Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Als’.

*


© Marcelle Verberne

Als
(Markermeerdijk)

Als het Hoogheemraadschap
eindelijk kan bouwen aan de oude dijk,
na ambtelijke nota’s, inspraakavonden,
rapporten, vergeefse procedures tot de Kroon,
als de machines en hun
geelgehelmde mannen weer vertrokken zijn,
opgewoeld water gekalmeerd,
wordt het breder, hoger, sterker. Recht.

Een met de hand getrokken lijn van keer
op keer reparatie, dijkdoorbraak,
overstroming, onderhoud, is overschreven.
De streek van het penseel dat meebewoog met
oude kreken, eigendomsbegrenzing, waterlopen,
dat kapen en dat baaien maakte, uitgewist.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Woest en ledig’.

*

Woest en ledig 

Durgerdam, januari. Het dorp ligt maar een paar kilometer ten noorden van het centrum van Amsterdam, maar het is een andere wereld. Een rij houten huizen staat tegen de dijk, voor is water en achter  weiland. Een bocht, en nog zo’n rij huizen. De klinkerweg loopt tussen de dijk en de bebouwing. Het zijn huizen zoals je ze voor een kind zou tekenen: een vierkant met een driehoek erop, de begane grond met twee ramen en een deur, het schuine dak met een schoorsteen. Een enkele racefietser komt voorbij met ingehouden vaart vanwege het gehobbel.  Een sliertje jongens op huurfietsen rijdt langs, ingepakt in mutsen en sjaals, kaartjes op het stuur. Toeristen van de zelfontginnende soort.


© Marcelle Verberne

In zo’n huis wachtte zij, vrouw Bording. Eerst op de terugkomst van haar man en haar oudste zonen. Later op het bericht dat ergens misschien hun lichamen gevonden waren. Het werd een andere brief, een brief die niemand meer verwachtte: dat ze gevonden waren en dat ze leefden.

Ik hoorde voor het eerst van Durgerdam door de verhalen van mijn moeder, en ik denk dat ik ze te horen kreeg toen ik nog vrij klein was en ons huis er ver vandaan stond, hoog op het zand in een ander deel van het land. Mijn ouders hadden toen ze net getrouwd waren in een tuinhuisje gewoond aan het Kinselmeer, vlak boven Durgerdam. Dat was in 1958, er was nergens een woning te krijgen en het was niet heel ver weg van het werk van mijn moeder in de schooltuinen van Amsterdam-Noord.  Het was nog redelijk bereikbaar, met bus, trein, bus en lopen, voor mijn vader die in dienst zat en in het weekeinde op verlof kwam.

Uit wat mijn moeder vertelde, kwam het over als een bijna buitenaards verblijf van oneindige duur:  ver van de bewoonde wereld, met geen andere geluiden dan die van vogels, en op koude dagen een gure wind die vanaf de watervlakte dwars door het huisje van hardboard blies. In mijn verbeelding werd Durgerdam een plek waar de tijd niet zozeer stil stond, maar geen betekenis meer had. En waar de buitenwereld oneindig groot en leeg was, en de huizen alleen maar dienden als tijdelijke schuilplek voor wind en regen. Dat haar verhaal misschien gekleurd was door hun eerste samenwonen en hun pasgetrouwde staat kwam niet in mij op. Het was ver van alles dat in de jaren daarna de aandacht opeiste: de bom, de pil, de oorlog in Vietnam, het nieuwe wegennet, een rijtjeshuis voor iedereen, de man-vrouw-maatschappijverhouding, verwijdering en scheidingen alom. Durgerdam leek mij het paradijs van water, wind en kou.

Maar ook een ander verhaal leerde ik kennen, uit de boekenkast. Daar stond een kinderboek dat van mijn grootvader was geweest, bedoeld voor ‘jongens in de leeftijd van tien tot twaalf jaren’. Op het schutblad staat in potlood met zijn kinderhandschrift niet alleen zijn naam maar ook een getal: ‘No. 3’, het was kennelijk een van zijn eerste eigen leesboeken. Ik heb het boek als kind niet echt gelezen, de gewichtigheid van de donkerrode linnen omslag en de ouderwetse spelling maakten de drempel hoog. Maar de titel vond ik geweldig: ‘Veertien dagen op een ijsschots.’ Ik kon me niet voorstellen dat zoiets mogelijk was. En de tekening, als diepdruk in het harde kaft van die uitgave uit 1898, maakte het nog spannender: dat waren ze, de echte mensen die daar hadden gezeten. Daar zag je drie mannen, bij elkaar schuilend op een slee, een vlag in top, op een vlot van ijs met rondom water. En als ik, toch weer aangetrokken door de titel en die tekening, het boek pakte, zei mijn moeder: ‘Dat was in Durgerdam, daar woonden wij.’ Ik wist het zeker: het moest daar woest en ledig zijn.

Marcelle Verberne kijkt naar het zeelandschap bij Durgerdam, duikt in de geschiedenis en luistert naar het ijs, in poëzie en proza. Als satellietfeuilleton in de aanloop naar ons komende nummer Landschap (bestel het nu of word abonnee!) publiceren we ‘Laatste ijs’ in zes afleveringen. Vandaag ‘Vooraf’ en ‘IJsgeluiden’.

*

Vooraf

Drie mannen: een vader en twee zoons. Een berg dode vis, een slee, wat netten en stokken. En leegte. Twee weken drijven ze op een afgebroken stuk ijs over het brakke water van de Zuiderzee. Aan de andere kant van de zee worden ze gevonden. Eén man overleeft.

Midden in de winter, begin januari 1849, raakt de Zuiderzee bevroren. Maar een visser met geldzorgen moet vissen, ook als er ijs ligt. Dus gaat Klaas Bording uit Durgerdam met zijn twee oudste zoons uit ‘botkloppen’. Het is zwaar werk: ze lopen eerst uren over het ijs voor een goede plek, dan hakken ze op een paar plaatsen een bijt, ze trekken de netten met stokken onderlangs het ijs van het ene naar het andere open gat en ze jagen de vis in het net door hem op te schrikken met harde klappen op het ijs.

De vangst is enorm en misschien gaan ze daarom te lang door. De Bordings moeten overnachten op het ijs, zonder beschutting op hun houten slee. Maar het dooit al, en in de nacht gaat het ook nog regenen. De volgende dag kunnen ze niet meer aan land komen: het ijs is losgebroken en ze drijven op een enorme schots. Veertien dagen lang. Ze gaan met de wind eerst naar noord, dan naar zuid, dan naar oost, maar nergens komen ze in de buurt van de wal. Niemand ziet ze, niemand hoort ze. De ijsschol smelt langzaam weg en wordt steeds kleiner. Uiteindelijk worden ze gered aan de overkant van de Zuiderzee, door vissers uit Vollenhove. De oudste zoon en de vader overlijden daar, ver van huis, door infecties aan hun bevroren voeten. De jongste zoon herstelt en komt terug.

Het is nu ruim anderhalve eeuw later en er is steeds minder ijs. Er kwamen nieuwe, hoge dijken bij die de Zuiderzee tot IJsselmeer maakten. Grote stukken water werden land: eerst kwam de Noordoostpolder, en later Flevoland. Het Markermeer werd afgetekend met een dijk van Lelystad naar Enkhuizen. Het water ging van zout naar zoet. Eb en vloed zijn er niet meer, de vis van toen verdween, de vissersvloot is weg. Maar rondom Durgerdam lijkt de essentie van het open water, met kronkeldijkjes afgescheiden van de weilanden rondom, niet veranderd. Het is groot genoeg om een waterhorizon te zien, en het is leeg, en stil. Groot genoeg ook om je te kunnen voorstellen hoe ontstellend leeg het is vanaf een ijsvlot, drijvend in de wind, met het verkeerde weer, in regen en mist. En hoe ontstellend stil, als je, wanhopig van de kou, de torenklokken van een dorp hoort luiden maar er niemand is die je roepen kan verstaan.

© Marcelle Verberne

IJsgeluiden

Een landschap is alles dat je waarneemt van de ruimte buiten: vormen en kleuren, materie en licht, wie of wat er woont. Gek genoeg gaat een beschrijving ervan meestal alleen over zien, heet het daarom een vergezicht? Soms gebruikt iemand zijn neus en zegt hoe het er ruikt, maar dat lijkt altijd ondergeschikt.

Toch ervaar  je, denk ik, ook heel veel met je oren: sommige klanken zijn niet los te maken van het bijbehorend beeld. Of ze zíjn zelfs  het beeld. En vaak is het mogelijk om door te denken aan die geluiden, door ze in je hoofd te horen, het bijpassende landschap op te roepen. De buitenruimte heeft een stem. Denk aan water: het geruis van de waterrand tegen een kade bij zachte wind, het gesis van het schuim van klappende golven bij storm of hoge vloed, het fluisteren van een lange hekgolf achter een zwemmende vogel als het windstil is.

Bevroren water heeft zijn eigen klanken. Elke schaatser kent het zingen van een pas bevroren watervlakte, het geluid van een scheur die als een bliksem op hoge toon door het ijs schiet. En kruiend ijs, hoog opgetast en onder druk, gaat kreunen, onder een voortdurend breken en verpulveren diep onderin die berg schotsen. Maar ook het allereerste en het allerlaatste ijs heeft stem, voor wie het horen wil.

Beginnend ijs op een windstille en heldere dag na een nacht strenge vorst, klinkt zoals het er uit ziet: schilferig. Bij een lichte deining in het water ritselen kleine, scherp afgesneden en glanzende scherven van papierdun ijs tegen elkaar. Het vriest en de lucht is helder, kraakhelder, en droog. Elk deeltje waterdamp zal meteen bevriezen en neerslaan, en in de schaduw zie je rijp. Ieder ander geluid, de klank van je stappen op de dijk, een vogel in de verte, is licht en hoog, het tinkelt in de lucht.

Laatste ijs vormt een totaal andere klankwereld. Het is zo zacht van toon, dat het alleen te horen is op een dag zonder wind. Het dooit, de lucht is warm, of in elk geval warmer dan het smeltend ijs dat op het water ligt. De atmosfeer is verzadigd van waterdamp, er hangt vaak mist en de horizon is niet te zien. De klanken worden gedempt door al die nattigheid. Het is alsof de tonen niet vooruit komen, je voetstap op de klinkerdijk klinkt mat, een vogelroep in de verte is gesmoord, als onder uit een doos. Het ijs is bros, en dof, en de afgebroken stukken schuifelen op de golving tegen elkaar. Door dat laagtonige lispelen van tegen elkaar aanschuivende brokkelkanten wordt het gevoel van ingeslotenheid door mist en vocht versterkt.

Bart Koubaa (en Erik Lindner): de redacteur las een non-fictiedebuut dat ontregelt en in de beperkingen van een schrijfkamer de wereld oproept (en een ander tegenboek, dat wachten tot een kunst maakt en kunst tot een barrière opwerpt).

*

Daan Stoffelsen: Bart Koubaa, Dansen in tijden van droogte

Mijn geschiedenis met Bart Koubaa begon bij een boek dat niet meer verkrijgbaar is, Het gebied van Nevski. Fantastisch boek, met een hoofdrol voor een vorm van afasie. Ik schreef er een stuk over met als nagalmende titel ‘Dinges is een wezenlijke drijfveer’. Wacht, ik herlees het stuk nu, en realiseer me dat mijn leesgeschiedenis al een boek eerder begon. Onze vriendschappelijke geschiedenis begon met een interview bij Café Katoen, jaren later was hij een tijd redacteur van dit tijdschrift, maar we bleven vrienden en lezers en boek na boek deed hij weer iets totaal anders en toch hetzelfde: ontregelen.

Zo leerde hij mij Westmalle Tripel drinken door het onnavertelbare Maria van Barcelona, schetste hij een schril beeld van de W.I.C. in Het leven en de dood van Jacob Querido alvorens Gustaaf Peek dat met de V.O.C. deed, en koppelde hij vogels kijken aan een tragische zelfmoord in De vogels van Europa. Verhalen met een kop en staart, maar die staart steekt jaren later nog uit het boek, in zo’n mate dat je twijfelt of het dier niet zeven koppen en 49 staarten heeft.

Wat dat betreft is zijn nieuwste boek Dansen in tijden van droogte overzichtelijk. Koubaa doceert fotografie, zoals we weten van Mails aan een jonge fotografe (gratis!) – maar de persoon die hij ditmaal zoekt, is niet fictief. Juma Collins, je ziet hem op het omslag staan, is een levende vogelverschrikker bij het Victoriameer. Koubaa’s verteller, een schrijver die de roman Dansen in tijden van droogte net voltooid heeft, besluit zonder te googelen en zonder sociale media-contacten een beeld te proberen te krijgen van deze man met zijn surreële baan. Dit is non-fictie, maar dat vergt wel een vleug fantasie:

‘Wanneer ik een week later op een broeierige pinksterzondag mijn voltooide roman opsla en afsluit, daalt de levende vogelverschrikker van de foto als een Afrikaanse geest op mijn schrijftafel neer.
“Kan ik iets voor je doen?” vraag ik.
“Jazeker,” zegt hij, “je kunt de fictie schrappen”, en hij stijgt weer op en verlaat wervelend mijn schrijfkamer door de hor in het rechterraam. Ik volg hem over het park en de oranje en zwarte zadeldaken tot hij iets voorbij het klokkentorentje van de kerk van het Klein Begijnhof uit het zicht verdwijnt. Als ik dan puur uit gewoonte een nieuw document open en achteloos de titel van mijn roman Dansen in tijden van droogte typ, snap ik wat de levende vogelverschrikker me wilde zeggen: ik moet geen geest najagen en geen romanpersonage op de wereld loslaten, ik moet op zoek naar een man van vlees en bloed die hoogstwaarschijnlijk in een rijstveld vogels zit te verjagen. En dat ga ik doen.’

Wat volgt, is even fascinerend als frustrerend: Koubaa, of zijn verteller, komt zijn schrijfkamer amper uit, schrijft mails en brieven die hij niet verstuurt (of die niet beantwoord worden) en stelt zich, aan de hand van informatie die anderen voor hem vinden, Juma Collins’ leven voor. Vooral zijn zoon helpt, met feiten en fantasie. ‘Volgens mijn zoon eten zilverreigers zilvervliesrijst.’ En: ‘Het WhatsApp-bericht dat mijn zoon me een paar uur geleden heeft gestuurd, bereikte me echter als koud water in een ontstoken oor en telkens als ik het herlees, zwelt de vlijmende onrust aan. “Het Victoriameer zal binnen 50 jaar dood zijn als er niet drastisch iets wordt ondernomen; dan ben ik 63 en jij 102.”’ En: ‘Volgens mijn zoon zijn we allemaal Kenianen!’

Op de plaats

De dans uit de titel is op de plaats, de droogte is elders. Ik schrijf dit terwijl ik een heel ander boek lees, een echte quarantaineroman, en denk opeens: is Dansen in tijden van droogte niet té klein? Waar is de grote greep? Ik dacht meteen aan Erik Lindners roman 51 manieren om de liefde uit te stellen, waarin na een stormachtig begin er vooral afstand is, en wachten, en dromen, en film kijken. Lethargisch, noemde ik het in een mail oneerbiedig tegenover Lindner, maar ook daar is klein geen terechte kwalificatie.

Om met 51 manieren te beginnen: de romance speelt zich in Baskenland af, en de dramatische geschiedenis daarvan zeurt door in de liefdesrelatie op afstand die erop volgt. De roman is alleen klein ten opzichte van de vele slachtoffers, daden en idealen. Maar het is nog meer literatuur over kunst. De ik, een dichter als Erik Lindner, probeert zijn eigen taal te plaatsen tegenover de beeldtaal van de films waaraan zijn geliefde meewerkte. Hij zoekt de nuance naast de clichés, en realiseert zich uiteindelijk dat zijn taligheid, de-verkeerde-taligheid een voortzetting van die eerste verliefdheid in de weg staat. Lindner:

‘Ik was de vreemde in die Baskische stad en zij heette mij welkom. Tegelijk leek het toch dat ik erna alle initiatief moest nemen, mezelf telkens overwinnen. Het was zowat onmogelijk hierover een gesprek te voeren, niet alleen door het ontbreken van een gemeenschappelijke taal, maar ook omdat het over onszelf ging, onze verhouding die zich op dat moment ontvouwde.’

Het schrijven, het beschrijven en analyseren, het uitstellen kortom van de echte liefde, dat is het enige wat de ik tot zijn beschikking heeft – en dat is tragisch. 51 manieren is bijna een antiroman, die de vanzelfsprekendheid van handeling in fictie onderuithaalt, en de mogelijkheden van het talige in het echte leven in twijfel stelt. Precies zo kun je Dansen als een tegenboek lezen: een reisverhaal waarin niet gereisd wordt, een onderzoek zonder antwoorden.

Maar net als 51 manieren is het een boek dat wat klein is in een groot verband brengt. Koubaa schrijft ook over de problemen die Juma Collins en zijn omgeving treffen: klimaatverandering, een verminderde biodiversiteit, armoede.

Onbeantwoordbare vragen

En door zich te beperken tot summiere kennis, creëert Koubaa een mens zoals hij, hij maakt de man van die foto een gelijke.

‘Gent, woensdag 23 september 2020

Beste Juma Collins,

Volgens een Chinees gezegde ben je zo oud als je ruggengraat. Dat is geen goed nieuws voor mensen zoals jij en ik, die de hele dag op een stoel of een krukje zitten. Want dat is toch wat we voornamelijk doen: zitten. En wat zit je daar toch de hele tijd op dat veld in je tentje te doen, beste Juma Collins? Wachten op de vogels is één ding, maar denk je er soms ook na? Over de toekomst bijvoorbeeld, jouw toekomst? Misschien hangt die toekomst af van wat jij nu aan het doen bent – zitten en wachten tot er vogels neerstrijken – of misschien is de toekomst een illusie, maar dan kunnen we er ook nooit een hebben.
Er zijn vele kleuren en stemmen als het over de toekomst gaat, is het niet beste Juma Collins, maar wat bezielde de schrijver V.S. Naipaul toch toen hij zei: “Afrika heeft geen toekomst”? Heb jij een idee? We kunnen hem in geen geval vragen wat hij er precies mee bedoelde, want hij is twee jaar geleden overleden, hoewel: Pythagoras geloofde dat sommige mensenzielen na de dood zouden verhuizen naar bonen. Je bent gewaarschuwd, beste Juma Collins!
Ik las een keer dat magie de toekomst is en dat vrouwen die magie beheersen. Wat als dat waar zou zijn? Zouden we dan niet rond onze stoelen dansen, de warme wind in onze rug?
Ik kijk uit naar je gedachten.

Hartelijks,
Bart Koubaa’

Wat doet Koubaa hier nu? Hij gaat niet naar Kenia, maar vergroot wel Juma Collins’ wereld, en dat nog zonder dat hij hem een fiets geeft (dat is namelijk Koubaa’s onuitgevoerde plan). Hij stelt vragen die de echte Juma Collins niet zou kunnen beantwoorden, maar zo open en bloot, deels reëel en essentieel, deels ronduit bizar, zijn ze geestverruimend, maken ze de wereld van de lezer groter. Koubaa’s overzichtelijkheid is bedrieglijk, zijn opgelegde beperkingen (zoals die afasie van destijds) creëren ruimte.

Ongetwijfeld zullen andere lezers die ruimte nemen om het gebrek aan actie, avontuur en ontwikkeling, en de overvloed aan losse eindjes te bekritiseren – maar dat doet weinig af aan de bescheiden ambitie die een verbazingwekkende rijkdom oplevert.

Dansen in tijden van droogte verscheen bij Querido. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina’s. En 51 manieren om de liefde uit te stellen werd door Van Oorschot uitgegeven – ook daaruit is een fragment te lezen.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week een gedicht van Rohan Ayinde vertaald door Alyssia Sebes. 

 

Utopia doorslikken
(vertaling Alyssia Sebes)

We breken de tijdlijn. We breken de tijdlijn.

 

Zwart, black, negro, donker, aankomsten uit plaatsen waar we ooit nieuwkomers waren.

 

We breken de tijdlijn, als voeten die op de maat van een naderende trein langs het spoor lopen, het gedender luid genoeg om ganzen op te doen vliegen, als hij aankomt, zijn we er niet, waren we er nooit, zijn we alleen daar, staan we in het midden terug te schreeuwen, we breken de tijdlijn – gezicht van god, gods gezichten, ze weten dat een reis nooit lineair is, dat nooit kan zijn, wij zijn, zij zijn, zijn, ze komen eraan – komen – gaan – blijven – vertrekken – thuis is dwalen, dwalende, dwalen, dwalende, de kerken gaan open zodat het briesje aan het voorhoofd van de parochianen kan likken, zweet sijpelt over gefronste wenkbrauwen. Taal vergeet monden als ze lang genoeg openstaan, lang genoeg schreeuwen, luider, luider, luider –

 

wagenwijd open en slik flatgebouwen door, stik in de toekomst, slik de toekomst weg, word hem, slik flatgebouwen door, slik de toekomst in, vergeet dat je hier aankwam, verbeeld je dat je hier altijd al was, vergeet je cultuur, verbeeld je dat je daar nooit was, de toekomst is niet van jou, is niet, kan niet, slik toch maar in, verzwelg hem om hem te leren kennen, word hem niet, kijk er van een afstand naar, jij, de afstand, vol met afstand, jij – jij, reiziger – jij, vreemdeling – jij, afstand – afstandelijk – land.

 

Landlichamen, verloren utopieën, lege vensters, fonkelende vergezichten, ivoren torens gebouwd voor ivoren mensen, lege huizen en voeten die aan de afgrond dansen, we breken de tijdlijn, dwarsbomen de dromen van mensen die denken dat ze overal aan hebben gedacht, tot de laatste lantaarnpaal aan toe, ook al vergeten ze dat de geschiedenis in beton is gegoten, dat geschiedenis van beton is, dat geschiedenis van beton is – en alsnog vergeten ze ermee te bouwen.

 

We breken de tijdlijn –

 

breken hem in stukken, leggen onze eigen fundering – gebroken sloten, gevulde huizen – we kraken, we gaan binnen, hangen in kroonluchters, maken van ideeën een thuis – maken van plannen een plaats – we maken een eiland, land – we maken, scheuren, tornen en verstellen, naaien aaneen, projecteren ons beeld vanaf het balkon op de muren.

 

Deze muren hebben in onze talen leren spreken, hebben het weefsel overgenomen van dialogen uit huizen die ruiken naar kruiden uit zeven continenten.

 

Deze taxi’s hebben ons thuisgebracht, breedgeschouderd als een ondergrondse spoorweg, huizen voor de gebrokenen, voor de brekenden, voor het geheel dat te horen heeft gekregen dat ze slechts delen zijn.

 

Deze straten kennen namen als bakens; Joesoe Maatrijk, Zwart Beraad, de veteranen, het archief – opgezette tenten in woonkamers en vanaf het balkon kijken hoe de wegen binnenkomen, dan stoppen.

 

Wat doen we, denk je, met leegtes, denk je dat we nooit eerder met een vacuüm te maken hebben gehad, nooit de afstand hebben overbrugd en nooit over onze schouders hebben gekeken zonder ze op te halen, ook al wilden we dat diep in ons hart, we wisten welke prijs er betaald is om daar te komen. Waar we vandaan komen? Wat is een huis anders dan een tijdelijk bouwwerk om een leven in te leven? Wij hebben het vacuüm overschaduwd. De tijdlijn gebroken. Wij, hier, negen levens later, in de gemeenschappelijke ruimte tussen de gebouwen, waar we het beton weer uitspugen, op de geschiedenis kauwen, de toekomst uitdenken, de plannen lezen en met de gelovigen discussiëren – hier woonden we, tenslotte, hier woonden we.

 

 

Alyssia Sebes (1989) is vertaler. Ze studeerde Frans en Spaans aan de Universiteit Antwerpen en Literair Vertalen aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. In 2019 deed ze mee aan vertaalproject The Chronicles van Crossing Border Festival en deze zomer vertaalde ze een theatrale performance voor Noorderzon Festival. Op dit moment werkt ze met een tegemoetkoming van het Letterenfonds aan een fragmentvertaling van Linea nigra van Jazmina Barrera en Los asquerosos van Santiago Lorenzo.


Rohan Ayinde is een multidisciplinaire artiest uit Londen. Hij studeerde aan de School of the Art Institute of Chicago en werkt voornamelijk met poëzie en fotografie. Ayinde stelt de steeds veranderende en complexe wereld om hem heen in vraag. Belangrijke thema’s in zijn werk zijn etniciteit, politiek en door de mens gecreëerde systemen die ons leven bepalen. Zijn werk is persoonlijk, politiek en universeel, en empathie is altijd het uitgangspunt.

 

 

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door toeristen, boeken, de neuroloog, haar moeder.

*

‘Maar ja,’ zegt de neuroloog, ‘tegenwoordig leven we heel lang, en het is niet dat die knop vanzelf omgaat.’
Ze legt me uit dat ik bedraad ben als iemand die beren moet verjagen wanneer de rest van de holbewoners braaf ligt te tukken – de conclusie uit een nacht slapen vol kastjes, plakkers, snoeren en klemmen. Een andere arts vertelde me eens dat ik uitermate geschikt zou zijn om dagen over een vlakte te slalommen, achter beren aan bijvoorbeeld. Ik vroeg niet of er wel beren leven op een vlakte, daar ging het niet om, het ging er ook hier om dat er iets aan mijn systeem is dat me ietwat ongeschikt maakt voor bureaustoelen en kantooruren. Meer jacht zou me passen, meer gebladerte waarin ik me zou verbergen om met een vogelroep mijn stamgenoten te waarschuwen voor naderend onheil, meer fysieke arbeid. Meer beren.
‘Maar ja.’

Terwijl ik door het Amsterdamse verkeer slalom, ik heb geen bel dus roep heel hard FIETS of LAMEDERDOOR naar bewinterjaste toeristen, denk ik aan de vrouw die Marjan Engel beschreef in haar kleine roman Beer. Een vrouw die geschikt lijkt voor plezier noch werk, tot de beer zijn intrede doet in haar leven. Ze hoeft niet op hem te jagen, hij is immers al gevangen; verwaarloosd ligt hij aan de ketting. Hij hoort bij het huis waar ze een bibliotheek moet inventariseren. Geen vlakte, wel onherbergzaam, moerassig gebied. De beer is lekker warm. De beer is, bij nader inzien, woest aantrekkelijk. Eigenlijk wil die vrouw maar één ding: met de beer naar bed.
Met sardonisch genoegen schamp ik de laatste toerist, parkeer mijn fiets bij het huis van mijn moeder. We drinken wijn, ik help haar met het aansluiten van een apparaat dat het kloppen van haar hart doorgeeft aan een dokter. Daarna installeren we haar nieuwe telefoon. Om te testen of alles werkt app ik haar een foto van mijn onderkin. We eten pizza.
Het wordt donker. Kennelijk scherpt in mijn reptielenbrein iemand een speer. Ze zit klaar, verscholen in de enige boom die de vlakte telt, knijpt haar ogen samen om langs het loof roofdieren te zien naderen. Achterin de grot draait een blinde ziener zich smalend om; ‘alsof,’ zegt hij in tongen, ‘dat wijf ons tegen wild kan beschermen! Ze heef min zes en de bril is nog niet uitgevonden!’
Mijn moeder schenkt ons nog eens in, vertelt gierend van het lachen over een recent museumbezoek. Ik vertel over de nacht vol plakkers en snoeren, ik laat haar de tabel zien waarvan tot ons beider pret één van de rijen ‘absolute snurk’ heet. De telefoon van mijn moeder maakt een onbestemd geluid, we komen er niet achter waarom en daar proosten we ook nog eens op.

Onderweg naar huis word ik bijna aangereden door een taxi die door rood rijdt. Een grote, boze man, hij heeft een baard die zijn auto haast vult, rolt zijn raam naar beneden. Met een jordanese tongval waar je nostalgisch van zou worden brult hij een serie beledigingen. Ik slalom zwijgend verder door de vlakte vol tramrails, verkeerslichten, dönerzaken.
‘Maar ja,’ zei de neuroloog ook, ‘we moeten nog maar zien wat werkt.’
Ik heb mijn lenzen uitgedaan, me niet in loof maar een deken gerold. Op de vlakte waar de medische wetenschap me thuis waant had ik geen moeder meer gehad. Vermoedelijk ook geen tanden.
Maar ja, maar ja, maar ja.
Het beste, denk ik, mijn knipperslaap is al half begonnen, kunnen ze me gewoon een beer voorschrijven. Een kleintje, om het af te leren.

 

Thomas Heerma van Voss schreef ook over Marian Engels roman.

Na een lange periode die in het teken stond van wachten, verblijft Dorien Dijkhuis op een eiland. Daar onderzoekt ze wat verlangen met tijd te maken heeft, verkent ze het verschil tussen toevlucht en vlucht en vraagt ze zich af hoe je verdriet verwerkt. Deze week aflevering 4 van haar feuilleton ‘Eiland’. Dit feuilleton werd mede mogelijk gemaakt door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds.

*

Ik zag een biddende vogel. Een buizerd, denk ik. Hij hing boven het weiland. Ik vroeg me af waarom het bidden heet. De vogel spreidt zijn vleugels, vouwt ze niet. Ik kon niets bedenken. Alleen dat een biddende vogel in wezen wacht. In die zin heeft het misschien met geloof te maken. Wachten is hopen. Is je een mogelijke toekomst voorstellen. Is reikhalzend uitkijken. Is verlangen. Is geloven dat er iets voorbij het wachten ligt.

Dingen die voorbij zijn voordat je het weet
Iemands leeftijd
Een boot met geheven zeil
Lente, zomer, herfst, winter.

— Sei Shōnagon, Het Hoofdkussenboek

Dat iets wat meer dan duizend jaar geleden is geschreven je zo kan ontroeren, je zo aan het lachen kan maken, zo levend is. Sei Shōnagon, hofdame aan het hof van keizerin Teishi tijdens de Heian-periode, schreef Het Hoofdkussenboek rond het jaar 1000. Een verzameling essays, bespiegelingen en notities over de rituelen en de amoureuze verwikkelingen aan het Japanse hof. Het barst daarnaast van de lijstjes: Dingen waarvan je hart sneller gaat kloppen, Aanstellerige dingen, Onuitstaanbare dingen, Dingen die er verstikkend heet uitzien, Zonder meer schitterende dingen, Nutteloze dingen, Dingen die je in verlegenheid brengen, Onheilspellende dingen…

Hofdame: lady-in-waiting.

Sei Shōnagon schreef het ongeveer ten tijde van ons hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu.

Ja, vraag ik je, wat wachten we nu?

Wij zijn het die voorbijgaan als we zeggen dat de tijd voorbijgaat.
— Henri Bergson

Toen de wereld in de afgelopen maanden stukje bij beetje openging, kreeg ik het gevoel dat ik de hele pandemie alleen maar heb zitten wachten. Tot de wereld weer normaal werd. Tot ik mijn vrienden weer mocht omhelzen.

In werkelijkheid wist ik vóór de pandemie al wat wachten was.
In werkelijkheid heeft de pandemie er vrij weinig mee te maken.
De tijd vliegt, zeggen ze. Maar het was de tijd niet. Ik was het zelf.

Clichématige dingen
Je stapt nooit twee keer in dezelfde rivier
Geduld is een schone zaak
De tijd gaat sneller naarmate we ouder worden

Ooit, toen ik het gevoel had dat ik mijn eigen leven niet kon bijbenen omdat ik te traag leek voor de tijd, zei ik tegen mijn opa dat ik vreesde binnen niet al te lange tijd wakker te worden om me te realiseren dat ik tachtig was, dat mijn leven ten einde liep en dat ik allerlei kansen had laten liggen. Mijn opa’s bulderende lach: daar gaan nog wel een zaterdag en een zondag overheen.

Aan de andere kant is het misschien gewoon waar dat de jaren steeds vlugger voorbij gaan. Zandlopers gaan ook sneller lopen naarmate ze ouder worden. Het fijne zand slijt het glas van hun hals.

Dingen die mensen zeggen ter hoop of troost
Komt tijd komt raad
Wie wacht wordt beloond
De tijd heelt alle wonden

Nog even over die biddende vogels. Soms is de waarheid stukken minder hoopvol of poëtisch. Berust alles weer eens op slordig vertaalwerk. Birds of prey. Niet pray.

Adriaan van Dis: Nederland herleest zijn Parijse wandelroman in het kader van thema ‘Over de grens’, en de redacteur zocht een kritisch stuk op uit het archief over de campagne – en zijn eigen eerdere woorden over de roman.

*

Nederland Leest: Adriaan van Dis, De wandelaar

Het is 1 november, traditioneel de dag om de pijnlijke analyse ‘Nederland leest wat het al gelezen heeft’ van Bertram Mourits uit 2009 te lezen. Het jaar waarin ik redacteur van De Revisor werd, het lijkt gisteren, maar het gaat over de vorige generatie critici en schrijvers, en een vorig stadium van onze leescultuur. ‘In de huidige literaire situatie zou Haasse nooit meer op deze manier aan haar carrière begonnen zijn. Willy Corsari was in 1948 een veel logischer keuze geweest, de huidige maatstaven in acht nemend,’ schrijft hij. Anno 2009 hebben we andere propagandisten, uitgevers, schrijvers en vooral lezers.

Ik ben minder mopperig, zoals dat hoort bij mijn generatie. Ik kan negeren dat de boeken die ik op inhoudelijke gronden mijn favorieten noem niet de Bestseller60 halen of de tv of zelfs de radio — toch de platforms waar het grote publiek bereikt wordt. En ja, Nederland Leest haalde Mulisch en Hermans van de plank en Campert en Bomans, maar ook Jacoba van der Velde. En heel moedig probeerde de CPNB het een paar jaar met een thematische aanpak – alvorens zich vorig jaar te bekeren tot de twintigste-eeuwse klassiekers. Na Het zwijgen van Maria Zachea (2001 – 2020) van Judith Koelemeijer staat nu Van Dis’ roman uit 2007 centraal.
In hoeveel exemplaren dat gaat, kan ik niet terugvinden (van Mulisch’ Twee vrouwen drukten ze er naar verluidt een miljoen), maar ik voel me telkens niet echt aangesproken. Zelfs als schoolbibliotheekvrijwilliger en vaste klant van de openbare bibliotheek zie ik vooral hoe de zelfstandige website Nederlandleest.nl nu onder Hebban valt, de populaire lezersgemeenschap die de CPNB afgelopen jaar overnam. Ik ben daar geen lid van (228.755 mensen wel, dus wie is er gek), de boeken die daar voorbij komen, interesseren me minder.

Maar misschien is bij hen nog iets te winnen — ik hoef niet overtuigd te worden. Ik pluk nu eens — Mourits’ advies — blind iets uit de kast en ga dan weer met ogen open af op aanbevelingen van critici of uitgevers. En De wandelaar is een goed boek, net als Van Dis en de Boekenweek-auteurs van 2022 goede schrijvers zijn. Schrijvers met relevante verhalen en een eigen toon, en vooral de ambitie om kunst te maken veeleer dan een product.

Op deze website passeerde De wandelaar als onderdeel van mijn wandelzinnenproject uit 2012. Ik merkte op in een voorbereidende blogpost, ‘Van Dis’ De wandelaar is geen passant’, dat het ‘een roman vol actie’ is. Het begint al op de eerste pagina met staccato zinnen die suggereren al een heel verhaal te vertellen, met dansen en branden en springen.

‘De hond had alles gezien. Met hem moet het verhaal beginnen. Hoe hij voor het raam danste en uit een brandend huis sprong. Maar eerst maakt meneer Mulder een avondwandeling. Hij zal aan de politie een andere naam opgeven.’

Ik schreef destijds: ‘Dat is een wandelaar in de kern: een voorbijganger, en als hij rondkijkt, dan niet óm het rondkijken, want hij is onderweg, hem drijft een hoger, abstracter doel. Zo is het althans bij Cole en Sebald, en bij hen lijkt dat doel zelfs afwezig. Van Dis is explicieter, en hij zet Mulders rol van wandelaar, buitenstaander nadrukkelijk tegenover de betrokken, sociale deelnemer aan de maatschappij.’

Dat blog is te herlezen, net als het essay dat eruit volgde, in Halfjaarboek 7 (2013) verscheen, ‘Wandelzinnen. Over stijl, beweging, gemoedstoestand. Over Sebald, Cole, Nescio’. Conclusie destijds: Van Dis’ wandelaar is wél doelgericht, actief — en toch ontbreekt het maatschappelijke in zijn roman bepaald ook niet. Laat Nederland maar herlezen, het is de moeite waard.

De wandelaar is gratis te krijgen bij je bibliotheek, ‘het centrum voor ontmoeting en gesprek’.

Hester van Hasselt & Bianca Sistermans: de redacteur leest en bekijkt een gecombineerd interview- en fotoboek met gedichten, en stelt vast dat er minstens zeventien redenen zijn om er nog vaak naar terug te keren.

*

Daan Stoffelsen: Hester van Hasselt & Bianca Sistermans, Een mogelijk begin van veel. 29 dichters aan het werk

Bij sommige boeken begin je gewoon, en stel je vast: ik ga hier nog vaak naar terugkeren. Een mogelijk begin van veel (naar K. Schippers’ uitspraak ‘Iedere notitie is eigenlijk een mogelijk begin van veel.’) is er zo een. En wel hierom.

  • de interessante nevenpositie van Van Hasselts verrassende interviews met dichters (over het ambacht en de kunst), de scherpe portretten van Sistermans, en de besproken gedichten.
  • de keuze van dichters, en de aanwezigheid van bewonderde doden als K. Schippers, Hafid Bouazza, Menno Wigman en F. Starik.
  • de uitspraak ‘Ja, het is een geheimzinnig vak, het is heel moeilijk om er definitieve uitspraken over te doen.’ (Remco Campert)
  • de overweging ‘Ik zocht woorden voor hoe ik door dat landschap liep. Ik dacht: een mens bestaat voor 90 procent uit water. Ik zag zo’n stripfiguuromlijning voor me in de vorm van een emmer, dat water gaat heen en weer, iets waar we niet zoveel over te zeggen hebben. Misschien zou ik het liefst willen dat het lichaam gewoon meedoet in het geheel, zoals een emmer meedoet in het geheel. Of dat het voor me uitgaat als een wolk, waarmee ik het gedicht besluit.’ (Bernke Klein Zandvoort)
  • de opening van een gesprek ‘Bernke is een goede observator, dat ben ik helemaal niet.’ (Lieke Marsman)
  • de rook bij Hafid Bouazza, de rook bij Radna Fabias. (Bianca Sistermans)
  • de openbaring ‘Als je vertaalt, groei je vanzelf naar iemand toe. Tijdens het vertalen van Broch was ik iemand anders dan toen ik werkte aan het postume, getormenteerde debuut van Beckett. In de tijd van The Gift van Nabokov, een glorieus en gelukkig boek, was ik voortdurend in een staat van verrukking, dan gingen we weer op expeditie naar Mongolië om vlinders te vangen.’ (Anneke Brassinga)
  • de vraag ‘Hoe ga je eigenlijk te werk?’ (Hester van Hasselt)
  • het antwoord ‘Ik maak aantekeningen op kleine briefjes. Die bewaar ik. ’s Ochtends vroeg hoorde ik een Franse hoorn in het Vondelpark, in de nevel. Ik liep op het geluid af maar ik vond het niet. Zoiets verzin je toch niet?’ (K. Schippers)
  • de bekentenis ‘Soms houd ik ook heel erg niet van poëzie. Dan lijkt het me eerder aanstellerij, maar dat komt natuurlijk door mijn eigen beperkingen. Waarschijnlijk is het ook de angst dat het in mijn eigen werk te aanstellerig wordt.’ (Edward van de Vendel)
  • het licht bij Anne Vegter (zwart-wit), het licht bij Sasja Janssen (kleur). (Bianca Sistermans)
  • de koffiekop op de foto van Ester Naomi Perquin. (Bianca Sistermans)
  • de dertien pagina’s die Radna Fabias aan het woord is.
  • de tegenstellingen in ‘Als ik schrijf en het lukt me om al die stemmen te negeren of een plek te geven, dan kom ik bij tegenstellingen en contrasten en bij mijn voortdurende twijfel en bij mijn niet-weten, en dat is een ruimte waarin ik van mezelf mag zoeken en proberen. Ik hoef tijdelijke, wankele gedachten daar niet om te vormen tot een stellige, welluidende mening en ik kan de dingen net zo chaotisch en rommelig laten zijn als ze in mij bestaan.’ (Radna Fabias)
  • dat K. Schippers ook buiten zijn eigen interview optreedt.
  • ‘”Hoelahoep!” slaakt de buisbeer / die met zijn vacht door / de kleinste dierenkieren / kan’ (Joost Oomen, niet eerder gepubliceerd)
  • en nog veel meer, maar dat moet ik nog ontdekken.

In onze rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter.
Deze week: Ruth van Rossum.

 

Op drift

Ze leunt tegen me aan.
Haar oor zoekt onze hartslag
om in te schuilen.

Een vlinderhand ligt om mijn borst
en langs mijn rug word ik gestreeld
als waren we verliefd.

Zij is het deinend wier,
ik de verweerde ankerpaal.
We houden ons vast aan elkaar.

 

Het ijs smelt

Komt er uit het niets een arm met beker naar je mond
vreemd ding in je gezicht sneller dan je hoofd kan volgen
draai weg je lijf van overval duw nee met tong of pols
je bepaalde vroeger zelf of je iets drinken zou of niet

Zet schrap als men je mee wil vleien naar beugel-wc
het instinct van je cellen ze herinneren zich goed
dat stulpend paarse aambeien het uitgillen van pijn
bij een snelle washand scherpe zeep of natte doek

Zeg nee als je ontheemd bent op de plek waar je nu bent
als je hoort dat we praten maar de woorden niet herkent
nee als je moet gaan slapen op je zij rug naar de deur
en niet overzien kan wie er in je kamer zijn

Weiger drank die bitter bijt niet wegtrekt urenlang
stribbel bij witjas wachtkamers de dreiging van een spuit
roep nee als belagers uit spelonken van je brein
ongrijpbaar jou besluipen dichterbij schreeuw ze eruit

Smeek au bij scrub van puisten op je dun-huidige liezen
knijp weerloos billen in verzet als je gewassen wordt in bed
als handschoen vinylblauw je bange kont met crème wil vegen
schurende luier moet weer aan je voelt je eigen buik maar even

Schud nee bij het voeren je wilt zelf tasten naar eten
al kan hand niet meer grijpen – laten vallen en vergeten
vecht als je de douche ziet knetter kortsluiting doodsbang
nee al is het zinloos zij zijn sterker altijd sterker

Geef ons je nee in al je talen fluister verzet zo lang je kan
verzet is kracht is leven is bij ons op aarde blijven
jouw nee is de schots waar we heel even nog op drijven
heel even nog op staan voordat we gaan

 

Konijn

Ik sluit haar kleren op hermetisch
om haar geuren te behouden
het laatste T-shirt dat ze aanhad
en de klamme stervensdeken

Het konijn dat haar de hand hield
toen ze niet goed meer kon praten
hou ik bij me in het donker
om nog iets van haar te smaken

Onder de dekens als het warm is
kan ik de vage pislucht ruiken
en ik adem het als honing
adem haar voor ze vervliegt

 

Dichter Ruth van Rossum publiceerde de bundels Eilandranden en Sakasegawa. Ze redigeerde Hans van Rossums bewerking van de Rubaiyat van Omar Khayyam. Van Rossum treedt op en is dichter voor De Eenzame Uitvaarten in Den Haag. De hier geplaatste poëzie maakt deel uit van Elegie voor de maanprinses, een cyclus van rouwgedichten bij de dood van haar zus.