Marcel van Ool: de redacteur las bij ons landschapsnummer een essay-cultuurgeschiedenis-pamflet over het landschap en de natuur, en leerde veel en engageerde zich.

*

Daan Stoffelsen: Marcel van Ool, Het innige landschap. Een kleine geschiedenis van de Plek

Het rommelt al een tijdje in mijn hoofd, ik merk ministaatjes op in de krant, en denk na over autonomie en thuisgevoel. En realiseer me dat ik nog nooit een roman over micronaties gelezen heb. Of heb ik iets gemist? Themanummers, zoals in dit geval het eerste van 2022, brengen het denken op gang. Maar ook lang na het verschijnen van zo’n nummer komen onderwerpen terug. Ik scheer me nog steeds met mijn essay van destijds, mijn interesse voor literaire bevallingen is niet afgezwakt, en het landschap, tja, daar ontsnap je niet aan.

We zouden dat nummer, het derde van 2021, vieren met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en Staatsbosbeheer in hun kantoor in Amersfoort. Dat was een paar persconferenties geleden. Een van de beoogde sprekers was Marcel van Ool, die ook de geschiedenis van het 120-jarige Staatsbosbeheer schreef. Hij stuurde me zijn essay Het innige landschap. Een kleine geschiedenis van de Plek op als troost. Tenminste, zo las ik het.

Het innige landschap begint persoonlijk, maar is vooral een betoog voor een beter contact met onze natuurlijke omgeving en een cultuurgeschiedenis van hoe we door de eeuwen heen natuur, en het landschap, hebben beleefd en gewaardeerd. Dat laatste is een bijna canoniek verhaal, met namen als Rousseau, Goethe, Emerson, Thoreau, Van Eeden, Thijsse, Wolkers, Nescio, maar Van Ool introduceert mij ook in het denken en schrijven van Elisabeth Maria Post, Susan Fenimore Cooper en Margaret Walker. Hij brengt me terug bij Emily Dickinson – wier werk en leven ik amper ken, maar die eerder door Gerbrand Bakkers De omweg tot leven kwam. Hij beschrijft en is kritisch, observeert met smaak en een prettige toon.

Natuurlijk is zijn definitie van ‘de Plek’ wat tentatief: een vanzelfsprekende locatie, buiten, wilder dan de tuin (maar Frances Hodgson Burnetts Geheime tuin zou er wel onder vallen, denk ik), iets wat zich laat ontdekken, bijna alsof je een grote liefde ontmoet. ‘Het gebeurt één, misschien twee keer in een leven dat er sprake is van zo’n topofilie.’ Topofilie, mooi! En: ‘De Plek kan buiten verdwijnen of aangetast worden, maar zit altijd in jou.’

Dat is natuurlijk iets wat Bernke Klein Zandvoort en ikzelf in ons landschapsnummer aanraakten: dat landschap van je jeugd is verdwenen. Of je geliefde landschap, überhaupt, iets wat Marjoleine de Vos mooi laat zien. Al weet ik niet of het tuinderijbedrijf van mijn ouders zo’n Plek was. Misschien de vlier achterop het land, die zo groot was dat mijn kleine ik erin kon klimmen en zitten en weg kon zijn van iedereen. Van Ool merkt ook op, in verband met migratie, dat ‘geboortegrond en Plek niet altijd samenvallen, al is er tussen die twee soms wel een bijzondere verbintenis’. Eerder denk ik dat mijn nieuwe omgeving, hier in ‘s-Hertogenbosch, een trage topofilie op gang heeft gebracht. Dat is iets wat twee kanten opgaat – met instemming citeert Van Ool de woorden van Yosemite-beschermer John Muir: ‘We are in the mountains and they are in us.’

Je omgeving wordt je eigen, wordt je thuis. Bijzonder genoeg noemt Van Ool ook in deze context ‘autonomie’, iets wat Goethe toekende aan zijn geliefde landschap, en zo komen we toch in de buurt van ‘Micronaties’. Maar terwijl ministaatjes afgrenzen en beperken, laat Van Ool zien dat een betrokkenheid bij de natuurlijke omgeving je dichter bij álle natuur, het milieu, het klimaat kan brengen. Hij pleit voor landschapsbiografieën, het vertellen van verhalen over je plekken, fijnmazige overlegstructuren, en kinderen het groen (of het blauw) in brengen om bij hen herinneringen te kweken. Ontroerende anekdotes. Dat kleine eigene kan de hele wereld helpen.

(En voor we nu gaan tegensputteren dat ‘een beter milieu begint bij jezelf’ achterhaald is als de grote vervuilers niets doen: wie gaat bij onze ministersploeg, of in ieder geval het kwartet dat zich met klimaat en natuur bezighoudt, vragen wat hún Plek is? Wie gaat naar de CEO’s van de grote bedrijven? Waar wandelen díé met hun hond? Waar zijn zíj opgegroeid? En wat klimaatverandering, maar ook andere menselijke ingrepen, met dat landschap heeft gedaan of nog gaat doen? Laten we het klein maken, en kijken welke grote stappen er nodig zijn.)

Het innige landschap is uitgegeven door KNNV Uitgeverij.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door Instagram, haar neus, vijf tot dertien geblokkeerde schrijvers, een stomende neukpassage in een stationsrestauratie op Alaska, de lol, de fakkel, het nut, de kunst.

*

Het introtekstje bij deze serie stukjes rept over afleidingen en een roman. Nu is het geval dat, bij mij dan, afgeleid raken onontbeerlijk is voor het schrijven van proza. Dit schrijf ik heel stellig, het is namelijk waar, maar omdat ik zo doordrongen ben van het kapitalisme & de prestatiemaatschappij dat iedere beweging die ik maak onmiddellijk gewin, resultaat of toch tenminste een applausje op moet leveren, is het daadwerkelijk en volle overtuiging afgeleid raken bijna een onmogelijkheid geworden. Ja: Instagram verversen, dat lukt nog wel. Daarbij kan ik namelijk verdacht dicht bij m’n werk blijven zitten. Ik laat gewoon een Word-document op mijn laptop open staan, en pak heel even, heel eventjes maar, dat telefoontje erbij. Zo houd ik mezelf voor dat ik ieder moment een nieuwe (prijswinnende, wereldkerende, bestsellende) alinea neer kan pennen.

Dat is niet de afleiding die proza voedt. De afleiding die proza voedt is het achternalopen van je neus als je iets lekkers ruikt, stad en land af fietsen voor dat ene boek over dat ene onderwerp dat helemaal niets bijdraagt aan je werk of de wereld. Het is een heleboel dat nu niet kan, een zalige droom vol kroegen, zalen, pluche. Het is besluiten naar strand of bos te gaan, het is hopeloos verliefd worden, het is pogen het beatboxen onder de knie te krijgen, de plotselinge drang je bureau te verlaten om te kijken of je eigenlijk op je handen kunt lopen. Vooral is het: jezelf toestaan iets uit het oog te verliezen.

Net zo belangrijk voor de prozaschrijver: er lol in hebben. Dat is iets wat ik mijn studenten vaak aan hun verstand probeer te peuteren. ‘Ja,’ oreer ik dan ten overstaan van vijf tot dertien geblokkeerde schrijvers, ‘schrijvers zeggen in interviews dat die sleutelroman één grote lijdensweg was, die ze bovendien in een zelfgebouwde hut van plastic tassen en gebruikte condooms hebben afgelegd omdat ze geen huur konden betalen en hun vrouw ze niet meer in huis wilde hebben (“ik dacht zelfs niet meer aan douchen, mijn huid verdroeg geen water”), maar die schrijvers zijn wel ooit gaan schrijven. Ze hebben geen muziekstuk gecomponeerd, wendden zich niet tot het houwen van marmer, namen geen kwast ter hand – er moet ergens een adertje genot of plezier in hebben gezeten. Noem scheppen een zelfkwelling, maar als schrijven altijd zou voelen alsof je aan een dood paard trekt gaat er iets verkeerd.’
Op dit punt wordt er glazig geknikt en zet ik door: ‘Waar heb je zin in,’ jubel ik mijn klassen toe, maak per ongeluk een gebaar als bij het splijten van een zee, ‘schrijf dat dan! Vergeet het idee dat je moet schrijven om misstanden aan de kaak te stellen (we wéten wel hoe erg het allemaal is met het klimaat en de genderongelijkheid), of dat je per se alles waar je je diep voor schaamt aan het papier moet opbiechten (wat wil je, dat de lezer je absolutie verleent?), als jij de onbedwingbare behoefte voelt een stomende neukpassage in een stationsrestauratie op Alaska als startschot van je verhaal neer te schrijven, doe dat dan! Schrijf er in godsnaam niet zo omheen! We kunnen je proza altijd achteraf nog opbouwend affakkelen.’

Steeds als ik een variant van deze monoloog opvoer speelt mijn geweten wat op, want het daadwerkelijk en in volle overtuiging lol hebben in het schrijven gaat me niet immer soepel af. Dat komt geloof ik omdat ook die lol op alle andere – professionele, praktische – vlakken van mijn leven het toetje is, of de prettige bijkomstigheid. Zelfs als ik een bord eten voor mijn neus heb eet ik eerst de minst lekkere dingen op, om te eindigen met de laatste, perfecte hap, die helaas wel net iets te koud is.

Schrijven is – voor iemand als ik, die op een of andere manier zowel de schuld van het katholicisme, het calvinistische ascetisme, de activistische verontwaardiging, als de neoliberale prestatiedrang heeft geïnternaliseerd – een kwestie van omkeren. Verdwalen zonder te weten waar je eigenlijk naar op weg bent, en of je überhaupt wel ergens heengaat. Een beloning voor je aan het werk gaat. Eerst de lol, dan de fakkel. Misschien zegt dit wel iets over het nut van kunst, maar als ik daar aan ga denken schrijf ik helemaal nooit meer iets op.

 

Beeld: ‘Bevrijdingsestafette’ aankomst in Weert met fakkeldrager Wiel Nouwen – Municipal Archives of Weert, Netherlands – CC BY-SA.

Marie Kessels: de redacteur leest een prachtige roman over een Poolse in een vleesfabriek, over de buitenbeentjes, hun verhalen los van het systeem, over de zintuigen wijd open en de golfbeweging tussen gretigheid en vermoeidheid.

*

‘Ik ben dit nu aan het lezen omdat het in zoveel eindejaarslijstjes staat en altijd bang ben een pareltje te missen. Fear of missing a good book,’ schrijft Jaap Friso op Twitter over Tobi Lakmakers Geschiedenis van mijn seksualiteit. Ik ben daar ook aan begonnen, en ik stel meer zeurderige opmerkingen even uit, maar ik moet bekennen dat diezelfde angst, FOMAGB, me wel naar Marie Kessels terugleidde. Thomas de Veen tipt haar nieuwe roman Levenshonger als een van de beste van het jaar, en omdat ik ook een paar jaar geleden versteld stond van Veldheer Banner (oneerbiedig verwoord, dat wel: ‘fascinerend, raar’), lees ik alsnog. En waar je Lakmakers personages op straat kunt tegenkomen in Amsterdam, en dan na een hartelijke groet over ze begint te roddelen, zie je Kessels anoniem uit het steegje naast de Bossche Ekoplaza komen en fluister je vol ontzag tegen je dochter: háár boek ben ik nu aan het lezen.

Levenshonger wordt verteld door Elzbieta, een drieëntwintigjarige Poolse die bij een vleesverwerkende fabriek is gaan werken. Zwaar werk is dat, de onderlinge verhoudingen zijn extreem, maar vooral: het werkt op je hele lijf, op alle zintuigen. Je voelt je armen, er is een ‘zware geur van bloed en mest en ingewanden zo diep in ons lichaam getrokken’, en je ziet, je ziet. Je luistert naar collega’s en naar de mensen om je heen, de verschoppelingen. De dwingerige kostganger Jozef, de relativerende werkstudent en huisgenoot Bo, de zorgzame grappen makende collega Ewa, glazenier Julien die krantjes moet uitdelen, de nederige, door en door geïntegreerde Oom Izaak, de doorgewinterde serveerster Carl, voorbijgangers, collega’s. Allemaal zijn ze getekend door het leven maar gretig voortgaand langs de randjes, met smaak vertellend, met smaak opgetekend door Elzbieta.

Ik kwam wat moeizaam in de roman, die vanaf het begin in beweging is, maar geen richting lijkt te hebben. Wat moeten we met zoiets ouderwets als een kostganger, wie is onze verteller? En er hangt een spanning, die in het begin mijn lezen tegenwerkt. Die spanning komt door de vertelling – het bezoek aan Oom Izaak wordt al op pagina 1 aangekondigd, de reden dat Elzbieta niet meer bij de fabriek werkt, wordt maar niet duidelijk – en door Elzbieta’s bijna sadomasochistische omgang met het leven:

‘Hoe zwaar en vuil mijn dromen ook op me wegen, die lastpost hier op de zolderverdieping krijgt me snel weer met mijn twee voeten stevig op de aarde. En dan laat ik me zonder al te grote tegenzin contant door hem betalen voor zijn maaltijden en de was en het schoonmaken en allerlei andere meer of minder huishoudelijke taken.’

Al die tegenstellingen, in twee zinnen. Want leuk is die Jozef niet, maar ze ondergaat het en geniet van zijn excentriciteit. Ze zíét hem, als hij zijn verborgen rituelen uitvoert, zich ‘s nachts opmaakt op zijn zolderkamer.

En dan is er nog seksuele spanning, die Kessels hier al suggereert maar elders ook oproept en oningelost laat. Het is uiterst fysiek maar nergens bevredigend. Misschien komt het allemaal door Elzbieta’s ‘verwijd bewustzijn’, de titel van het tweede hoofdstuk, ze staat continu open voor het vreselijkste en sympathiekste. En dat levert prachtige verhalen op, portretten van bijzondere wezens, en als je dat eenmaal weet, dan lees je door. Elzbieta is een zeer menselijke verteller in een ontmenselijkte omgeving – ze slaagt er ook in de horror van de vleesverwerking te negeren – die luistert, registreert en vertelt, die passanten leven inblaast.

Je kunt de roman ook van de andere kant bekijken, en focussen op het decor. Elzbieta maakt filmpjes in de fabriek, Bo houdt dossiers (‘protocollen’) bij, en telkens denk je: gaan ze hier nog iets meer doen? Komt er een tegenbeweging? Ik herlees Thomas de Veens stuk, hij noemt Levenshonger ‘de krachtigste sociaal bewogen roman die de Nederlandse literatuur in tijden voortbracht’, en ik ben geneigd terug te grijpen naar Gustaaf Peeks roman A.D. Daarin ontmenselijkt hij de bemanningsleden door ze allemaal bijrollen te geven en het levens vermorzelende schip de hoofdrol, hier gunt Kessels haar fabrieksmedewerkers (en hun lotgenoten elders) hoofdrollen. De bijrol is voor het werk, de varkens, de filets. Ik lees geen roman tégen de industrie, ik lees verhalen over mensen. Maar misschien gaat de subtiele systeemkritiek (want het systeem, het kapitalisme heeft inderdaad wel iederéén van het padje gebracht) wel heel goed samen met dat sublieme oog voor het andere verhaal, voor het individu.

Dit zo levendige boek eindigt met een hoofdstuk ‘‘s Avonds, wandeling door de stad’, met een strijdbaar gesprek met Bo’s vader:

‘Bo en ik hebben overal oren en ogen. Bij ons en ook bij veel van onze PerfektKost-collega’s staan constant alle kanalen open. Dat zorgt nu niet direct voor het verwende leventje waar jij het over hebt. […] Toen ik bij PerfektKost in dienst kwam en moest leren om wat handigheid te krijgen in het kneden van die filets, zúlk stom werk, toen veroverde ik tegelijkertijd een klein maar evengoed waanzinnig mooi stukje eigen leven in deze deinende zee van zeven miljard soortgenoten overal om ons heen. Ik heb toen heel sterk ervaren hoe bij wijze van spreken iedere eigenhandig door mij geknede vleeshomp me vrijer maakte. Met vrijer bedoel ik: beter in staat om tegen de stroom in te zwemmen. Het is als het tarten van de zwaartekracht.’

Met vergelijkingen tussen de fabriek en het schrijven (‘Het gaat maar door. En nooit houd je iets “schoon” tijdens het hele verwerkingsproces, overal zit smurrie aan. En je moet aldoor de goede machtsbalans bewaken tussen de woorden en jou, dat is zo’n raadselachtige golfbeweging.’) en een melancholische nachtwandeling door deze stad, om te eindigen met weer een travestie van Jozef, die tot slot ‘met een juichkreet kan opvlammen hoog boven deze mens die hij meer dan moe is’.
Levenshonger, levensmoeheid, een golfbeweging, een vlam.

De Bezige Bij gaf Levenshonger uit.Op Athenaeum.nl staat een fragment.

 

Wat raakte de redactie van De Revisor dit jaar? Wat sprong eruit, wie ontdekten we? Welke literatuur maakte het verschil? Net als in 2019 en 2020 lichten de redacteurs kort toe wat hun beste boeken van 2021 zijn: klassiekers, veel vertaalde literatuur en nieuwe boeken van eigen bodem, wegens eindejaarstijdsdruk beknopt beginnend, en eindigend met een enkele beschouwende noot.

*

Maureen Ghazal

Lotte Lentes: Wittlin, Zeh, Lenze, Porter

  • Józef Wittlin, Het zout der aarde (vertaling Dirk Zijlstra)
  • Juli Zeh, Onder buren (vertaling Annemarie Vlaming)
  • Ulla Lenze, De drie levens van Josef Klein (vertaling Kris Lauwereys en Isabelle Schoepen)
  • Katherine Anne Porter, Vaal paard, vale ruiter (vertaling Molly van Gelder)

Stefanie Liebreks: Babitz, Van Essen, Biss

  • het werk van Eve Babitz, ‘mijn ontdekking van het jaar die niet lang daarna overigens stierf, maar dat houdt vast geen verband met elkaar’ (zie ook Stefanies ‘nachtkastje’ bij Athenaeum).
  • Rob van Essen, Miniapolis, vooral als luisterboek — andere ontdekking van het jaar —; Van Essen leest geweldig voor (zie ook Daan over Van Essen)
  • Eula Biss, Having and Being Had, een steengoede verhalende essaybundel over consumentisme en kapitalisme, waarna ik ook haar Immunity: An Inoculation las dat een must-read is in deze tijden

Thomas Heerma van Voss: Buzzati & Van Marissing

Dino Buzzati, De woestijn van de Tartaren

Heerlijk, deze klassieker van de Italiaanse Dino Buzzati (1906-1972). De roman lag al sinds 2017 klaar en werd me regelmatig aangeraden, onder anderen collega-schrijver Roman Helinski is hartstochtelijk fan, maar pas dit najaar kwam ik eraan toe. Gelukkig stelde ik het niet langer uit, want wat is deze roman ontzettend aanstekelijk geschreven. De sfeer rondom de Vesting, een afgesloten Italiaanse gemeenschap, de voornaamste plaats van handeling, wordt van begin tot eind heel sterk, sfeervol opgeroepen – met veel oog voor de melancholie die bij de plek hoort. ‘Iedereen daarbinnen leek te zijn vergeten dat er ergens op de wereld bloemen bestonden, lachende vrouwen, vrolijke, gastvrije huizen.’

En dan is er hoofdpersoon Drogo, die naar de Vesting wordt gestuurd. Hij is een man die hunkert naar iets wat niet komt; zijn leven verdampt terwijl hij toekijkt, en het leven op de Vesting wordt voor een belangrijk gedeelte bepaald door het wachten op de Tartaren uit de titel, strijdlustige tegenstanders die nooit verschijnen. (Een symbool voor de naderende Wereldoorlog? Voor de dood?) Buzzati benadrukt zijn thematiek soms met nogal vette zinnetjes, ook vind ik de vele grote sprongen (vooruit) in de tijd wat merkwaardig en leek het de schrijver er allerminst om te doen dat ik werkelijk met Drogo ging meeleven. Maar jeetje, wat is dit een fijn verhaal, geschreven in een superieure toon: tegelijk nauwkeurig en zakelijk, ernstig en lichtvoetig. Buzzati is diep vanbinnen een humorist, zoals volgens mij elke romanschrijver zou moeten zijn. Een van mijn ontdekkingen van het jaar.

Renée van Marissing, Onze kinderen

Een roman die ik ook al noemde in mijn jaaroverzicht voor De Groene Amsterdammer. Het voelt wat flauw hier dezelfde titel te noemen, maar het lijkt me logisch om hier in elk geval één titel uit 2021 te noemen. (Ik las ook met veel plezier Miniapolis van Rob van Essen, momenteel lees ik geboeid in Auke Hulsts nieuwste.) Wat Onze kinderen zo fijn maakt: de precisie waarmee haar verhaal opbouwt. Aan elke zin voel je dat die gewikt en gewogen is, er staat geen woord te veel in, zonder dat Van Marissing ooit vervalt in effectbejag of een opdringerige stijl.

Het draait in Onze kinderen om Mia, die met haar zus het huis van haar net overleden vader leegruimt. Het onvermijdelijke gevolg: een stroom van associaties en herinneringen, die worden versterkt doordat Mia bijna moeder gaat worden. Knap hoe Van Marissing de opspelende flarden verleden en alle ingewikkelde gezinsdynamieken vormgeeft, zonder dat ze te zeer worden uitgeschreven of te klagerig worden. De toon is steeds onderzoekend en helder. De dialogen, scherp en sprekend, behoren tot de meest overtuigende conversaties die ik in tijden op papier heb gezien.

(Lees ook Daan Stoffelsens indruk bij Onze kinderen.)

Daan Stoffelsen: 5 beste boeken

Boekenweken duren tien dagen, ik kan wel een Boekenjaar van 500 dagen gebruiken. Van de top van de eindejaarslijstjes die ik verzameld heb op Athenaeum.nl ben ik op zijn minst nieuwsgierig naar Hervé Le Tellier en Annet Schaap, en aan Robbert Welagen en Irene Vallejo was ik begonnen. Moet ik Jonathan Franzen nog lezen? Thomas? Marie Kessels heb ik uit, daar doe ik nog verslag van, ik begrijp wel wat Levenshonger op de eindejaarslijstjes van Thomas de Veen en de Volkskrant doet, en ik doe een nieuwe poging met Tobi Lakmaker, maar dat voelt vooralsnog als een brutalerig wie-is-wie-in-literair-Amsterdam. Claire Vaye Watson en Teju Cole liggen hier nog, net als digitale versies van de romans van Auke Hulst, Alejandro Zambra, Lisa Weeda. Hoe kan ik dan nu zeggen wat de beste boeken van dit jaar zijn?

In deze rubriek, en een beetje op Athenaeum.nl zag je (bijna alles) wat ik las dit jaar, als een soort leesdagboek, een basis voor toekomstige essays, en oefening – sommige mensen kunnen er geld mee verdienen, dat schrijven over boeken. Zoveel was het niet, misschien een boek per week, soms twee of drie, en ik heb de balans al drie keer opgemaakt: voor de zomer op derevisor.nl, bij een jubileumitem van Athenaeum en recent een vroegtijdig eindejaarslijstje voor diezelfde site. Er was weinig écht slecht, lees maar na. Maar teruggebracht tot vijf boeken, kom ik op een ernstig lijstje (sorry Rob van Essen, sorry Bart Koubaa):

Sarah Hall, Burntcoat

Sarah Hall is een van de sexyste schrijfsters die er is. Ik bedoel: ze schrijft de beste seksscènes. Maar ze heeft ook geweldig oog voor het landschap, denkt na over liefde, dood en kunst, en zet in haar literatuur echte mensen neer, onaangepast, eigen, door en door interessant. Burntcoat (Het atelier, in de vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer, verschijnt eind januari) heeft dat allemaal, en meer. Het verhaal draait om een 59-jarige uitzonderlijke, onafhankelijke kunstenares, een loner, een pionier, die te maken krijgt met een mondiale pandemie, één waarbij de huidige COVID-pandemie verbleekt. Hét lockdownboek (sorry Sander Kollaard!), perfect voor de beeldbelleesclub en angstaanjagender dan een persconferentie met Jaap van Dissel. Oké, dat laatste was geen aanbeveling.

Doireann Ní Ghríofa, Een geest in de keel

Dit jaar las ik geweldige persoonlijke non-fictie, noem het essays, noem het memoirs, van Olivia Laing, Anne Boyer en Maggie Nelson, over literatuur, lijf en liefde (voor andere combinaties van onderwerpen: Jazmina Barrera, Jan Postma, Teju Cole), maar op het nippertje duwde de Ierse dichteres Doireann Ní Ghríofa dit gezelschap weg. Wat een beetje moedermelk en poëzie niet kan doen… Dit boek over ouderschap, vrouwelijkheid en een eeuwenoud gedicht is geweldig, Een geest in de keelheeft een gewicht en een verstrekkendheid die ik zelden aantref. Nu vertaald door Caroline Meijer.

Annelies Verbeke, Treinen en kamers

Wat krijgt de J.M.A. Biesheuvelprijs-jury dit jaar te lezen? Roos van Rijswijk (!), A.L. Snijders, Mensje van Keulen, Adriaan van Dis, Kees ’t Hart (?), Carmien Michels, Lies Gallez, Toon Tellegen, Bart Meuleman. En Annelies Verbeke, die wat mij betreft de prijs nogmaals moet winnen. Treinen en kamers is een mooi en knap en metaliterair boek met verhalen die zich stuk voor stuk verhouden tot de wereldliteratuur, en reizen van het Mesopotamië van een priesteres tot het nu van een incel. Het openingsverhaal is me iets te lang, maar daarna verrast Verbeke me telkens met nieuwe vormen en personages.

Peter Terrin, Al het blauw

Terrins nieuwste is een strakke roman over een jonge man die stopt met zijn studie, een affaire begint en succesvol wordt in een piramidespelachtig beroep – in de Vlaamse jaren tachtig. Ik schreef voor Athenaeum over Al het blauw: ‘Terrin beschrijft op meesterlijke wijze een volwassenwording in een snelkookpan, en de hitte is verslavend.’ Terecht veelgenoemd in de lijstjes, en op de shortlist van de Boekenbon-prijs. Librisjury, hier kunnen jullie niet omheen.

Gustaaf Peek, A.D.

‘Gustaaf Peeks vijfde roman A.D. is een gruwelijke, plaaggeestige evocatie van het fysieke, van straf, van onpersoonlijk lijden, van hoe vrijheid altijd betaald wordt,’ schreef ik over zijn historische roman voor Athenaeum. Een schip vertrekt naar de Oost, net voor de V.O.C. wordt opgericht. De veelkoppige bemanning is Peeks hoofdpersoon – en, in het tweede deel, een jonge dubbelbloed op een gekoloniseerd eiland. Het is geen gezellig boek, het is een geweldig boek, een gedurfd boek. Voor lezers die niet bang zijn om literatuur te lezen. Genomineerd voor de Boon, de nieuwe Vlaamse literatuurprijs, en de uitdager van alle conventionele romans voor de andere prijzen.

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het zesde en laatste verhaal: ‘Vistrap’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Hij groeide op tussen de paling.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het vijfde verhaal: ‘Maskers’. Dit zijn de eerste vier woorden: ‘Ze vult mijn avonden.’

*