Lockdown-lezen, winter-lezen. Met onze speciale winteraanbieding doe je een abonnement cadeau en krijg je het tweede voor de helft van de prijs.
Of: trakteer je jezelf op een abonnement en geef je het tweede voordelig cadeau!
Emma van Meyeren: de redacteur las een mooi denkend document over rouw en verwerking, het fysieke en rituele – met rake formuleringen.
*
Daan Stoffelsen: Emma van Meyeren, Ook ik ben stukgewaaid
Deze zondagochtend was mijn stiefmoeder overleden, ik reisde per trein en ov-fiets naar mijn vader, en ik las. Emma van Meyeren, een jonge journaliste die schrijft over muziek en feminisme, verloor tien jaar geleden haar moeder, en in drie essays onderzoekt ze het karakter van blijvende rouw. Ook ik ben stukgewaaid heet dit debuut, en het is een mooi, klein document, dat uitgaat van de onzin dat rouw verdwijnt, verwerkt kan worden. (Het kan, is mijn ervaring, zijn scherpste randjes verliezen, de intensiteit neemt af, maar na ruim twintig jaar kan ik nog huilen om het verlies van mijn eigen moeder.)
Freud, schrijft Van Meyeren, beweerde dat al: ‘Normale rouw lost zich volgens hem vanzelf op door het verstrijken van de tijd. Gebeurt dit niet, dan is er volgens Freud sprake van gecompliceerde rouw, dat samenvalt met melancholie.’ Dat is ongerichter, of eigenlijk allesomvattender. ‘Totalitair’ noemt Van Meyeren dat.
Zo heb ik de term melancholie nooit begrepen. Maar Van Meyeren laat interessante dingen zien, benadrukt het fysieke van rouw, de rol van (zelfontworpen) rituelen, en kijkt met een voor mij frisse blik naar Marieke Lucas Rijnevelds romandebuut, en introduceert Chantal Akerman bij mij. Die filmmaker filmde en schreef over de band met haar moeder en over hun gedeelde liefde voor kwark, een band die misschien wel na haar moeders dood leidde tot haar eigen zelfdoding. De suggestie is te sterk, zeker als Van Meyeren zegt dat er maar een aantal maanden tussen zat – het was meer dan een jaar.
Het zijn denkende veeleer dan verhalende essays die, zoals dat hoort, oproepen tot herlezing en doordenken. Niet alles wat ze schrijft, overtuigt me, maar Van Meyeren formuleert raak.
‘De transformatie van een leven met iemand naar een leven met de herinnering aan iemand vraagt om een heroriëntatie. […] Het vinden van een rouwperspectief is een exacte en onherleidbare zoektocht naar een lens die werkt. Een zoektocht die voelt alsof ik op de stoel van een opticien zit tijdens een oogmeting terwijl er op hoog tempo voor mijn ogen klepjes worden gedraaid, geopend en gesloten. “Is dit beter, slechter of zie je geen verschil?”
Het antwoord daarop is zowel bij de opticien als in rouw meestal dat ik het verschil niet direct kan zien.’
Exact én onherleidbaar? Mmm. Maar de ogentest is een prachtig beeld, dat evengoed voor Van Meyerens rouw staat als voor de tastende manier waarop ze daarover nadenkt.
In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Sytske van Koeveringe.
NAAR DE ACUPUNCTURIST
Maak je maar geen illusies vriend
Zeg niet dat het je goed gaat voor ik naar je pols heb geluisterd
Je tong is je middelvinger
Steek ‘m uit naar alles dat schreeuwt
Je buik zit in je elleboog
in je voet maar ook in je knie
Nee
Niet vragen of je knie, elleboog en voeten in je buik zitten-
Luister naar jezelf via mij
Laat duidelijk zijn dat je voet je mond is
En je baarmoeder?
Hahaaaa!
Die zit niet waar je denkt dat ze zit-
Het is je enkel waar je last van hebt
En in je knieën zitten je nieren en in je nieren zitten je grenzen
Nieren bestaan niet uit zes of vier maar uit drie letters
Nee zijn je nieren
Vandaar dat je zo moe bent
Kom eens op voor jezelf
Wees lief voor de nieren en geef je grenzen aan!
Dus let op!
Je lever zit in je tong
(of je tong in je lever)
En je lever is compleet naar de getver
Heb je dat niet door?
Je pols zegt: het leven mat je af waar je bijstaat!
En je elleboog is je borst
En je vingers zijn je smaak
Voet – vreetbui
Oor – stress
Arm.
Been.
Rug.
Mijn god-
Laten we het in godsnaam niet over je rug hebben
Over de dichter:
Sytske Frederika van Koeveringe (1988) is beeldend kunstenaar en schrijver. Afgestudeerd aan
de Gerrit Rietveld Academie (2014) in de richting Beeld & Taal. In 2017 debuteerde ze met de
roman Het is maandag vandaag en in 2020 verscheen Dag nacht licht toch. Ze schrijft
regelmatig voor NRC Handelsblad, toneel voor Productiehuis Frascati, en poëzie. Momenteel
spaart ze de kleur oranje en volgend jaar gebeuren er ook weer dingen. Maar dat ziet u dan wel.
Leanne Shapton en Maggie Nelson in Terras #19: de redacteur las een rijk nummer met vertrouwde kwaliteit en verrassingen.
*
Daan Stoffelsen: Terras #19 Naar Water
Dit is geweldig: ik schreef hier 20 november over Leanne Shapton, en ik meldde op het nippertje dat er een vertaling van een fragment uit Swimming Studies in Terras zou verschijnen. En nu ligt het nummer op de mat. Dank, redactie.
Naar water, op het omslag zo typografisch zo geschikt dat er ook Awater te lezen is, en ‘Rat’ en zoveel auteurs en vertalers herbergt dat een opsomming à la De Revisor op het omslag niet gepast had, is een heel rijk nummer. Het is een breed uitgolvend nummer dat vissen, zwemmers, genderfluïditeit, overstroming, droogte en Herakleitos aandoet. Misschien is het thema té ruimhartig, maar dat geeft niet aangezien de individuele bijdragen overtuigen. Behalve Shapton tref ik Maggie Nelson, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Erik Lindner en Renée van Marissing aan, en vertalers als Heleen Oomen, Nicolette Hoekmeijer en Rokus Hofstede, maar ik word vooral verrast door voor mij nieuwe schrijvers, en ik heb nog lang niet alles gelezen in tijdens mijn literaire jutterstocht.
Toch nog even Shapton. Koen Boelens vertaalde ‘Wasgoed’, over een bezoek aan de Hampstead Heath Ladies’ Pond, een zwemvijver met natuurwater. Een mooi essay dat ‘baden’ – recreatief zwemmen – en sportzwemmen verbindt.
‘Ik zwem, waarbij ik de bewegingen van mijn ledematen uitvergroot om warmte op te wekken, zet dan met mijn gezicht naar beneden koers naar de verste reddingsboei, naar de twee vrouwen. Daar aangekomen kijk ik weer op. Een van de vrouwen vertelt over haar kind, dat aan school moet wennen. De ander maakt instemmende, meelevende geluidjes. Ik vraag me af: zijn ze hier als vriendinnen gekomen of in de vijver bevriend geraakt? Hoelang zwemmen ze al in zulk koud water? Zal er ooit iemand met mij mee gaan zwemmen in ijskoude vijvers? Ik maak nog een rondje en mijn lichaam voelt warm, maar het is de warmte van een klap: bloed dat door het weefsel raast.’
Doodgewoon proza, dat van het fysieke, individuele even afbuigt naar een sociologische overweging om weer terug te keren naar zichzelf, de eenzaamheid van de zwemster en het vooruitzicht alleen te blijven (lees ook Inger Bråtveits ‘Dit is water’). En dan die warmte van een klap: een beeld dat je meteen begrijpt, het is warm maar niet comfortabel. Er volgen ook geuren trouwens, Shapton verbindt alle zintuigen. En ja, er zit verwantschap tussen de ontbering die deze vrouwen doorstaan en het racen, maar tegelijk is de jeugdanekdote die ze oproept, van een nacht in een vreemd huis waarin ze haar race in gedachten oefent met een stopwatch, zo mijlenver verwijderd van het gekeuvel van de dames.
Bij Miek Zwamborn komen we wieren en vissen tegen en de dichter Seth Crook – haar inleidende essay is net zo interessant als de daaropvolgende poëzie. En vertaler Nicolette Hoekmeijer, je kent haar van Kiran Desai, Edwidge Danticat, Edward St. Aubyn, Nathan Englander, Toni Morrison en Candace Bushnell, geeft met Mia Martin een fantastisch inkijkje in hun vertaalproces. Ze vertaalden drie ‘Bluets’ uit de gelijknamige bundel van Maggie Nelsen, die beginnen met Herakleitos’ ‘Je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen’. Telkens in drie variaties, laten ze de diepte zien van het vertaalproces, en ze lichten ook toe waarover ze twijfelden: ‘In het woordje “version” kwamen al vertalende al deze vragen samen. “Variant” en “interpretatie” hebben we beiden overwogen als vertaling; “lezing” werd gekozen om het element van persoonlijke interpretatie te laten doorklinken.’
Zo nodigt een literair tijdschrift uit tot verder lezen – terwijl ik het nog niet eens uit heb.
Bestel Terras bij Terras. Of bij de boekhandel natuurlijk.
Vladimir Nabokov, Rob van Essen: de redactie las een meesterwerk waarin de vorm werkelijk iets over het verhaal zegt, en een belcampische verhalenbundel die de werkelijkheid eerst subtiel, dan stormachtig verdraait.
*
Thomas Heerma van Voss: Vladimir Nabokov, Bleek vuur
Afgelopen week werd me door De Groene Amsterdammer gevraagd wat mij boeken van het jaar zijn, en anders dan voorgaande jaren leverde ik niets in: ik kwam er gewoonweg niet uit. Te weinig nieuws gelezen, al met al. Wel enkele boeken die ik sterk vond, zo was ik geïntrigeerd door Merijn de Boers De Saamhorigheidsgroep, maar ik las geen boek waarbij ik dacht: dit is het boek van 2020. Misschien kan dat ook niet, misschien is het flauw om dan niet alsnog een paar titels te noemen. Maar wat wellicht ook meespeelde, is dat ik nu juist afgelopen week een roman uitlas die ik wél verpletterend goed vond, beter dan al het andere wat ik dit jaar las.
Bleek vuur, het boek dat Nabokov uitbracht kort na zijn internationale doorbraak met Lolita, is ontwrichtend, zeer origineel, grappig, slim, op een vreemde manier ook ontroerend; het boek (ik las het in de vertaling van Peter Verstegen) duwde me een draaikolk van uiteenlopende emoties in – waarvan mijn bewondering uiteindelijk het grootst is. Wat een schrijver. Wat een meesterwerk. Ik ben nog niet uitgedacht over het boek, in zekere zin is mijn denken erover pas begonnen, dus dit is geen gedegen analyse, alleen een paar korte eerste indrukken.
Het idee van Bleek Vuur is jaloersmakend sterk. De roman is opgedeeld in drie delen: een inleiding, een gedicht, en (het lijvigste deel van het boek) annotaties bij dat gedicht. Die annotaties en inleiding zijn geschreven door Kinbote, een typisch Nabokov-personage, eloquent, intellectueel, jaloers, af en toe vreemd woedend. Het gedicht is geschreven door de overleden Shade, een vermaard dichter naast wie Kinbote leefde. Kinbote krijgt dat gedicht in handen, en al in de inleiding stelt hij dat de omgeving van Shade daar niet blij mee is:
‘Het dikke venijn van de afgunst begon in mijn richting te spuiten zodra de universitaire tuindorpbewoners beseften dat John Shade mijn gezelschap meer op prijs stelde dan dat van enig ander.’
En even verderop:
‘Onze hechte vriendschap stond op dat hogere, puur intellectuele plan waar men kan bekomen van emotionele problemen in plaats van ze te delen.’
Deze zinnen zijn kenmerkend voor Bleek Vuur, en voor de hoogdravende, soms tamelijk ridicule taal van Kinbote. Het mooie: die taal past bij hem, en in Bleek Vuur trekt hij in zekere zin een langdurig rookgordijn op van fraaie, scherpe, komische formuleringen en annotaties:
‘Ik begrijp niet wat dit [fragment] met fietsen te maken heeft en vermoed dat deze wending van Shade een werkelijke betekenis heeft. Zoals andere dichters vóór hem lijkt hij zich hier te hebben laten meeslepen door misleidende eufonie.’
En:
‘Volgens de kalender had ik hem maar enkele maanden gekend, maar er bestaan vriendschappen die hun eigen innerlijke tijdsduur schepen.’
Iemands rimpels ‘zitten scheef, iemand verschijnt in ‘tamelijk conventioneel maar schoon ondergoed’, en zo gaat het maar door. Niets wordt zomaar plompverloren medegedeeld, alles wordt in geuren en kleuren beschreven, Nabokov strooit met adjectieven en bijstellingen, zonder uitzondering doeltreffend. Mijn exemplaar staat onder de streepjes en uitroeptekens, en wat nog los van de vele sterke vondsten zo knap is aan dit boek: die vorm zegt werkelijk iets over het verhaal, de centrale thema’s passen perfect bij de vorm waarin die beschreven zijn.
Want meer en meer blijkt Kinbote een leugenachtig, tamelijk wereldvreemd type, hij rekt de grenzen die hij zichzelf in zijn annotaties stelt steeds verder op, bekent dingen die hij eerst geheim wil houden, gaat in intrigerend verkapte vorm in op zijn verleden, waarin hij vluchtte uit het Zembla. Her en der las ik al dat dit metaforisch slaat op Nabokovs eigen verhuizing van Rusland naar Amerika, elders las ik overtuigende theorieën die erop neerkwamen dat Kinbote en Shade eigenlijk hetzelfde personage zijn.
Zo las ik deze roman niet, maar wat ik al schreef: ik ben nog niet uitgedacht over Bleek Vuur. Nu las ik vooral een verhaal met een prachtig springerige opzet – doordat het merendeel de vorm van annotaties heeft kan Nabokov heel makkelijk springen tussen de ene scène en de andere – en een toon die het getroebleerde hoofdpersonage onvergetelijk tot leven roept. Mijn boek van het jaar.
De Bezige Bij gaf Bleek vuur uit, er is nog een e-book beschikbaar. Gedrukte, tweedehands edities, vind je op Boekwinkeltjes.nl.
Daan Stoffelsen: Rob van Essen, Een man met goede schoenen
De beste reden om aan Belcampo te denken, is Belcampo’s oeuvre. Zijn beroemde verhalen (‘Het grote gebeuren’, ‘De dingen de baas’), zijn beste verhalen (‘De surprise’, onlangs verfilmd (maar door mij herinnerd onder de boektitel De ideale dahlia), ‘Avontuur in Amsterdam’) en in zijn algemeenheid zijn vermogen om iets fantastisch te creëren met een vertrouwenwekkende ik-verteller in een bekende wereld. Belcampo was voor mij de brug van de jeugdliteratuur (Beckman, Terlouw, Hartman) naar de volwassenenliteratuur.
Een andere, concrete aanleiding zal ook hebben meegespeeld: ik stuurde De surprise, een gelegenheidsbloemlezing met Georgina Verbaan op het omslag, als Sinterklaascadeau naar mijn neefje en nichtje.
Maar dat is niet de enige reden dat ik aan Belcampo denk: Een man met goede schoenen ademt op momenten Belcampo. Er zijn dubbelgangers en tijdreizigers, Amsterdam is vaak het decor, die ik is enorm vertrouwd – zoals Belcampo zijn huisartspraktijk inzette, doet Van Essen dat met zijn schrijversrol – en er is telkens een vlaagje absurdisme dat niet zelden aanwakkert tot een verbijsteringwekkende storm. Meestal is het ook enorm geestig (hardop lachen, dat heb ik de afgelopen (her)leesperiode wel gemist), door een vondst (een shortcut naar mijn middelbare school, ‘In de kelder van de Kruidenier’, die had ik ook wel gewild, maar is dat wel praktisch? Van Essen beantwoordt de vraag) of een zijdelingse opmerking.
‘Langzaam kwam er meer leven in de avond. De leden van de groepjes waar het koninklijk paar langs was geweest, praatten harder, en vermengden zich met elkaar, alsof daar sprake was van ontspanning en opluchting. Ik stond in het laatste groepje. De koning schudde mijn hand en noemde mijn naam. Ondanks het informele gehalte van de avond was het net of hij mij die naam op dat moment schonk, en ik had bijna tegen hem geroepen: maar zo heet ik al!’
Tijdens dit bezoek aan het koninklijk paleis steekt dus nog een bescheiden orkaan op. Het verhaal heet ‘De glazen kamer’. En vóór ik op de concreetste, duidelijkste aanleiding stuit om over Belcampo (1902-1990) te schrijven in de bespreking van een verhalenbundel uit 2020, dist Van Essen geweldige, navertelbare (maar beter na te lézen) geschiedenissen op van geschoren zwervers, therapeuten en tuinkabouters en familieopstellingen, Nooteboom in Eindhoven, een mysterieuze logé, een melancholische zwerftocht door Oost en een ziekenhuis en die kruidenier dus. Enorm rijk, deze bundel.
*
Pas op pagina 120 duikt Belcampo zelf op. Het verhaal zelf is bijna Nescio-achtig melancholisch (net als dat ziekenhuisverhaal) – maar ja, Grönloh en Schönfeld kenden elkaar ook goed -, en begint met een wandeling maar er zit wel degelijk een eigenaardig reïncarnatie- of dubbelgangermotief in, en zo introduceert hij het de schrijver:
‘Er is een verhaal van Belcampo waarin de verteller één dag lang alle Amsterdammers wil zijn (door een deal met God te sluiten lukt het hem) en ik kan me die wens goed voorstellen. Zelf zou ik dan eerst zestig jaar terug in de tijd willen gaan, tien jaar voor mijn geboorte; en ik zou niet alle Amsterdammers willen zijn, maar wel alle Amsterdamse kinderen, zoals ze op die foto’s staan.’
(Dat verhaal heet ‘Avontuur in Amsterdam’, het is bijna net zo oud als Van Essens wens, uit 1959, en het is climactisch sterk.)
Het verhaal draait om een dubbelgangersherkenning, en draait uit op een verlate inlossing van bovenstaande wens.
‘Ik stond met mijn handen in mijn jaszakken naar de regen te staren en toen ze op vragende toon mijn naam noemde, zei ik automatisch: “Ja, natuurlijk.”
Maar ze had me Klaasje genoemd en zo heet ik helemaal niet. “Nee, nee,” zei ik, maar ze bleef voor me staan. Het vel van haar paraplu versterkte het geluid van de druppels die erop vielen, de rest van de bui werd achtergrondgeruis. Er gleden ook druppels over haar wangen, regen dacht ik aanvankelijk, omdat dat een logische gevolgtrekking leek, het regende immers — maar ze droeg een paraplu, ze huilde. “Nee, het kan niet,” zei ze, “Klaasje is al heel lang dood.”‘
Weer die naamsverwarring, ‘zo heet ik helemaal niet’, maar het is vooral zo mooi dat de scène hier uitgerekt wordt, stil en kaal: versterkt druppelgeluid, de rest van de bui achtergrondgeruis, en een geleidelijke overgang van geluid naar beeld, van regen naar tragedie. En een dialoog die scherpgesneden is op een droevig misverstand. Of niet?
*
Van Essen schiet het belcampische voorbij. Hij is een betere stilist, een modernere althans, en komt ook met metaliteraire (bijna thomésiaanse, als bij J. Kessels) en abstractere (bijna austeriaanse) verhalen. Maar het is dezelfde fantastische inspiratie, die maakt dat in elk verhaal de werkelijkheid eerst subtiel, dan vaak er totaal anders uitziet. Een man met goede schoenen is een geweldig boek. Lezen.
Een man met goede schoenen werd uitgegeven door AtlasContact. Het titelverhaal is te lezen op Athenaeum.nl.
In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Willemijn van den Geest.
Vorm
Uit angst in massa af te nemen onmerkbaar aan
de randen af te brokkelen ontwaak ik in een mal
waarin mijn vloeibaarheid nauwkeurig past
Alleen in andere gedaantes stap ik uit mijn stut alleen
wanneer ik lang genoeg gekneed en voldoende
ben verdwenen kan ik van binnen naar buiten bewegen
De opgave: geloven dat een lijf iets is dat past
in dingen buiten, overtuigd ontkennen dat het groeit in
scherpe randen die veranderen wat ik niet raken wil
daarna: deuken in het asfalt achterlaten zo vast
een vorm aannemen dat de dingen niet mij
maar ik hen aanpas en uiteindelijk zeggen
dit is mijn huis ik heb er altijd willen wonen
tot er iemand in mijn afdruk stapt
Over de dichter:
Willemijn van den Geest (1988) is dichter en woont in Italië. Zij studeerde Nederlands en Filosofie in Groningen en Amsterdam. Haar werk verscheen eerder in Kluger Hans. Daarnaast werkt zij regelmatig aan interdisciplinaire projecten voor spoken word en muziek.
Leanne Shapton: de redacteur leest een mooie bundel over zwemmen, over topsport, en opgroeien.
*
Daan Stoffelsen: Leanne Shapton, Swimming Studies
Ik zwem weer. Ik kies een timeslot de dag ervoor, fiets mijn zestien minuten naar het zwembad, douche niet, steek het bejaardenbaantje over en begin aan mijn wekelijkse kilometer. Dat halfuur is ofwel een bron van ergernis (wat doen die andere zwemmers in mijn baan!) ofwel een zegen: bij weinig activiteiten kun je zo goed mentaal afdwalen van het dagelijkse – en je echt druk maken om iets.
En dat terwijl afdwalen juist mijn probleem is. Er schijnen lezers te zijn die constant doorstomen, doorlezen, dag en nacht, in één adem als een trein in een film. Of als een roman. Voor mij voelen zulke lezers ook als ongeloofwaardige personages, want ik ben traag en snel afgeleid. Mijn lezen is versnipperd.
De grote romans die op me liggen te wachten, hebben een andere leeshouding nodig. Maar plotseling heb ik ook drie non-fictieboeken over zwemmen verzameld, een totaal nutteloos uitvloeisel van mijn grote lees-en-schrijfproject van het komende jaar. Ik lees de essays van Leanne Shapton, Swimming Studies (2012). Shapton zwom als meisje in de subtop, ze trainde voor Olympische trials, maar realiseerde ze dat nooit een topper zou worden. Inmiddels is ze de auteur van een elftal boeken.
Swimming Studies bestaat uit memoires en illustraties; Shapton werd een kunstenares en auteur van een tiental boeken. Niettemin schrijft ze: ‘I’ve defined myself, privately and abstractly, by my brief, intense years as an athlete, a swimmer,’ schrijft ze in het tweede essay. ‘I’m drawn to swimming pools, all swimming pools, no matter how small or murky,’ merkt ze ook op, en ik denk aan Charlotte Van den Broecks Waagstukken, waarin ook een schrijfster veel zwemt. Maar ze besluit haar hoofdstuk met:
‘When I swim now, I step into the water as though absentmindedly touching a scar.’
Alsof dat zwemmende leven een fantoom is, iets fysieks en iets afwezigs tegelijk. Shapton haalt herinneringen op, ze beschrijft heel precies de anatomie van een race. Ze beschrijft de geuren van haar jeugd, van de zwemmers in en buiten het zwembad. De verhouding met haar ouders. Eten, kleding, klasse. De onzekerheden van de puberteit. Tijd, stopwatchtijd. Hoe ze zich een race verbeeldde en probeerde het te timen met de magnetron: precies 1:11.
Mooi boek, ik zie dat Athenaeum Boekhandel Haarlem een exemplaar heeft, vast mooier dan mijn e-book. En dat Terras komend nummer een fragment uit het boek vertaalt. Ik hoop op de terugkeer van mijn concentratie. Tot dat moment lees en zwem ik versnipperd door.
Swimming Studies verscheen bij Penguin Putnam.
Nieuws! De Revisor neemt afscheid en verwelkomt. Jan van Mersbergen vertrekt na tien jaar trouwe dienst uit de redactie, Maureen Ghazal volgt hem op.
*
Maureen Ghazal (1995) schrijft poëzie en proza en maakt daarnaast performances en beeldend werk. In 2018 studeerde ze met haar dichtbundel Altijd verschoven ruimtes af aan de Willem de Kooning Academie. Ze volgde een uitwisseling ‘Woordkunst’ aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en een minor ‘Literatuur’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In 2018 won ze de El-Hizjra literatuurprijs in de categorie Poëzie. Ze publiceerde onder andere in De Revisor, De Gids, Deux Ex Machina, De Sampler en Tilt INC. Momenteel neemt ze deel aan het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds waar ze onderzoek doet naar haar geboortegrond in de polder en de invloed van taal op landschap.
Je las op derevisor.nl al haar gedicht ‘Fobie’, maar ze droeg ook al bij aan #24, ‘Huid’. We zijn erg blij met haar komst.
Een groot deel van Jans online bijdragen is te lezen op derevisor.nl, en sowieso zijn laatste verhaal als redacteur, ‘Groen’.


