In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Bijzaak’, uit het eerste nummer van 1984.

*

Kijk: op deze bladzijden staat een glazen stuiter afgebeeld, in verschillende posities en omstandigheden. – Valt uit de foto’s op te maken dat het hier om een heel bijzonder voorwerp gaat? Ik hoop het. Want alleen als deze zwart-wit opnames min of meer duidelijk kunnen maken hoe wonderlijk de aantrekkingskracht van die stuiter is – al blijft het louter bij een indruk, een vermoeden, een licht verlangen misschien zelfs wel naar zo iets fascinerends – alleen dan is dit werkelijk een fotoreeks van de Stuiter met het Zilveren Lammetje. ‘Vanwaar al die hoofdletters,’ zou iemand zich af kunnen vragen. Die zijn er om te benadrukken dat het hier enkel en alleen gaat om de stuiter zelf; los van de herinneringen en gebeurtenissen die hem daarnaast, voor mij, ook een persoonlijke waarde hebben gegeven. Zulke toeneigingen zijn bijzaak, ze leiden de aandacht alleen maar af van de ronde, heldere zelfstandigheid die de Stuiter met het Zilveren Lammetje juist zo betoverend maakt. Hij is zichzelf ruimschoots voldoende; daar is niets anders bij nodig. – Natuurlijk, ook de lichtval speelt een heel belangrijke rol; maar dat geldt toch voor alles wat we met de ogen waarnemen, of het nu mooi is of niet? Hoewel ik er eerlijkheidshalve misschien bij moet vertellen – want wie niet op het eerste gezicht al bekoord raakt zou, bij nader toezien, een zekere argwaan kunnen krijgen – dat het lammetje niet werkelijk van zilver is: het is wit, van zichzelf. Een beetje vuilachtig wit. Het hoeft daarom nog niet van plastic te zijn of van een ander soort kunststof, want daar is het veel te oud voor – mijn overgrootvader heeft nog gezien hoe mijn grootvader de stuiter glimmend wreef tegen zijn grijsgewyberde slipover – maar veel meer dan gips kan het toch ook niet geweest zijn. Poreus, bobbelig gips, een beetje slordig gedaan eigenlijk, met de gietnaad nog duidelijk zichtbaar.
De zilveren schijn is gevolg van, alweer, de lichtweerkaatsing, op de belletjes lucht die het lam in zijn vacht hield toen het kokende glas om hem heen werd gegoten. Maar het resultaat is wonderbaarlijk, dat zal toch niemand willen ontkennen?

Wat ik me nu afvraag, maar wat uiteraard niet meer te verifiëren valt, is het volgende: stel dat iemand de foto’s niet gezien had; hij had alleen de beschrijving gelezen. Zou hij dan toch kunnen begrijpen waarom de Stuiter met het Zilveren Lammetje zo fascinerend is? – Dit lijkt natuurlijk een onmogelijke vraag, al was het alleen maar omdat de tekst tot dusver alle aandacht op de plaatjes richtte. ‘En als je ook zonder foto’s een beeld had willen oproepen, een fascinérend beeld zelfs, dan zou zo’n beschrijving toch op zijn minst een beetje litterair moeten zijn – in elk geval niet zo feitelijk en technisch als hierboven gebeurd is.’ Over het algemeen genomen zal dat zeker waar zijn; maar er bestaat een heel speciale categorie van onderwerpen die zo’n litteraire noodzaak nauwelijks kennen, en het is niet onwaarschijnlijk dat ook de Stuiter daartoe behoort. Het gaat in dat soort gevallen om heel simpele zintuiglijke gegevens waar iemand óf wel, óf niet gevoelig voor is; zoals je of wel, of niet gesteld bent op de smaak van drop, de pluizigheid van mohairwol, de aanblik van rood gekleurde dingen of de sensatie van zwemmen in zee. Voor wie er van houdt is één woord genoeg; en voor wie er niet van houdt eveneens. Zo zal bijvoorbeeld haast niemand bij een zin als ‘Het rook er naar uien’ over de noodzaak van een litteraire vorm gaan praten: het reukgegeven is volledig opgeroepen en er valt niets aan toe te voegen.

Het ziet er naar uit, dat datzelfde geldt voor: ‘Een helder glazen stuiter’. – Er zijn mensen die bijna dagelijks getroffen raken door iets blinkends of doorzichtigs dat ze op hun pad tegenkomen; ze bukken zich bij een stukje glas dat glinstert tussen de straatstenen, in hun jaszak is dikwijls een door kinderen vergeten ‘bakkel’ of ‘katoogje’ te vinden, en hoeveel herfsten ze ook tellen, steeds weer staan ze versteld van een breed uitgeweven spinneweb met dauwdruppels – ‘s ochtends vroeg, in het licht van het najaar. Zulke mensen zullen aan de meest feitelijke aanduiding al genoeg hebben om de Stuiter met het Zilveren Lammetje volledig te begrijpen; je hoeft alleen maar te zeggen: ‘Een glazen stuiter; in de zon, of bij lamplicht’ en zij zien alles meteen voor zich. – Maar ook het tegendeel is waar wanneer het om zulke geneigdheid gaat; iemand die werkelijk een diepe afkeer heeft van de smaak van drop of de sensatie van zwemmen zal slechts met moeite beleefd kunnen blijven wanneer een ander breed gaat uitweiden over een grote puntzak met zoute griotten, of over de natuurlijkheid van de watervlugge vlinderslag – ongeacht de welsprekendheid waarmee zo’n onderwerp gebracht wordt. Aan dit soort haast instinctieve oordelen van de zintuigen of de persoonlijkheid valt blijkbaar niet te tornen: ze zijn onlosmakelijk eigen en je kunt alleen maar hopen dat je woorden in goede aarde vallen.
Maar als dat werkelijk zo is, dan zou iemand die bijvoorbeeld een verhaal schrijft waarmee hij een breed publiek wil bereiken dit type onderwerpen maar beter ongemoeid kunnen laten. Doet hij dat niet, dan loopt hij immers het gevaar dat zijn bedoelingen een volstrekt averechtse uitwerking hebben? – Een dergelijk probleem heeft mij destijds lang beziggehouden in verband met de beroemde madeleine van Marcel Proust. Ook mensen die helemaal nooit iets van Proust gelezen hebben of die, zoals ik, om onnozele redenen aan de verkeerde kant begonnen zijn, kunnen een heel erudiet gezicht zetten wanneer de madeleine ter sprake komt: ‘O ja, Proust… op zoek naar de verloren tijd… prachtig hè, zoals hij door dat koekje, zo’n simpel oorsprongsgegeven, een wereld aan sfeer en herinneringen weet op te roepen…’ – Ik heb inderdaad lange tijd gedacht dat het om een koekje ging zoals je wel aantreft in roomboterallerhande: een dun, bros koekje dat leek op een platte ribbeltjesschelp. Die had ik zelf ook dikwijls in de thee gedoopt, want roomboterallerhande behoorde vroeger thuis tot de zondagse tractaties; en al was ‘soppen’ streng verboden omdat het niet hoorde, toch was het heimelijke resultaat erg lekker, dat weet ik nog goed. Ik kon later dan ook, van horen zeggen alleen al, aardig meepraten over de madeleine; maar toen ik ten slotte de nieuw uitgekomen Nederlandse vertaling van ‘Combray’ ging lezen begreep ik dat het allerminst om zo’n soort roomboterkoekje ging. Het ging om een zeker dik, kruimelig gebakje dat mij verder totaal onbekend was; uiterlijk leek het waarschijnlijk op iets wat kinderen aan het strand met behulp van zandvormpjes maakten. Nog steeds kon ik me echter wel voorstellen dat het een heel bijzondere, smakelijke en intieme beleving moest zijn, zo’n lepeltje in thee geweekt kruimelgebak.


Marcel Proust, de halve wereld en ik, wij waren allen op een verwante manier met dit soort gewaarwording bekend; want een zandgebakje of een boterkoekje, dat ontliep elkaar zintuiglijk toch niet zo heel veel. – Maar ten slotte kwam, weer jaren na deze letterkundige correctie, de tastbare werkelijkheid aan bod; en toen moest ik toch definitief van alle zintuiglijke saamhorigheid afzien. Die werkelijkheid diende zich aan in de vorm van een reusachtige plastic zak met drieentwintig madeleines, aangetroffen en – na een hele serie tegenstrijdige overwegingen – uiteindelijk ook aangeschaft in een Belgische pâtisserie-confiserie. Madeleines waren, zo moest ik begrijpen, van cake gemaakt, en niet van kruimelkoek: madeleines waren sponsachtige, bruine cakejes die je als vochtig schuimplastic plat kon drukken tussen je handpalmen. En toen ik bij de eerste de beste uitspanning in het Frans een glas thee bestelde, de madeleine daar in doopte en ten slotte de kleffe materie die dat opleverde met de tong tegen mijn verhemelte uitperste – toen wist ik me voorgoed beroofd van elke smaakverwantschap die mijn eigen kinderjaren met die van de kleine Marcel zou kunnen verbinden. Dit was vies, het was uitgesproken vies, wee en plakkerig; en al wilde ik nog zo graag alles weer goedmaken, ik kon tegen dit simpele oordeel dat tussen mijn tong en verhemelte ontstaan was niets beginnen. – Peinzend en wat treurig heb ik daar nog lang gezeten, de grote zak met tweeëntwintig madeleines weerloos half open op de rieten stoel naast me.
Misschien is zoiets wel meer mensen overkomen; zij zullen begrijpen dat het een ontheemd gevoel geeft. Maar het probleem waar het om ging was, of nu de beroemde Combraypassage zozeer in zijn zintuiglijke fundamenten werd aangetast dat er voor mij weinig moois meer aan viel te ontdekken. En daar zal waarschijnlijk toch niemand erg lang over na hoeven denken; een dergelijke ‘classic’ als het madeleine-gegeven kan immers onmogelijk afhankelijk zijn van de vraag of een willekeurige lezer zo’n natgemaakt stukje cake wel lekker vindt? ‘Je moet wel afschuwelijk narcistisch zijn als dát je reactie is op het verlies van een zo primitieve vereenzelvigingsmogelijkheid.’ Gelukkig kan ik dat beamen; bij herlezing bleek de madeleine-passage nog steeds heel mooi, al was het vroegere meeproeven nu vervangen door een soort wellevende neutraliteit. Je zou kunnen zeggen dat de ‘inhoud’ van de smaak weliswaar verloren was gegaan, maar dat de vorm, of de bedoeling, daar blijkbaar niet echt onder te lijden had.

Toch heeft me dat wel verbaasd. Doet het er dan zo weinig toe wat men aan oorsprongsgegevens krijgt voorgeschoteld, zelfs als ze je zo persoonlijk raken? Is dat dan alleen maar bijzaak en had de kleine Marcel bijvoorbeeld even goed een chocolaatje in zijn thee kunnen dopen of, stel, een stukje schuimplastic – stopverf misschien zelfs? Nee, zover gaat het niet helemaal; klaarblijkelijk moet het gegeven toch te rangschikken zijn onder wat wij als ‘eetbaar’ kwalificeren – althans in dit geval. Want al vertelt mijn eigen verleden me over de wonderlijke bekoring van bijvoorbeeld het eten van rolletjes teer (‘zwarte kauwgummie’ heette dat, volgens het zomerkamp-vriendinnetje van wie ik het leerde), het proeven van vochtige aarde uit een bloempot met witte cyclamen en, inderdaad, het zorgvuldig bebijten en doorslikken van een stukje beige stopverf, net vers langs een vensterruit aangedrukt – toch leveren dergelijke gewaarwordingen niet de smaak op die met een schemerige middag in Combray te rijmen is. De madeleine doet dat wèl – ook, blijkbaar, voor een lezer die zich niet langer wil indenken hoe zoiets proeft.


Hieruit volgt dat sommige mensen in staat zijn je privébelevingen ongevraagd weg te schrijven; het zintuiglijke eiland van eigenheid en afweer is bijzaak geworden, ondergeschikt aan de bedoelingen van de litterator. Maar is dat dan niet verbazend, of zelfs verontrustend? Wij hebben niet voor niets zulke primaire gewaarwordingen meegekregen; ze staan heel dicht bij het instinct, dat ons bij: ‘Vies!’ hetzelfde vertelt als bij ‘Heet! Scherp!’ enzovoorts, namelijk: ‘Pas op, kijk uit, ga weg!’ In het dagelijks leven doet men er goed aan, dergelijke signalen niet te veronachtzamen. En stel nu eens dat het zelfs mogelijk was om, met litteraire middelen, zulke vitale gewaarwordingen in hun tégendeel te doen verkeren – moeten we daar dan niet erg voor oppassen? – Immers, zoals ik al vertelde: de plastic zak die ik me bij Antwerpen aanschafte bevatte drieëntwintig madeleines. Meer dan een halve daarvan kon ik toen niet door de keel krijgen – maar dat is nu al weer enige tijd geleden. Nadat ik, thuisgekomen, de bewuste passage in de Proust-vertaling had herlezen en vervolgens een prachtige Pléiade-uitgave leende om die ernaast te leggen – dat moet ongeveer twee weken later geweest zijn – waren er nog maar zeventien madeleines over. Het heeft even geduurd, dat is waar, maar werkelijk: ik ben er van gaan houden, van zo’n stukje moscovisch gebak, gedoopt in lindenthee.
‘Nu, dat is toch zo erg niet,’ is misschien een reactie, ‘waarom zou dat verontrustend zijn, laat staan gevaarlijk. Het is toch juist wel aardig dat de litteratuur je smaak zo heeft kunnen verrijken?’ Ja, in dit speciale geval is dat zeker waar. Maar in algemener zin zou ik toch liever op mijn hoede zijn gebleven; het gaat er immers om dat het principe onrustbarend is. – Gesteld namelijk dat ik werkelijk heel goed kon schrijven, en dat ik daarnaast over een licht demonische inslag beschikte. In dat geval had ik deze gelegenheid te baat kunnen nemen om een prachtige vertelling te construeren over de zwarte kauwgummie, over de smaak van vochtige, donkere aarde zoals die niet alleen in een bloempot, maar overal in tuinen en plantsoenen te genieten valt; of over de sensatie van het platdrukken, tussen tong en voortanden, van een balletje verse stopverf. Misschien waren dan meer mensen gaan voelen hoe diep en geheimzinnig de vriendschap is die ontstaat wanneer je zoiets samen doet, of hoe vervoerend de droomwereld wanneer je alleen bent: in een herfstbos bijvoorbeeld, waar je voorzichtig een moskussen lostrekt om de geur te ruiken daaronder, met de smaak van gewelven en China. – Nee, laat het maar blijven bij de knikker, met het lammetje. Een foto kan ieder voor zich zelfstandig afwijzen of goedkeuren, en de bijgevoegde beschrijving verwees alleen maar naar de Stuiter, niet als oorsprong van wat dan ook, maar als doel op zichzelf: het staat iedereen vrij er om te geven of niet.

En het is goed zo, er zijn genoeg andere dingen waar je het over kunt hebben; wij moeten elkaars basis-belevingen maar gewoon met rust laten. Toch zal iemand misschien zorgeloos opmerken: ‘Ach, maar het kan toch helemaal geen kwaad om van die stuiter te gaan houden; ik zou het heus niet erg vinden om daar met litteraire middelen toe gebracht te worden.’ Maar ik zei toch, het gaat hier werkelijk om het principe – het verontrustende feit, dat zoiets mogelijk is. Ik zou er zelfs een morele, een zedelijke regel uit willen afleiden: de aanbeveling om alles wat zintuiglijk zo eigen is, letterkundig ongemoeid te laten.

En het is maar goed dat dat nu zo is afgesproken. Want blijkbaar is het weinig bekend dat ook geboeidheid door doorzichtige dingen lang niet zo onschuldig is als het op het eerste gezicht wil lijken. Het kan namelijk leiden tot een verschijnsel dat niet voor niets de enerverende naam ‘hypnotische hypermnesie’ draagt; wat inhoudt, dat sommige mensen die lang naar een glazen of glimmend voorwerp kijken, opeens allerhande herinneringen krijgen waar ze sinds jaar en dag geen weet meer van hadden. Zoiets kan weliswaar heel belangwekkend zijn, want wie is niet nieuwsgierig naar wat er allemaal in zijn hoofd verborgen zit; maar het kan ook tot zeer griezelige dingen aanleiding geven: zoals herinneringen waar je absoluut niets meer mee te maken wilt hebben, of pseudo-herinneringen die, op hun beurt, absoluut niets met jou te maken hebben – en dan hoeft het niet lang meer te duren of er dienen zich zaken aan als waarzeggerij, helderziendheid, telepathie… spoken en geesten zonder weerga. Nee, dat zijn toch werkelijk geen verschijnselen waar de Stuiter met het Zilveren Lammetje de aanstichter van mag zijn; mijn grootvader, die een doortastend en realistisch man was, zou zoveel spijt krijgen als haren op zijn hoofd – zijn dikke krulhaar was als een muts van grijze astrakan, met nog een extra reepje onder zijn fors gebogen neus – spijt van zijn laatste wilsbeschikking, waarin hij de stuiter onbetwistbaar aan mij vermaakte. Maar hoe had hij ook anders gekund: al vanaf de kleuterschool ging geen paas-, herfst- of kerstvacantie voorbij zonder dat ik wel een paar dagen bij hem logeerde in het donkere huis vol boeken, gedraaide trappen en hoge spiegels. – Grootvader had nooit ergens anders gewoond; hij was hier opgegroeid, evenals zijn vader, mijn vader en drie generaties broers en zusters, van wie ik haast niemand gekend heb. Ten slotte bleef hij alleen over in het oude geblindeerde pand, waar strikte afspraken golden voor de Duitse huishoudster die al ‘sinds alters de familie kende’.
De tijd die ik daar doorbracht stond voor het grootste deel onder de leiding van deze Vrouw Nutzi. Te beginnen bij de dikke griesmeelpap met bruine suiker die zij me in de ochtendkeuken voorzette volgde ik haar bezigheden door heel de woning tot laat in de middag; en terwijl wij, elke dag opnieuw, de trappen boenden, de gebarsten wastafels schuurden, de kussens klopten en de ramen met krantenpapier blinkend wreven zat Grootvader in zijn studeerkamer, waar Vrouw Nutzi maar eens in de veertien dagen mocht huishouden. In de trapportalen kwamen wij hem zelden tegen, hoezeer ik daar ook op hoopte; maar wanneer het vier uur was zou het bijna half vijf zijn, en op dat tijdstip konden wij onze opwachting maken. – Vrouw Nutzi had dan al een presenteerblaadje verzorgd waarop een jubileumbeker met chocolademelk, een glas witte port en een helder gevuld borrelglaasje rondom een schaal zoute koekjes stonden gerangschikt, en samen liepen wij daarmee de gangen door, gelig bijgelicht door een rij schelpvormige muurlampjes. Ten slotte gaf zij het presenteerblad aan mij over en klopte twee maal op de verboden deur. Grootvader zat achter zijn brede bureau; hij legde zijn handen op de leuningen van zijn stoel, verhief zich even, knikte, en ging weer zitten. Soms was hij nog met iets bezig dat moest worden afgemaakt; Vrouw Nutzi nam dan steels de gelegenheid te baat om her en der wat op te ruimen en weg te vegen. Maar hadden zij en ik eenmaal plaatsgenomen in twee massieve fauteuils waar je het oude leer aan de binnenkant in lapjes van af kon trekken, dan zou alles beginnen.
De gordijnen waren dichtgeschoven, de lampen opgestoken, en Grootvader trok de bovenste la van zijn bureau open; daaruit kwam een in bruin papier gewikkeld flesje tevoorschijn dat hij met zijn duim ontkurkte. Ik moest voorlezen wat er op stond – ‘Agnus. tora Elixir’, wist ik uit het hoofd – en er even aan ruiken; dan kreeg hij het weer terug, hield het schuin boven zijn borrelglas en liet er een paar druppels uit vallen. Dieprode druppels waren het, die in het heldere glaasje wolken en slierten draaiden zoals de aders in het marmer van het voorportaal of zoals de rook, kringelend uit de scherpe sigaret die hij nu opstak – nooit zonder Vrouw Nutzi het blauwe blikje eerst hoffelijk voor te houden, een aanbod dat zij steeds afsloeg. – Daarna gebeurde er een tijdje niets waar zij me bij nodig hadden; Grootvader en Vrouw Nutzi praatten over regelingen voor de huishouding en ik bekeek het plaatjesboek dat altijd in deze feuteuil hoorde, plat tussen de zitting en de rechter armleuning geschoven. Maar na ongeveer een half uur waren de glazen en de beker leeg – de zoute koekjes bleven meestal onaangeroerd -; en wanneer Grootvader het uiteinde van zijn tweede sigaret onder de koperen dover geplet had richtte hij nadrukkelijk het woord tot mij om te vragen wat ik alzo die dag gedaan had.
Daar had ik op gewacht. Ik stopte het boek ordelijk terug in de leunstoel en somde een aantal schoonmaakwerkzaamheden of boodschappen op, maar ten slotte kwam dan toch het moment waarop hij zei: ‘Dat is heel mooi van jou. Goed, als beloning zullen we nu…’ Hij schoof zijn bureaustoel achteruit, strekte zijn knieën en liep traag door de studeerkamer. Krakend gingen de deuren open van een beglaasde boekenkast; ik had mijn schoenen al uitgetrokken, zeulde een tabouretje naderbij en ging hoog op de pluchen zitting staan. Dan legde Grootvader zijn hand op mijn schouder en samen keken we naar datgene wat op de bovenste plank, voor een rij gelijkvormige boeken over ‘Brehms Thierleben’, doorschijnend stond te glanzen: de Stuiter met het Zilveren Lammetje. – Wij zwegen en keken, bijna even groot nu; roerloos voelde ik zijn zware hand op mijn schouder. Grootvader hoestte; ik wachtte. Hij hoestte nog een keer, dat wist ik, en daarop begon hij langzaam te vertellen: nu kwam het volgende van de vele, geheime avonturen, die het lam Frederik meemaakte in de kuddes van Gaza, met de herder, en de vijf wolfshonden.
Soms ook zochten wij eerst een kleurplaat op in één van de boeken Brehms; dat was dan het thier waar het avontuur zich op richtte. Maar tijdens het vertellen stond het boek weer in de kast, want het enige waar wij, volgens afspraak, naar keken was de Stuiter met het Zilveren Lammetje. – Vrouw Nutzi was intussen naar de keuken gegaan om het avondeten te verzorgen; ze had het presenteerblaadje meegenomen en ook, uit voorzorg, mijn schoenen. Straks zou ik door de hoge gangen naar haar toe lopen, dan was dit voorbij; en weer hoor ik het geluid waarmee, stroef krakend in hun houten sponningen, de glazen deuren van de boekenkast onherroepelijk dicht gingen. Grootvader had me al van het tabouretje afgeholpen, zwaar sleepte ik het naar de verste hoek van het vertrek terwijl hij weer achter zijn bureau ging zitten. Nu zou ik de studeerkamer verlaten. Op kousevoeten liep ik naar de brede deur, deed die open en stak beide handen achtereenvolgens omhoog: dag en dag, dag Grootvader. ‘Eet smakelijk, kleine, en slaap gezond,’ zei hij vriendelijk.
Door het sleutelgat kon ik nog licht zien; het licht van zijn bureaulamp. In de keuken had Vrouw Nutzi al voor me gedekt, alles wat ik at sneed zij eerst tussen twee messen aan stukjes.

Dit was dan toch, bij benadering, de geschiedenis van de Stuiter met het Zilveren Lammetje. De avonturen die Grootvader kende waren veel levender en mooier, maar die zijn nu voor altijd geheim. Waarom moest deze geschiedenis dan eigenlijk wèl verteld worden – te meer daar ik er, blijkt nu, alleen maar treurig van word? De herinnering werkte veel krachtiger dan te voorzien was, de beelden kwamen ongevraagd te voorschijn terwijl ik lang, te lang misschien, naar de Stuiter staarde en hem draaide onder het lamplicht. Zo gaat dat, ik had het voorspeld; alleen werd ik er nu zelf het slachtoffer van. – Bovendien kan deze geschiedenis ook nog aanleiding geven tot bijvoorbeeld de volgende vraag: – ‘Kijk, alles goed en wel, je vertelt zo’n verhaal; en de glazen stuiter speelt daarin een voorname rol. Maar hoe staat het nu met onze afspraak, over die morele regel die stelt dat je elkaar op een bepaald niveau niet mag beïnvloeden? Heb je nu niet toch geprobeerd om ook anderen tot een dergelijk soort privé-gewaarwording van doorzichtige of glimmende dingen over te halen?’ – Toch is dat werkelijk niet de bedoeling geweest, ik heb er niet eens aan gedacht; ik dacht enkel en alleen aan Grootvader. Maar dat pleit me niet vrij, in tegendeel; want juist hij heeft me laten zien dat je altijd consequent moet blijven. Dus als er bij het verhaal over de Stuiter, hoe onopzettelijk ook, toch van zo’n ‘basis’-beïnvloeding sprake is, dan moet die hele passage misschien zonder meer geschrapt worden.
Maar wacht- want wat een vreemde ontdekking is dit: bij herlezing blijkt dat de hele verontrustende gewaarwording van de Stuiter met het Zilveren Lammetje eigenlijk ternauwernood aan de orde is gekomen. Geen woord over zijn betovering, aantrekkingskracht, verbondenheid… niets, kortom, dat de Stuiter zelf met al zijn fascinerende eigenschappen aan het licht brengt. Maar dat kan toch niet zo maar. Die prachtige stuiter waar, voor mijn gevoel, alles om draait, kan toch niet zo maar bijzaak zijn? – Ik vrees echter dat dat de slotsom is die zich nu onvermijdelijk aandient. Natuurlijk zijn ook hier bepaalde grenzen te stellen: het voorwerp moet bijvoorbeeld wel onder de categorie ‘kleine dierfiguurtjes’ vallen, anders gaat het verhaal te ver ontsporen. Maar dan had het nog steeds even goed een stukje houtsnijwerk kunnen zijn, of een beestje van klei, van stopverf misschien wel – dat had hier zeker gekund. Of wie weet was een afbeelding al ruimschoots voldoende: een schilderijtje, een gravure… of zelfs een foto? Zou een foto of, voor de zekerheid, een hele rééks foto’s, genoeg geweest zijn?
Ik hoop het, want misschien krijgt de Stuiter met het Zilveren Lammetje dan toch nog de genegenheid die hem toekomt; zelfstandig en alleen als hij is, onberoerd door welke beïnvloeding of principiële regel dan ook. Want aan alles wat ik hier ter ere van hem probeerde te vertellen is hij schadeloos ontglipt: ‘Het had evengoed iets anders kunnen zijn.’ Wonderlijk is het wel, en niet helemaal eerlijk ook: dat het voorwerp waar een vertelling soms haar hele bestaan aan te danken heeft, op zichzelf eigenlijk nauwelijks gewaardeerd hoeft te worden. Of het nu mooi oogt of lelijk, klef smaakt of kruimig, van gips of van glas is, van deeg of van duinzand: net als de Stuiter met het Zilveren Lammetje is zo’n ‘oorsprongsgegeven’ niet anders dan bijzaak – betoverende, belangeloze bijzaak.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Verantwoording’, dat het eerste nummer van 1982 opende.

*

Er schijnen mensen te zijn die zo zelden door hun verleden worden aangesproken dat ze er elke voorbije dag, week of maand vrijwel ongemerkt in achter kunnen laten; indrukken of gebeurtenissen die nog wat nawerking hebben worden ten slotte geruisloos door de herinnering afgerond, en mochten zij zichzelf ooit iets te vergeven hebben, dan zal dat weldra vergeten zijn. Hun gedrag is gericht op wat komt, niet op wat geweest is, hun handelingen zijn adequaat en ter zake, en de zeldzame waarneming die hen toch nog aan vroeger doet denken laat hoogstens een spoor na van weemoed: weemoed, geen wroeging, want alleen wie al te vaak omkijkt krijgt de schuld van wat achter moest blijven – en alleen dan vraagt elke herinnering om herstel, verantwoording, genoegdoening.
Maar een verleden dat dergelijke aanspraken maakt kent, zo houd ik mijzelf voor, zijn plaats noch zijn functie. Welk doel immers denkt het te dienen door uitgerekend mij, bij toeval op doortocht in deze provinciestad, al op de eerste straathoek te confronteren met de hulpeloze aanblik van een hoge, blauwgeverfde kinderstoel, precies die van vroeger, scheef geposteerd bij een overvolle vuilnisbak; welk beroep laat het doen door een doodgewoon rijtjeshuis zoals ooit werd bewoond door een oude onderwijzeres met omzwachtelde enkels, haar knotje vol spelden; en welke eis kent het toe aan zes roestige, in hun sierlijke lofwerk nog pijnlijk herkenbare straatlantarens, rommelig afgevoerd op een oranje vrachtwagen? Het is heel goed, houd ik me nadrukkelijk voor, dat dit plaveisel, indertijd vergeven van knikkerkuiltjes en tollegaatjes, nu eindelijk vernieuwd wordt: de omgeving die mij ooit zo vertrouwd was komt nu anderen toe, en wat daarbij verloren gaat is niet, benadruk ik stellig, te mijner verantwoording; wat zich hier voordoet is niet te wijten aan het feit dat ik verhuisde, volwassen werd of in een grotere plaats ging wonen, maar ligt simpelweg in de aard van de dingen zelf, die hun eigen geschiedenis hebben, hun eigen vooruitgang, en hun eigen aansprakelijkheid. – Indrukken en gewaarwordingen moeten zich bij een dergelijke gang van zaken simpelweg aanpassen, ze moeten zijn als een draaiorgelboek dat door je heen trekt en zich dan blad na blad achter je dicht vouwt, elke dag een nieuw lied, elke week een nieuw boek; en nooit, nooit hoef je iets over te doen.

Herinneringen zijn niet alleen vergeefs en overbodig, maar ook misleidend en hinderlijk: de weg langs de gracht die me vroeger naar school voerde, mijn hand tot gloeiens toe glijdend en botsend over de brede hekken die de straat van het water scheidden, geeft immers geen enkel houvast bij de eindeloze bustocht die ik tegenwoordig, in een geheel andere stad, langs hoogbouw en door buitenwijken ondernemen moet om de torenflat te bereiken waar mijn werk zich afspeelt; en evenmin leverde één enkele vermanend uitgereikte kroontjespen per week, of het zo verlangde maar zeldzame verlof met rode inkt te mogen schrijven vanwege ‘fraai en proper handschrift’ ook maar het minste voorteken van het breidelloze aantal balpennen, potloden en viltstiften in tal van maten en kleuren dat me bij mijn huidige werkzaamheden omringt. Waartoe zich wat dan ook te herinneren als elke herinnering verwart, pijn doet en nergens meer antwoord vindt? – Het leegstaande, vervallen schoolgebouw waar ik ooit aldoor te laat kwam vervult, behalve voor graffiti, geen enkele functie meer; de oude gracht met zijn brokkelige trapjes tot vlak boven het water waar destijds brede roeiboten aanmeerden is een modern, strak kanaal geworden tussen lichtroze straten, een prille rij boompjes langszij; en nergens kom je nog iemand tegen die je kent.
– Maar ook in de stad waar ik nu sta ingeschreven zijn straten, grachten en een huis waar mijn herinnering sinds kort een verbod op legt; veel strenger zelfs en veel dreigender, omdat alles hier nog onveranderd aanwezig is, alleen ik zelf niet meer. Misschien zou het nog doenlijk geweest zijn als ook in die buurt opeens niets bij het oude was gebleven, de gebouwen met roze steen gerenoveerd waren en de mensen en bomen van generatie verwisseld; maar statiger nog dan in mijn vroegste jeugd rijen de grachtenhuizen zich aaneen, en fotogenieker dan mijn geboorteplaats ooit was poseert dit stadsgedeelte met zijn ophaalbruggen, oude iepen en klokgevels voor steeds kunstzinniger ansichtkaarten. Nee, dit zijn herinneringen van een andere, dwingender orde; want als de reden waarom ik geen van die ansichtkaarten meer zal kopen en trots op het prikbord in het trappenhuis zal hangen, geen trein van iepenrupsen meer vóór van de straat zal redden om ze zorgvuldig op een boomstam terug te plakken, geen zes liter appelsap en twee dozen vulkoeken tegelijk meer zal kopen, nooit meer – als de reden voor dat alles niet terug is te voeren op de geschiedenis van de stad, de vooruitgang, of de loop der dingen in het algemeen, dat gaat het hier misschien toch om een verleden dat alleen mij aanspreekt, en dus ook alleen mij om verantwoording kan vragen.

 

Hinderlijk trouwens hoe mijn geheugen me de laatste tijd steeds meer in de steek laat op gebieden waar ik nooit eerder veel moeite mee had: voorheen was er weliswaar ook wel eens sprake van overvolle slagerswinkels waar ik, eindelijk aan de beurt, opgeschrikt naar de glimmende muurtegels tuurde om vervolgens bij de vinnige slagersvrouw drie kadetjes en een reep chocola te bestellen, maar dat soort verwarring bleek met behulp van zakboekjes en het bezoeken van uitsluitend zelfbedieningszaken nog redelijk te verhelpen. Nu, sinds ik een paar maanden geleden verhuisd ben, lijkt de absentie echter steeds dieper te gaan, en langzaam maar zeker de kern van mijn bestaan te willen raken. Want hoezeer de dingen in deze nieuwe woning ook hun vaste plaats hebben gekregen, gericht op een practische leefwijze – de lucifers bij de sigaretten, de boeken bij het bureau en de borden bij het aanrecht – toch ben ik voortdurend alles kwijt, en, wat erger is, verlies zelfs bepaalde automatismen; zoals de vanzelfsprekendheid waarmee men, thuiskomend van zijn werk, eerst de sleutel in het slot draait en dan pas de deur probeert open te doen; vervolgens eerst op zijn minst zijn wollen muts afzet en pas dan onder de douche gaat staan, om ten slotte niet ook nog, als het avond is en acht uur, ongewild en ongeweten een volledig ontbijt voor zichzelf klaar te maken.
Na weer zo’n serie gebeurtenissen sta ik verstrakt bij het raam van mijn eenpersoons keuken en probeer enig houvast te vinden in het geordende uitzicht op een reeks welverzorgde, statige buurttuinen met reusachtige beuken en kastanjes; het geeft rust en regelmaat om de bomen te tellen bijvoorbeeld, of hun namen te repeteren, ik zit hier drie verdiepingen hoog en kan de takken zelfs niet aanraken, maar het is goed om dit alles te zien en terdege te kennen. – Kom, wring je muts en sokken uit, zet dat ontbijt in de ijskast tot morgenochtend. Niet alles is onherstelbaar, soms gaan dingen vanzelf over. Misschien komt het omdat in dit huis niemand woont behalve ik zelf. Misschien komt het omdat in dat andere huis iedereen woont behalve ik zelf.
(En ga je nu vooral niet herinneren hoe blij en verbaasd je was toen alles begon en jullie in dat hoge, verwaarloosde kantoorpand aan het werk gingen, ieder weekeinde, met reusachtige breekijzers en klauwhamers en kruiwagens vol puin die je op verende rubber banden naar de zoveelste container toe reed. Iedereen zag grijs van het stof en als je lachte knarste het tussen je tanden, je haren werden dik en stroef als houtwol. We droegen overalls en stofbrillen, soms zelfs doeken voor onze mond, en werkten al maar door, verdieping na verdieping; steeds hoger weerklonk het kraken en scheuren van triplex wandplaten, het beuken van de breekijzers, het roepen over en weer. – En herinner je nu niet de pauzes waarin we bij elkaar zaten, kartonnen vol appelsap rond lieten gaan om de smaak van het gruis weg te spoelen, en een steeds luxueuzer voorraad tompoezen, stroopwafels of geglaceerde koeken verdeelden. Het heeft geen zin om opnieuw te voelen hoe trots we waren op onze resultaten, hoe saamhorig, en hoe verwachtingsvol over het huis zoals dat ging worden: elke verdieping zou, eenmaal schoongesloopt, worden ingebouwd door vaklieden volgens ieders eigen maar in voortdurende samenspraak evoluerende wensen en ideeën. En toen de bouw eenmaal begon, hoe vaak kwamen we niet kijken om elkaar daarna persoonlijk of telefonisch op de hoogte te kunnen stellen van onze geestdrift of verontwaardiging; we hielden ontelbare vergaderingen, en hoe meer alles tegenliep, hoe sterker de band werd die ons gezamenlijk gelijk moest bekrachtigen. Ten slotte begon het verven, sausen en afwerken, en richtte ieder zijn belangstelling meer op de eigen, gloednieuw ontstane kamers; maar de koffie-, thee- en appelsappauzes bleven, zodat we elkaars werkzaamheden tussentijds uitputtend konden bewonderen onder het uitwisselen van tal van opinies en raadgevingen. – Nee, ik wil me dit niet herinneren, evenmin als de veelvoudige verhuizing die daar op volgde, de kamperfoelie en de blauwe regen die we tegen de voorgevel plantten of de trapleuning die, pas maanden later eendrachtig in felle kleuren geschilderd, als een guirlande alle verdiepingen verbond. Ik wil me dat niet herinneren omdat ik het nooit had moeten geloven, nooit had moeten geloven dat het iets veilig stelde. Alsof niet alles wat je opbouwt in kan storten, en alsof juist ik niet al jaren eerder in de meest absolute zin met dat besef geconfronteerd werd (- o nee, hoe veel minder nog mag ik me dát herinneren, van die spiegel die brak en die zeven jaar schuld gaf; steeds als ik hem lijmde raakte alles vertekend – nee, doe toch weg al die vreselijke beelden, weg ermee, zie hoe ik me niets, helemaal niets meer herinner -) zie hoe ik uit het raam kijk, met alle kracht, niet staren maar kijken, wat een ontzettend grote kastanjeboom is dat, dikke duiven zitten erin, een, twee, drie, vier, ik houd niet zo van duiven maar van tuinen des te meer, ook al zijn deze hier net zo min van mij, net zo verboden en onbereikbaar als – stop, wat moest ik ook weer doen? Kleren uitwringen, ontbijt wegzetten, het is intussen al haast donker aan het worden…) Ik probeer in beweging te komen, me om te draaien, maar dan, vanuit mijn ooghoeken, bemerk ik iets en blijf oplettend en roerloos staan: vlak naast het kant en klare ontbijtblad zit een klein, bijna zwart muisje doodstil op het aanrecht. Hij kijkt naar mij, ik kijk naar hem, hij heeft zich rond gemaakt als een balletje van bont met opvallend grote doorschijnende oren en zijn ogen zijn glimmende kralen; precies een speelgoedmuis. Maar al binnen een halve seconde schiet hij langgerekt weg, valt met een bons van het aanrecht en verdwijnt in een spleet tussen de muur en de ijskast. – Dag muis, je had van mij niet weg hoeven gaan, je had best mogen blijven. Jou kan het immers niet schelen of je diner nu een ontbijt is of niet, en zo moet het ook wezen. In elk geval heb je me prachtig weten af te leiden; ik zal nu gewoon het licht aan doen, een ei gaan bakken, koffie zetten, een boek lezen… In twee nog ietwat onzekere stappen ben ik bij het aanrecht, haal de kaas tevoorschijn, snijd er een dikke scheve plak af voor straks, over het ei, en leg de korst vlak voor het muizeholletje.

Want natuurlijk heeft niet iedereen een verleden dat hem constant bedreigt, en als zíj gewoon door kunnen gaan wil ik dat ook kunnen, in dezelfde stad, onder dezelfde weersomstandigheden, via dezelfde routes langs straten en winkels. En als een gesprek dan niet te ontlopen valt, goed: laten wij glimlachen, laten we elkaar vriendelijk groeten en recente belevenissen uitwisselen, laten we afspraken maken en bij het uiteengaan breed wuiven, slingerend op onze fiets; laat dit dan genoeg zijn, geen woord van herinnering, alsof we elkaar op geen andere wijze gekend hebben. Voor hen is wat voorbij ging voorbij, er komt steeds weer iets anders en niets vraagt om rekenschap; want steeds blijft voorop staan dat de dingen hun eigen geschiedenis, hun eigen redenen en hun eigen beloop moeten hebben.
– Maar in hun huis niet ver van het mijne rinkelt soms midden overdag de telefoon, terwijl iedereen naar zijn werk is. Ik ben het, aan de andere kant van de lijn; ik bel als er niemand thuis is, om alleen te kunnen luisteren naar de zoemtoon die met zachte tussenpozen in mijn oor bromt terwijl ik me de kamer voorstel waar nu gelijktijdig, tot in de verste hoeken, een helder parallel geluid weerklinkt; rinkelend langs vensters, deuren en witgepleisterde muren, stuiterend over een blinkende spiegel, hakend achter een grote fotocollage vol bekende gezichten, hinkelend over het kleurig geblokte vloerkleed en struikelend, om het oude bankstel heen, op weg naar de zonnige open keuken waar op het fornuis… maar dan breekt het regelmatige zoemen af en wordt gevolgd door een nijdig, kort aangebonden getuut dat me betrapt de hoorn op de haak doet leggen.
Soms wordt er midden in zo’n rondgang toch ineens opgenomen, maar voor dat soort omstandigheden heb ik van te voren een algemene vraag bedacht; en wanneer ze me antwoorden, hartelijk als altijd, luister ik meer naar de geluiden op de achtergrond en de vertrouwde klank van hun stem dan naar wat er precies gezegd wordt. Mijn eigen reacties klinken misschien werktuiglijk – ja, het gaat goed, nee, er is verder niets bijzonders, ja, ik zal gauw weer eens langskomen – maar hebben dan ook de verdienste geen enkel verleden aan te spreken; ten slotte leverde de plaats die ik toen tussen hen in dacht te nemen geen enkele voorspelling over de huidige omstandigheden, met een gloednieuwe bewoonster die mijn kamers bezet houdt om redenen die, dat begrijp ik heel goed, veel doorslaggevender zijn en veel strikter ter zake doen dan welke herinnering ook.

Nu was ik gewaarschuwd, o ja, maar dan: erg nabij leek het toen allemaal niet, en er was immers een kans dat het zelfs nooit zou hoeven gebeuren. Dat hoopten we allemaal, natuurlijk, maar ik nog het meest, of het minst tegenstrijdig; en dat ik het onderscheid tussen hun positie en de mijne niet voldoende gemaakt heb is stellig mijn fout geweest, mijn eigen vergissing. Maar dan: hun taal, hun wereld was toen ook al zo veel vanzelfsprekender dan de mijne; vaak moest ik over hun zinnen zeer lang nadenken voordat ik de precieze bewering begreep, en als ik hun die dan ten slotte voorlegde, simpel en strak als een sluitrede, bleek nog dikwijls dat dat allemaal niet was wat zij zelf hadden willen zeggen. Het moest zachter zijn, wellevender, vol dubbele ontkenningen en modaliteiten, terwijl ik me juist genoodzaakt zag te zoeken naar betekenissen en consequenties die door geen enkele modaliteit versierd werden. Vandaar misschien ook dat hun ogen wazig werden toen ik, vooral sedert mijn verhuizing, mijn vragen steeds dringender door begon te drijven om hun uitspraken zo scherp te krijgen dat het mijzelf haast pijn ging doen. Hen niet; zij glimlachten terughoudend en veilig, met in hun stem iets van mededogen. – ‘Het lijkt wel alsof jij zelfs je privégesprekken nog in een computer moet stoppen’ zei laatst iemand, verwijzend naar mijn werk en beroep, ‘omgang met vrienden is toch waarachtig wel meer dan een studie in taalvergelijking?’ Dat moest ik beamen, gegeneerd, maar ook treurig. Want ik wist niet precies wat dat ‘waarachtig wel meer’ dan moest zijn als het mij niet buitensloot, aangezien zij onderling steeds opnieuw blijk gaven van een soort elastische consistentie die voor hun eigen positie een volmaakte verantwoording opleverde – en geen enkele voor de mijne. Maar misschien zijn zij daarom ook samen gebleven, en ik niet. Misschien zijn zij daarom gelukkig aan het worden –

In ieder geval heeft mijn werk het voordeel dat het zich afspeelt in een sfeer van volkomen duidelijkheid. Al zodra ik opsta ben ik me bewust van de heldere reeks vaste plaatsen en tijden die zich voor me uitstrekt, te beginnen bij een goed getimede opeenvolging van douchen, aankleden en ontbijten, waarna het nieuws op de radio het teken is om mijn jas aan te trekken, het huis af te sluiten en op weg te gaan naar de bus. Meestal staat die er dan al, dus stap ik in, vouw mijn buskaart scherp langs de voorgeschreven lijn, steek hem in de gele automaat en bekijk, eenmaal op mijn vaste plaats gezeten, tevreden de versgedrukte tijd (do 10 1/4) die me door een mechanisch brein is aangezegd. Het zachte zoemen waarmee de busdeuren zich uitvouwen en sluiten doet me, als er niemand naast of tegenover me is gaan zitten, dicht bij het raampje onderuit zakken, en zonder aan ook maar iets te denken kijk ik naar buiten terwijl de welbekende route probleemloos aan me voorbij trekt. De binnenstad heeft nog iets rommeligs, met hoge, tegen elkaar leunende huizen waar het beddegoed over de kozijnen hangt en groentewinkels allerhande kisten gekleurd fruit op de stoep hebben staan; de bus hotst over de straatstenen en stopt veelvuldig. Maar dan komen de buitenwijken met minder haltes of stoplichten, en het egaal geasfalteerde wegdek ligt tussen brede trottoirs, begrensd door eenvormige huizen waar je van voor naar achter doorheen kunt kijken: ordelijke buurten met soms een reeks goed onderhouden voortuintjes waarin de brievenbus, naast het klaphekje, een groot wit nummer draagt. Dan volgen villawijken, die de aandacht nog minder hoeven bezig te houden, en daarna wordt de bebouwing gaandeweg zowel schaarser als kolossaler: rechthoekige of L-vormige vrijstaande kantoorflats, geflankeerd door beschaafde schuine rijen glanzend gekleurde auto’s. Nu wordt het ongeveer tijd om aan het touw te trekken en uit te stappen; ik ben weer de enige, dat komt door het late uur waarop ik doorgaans begin en ophoud, en alleen voor mij vouwt het portier zich dubbel open en dicht. Ik loop langs een weg met jonge, ontbottende aanplant in vers geschoffelde borders, doorkruis zigzaggend een parkeerterrein, duw tegen brede glazen deuren en ruik de vertrouwde geur die ik me, net als de geur van schoolgebouwen, nooit te binnen kan brengen, maar altijd herinner: hier een mengsel van vloerbedekking, kopiëermachines, koffieautomaten, warme lampen en papier. Een trap op, weer glazen deuren. Langs de receptie, een eindeloos stelsel van witte gangen met blauwe lopers door, stoppen bij de automaat ‘warme dranken’, omzichtig voortwandelen met een gloeiend bekertje koffie, laatste deur door en kijk, iedereen is er al; groeten, jas uittrekken, plaats nemen. Op mijn bureau staat een telefoon, en links heb ik een tafel met een kleine computer waarop ik, na wat koffiedrinken, roken en in het rond kijken, de resultaten van mijn werk van de vorige dag intik. Een televisiescherm vertelt me onder zacht ratelend gebliep in groenig oplichtende cijfers en letters precies datgene wat ik er zojuist tegen beweerd heb; ik leun achterover op mijn bureaustoel met wieltjes, knik instemmend en druk op een knop: wat jij onthoudt, mag ik vergeten. Ik verfrommel een papier, mik het naast de prullemand, sta op, gooi opnieuw, dit keer raak, en ga als beloning een volgende koffie halen. Hoe ik ook op gang kom, het oogt altijd hetzelfde.
De gesprekken die hier gevoerd worden betreffen het werk, en het werk alleen. Men spreekt over eenduidigheid, consistentie, gelijkvormigheid of andere begrippen waarmee woorden, uitdrukkingen en zinnen gecategoriseerd kunnen worden, en de kleine computers die wij afzonderlijk gebruiken geven hun informatie later, vaak ‘s nachts, door aan een grotere, die midden in de kantoorruimte staat en waaraan je ook vragen kunt stellen. Als hij het antwoord niet weet komt dat ofwel doordat de informatie ontbreekt, of omdat de vraag verkeerd gesteld werd: men moet heel zorgvuldig met hem omgaan, en een goed begrip hebben voor de tekens waarin hij zich uitdrukt. Die tekens zijn eenvoudig en doeltreffend, maar verschillen door hun gedeeltelijke willekeur op een, zo vindt men hier, soms hinderlijke wijze van de omgangstaal. Vandaar waarschijnlijk dat vaak wat snibbig tegen hem gedaan wordt: stuurs naar het scherm blikkend kruist men de armen, wipt heen en weer op zijn stoel, heft de handen ten hemel en bewerkt het toetsenbord ten slotte met drie personen tegelijk. Dat moet niet, dat lijkt me niet goed; dat de taal die wij onderling gebruiken steeds maar even vanzelfsprekend en soepel verloopt verhult immers zoveel ernstiger nadelen. Soms meen ik dit soort dingen te moeten uitleggen, bijvoorbeeld tijdens de theepauze, maar er is dan niemand die me tegenspreekt en de computer staat zacht zoemend in ons midden, geflankeerd door twee grote aluminium theepotten en een rommelige verzameling halflege kopjes, terwijl er elke dag weer andere koekjes worden rondgedeeld en wij elkaar beurtelings inschenken.
Op de grens van middag en avond, wanneer de anderen deels samen, deels afzonderlijk vertrokken zijn, ga ik soms alleen voor hem zitten, roep ongericht verschillende termen op en kijk hoe hij zijn lichtende tekens onder een vriendelijk gepruttel aaneenrijgt, verwijdert, verschuift, verandert. Ik denk aan het ajourwerk van magnetische draadjes, ringetjes en lasjes achter zijn scherm, hoe de gegevens en opdrachten daarlangs heen en weer schieten, zuiver als water, niets dan de waarheid. Ik denk aan wat ik hem zou willen vragen, wat ik zou willen dat hij me vertelde en hoe ik hem zou geloven, hem als enige – omdat hij alleen is, op zichzelf als geen ander. Maar ook al heeft hij een nog zo omvangrijk geheugen, hij kent geen herinneringen; dus wat kan hij weten van verwachtingen, vanzelfsprekendheden, van wat dan ook dat niet eerst expliciet en ondubbelzinnig werd ingevoerd? Als ik hem met mijn eigen opvattingen liet programmeren zou ik alleen maar zelf gelijk krijgen, en evenmin iets te weten komen over het systeem van afspraken en vooronderstellingen waarin alle anderen consistent samen konden blijven, en alleen ik telkens faalde.
Ik zucht, sta op en haal mijn zoveelste zwarte koffie. In de gangen brommen al tonvormige reuzenstofzuigers, alle deuren staan open, en schoonmakers met dweilen en zinken emmers vegen bureaus schoon, zetten asbakken met een klap neer en spreken elkaar toe in onverstaanbare talen. De ceremonie van het groeten verloopt nu anders dan tijdens reguliere kantooruren: zij en ik hebben wederzijds iets schichtigs. Wat doe ik hier dan ook nog steeds? Ik loop hen alleen maar in de weg, en bij de koffiemachine is het al zo donker dat ik het plastic bekertje verkeerd houd en mijn rechter hand een stroom heet water over zich heen krijgt. Toch blijf ik, doe de deur van onze kantoorruimte goed dicht, en zit opnieuw voor de computer.
Het is al schemerig hier, en groen oplichtend kijkt hij naar me terwijl ik een sigaret draai en terug kijk. Misschien heeft hij wel zo’n goed geheugen en zo’n perfect gelijk, altijd, juist omdat hij geen herinneringen kent, geen verleden heeft dat hem vragend en verwijtend telkens opnieuw ter verantwoording roept bij alle informatie, elk gegeven, ieder beeld en elk teken dat hij te verwerken krijgt – maar wacht even, aan wiens kant staat hij dan eigenlijk? Persoonlijk zou ik misschien toch wel eens willen weten wat er gebeurt als… – Ik druk mijn tong tegen mijn voortanden, sla de begintoets aan en tik snel, voorovergebogen, de term ‘verantwoording’ in. Laat nu maar eens kijken wat jij dáár van terecht brengt; ik van mijn kant zal alle voorschriften in acht nemen, hoffelijk je complete ceremoniëel van toetsen en tekens respecteren, en dan is de beurt aan jou: vrij van verleden, adequaat en ter zake als geen ander mag je me opheldering geven.

Behoedzaam en geheel volgens de regels beschrijf ik een paar eigenschappen van de term: syntactische, morfologische, fonetische, drie korte zinnen waarin hij voorkomt, en de twee betekenissen die het standaard woordenboek vermeldt. Ik lees de informatie over, zend hem weg en neem een slok koffie. – Wat nu? Nu gaat hij deze twee betekenissen vergelijken met de beschrijving die anderen al hebben ingevoerd zonder dat ik er van af wist: met een derde betekenis, die verklaren zal waarom het woord hen zo veel minder aangaat dan mij. Hij heeft die informatie in zich en moet mij die nu geven; hij is mijn spion, mijn getuige. Dus stuur ik hem de opdracht te zoeken naar betekenis 3, en wacht. Maar op het scherm verschijnt na veel geschuif en gewissel alleen het knipperende teken voor ‘onbekend’. Onbekend – hoezo onbekend? Is de hele term er eertijds nooit ingestopt? Dat kan niet; zo ver kan het onmogelijk gaan. Dus nogmaals: wat is die onbekende betekenis? Waarom noem je hem zo – soms omdat je hem schuilhoudt? Ik druk op toetsen: zoek beter. Zoek nog eens. Ik wil dat je die informatie hebt; ik wil dat je hem geeft. Als jij hem niet geeft geeft niemand hem, en er moet een toegang zijn. Ik blader verwoed in de beduimelde handleiding; misschien is er een speciale methode om verborgen gegevens op te vragen. Op de gang komt het geraas van de stofzuigers steeds nader, steeds dichterbij slaan deuren open en dicht. In mijn hoofd begint iets vreemd hoog te zingen, een beklemde gejaagdheid maakt zich van me meester; ik verslik me in de koffie, mijn sigaret is uitgegaan, en in de schemerdonkere zaal vol lege bureaus licht de vlam van mijn aansteker hoog op. – Dit is onzinnig, laat ik hier mee ophouden; het was maar een proefneming, een spelletje; ik weet heel goed dat hij geen schuld heeft, hij weet het werkelijk niet, ook al hebben nog zoveel andere mensen hem nog zo veel informatie gegeven; deze methode is fout, het is onzin. Maar een felle, duizelige woede begint zich aan me op te dringen, en opnieuw vraag ik naar de derde betekenis, met hetzelfde resultaat; dan naar de ‘andere’ betekenis, de betekenis die anderen misschien gegeven hebben; met als gevolg een dollarteken omringd door haakjes en procenten, wat neerkomt op een foute vraagstelling. Maar mijn vraagstelling is niet fout, mijn vraagstelling is namelijk perfect, en altijd dezelfde: de andere betekenis wil ik weten, niet alleen van verantwoording, maar van alles, alle woorden, zinnen, gedragingen en overtuigingen die ik om me heen waarneem; datgene wat voorondersteld moet zijn, vanzelf schijnt te spreken en voor iedereen aanvaardbaar lijkt te maken dat alles is zoals het is en gaat zoals het gaat, voor iedereen, behalve voor mij. Mijn woede krimpt samen, concentreert zich. Ik kijk fel naar het scherm: verantwoording. Meerv geen/verkleinw geen. Een on buigzaam woord; het heeft dan ook veel te verbergen – voor mij, ja zeker, maar voor hen vast nog wel aanzienlijk meer. Zij vinden computers koud, willekeurig, meedogenloos; maar wat is er zo superieur aan de ondoorzichtigheid van hun eigen informatie? Maakt die hen soms minder onbereikbaar, minder onafhankelijk en vrij van verleden, minder adequaat en ter zake in wat voor hen routine is, de routine van het dagelijks bestaan? – Het begint er trouwens verdacht veel op te lijken dat hun kracht precies daarin ligt: in de ongrijpbare, verhullende termen van hun omgang, waardoor hun zicht op de wereld zo versluierd raakt dat ze onvatbaar worden voor de dreiging die mij, elke dag opnieuw, voor vrijwel iedere waarneming loodzwaar aansprakelijk stelt. Want als zelfs de vastomlijnde schema’s van mijn werk, de strakheid van dit gebouw, de zakelijkheid van onze besprekingen, als zelfs ook het glaszuivere mechaniek van deze schuldeloze machine mij niet veilig kan stellen – misschien zal ik hun geheim dan niet moeten zoeken in duidelijkheid of verborgen kennis, maar in onduidelijkheid: in hun vermogen, alles precies zo ontoegankelijk te laten als het zijn wil. Geen verantwoording, geen derde betekenis, geen aansprakelijkheid; geen rekenschap en geen redenen behalve de loop van de dingen, de gang der historie, of noem maar wat zij het noemen. – Misschien, ja. Misschien moet je daar genoegen mee kunnen nemen.
Ik sta op, ik ben moe genoeg nu om weg te gaan, en in de kamer hiernaast rammelen al emmers en klakken asbakken op stalen bureaus. Ik pak mijn tas, kijk naar de computer. Eigenlijk moet ik hem uitzetten, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen: hij is zo zeldzaam onschuldig. Een toegift dan? Snel loop ik naar hem toe, wis het scherm schoon en tik met één hand, met de andere de bureaustoel bijtrekkend, het woord ‘drie’ in, voorbeeldig gevolgd door de vereiste gegevens, zoals dat het hier gaat om een telw en wel een hoofdtelwoord met als rangtelw het woord ‘derde’ (zie ook aldaar); het heeft in sommige functies een meerv, in andere een verkleinvorm, en er valt zo vast nog veel meer over te vertellen, maar dat zal ik een volgende keer nog wel uitzoeken. Het gaat nu om de toegift, die ik verstoppen zal tussen de voorbeeldzinnen. Ik wrijf over mijn ogen, maar hoef nauwelijks na te denken over de eerste: vbz I wordt ‘drie is te veel’, en vbz II, direct daar achter aan: ‘in de formele logica kent men de wet van het (of -: de) uitgesloten derde’. Mooi zo, dat is dus duidelijk; met dat soort duidelijkheid zijn hij en ik beiden vertrouwd genoeg. Maar nu voorbeeld III, waarin staan zal wat ik hem aan wil bieden. Even aarzel ik nog, gehinderd door iets, een opkomende herinnering; of misschien ook door één van de strikte richtlijnen waaraan ik me volgens de instructie dien te houden (‘in de voorbeeldzinnen is poëzie geoorloofd, mits kort gehouden en expliciet deel uitmakend van de literaire overlevering’) maar goed, het zij zo; en in fluorescerend groen verschijnt op het scherm achter voorbeeld drie:

hoor mijn vrind
door de bomen waait de wind
er waren drie schepen
de ene ging naar noord
en de andere naar zuid
en de derde kwam nooit weer-om-me
slaap mijn kind
door de bomen waait de wind
en er is maar Eén die
de derde weer-vindt

Terwijl ik naar het scherm tuur – wat blijft er van zo’n liedje over als je de melodie er niet bij hoort – dringt de herinnering van zoëven zich opnieuw, maar nu glashelder op: een vreemd huis met een hoge trapleuning waar ik nauwelijks bij kan, een nieuw ruikende pyama en een logeerbed met een hard plat kussen onder mijn hoofd; mijn vader en moeder zijn weg, ze zijn me niet meer op komen halen, en iemand die mijn tante is zit op het voeteneind en zingt een liedje voor me, dit liedje – ik lig doodstil en probeer niet te luisteren naar haar stem, wie ben jij, waarom doe je veel te aardig, waarom mag ik niet weten waar – ik staar naar een onbekende, gefiguurzaagde lamp aan het plafond, de kale peer in het midden doet pijn aan mijn ogen die ik stijf dicht knijp, handen op mijn oren die gaan gonzen, stijf dicht… – Dan klapt, achter mijn rug, de deur plotseling open en ik veer overeind; er stappen twee schoonmakers binnen. ‘Ik ben al weg hoor!’ roep ik iets te hard, struikel naar mijn bureau, pak jas, tas en das en ren de gangen door, de trap af, naar buiten.
Onderweg, in de bus terug, bedenk ik dat ik vergeten ben het versje weg te zenden en de computer uit te zetten. Morgen zullen de anderen het dus vinden en waarschijnlijk uitwissen, omdat het te lang is, en te weinig ter zake; maar vannacht is het voor hem, en niemand zal ooit weten wat het betekent behalve hij en ik. Het is een oud slaapliedje en het is de grens, de bodem van mijn herinnering.

Nee, jullie hadden gelijk: laten we het verleden voorgoed afsluiten, en alleen nog maar spreken over gebeurtenissen van nu; over gedane boodschappen, een fiets die kapot is, ons werk, onze plannen, en eventueel, zij het zelden, over een heel vroeger van driewielers en roestige zandvormpjes, herinneringen die nog vóór onze eigen aansprakelijkheid liggen; maar laten we het nooit, nooit meer hebben over een recenter verleden waarin we samen waren, en waarin voor het laatst wakker werd gemaakt wat nu voorgoed in slaap zal blijven. Ja, het gaat beter nu, maar vraag me niet hoe ver je gaan moet om te begrijpen dat je nooit meer, zoals vroeger, net zo lang kunt zeuren tot ook het derde scheepje, gepavoiseerd en wel, de haven weer binnen komt stomen. Volgen jullie dit nog? Ik houd nu nadrukkelijk vol dat het er altijd maar twee geweest zijn, want alles is draaglijk zo lang je niet anders gekend hebt. Nee heus, het gaat goed nu. Ik heb fascinerend werk, ik woon comfortabel, en er is ook verder nog zo veel te doen. – En jullie? O, wordt het huis steeds mooier, de verstandhouding steeds beter; dat wil ik graag geloven, alles moet intussen heel vertrouwd en tevreden zijn geworden – computers, houden jullie ook van computers? Nee, daar houden zij niet zo erg van, databanken, volkstellingen, schaakmachines… Haastig begin ik een ordeloze uiteenzetting over mijn computer, wat hij allemaal weet en kan, hoe vriendelijk zijn geluiden zijn en hoe zuiver zijn antwoorden. Maar ik zie hen elkaar aankijken, wegdrijven, ze gaan weg: het is tijd om weg te gaan. Vanuit het raam kijk ik ze na, ik zie hoe ze weggaan naar noord noch naar zuid, en ondanks de krampachtige leegte in mijn hoofd weet ik, en zal ik steeds weten, hoe ik hen gekend heb; ik heb hen gekend.
– Dat er op een gegeven moment een ander zou komen om mijn plaats in te nemen – ik wist het, men had me er van te voren over ingelicht; en ook al was ze nieuw en kende niemand haar, het geld was hard nodig en mijn verblijf werd weliswaar op hoge prijs gesteld maar was daarom niet minder gratis; dus als er een koper kwam moest ik het veld ruimen – niet dan nadat, trouwens, en daar kon ik volledig op rekenen, ook voor mij een volwaardig heenkomen gezocht was. Ik weet het: op de hele procedure is niets, maar dan ook niets aan te merken, en gevoelens of herinneringen zijn hierbij evenmin functioneel of ter zake als bij tollegaatjes en knikkerkuiltjes die het wegdek onbruikbaar maken, of bij de oude geur van potloodslijpsel en bordesponzen in een vervallen schoolgebouw.
‘Hoe bevalt ze trouwens, die nieuwe, kunnen jullie een beetje met haar overweg?’ meende ik zonet toch nog te moeten vragen, terloops in de kast zoekend om hen vervolgens, rammelend met het theebusje, de rug toe te keren. ‘Ja, dat gaat heel goed,’ hoor ik, ‘ze past zich uitstekend aan en ach, wij kenden elkaar immers ook niet allemaal toen we aan het huis begonnen; zoiets regelt zich vanzelf, op den duur’.
Het regelt zich vanzelf dat men komt, dat men weggaat, dat men liefheeft en verwijderd raakt, iets vindt en het kwijtraakt; en heel dikwijls doet de vraag naar verantwoording nauwelijks ter zake. Als de computer geen antwoord geeft is dat niet omdat hij speciaal voor mij iets verborgen wil houden, als de bus niet stopt bij de halte is dat niet omdat juist ik er nu in wil stappen, en als ik degene was die elders moest gaan wonen kwam dat niet omdat het mijn verdiende loon was op grond van eigenzinnigheid, onverantwoordelijkheid of gebrek aan aanpassingsvermogen, maar simpelweg omdat alles zijn eigen beloop heeft en steeds maar weer gaat zoals het gaat; meer valt er door niets en niemand ter wereld nog over te zeggen. Voor de derde en laatste keer is een verlangen onbereikbaar geworden, maar van nu af aan zal ik, met uiterste toeleg, een andere koers varen.
Goed dan, het bezoek is vertrokken; laat ik de kopjes opruimen, de overvolle asbak leeggooien, iets te eten klaarmaken, en intussen uit het keukenraam naar de tuinen kijken voordat de schemering ze geheel in beslag heeft genomen.

Zie hoe het groen iets geheimzinnigs krijgt nu het licht bijna weg is; ver aan de overkant steekt men achter hoge, zeventiende-eeuwse ramen de lamp aan en trekt de lange overgordijnen dicht. – Misschien wil de muis nog komen; dit is het uur van de muis. Ik heb hem niet vaak meer gezien, maar elke dag leg ik wat voor hem neer en het is bijna altijd weg; dat geeft een soort huiselijke voldoening.
Morgen zal ik vroeg naar mijn werk gaan. Als het mooi weer is, zoals vandaag, zal ik niet de bus nemen maar de fiets, en bovendien zal ik ‘s ochtends de vuile was in de gootsteen te weken zetten, dan kan ik die ‘s avonds uitspoelen. Al die dingen zijn practisch, functioneel en voortvarend; en dat is precies wat ik van nu af aan zijn zal.

De volgende dag verloopt geheel volgens plan, en laat in de namiddag fiets ik tevreden huiswaarts, ongestoord door het feit dat mijn achterwiel hartverscheurend piept en één pand van mijn lange zwarte jas tot twee keer toe zo verstrikt raakt in de spaken dat de fiets met een ruk tot stilstand komt.
Terwijl de voordeur, slepend over de krant die op de mat ligt, achter me dicht valt besluit ik dat er nu ook maar meteen een afspraak gemaakt moet worden met mijn oude huis om nog wat laatste spullen daar weg te halen: een versleten maar dierbaar vloerkleed, een grijs gemarmerde melkkoker met ronde gaatjes langs de rand van het deksel, een grote rieten prullemand. Ik stap, mijn jas nog aan, rechtstreeks naar de telefoon; zij zullen nu ook wel thuis zijn. – Maar wanneer aan de andere kant van de lijn een opgewekt ‘Hallo, met Mabel’ klinkt, knijpen mijn ogen zich vanzelf stijf dicht en moet ik de hoorn wel een decimeter van mijn oor af houden. Mabel, dat is de nieuwe bewoonster; ze heeft in het buitenland gezeten en blijkt daar een Amerikaans accent te hebben opgelopen, niets stemt me onverdraagzamer dan dat. Het is verboden de taal te contamineren die de kern van mijn werk is, mijn dagelijks brood; ik ruik al het scherpe parfum waarmee ze ginds, in mijn voormalige kamers, de lucht vergiftigt. Ik maak duidelijk wie ik ben, en dat ik één van de anderen wil hebben. Maar dan zegt ze, terwijl mijn ogen zich gaandeweg heel wijd openen en de hoorn steeds dichter bij mijn oor komt, dat het groots (great) is dat ze me spreekt, dat ze al een paar keer geprobeerd heeft me te bellen omdat ze plotseling terug moet naar de States (the States), waarschijnlijk voor vrij lang, een paar jaar wel, maar dat ze de verdieping hier beslist wil aanhouden, en of ik er voor zou voelen die tegen een vrij lage huurprijs opnieuw te betrekken; dat de anderen in het huis gezegd hadden dat ik dat vast graag zou willen. Ik leg mijn hoofd tegen de stoelleuning, haal diep adem, en kijk naar het plafond. ‘O, zeiden de anderen dat?’ breng ik tenslotte uit. ‘Maar waarom – wat zeiden ze dan nog meer? Vonden ze het zelf ook… ik bedoel, vonden ze – ’ Ik hoor gefluister aan de andere kant van de lijn, dan ‘wacht even, hier komt…’ en vervolgens de vertrouwde stem van één van de huisgenoten. Hij vraagt wat ik vind, of het niet allemaal wat plotseling is, Mabel vertrekt al over een paar weken? Ik vraag wat híj vindt, en de anderen, maar hij lacht onbekommerd: ‘Leuk natuurlijk, best leuk. Wat mij betreft was je…’ – ‘Maar als ze weer terug komt? Wat gaan jullie dan doen?’ Een korte stilte, de telefoon kraakt. ‘Wat ga jíj dan doen,’ antwoordt hij, ‘dat lijkt me een betere vraag. Verder zal het zich heus wel regelen – het is dit keer toch ook prima gegaan?’ Ik zet mijn ene voet dwars op de andere, iets te hard, het doet pijn aan mijn wreef. ‘Je moet er maar eens goed over nadenken,’ vervolgt hij, ‘mijn zegen heb je, wees daarvan overtuigd.’ Ik zwijg even, beloof dan gauw terug te zullen bellen, en leg de hoorn op de haak.
Ik hang mijn jas op, loop naar de keuken en kijk uit het raam. – ‘Het doet nauwelijks ter zake waar men zich bevindt,’ citeer ik, met een strakke blik op de kastanjebomen, ‘zo lang men maar strikt alleen weet te blijven’. Geen verwachting, geen binding; niets, niets dan de feiten. Geen herinnering. Haar parfum uit die kamers zwavelen. – Maar dit hier… begon ik het nu niet juist te leren? Ik zucht, wat een beroering opeens. En wat moet er anders van de muis worden? Dat is toch niet goed, hem in de steek laten. Vreemd trouwens dat zijn kaaskorstje er nog is; krom getrokken en vettig glimmend ligt het naast de ijskast. – Kom, laat ik de was uitspoelen, zo keurig vanmorgen in de gootsteen te weken gezet. Ten slotte heb ik hier ondanks alles toch mijn eigen, overzichtelijke bestaan, met vrijwel niets te verliezen; dat is misschien nog wel zo veilig. Daarginds… Ik kneed het wasgoed, grijp in het koude grijze water. Hee, wat is dat. O god nee. Nee toch. – Op mijn trillende hand waar het vuile waswater in straaltjes van af druipt ligt stijf en roerloos de muis, mijn muis, zijn pootjes krom en bleekroze tegen de donkere, kletsnatte vacht. Mijn muis. Ik leun tegen de muur, staar naar zijn minuscule tandjes, draai hem voorzichtig om op mijn hand, ronde oren, neusgaatjes zo klein als het oog van een naald. Dat komt ervan, dat komt ervan, gonst het door mijn hoofd, je wou hem in de steek laten. Jouw muis hè? Ha. Dat komt er dus van.
Maar dan strek ik mijn rug en schop driftig tegen het kaaskorstje, dat onder de ijskast verdwijnt. Wat komt waarvan, mag ik dat misschien even weten nu. Had ik dan niet de was in de week moeten zetten, niet naar mijn werk moeten gaan en de hele dag de wacht moeten houden om dit te voorkomen; is dit soms weer zoiets dat alleen ik uitentreuren zal moeten verantwoorden? Ik weiger dat, ik doe het niet meer; alles regelt zich immers vanzelf of gaat zoals het gaat enzovoorts, dus ik ken nu mijn plaats, en mijn functie.
Ik ga bij het raam staan, de muis op mijn hand, doe het venster open en houd hem hoog boven de tuinen. Al die bomen die ik geteld, genummerd en benoemd heb, de reeks lange ramen aan de overkant waaruit ‘s avonds het licht grote gele vlakken op het gazon werpt, de serredeuren die de eigenaars op zomerochtenden wijd open doen om thee te gaan drinken aan ronde witgelakte tuintafels – onbereikbare tuinen waar ik alleen maar naar kan kijken, en dat is goed zo; ze behoren anderen toe, en ik zal me er buiten houden. Ik breng de muis, in de palm van mijn hand, dicht bij mijn gezicht en blaas voor het eerst en het laatst zacht over de haartjes tussen zijn ronde doorschijnende oren. Dan strek ik mijn arm en laat hem los, en hij valt, drie verdiepingen omlaag, tussen de struiken in het gras. Ik buig me ver uit het raam, maar kan tussen het schemerige groen niet zien waar hij ligt. Zijn vredige rustplaats daar waar ik nimmer een voet zal zetten: er is er maar Eén die hem ooit nog weer-vindt. Ik droog mijn handen aan de theedoek, loop naar de telefoon en draai met een nieuw, geel potlood één van hun nummers. Ik zal hun mijn besluit nu dadelijk meedelen: zonder verantwoording, adequaat, en ter zake.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ is hier ‘Bezoekuur’, in een gezamenlijke huiskamer in de late avond, leeg.

*

Dit hier is wat ze de huiskamer noemen, de eettafel met zeker twaalf stoelen rondom, het gigantische televisiescherm, het zachte brommen uit een van de twee hoge koelkasten. – Hoe moe kan je worden van nietsdoen, urenlang had ze niets anders gedaan dan bij het bed zitten waar een lieve tante stil voor zich uitstaarde, haar ogen in diepe schaduwkuilen. Wanneer is het voldoende geweest, wanneer ga je weg? Ze is weggegaan. Niet eens gemerkt dat het stortregent buiten maar dat doet het, het is laat op de avond en toen de nachtzuster vroeg of ze wat koffie wilde met de glimlachende verzekering, hand op haar arm, dat ze rustig kon blijven tot de bui voorbij was, ging ze zitten aan de gemeenschappelijke tafel, een vaas in het midden. Boeket met een kaartje, onleesbaar van hieraf. Links liggen tijdschriften op een rechthoekige stapel, aan een van de stoelen hangt een plastic tas waar dikke breinaalden uit steken en het televisiescherm geeft geluidloze beelden van een natuurpark met dieren, rechtsonder een gebarentolk.

Verder niemand meer hier, ze kijkt uit op een lange, stille gang waar de vrouw voortschuifelt die zonet haar kleurige breiwerk zorgvuldig oprolde en wegborg in de plastic tas; ‘Zo,’ zei ze terwijl ze haar onderzoekend aankeek, ‘morgen is er weer een dag, ik zeg maar tot ziens.’  Een kleine vrouw, goed verzorgd, met heel donkere ogen en hoge, bijgetekende wenkbrauwen. Hoe traag ze ook voortbeweegt, een hand af en toe tegen de muur, opeens is ze verdwenen. Weg. In de lange, lege gang brandt bij twee deuren een lichtje, een rood en een groen; het zeil op de vloer is onder de tl-buizen glimmend lichtgrijs, geen eind komt eraan.

Ook de nachtzuster is in het niets verdwenen, de koelkast is stilgevallen en de regen is mogelijk opgehouden, zo stil. Het is laat op de avond, ze hoeft nergens naartoe. Gedachteloos zit ze daar, de koffie vergeten, handen los in de schoot. Nergens beweging, er is geen verschil met de vaas op de tafel, de tas aan de stoel, de klok boven de deur en de lange, glimmende gang daarachter, zonder einde onder het bleke licht.

 

Afbeelding van ClaudiaWollesen via Pixabay

Anne Boyer: de redacteur begon aan een talig, onomfloerst persoonlijk en hard essayboek over kanker – dat het intieme overstijgt.

*

Daan Stoffelsen: Anne Boyer, Het ontsterven

Het thema is omgeslagen naar kanker. Ik ben begonnen aan Anne Boyers essayboek Het ontsterven (The Undying, vertaald door Henny Corver), dat gisteren verscheen; ik lees een eerste proef met passende traagheid op mijn e-reader. De Amerikaanse dichteres (geen familie van Marian Boyer (1954-2013), wier post-operatieve roman Fantastisch lichaam ik destijds heel indringend vond) kreeg er een Pulitzer voor, en ik begrijp dat wel. In korte hoofdstukken, met kernachtige alinea’s, beschrijft ze onomfloerst de val van de patiënt, de pijn en het ongemak. Ze haalt er klassieke en moderne literatuur bij, en toont een betrokkenheid die het persoonlijke overstijgt.

In haar voorwoord is ze al snoeihard en trekt ze het maatschappelijker dan alleen het lichamelijke en persoonlijke, om te besluiten met een talige invalshoek:

‘Iedereen die borstweefsel heeft kan borstkanker krijgen, maar het zijn vooral vrouwen die er de desastreuze gevolgen van ondervinden. Bij vrouwen met borstkanker kunnen die desastreuze gevolgen de vorm hebben van voortijdige dood, een smartelijk sterfproces, ziekmakende behandelingen, ziekmakende nawerkingen van behandelingen, verlies van partners, inkomen en vermogen. Maar die rampspoed is vaak ook het gevolg van het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt — klassenpolitiek, achterstelling van vrouwen, ongelijke overlevingskansen op grond van ras, het roterende schema van warrige instructies en brute mystificaties.

Zijn weinig ziektes zo rampzalig voor vrouwen als borstkanker, nog veel minder ziektes veroorzaken zoveel pijn en leed. Die pijn en dat leed worden niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door wat erover wordt geschreven, of niet geschreven, of door de vraag of erover moet worden geschreven, of op welke manier. Borstkanker is een ziekte die zich presenteert als een ontregelende vormkwestie.’

Ik voel toch even aan mijn eigen borstweefsel. Kanker is al langer een belangrijk onderwerp voor mij, het lift al een kleine dertig jaar mee, sinds mijn moeder het voor de eerste keer kreeg, en nog lang nadat ze eraan overleed. Het is persoonlijk – voor mij, voor vele andere direct of zijdelings getroffenen, en dus ook voor Boyer. Maar Boyer maakt er meer van, op het moment dat het een ‘ontregelende vormkwestie’ wordt, is het een literair thema. En dan is dit wat schrijvers moeten doen: niet beschrijven, maar inschrijven, ómschrijven. Dus het medisch-analytische in de zorg duiden, de opgelegde positiviteit veroordelen, de terminologie kraken. Ja:

‘We worden ziek, “vallen” ziek, en onze ziekte valt onder de harde hand van de wetenschap, valt op glaasjes onder zelfverzekerde microscopen, valt in verbloemende leugens, valt in medelijden en public relations, valt in nieuwe pagina’s geopend op je browser en nieuwe boeken op de plank. Dan is er dit lichaam (mijn lichaam) dat slecht overweg kan met onzekerheid, een leven dat onder de uitheemse terminologie van de oncologie openbreekt en dan in de kloof van die taal valt.’

Hier heeft Henny Corver vast zitten zwoegen. ‘Fall ill’ zal er gestaan hebben, maar ‘vallen’ is zo essentieel, ook verderop, dat dit oneigenlijke gebruik gerechtvaardigd is, poëtisch zelfs, en niet zoals de ‘uitheemse terminologie van de oncologie’. Ik las vorige week Lieke Marsmans Wereldkankerdag-gedicht, dat met opgewekte verhoudingen van een op drie begint, en in vrije val eindigt:

‘En een op de drie krijgt kanker. Ziet de arts de gang op komen, weet eigenlijk de uitslag al. Die blik: de proclamatie van een ramp. — Ziet het gewone leven op een sloepje stappen, is de galeislaaf bij zijn eigen zinken.’

Zo werkt literatuur: het heel prozaïsche van de aanzegging, en dan het beeld van zelfvernietigende onderwerping. Daar schrijft Boyer ook over. Ze las natuurlijk Susan Sontag, maar ook Aelius Aristides, die naar de tempel van Asclepius ging om mogelijke therapieën in zijn dromen te ontvangen, en ze leest alle chemotherapiebijsluiters, zodat ze, als de echtgenoot in de Noorse film Hope (2019, bekeken via Picl) PubMed als haar ‘nieuwe beste vriend’ lijkt te beschouwen. Ze scheidt de dodelijke ziekte van de vernietigende behandeling; voor haar eerste behandeling draagt de verpleegster een beschermend pak, het toegediende middel komt samen met mosterdgas in de bloedbaan. We bestrijden dood met dood.

Ze ziet ook de bureaucratie, en draait het om:

‘Ik ben ziek en vrouw. Ik noteer zelf mijn naam. Bij elke afspraak krijg ik een uitdraai uit de centrale database die ik moet aanvullen of fiatteren. Zonder ons zouden de databases leeg zijn.’

En maakt eindeloos vergelijkingen die de ziekte de gezonde wereld in trekken.

‘In de week voor de chemo is het alsof je je voorbereidt op een winterstorm, of een winterstorm en een logé, of een winterstorm, een logé en een bevalling; of het is misschien ook alsof je je voorbereidt op al deze drie plus een vakantie, griep en een korte maar hevige depressie, terwijl je nog nahikt van de vorige storm, logé, bevalling, vakantie, griep en depressie.’

Nóg een winterstorm! Een indrukwekkend boek over ziekte en vrouwen en pijn en woede en bedden en de afwas – en dan moet ik nog 55% lezen.

En ik zag dus Hope, waarin regisseuse Maria Sødahl haar eigen ziekteverhaal gefictionaliseerd heeft: een fatale hersentumor, net voor kerst. Een vreselijk vonnis, zeker als je hebt kennisgemaakt met haar lieve samengestelde gezin, dat ook de niet-perfecte balans tussen haar en haar oudere echtgenoot ondermijnt. Bizarre stemmingswisselen, pijnlijke eerlijkheid en ontroerende momenten wisselen elkaar af. Bijzonder overtuigend, goed gedoseerd en gespeeld, met bijna-identieke ziekenhuiskamers en autoritten met wezenlijke gesprekken, en van die vragen die je jezelf gaat stellen: hoe zou ik reageren, hoe zou ik helpen, voelen, aanraken?

Kunst belicht het onzichtbare, en dat doet zo’n film veel directer dan een boek. Maar het thema dringt zich weer bij me naar de voorgrond en met Boyers boek ontpopt het zich als een nieuwe lens op het lichaam en de wereld.

Het ontsterven verschijnt bij AtlasContact.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Vincent Van Meenen.

*

 

2

Mijn boot is leeg, de schipper leest haiku’s
aan het kanaal. De sluiswachter kijkt scheel.
Hij smeert ons in met afvalwater, slijm.

Het kan slechter. Ze maken nog geen zeep
van ons buikvet. Ik wil geen video’s
meer zien, ik wil je adem ruiken ’s nachts,
niet de walm van het collectief geheugen.
Waarheen moeten de bladeren ons dragen?

Verlaat het bed, verdrijf de droom. Genoeg
gelachen met geschiedenis. Sta op.
Ga aan de slag. Je wordt hier niet gedoogd.

 

 

Vincent Van Meenen (Haute-Vienne, 1989) is de prijswinnende auteur van drie Nederlandstalige romans, uitgegeven bij Nijgh en Van Ditmar. Hij heeft een tijdje theater gemaakt met vluchtelingen in Athene en doctoreert in het surrealisme aan de Universiteit Antwerpen.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet’ is hier het derde verhaal: ‘Heimwee’, die ‘stekende, samentrekkende kramp’, zelfs bij het puzzelen.

*

Er zijn dingen die te dicht bij het oude heimwee komen, het zijn er soms zoveel dat hij aan niets anders kan denken: hij blijft thuis en houdt zich bezig met enorme legpuzzels, net als vroeger. Al kan zijn heimwee ook dan plotseling opkomen, bij zo’n afbeelding van een schaapskudde op de hei, van de duinen met hun helderwitte zand, en zelfs bij dit schilderij nu, van een brieflezende vrouw. Hij heeft de omtrekken nog niet gelegd, het licht van links uit het raam langs de rand van haar blauwe jak, of hij herinnert zich – wat herinnert hij zich, waarschijnlijk iets van toen hij klein was, geen idee eigenlijk. Maar geen twijfel over het gevoel, dit is de stekende, samentrekkende kramp van het heimwee. Die kleine handen, hij heeft er drie stukjes voor nodig, makkelijk genoeg en dan de haarlok langs de wang en de wenkbrauw, hoe is het mogelijk dat ze die in tweeën hebben gebroken, die snee in het midden nee onzin, kom nou, zij weet immers van niets. Hoe lang geleden alweer dat ze daar gestaan heeft, aan het venster en wat leest ze, die wenkbrauw, het zal toch niet iets ergs zijn geweest; haar mond staat een beetje open en hij schaamt zich bijna als hij de stukjes samenvoegt, zo nabij. Maar goed dat zij ook daar niets van kan weten: hoe hij hier zit, voorzichtig zijn duim op haar lippen plaatst en de mond omhoog schuift, nog net geen aansluiting bij de wenkbrauw maar hij gaat nu liever eerst aan die landkaart op de achtergrond beginnen, de stevige, donkere lijn van de stok waardoor de kaart mooi recht hangt. Iets te makkelijk eigenlijk, maar zo is hij zijn gevoel weer een beetje de baas.
Hoe dan ook kan hij beter landkaarten doen, daar leer je wat van en hij heeft van vroeger nog hele grote die bijna niet op de tafel passen. Maar zelfs dan kan het heimwee hem aangrijpen, de puntige bergketens, de blauwe meren van Zwitserland en de kleine, schuin gedrukte namen van een waterval, een bergpas. Hij herinnert zich de overdekte houten brug, het tochtje met een boot, hoe heet het, een raderboot ja, de o zo hoge, spierwitte sneeuw tegen de lucht, het zwevende silhouet van een vogel. Toen. Hij was er, hij heeft het meegemaakt, soms komen geuren terug in zijn neus, klinkt in zijn oren een verre taal. Er was zelfs een puzzelstukje met de naam van het dorp waar het kabelbaantje begon, daar weet hij nog alles van, de uitroep van zijn moeder toen het opeens stopte en ze stil bleven hangen, een kwartier lang tussen hemel en aarde zo eindeloos, met in zijn mond een Zwitserse kruidenbonbon.
Hij haalt koffie en overziet staande de puzzeltafel, brieflezende vrouw. Het lijkt een chaos maar hij weet het precies, de grote en kleine eilanden die bij de stoel horen met bolle koperen spijkers, bij de landkaart, de geplooide doek linksonder. Haar handen, de wenkbrauw. Het heimwee is al bijna weg, blijft in de luwte; hij vindt dat hij snel is vandaag, goed werk, hij krijgt er plezier in. Dus als een tijdje bezig is geweest met een beschaduwd, wit muurvlak, erg moeilijk en saai, gaat hij toch weer op zoek naar de grenzen van datzelfde wit met het blauwe jak – nog niet meteen de voorzijde die zo helder is en zo hopeloos teder, maar de achterkant: stevig en donker in een rechte baan, solide haast, als een boerenkiel.

 

Beeld via het Rijksmuseum.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Evenbeeld’, uit het vierde nummer van 1980.

*

Deze wereld, er is geen betere, want hier is alles zelfstandig en stelt me geen vragen meer.
Elders zijn mensen, in groepen of paren; ze zijn steeds samen, en er was ooit een tijd waarin ik daar bij wilde horen. Maar dit werd de plaats waar ik blijven zou, en hier is een mooie, zwart met zilveren typemachine, een armband van glazen kralen, en een zachte, mohairwollen trui, waarvan ik de rechter mouw over mijn hand heen trek om de toetsen van de schrijfmachine glimmend schoon te wrijven. De letters op de toetsen worden beveiligd door een klein glasraampje, in een rond venster van blinkend chroom. Beveiligd waar tegen? Tegen het vuil van mijn vingers.
Ginds, achter de ramen van hun huizen, zijn mensen, mannen en vrouwen. Nu het zomer wordt zullen ze hun vensters wijd open zetten, en zoals ik hier kijk naar de letters van mijn schrijfmachine of de kralen van mijn armband, zo kijken zij naar elkaar, naar elkaars gezicht, handen of gebaren. – Maar wat zij doen heet liefhebben, en wat ik doe niet. Hoe zou ik nog liefhebben, nu ik weet dat ginds alles bezet is? Mijn bestaan kwam daar duidelijk ongelegen; hoe ik het ook inkleedde, men bleef me steeds aankijken met een gezicht, een houding alsof mijn aanblik nooit vanzelfsprekend zou worden. Dus waarom zou ik nog elders mijn best doen, terwijl hier bezigheid genoeg is, stapels papier, talloze bladzijden die ik kan vertalen, uittypen, corrigeren? Ik werk aandachtig, ik zorg dat het goed komt; en hier zal niemand me wegkijken.

Maar zojuist heeft een nieuw, inktzwart carbon mijn vingerafdrukken op iedere getypte pagina zichtbaar gemaakt, en al poetsend en raderend, bladzij na bladzij steeds weer diezelfde zwarte vingers (wat voor vingers? Jouw vingers, jij), dreigt mijn aanwezigheid ten slotte ook mezelf te veel te worden. Toch is dit de kleinst mogelijke wereld en er is geen betere, want alles wat ik ginds probeerde te zijn, tot ieders echo en evenbeeld toe, bleek onder geen voorwaarde langer vol te houden. – Hardnekkig radeer ik verder, en naarmate de resultaten beter worden neemt de dreiging af. Nu ik tot slot, met mohairwollen vingers, ook de toetsen van de schrijfmachine weer schoon heb gekregen rest hier geen spoor meer van mijn aanwezigheid, en gerustgesteld leun ik achterover tegen de hoge stoelleuning, terwijl mijn ogen de dingen op het bureau een voor een opnemen. Naast de stapel papieren links staat, op een dik woordenboek, een melkfles met een rode geranium, daarnaast een aarden potje met pennen en potloden, daarnaast een koperen asbak. Ik strek mijn hand uit om een sigaret te pakken, en de glazen kralen van de armband glijden doorzichtig glanzend van onder de pluizige mouw te voorschijn.
Ik kijk, dus ik ben. Het enige dat ik niet zien wil is mezelf, want daar grenst deze wereld zich af, en er is geen andere.

Wanneer ik tussen de middag het huis uit ga om yoghurt, goudreinetten en een buisje potloodstiften te kopen heb ik geen haast, maar mijn voeten gaan sneller dan nodig is. Het werk ging goed, het weer is zacht en wijst op het voorjaar, waar komt die gejaagdheid vandaan? Altijd dezelfde vraag, nooit een afdoend antwoord. Te veel mensen, te grote gebouwen, ja ik weet het; maar ook een dun, voorzichtig zonlicht over de grachten, mijn zijige fluwelen jas die voor ‘t eerst dit jaar niet dicht hoeft, en bij de kruidenier paaseieren in helder gekleurd staniolpapier. Waarom klopt mijn hart dan alsof het gevaar loopt, tranen mijn ogen tegen de zon, en glippen in de kantoorboekhandel vijfentwintig dunne potloodstiften tussen mijn vingers door om als een ragfijn mikado op de toonbank uiteen te vallen, terwijl ik alleen maar wilde weten hoeveel er in een buisje zitten? Met diezelfde handen heb ik vanmorgen de glazen kralen van mijn armband op een nieuwe draad geregen en daar een minuscuul viervoudig knoopje in gelegd, en met dezelfde ogen heb ik gisteren bij het licht van een felle bureaulamp tot diep in de nacht door gelezen. Maar dat was mijn wereld, aan een tafel bij lamplicht, waar alleen vermoeidheid soms dwingt tot verandering. Daarbuiten echter…

Een luid belgerinkel onderbreekt mijn thuisweg, terwijl nog maar één gracht en een klein straatje me van de voordeur scheiden. Gelaten sta ik stil en leun met mijn tas op een inmiddels door de brugwachter neergelaten slagboom. Traag gaat vlak voor me de witte ophaalbrug omhoog, zodat de vuile onderkant, breed en roestig, haast beschamend zichtbaar wordt. Ik kijk nu aandachtig toe, mijn armen om de boodschappentas geslagen. – Geneer je maar niet hoor, zeg ik in stilte tegen het anders zo sierlijke en op vele prentbriefkaarten afgebeelde brugje, en mijn ogen volgen de zware boot die langzaam en bijna geluidloos tussen de kademuren door glijdt. Het is een open vrachtboot vol grind, twee mannen lopen met stokken langs de boorden heen en weer en op het korte achterdek staat, op een geruite deken, een lege kinderbox met een kleurig telraam tussen de houten spijlen. Het kind zal wel binnen zijn, achter de raampjes van de kajuit. Bij de box staat een zonnestoel, en naast een opengeslagen tijdschrift zit een versleten teddybeer, één arm hangt dun en afgekloven langs zijn lijf. Ik kijk de boot na tot hij plechtstatig de hoek om draait en, in breder vaarwater gekomen, stampend en kolkend zijn snelheid verhoogt. Knopen heet dat, bedenk ik terwijl mijn ogen zich iets toeknijpen tegen de schittering van de zon op het water: hij maakt nu meer knopen. Ik schrik op als de brug zich met een bons in ere herstelt en de bomen piepend omhoog gaan, zodat de tas bijna uit mijn armen gedrukt wordt.
Ik heb nu geen haast meer, en sta lang stil bij een boekenstalletje waar alles één gulden kost, drie boeken voor een rijksdaalder. Eenmaal aangekomen bij het hoge oude huis waarin twee kamers van mij zijn haal ik eerst een onbekende fiets weg bij de kamperfoelie die tegen de gevel geplant is, en kijk dan of er al knopjes te zien zijn. Nee, maar wel talloze nieuwe grijsgroene blaadjes; en aan de voet van de struik, tussen de tegels, heeft iemand twee grote, helder oranje primula’s gepoot.
Deze wereld, er is geen betere.
‘Je waarnemingen doen alles eer aan, zelfs een ophaalbrug kan op je medeleven rekenen en mijn eigen primula op een jampotje water; noem je dat dan geen liefhebben?’
‘Nee, het is vooral kijken, en kijken alleen is voldoende. Als je kijkt neem je niets in bezit, je hoeft geen antwoord; maar bij liefhebben ben je uit op wederzijdsheid…’
‘Aha. En wat is daar tegen?’
‘Je wilt een beloning in de wacht slepen, begrijp je, je wilt iets terughebben; terwijl echt, goed kijken op zichzelf al zo volledig is dat wederzijdsheid, dus als er ook nog terug wordt gekeken, een soort paradox geeft – met als eindpunt het kijken naar jezelf.’
‘Je wilt toch niet beweren dat het einddoel van communicatie een blik in de spiegel zou zijn?’
‘O nee, geen doel, maar een onvermijdelijk gevolg. Wederzijdsheid leidt tot de eerste bewuste blik in de spiegel… en dat is, geloof ik, het begin van een soort einde -’
Wanneer de bezoeker, een medebewoner, na een verschrikte blik op zijn horloge en een haastig ‘Later verder, O.K.?’ langs het hoge trappenhuis naar beneden rent en de voordeur heel in de verte in het slot valt sta ik nog peinzend op de donkere overloop en kijk naar de spiegel bij de kapstok. Hoe zouden mensen zijn die nooit spiegels gekend hebben? Helemaal vrij van zelfbewustzijn? Nee, de spiegel zal gevolg zijn, geen oorzaak. Je wilt, op een bepaald moment, zien wat ieder ander ziet behalve jij: de aanblik die je ook zelf blijkt te bieden, je evenbeeld. Pas dan is je voorstelling van de wereld volledig en kun je haar afsluiten, maar dat betekent tezelfdertijd het begin van een soort einde. Waarom kan ik deze dingen toch nooit duidelijk genoeg uitleggen?
Fronsend ga ik aan mijn bureau zitten, voorzie een smal, groen vulpotlood van de nieuwgekochte spelddunne stiften en teken op een schoon vel schrijfmachinepapier zorgvuldig een grote cirkel, die weer even onzuiver wordt als elke meetkundige figuur waarmee ik mijn gedachten doorgaans orden. Zelfs de simpele raaklijn die ik nu links aan de cirkel trek, als profiel van de spiegel die het wereldbeeld afsluit, valt dun en beverig uit. Dan maar een lachspiegel – trouwens vast niet veel verschillend van het rimpelende wateroppervlak dat ooit Narcissus’ ondergang werd. Het begin van zijn einde… La Mythologie, est-elle une Psychologie? Ik leg mijn armen om het papier heen en denk aan het verhaal van de nimf Echo, die Narcissus zo lief had dat ze, toen wederzijdsheid uitbleef omdat Narcissus alleen zichzelf aanbad, ‘wegkwijnde naar lichaam en geest, en slechts een stem werd die zich alleen kon verheffen om ieder ander tot weerklank te dienen.’ Nog niet zo lang geleden deed ik voor haar nauwelijks onder, maar ik ben er op tijd mee opgehouden zodat ik haar nu, aan de overkant van de cirkel, een tweede, iets beter geslaagde raaklijn kan geven. Zij echoot de wereld, hij spiegelt zichzelf: een ideaal paar, zou je denken, zuiver complementair. En diametraal tegenover alles wat nu nog binnen mijn eigen bereik ligt; maar daar kan ik toch moeilijk spijt van hebben. – Nee, ik heb geen spijt, want dit is de plaats waar ik thuis hoor; zo is dat afgesproken.
Ik vouw het papier twee keer dubbel, kras met mijn nagel de vouwlijnen plat, en teken op de voorkant van het zo ontstane boekje de grote bloem van de geranium; dan links-binnen de doorschijnende melkfles, rechtsbinnen een paar kralen van de glazen armband met het viervoudige knoopje in het midden, en op de achterzijde het vulpotlood dat ik vasthoud. Kijk nou weer, een vulpotlood dat zijn evenbeeld natrekt – soms zijn de dingen ook echt geen grein beter dan de mensen. Gehinderd scheur ik het boekje aan stukken, gooi de snippers in de overvolle prullemand naast het bureau, en trek de schrijfmachine vastbesloten naar me toe. Laat ik toch gewoon mijn werk doen, net als ieder ander. Echo en Narcissus zijn raaklijnen: niets deden ze, helemaal niets, alleen liefhebben, zichzelf of een ander, en misschien is daar even weinig verschil tussen als tussen heel koud en heel warm – van allebei krijg je dezelfde blaar. Waar het op aan komt is datgene wat daar tussen in ligt; alleen daar is mijn wereld, en alleen dat is waar ik naar kijken wil.
‘De kennis die ons via de zintuigen bereikt,’ vertalen de klakkende toetsen van de typemachine, ‘verschaft ons de hoogst denkbare zekerheid. Zien, horen, ruiken en voelen vormen de basis van alle kennisverwerving. Kennis die niet zintuiglijk is, en dus op minder zekerheid aanspraak kan maken, noemen we afgeleid, in die zin, dat…’
De deur piept, en als ik me omdraai komt op dunne rode kousebenen Lisa binnen, het dochtertje van de huisbewoner die voor de primula’s zorgde. Onder haar arm houdt ze het grote mythologische platenboek dat ik haar gisteren heb meegegeven, toen een verhaal niet op tijd kon worden uitverteld.
‘Heb je ‘t gelezen?’ vraag ik.
‘Nee, veel te moeilijk,’ zegt ze, legt het boek bij de juiste bladzijde op het bureau neer, en leunt tegen mijn stoel. ‘Zulke rare woorden, idioot gewoon. Wat is nou – eh…’ Ze strijkt met haar wijsvinger over het opschrift boven aan de bladzijde, Metamorphoses Ovidii. ‘Dat kan ik zelfs niet eens zéggen. Wil jij het uitvertellen?’ Vleiend legt ze haar arm om mijn hals; een groot Mickey Mousehorloge tikt tegen mijn oor. ‘Weet je, dan mag jij ook strakjes’ – ze wil keurend op haar horloge kijken, maar het zit om haar andere arm – ‘daarna dus, bij ons komen eten.’ – Ons, dat zijn zij en haar vader. ‘Dat hoeft niet hoor,’ zeg ik terughoudend, ‘ik heb niet zo’n honger Maar ik wil het verhaal best uitvertellen.’
Tevreden wringt ze zich tussen het tafelblad en de stoelleuning op mijn schoot, duwt bedrijvig de schrijfmachine een eindje weg, en controleert nu met succes de tijd: ‘Nog een half uur hebben we, dan moeten we eten. Jij ook hoor, want je zegt altijd dat je geen honger hebt,’ ratelt ze overredend door, ‘en toch ben je veel te dun, voel maar.’ Ze knijpt vakkundig in mijn bovenarm, en voorspelt meteen daar achter aan op sombere toon: ‘Dus als je niet oppast word jij straks ook nog een steen.’ Daar moet ze in haar eentje smakelijk om lachen, de slimme, sprietige Lisa, die zelf alleen rijst met mayonaise zegt te lusten. Echo, had ik haar gisteren verteld, wilde toen Narcissus haar had afgewezen niets meer eten, en veranderde daardoor ten slotte in een holle stenen grot. – ‘De bosnimf kon alleen nog maar zeggen wat iemand anders ook net gezegd had, weet je nog?’ begin ik afleidend, ‘en Narcissus lachte haar uit, en zei dat ze net een papegaai leek Maar Echo durfde zelf niets te zeggen, omdat ze bang was dat iedereen haar dan vervelend zou vinden, dus praatte ze alleen maar anderen na, om niet…’ Lisa gaat streng rechtop zitten, en prikt met haar vinger in het boek. ‘Dat staat er vast niet,’ corrigeert ze, ‘gisteren zei je dat het voor straf was, omdat ze te veel kletste.’ – ‘Nou ja,’ aarzel ik, en draai aan het knopje van haar horloge, zodat de armpjes van het Mickey Mouse poppetje wild in het rond maaien. – ‘Niet doen!’ roept ze, ‘je maakt alles in de war, jij. En je moet opschieten, want straks gaan we allemaal eten!’ Ik kijk naar haar kleine, koppige profiel vlak voor me; haar halflange krulhaar zit vol pluizige knopen, want ze laat zich door niemand kammen. Berustend trek ik het boek dichter bij en vertel de rest van het verhaal vrijwel letterlijk na, alleen de moeilijke woorden vermijdend. Zo zijn we er binnen tien minuten doorheen, en Lisa hangt wat teleurgesteld tegen me aan zodat ik besluit haar nog wat extra’s te vertellen, over de echoput die ik gezien heb en waar een bandrecorder in bleek te zitten, en over de spiegelzaal van de Frame koning, waar hij maar een klein feest hoefde te houden om al het idee te hebben dat hij het grootste bal van de wereld gaf. Ze gaat wakker overeind zitten en zegt dat er op de kermis ook zoiets is, een Spiegelpaleis, maar ze is er nog nooit in geweest, en wil er nu samen een keer heen. – ‘O nee, dat is niks voor mij,’ zeg ik iets te snel, zodat ze haar gezicht verbaasd naar me toe draait. ‘Je kunt er geen kant op of je komt jezelf tegen, in honderd vormen en vermenigvuldigingen, heus, er is niets leuks aan -’ Ik kijk langs haar heen. ‘Heel vroeger ben ik daar een keer vreselijk verdwaald, ik was toen geloof ik bijna net zo oud als jij…’ dringend tikt haar horloge aan mijn oor ‘… maar volgens mij had je nu allang moeten eten.’ – ‘Ja dat zal wel weer,’ zegt Lisa terwijl ze zich stroef van mijn schoot laat glijden, ‘net nou het een keer echt werd.’ Ze staat al op de grond, en trekt ijverig haar kleren recht. ‘Ga je mee?’ – ‘Waarheen? Naar dat spiegelpaleis? Ik zei toch dat…’ – ‘Nee, ik bedoel meteen, voor te eten,’ antwoordt ze, en kijkt me ondoorgrondelijk aan. ‘Weet je wat?’ vervolgt ze listig, handen in de zij, krullen naar achteren schuddend, ‘je mag kiezen: eten of spiegelpaleis, één van de twee, of allebei.’
Grote V of kleine v, logische Lisa. – ‘Je bent slecht, je chanteert me, en in elk geval moet ik nu werken,’ zeg ik afwerend. – ‘Okee, dan dus niet eten maar wel spiegelpaleis,’ stelt ze meedogenloos vast, draait zich vliegensvlug om, en stuift naar de deur. Voordat ik iets terug kan zeggen rent ze al de trap op en is buiten bereik, alleen haar hoge stem galmt nog na: ‘Afgesproken is afgesproken!’

Afgesproken is afgesproken, A = A, dat is dus zo waar als wat, en het zal moeilijk zijn daar iets tegen in te brengen. Ik zet mijn wijsvinger op een kraal van de armband en druk die hard tegen mijn pols. Ik ben wel vaker met Lisa uit geweest: boodschappen doen, de bloemenmarkt, de dierenwinkel. Ze stopt dan altijd haar linker hand in mijn rechter jaszak, en haar kleurige wanten bungelen werkeloos aan koordjes uit haar windjack. Als zij er niet bij is krijgt de jachtigheid die zich in de stad vaak van me meester maakt niet zo veel kans, evenmin trouwens als de haast hypnotiserende rust waarmee ik soms tijden lang voor de etalage van de kantoorboekhandel, speelgoedwinkel of juwelier kan blijven staren en alles zo volmaakt waarneem dat ik het vervolgens weer even volmaakt vergeet, waardoor dezelfde dingen me telkens opnieuw fascineren. – Anderzijds blijven ze me juist daarom ook altijd onbekend, en bieden nauwelijks enige oriëntatie.
Verstrooid schuif ik het mythologieboek weg en trek de typemachine dichter bij: ‘zintuiglijke waarneming… hoogste graad van zekerheid…’ – ‘t Mocht wat. Afgesproken is afgesproken is veel zekerder, dat is een tautologie. En eigenlijk heb ik ook helemaal geen zin meer in werken. Misschien moest ik maar eens een proeftochtje naar die kermis gaan maken, zodat ik Lisa daar ooit veilig heen kan loodsen en niet weer halverwege de route blijf steken omdat ik dan plotseling terug naar huis wil. – In dat soort gevallen laat ‘wat de hoogste graad van zekerheid verschaft’ me opeens totaal in de steek: kleuren worden geluiden, etalages vlakke spiegelruiten, en voorbijgangers vermenigvuldigen zich tot in het oneindige terwijl ik, ja krullenlisa dat heb je goed doorzien, in steen lijk te veranderen; één keer ben ik, in de starre vaart waarmee ik naar huis terug wou, je warme hand uit mijn jaszak kwijtgeraakt en heb je wanhopig gezocht tot jij me tegenkwam; en uiteindelijk heb je toen zelf de sleutels, die ik tot drie keer toe liet vallen, in het slot van de hoge voordeur moeten steken.

Maar dit keer zal het beter gaan, dat beloof ik je.

In het stadsblad vind ik de kermis aangekondigd als Groot Lunapark met Vele Gloednieuwe Attracties; alles op de grote markt in het centrum van de stad, dus dat is van hier uit te lopen. Waar komt dat eigenlijk vandaan, lunapark? Luna was Diana, ook een bosnimf, maar veel belangrijker dan Echo. Voor Diana een heel plein vol kermis, voor Echo alleen een put met een bandrecorder.
Ik loop in een kwartier naar de markt; nu het avond wordt zijn daar overal schijnwerpers aangestoken, en snoeren gekleurde lampjes verbinden de schetterende, felbeschilderde kramen, tenten, draaimolens en gokmachines met het indrukwekkende pièce de résistance: een metershoge, met honderden lichtjes versierde achtbaan waarop helrode wagentjes pijlsnelle golven, bochten en cirkels draaien. Het hele stadsplein is veranderd in een uitbundig glitterdécor, en met een wat vreesachtige nieuwsgierigheid loop ik er om heen, op zoek naar het spiegelpaleis. Wanneer ik de cirkel bijna rond ben zie ik het staan, iets afgezonderd aan de buitenkant, als om zijn doorschijnende glazen wanden tegen het gewoel te beschermen. Voor de entree, roze met gouden krullen net als vroeger, staat een brede man in een blauw, gegalonneerd uniform, handen op de rug, een platte politiepet op het hoofd. Zo ongeveer moet de ingang van een ouderwets, pluchen animeerhuis er eertijds uit hebben gezien, alleen is de rossige schemering daarbinnen in dit geval vervangen door wit neonlicht op kille spiegels; want hier moet je je met je eigen spiegelbeeld vermaken. – Ik begin me nu steeds slechter op mijn gemak te voelen, maar het wordt dan ook tijd om naar huis te gaan. Mijn doel heb ik in elk geval bereikt, en de volgende keer, samen met ondernemende Lisa, gaat het vast nog weer beter.
Niet ontevreden loop ik zonder al te veel haast terug door een verlaten winkelstraat waar het kermislawaai nog maar heel in de verte doorklinkt, en blijf af en toe bij een verlichte etalage stil staan. – Dan, halverwege, vangen mijn oren uit tegenovergestelde richting opnieuw het geluid van muziek: dit keer echter een soort slepende, jazzachtige melodie, die vaag aan vroeger doet denken. Iemand zal zijn radio wel aan hebben staan, met de ramen wijd open terwille van het voorjaar. Mooie muziek trouwens, traag en een beetje zwaarmoedig. Ze speelden dat indertijd aan het einde van feestjes, of bals, hoe was het ook weer… ik sla rechtsaf, een brede zijstraat in, en kom plotseling tot stilstand. Nog geen vijftig meter verderop, aan de overkant van de lege straat, lopen drie mannen langzaam deze richting uit, en daar kwam die muziek vandaan: de één bespeelt een trompet, de ander een reusachtige hoorn en de derde, als ik het goed zie, een trombone. Ze spelen met een soort afwezige concentratie, volmaakt in het ritme van elkaar en hun voetstappen, en met een rust die de wijde, schemerige straat nog ruimer maakt. Onbeweeglijk blijf ik staan kijken naar hun kalme, geïsoleerde manier van doen; voor iedereen zichtbaar, spelen ze toch alleen voor zichzelf, en dat maakt hun gedrag op een wonderlijke manier vanzelfsprekend. De trompettist, die iets voorop loopt, speelt moeiteloos met één hand, en houdt de andere in de zak van zijn lichte regenjas. Wanneer ze de plek waar ik sta naderen kijkt hij even op en haalt als in een reflex zijn hand uit zijn jaszak. Onwillekeurig doet mijn hand hetzelfde. Bijna onmerkbaar heft hij zijn hoofd iets op, als om te groeten, maar de trage muziek die hij speelt hapert geen moment. Ik merk dat mijn hoofd met een vrijwel automatische spiegelbeweging antwoordt, en wanneer zijn hand weer in zijn regenjas verdwijnt voelen de vingers van de mijne opnieuw het warme, verfrommelde tramkaartje dat al jaren diep in mijn jaszak hoort. Ze verdwijnen om de hoek en ik sta nog steeds doodstil, minuten achtereen. Ook als de muziek al lang uit het gehoor is verdwenen echoot ze nog door in mijn hoofd, en de bijna onzichtbare gebaren van de trompettist kan ik nog steeds in mijn eigen arm voelen trillen.
Dit is de wederzijdsheid die ik ken – er is geen andere. Ooit was er een tijd waarin ik daarvoor leefde, en ieders weerklank en evenbeeld in me droeg; maar vlak voor ik hun grot werd, vol spiegels en bandrecorders, heb ik me omgedraaid om mijn eigen wereld in het gezicht te zien. En ook nu draai ik me om: terug, ik moet snel naar mijn kamer. Het is al helemaal donker geworden en ik had allang thuis willen zijn – zoveel werk immers, ik kan me dit soort pauzes helemaal niet veroorloven.

Snel reppen mijn voeten zich over de straatstenen. Het ranke witte bruggetje, dat diep doorveert en rammelend naschudt als er vóór me een auto over heen rijdt, staat vanwege het nieuwe toeristenseizoen volop in de schijnwerpers, en projecteert zijn rimpelloze, haarscherpe reflectie op het donkere grachtwater. – Et tu, Brute.

Maar als ik, eenmaal thuisgekomen, tussen de jassen aan de kapstok de witte regenjas van Lisa’s vader zie hangen haal ik die haast automatisch van het haakje en trek hem aan. Hij komt bijna tot op de grond, en wanneer ik met lange, ritmische passen op de overloop heen en weer stap waaieren de panden breed achter me mee. Eén hand in de jaszak, nee, de linker, de andere arm gebogen, iets omhoog, hoe is het mogelijk dat hij met één hand tegelijk kon spelen en het instrument vasthouden. Ik hef mijn hoofd iets op, haal de hand uit de jaszak: was het een onzeker gebaar? Met opzet of willekeurig? – Ik zet de deur van mijn kamer, rechts aan de overloop, wijd open, ga terug naar het andere eind van de gang, en kom opnieuw aanwandelen, langzaam, in de maat van de muziek die nog steeds in mijn hoofd klinkt; herhaal dan het tweevoudige gebaar – achteloos, verstrooid, verdiept in iets anders – en sla rechtsaf mijn kamer in, zodat ik na nog een paar passen noodgedwongen voor mijn bureau tot stilstand kom. – Daar staat de typemachine, de geranium in zijn melkfles, en het mythologieboek ligt open bij Metamorphoses. Plotseling gegeneerd laat ik mijn arm zakken, de mouw valt ver over mijn hand heen. Wat is dat nu weer voor raar gedoe. Snel loop ik de kamer uit en houd halt bij de spiegel naast de kapstok. Zie je wel. Hoe groot die regenjas ook is, het blijft onherroepelijk je eigen gezicht dat je, over de hoog opgezette kraag heen, zijdelings aankijkt. Altijd, in specula speculorum. Ik laat de jas traag langs mijn schouders op de grond glijden en blijf zo even staan, als op een witte wolk, voordat ik hem voorzichtig oppak en breed over het hele spiegelbeeld heen hang. – Deze wereld, er is geen andere. Witte lakens over de spiegels: ‘Hier kan alleen fluisterend gesproken worden, want de ramen zijn voorgoed gesloten, en nooit zullen wij weer zo liefhebben.’

Al de volgende dag weet Lisa – met een beroep op het nog steeds mooie weer en ‘omdat er anders weer niks van terecht komt’, want, zegt zij, ze kent mij – haar kermisplan te verwezenlijken. Ook haar vader heeft ze mee gekregen, ze komen samen de trap af. Hij groet me verstrooid, met een half oor naar Lisa’s gekwetter luisterend, en kijkt verbaasd naar zijn regenjas, die nog over de spiegel hangt: ‘Wat is dat nou, heb jij dat gedaan Puk?’ – ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt Lisa beledigd, schiet op de jas af en geeft er een forse ruk aan, zodat hij met een plof voor haar voeten valt. ‘Onthulling van het standbeeld!’ juicht ze, en springt voor haar spiegelbeeld heen en weer. – ‘Zal ik hem anders weer eens aantrekken?’ aarzelt haar vader. Ja, waarom niet; het is immers, zoals Lisa, nu vóór ons de trappen afdansend uitzingt, mooi weer, het mooiste weer van de wereld: ‘’t Zonnetje schijnt zo heerlijk schoon, we gaan naar de kermis waar ik woon.’
Wanneer we ten slotte gedrieën langs de grachten lopen en Lisa met de éne hand in zijn witte, de andere in mijn zwarte jaszak voor het eerst drie seconden stil is, zegt hij peinzend: ‘Wat je gistermiddag zei over wederzijdsheid enzovoorts weet je, daar zit theoretisch misschien wel wat in… maar als je me toestaat, praktisch ligt het volgens mij…’ – ‘Hee, niet zo gek praten hé!’ roept Lisa, ‘we doen nou iets leuks hoor! We gaan naar de kermis waar ik woon,’ schalt ze opwekkend, en klapt haar handen met jaszak en al op de maat tegen elkaar. – ‘O.K. Puk, jouw feest,’ geeft haar vader toe, met een grimas in mijn richting, en verheugd begint ze aan één van haar breedvoerige uiteenzettingen over het schoolleven.
Wanneer we op de overvolle kermis aankomen wil ze meteen twee suikerspinnen, een roze en een witte, en gefascineerd kijk ik naar de toverachtige glasdraden die in een ommezien vanuit het niets tot een reusachtige pluim aangroeien. Waar Lisa hapt komen er smalle, felrode strepen in, en een roze pluis hecht zich aan haar ene wimper, zodat ze hevig met haar oog moet knipperen. Op naar de draaimolen, de botsauto’s, de waarzegster, de vliegtuigjes. Lisa draait, botst en zwiert met haast verbeten toewijding; ik sta terzijde met de restanten van de witte suikerspin en zie haar maar zelden lachen. Haar vader probeert de schiettent en biedt mij, onder Lisa’s gespannen goedkeuring, een groen ribfluwelen konijntje aan.

Misschien vergeet ze het spiegelpaleis wel. Dat zou plezierig zijn. Maar ze vergeet het niet. ‘Weet je ‘t echt zeker?’ vraag ik nog hoopvol. Ja, ze weet het zeker. ‘Verdwalen doe je heus niet hoor, dat lijkt alleen maar zo,’ stel ik haar nodeloos gerust voordat ze wuivend in het glazen bouwwerk verdwijnt. – ‘Moet je nou niet mee, het kan daar echt erg unheimisch worden,’ spoor ik haar vader ten laatste nog aan, maar hij meent ‘Ach kom,’ en kijkt met een glimlach, handen losjes op de rug, naar de brede glaswand waarachter al tientallen mensen tastend hun weg zoeken. Daar verschijnt ook Lisa, de armen overdreven voor zich uit gestrekt met tien gespreide vingers, haar onderlip strak naar binnen gezogen. Ze weet niet dat wij haar kunnen zien, want wat binnen in spiegelt is van buiten af raam, net als in politiefilms: iemand probeert voor de spiegel met zijn zakdoek een vuiltje uit zijn oog te halen en in de aangrenzende kamer kijkt zijn ergste vijand hem kalm, want ongezien, pal in het gezicht. Lisa verdwijnt, verschijnt even later op een andere plaats opnieuw en trekt rare gezichten, steekt haar buik vooruit, wappert met haar handen langs haar oren en duikt tot op haar hurken in elkaar, druk in de weer met haar evenbeeld. Ze rent verder en botst vlak voor onze ogen tegen het verraderlijke glas. ‘Ho,’ bromt haar vader naast me. Lisa wrijft over haar neus en kijkt beteuterd. Dan draait ze zich om en verdwijnt opnieuw in de doolhof.
Het is nu zaak me niet in haar te verplaatsen, niet te voelen hoe ze wordt opgeslokt door dat vreselijke labyrinth van verwrongen, gerekte, opgeblazen en ingedeukte beeltenissen waar ik zelf lang geleden, zo oud ongeveer als Lisa nu… nee, niet aan denken, absoluut niet aan denken, niet doen – vertwijfeld hechten mijn ogen zich aan Lisa’s vader die nog steeds in dezelfde ruststand, voeten iets gespreid, armen op de rug, regenjas lang en los, naar de glaswand tuurt en niet schijnt te merken dat de muziek overal om ons heen steeds luider schettert en de hoeveelheid mensen zich razendsnel kwadrateert, multipliceert, tegen me aan botst, over me heen walst – zijn gezicht draait opzij en kijkt me aan, zijn gestalte komt een stap dichter bij. ‘Luister,’ zegt hij, achteloos een lange gekrulde haar van zijn mouw plukkend, een haar van Lisa – ‘ik moet zoals gezegd nog steeds denken aan wat je zei over liefhebben, wederzijdsheid enzovoorts enzoverder…’ ‘Hoezo enzovoorts enzoverder,’ zeg ik gejaagd, ‘ik begrijp helemaal niet wat je bedoelt met Lisa daar in dat afgrijselijke spiegelding, ze moet er al lang uit, en jij staat daar maar en gooit haar haren om je heen…’ – Hij kijkt me verbaasd aan, terwijl ik zenuwachtig aan mijn armband trek en met dezelfde hand naar de glazen muur probeer te wijzen. Mijn duim blijft haken, de armband knapt, en ratelend vallen de kralen één voor een op het plaveisel. Als doorschijnende druppels, glinsterend in de zon, dansen ze nog een paar keien verder, rollen even door, en blijven dan trillend liggen. Hij bukt zich, ik buk me en even kijkt hij me van heel dicht bij aan, zijn ogen blauw als die van Lisa, maar als we ten slotte overeind komen liggen op zijn hand zestien gladde, heldere knikkers. ‘Dat zijn ze allemaal,’ tel ik, ‘geen eentje weg.’ – ‘Kijk, daar is Puk ook al,’ merkt hij op en ik kijk, ja, het is waar. Er ontsnapt me een zo diepe, bevrijdende zucht dat de tranen me in de ogen springen, en ik gegeneerd naar een zakdoek begin te zoeken. Voorzichtig, de hand vol kralen behoedzaam recht houdend, legt hij zijn vrije hand om mijn schouder en zegt zachtjes of hij ‘mag vragen wat er nu allemaal aan mankeert,’ maar ik lach alweer, buk me snel, en zoen de aanstormende Lisa op haar oor. ‘Ha, dat zag ik anders heus wel hoor!’ juicht ze, ‘doe maar niet net alsof jullie niks van plan waren!’ Ze gaat op haar tenen staan om in haar vaders opgeheven hand te kijken. – ‘Hoe vond je het Lisa,’ vraag ik, ‘kon je de weg terug op tijd vinden, toen je er uit wou?’ ‘Wat is daar nou aan,’ schudt ze haar krullen, ‘ik was vanzelf weer bij de uitgang, nou, toen ben ik er nog even in gegaan, en toen ging ik er weer uit, heel gewoon.’ – ‘En vond je het leuk? dring ik aan. ‘Ja hoor, best wel,’ zegt Lisa toegeeflijk, maar haar ogen kleven al weer aan een volgende attractie, en als een magneet wordt ze naar de achtbaan getrokken. – ‘Daar mag ik ook nog in hè?’
Lisa en haar vader in de achtbaan. Mijn jaszak vol warme kralen tuur ik tegen het zonlicht in, hun hels rondtollende rode karretje met de ogen volgend. Morgenavond, als Lisa in bed ligt, wil hij komen praten. – ‘Een lang, ernstig gesprek,’ zei hij, terwijl zijn wenkbrauwen vragend omhoog gingen, ‘goed? Maar ik beloof je,’ vervolgde hij bijna grimmig, ‘dat het niettemin gezellig gaat worden. O.K.?’
‘O.K.,’ heb ik geantwoord, ‘O.K.’

Zijn witte regenjas hangt weer naar behoren aan de kapstok; daarnaast, aan de capuchon, het windjack van Lisa met haar felgekleurde wanten aan koordjes uit de mouwen, en daarnaast mijn zwart fluwelen mantel. Ik zit aan mijn bureau en rijg, voor de zoveelste keer, zestien glaskralen aan een touwtje. Misschien zou ik het inderdaad eens met een elastiekje moeten proberen, zoals Lisa’s vader voorstelde, dat geeft veel meer mee; ik zou de armband ook makkelijker aan en af kunnen krijgen. ‘Het rekbaarheidsprincipe,’ had hij terloops betoogd, ‘is namelijk ver te prefereren boven alles wat strak en onbuigzaam -’ ‘… maar betrouwbaar is,’ zei ik snel, omdat hij duidelijk meer bedoelde dan mijn armband. Hij schudde lachend zijn hoofd, zijn ogen zochten Lisa in de kermismenigte: ‘Daar spreek ik je dan morgen wel over.’
Peinzend zuig ik een natte punt aan het touwtje, en duw het met moeite door de vijfde kraal heen. Dan sta ik plotseling op, loop naar de muurkast en rommel in een oud theeblikje tussen paperclips, punaises, draadjes en postzegels. Geen elastiekje. Natuurlijk niet: in mijn wereld zijn elastiekjes niet nodig. In de zijne – hij praat over liefhebben alsof het een sport is. ‘Jij alsof het een rekensom is,’ was bij de achtbaan zijn voorlopig weerwoord, hand in de zak van zijn witte regenjas, gravend op zoek naar kleingeld. Mijn hand, in mijn jaszak, groef opnieuw de verfrommelde tramkaart op. Ik klap het theebusje dicht en kijk besluiteloos naar mijn bureau met de schrijfmachine, de geranium, een rode zakdoek waarop een bergje glanzende, doorschijnende kralen. – Mijn wereld, er is geen betere, want in deze kamer glimmen geen spiegels meer om mijn aanwezigheid te registreren of na te apen, en hier zal geen echo van buiten ooit nog doordringen; zo was dat immers afgesproken. Elders zijn mensen in regenjassen, er zijn ophaalbruggen, lunaparken; maar hier… ik ga zitten, en pak het touwtje van de armband weer op. Het is klef, ik heb er te veel aan gelikt, en de kraal die ik aanrijg wordt meteen dof van de vingerafdrukken. – Aarzelend schuif ik de bureaustoel opnieuw achteruit, en sta op. Ik loop naar de deur, over de gang, langs de kapstok, de trap op. Misschien heeft hij nog wel zo’n elastiekje over, dan kan ik meteen Lisa even welterusten zeggen. Maar daarna ga ik wel meteen naar mijn kamer en aan het werk, want daar is mijn wereld, en ik hoef geen andere: zo was dat afgesproken.

Renée van Marissing: de redacteur las een bedaagde, geslaagde roman met een lichte toon bij zware thema’s.

*

Daan Stoffelsen: Renée van Marissing, Onze kinderen

De titel van de vierde roman van Renée van Marissing, redactielid van Terras, blijft een boek lang vragen oproepen. Onze kinderen is het verhaal van twee volwassen dochters, Mia en Iris, en hun vader. En van Mia en Sally, want Sally krijgt een kind.

Komt bij dat Mia en haar vriendin Sally een kind verwachten. Het verhaal begint lief.

‘De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally, maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader omhels, voel ik zijn buik. Het is een prettig gevoel, hij heeft hem al zolang ik me kan herinneren. Toen ik een jaar of vijf, zes was, zaten mijn hoofd en zijn buik op dezelfde hoogte. Als ik dan mijn armen om hem heen sloeg, lukte het niet mijn handen elkaar te laten raken en als ik mijn oor tegen zijn overhemd drukte, kon ik soms de geluiden binnen in hem horen.
Sinds een jaar of twintig scheelt het nog maar een paar centimeter in lengte tussen hem en mij.
Als je een ei op je hoofd zet, zijn we even lang, zegt hij.
Ze zitten naast elkaar op de bank, mijn vader en Sally.
Twee blote buiken, ze hebben hun kleren omhooggetrokken.
Ze lachen, naar elkaar, naar mij, naar de telefoon waarmee ik een foto maak.’

Dít is een warme herinnering, toch? Van Marissing schrijft ongecompliceerd, maar haar vakmanschap openbaart zich in de opbouw van de roman. Want na dit eerste hoofdstuk, waarin Mia uit eten gaat met haar vader die slecht blijkt te kunnen slikken, zijn we opeens op een begrafenis. Zijn begrafenis. ‘Iris heeft haar toespraak in lettergrootte 16 geprint en na elke zin een enter ingevoegd, zodat ze de draad niet kwijtraakt tijdens het spreken. Ze praat tegen onze vader, af en toe knikt ze met haar hoofd zijn kant op, maar het lukt haar niet naar de kist te kijken.’

Mia’s onbevangen blik toont ons de uitvaart, de eerste reacties: ‘Mooi gesproken, net, zegt een vrouw. Ze is Fries, hoor ik. Een heel andere kant van Nico. Dank u wel, zegt Iris. Is dat zo, een andere kant? vraag ik. Ja toch, zegt de vrouw.’ Het is het begin van een kanteling, die Van Marissing onder de oppervlakte laat gebeuren. Dat warme gevoel van die eerste paragraaf blijft wel, door Mia’s geestige, laconieke observaties, maar pas laat realiseer je je waarom het leegruimen van het vaderlijke huis zo’n gedoe is, waardoor Mia zo weinig betrokken lijkt bij de zwangerschap van haar vriendin.

‘Ik durf het bijna niet te zeggen, maar van alle herinneringen aan papa die de laatste tijd komen bovendrijven is er niet één gezellig, zegt Iris.’

Onze kinderen is meer dan een warm, bedaagd boek, het is een genuanceerde geschiedenis van een gebroken gezin, van emotionele afstand en alcoholisme. Gedurende het boek herinnert Mia zich meer, van kinderdagen in de kroeg, nieuwe gezinnen waarin Mia en Iris niet pasten, verwaarlozing, een auto-ongeluk. Nee, de kinderen is niets écht aangedaan, maar dat maakt deze vadergeschiedenis niet minder pijnlijk.

(Dat auto-ongeluk was in een eerdere versie al op onze site te lezen in ‘Zomeravond’. Zo vond ik bij het uitruimen van onze bibliotheek (de raamloze ruimte waar vier boekenkasten met dubbele rij en onze desktop staan) een Paris Review met Rachel Cusk en Jenny Offill erin, ongelezen, en realiseerde ik me hoeveel eerder ik van Cusks werk had kunnen houden. Mensen, léés die literaire tijdschriften, de literatuur van morgen staat erin. Word bijvoorbeeld abonnee van De Revisor.)

Van Marissings kracht ligt in de combinatie van haar lichte toon en de zware thema’s, en onwillekeurig denk je: dit boek is de begrafenisrede van Mia, een gemengd verhaal, lief, verdrietig, woedend. Ik kan me de woedende toespraak uitstekend voorstellen, maar het mooie is dat ook aan het slot van het boek, als je die heel andere kant hebt gezien, toch de warmte van het begin navoelt.

Querido gaf Onze kinderen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ is hier het tweede verhaal: ‘Verdriet’, onpeilbaar en onverklaarbaar.

*

De ellende is dat hij aldoor moet huilen de laatste tijd; niet dat hij dat dan ook doet want past natuurlijk niet bij de man die hij is, kalm, hardwerkend, middelbare leeftijd. Maar toch, steeds opnieuw, het komt diep uit zijn borst als een aanval van misselijkheid, hij buigt voorover in een hikkend krimpen en richt zich snel op – kom, het gaat alweer. Op kantoor heeft hij er vrijwel geen last van want drukte genoeg daar, hij heeft wel wat anders om zich mee bezig te houden. Maar dan, de lunchpauze, hij loopt naar een klein plantsoentje vlak in de buurt, hij zit bij de vijver en kijkt naar de waterhoentjes, de hoge, zachte pluimen in het riet en ja hoor, hopla. Kramp in zijn middenrif, een snokkend geluid. Heel even is zijn gezicht in zijn handen maar hij zit alweer recht, publiek terrein hier.
En waarom in vredesnaam, waar komt het vandaan, hij kan werkelijk niemand verzinnen om dat aan te vragen; ja wat wil je, als hij het zelf niet eens weet. Hij leidt geen kwaad leven, hij verdient het geld dat hij nodig heeft, soms een paar weekjes naar de zon, hij heeft aardige collega’s, zit op een schaakclub, eet af en toe buiten de deur. Hoe zijn jeugd was? Gewoon, niets bijzonders; persoonlijke herinneringen doen hem ook niet zo veel en of hij wel eens verliefd was, ja hoor, een keer of drie maar daar kwam niet zoveel van terecht. Bovendien, hij vindt het wel prettig, zo op zichzelf.
Nee hem krijg je niet gauw ontevreden, en dan toch deze huiltoestanden: al weken achtereen moet hij op zijn tellen passen, het kan zomaar beginnen. Het is geen doen in feite, hij moet er vanaf, het zullen herinneringen zijn die hij aldoor wegduwt ofzo, al zou hij dus oprecht niet weten wat. Wel heeft hij er inmiddels zo genoeg van dat hij besluit een tijdstip te kiezen om zich er compleet aan over te geven, zijn gevoelens de vrije loop te laten, hoe droeviger hoe beter; misschien is het daarna eindelijk voorbij.

Het is weekend, zondagavond al, nu moet het er echt eens van komen. Hij zit na het eten thuis op de bank, een paar glazen wijn gedronken alvast, en om te beginnen zal hij aan zijn overleden moeder gaan denken. Dat doet hij dus nu, hij ziet haar voor zich, ze had een lief, wat zorgelijk gezicht en dat stemt hem vriendelijk maar verder voelt hij niet veel bijzonders; wat hem eigenlijk wel tegenvalt van zichzelf. – Daarna stapt hij over op de kleuterschool, hij herinnert zich heel kleine tafeltjes en stoeltjes, dat kan niet kloppen want hij was toch zelf net zo klein nee, die vroege jeugd en ook de lagere school blijken nergens toe te leiden. Daarna komt hij op zeiltochten met een vriend die een hond had, een dik gevlekt hondje dat erg hield van het water en daar was toen iets mee ja, wat was dat ook weer. Hij zucht, geen idee. Goed, zijn zuster dan, die hij nauwelijks meer ziet, dat ze samen een step hadden die meeging op vakanties, altijd in de duinen waar je er toch weinig aan had, bedenkt hij nu pas. Ook dat levert dus niets op, evenmin als de gedachte dat hij over een jaar of wat met pensioen zal moeten, welke ziektes hem wachten, een eenzame dood zelfs misschien… leuk is anders maar wat hij ook verzint: geen klem op zijn borst, geen hete druk achter zijn ogen, niets niemendal. – Kijk eens aan, dit moet het toch zo’n beetje zijn en misschien is het daarmee opgelost, anders had hij het toch al lang en breed te kwaad gekregen; het besluit alleen al om er aan toe te geven is blijkbaar voldoende geweest. Hoor je wel vaker, zoiets; hij gaat opgelucht slapen.

De volgende dag is hij mooi op tijd wakker, hij neemt een douche, zet koffie en staat met zijn beker tussen twee handen rustig naar buiten te kijken; over vijf minuten de deur uit. Hij ziet de straat, heel stil nog, de boom voor zijn raam met een hekje er omheen, zijn fiets schuin tegen dat hekje. Alles is compleet, probleemloos in orde en straks zal hij daar staan, bij die boom, naast zijn fiets, hij zal zijn fiets van het slot halen … zijn maag spant zich aan, zijn hart krimpt onder zijn ribben en hij leunt met zijn voorhoofd tegen het koude glas – o nu, kon hij nu urenlang huilen.

 

Beeld Albert Herring, SA. Early Spring at James River State Park, licht aangepast.

Wat te doen met een maatschappelijk fenomeen dat zo bepalend is als de pandemie, en de maatregelen ertegen? Is eromheen te leven? Of omheen te schrijven? Vragen die Roos van Rijswijk een avond lang in de kroeg bezig hielden. Lees haar essay ‘Een wereld met of zonder’.

*

In een druk café jammer ik lichtelijk aangeschoten tegen mijn medeschrijvers aan. Hoe verhouden zij zich als schrijver tot de pandemie? Dringt COVID-19 door tot in hun romans en verhalen? Wisselen ze van ellende misschien van genre? Heeft iemand mijn biertje zien staan?
Rob van Essen, die met een glaasje cola in zijn hand tegen een tafeltje leunt, is van mening dat we de pandemie nog maar even moeten negeren: ‘“Schrijven is schrappen”,’ zegt hij, ‘moeten we nu misschien vervangen door “schrijven is negeren”.’ Sanneke van Hassel (ze krijgt net een pilsje in haar handen gedrukt door iemand van de organisatie) was dat ook van plan, maar ‘het sluipt er vanzelf in’. Jan-Willem Anker proost ietwat moedeloos met een drankje waar de prik uit is en laat weten dat schrijvers met kinderen überhaupt niet meer schrijven. Alma Mathijsen schreef de pandemie haar roman in en schrapte hem net zo hard weer. ‘Twee enerverende maanden,’ zegt ze, en neemt een slok uit het glas van een van haar vrienden. Wisselende reacties, uiteraard, dat is niet erg, ik zoek ook geen sluitend antwoord. Zelf weet ik niet hoe ik me als schrijver tot de pandemie moet verhouden. Ik vind mijn biertje op een hoek van de bar, althans, ik denk dat het mijn biertje is, ik drink het hoe dan ook leeg.

Vaak denk ik aan artikelen en onderzoeken over literatuur ná. Ná de Tweede Wereldoorlog, ná elf september. Ergens heb ik gelezen, maar waar weet ik niet meer, dat de beste literatuur over een hevige gebeurtenis of periode, vaak een hele tijd na dato verschijnt. Maar dan ga je er dus al vanuit dat je inderdaad over het Hevige schrijft, en het niet, zoals Rob van Essen bepleit, negeert terwijl je er middenin zit. Schreven schrijvers in de Tweede Wereldoorlog over een wereld waarin niets aan de hand was? Hoe ziet het tijdens eruit, in de letteren?

Het probleem is dat ik niet alleen in het duister tast over hoe ik me als schrijver tot de huidige situatie moet verhouden. Ik snap (zoals wij allen) regelmatig helemaal niet meer hoe ik me als persoon tot de hele pleuriszooi moet verhouden. Alles, echt alles, gaat net even anders. Boodschappen doen, verkouden zijn, het sociale verkeer, vriendschappen – laatst betrapte ik mezelf op de gedachte dat ik zin had om mensen die ik helemaal niet aardig vind, of zelfs verschrikkelijk, in een stampvolle kutkroeg tegen het lijf te lopen. Ik ben vers verliefd en ook dat gaat anders; we leren elkaar in een vreemde volgorde kennen. ‘Straks blijk ik in sociale context een vreselijk mens te zijn,’ heb ik weleens uitgeroepen, ‘of jij!’
Normaal gesproken, nee, ik moet geloof ik ‘vroeger’ zeggen, of ‘eerder’, was zulke verliefdheid misschien het enige nieuwe waar ik me toe zou moeten verhouden. Ik was er ongetwijfeld eerst stiekem een paar erg slechte gedichten van gaan schrijven, vervolgens een paar minstens zo slechte verhalen. Die verhalen zou ik vervolgens als voedingsbodem gebruiken voor iets zinnigers, later. Ik zou dat rozerode gevoel kunnen ontleden tot kleinere sensaties, daar fictieve situaties en personen aan verbinden die misschien niets meer met mijn huidige hormonale staat te maken hebben. Wat ik bedoel: ik schrijf uiteindelijk altijd, maar meestal indirect, over wat me bezighoudt. Over het nieuwe, het andere, het niet-begrijpen. In dit geval, in het pandemiegeval, heb ik daar helemaal geen zin in.

‘Een coronagedicht,’ zegt Florence Tonk terwijl ze de kop van een jenevertje nipt, ‘is al achterhaald als het uit de printer rolt.’

Volgens mij ben ik het daar als lezer niet mee eens. Ik houd ervan als literatuur iets kan duiden waar ik zelf nog niet helemaal uit ben. Of als literatuur vragen opwerpt, ja, gewoon nog meer vragen, over een situatie die ik niet begrijp: andermans onbegrip kan ook troostend zijn. Als lezer van verhalen vind ik het ook niet vervelend om nu (af en toe) over de pandemie te lezen. Onderstaand fragment lees ik in het verhaal ‘Matroesjka’s’ uit Treinen en kamers, de pas verschenen verhalenbundel van Annelies Verbeke:

‘“We zijn er,” zei ze. Het moest ooit een boerderij zijn geweest, haar grote, verzorgde huis, met een binnenplaats en gebouwen eromheen, waarvan sommige waarschijnijk als stal hadden dienstgedaan.
“Bed and breakfast,” zei ze […] “de toeristen zullen toch niet meteen terugkeren.”
Wat bedoelde die gekkin in hemelsnaam? Ze wist niet eens hoe ik heette.
De ontmoeting met haar vader droeg bij tot mijn overtuiging in een vreemde droom te zijn beland. Hij vroeg haar of het wel veilig was om op dit moment een zadel te delen, maar leek verder niet van mijn komst op te kijken.’

In ‘Matroesjka’s’ denkt een meisje een jonge jongen te paard te ‘redden’ van een ongelukkige thuissituatie. In werkelijkheid is hij een incel, een vrouwenhater. Het virus komt in dit verhaal – en in meer verhalen van Verbeke – haast terloops langs en dat vind ik heel interessant. Alleen al om het gegeven dat, waren deze verhalen een jaar geleden verschenen, ze als ‘dystopisch’ zouden worden gewaarmerkt. Maar ook omdat door de pandemie in verhalen verwerkt te zien, hij deel wordt van het leven. In plaats van iets gruwelijks waar je verdwaasd en van een afstand naar staat te kijken, bedoel ik.
En als schrijver? In mijn eigen verhalenbundel, die over twee weken uitkomt, staan twee verhalen die zich tegen de achtergrond van het virus afspelen. Het zijn ook de enige twee verhalen die gebaseerd zijn op mijn eigen leven, dat ik normaal gesproken halsstarrig uit m’n fictie probeer te houden. Maar net als dat ik er niet aan moet denken om een hele bundel, of een hele roman, aan mijn eigen leven vast te zitten (het is juist zo lekker daar eens goed van weg te drijven), weet ik vrij zeker dat ik niet nog jaren over corona wil schrijven. Dat heeft met achterhaaldheid of eeuwigheidswaarde weinig te maken. Ik zou het gewoon zo zát worden.

Het wrede is dat mijn afkeer van het onderwerp een hoop verraadt waarvan ik niet weet of deze zinvol is. Hoe hard ik ook probeer nergens op te hopen in deze tijden, ergens in mijn brein sluimert een cel die zegt: over een paar jaar is alles weer normaal. Dan hoef je, als je er geen zin in hebt en geen directe gevolgen van ondervindt, niet meer bezig te zijn met de pandemie. Inderdaad: ik sta nog altijd verdwaasd van een afstand naar de situatie te kijken. De situatie die dus niet alleen de pandemie, maar het hele fucking bestaan behelst. Dat is, als je wilt schrijven, een bijzonder ongelukkige uitgangspositie. Een die hoogstens uitmondt in roepverhalen waarin je je verbazing wilt delen – alsof de rest van de wereld niet verbaasd (of bang, of woedend) is.
Die verbazing kan ik gaan ontleden, bedacht ik laatst; wat is dat grijszwarte gevoel dat me zo overvalt, dat het rozerode haast omver kan blazen? Hoeveel procent angst, hoeveel liter chagrijn, hoeveel draden hoop en wanhoop, en zie ik daar een korrel sensatiezucht? Aan welke fictieve situaties en personen kan ik die sensaties verbinden? Ik tuimelde vrijwel onmiddellijk weer het oorspronkelijke probleem in; dan heb ik die sensaties, personages, situaties, maar in wat voor wereld zet ik die neer? Een met of een zonder? Ik heb geen antwoord, daarom stelde ik die vraag aan mijn collega’s, die nu allemaal geamuseerd toekijken hoe twee redacteuren hartstochtelijk uit de maat dansen op Prince’s ‘1999’.
Waarschijnlijk is wat ik mijn studenten altijd toebijt het enige redmiddel dat er is, voor mij dan toch: om te kunnen schrijven, moet ik lezen. Ook over de pandemie die een monster is, maar even vanzelfsprekend aanwezig als een blauwe lucht in de lente. Meer lezen, dus. En minder nadenken, dat leer ik van Eva Meijer, die ook iets te zeggen heeft op mijn vraag. Ze schrijft haar antwoord, niet omdat het te luid is in de kroeg, maar omdat we helemaal niet in een kroeg kunnen zitten. Ik deed, bij gebrek aan sociaal leven, een oproepje aan mijn schrijvende collega’s op Twitter.
Meijer tikt: ‘Ik denk eigenlijk nooit na over wat ik schrijf (pas bij mijn eerste redactieronde) en heb er ook geen macht over.’
Verrukkelijk lijkt me dat. Je ogen dicht, bij wijze van, en als je ze weer opendoet verbaasd staan over je eigen woorden, in plaats van die gonzende klerewereld om je heen.

Roos van Rijswijks nieuwe boek heet De dwaler, en het is bij elke boekhandel te bestellen.
De schrijvers op de foto komen niet voor in dit artikel.