog.
– Mooi. Dan nu de vrijwilligers. Steek je hand omhoog als je als Marianne verkleed wil op de Manif pour tous.
Deze keer reageren de tribunes minder resoluut. Een vijftal steekt zonder aarzelen haar hand in de lucht, waaronder Djuna en Asma, daarna volgen nog een tiental handen, vaak gepaard, nadat mensen hun buur of vaste maatje even hebben aangekeken. Dorine probeert vanuit haar ooghoek een blik te werpen op Asma, die haar iets lijkt toe te fluisteren.
– Zijn er nog meer mensen die willen deelnemen aan deze actie? Sabrine speurt om zich heen.
Hier en daar spruit er nog een hand uit de tribune omhoog. Dorine denkt aan de demonstratie die ze als kind kon zien vanaf de schouders van haar vader, de toespraken waar haar ouders instemmend naar luisterden. Toespraken over het belang van een moeder én een vader voor een kind. Het gejuich van de menigte. Ze voelt haar hand langzaam naar boven gaan. Asma glimlacht.
– Weet je het zeker? De stem komt van rechts. Djuna kijkt haar bezorgd aan: “Jij bent misschien wel de belangrijkste schakel in dit plan, dus je moet geen dingen doen waar je niet achterstaat.”
Dorine vouwt haar handen over elkaar om een zweetvlek bij haar oksel te verbergen. Ze knikt.
Afbeelding: Manif 8 mars 2020 à Paris. Journée internationale des droits des femmes. CC BY 2.0 Jeanne Menjoulet


