Ten slotte wint de dood, jazeker
maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.
De Revisor gedenkt Remco Campert, schrijver, dichter, de laatste Vijftiger. We lezen zijn woorden, bijvoorbeeld zijn gedicht ‘1975’, dat in het vijfde nummer van de tweede jaargang van De Revisor stond. In 2015 verscheen het Campertnummer van De Revisor, waarin o.a. Vicky Francken, Joost Oomen, Daan Heerma van Voss, Annelies Verbeke, Alma Mathijsen, Frank Heinen, Asha Karami, Han van Wieringen en Roos van Rijswijk op Campert reageren. Redacteur Jan van Mersbergen schreef een kleine ode aan de grote schrijver, Daan Stoffelsen ook, en hij interviewde Mirjam van Hengel over het toen zojuist verschenen ‘Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert’.
Maar uiteindelijk kan poëzie het het beste zeggen: K. Michel schreef het gedicht ‘Vragen & klepels’ ter gelegenheid van Camperts tachtigste verjaardag.
Is het waar
dat hij het levensraadsel heeft opgelost maar het notitieboekje is kwijtgeraakt?En ik antwoordde:
Ja, dat is inderdaad waar.
Vorige week namen Daan Stoffelsen en Thomas Heerma van Voss afscheid als redacteur van De Revisor. Lees Thomas’ column erover bij De Lage Landen, en lees Daans speech over 12,5 jaar Revisor, alle redacteurs en Thomas in het bijzonder, en een prachtig nieuw nummer. Over een roze vriendenboek, de speeltuinmetafoor, werkdrift, geweldige literatuur en lol.
*
Het begin
Een groot schrijver schreef, niet eens zo heel lang geleden: ‘Je zou kunnen zeggen dat een verhaal, nee, dit verhaal zo begint: een meisje gaat met haar moeder terug naar haar geboorteland en vergeet haar vriendenboek.’ Die correctie is broodnodig, want lang niet elk verhaal begint zo, en we willen die laatste mensen die nog in literaire fictie geloven niet kwijtraken. Ja, Thomas, goed dat je daarna zegt: ‘Je zou ook kunnen zeggen dat een begin zelden eenduidig te achterhalen valt.’
[Verder lezen in dat verhaal? Athenaeum.nl, en daarna Passagiers/achterblijvers.]
Tegelijk: dat vriendenboek is geen slecht idee. Roze, met pasfoto’s, favoriete bezigheden, lievelingsgerechten, grootste dromen. Toch wil ik twee keer ánders beginnen. Het is als het nieuwste nummer van een literair tijdschrift: dan ben je in 1952, een paar pagina’s verder ben je in een bijna-lockdowntoekomst of simpel weg nu. Ik wil het ook over dat nummer hebben, over mijn tijd bij De Revisor – twaalfenhalf jaar, houd ik maar stug vol -, en over de mensen van De Revisor, met name Thomas Heerma van Voss, die ook afscheid neemt vandaag.
Ik wil twee keer beginnen, en twee keer wil ik zeggen dat het verhaal zo begint: een twintiger drinkt koffie met een oudere tijdschriftredacteur en zegt ja. Die ene keer, mijn keer, was in 2009.
Voor de jongere mensen onder ons: de Spaanse Griep was de grootste pandemie in de menselijke herinnering, als we het over oorlog in Europa hadden vermeden we de naam Srebrenica, ik werkte bij Athenaeum Boekhandel, ik had nog geen kinderen, De Revisor werd uitgegeven door Querido. De oude redactie was opgestapt, Gustaaf Peek (pasfoto één) formeerde een nieuwe.
Ik zei dus ja, net als Erik Lindner (pasfoto twee) en Jan van Mersbergen (drie). Later kwam Bart Koubaa (pasfoto vijf) erbij, die bij de eerste samenkomst in De Doffer al een speciaalbiertje ophad voor we met de vergadering waren begonnen. Sindsdien drink ik tripels. Ja! Wij gingen alles anders doen, De Revisor onder nieuwe redactie, geen themanummers, alleen Nederlandse literatuur, een kwaliteitsnorm die zo stevig was dat tijdens de vergadering in de kroeg uitgeredigeerde stukken alsnog afgewezen werden.

Ruim na die eerste pasfoto’s volgde op verzoek van onze nieuwe uitgeverij, De Bezige Bij, een groepsfoto van Koos Breukel, die nog door half literair Nederland bekritiseerd werd omdat we er als cowboys bijstonden. Onze halfslachtige repliek dat we weliswaar allemaal man waren, maar ook vader (van dochters – toch feministischer dan Jan Wolkers), overtuigde niet.
Bowlen in Philadelphia / De belofte
We komen bijna bij het tweede begin. Drie van de vijf vaders zwaaiden af, Jan en ik gingen op zoek naar opvolgers. Op poëzie kwamen kort na elkaar Marieke Rijneveld, Marjolijn van Heemstra en Bernke Klein Zandvoort, haar opvolger ten slotte was Maureen Ghazal, en op proza werd Thomas Heerma van Voss onze nieuwe redacteur.
Vandaag neemt Thomas afscheid, en ik wil Marieke Lucas, Marjolijn, Bernke en Maureen geen onrecht doen, alsof we maar even in Philadephia hebben gebowld (de grap, ontleend aan Thomas’ nieuwste boek, is: dat kwam er niet van). Maar Bernke, die vorig jaar afscheid nam, was in 2010 onze belofte, ze werd bij de presentatie van het eerste nummer meteen benaderd door een redacteur van Querido, en sindsdien werd ze voor de C. Buddingh’-prijs en de Grote Poëzieprijs genomineerd. Bernke werd zeven jaar later onze poëzieredacteur. Ik heb haar, bij het door lockdownmaatregelen afgedwongen virtuele afscheid, gedag gezegd als ‘een zeer gewaardeerde collega, een kunstenaar die praktisch dacht, een dichteres die proza las, een schrijver die een podiumprogramma bedacht, een zorgvuldig en inspirerend mens’. Wat een saaie schrijftaal, voor een frisse en ernstige kracht die tot op de dag van vandaag een belofte voor de literatuur en de kunst blijft – de Bladspiegel die we haar toen aanboden, getuigt daarvan.
Verwachtingen
Maar Thomas! Toen je in het najaar van 2019 je bijdrage aan het Dirk Ayelt Kooimannummer inzond, bekroop een levensgroot ongemak me. Dat is het tweede begin dat ik wil beschrijven vandaag. Onze kennismaking was zwaarder dan ik me herinnerde. Je schreef:
‘Mijn tweede gedachte: hoe waren ze in vredesnaam op mij uitgekomen? Ik had amper ervaring als redacteur, eigenlijk ook weinig als schrijver. En: driemaal had ik in de jaren hiervoor een verhaal ingestuurd voor Revisor, de eerste keer werd het na maanden wachten afgeschoten met een zinnetje dat stak en dat ik jaren later toch zelf zou gebruiken bij afwijzingen. “We vinden het niet goed genoeg.” De tweede keer begon er een redactieproces waarbij ik mailde met zowel Daan als Jan, ze redigeerden zorgvuldig, ik herschreef en herschreef en bewonderde hoe toegewijd ze over literatuur dachten, dat kende ik helemaal niet.’
Eh… Wat waren onze verwachtingen, eind 2015?
Ik kan alles uitleggen
Ik kan alles uitleggen. Of nee, eigenlijk niet. Er was niets consequents aan onze keuze voor Thomas – behalve dat ik weinig mensen kende die zich zo goed laten redigeren, en die in zo korte tijd zo weinig redactie nog nodig hadden. Wie zo’n vakman is in het ontvangen van kritiek, kan het ook goed uitdelen.
De daarop volgende zinnen, en de verslagen van redactievergaderingen op de uitgeverij, vervullen me met gêne en trots: ik was een ongemakkelijke figurant in dit verhaal, maar wát een verhaal. Het slot is prachtig:
‘Plots bleken dingen mogelijk die hiervoor onmogelijk werden geacht, iedereen glimlachte, ik keek om me heen en zag de uitgeverijmedewerkers die er duidelijk zo veel zin in hadden, de drie mederedacteuren die ik al jaren vaker en eigenlijk ook liever sprak dan sommige familieleden, en ik dacht: ja, dit wil ik voorlopig blijven doen.’
Dat kan ik ook wel uitleggen, en misschien is het de laatste keer dat ik deze metafoor mag gebruiken, maar het literaire tijdschrift is een speeltuin, waar je dingen kunt proberen en zacht valt, of je nu in de twintig of in de veertig bent. Een plek ook waar belangrijke onzichtbare dingen, van pijn en verdriet tot begeerte tot absurdisme, zichtbaar worden gemaakt. Het is hier veilig, er kan hier veel. Dat komt ook door deze serieuze mensen met wie het goed lachen was, hun precisie, hun werkdrift, hun enthousiasme, hun humor.
De werkdrift, ik noem nu even in het bijzonder die van Jan van Mersbergen, die in het eerste coronajaar na een decennium vertrokken was, met de stilste trom – niemand was zo consequent en op tijd als Jan geweest, niemand had zo grootscheeps geredigeerd. Van hem had ik geleerd dat de voltooid verleden tijd bijna altijd overbodig was. En dat als jij een ander perspectief gebruikt, je het verhaal een andere kant op kan stuwen. Jij bent de enige schrijver, naast Gustaaf Peek, met wie ik een middag vakantie heb gevierd. Ik ken niemand die zo productief is, en ik twijfel of ik je echt ken – maar je werk brengt me dichterbij je.
Het enthousiasme en de humor, die waren er de afgelopen jaren volop, maar die bewaar ik nog even. Eerst nog over Thomas. Ken ik hém dan wel? Ik weet het niet, maar ernst is de eerste indruk die je krijgt van de persoon van deze oeuvrebouwer (we zijn een essay- en twee verhalenbundels en een roman verder, en natuurlijk Verdwenen boeken, de opvolger van Onzichtbare boeken). Bekijk zijn auteursportretten maar. Onverstoorbaar, ietwat nors. Maar bekijk ook die redactiefoto uit 2017, van Merlijn Doomernik: daar zie je de lol ondanks al het gedoe. Ik ken en koester vooral die gulle lach, zijn grote inzet, zijn precisie. Thomas Heerma van Voss is een vriend in literaire zaken, een allround redacteur. Iemand op wie je kunt bouwen, die je kunt vertrouwen, die betrokken is.

Nieuw leven
Iemand die ik ga missen.
Het is moeilijk te vertrekken, maar het helpt al dat ik niet alleen vertrek, maar met hem. Het is twaalfeneenhalf jaar later. Toen was mijn vriendin er al – een essentiële pagina, ze komt voor in alle favoriete bezigheden en grootste dromen –, maar inmiddels hebben we kinderen, ze zwemmen af, oefenen voor fietsexamens en hebben vanavond koorrepetitie, ik werk nog steeds bij Athenaeum, parttime zoals ik alles half doe (of eenvijfde: ik hoef geen hele jackpot. En wil je nog een titel? Ik verzin de helft), maar er ligt al jaren een plan voor een boek.
En we hebben veel bereikt. We hebben bijna 33 nummers en ontzettend veel van onze lievelingsauteurs kunnen publiceren, zelfs Manon Uphoff gaat nog net lukken, over een paar maanden is het Uphoffnummer er, en we brachten vertalingen van een paar van mijn buitenlandse lievelings. Valeria Luiselli, Teju Cole, Sarah Hall. Ze drukken op de begroting – het is traditie dat vertrekkende redacties een tekort nalaten -, maar geven me vlinders in de buik.
We presenteren vandaag sowieso een geweldig nummer, met dus dat lange verhaal van Sarah Hall, vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, over ouderdom, seks, landschap, en poëtisch proza over een sterfgeval van Bibi Dumon Tak, een schrijfster die de interesses van mij en mijn kinderen overbrugt, met een tekening van Annemarie van Haeringen. Werk van vertrouwde namen – Naomi Rebekka Boekwijt, Gilles van der Loo, Martijn Simons, verdomd Basje Boer schreef ook al in 2009 in De Revisor, Maureen Ghazal – en voor het tijdschrift nieuwe namen – Robin Goudsmit, Hannah Chris Lomans en Karoline Brændjord in de vertaling van Liesbeth Huijer. Het omslagbeeld van Alexandra Colmenarios Cossio, Kay koos ditmaal voor een fris blauw als steunkleur.
Dat hebben we bereikt, en dit: we zijn minder wit geworden, minder mannelijk, jonger. Want zeg nu zelf, Tommy en Cees kunnen absoluut mooie zinnen schrijven, maar ze zijn niet de enige.
En we zijn weer thuis bij Singel, we bladeren terug naar de eerste pagina’s van dat roze vriendenboek, dat moment dat Thomas hierboven beschrijft. Josje! Paulien! Vincent! Esther! En in de nieuwe pagina’s Thomas, Thomas, Luuk – en hopelijk nog veel meer mensen.
Want het gaat me in deze laatste alinea niet meer om afscheid en weerzien, maar om nieuw leven. De nieuwste pagina’s zijn voor een bijzonder stel, waar Thomas en ik al van hebben kunnen genieten. Thomas heeft geen taken meer, maar hij hangt nog steeds stilletjes rond in de redactie-whatsappgroep, en ik begrijp dat wel, daar wordt een speels en geestig gesprek over literatuur gevoerd dat een Privé-domeindeel waard is, of in ieder geval archivering bij de Koninklijke Bibliotheek. Ik heb me veel zorgen gemaakt om De Revisor, maar de laatste tijd lach ik veel hardop.
Nee, de redactie van De Revisor vanaf vandaag bestaat niet meer uit vaders van dochters, zelfs niet uit moeders, ze overtuigen, ze zijn jong en onbesuisd, mensen die geloven in literaire fictie: Lotte Lentes, Stefanie Liebreks en Yentl van Stokkum. Ze krijgen per september versterking van nóg twee geweldige schrijver, dus ook dit is een begin, en al valt het zelden eenduidig te achterhalen, we zijn erbij, en we gaan ervan genieten.
Feuilleton! Esha Guy Hadjadjs online verhaal speelt in een gepolariseerd Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Hoe vervreemden je principes je van je geliefden, en wat moet je dan doen? Lees deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8, deel 9, en deel 10, het slot, waarin Dorine eindelijk aan de grote protestactie binnen de Manif meedoet. Wat wint? De angst, de boosheid, de verliefdheid?
*
Als kuikens achter de moederkloek lopen de Mariannes achter Céleste aan. Het geschreeuw en gelach van de menigte zwelt aan. Dorine kijkt strak naar de grond terwijl ze haar adem voelt stokken. Asma daarentegen wijst de ene na de andere demonstrant aan:
– Moet je kijken Marie, wat een varkensstal! Al die op elkaar gedrukte rode lichamen en die walm van zweet en lauw bier. Ze zitten gezellig met elkaar te knorren hé?
Ze kan nog zo vaak aan Dorines arm trekken of een arm om haar heen slaan, voor geen goud riskeert Dorine het om op te kijken en recht in het gezicht van haar broers of middelbare schoolgenoten te kijken.
Pas als ze een hand op de zijkant van de bus legt voelt Dorine dat de prop in haar keel verdwijnt. Céleste bedankt haar voor haar inzet en wenst de groep veel plezier, dan stappen de Mariannes een voor een de bus in. Ze kleden zich om in stilte, vanwege de zenuwen, opperste concentratie, of de angst dat de chauffeur achter hun bedoelingen komt en er voortijdig een stokje voor steekt. Hij heeft het gaspedaal al ingedrukt; de stoet verwelkomt het ronken van de motor met gejuich.
Dorine voelt het asfalt onder zich wegglijden. Ze probeert zo min mogelijk aan haar ouders te denken, aan haar broers, aan Céleste, Vincent, zelfs Asma. Het is alsof ze in een vliegtuig zit, binnenkort honderden kilometers verwijderd van de plek waar ze opgroeide. Zodra het opstijgen begint heeft het geen zin meer om naar buiten te kijken, naar wat je achterlaat. De toekomst is nog lang niet in zicht. Alleen het heden is klein genoeg om te begrijpen, en zelfs dat heden moet daarvoor tot de meest overzichtelijke handelingen krimpen: ademhalen, het koord om haar gele jurk strak trekken, de kaboutermuts op haar hoofd zetten, de ladder opklimmen naar de bovenkant van de bus.
Djuna staat er al. Zelfs in dit belachelijke kostuum straalt ze gezag uit. Ze schreeuwt korte berichten in een walkie talkie. Dorine kan er weinig van verstaan door de ononderbroken stroom carnavalsmuziek die de bus door een set speakers op de menigte afvuurt.
Tegen de tijd dat ze de eerste bocht inslaan staan alle Mariannes op het dak. Dorine verstopt zich achter een rij die naar de demonstranten zwaait. Tussen twee hoofden door leest ze het spandoek van de voorste rij van de Manif.
ÉÉN MOEDER! ÉÉN VADER! VOER ONZE KINDEREN GEEN LEUGENS!
– Het grappige is dat ze nooit bedenken dat hun kinderen ook queer kunnen zijn.
Asma.
– Hilarisch.
– Maar wij zullen als laatste lachen, niet?
– Waarom doe je zo? Is het allemaal maar een grap voor je?
– Als ik er niet om kan lachen is het geen revolutie.
De menigte is al een tijdje op de been en de carnavalsklanken zijn weggeijld. De stoten van de drums en bass geven de ruimte aan een golfslagbad aan zangkoren. Af en toe schreeuwt iemand iets onverstaanbaars door een megafoon. De leuzen zijn niet allemaal even duidelijk te horen, maar voor Dorine hoeft dat niet: ze kent ze al.
WE WILLEN SEKSE GEEN GENDER
Plotseling overstemt een luid geloei de zangkoren. Een groepje demonstranten wijkt af van de menigte en rent op een façade af, waarop slordig geplakte koeienletters een schuine glimlach toveren.
TEGEN ABORTUS? NEEM EEN VASECTOMIE!
De lijm is nauwelijks droog. Onder luid gejuich trekken de rood aangelopen demonstranten gemakkelijk de letters van de muur. Ze vegen hun handen af aan hun broek en steken triomfantelijk de armen in de lucht. Dus dat is met wie Djuna de hele tijd praat over de walkietalkie: ze geeft de route door aan de colleuses. Aan de andere kant van de boulevard trekt de volgende leuze langs. De Mariannes beginnen te juichen.
BESCHERM QUEER TIENERS
Aan beide kanten trekken de demonstranten de boodschappen van de colleuses van de muur. De leuzen komen vaak niet verder dan enkele tientallen meters. Als antwoord op de zijdelingse aanklachten begint de menigte uit volle borst hun opvattingen over draagmoederschap te schreeuwen.
ONZE BUIKEN ZIJN GEEN KRUIKEN
Asma kan haar lach niet inhouden bij het zien van de volwassenen die zo strijdlustig de letters van de muren halen. Alsof ze de fucking Bastille aan het bestormen zijn.
VERHEF JE STEM VOOR IVF
Dorine voelt een klein maar loodzwaar gewicht op haar borstbeen drukken. Is dit nu de Asma waar ze de hele zomer over heeft nagedacht? Ze kon soms wel een uur op de bank of in bed liggen en dagdromen over hoe het zou verlopen: de eerste toenadering, het aandoenlijke ongemak, de eerste zoen, seks – Asma zou haar de parels van Parijs laten ontdekken, haar voorstellen aan haar vrienden. Maar Dorines droombeeld staat Asma even slecht als een lange gele zomerjurk.
– Asma, kan je even normaal doen?! Dit zijn de mensen door wie ik ben grootgebracht. Het is geen grap!
– Dezelfde mensen die jij hebt beschermt door die ledenlijst te verdrinken! Jij bent degene die hen heeft beschermd toen puntje bij paaltje kwam, Dorine. Jij koos hun kant. Dus met alle respect, maar jij bent niet degene die mij nu hier de les moet lezen.
– Natuurlijk deed ik dat. Ik kan toch niet toekijken hoe jij mijn ouders aan de schandpaal nagelt, hun adres op internet publiceert? Ze zouden er meteen achterkomen dat ik er iets mee te maken had!
– Niet jouw ouders maar het droesem van rechts-conservatief Frankrijk. Stel inderdaad dat we wel die lijst hadden gepubliceerd. Jij zou meteen verdacht zijn, maar je zou de mogelijkheid hebben gehad om mij te beschermen zoals je je ouders nu hebt beschermd. Je had mijn naam kunnen wissen uit je geheugen, de volledige verantwoordelijkheid als een kruis kunnen dragen, met jouw witte gezicht de klap opvangen en vervolgens de andere wang toekeren. Allemaal zodat de Manif en de media het niet konden framen als de daad van een ‘agressieve moslima’, die voor de zoveelste keer bevestigde dat ‘ze’ niet willen integreren hier en blablabla. Zou je dat hebben gedaan? Zou je mijn naam onder het blusschuim hebben gegooid?
Dorine en Asma verliezen even hun evenwicht door de bus die een bocht maakt. Ze zijn nog lang niet aan het einde van de straat, merkt Dorine op. Ze ziet Djuna de rooktoortsen uitdelen terwijl de Mariannes ze aansteken. Het is tijd.
– Nou Dorine?
– Ik weet het niet! Jij zou me erin gesleept hebben zonder dat ik het er mee eens was. Dan is het toch niet eerlijk dat ik ervoor opdraai? Wat hebben die mensen jou überhaupt aangedaan. Je kent ze niet eens.
– Denk je nou echt dat die kruisdragers alleen maar jou het leven zuur maakten?
– Niet jou in ieder geval. Jij bent niet in hun midden opgevoed maar veilig in de hoofdstad. Anders had je er niet zo onverschillig bijgestaan.
– En jij kan ze vergeten als je wilt, voor de rest van je leven in Parijs of ergens anders wonen en niet meer terugdenken aan die reactionaire jeugd van je. Want ga er maar van op aan dat het de Franse politiek geen moer kan schelen van wat jij uitvoert daar op die zolderkamer van je. Of het nou Le Pen of Macron is, zelfs die fils de flic van een Mélenchon, ik moet dealen met de racistische ruggengraat die Frankrijk staande houdt, lang nadat twee vrouwen kinderen mogen adopteren en je je geslacht niet meer hoeft te vermelden op je paspoort.
De bus staat dwars over de boulevard en komt tot stilstand. De Mariannes geven de rookbommen door en draaien zich naar de menigte. Asma schreeuwt naar de menigte terwijl de rode rook uit haar opgestoken rechterhand opstijgt, de kaboutermuts schuin op haar hoofd. Met haar linkerhand knijpt ze in die van Dorine. De eerste rijen kijken verward naar de vertoning, wanneer ze een luide knal horen. Op dat moment draaien de maatjes naar elkaar toe. Asma’s mond vormt een glimlach, maar haar ogen lijken Dorine te doorboren. Dan voelt Dorine Asma’s zachte lippen op haar mond. Het geloei van de menigte stijgt op. Dorine knijpt haar ogen dicht. Vanaf nu heeft ze niets meer in de hand.
Beeld: ‘Marianne’, CC BY 2.0 Tobias von der Haar, ontkleurd en gekanteld
Deze week wordt De Revisor #32, een themaloos nummer, gepresenteerd op de Grote Revisor Schrijverszomerborrel (sorry niet-schrijvende lezers), met nieuwe literatuur van Basje Boer, Gilles van der Loo, Robin Goudsmit, Sarah Hall (vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer), Karoline Brændjord (vertaling Liesbeth Huijer), Hannah Chris Lomans, Maureen Ghazal, Bibi Dumon Tak, Mariëtte Baarda, Martijn Simons en Naomi Rebekka Boekwijt. Abonnees ontvangen het nummer als eerste (hup, doe nu maar!). Voor de volger van De Revisor zullen veel van deze namen bekend voorkomen. Een lijstje, én uit het archief van het tijdschrift (dank DBNL!) Basje Boers korte, sterke verhaal ‘Bus 71’, uit 2009.
- Lees Gilles van der Loo’s verhaal ‘De oversteek’ (2014), dat ook in 2015 in druk verscheen, en geïnspireerd was door Gustaaf Peeks verhaal ‘Cocon’ (2007).
- Van der Loo droeg ook bij aan ‘Meer lucht’, het dubbeldikke coronanummer (2020).
- Lees de leesimpressies van de redactie bij Van der Loo’s boeken Het jasje van Luis Martín en Dorp. En zie hem als figurant opduiken in Jan van Mersbergens ‘Vast en tijd’ (2022).
- Lees de leesimpressies van de redactie bij Sarah Halls De prachtige onverschilligheid, Madame Zero, ‘Mrs Fox’, Sudden Traveller (en nog een keertje, bij een prijswinnend verhaal daaruit), en Burntcoat.
- Lees Maureen Ghazals gedicht ‘Fobie’.
- Ghazal droeg ook bij aan ‘Huid’, De Revisor #24.
- Lees de leesimpressie van de redactie bij Simon Caspers’ Destiny (pseudoniem van Martijn Simons & Casper Vandeputte).
- Lees Naomi Rebekka Boekwijts verhaal ‘Psychiatrische dagen’ (2018).
*
Het laatste wat niet van Evelien werd gezien, was dat ze de tuin in wandelde. Ik heb Evelien de tuin niet in zien wandelen. De buurman van boven ook niet. Of de buurvrouw van linksonder. Of meneer Geertsen die bij de overbuurvrouw op visite was en toevallig net het raam op een kier zette omdat het zo benauwd was binnen.
Meneer Geertsen was astmatisch en de zestienjarige dochter van de overbuurvrouw rookte Marlboro Lights.
Het laatste wat ik van Evelien zag, was haar lange rode sjaal die om de hoek van de straat wapperde. Eigenlijk was het geen sjaal maar een stuk gordijn dat Evelien om zich heen drapeerde omdat het koud was. En omdat ze romantisch was. Eigenlijk was het gordijn niet rood maar eerder vaalrood. Er stonden kleine witte bloemetjes op gedrukt.
Evelien had een lok haar uit mijn gezicht geveegd en ze kuste het stukje voorhoofd dat vrijkwam. ‘Dag Jakob,’ had ze gezegd. En omdat ze romantisch was, had ze geglimlacht en haar ogen neergeslagen.
Toen was ze om de hoek verdwenen en ik zei: ‘Dag Evelien’, maar dan tegen haar gordijn.
Drie dagen later was Evelien in haar tuin verdwenen. Of misschien was het diezelfde dag geweest. Of niet in haar tuin maar verderop in de straat. Of in een andere stad.
Ze deed niet open dus ik gebruikte de sleutel die ze me had gegeven voor als ik de planten water gaf. Het rook muf in het huis van Evelien. Droge was hing over de deurpost. De gaskachel stond op stand vier. Een kop koude thee stond in de badkamer, op de wasbak naast de tampons.
Ik deed een voor een de lichten aan. Sommige peertjes deden het niet meer. Evelien had erg veel lampen. En ook een stuk of vijf wekkers.
Haar jas hing over de bank. Ik voelde in de zakken. Portemonnee. Sleutels. Zonnebril. Op de jas lag haar muts maar nergens zag ik haar gordijn. Behalve voor de ramen natuurlijk. Vaalrood met witte bloemetjes. Ik streek er met mijn vingers langs. Ook het gordijn rook muf.
Ik wist dat Evelien niet zou bellen. Maar voor de zekerheid bleef ik thuis. De telefoon rinkelde één, hooguit twee keer per dag. Maar Evelien belde niet.
Soms ging ik naar het huis toe. Dan zette ik alle lampen aan. Maar ik veranderde niets. Ik draaide geen nieuwe peertjes in. En de gaskachel bleef op vier.
Ik dacht na over de dag dat Evelien verdwenen was. Het was een aangename herfstdag geweest met dan weer zon en dan weer regen.
Ik had niet gezien hoe Evelien haar blonde haren had geborsteld voor de spiegel. Ze bekeek haar gezicht van de zijkant, omdat ze wilde weten hoe andere mensen haar zouden zien.
Ik had niet gezien hoe ze bruine suiker had gegeten door een natte vinger in de pot te steken. Ze liet de korrels tussen haar tanden knarsen en keek door het raam naar buiten. De overbuurvrouw had bezoek.
Ik had niet gezien hoe ze de dorre blaadjes van een plant had geplukt. Of hoe ze een tosti had gebakken in de grillpan. Of hoe ze een nat spoor van de douche naar de slaapkamer had achtergelaten toen ze een nieuw scheermesje was gaan zoeken.
De laatste keer dat ik Evelien zag, had ze haar oksels nog niet geschoren. Ze was kleine donkere haartjes met een glimlach erboven. Daar was ik dan weer romantisch van geworden.
Drie maanden na de dag dat Evelien was verdwenen, zag ik haar. Vaalrood gordijn met blond haar erboven.
Ik stond twee meter achter het bushokje waar Evelien zat. Het enige wat ik wilde weten, was welke bus ze wilde nemen.
Bus 71. Ik stapte in. Op de allerlaatste bank zat Evelien. Ze keek naar buiten en tuitte haar lippen. ‘Evelien,’ zei ik maar ze keek niet op. Er waren geen witte bloemen op haar gordijn gedrukt. En bij nader inzien was het geen gordijn en zelfs geen sjaal. Het was een lange jas. Niet vaalrood maar roze. Alleen haar haar was net zo blond als dat van Evelien.
Ze keek op en lachte. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik en ik hijgde een beetje. ‘Monnickendam,’ zei Evelien niet. ‘Ik ga theedrinken in Monnickendam. En jij?’
We dronken jasmijnthee. Roze Jas heette Esther. Ik pakte haar hand toen we afscheid namen. Even maar. Ik speelde met haar vingers.
‘Kom je een keer bij me eten?’ vroeg Esther. Ze veegde een pluk haar uit mijn gezicht. Ik dacht niet aan de laatste keer dat ik Evelien had gezien. Esther glimlachte en ze drukte een kus op mijn hoofd. Ik dacht niet aan het vaalrode gordijn.
Esther kookte spaghetti. Ze praatte niet veel. Ik ook niet.
Esther had geen planten. Esther had geen tuin. Esther had een kat en een balkon. Esther had centrale verwarming. Haar gordijnen waren groen.
Ik ben nog een keer in het huis van Evelien gaan kijken. Ik gaf de planten water. Ik draaide drie nieuwe peertjes in. Ik vouwde de was op en ik legde de theekop in de gootsteen.
Ik zette de kachel uit. Ik zette de ramen open. Nu rook het niet meer muf. Nu rook het naar tuin.
Esther schoor haar oksels elke dag maar dat vond ik niet erg. Ik liet een vinger over haar huid glijden, van haar zij tot aan haar vingers, en dan weer terug. Esther kon heel goed tegen kietelen. Ik roemde haar omdat ze zo goed tegen kietelen kon. Ze roemde mij omdat ik niet tegen kietelen kon.
‘s Nachts rolde de kat zich onder de dekens op, tussen ons in. Ik voelde hem spinnen tegen mijn been.
Esther kocht nieuwe kleren. Ik had de jas niet willen kiezen maar ik deed het toch. ‘Deze?’ Ze hield een grijze omhoog. ‘Deze?’ Een zwarte met capuchon. Ik schudde mijn hoofd. ‘Deze,’ zei ik en ik hielp haar in een vaalrood exemplaar met witte stiksels. ‘Die kleurt het best bij je haar.’
Een week later kocht ik een cadeautje voor haar. ‘Een varen?’ vroeg ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Ik geef hem wel water,’ voegde ik er snel aan toe.
De week daarna kocht ik een lamp. Een kleine witte voor naast het bed. ‘Ik heb al een bedlampje,’ zei Esther nog. ‘Maar ik niet,’ zei ik, en ik wees op mijn kant van het bed.
De week erop kocht ik nog een plant, een kleintje. Ik verstopte hem achter het gordijn. Esther zei er niets van.
De week daarop noemde ik haar naam niet meer. In plaats daarvan zei ik ‘hé’. Of ik legde mijn hand in haar hals.
Ik gooide haar scheermesjes weg. Ik kocht twee wekkers. Ik deed de was en ik hing een laken over de deurpost.
Esther zei er niets van. Esther zei sowieso niet zoveel meer. Dat vond ik niet erg.
Het laatste wat niet van Esther werd gezien, was dat ze de deur achter zich dichttrok. Ik zag het niet en ik hoorde het niet.
Het laatste wat ik van haar zag, was een blote enkel op de trap van een café. Ik zat aan de bar beneden en keek hoe haar zwarte hakjes tree voor tree uit mijn zicht verdwenen.
‘Dag Jakob,’ had ze gezegd, en ze had erbij geglimlacht. Ik weet zeker dat ze glimlachte.
Drie dagen later opende ik de deur waardoor ze was verdwenen. Ik nam de kat mee en ook wat foto’s. De planten liet ik staan. Ook mijn sleutels liet ik liggen.
Nu kruipt de kat ‘s nachts bij mij onder de dekens.
Hij rolt zich op tegen mijn been en ik voel hem zachtjes spinnen.
De kat heeft nooit een naam gehad. Dat vind ik niet erg.
Thomas Heerma van Voss: de redacteur las zes verhalen van zijn collega, sterke portretten vol verlies en verlangen, barstend van vakmanschap, subtiel en groots.
*
Wat verbindt de zes verhalen in Passagier/achterblijver? De hoofdpersonen, die voor hun gevoel op achterstand staan? (Niet allemaal, niet allemaal bij nader inzien.) Die ongewenst single zijn, bedrogen zelfs? (Niet allemaal.) Die onderweg zijn? (Niet allemaal, de hele tijd, maar wel laten ze zich vervoeren, door ergernis, fascinatie, angst, woede. Verdomd ja, die woede. Het heeft iets passiefs, terwijl dat etymologisch niet per se klopt met ‘passagier’.) De hoopgevende titels? ‘Het begin’. ‘De belofte’. ‘Verwachtingen’. ‘Nieuw leven’. (Maar: ‘Bowlen in Philadelphia’? ‘Ik kan alles uitleggen’?) Het vakmanschap.
Thomas Heerma van Voss, sinds eind 2015 en tot ongeveer dit moment mijn collega bij De Revisor, en nee, ik was niet onbevooroordeeld en heb zelfs al verhalen eerder gelezen, maar toch durf ik te denken dat dit klopt: Thomas heeft een sterke bundel geschreven, psychologisch sterk, met uitsnedes van levens. ‘Je zou kunnen zeggen dat een verhaal, nee, dit verhaal
zo begint: een meisje gaat met haar moeder terug naar haar geboorteland en vergeet haar vriendenboek,’ zegt de verteller van het openingsverhaal, en eigenlijk beginnen al die verhalen zo, heel bewust in het midden, en vóór dat het verder gaat, en ze roepen vragen op.
Wat moet die jongen met dat roze vriendenboek? Wat drijft die regisseuse? Wat moeten die broers samen? Wat moet die man in Philadelphia met die studievriend maar belangrijker nog wat moet hij met dat meisje? Net als in zijn verhaal ‘Het kerstdiner’, dat we in 2018 in De Revisor publiceerden, worden personages getergd door mooie, levendige, overspelige vriendinnetjes. Ze zien dat ze verliezen, of verloren hebben — ja dat is misschien de grote gemene deler, ze proberen weg te komen van het net-niet, het onvolkomene in hun leven, maar het lukt niet. Passagier/achterblijver.
Vakmanschap, schreef ik, en dat zit in kleine dingen. Zoals Heerma van Voss cruciale details weglaat in ‘De belofte’ bijvoorbeeld, een inzicht dat ik voor nieuwe lezers niet wil verpesten, maar dat ik ook in dit mooie citaat kan aanwijzen.
‘Ze neemt de route langs de bossen, langs de villa’s en langs de zee. De lucht is bijna doorschijnend helder; het wit van de wolken weerkaatst in het water, dat zich onbegrensd ver lijkt uit te strekken. Wachtend voor een stoplicht neemt ze het schouwspel in zich op, en tot haar verbazing merkt ze hoezeer het haar ontroert. Gewoon, dit uitzicht, het licht, de golven, verder niks. Geen script, geen doek, geen mensen. Als het kon zou ze direct gaan zwemmen. Ze probeert niet te huilen terwijl ze zich richt op een horizontaal streepje in de verte, omgeven door egaal blauw. Het moet een vrachtschip zijn, al lijkt het streepje vanaf deze afstand niet te bewegen.’
Ze reist terug naar huis na de eerste persvertoning van haar filmdebuut, en ze is moe, voldaan, staat open voor emoties. Ze ziet hoe mooi, en stelt vast: het hoeft geen film te zijn om zo allemachtig ontroerend te zijn. Maar waarom huilt ze? Het vakmanschap zit in het uitstel van die antwoorden, de onvolledigheid ervan.
En in het bijna metaliterair zelfbewustzijn van de personages. Dit is een getuigenis, voor de politie, en even lijkt Heerma van Voss een schrijfdocent, een redacteur, een criticus aan te spreken, en tegelijk klopt het bij deze misfit die op de verkeerde plek was op het verkeerde moment (althans, dat wil hij ons laten geloven).
‘Er was al genoeg subtiliteit in de wereld. Dat is nog steeds zo trouwens, maar omdat dit verhaal zich in het verleden afspeelt, noteer ik het ook in die tijd. Of hebt u liever dat ik alles in het heden omschrijf om zo dicht mogelijk bij mijn ervaringen van die dag te komen? Hoe het ook zij, ik haatte die subtiliteit, en aan die haat is evenmin iets veranderd.’
Later: ‘Ik houd van dat woord, “evenmin” – dit terzijde.’ Bovenstaand verteltechnisch terzijde is prachtig ingebed in variaties op die gehate subtiliteit, een herhaling die hamert, juist door lichte verschuivingen, versterkingen. Terwijl Heerma van Voss uiterst subtiel je dichterbij zijn personage krijgt, wordt die haat, die woede besmettelijk, tot je zelf de bijl gaat zoeken waarmee je je geslaagde broer kunt laten verdwijnen.
Maar voordat je denkt: wat een duister boek — er zit triestheid in maar ook tederheid en liefde, voor een moeder bijvoorbeeld (je kunt je Heerma van Voss’ eigen moeder erbij voorstellen, en behalve dat biografisch lezen literatuur niet per definitie beter of beter te begrijpen maakt, gun je elke moeder zo’n verhaal). En ergens denk je: het is een dun vriendenboek, en niet roze, maar je gelooft dat deze mensen echt bestaan, rondlopen, je wilt ze vasthouden en troosten, je kunt ze volgen tot hun voordeur, en wat je dan moet doen dat weet je niet, maar ze zijn echt. En dat is bedoeld als compliment.
Passagiers/achterblijvers verscheen bij Das Mag. Op Athenaeum.nl lees je een fragment.
Feuilleton! Esha Guy Hadjadjs online verhaal speelt in een gepolariseerd Frankrijk, waar een studente zich tussen de conservatieve betogers van de Manif pour tous en de feministische colleuses beweegt. Wat saboteert ze, tegen wie spant ze samen? Lees deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8, en deel 9, waarin Dorine, Asma en Vincent inbreken bij de Manif.
*
Dorine trekt haar capuchon zowat over haar ogen en begraaft haar handen in haar jaszak. Ook al is het al na middernacht en lopen ze door een heel ander deel van de stad, ook al bedekken hun mondmaskers en zwarte kleren hun hele lichaam, ze verwacht toch dat haar ouders, een buur of kennis door dezelfde straat loopt en naar haar zal zwaaien.
Het heeft eigenlijk iets komisch: ze is als de dood om iemand tegen te komen, terwijl de twee mensen die ze het liefst uit elkaar wil houden vlak voor haar aan het praten zijn. Ja, hij heeft het postuur van een bouwvakker, maar voor de rest is Vincent niet gebouwd voor inbraken. Eén keer heeft hij een nacht in de cel doorgebracht, omdat hij stoer deed met een neppistool zonder dat iedereen de grap doorhad. Maar ze moest zo nodig indruk maken op Asma, haar mond voorbij praten en Vincent meesleuren in deze absurde versierpoging. Vroeg of laat komen haar ouders wel achter de daders.
Het is alsof ze zojuist met de auto in een meer is gereden. De tijd vertraagt, haar gedachten cirkelen om die ene vraag heen die altijd te laat gesteld wordt: hoe ben ik hier terecht gekomen? Vincent had gelijk, ze heeft helemaal niks te bewijzen. Zelfs tegenover Asma niet. Ze moest gewoon naar buiten. Een jaar lang in een van de grootste steden op aarde wonen en alsnog nooit die luciferdoos van een zolderkamer uitkomen. Ze heeft geen enkele student ontmoet, van de meesten stond niet eens hun camera aan tijdens de zoomcolleges. In haar eigen straat kijkt niemand haar aan, zelfs kassamedewerkers niet. Als ze het virus zou krijgen zou niemand boodschappen brengen. Ze had al stapels ingeblikte soep en instantnoedels ingeslagen voor het geval dat, verstopt onder haar bed zodat ze niet dagelijks oog in oog stond met haar eenzaamheid. En toen doken al die leuzen op. Zoveel en zo snel, dat moest wel door een groep gedaan worden. Ze hadden schijt aan de regels, aan de verplichte afstand en het verbod op samenscholing. Ze moest weten wie erachter zaten.
– Toe maar chauffeur, laat maar zien wat je kan, zegt Asma.
Ze staan voor de deur van het kantoor. Vincent kijkt eerst om zich heen en haalt vervolgens de magneet uit zijn jaszak. Dan beukt hij tegen de deur aan, die openvliegt met een zwaai die hem even zijn evenwicht doet verliezen. Asma trekt Vincent terug naar achteren en Vincent legt de magneet op het zwarte vlak bovenaan de poort. Wanneer ze allemaal binnen zijn haalt Vincent de magneet van het vlak en klapt de deur dicht. Asma schittert. Dorine kan niet van Asma wegkijken wanneer ze zo straalt.
– Putain! Zag je dat Marie? Dat zag er zo makkelijk uit! Hier geef mij die magneet, ik wil de volgende proberen. Of wil jij het doen? Sinds we onderweg zijn lijk je zo slapjes.
– Nee, doe jij maar Pierre.
– Oké, zegt Vincent en geeft haar de magneet. Wees voorzichtig, ze mogen niet weten dat we hier geweest zijn.
Terwijl Asma haar lichaam herhaaldelijk tegen de tussendeur gooit, laat Dorine haar ogen gaan over de namen op de brievenbussen in de overbelichte ruimte. Die schuilnamen vindt ze maar vermoeiend, en ze wordt er nodeloos paranoïde van. Bewakingscamera’s kunnen heus geen geluidsopnames maken. Haar blik blijft haken bij brievenbus 304. ‘MPT’, dat zal hem zijn.
De deur knalt open. Asma legt triomfantelijk de magneet op de strip en gebaart Dorine en Vincent om te komen. Vincent gaat als eerste en drukt op het liftknopje aan de overkant van de deur. Daarna volgt Dorine, weifelend. Ze voelt Asma’s hand op haar schouder.
– Gaat-ie wel?
– Ja ja, ’t is niks.
– Weet je op welke verdieping we moeten zijn?
– Ik denk de derde.
De liftdeuren schuiven open. Asma drukt op de drie. Het is doodstil. Kon ze maar tot zonsopgang hier blijven staan. Vincent en Asma kunnen het prima zonder haar.
Zodra de liftdeuren opengaan schiet Asma de gang in.
– Hier is het, les copains! Heb je nog een truc voor ons, chauffeur?
Vincent bekijkt het slot van dichtbij. De ramen naast de deur laten het kantoor zien: enkele opgerolde banners, posters van voorgaande jaren, een enorme zak met wat misschien wel de Mariannekostuums kunnen zijn – en papier, heel veel papier. Vincent staat weer rechtop.
– Ik… weet het niet. Hier kan ik niks mee.
– Hoe kan dat nou weer? Dit is toch geen kluis met driedubbele cijfersloten? We hebben het hier over een doodnormaal deurslot. De eerste les in sloten kraken!
– Doe jij het dan als het zo makkelijk is, bijt Vincent Asma toe.
– Ugh, prima. Marie, geef jij eens een haarspeld.
– Heb ik niet, sorry.
– Kom op mensen, denk even mee. Dat kantoor is letterlijk een meter van ons vandaan. En dan gaan jullie nu als twee aardappelzakken een beetje op de gang zitten sikkeneuren? Hiervoor zijn we toch niet gekomen!
Asma duikt de donkerte van de lange gang in. Nu kan Dorine tenminste snel de speld uit haar haar halen en verstoppen in haar broekzak. Misschien dat het toch allemaal goedkomt. Ze zou geen mooiere uitkomst kunnen bedenken. Honderd kilometer in de auto om voor een dichte deur te eindigen. Ze tikt Vincent aan.
– Ik weet het niet, chauffeur, misschien moeten we maar naar huis gaan. Dat slot gaan we niet open krijgen en er zijn al genoeg camera’s die ons hebben gezien. Sorry dat je ons voor niets heen en weer moest rijden.
– Tja, dan was het maar een romantisch uitstapje voor jou en die vriendin van je.
– Denk je dat je grappig bent?
– Ik denk dat jij jezelf niet bent, ‘Marie’. Je laat je meevoeren door die Asma. Kijk nou toch. Midden in de nacht een inbraak plegen? Dit ben jij niet.
– Jezus Vincent, kun je ook eens een ander nummer opzetten? Het was mijn idee om dit plan uit te voeren, niet Asma’s. Ze is leuker dan je denkt.
–Umm, Do…
Dorine draait zich om en ziet de Asma’s schaduw vanuit de diepte van de hal naar boven drijven. Pas wanneer Asma recht voor ze staat en haar handen boven haar hoofd tilt, ziet Dorine de brandblusser die Asma op volle kracht tegen het raam aan knalt. De scherven rinkelen op het bureau aan de andere kant. Ze tikt de brandblusser nog een paar keer tegen het overgebleven glas, schraapt ermee langs de onderkant van het kozijn en gooit het ding door het gat.
– Ja fakking leuk, sist Vincent. Die heeft een steekje los zitten Do.
Asma kruipt door het raam en laat zich over het bureau op de grond rollen.
– Voilà, roept ze van binnen. En dan nu op zoek naar de schatkist.
– Laten we inderdaad maar gaan, zegt Vincent. Met zo’n ongeleid projectiel komen we geheid in de problemen. Zij vindt haar eigen weg naar huis wel. Of niet – niet ons probleem.
Vincent trekt Dorine mee maar ze weigert mee te lopen. Als Asma die lijst vindt kan Dorine het wel vergeten.
– Wat, nu wil je blijven? Kijk dan naar die vriendin van je, ze wroet in al die papieren als een kind in een stapel herfstbladeren. Wat de fak is er gebeurd met geen sporen achterlaten? We moeten weg. Nu.
– Rustig, de politie gaat heus niet over vijf minuten voor de deur staan.
– Luister Do, ik ga. Ik wil dat je meekomt, maar ik ga niet op je wachten. Je moet nu beslissen.
Asma slaakt een kreet van blijdschap.
– Les gars, kijk wat ik heb gevonden!
Dorine trekt haar arm los van Vincent en haast zich naar het raam. Asma duwt haar een vel papier in het gezicht.
– Het is de namenlijst! Fucking jackpot. Bewaar hem, wil je?
Asma trekt alle lades uit de kasten en gooit de papieren op één hoop. Dorine verfrommelt de namenlijst in haar zak. Kut. Al haar spieren zijn gespannen. Ze ziet Asma iets uit haar broekzak halen en er een laatste vel mee aansteken, alvorens het op de stapel te gooien.
– Pierre wat doe je!? Straks gaat het brandalarm af!
– Kijk, eindelijk ben je wakker! Geen zorgen, het was maar een grapje.
Asma pakt de brandblusser en bedekt al schreeuwend de stapel papieren onder een dikke laag schuimwater. De witte rook vult het hele kantoor. Dorine staat daar maar, aan de grond genageld. Haar lichaam lijkt amper van haar te zijn, eerder bestuurd door iemand op afstand. Ze voelt hoe de namenlijst buigt onder de spanning van haar vingers. Haar arm lijkt als vanzelf te bewegen, de prop uit haar zak te halen en in één ondoordachte beweging recht op de berg papier te gooien. Zodra de witte rook vervliegt valt er geen enkel vel papier meer te onderscheiden in de zompige stapel.
CC BY 2.0 Christian Schnettelker


