De Revisor staat garant voor nieuwe literatuur sinds 1974, en daarom blijft het goed grasduinen in onze archieven (bij de DBNL). In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, met de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘De tuin’, uit het vierde nummer van 1979.

*

Toen ik veel jonger was, en nog vrij van verwachtingen, had de tuin al mijn aandacht: in de herfst ving ik er met een lange dunne bamboestok spinnen uit hun web om ze over de schutting te tikken of te begraven, in de zomer lag ik bij de vijver om vliegjes en kleine motvlinders uit het water te redden en ze in een lange natte rij op de rand te drogen te leggen, in de lente pelde ik de knoppen van de bloemen open zodat ze snel genoeg uit konden komen – steeds was de tuin vol opdrachten, en wanneer die uitgevoerd waren klom ik bij de poes op het schuurtje om tevreden heel mijn werkterrein te overzien. Op foto’s uit die tijd stond ik vaak alleen buiten met de handen op de rug en een neus vol rimpels, turend tegen het zonlicht. Jurken met felle strepen en blokken, en ‘s winters een gebreide muts tot ver over de oren: wie zou me uitlachen? Ook anderen hadden nog geen oordeel. Alles was immers gegeven, en daarbinnen was zoveel te doen.

Praten deed ik niet veel, maar waarom zou ik? Wanneer er kinderen kwamen voerden we geen gesprekken, maar speelden, en de enige taal die daarbij nodig was diende tot onderhandelen, hooguit aangevuld met het napraten van een volwassen frase. Hoe zou ik verslag van iets willen doen, een mening geven? Ik was nergens getuige van omdat ik alles volledig meemaakte, en daarop geen enkele aanvulling nodig had.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’
Praten is geen getuigenis, maar een bekentenis. Nog voordat mijn moeder, die fronsend in de verbandtrommel zoekt, haar vraag kan herhalen vertel ik vlug van de bij die ik uit de vijver wilde redden, maar die me toen plotseling gestoken heeft, vlak onder mijn nagel. ‘Je bent onderdehand ook veel te oud voor dat soort dingen.’ Een klodder zalf, gaasverband dat aan het eind fel wordt ingeknipt en vastgeknoopt. – Welk soort dingen? Die van de tuin, de vijver, de schuur? Ik staar lang en afwezig naar de verbonden vinger, die vreemd klopt, alsof hij er niet meer echt bijhoort. Ik leg de andere hand ernaast, leg beide over elkaar, naast elkaar, steek ze omhoog. Dan sta ik langzaam op en loop met geheven handen voetje voor voetje naar de spiegel in de gang. Twintig vingers, vier handen. Daarboven donkere ogen met een frons er tussen, en een neus die veel te veel glimt zodat ik er met de rug van mijn goede hand overheen wrijf, het toiletkastje open, en de schildpadden poederdoos van mijn moeder te voorschijn haal. Daarna borstel ik langdurig mijn haar, totdat de krullen wijd uit staan.
Kijk, dat ben ik dus. Ik klap het kastje dicht en loop naar de kamer van mijn zusje om haar de vinger te laten zien. Wanneer ik haar aankijk valt me voor het eerst op dat haar ogen donkerder zijn dan bij mij, en dat ze geen krullen heeft. Ik staar naar haar handen die gladder zijn dan de mijne, met rood gelakte nagels. ‘Wat doe je toch raar’, zegt ze, ‘altijd dat gekijk van jou. Kun je soms niet praten?’ – Ik doe raar, ik doe dingen en ik praat te weinig. Dus haal ik diep adem en doe zo uitvoerig mogelijk verslag van de bij, tot ze verbaasd begint te lachen en vraagt waar ik het vandaan haal: ‘Zo heb ik je nog nooit meegemaakt!’ Als beloning mag ik haar oogschaduw gebruiken, en het zwarte borsteltje voor de wimpers. Wanneer ik me tenslotte met een brede toneelglimlach van de spiegel af draai zegt ze ‘Poeh, chic hoor! Je lijkt wel achttien ineens.’

Daarna beginnen verwachtingen een rol te spelen; de mijne, maar ook die van anderen. Om beide kanten tegelijk tevreden te stellen is het vooral nodig zoveel mogelijk te praten: wervend, bezwerend, omzichtig. Alles wat ik doe lijkt opeens om voorspraak te vragen, en ik begrijp niet meer hoe ik ooit mijn dagen zo vanzelfsprekend door kon brengen, ongezien door hen, maar, vooral, ongezien door mijzelf. Wat deed ik toch steeds in die tuin?
Nu loop ik vier keer per dag op dunne hakken over de bemoste tegels, een hoekige schooltas onder de arm. Het pad naar het tuinpoortje is glibberig en onvast, en als ik laat in de namiddag terugkeer is mijn hoofd zwaar van gedachten over de indruk die ik behoor te maken, wil maken, of in werkelijkheid gemaakt zal hebben. In de zomer zit ik soms wel even buiten, maar dan met mijn gezicht vol zonnebrandcrème om snel bruin te worden. Dat staat gezonder dan de vale kleur die ik overhoud aan al dat denken, dat alleen minder wil worden wanneer ik lees. Dus lees ik zoveel mogelijk; soms moet ik er tot diep in de nacht mee door gaan, ondanks de dreigende contrôle. ‘Wat doe je toch steeds op dat kamertje, moeten we soms nog strengere maatregelen nemen?’ Nee, die neem ik zelf wel – maar naarmate mijn methodes verfijnder worden wordt mijn bewustzijn scherper, sta ik vaker verbeten voor de spiegel, oefen een glimlach en een geestige opmerking voor buitenshuis of een onschuldige blik en een afleidend vertelsel voor binnenshuis, trek aan mijn kleren, knijp in mijn wangen, ruk aan een redeloze krul – maar op den duur lijkt er geen beginnen meer aan, en raak ik het spoor totaal bijster. Er is geen middenweg. Hun wensen verdragen zich niet met de mijne, maar de mijne verdragen zich evenmin met mezelf. Wat ik zelf ben is ooit, lang geleden, zo vanzelfsprekend geweest, dat ik het niet onthouden heb. Ik voel alleen dat er geen enkele vorm op wil passen, alsof iedere verbinding die ik probeer onophoudelijk gevaar loopt. Pas ‘s nachts, als ik in het geheim kan lezen, ben ik veilig – althans voor mijn eigen toezicht. Maar zelfs het geringste kraken van de trap brengt me opnieuw in paniek, soms zelfs zo hevig dat ik, het bedlampje volop brandend, verstard naar betekenisloze woorden blijf staren, tot de deur openklapt in een baan van wit ganglicht, en een stroom van felle verwijten naar binnen slaat. Nog uren daarna lig ik bewegingloos in het donker, met een hoofd dat bonst van het nadenken. De slaap die dan eindelijk volgt is kort en onrustig, en op school zie ik er opnieuw ontoonbaar uit.
Zes jaar gymnasium. En pas dan word ik inderdaad achttien.

Achttien ja, maar achtentwintig? Acht-en-twintig jaar, wie heeft dat voor elkaar gekregen? Al die maanden, weken, dagen moeten in mijn eigen aanwezigheid verstreken zijn – wat deed ik toch steeds, al die tijd? Ik deed te weinig, en ik praatte te veel: om alle indrukken die ik niet wilde maken uit te wissen, die welke ik wel wilde maken voor te bereiden, mijn verontschuldigingen te rechtvaardigen, mijn beweegredenen te herzien. Langzaam maar zeker zag ik zo evenwel kans, me een toereikend aantal vrienden en kennissen te verwerven, en vervolgens legde ik me er met grote opletttendheid op toe het hun in zoveel mogelijk opzichten volledig naar de zin te maken. Hierin ontwikkelde ik een vaardigheid die op den duur nog maar nauwelijks van echt te onderscheiden viel; men kon zelfs denken dat ik een mening had, ideeën, een strikt eigen humor. Maar hoe groter mijn vriendenkring, hoe genuanceerder mijn opvattingen. Ik sprak ieders taal, parafraseerde ieders vertelling – een kosmisch woordenspel dat zich gestaag uitbreidde, totdat er geen gelegenheid meer was waar ik niet perfect bij paste. De gunsten die ik daarmee won werden uiteindelijk definitief bevestigd door de geamuseerde en ontfermende belangstelling van een grote, rustige man, die me eerst zijn boeken leende, toen mee op reis nam, en ten slotte vroeg, bij hem in huis te komen wonen.
Pas daarna begon echter geleidelijk aan tot me door te dringen dat ik me intussen in een wereld bevond waarvan de hoge kwaliteit en de evenwichtigheid me verbijsterden. Hoe was ik hier beland? Waar had ik dat aan te danken? Pogingen ook dit te rechtvaardigen liepen voor het eerst sinds al die overbezette jaren weer uit op het oude, verlammende gevoel dat ik niet zijn kon wat ik behoorde te zijn. Nu had ik dan inderdaad bereikt wat ik wilde bereiken en maakte precies de indruk die ik altijd had willen maken, maar de handhaving daarvan begon langzaam maar zeker boven mijn krachten te groeien. Beelden van heel vroeger drongen zich steeds onweerstaanbaarder op, en gingen groteske verbindingen aan met mijn volwassen bestaan. Volwassen, omdat ik werkelijk al bijna dertig moest zijn.

‘Wat doe je toch steeds met je tijd? Je zegt dat je het overal te druk voor hebt, maar waarmee, dat kun je niet zeggen; zelfs onze dierbaarste vrienden keur je nog maar nauwelijks een woord waardig.’ Reinderts geamuseerde glimlach wordt steeds schaarser, en met welk recht zou ik hem tegenspreken? Dit is de indruk die het maakt, ook al zijn mijn eigen redenen daar nog zo vreemd aan, en het is zeker een feit dat ik nooit aardig genoeg kan zijn om al die vriendschap nog langer te rechtvaardigen. Maar als ik niet meer onderhoudend ben, niet meer praat en lach als voorheen, zal er onherroepelijk van alles aan het licht komen. Want ik weet nu dat ik nog nooit één waarheid gezegd heb. Sinds ik werkelijk begon te praten heb ik ieder woord gelogen. Ik haat mijn stem, haat mijn beeld in de spiegel. Ik haat iedere indruk die ik achterlaat. Ik wil dat gezicht niet meer zien, die lach niet meer horen, ze leggen alleen valse verbindingen. Ik wil niet meer praten. Ik zal niet meer praten, tot ik weet wat ik te bekennen heb.
En zo, verstoken van het enige middel om wat dan ook te verantwoorden wacht ik, star en zwijgzaam, op de aanval die nu zeker moet komen. Want ik weet heel goed dat ik alleen aanvaard werd op grond van medeplichtigheid: al hun meningen waren de mijne, in alles zou ik hen bijstaan en verdedigen; maar nu deserteer ik. Ik blijf zoveel mogelijk binnenshuis, en wacht af.
Waarom komen ze nu niet? Waarom komt niemand me betichten, bedreigen, aangeven? Een verraderlijke stilte neemt langzaam maar zeker het hele huis in bezit. De telefoon en de bel rinkelen steeds minder, en als ik eens iemand spreek, toont men een zo vriendelijke en bezorgde belangstelling, dat ieder houvast me ontglipt, en ik toch telkens weer briefjes wil versturen waarop staat dat het niets geeft, dat het willekeurig is, tijdelijk, dat het hen niet betreft – niet hen? Maar wie dan wel? Wie heb ik dan zo perfide misleid?
Ik verlang naar een vreselijk ongeluk, een ramp die alleen mij treffen zal. Een deur die openslaat en me in een genadeloos fel licht zet, overspoeld door de meest verpletterende aanklachten.

Zo kruipen de dagen en de weken heimelijk verder, en passeert mijn dertigste verjaardag ten slotte vrijwel onopgemerkt. Reindert geeft me een boekenbon cadeau, en ik besef dat ik zelfs met hem alleen nog maar praat om te onderhandelen: wij wisselen mededelingen uit, opdrachten, en als het af en toe toch nodig is een mening te geven kies ik de stem en de formulering van anderen. Wat hem echter vooral moet hinderen is dat ik tegenwoordig geen jij en jou meer kan zeggen: ik gebruik namen. ‘Wil Reindert het zout aangeven?’ ‘Dit huis is van Reindert, en als die er liever alleen in wil wonen…’ Vooral dat laatste zeg ik vaak, omdat hij daartoe, lijkt me, alle reden heeft.
Wanneer ik dan ook, daags na mijn verjaardag, mijn ouders aan de telefoon krijg en hoor dat ze voor een aantal weken naar het buitenland vertrekken, stel ik hen dadelijk voor, hun huis zo lang aan mij uit te lenen. Ze stemmen, zij het na enig overleg, toe, maar tot mijn verbazing is Reindert niet blij dat ik een tijdje bij hem weg ga. Hij wil me in elk geval dagelijks op mogen bellen, en in de weekends zal hij overkomen.

‘En open gaan de zware deur’ – van welke dichter was dat ook weer? Weifelend steek ik, nadat ik op een zonnige herfstochtend mijn oude koffer het bordes op gezeuld heb, de sleutel in het koperen lipsslot. Naar links of naar rechts draaien? Dat vergeet ik altijd. ‘De goede kant op’, repeteert Reindert dan steeds, maar wat is de goede kant? En van mij uit gezien, of vanuit het sleutelgat? ‘Póntos euxéinos’, hoor ik opeens de stem van mijn vroegere leraar oude talen, en meteen, terwijl de brede voordeur in beweging komt, schiet ook de naam van de dichter me weer te binnen. Een veel te gewone naam, ergens rechts bovenaan in een blauw schoolboekje waarvan ik ieder plaatje ter wille van de diepte nauwkeurig nagetrokken en gearceerd heb. Ik kom in het marmeren voorportaal, dat wordt afgesloten door een gegraveerd glazen tochtdeur. Daarachter begint het huis. Ik zet de koffer neer op de plaats waar vroeger mijn schooltas hoorde, hang mijn jas aan een smeedijzeren hanger in de garderobe, loop door naar de grote woonkamer, en beland haast automatisch voor de hoge houten kast waarin de koekjestrommel moet staan. Pas wanneer ik tot de ontdekking kom dat de lange vingers en mariabiscuitjes vervangen zijn door een zondags restant krakelingen met roomboterallerlei klap ik snel het deksel terug, schuif de trommel op zijn plaats, en sluit de kast zorgvuldig af. Dan draai ik me behoedzaam om. Ik knijp mijn ogen stijf dicht, sper ze wijd open en kijk spiedend in het rond. Stil is het hier, en netjes ook. Alles net zoals vroeger, maar alleen zo schoon en opgeruimd; alsof het huis eigenlijk verhuurd wordt. Op mijn tenen loop ik langs het jadekastje, het rooktafeltje en de schemerlamp naar de tuindeuren, trek één van de velours overgordijnen iets dicht, en tuur daarlangs oplettend naar buiten.
Maar wanneer ik dan de tuin terug zie, alles precies zoals ik het bijna vergeten was: de tegels, het grasveld, het vogelhuis bij de vijver, de zware rhododendrons achterin met daarvoor de rode en gele dahlia’s, paarse asters, chrysanten, verlies ik als bij toverslag iedere waakzaamheid, en zie alleen nog maar de tuin terug, De Tuin. De zon schijnt door de ruiten heen naar binnen en maakt me warm en duizelig, zodat ik mijn ogen iets toe moet knijpen en beide handen als een brug tussen het glas en mijn voorhoofd houd. Ik kijk aan één stuk door, en herken alles volledig: het gras is nog nat van de dauw, twee zwarte merels scharrelen bij het tuinpad, en tussen de dahlia’s en asters glinsteren talloze spinnewebben – met of zonder spinnen, dat kan ik van hieruit niet zo goed zien. Zou iemand daar wel voor gezorgd hebben? Opeens weet ik heel zeker wat me te doen staat. Ik wrik de tuindeuren open, steek de veranda over en loop dwars door het natte gras naar de dahliastruiken, die hoog aan dunne bamboestokkken zijn opgebonden. De bloemen schudden zachtjes heen en weer als ik voorzichtig een stok los probeer te trekken, en grote koude druppels vallen op mijn handen. Ik kijk op, en een vuurrode dahlia wiegt vlak voor mijn gezicht heen en weer. ‘Wijnrood, bloedrood, karmozijnrood, robijnrood’, fluister ik vriendelijk, ‘dag robijnrode bloem.’
‘Dag robijnrode bloem’, herhaal ik nu luider, en verbaasd frons ik mijn wenkbrauwen. Wat zei ik daar? Ik kijk naar de bloem, naar de grond, en herhaal opnieuw wat ik zei. Ja? Ook als ik niet kijk en er met mijn rug naar toe ga staan? Met ingehouden adem draai ik me om, en terwijl ik vaag in de verte de open tuindeuren zie, en de kamer daarachter, zeg ik weer: ‘Een robijnrode bloem.’ Het werkt nog steeds! Zodra ik de woorden uitspreek zie ik de bloem erbij, net zo mooi als in het echt, of eigenlijk nog mooier – er lijkt, tussen wat ik zeg en wat er is, een verbinding te zijn die ik nog nooit eerder ontdekt heb. Hoe kan dat opeens? Ongelovig prik ik de dunne bamboestok, die ik nog als een toverstaf vasthield, loodrecht in het gazon en loop langzaam in de richting van de herfstasters, chrysanten, lupinen; ik noem hun kleuren één voor een, hun grootte, hun aantal, en mijn verbijstering groeit. Ik kijk naar het schuurtje en noem de verkleurde wingerdbladeren waarachter het schuil gaat, dan het schuurtje zelf, de schutting, het tuinpoortje; een mus, nog een mus, drie spinnen, de vijver – dit lijkt haast onuitputtelijk, de tuin is zo groot, zou het ook in het huis kunnen, de chinese borden, de eettafel de koektrommel?
Alles, alles lukt. Alles is precies zoals ik het zeg: eerst noem ik iets terwijl ik kijk, dan samen met een ander woord terwijl ik niet kijk, dan, de handen voor de ogen, een hele serie dingen achter elkaar, en het werkt, haast als een extra dimensie: alsof alles pas nu een omtrek, een plaats krijgt. – Tenslotte bereik ik langs duizend omwegen de grote antieke kast, trek hem open en zoek een dik besuikerde krakeling uit de trommel. Ik ga op een stoel bij de tafel zitten, zeg ‘Dit is groots’, en vind zelfs daarin een overdaad aan betekenis. Dan barst ik in lachen uit en lach, schater, schok van het lachen, totdat de krakeling op de grond valt. Ik pak hem op, spring overeind, ren naar de telefoon, en bel Reindert.
‘Hee’, vraagt hij, ‘ben jij dat? Sleutel kwijt?’
‘Nee’, zeg ik, de hoorn pijnlijk hard tegen mijn oor drukkend, ‘nee luister, er is iets wonderbaarlijks. Luister Reindert, ik geef alles namen, en het werkt! Hoor je me? Er zijn robijnrode dahlia’s, oranjegele wingerdbladeren, het tuinpoortje is van groengeverfd hout en rond van boven, en deze krakeling glimt van de gesmolten suiker…’ – ‘welke krakeling’, onderbreekt hij, ‘waar ben je in vredesnaam terecht gekomen? Wat is er gebeurd?’ – ‘Alles’, antwoord ik, ‘overal. Dit is fantastisch, Reindert, ik kom hier in dit huis, ik loop door de tuin, en opeens kan ik alles zeggen omdat ik in mijn hoofd overal beelden van krijg, elk woord heeft betekenis, ik voel wat ik zeg, begrijp je? En omdat ik het voel is het meteen ook waar, bedenk ik nu, zo waar als het maar zijn kan; voor het eerst van mijn leven spreek ik zomaar vanzelf de waarheid! En van de dingen in de tuin kan ik verder alle andere waarheden afleiden, het porselein, de kast, de koekjestrommel…’ – ‘Derhalve de krakeling’, concludeert Reindert. Hij lacht zachtjes. ‘Kijk eens aan, vandaar. En heb je mij toen van de telefoon afgeleid?’
‘Jou?’ Ik aarzel. De geamuseerdheid die ik al maanden niet meer in zijn stem gehoord heb wekt verre herinneringen aan een tijd vol mensen, allemaal mensen, tegen wie ik steeds maar moest praten en praten… – ‘Mensen weet ik nog niet’, zeg ik snel, ‘maar ik ben ook nog maar net begonnen, en alles moet natuurlijk niet tegelijk, zie je. Ik begin namelijk eerst met de tuin, dan de dieren in de tuin, het huis – misschien ga ik hier ook nog wat oude fotoalbums bekijken, dat geeft alvast beelden van mensen, en natuurlijk dan ook een gevoel’.
‘Mogelijk een wat erg historisch gevoel’, meent Reindert. ‘Zou je er anders bijvoorbeeld niet voor voelen als ik mezelf in levende lijve aandiende? Ik ben nu wel erg benieuwd naar je. Vanavond kan -’ ‘Nee, nee, nu nog maar niet’, zeg ik haastig, ‘ik kan beter eerst een paar dagen alleen blijven, dat hadden we toch ook afgesproken? Is dat goed?’
‘Ja hoor’, geeft hij toe, ‘natuurlijk. Maar het is zo heerlijk om je weer gewoon te horen praten. Zul je dat ook zonder tuin blijven doen? Of zouden we nu eindelijk eens echt een benedenhuis gaan zoeken? Dan kun je alle bloemen die je mooi vindt bij elkaar in je eigen tuin planten’.
‘Maar ik hoef ze helemaal niet in het echt te hebben’, antwoord ik afwezig, ‘ik heb ze immers al in mijn eigen hoofd, ik hoef hun namen maar te noemen, of hun kleur, en ik zie ze zo voor me’.
‘En de realiteit dan, zul je de realiteit niet uit het oog verliezen? Hoe zit dat eigenlijk – heb je wel eten daar, dat soort dingen, en vind je het niet vervelend om helemaal alleen in zo’n groot huis te zitten?’
‘Welnee’, zeg ik, en kijk door de openslaande deuren naar buiten. ‘De zon schijnt nog steeds. Schijnt bij jou ook de zon? Nu wil ik weer de tuin in, ok? Tot zaterdag’.
‘Vrijdagavond’, verbetert hij, ‘maar als je me eerder wilt zien, zul je dan bellen?’ ‘Goed,’ zeg ik, ‘ik ga nu naar buiten’.
‘De groeten aan de pioenrozen’, hoor ik hem nog zeggen, en dan ligt de hoorn op de haak. Pioenrozen? Ik weet niet eens wat dat zijn. Eerst beelden, dan namen. Woorden alleen hebben geen enkele inhoud. – En mensen? Natuurlijk wel, mensen wel. Maar waarom kan ik me Reinderts gezicht dan niet voor ogen halen? De dahlia heb ik meteen weer, en de gordijnen, zelfs de telefoon staat me zwart en glimmend voor de geest – waarom hij dan niet? En iemand anders, wie ik ook probeer, evenmin?
Maar wat kan het me ook eigenlijk schelen – snel loop ik de tuin in, trek de bamboestok uit het gras, en wandel prikkend en wijzend over het gazon, door het huis, de trappen op; ik buig me over de balkonrand, uit het logeerkamerraam, over de dubbele wastafel in de badkamer om lang en aandachtig in de brede spiegel te kijken, en breng de rest van de ochtend en de hele middag naamgevend door tot de schemering invalt.
Alles is bekeken, ook mijn kamer boven, de kleur van het behang, het boekenrekje met een stapel oude schoolschriften, de pluche dieren in een mand. Tenslotte ben ik zelfs op de vliering geklommen waar ik, onder een groot wit laken, drie keurig opgemaakte poppebedden ontdek, elk aan het hoofd- zowel als het voeteneinde doodstil beslapen door poppen van mijn zusje en mij. Ik aai ze stuk voor stuk, doe de knoopjes van hun kleren voorzichtig open en dicht, noem hun ingewikkelde namen in alle volgordes. Als ik het laken tenslotte terugvouw is het boven al bijna donker, maar de tuin kan ik, in het laatste licht, nog één keer opzoeken. Het is er heel stil geworden, met schemerige kleuren.
Nadat ik de bamboestok weer op precies dezelfde plaats tussen de dahlia’s heb geschoven doe ik de verandadeuren haast geruisloos dicht, steek de lamp bij de kachel aan, en loop naar het zwarte jadekastje, waar achter twee deurtjes, onderin, de oude fotoalbums liggen. Ik haal een grote beker chocolademelk, zet de koekjestrommel er naast, en leg de albums in een rij voor mijn voeten.
Dan kijk ik foto’s, uren achtereen. Het vloeipapier ritselt tussen de zware, grijskartonnen bladen, en soms is een foto losgeraakt, zodat ik achterop in verbleekt vulpenschrift een seizoen, een jaartal en een paar namen zie staan. ‘Zomer ’53, met Jo, Hans en de kinderen in Bergen.’ Witte zonnehoedjes, een bolderwagen, mijn zusje laat twee handen vol schelpen zien. – Ik lik aan de losgeraakte hoekjes, over vijfentwintig jaar oud spuug heen, en plak de foto boven de gelijknamige tekst in het album. De beelden die nu in mijn hoofd komen lijken de voorafgaande van het huis en de tuin sterker te verbinden, wederzijdser, en dit, bedenk ik opeens, is misschien wat mensen doen: hun voortdurende aanwezigheid geeft je indrukken een sfeer van veilig, vanzelfsprekend toebehoren.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’ Plotseling, als ik het vijfde album opsla, schiet die zin even helder door mijn hoofd als de aanblik van deze veel nieuwere, glanzende foto’s. Ze zijn groter, zonder kartelrandjes, en lichter van kleur, terwijl de getoonde kinderen al bijna even groot zijn als wij konden worden. Mijn zusje in haar eerste tweedelige badpak – het seizoen is weer zomer, en het onderschrift draagt een fier uitroepteken. Snel sla ik de pagina’s om; in dit boek zijn ze spierwit, zonder vloeipapier, en het linkerblad is steeds blanco gelaten. De bladen draaien stroef en scheef over de spiraal in het midden, en wanneer ik een onhandige slok chocolademelk neem plenst een leverkleurige vlek over een fotoserie waarop ‘de dochters zich prepareren op een nieuw schooljaar in klasse II resp. V Gmn.’ Grote rollen kaftpapier, op de laatste foto houdt mijn zusje een zojuist geplastificeerde Homerus voor haar gezicht. – Gauw naar de keuken, vaatdoek halen. Het is donker in de gang, en een lichte paniek overvalt me. Wat een onzin ook, die albums, ik heb er allang genoeg van gekregen, wat er verder nog komt interesseert me trouwens ook helemaal niet. Maar wanneer ik de chocolademelk slordig heb weggeveegd blader ik toch gejaagd verder. Jurken met petticoats worden kokerrokjes, sandalen queenies met bandjes. Dan, opeens, stuit ik op een grote, centraal opgeplakte kleurenfoto van mijn ‘zojuist behangen meisjeskamer, voorjaar 1964’. Muren in wit en pastelgeel, rotan stoeltjes met zacht fluwelen kussens, een crème gelakte hoge theetafel met kopjes, de zilveren theelepeltjes staan in het melkkannetje. Het boekenrek, de mand met pluche beesten, de spiegel, die afschuwelijke spiegel – zie ik daar haarspeldjes naast liggen, een vlekkerig doosje mascara, dat kan toch niet? Nee, dat kan niet! Dat moet weg, want als ze die rommel zien – en mijn boek, heb ik dat wel goed verstopt? Ik speur de foto af, dat boek heb ik toch wel weggestopt? Jachtig ga ik met mijn vinger langs de contouren van het lichthouten bureautje, waarop de leeslamp gelukkig in de goede stand staat en niet, zoals ‘s nachts, heimelijk een halve slag naar rechts, boven het bed – dan trek ik met een ruk mijn schouders omhoog, en luister. Het geluid van een sleutel in de voordeur, voetstappen in de hal, de tochtdeur schuift over de loper van de gang… bewegingloos blijf ik zitten, de lamp schijnt fel op het witte blad links, en rechts lezen alleen mijn ogen een nietszeggende reeks woorden: meisjeskamer, voorjaar 1964, meisjeska, mei –
Dan kiert de deur langzaam open, en een stem zegt ‘hee niet schrikken hoor ik ben het – kijk eens wat ik voor je heb?’ Ik kijk op, mijn vingers strak om het album; en wanneer ik Reindert zie staan, half verborgen achter een enorme bos rode dahlia’s, begint alles aan me te trillen en te schokken zodat het zware fotoboek van mijn schoot glijdt, en ik het uitschreeuw van de pijn wanneer de scherpe zijkant tegen de wreef van mijn voet slaat.

Het is nu winter, en de hoog ingesloten rechthoek van talloze achtertuinen, waaronder er één bij ons nieuwe huis hoort, ligt vol witte sneeuwplekken. Ik sta buiten, een zak bloembollen naast me, en een schepje in de hand. Een paar tuinen verderop zijn twee kinderen een schamele sneeuwpop aan het maken; het weer is zo koud en helder, dat ik de aanwijzingen die ze elkaar geven soms vrijwel letterlijk kan volgen. Dit soort dingen moet ik ook gedaan hebben in de winter: met sneeuw spelen, sleeën, schaatsen – maar ik herinner het me slecht, misschien omdat het meestal in gezelschap van anderen gebeurde. In de winter was mijn tuin immers niet minder ontoegankelijk dan deze; er viel nergens iets te doen want de grond was koud en hard, alle insecten waren uit zichzelf al weggegaan, en de vijver lag, donker en diep, vol rotte bladeren. Dus speelde ik in die tussentijd met anderen, en groef alleen af en toe, als de zon scheen, de sneeuw een beetje weg op plaatsen waar de crocussen ooit weer moesten komen.
Ik buk me en krab met het schepje over een kale plek aarde. Keihard. Ik pak een grotere schop, zet hem loodrecht tegen de grond, en stamp met mijn hiel op de bovenrand van het blad. Zelfs als ik mijn andere been daarbij plotseling optil en de schep met een schok mijn hele gewicht te dragen krijgt gebeurt er niets. Hijgend staak ik tenslotte mijn pogingen en kijk met ogen die tranen van de kou naar de witte wolkjes van mijn adem, die wonderlijk snel oplossen in de lucht. Ze brengen me op de gedachte een zware gieter met heet water te proberen, maar wanneer de stoom dampend van de grond slaat bedenk ik dat de bollen zo nog sneller stuk zullen vriezen. Werkeloos staar ik naar de grond, die zwart en nat glinstert van het al weer afgekoelde water. Wat kan ik nog doen? – Na een tijdje draag ik de schop en de gieter terug naar de bijkeuken, en pak voorzichtig de zak bollen op. Vier soorten dahlia’s heb ik gekocht, waaronder witte, die ik nog nooit heb zien bloeien.
Ik recht mijn rug en kijk de tuinen langs naar de twee kinderen, die nu vlak voor hun dwergsneeuwpop een brandende kaars hebben neergezet; terwijl zijn kleine witte hoofd met zwarte koologen langzaam scheefzakt en wegsmelt zingen ze met schelle, lange uithalen een triomfantelijk Wilhelmus.

Annelies Verbeke: de redacteur las de nieuwe, mooie, knappe verhalenbundel van de Biesheuvelprijswinnaar, die vermaakt en intrigeert en prikkelt om de klassieken te gaan lezen.

*

Daan Stoffelsen: Annelies Verbeke, Treinen en kamers

In de week van verschijnen kreeg Annelies Verbeke meteen twee mooie, grote stukken – een in NRC Handelsblad en een in Trouw. Ik, net begonnen in haar nieuwste verhalenbundel, bladerde snel door. Mijn mening vormde zich nog. Maar terwijl Thomas de Veen en Gerwin van der Werf heel andere elementen uitlichten en loven of bekritiseren, hun enthousiasme deel ik: wat een mooie, knappe bundel is dit.

De grote gemene deler tussen de verhalen is dat Verbeke – ze won met haar vorige bundel de J.M.A. Biesheuvelprijs – zich liet inspireren door de wereldliteratuur, van een Mesopotamische priesteres van vier millennia geleden tot Gullivers reizen en Moby Dick, maar tegelijk de actualiteit verslaat met HSP’s, incels en scholieren met thuisonderwijs. Plus: Verbekes ambachtelijkheid die elke vorm aankan, en de afwisseling van vertelplezier en maatschappelijke betrokkenheid.

In haar openingsverhaal, ‘Deserteren’ (een verkorte versie van de gelijknamige novelle), staat een van mijn favoriete Verbeke-personages centraal: de auteur. Dit ietwat depressieve alter ego van Verbeke heeft wel eens in De Revisor gefigureerd, maar ook in Hallelujah, en hier treffen we haar aan in een zelfgegraven graf in het park. Twee deelpersoonlijkheden van haar trekken haar eruit en betrekken haar in een groepsessie met Elaine N. Aron (die van Hoog Sensitieve Personen. Hoe blijf je overeind als de wereld je overweldigt), Goethe, Mann, Werther, Lotte en Charlotte, met absurdistische trekjes.

‘“Misschien kunnen we dat overslaan,” oppert de auteur, geërgerd over de vanzelfsprekendheid waarmee Elaine onmiddellijk de rol van gespreksleider naar zich toe trekt. “Maar van u, waarde heer Von Goethe, excellentie, wil ik wel graag weten welke Goethe u bent, de echte of die van Mann?”
“O,” zegt Goethe, met een stem die even zacht en hoog is als die van Werther, krabbend aan zijn enorme voorhoofd, kijkend naar de wiebelende neuzen van zijn schoenen, en dan van Mann naar de auteur. “Daar komt u me met een vraag… Eerlijk gezegd ben ik daar zelf ietwat over in de war.”’

Dit vind ik grappig, en goed gedaan. Want hoe metaliterair wil je het hebben? Het personage, dat we wel mogen identificeren met de schrijver zelf, vraagt een ander personage of die zelf de schrijver Goethe is of het personage van een andere schrijver. Goethes verwarring is uiterst verklaarbaar. Ook mooi: het contrast tussen de eerste alinea van dit citaat, waarin de auteur nogal hoogdravend is, en de tweede, waarin ‘waarde heer Von Goethe, excellentie’ nogal suf overkomt. En dat beletselteken, die puntjes… die vertaalt Verbeke ook in woorden, die stem, dat krabben, dat kijken, ze vertraagt heel effectief.

Dat metaliteraire is ontegenzeggelijk ook een nadeel: verhaal na verhaal heb ik het idee dat ik allusies mis. Een studie Klassieke Talen (die slechts van pas komt bij het verhaal in verzen ‘Verloren zang’, dat Odysseus in Moria plaatst) en mijn focus op moderne Nederlandse en vertaalde literatuur nadien helpt me niet echt. En bij een enkel verhaal voelt de wereldliteraire inzet wat gezocht. Maar de motto’s bij de verhalen sturen wel je denkrichting.

En bovenal zijn het sterke verhalen op zich, die variëren in vorm van een praatje van een conducteur tot dat homerische verhaal, met naast ik- en hij-perspectief ook veel tweede persoonsverhalen. Het incelverhaal heeft iets dystopisch, er zitten kluchtige scènes tussen en een nachtmerrie. Geslaagde verhalen, met een aantal paarden en fatale schoten als motieven er licht doorheen geweven, maar vooral grote variatie in toonzetting en thematiek.

Verbeke heeft – de klassieken blijven relevant – tijdloze thema’s te pakken: identiteit, (gefnuikte) liefde, jaloezie, strijd en frustratie. En de coronamaatregelen worden heel natuurlijk ingebed in de verhalen. In ‘Orewoet’, het korte, lyrische Hadewijch-verhaal waarin een liefde op afstand beperkt wordt, schrijft Verbeke:

‘Wij waren dit verloren en vergeten, de eenwording, het verlangen ernaar, de orewoet. Nu de grenzen sluiten en de treinen tot stilstand komen, voelen wij onze handen. Nu gruwt ons slechts het verlies.’

En in ‘Wétiko’, een verhaal dat volgt op het nachtmerrieverhaal ‘Vleermuis’, ontdekt een scholier tijdens het thuisonderwijs de Spaanse, zestiende-eeuwse schrijver Bartolomé de las Casas, die de genocide op de oorspronkelijke bewoners van Amerika beschreef. ‘Je hebt een droom gehad. Een opeenstapeling van verschrikkingen, dat weet je nog, maar de concrete beelden ben je kwijt. Wel is er dat woord: Wétiko,’ opent Verbeke, en na enig googelen naar de oorsprong van dat woord: ‘Al voor het ontbijt ben je wijzer en stiller geworden en heb je het gevoel dat er ter hoogte van je maag een gat is ontstaan.’

‘Het is geen honger. Verder dan een banaan en een kop thee kom je niet. Je ontwijkt de bezorgde blik van je moeder. Soms verdenk je haar ervan dat ze hoopt op anorexia, zodat haar obsessie omtrent je eetgewoonten meer bestaansrecht verkrijgt. Maar zulke dingen zou je niet over haar moeten denken, ze houdt van je.’

Verstandig en tragisch, zulke gedachten, in een verhaal dat puberfrustraties in lockdown verbindt met trieste wereldgeschiedenis – en een levensles van Churchill. Treinen en kamers vermaakt en intrigeert, verveelt niet, en prikkelt tot het (her)lezen van de klassieken. Perfect voor literatuurwetenschappers, of professionele lezers met honger naar meer dan een boterham met kaas en een kop thee.

Treinen en kamers is uitgegeven door De Geus. Op Athenaeum.nl staat een fragment uit ‘Wétiko’.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. We openen met ‘Huisje’, een kleine idylle – precies wat je zoekt, al jaren.

*

Ongelooflijk wat mooi hier – deze landweg met hoge bermen, een strook gras in het midden en achter de sloot warempel een echt korenveld met papavers langszij, winde, iets geels ook, wat is het. Maar vooral daarginds, aan het eind: een eenzaam, vervallen boerenhuisje. Precies wat ze zoekt, al jaren. Eropaf, meteen, voeten verstrikt in het lange, natte gras en slierten kleefkruid. Het strodak is plukkig donkergrijs en er heeft zich een vlier in verankerd die bloeit in de warmte, je ruikt hem hier al. Overal bramen en brandnetels, een oude waterput met opnieuw een bloeiende vlierstruik en verderop Oost-Indische kers, een rek met vergeelde tuinbonen. Rechts een hokje zonder deur waar een wc-pot in staat met een reservoir erboven van gietijzer en kijk nou eens, aan de ketting een echt porseleinen trekker. Daarachter zo’n strooien hooibergdak, scheef op vier palen, er staat een kar onder met de dissels omhoog en ook een roestig fornuis en een ijskast. Wat doen die hier. Weg ermee straks, het allereerste dat weggaat. Tussen de brandnetels is een bakstenen paadje vrijgebleven tot aan de voordeur; daarnaast vlak boven de grond een bergluik, schuin, met een roestig hangslot. Benieuwd wat daaronder zit.

Dit is schitterend. Zo mooi, zo alleen, ze was al een tijdje op zoek maar dit zal het worden, zomaar bij toeval ontdekt. Wat een geluk. Ze loopt naar de voordeur van vaalgroen hout, links en rechts de meest stoffige ruiten ooit; met de zijkant van haar hand veegt ze een plekje schoon en een baan zonlicht schiet loodrecht naar binnen, het donker in. Valt op een rond tafeltje met een kanten kleed erover, een houten kast rechts en daarnaast, in een leunstoel met hoge kussens, een heel oude vrouw die nu traag haar hoofd opheft, de mond half open.

De Revisor staat garant voor nieuwe literatuur sinds 1974, en daarom blijft het goed grasduinen in onze archieven (bij de DBNL). In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. In 2014 hernamen we al op aanraden van Nicolaas Matsier haar debuut, ‘Gegevens’. Dit is ‘Sjibbolet’, uit het zesde nummer van 1978.

*

Nee, dat gaat niet, die twee plaatsen hiernaast kunnen nu niet meer bezet worden. Ze zijn te dichtbij zeg ik u, en misschien is er in dit vliegtuig verder ook wel geen ruimte meer, maar dan is er toch evenmin tijd, want uzelf, ziet u, bent op dit moment al ver over het schema heengegaan. Zo valt deze gebeurtenis buiten de afspraak: onze gemeenschappelijke wereld is al een kwartier geleden opgestegen. Ja, wat wilt u? De brede aluminium vleugel waar dit raampje op uitkijkt heb ik allang in al zijn naden uit het hoofd geleerd, het gordijntje heb ik zorgvuldig tot halverwege de stroeve spiraalroeden teruggeduwd, mijn tas met vier zware boeken staat op de grijze zitting naast me, en ook ziet u daar een appel, zakdoek, sigaretten, een aansteker – waar moet ik er anders mee heen?

‘In het bagagerek’, wijst de witgehandschoende stewardess. Gladde lok met een toque erop. Loktok. Nee. Dit moment valt buiten onze overeenkomst, en ik ben degene die bijtijds op elke plaats aankwam, twee uur in de trein, twintig minuten bus, zeven kwartier op het vliegveld, om uiteindelijk deze plek hier te verwerven, te verkennen en in orde te maken. Gordijnen, tas, appel. Vóór me drie schuine rugleuningen, rechts de gebogen vliegtuigwand met het diepliggende raampje, links de twee vrijgebleven plaatsen. Nee, het gaat echt niet, ik heb dit gebied gezuiverd, er staat nu een ronde zeepbel omheen. Maar daar priemt haar droge witte handschoen, pats, dwars doorheen: ‘in het bagagerek’, en wenkt twee lange gestalten dichterbij. Hoog boven me zweeft een dubbele glimlach. ‘Handje helpen?’ vraagt één daarvan, en knikt naar de tas.

Hun vier knieën schuiven precies tegen de hoge rugleuningen hiervoor, en nu kan ik er nooit meer alleen uit. Gevangen, vier stangen. De appel en de zakdoek liggen op mijn schoot, ik leg mijn handen eromheen en blijf zo stil mogelijk zitten. Ik kijk naar het gordijntje dat vanuit deze positie te ver dicht zit. Ik kan er niet meer uit. Gaan we nu weg? Ik schrik van weer de witte handschoen, dicht in de buurt van mijn arm die ik snel tegen mijn zij druk. Wat, wat is er. Ze wijst naar een lichtgevend bordje. Moeizaam snoer ik de riemen zo vast dat de zakdoek er haast niet meer onder vandaan kan. Wanneer ze me glimlachend een dienblad vol snoepjes voorhoudt draait mijn hoofd zich vanzelf af.

En dan stijgen ze op, ja, maar ik houd me daar verder buiten. Als ze zo willekeurig met mijn tijd en ruimte omgaan, kan het doel evengoed opeens een ander worden: wie zal me beloven dat dit vliegtuig naar Florence gaat? Ook moet mijn sigaret nu uit, verboden te inhaleren. Meteen krijg ik het veel te benauwd. Alles zit dicht, mijn beide oren, het gordijn rechts, de viervoudige barrière links, de toegesnoerde riemen. Dit gaat niet, helemaal niet. Ik kijk snel opzij en trek dan in één plotselinge beweging de gordels los, rek mijn rechterarm naar het raam, en druk het dikke gordijntje zo ver mogelijk langs de weerspannige spiralen terug. Zo. Nu goed naar buiten kijken, daar is het rustig. De zon blinkt op de vleugel vol voegen en naden met rijtjes spijkers erlangs, dat heb ik al eerder goed opgenomen. Aluminium, met één l. Haast het hele woord gaat door je neus, aluminium. Mijn oren zitten nog steeds dicht. Eens proberen of ik kan gapen, hoewel, daar komt zij weer in dat strenge mantelpak, nog steeds met witte handschoenen aan. Ze deelt er dienbladen mee rond. Net zulke handen als Mickey Mouse, kunsthanden. – Lang geleden moest ik onder het huiswerk maken witte kanten handschoenen aan omdat ik mijn vingers te ver afbeet. Binnen het kant pleisters om mijn nagels, daarbuiten een pleister om mijn pen omdat die anders tussen de gehaakte vingers weggleed. Zo vreemd als dat aanvoelde, alsof het een ander was, zelfstandig, die alles hanteerde.

Ja natuurlijk, nee, dank u wel. Ik heb even niet opgelet, maar hij naast mij wel, en voor ik het weet hebben zijn snelle vingers lipjes uit stoelleuningen losgetrokken en zitten we alle drie in een schoolbank. Klak, klak, klak, ieder een blad op zijn tafel. Met een schok schuif ik zo ver mogelijk naar achteren, een vlak vol bakjes eten snijdt mijn adem doormidden. Nu vooral kalm blijven, proberen diep te zuchten, naar buiten kijken. Wat ik allemaal zie, aluminium, precies als zonet, daarbij het blauw van de lucht, ook hetzelfde. Zilver op blauw, wat was dat nog meer? Het insigne op haar uniform. Zie je wel, het is allemaal best na te gaan.

Zo. Nu eens kijken wat er precies op dat blad is uitgestald. O, wacht even. Even goed luisteren. Links naast me wordt een gesprek gevoerd, en er vallen namen die belangrijk zijn: Uffizi, hoor ik, Firenze. Eén van hen wil voor de avond nog een bezoek brengen aan het museum. Zie je wel, ze gaan er dus toch naar toe. Zelf noem ik de stad gewoonlijk Florence, maar wat die Uffizi betreft hebben ze gelijk. Officiën heb ik dat destijds vertaald, een heel kunstboek door. De vriendelijke redacteur zou dat nu zelf nog wel verbeteren, maar of ik er in de volgende delen op wilde letten. Negen delen alles bij elkaar, en toen ik er twee af had kon ik precies deze vijfdaagse vliegreis betalen. Dat leek me een goed plan. Nog zeven delen vóór me (één daarvan in de tas bovenop het bagagerek), vol met zoveel verwijzingen naar Florentijnse kunstverzamelingen, dat het me verstandig leek die ook eens werkelijk onder ogen te zien. Vooral bij deel twee, ‘De Italiaanse Renaissance’, viel heel veel te controleren.

Hoewel het me wat mezelf betreft niet helemaal duidelijk is, of ik al die dingen wel in het echt wil zien. Mijn vertaling riep soms zulke prachtige beelden op, dat ik niet weet of ik die eigenlijk wel vervangen wil. – Misschien is het belangrijkste voor mij nog, dat ik een proef wil nemen, en dan met name de proef van deze reis. Ik ben er al jarenlang niet meer uit geweest, want er moest hard en snel gewerkt worden. Ik herinner me nog heel scherp hoe plotseling het gebeurde, hoe plotseling de noodzaak opdoemde om alles wat ik tot dan toe begrepen en gedaan had totaal te herzien. Dat kostte nog veel meer tijd dan ik toen al vreesde, het werden geen maanden, maar jaren van hard en snel werken, maar nu is alles dan ook anders geworden. Nu weet ik beter dan ooit tevoren hoe zorgvuldig je met de wereld om moet gaan. Hoe elke situatie weer andere regels en afspraken heeft, zoals Florence, wordt hier Firenze. Hoe belangrijk het is om die regels zo goed mogelijk te leren, totdat ze als een handschoen om je heen passen. Natuurlijk was het niet eenvoudig, een pasvorm te vinden die in staat was iedere situatie voor me te hanteren. Maar nu ben ik zover. En dit is de proef.

Het spreekt wel vanzelf dat er een aantal nieuwe en heel strikte voorwaarden is opgesteld, waarbij zorgvuldigheid een eerste plaats inneemt. Van buitenaf lijkt het misschien sierlijkheid, of elegantie, maar zo noemen alleen anderen het. In feite gaat het om een voorzichtigheid die iedere bruuske beweging vermijdt, die niets aan mag stoten, omgooien, stukmaken: ieder teveel heeft onvoorziene gevolgen die veel te veel op zouden vallen. Verder moet aan ogen, haren, kleding en gestalte niets méér te zien zijn dan voor een redelijke onderlinge verhouding noodzakelijk is. Zo kon het dunne gouden kettinkje heel goed zonder hanger, en was het bij de jurk van bleekgele, soepele stof niet nodig de hals dieper uit te snijden; het vestje daar overheen is van witte wol, nauwkeurig in een dicht patroon gebreid. Ik wrijf over één van de grote kristallen knopen die ik er gisteravond nog op heb genaaid, ze schitterden toen prachtig in het lamplicht. – Dan mogen, volgens hetzelfde principe, bij het praten natuurlijk nooit – daar tikt iemand op mijn arm. Ik kijk vlug opzij, pak het plastic kopje dat in een putje op het blad staat, en reik het voor de buurman langs omhoog naar waar de stewardess een grote koffiekan ophoudt. Hij kijkt toe met het hoofd achterover tegen zijn stoel, neemt het kopje van haar aan en plaatst het voorzichtig op mijn blad terug. ‘Voor mij geen koffie hoor, op dit uur van de dag’, zegt hij, en dat is heel goed, want het wijst op regels die ik ken. Misschien iemand die mee wil spelen. Wat nog waarschijnlijker lijkt wanneer hij, zijn middagthee ingeschonken en zijn suiker met die van de man naast hem aangevuld, zich in mijn richting draait en vraagt of de reis naar Firenze gaat, of voorlopig niet verder dan Pisa? ‘Nee, Firenze’ – kijk, vanzelf de juiste code – ‘maar hoe dat precies moet, vanaf het vliegveld, weet u dat misschien, hebben ze daar speciale bussen voor?’ Hij lacht, hij geeft zijn verzekering. Voor het eerst naar Italië? Charmant vindt hij dat, en vooral wanneer hij de redenen hoort, het controleren van vertaalde schilderijen, beeldhouwwerken, paleizen: viel de sluier sluik of soepel, langs het opgerichte of geheven, figuur of gelaat? Een voorbeeld dat al vaker goed gewerkt heeft, en als ik zie hoe hij lacht laat ik die paar kunstige Franse zinnen die je bij ieder meesterwerk weer opnieuw tegenkomt ook meteen maar volgen – dat vinden ze dan immers vaak even leuk.

Terwijl hij (‘Nee, wacht u even! Laat ik het zelf eens proberen’) naar de juiste vertaling zoekt kijk ik naar zijn geamuseerde gezicht en wrijf tevreden langs mijn oor. Het lukt, het gaat best goed, mijn stem klinkt gelijkmatig, ook bij Uffizi, Firenze; de manier van lachen wordt nooit uitbundig, en de mimiek heeft uitsluitend te maken met wat er ter sprake komt – iets anders dan wat ik al goed heb leren hanteren is voor deze situatie niet nodig.

En zo hoef ik hem zelf verder geen gestalte te geven, geen derde dimensie. Dat is dan ook streng verboden: elk perspectief dat ik aan een ander toekende ging destijds zo hevig ten koste van mezelf, dat het noodzakelijk werd alles zo vlak mogelijk te maken, iedereen afgeplat. Alleen een klein beetje reliëf bleef, ter oriëntatie, nog over, en daarin kon ik van alle
aspecten net iets behouden: een stembuiging, een beweging, sommige kleuren, graden van warmte. Een vaag beeld, waarvan ik me beslist geen scherpere voorstelling mag maken. Bij hem geldt alleen iets als dat hij bruine ogen heeft en blond, achterovergekamd haar, dat van boven al wat dun wordt. Die combinatie van donkere ogen, licht haar en iets gebogen schouders geeft samen met zijn stem, zijn volle uitspraak, al meer dan voldoende reliëf. Historicus zegt hij te zijn, met een korte i en een rollende r. Hisstorricus. Zachtjes probeer ik dat na, mijn ogen gericht op de gelapte vliegtuigvleugel buiten het raampje. Histodlikus, Hisstodlikus. Hoe doet hij dat? Opeens wil ik dat heel graag weten – zonder nadenken draai ik mijn gezicht naar hem toe. Maar wanneer hij zich halverwege de vraag al hilarisch verslikt in zijn zoete middagthee schrik ik hevig. Sjibbolet, zijn uitspraak, de binnenkant van zijn mond – onmiddellijk moeten nu alle denkbare tegenmaatregelen volgen: talenstudies, ziet u, fonetische belangstelling, uvulaire, bilabiale of labiodentale r, daar komt het door. Hij lijkt te kalmeren, en het gesprek neemt weer een veilige wending.

Dan pakt hij een krant, en, heel moe ineens, staar ik uit het raam. Was dat op het nippertje? Toch wel, anders was ik niet zo geschrokken. Soms weet ik niet wat het precies is waarvoor ik bang ben. En juist dat maakt me dan het bangst. Was dit eigenlijk niet net zoiets als Officiën, Florence? Een code heeft niet alleen een vocabulaire, maar ook een syntaxis. Natuurlijk. Was dit dan soms syntaxis? Grammatica, de manier waarop namen verbonden worden. Maar zoiets is onbegrensd – hoe moet ik dat ooit aanleren? Zit mijn pasvorm dan even los in elkaar als een metselmuur zonder cement? God, wat gevaarlijk dan opeens. Moet ik daar nu op komen, hoog in de lucht, nergens, bewaakt door iemand die zo’n totaal vreemde uitspraak heeft en die zijn knieën onwrikbaar tegen de volgende rugleuning aangedrukt houdt? Ik kan er nooit uit. Met mijn handen in elkaar geklemd hoor ik mezelf weer vragen: hoe doet u dat, hoe spreekt u dat precies uit, historicus – sjibbolet, ik moet maken dat ik hier wegkom, mijn oren suizen, sjibbolet. Wat heb ik prijsgegeven, zijn ze erachter gekomen? Ik moet me rustig houden, heel rustig. Stil blijven zitten, kalm, en dan nu maar weer het oude middel: definities repeteren. Net zolang tot het over is. Zo. Handen over elkaar, en beginnen.

Hoofdletter A, één. Neutraliteit. Van Dale. Onzijdigheid, het tot geen van twee tegenover elkaar staande partijen behoren, het geen van twee tegengestelde eigenschappen bezitten. Tegenover elkaar. Neutraliteit. Twee. Koenen. Onpartijdigheid, het tussen de partijen in staan. Tussen in. Neutraliteit. Drie. Kramer. Onzijdigheid, het geen partij kiezen. Het geen. Neutrality. Vier. Webster. Condition which refrains from taking part, directly or indirectly; condition of immunity from invasions or use by belligerents. Or use. Neutralité. Vijf. Larousse. Etat de celui qui ne prend aucune part aux hostilités qui s’excercent entre des puissances belligérentes, entre des puissances opposées. Aucune. Zo. Eén keer rond. Nu hoofdletter B, andersom, en dan eventueel weer terug, C – of is het al over?

‘Waar denkt u toch zo hartstochtelijk aan’, vraagt de buurman, ‘we moeten er nu bijna zijn, als ik het wel heb, u wordt toch niet nog luchtziek? Op het laatste moment?’ Ik schud mijn hoofd, hoofdletter B dus, grabbel naar de riemen en snoer me stevig in, hoofdletter B, of zal ik de vleugel maar doen? Ook een goed middel gebleken, alleen is het wat minder sterk. Terwijl de luidspreker met een neusstem plaats, hoogte en temperatuur opgeeft leunt de buurman over naar zijn metgezel en zegt lachend iets in diens oor. De sjibbolet zeker, ik heb heus wel gemerkt hoe hij steeds even opzij keek vanachter die krant. Juist bij mensen die aardig zijn en er zo bijzonder uitzien als hij moet je ontzettend oppassen. Maar op die manier speel ik al lang niet meer mee. Ik vind het zelf verder wel, de juffrouw met het insigne en de gladde handschoenen zal het trouwens ook wel weten. Beter zelfs, want ze zit bovendien in het goede kamp, het grootste, waar alles verre van aardig en bijzonder is. Bij hen kost het me geen enkele moeite om niets prijs tegeven. Integendeel. Van nu af aan zal ik me dan ook nooit meer verspreken. Nooit.

Pas wanneer ik op een tweepersoonskamer hoog in een ouderwets hotel de klerenkast opentrek en plotseling tegenover een levensgrote spiegel sta merk ik dat ik nauwelijks iets afweet van wat er intussen gebeurd is – een douane, een bus, koffers en tassen, veel lawaai en drukte overal rondom, en de rollende r van het Congres waar de lange man die naast me zat naartoe moest – maar of hij alsnog één dezer dagen mocht – wat? Bellen, berichten, boodschap achterlaten? Ik weet het niet meer. Het enige dat steeds in mijn oren bleef rondsuizen (‘U had ook op een snoepje moeten zuigen, juffrouw, sommige mensen houden daar nog urenlang last van’) was sjibbolet, sjibbolet, en ik moet weten waarom het fout ging. Of weet ik dat allang? In de spiegel schemert lichtgeel met pluiswit, en zijdelings gluur ik naar de bleke vlek daarboven. Twee donkere ogen gluren terug. Jawel, ik heb er onderdehand heus wel iets van begrepen. Ik was dat niet, jij was het. Je was op andere dingen uit dan ik, ik probeer steeds alles zo snel mogelijk door te krijgen om het meteen in codes te kunnen omzetten en verder neutraal te blijven, maar jij, jij kiest eigenlijk veel liever voor bondgenoten buiten jezelf, je wilt eigenlijk veel liever je functies op anderen overdragen, je zet al je winnende, wervende kunstgrepen in, je praat maar, verzint maar wat, kuiltjes in je wangen, krullen langs je oren, wie wil jou niet op zich nemen? Hij wel, dat werd voldoende duidelijk. – Toch een prestatie eigenlijk, bij die combinatie van ogen, haarkleur, houding, wat moest hij toen lachen, en later bij de douane, zijn iets gebogen gestalte speurend naar mijn weekendtas – wat had hij ook weer gezegd? Etentje, borrel – nee. Hou op jij. Met een klap sla ik de kastdeur dicht, schop mijn schoenen uit, draai, zittend op het bed, een sigaret, en laat me halverwege de eerste, diepe trek achterover vallen – waardoor ik me natuurlijk meteen verslik. Hoestend schiet ik overeind, de tranen in mijn ogen, en ren naar de openstaande ramen, maar nauwelijks zit ik in de vensterbank of een blik naar beneden slaat in duizelingwekkende hoogtevrees terug, en struikelend wijk ik achteruit naar de andere kant van de kamer, waar ik me hijgend, de rug tegen de muur, op de grond laat zakken. Dat krijg je ervan, ja, dat komt ervan. Ik haal diep adem. Van nu af aan zul je me nooit meer verraden, van nu af aan is het afgelopen met die mooie voorstellingen: koud en glad zul je zijn als je
spiegelbeeld, klinisch en functioneel als de witte glaceehandschoenen bij dat mantelpak. Hij schaterde om de sjibbolet, maar het lachen zal hem snel genoeg vergaan als hij je vandaag of morgen tracteert, inviteert, wat het ook zijn mag. O ja, je zult van nu af aan alleen nog mijn eigen gezicht vertonen: einde van elke voorstelling. Ik duw mijn hoofd achterover tegen de muur en neem een laatste trek van de sigaret, lik dan snel over mijn handpalm, en druk het peukje er sissend in uit. Zo, dat zal je leren, voorgoed.

Wanneer ik mijn pols beetpak en hem een slag omdraai om op het horloge te kunnen kijken zie ik dat het al bijna vijf uur is. Ik kom snel overeind. Hoog tijd om aan het werk te gaan. Altijd ‘s middags vertalen, ‘s avonds typen, ‘s morgens nakijken, dat is de regel, zo moet het steeds blijven, anders gaat het mis. Dan begint de avond vandaag maar wat later, dat kan ook wel voor een keertje, en zeker na zo’n reis. Bovendien heb ik hier toch geen typemachine, immers. Ik loop naar het kleine formica tafeltje dat met een stoel half eronder geschoven naast de wastafel staat, acht stalen poten vlak bij elkaar, op rubber dopjes. Op de tafel een kanten kleedje onder een glazen asbak met twee platte pakjes hotellucifers. Ik pak een rol biscuits uit de weekendtas, en dan een beugelflesje, waaruit ik groene limonadesiroop in het wastafelglas giet. Aanvullen met water, de kraan piept, drie koekjes op een stapeltje neergelegd, glas ernaast, boek, woordenboek F-N, schrift, pen; een vertrouwde formatie waar niets aan ontbreekt. Voor het eerst vandaag voel ik me veilig. Ik rol een sigaret en bestudeerde openingszin. Per dag moet ik volgens de berekening 2½ pagina vertalen om de inleverdatum over zes weken te kunnen halen. Veel foto’s dit keer, dat is makkelijk, dan kan ik daar vooral op afgaan. Meteen al op bladzijde drie een prachtige plaat. Goed naar kijken. ‘Détail van de Aanbidding. De jongeman rechtsonder is vermoedelijk een zelfportret van de schilder’, staat erbij. Ik kijk lang naar de ernstige jongeman rechtsonder. Waarom zou hij dat gedaan hebben? Zichzelf, ten voeten uit, in een situatie die zich misschien wel nooit heeft voorgedaan? Waar hij in elk geval zelf zeker niet bij was? Hoewel, iets verderop, rechts van de Maria, staat iemand naar hem te kijken. Het is een lange, gebogen figuur met een groot boek onder zijn arm, een geschiedschrijver waarschijnlijk, en die kijkt naar hem. Dat is heel handig van die schilder, want zo bewijst hij eigenlijk dat hij er wèl bij was, en meteen ook, dat de situatie zich moet hebben voorgedaan. Allemaal via de man met het boek. – Historicus, wonderlijk. Jazeker. Dat kan wel zijn, ja. Maar nu wou ik toch wel graag gewoon aan het werk.

Ik pak het bovenste koekje, breek het in drieën, roer met de achterkant van mijn pen door de limonade, lik de penhouder droog, en schrijf in glanzende hoofdletters de titel van het boek op de kaft van een nieuw schrift. Dan vouw ik het open, noteer een dikke romeinse I, en laat die langzaam volgen door de uitgebreide, sierlijke openingszin. Daarna komt, kalm en geleidelijk, regel na regel op het papier te staan; ik ben nu volkomen rustig, en het doet er niet meer toe waar ik ben. Tussen mij en dat grote glimmende platenboek dat rechtop tegen de muur steunt verschijnen allerlei beelden en voorstellingen, ik beschrijf middeleeuwse straatjes, bedrijvigheid, kloosters en paleizen waar, zo staat hier, kunstenaars werken en wedijveren, ze kijken in het rond, mengen hun kleuren, hebben geldgebrek of, zo staat hier, baden in weelde. – Alleen wat voorgoed voorbij is, kan zo duidelijk beschreven worden.

Wanneer mijn pen leegraakt en ik naar de weekendtas loop om hem bij te vullen wordt het al bijna donker, en op zoek naar de inktpot stuit ik op een grote plastic zak met etenswaren. Honger? Blik op het horloge. Dat zou best kunnen. Ik doe de booglamp boven de wastafel aan, en terwijl ik mijn haar alle kanten uit borstel bedenk ik dat ik maar niet meteen beneden ga eten, in zo’n eetzaal met al die mensen. Niet dat mijn haren niet mooi zitten, of mijn kleren, maar misschien is het eerder omgekeerd: ze kijken naar je, ze komen bij je zitten, ze willen praten, en dan? Dan willen ze van alles weten, je naam, je herkomst, je bezigheden, hoe lang al, hoe lang nog, en tot slot moet hun onderzoek ‘hopelijk nog voor u teruggaat’ worden voortgezet – nee, ik kan maar beter hier blijven. In die zak zit tenslotte van alles, voor twee dagen minstens, appels, melkpoeder, en een zelfgemaakt soort zoute koek met uien en tomaat. Ook nog mosterd, peper en een taartje, uit het vliegtuig. Handig van mij om dat allemaal mee te nemen. Ik ga op het bed liggen, doe het bedlampje aan, en lees mijn vertaling door. Eet voorzichtig aan het taartje.

Het is uit behoefte aan koffie dat ik tenslotte het platenboek naast me neerleg, van het bed afkom en naar het raam toeloop. Ik laat me op mijn knieën zakken, plaats beide ellebogen nauwkeurig op de lage vensterbank, en zo, met opgetrokken schouders, waag ik een blik in de diepte. Het is druk op straat, de lantarens branden al, en ik speur tussen de lichtende gevelopschriften naar iets als ‘espressobar’, ‘coffeeshop’, hoe noemen ze dat hier. ‘Ristorante’ zie ik ergens staan, maar het lijkt me niet goed om in een restaurant alleen maar koffie te bestellen, dat kan opvallend zijn. En dat wil ik niet. Ik wil niet opvallen. Gelukkig heb ik een beige nylon regenjas meegenomen, zo een als je wel in supermarkten koopt en die altijd veel te groot zijn; een hoofddoekje daarbij, en ik ben het aanzien niet meer waard. Zal ik dan maar gewoon de straat op gaan? En eens zien waar een koffiehuis te vinden is? Terwijl ik de nylonjas, die ritselend tot bijna op mijn enkels valt, aantrek, en het hoofddoekje zoek, bedenk ik dat hier beneden misschien ook wel koffie te krijgen is. Maar dan kan de jas niet aan, en misschien zitten er mensen uit het vliegtuig, nee, dan probeer ik het toch maar liever buiten. De jas sleept over de traptreden, en op weg naar beneden probeer ik de hoofddoek alvast in een zo groot mogelijke driehoek te vouwen. – Maar dan, wanneer ik de sleutels bij de receptie afgeef, wordt me een briefje overhandigd, en dadelijk daarop verdwijnt de portier gehaast naar achteren. Naar de bar, denk ik, want er komt muziek vandaan. Op de envelop staat alleen mijn kamernummer. Vier, één, drie, lees ik. Meer weet hij niet, nee, en dat is maar goed ook, van mij mag het blijven, zo. Ik loop snel naar de zware draaideur en zet me net schrap tegen één van de vier dikke koperen stangen, wanneer er aan mijn jas getrokken wordt. Juist op dat moment kom ik met draaideur en al in beweging, zodat de kraag naar de rechterkant van mijn schouder glijdt en halverwege blijft steken. Mijn arm wordt mee naar achteren getrokken waardoor ik niet meer kan duwen, en noodgedwongen draai ik mee om, de jas tussen de draaideur, ik in een driehoekige cel van twee glasplaten en één glanzend ronde houtwand. Aan de andere kant van het glas staat, moeizaam zijn lachen inhoudend, hij. De portier schiet al behulpzaam op de draaideur af en drukt die in tegengestelde richting terug. Nu ben ik weer in de hal. De jas hangt aan één kant op de grond, maar met een paar lange passen is hij bij me, en terwijl hij met een brede glimlach zijn excuses aanbiedt ontdoet hij me handig van het ritselende nylon. Vriendelijk vraagt hij of ik dacht dat het regende buiten; zegt hij dat het daarentegen heerlijk weer lijkt; vraagt hij waarheen ik toch zo haastig op weg ben? en of we elkaars namen eigenlijk wel kennen? ‘Mij’, zegt hij dan,
‘mag je Jacob noemen’. Daarop steekt hij vol aandacht zijn duim door het ophanglusje, zwaait de jas over zijn schouder, en kijkt afwachtend op me neer. Ik haal diep adem. Jacob. ‘Alleen de voornaam dus?’ vraag ik. ‘Dus’, knikt hij ernstig, ‘wat je maar wilt’. Ik sla de hoofddoek om mijn hals en grijp de beide uiteinden stevig vast. Dan kijk ik hem recht aan, en zeg de naam die voor al mijn vertalingen geldt: ‘Maria Hertens’. Hij vindt hem mooi, een naam die prachtig bij me past. Ik antwoord dat ook zijn naam veelzeggend is, voor een historicus, waarop hij lacht, en zegt dat het oude testament er inderdaad allang was voordat het nieuwe gemaakt werd. Jacob, Maria. Hij is snel, fascinerend snel. Overal verbindingen. Ik ken dat, en ik wil het niet. Nu niet meer. Ik kijk naar zijn handen, die vergeefs proberen de gladde jas op te vouwen, en zeg: ‘Volgens sommige opvattingen had het één dan ook beter zonder het ander kunnen blijven’. Dadelijk staakt hij zijn bewegingen. ‘Ja?’ vraagt hij, ‘denkt u er zo over? Ikzelf – niet direct, geloof ik, althans, ik merk dat het me heel veel genoegen doet je weer te zien, maar inderdaad, ik dacht al, min of meer -’ Verbindingen uitgeschakeld. Even maar. Want dan rolt hij de jas resoluut open en houdt hem uitnodigend op: ‘Ave dan maar, Maria?’ Zijn ratelende r’s, omringd door al die diepe, korte a’s, die hij steeds weer lijkt te proeven en op te eten maken dat ik zwijgend mijn hoofd buig, en de dunne mouwen snel langs mijn handen laat glijden.

Maar goed dat ik mijn echte naam niet heb opgegeven, hij zou hem onherkenbaar gemaakt hebben. Zijn uitspraak heeft iets gevaarlijks; maar goed dat ik nu nog gewoon weg kan gaan. ‘U maakt het me gelukkig niet moeilijk’, zeg ik glimlachend tegen de revers van zijn bruine jasje. Dan keer ik me snel om naar de draaideur. Wanneer die zich moeizaam in beweging zet en ik door de glaswand heen achterom kijk staat hij daar, iets gebogen, één hand in zijn broekzak en de andere, arm over de borst, op zijn schouder. Hij staat daar heel losjes en alleen. Hij draait zich om en loopt terug naar de bar.

Buiten in de warme avondwind waaiert de jas los en ritselend achter me aan terwijl ik snel en zonder opkijken voortloop, het hoofddoekje telkens om mijn linker pols windend, losdraaiend, weer vastwikkelend. Jacob, historicus. Wat een naam. Nog nooit iemand ontmoet die zo heette. Nog nooit ook die merkwaardige combinatie van haren, ogen, houding. Ik herinner me opeens hoe de groep medereizigers bij het vliegveld op de bus stond te wachten, de blonde stewardesss in het midden met een lijst in haar handen; hij stond rechts van haar, iets afzijdig, met een aktentas onder zijn arm. Ik had vergeefs naar toiletten gezocht om in de spiegel te kunnen kijken en wat water te drinken, en toen ik aan kwam lopen hief hij zijn hoofd op en keek naar me. Vanuit de verte zag ik hem bij die anderen staan en naar me kijken. Historicus – o, vandaar. Alsof zijn blik zou bewijzen dat de anderen bestonden, en dat ik erbij hoorde. Ha, daarom moest hij mijn naam weten natuurlijk, mijn code, mijn wachtwoord, daarom trok hij mijn jas uit, sloot me op in de draaideur. Ook de portier was dus al ingeschakeld, maar gelukkig heb ik alles nu tijdig begrepen, en nog steeds niets prijsgegeven – alleen misschien even met die sjibbolet in het vliegtuig, ja, maar dat was zijn uitspraak, niet de mijne. Alsof ik hun codes zou moeten leren kennen om de mijne te kunnen handhaven. Alsof dat zou moeten. Wat een vergissing, wat een gevaarlijke vergissing. Dat was natuurlijk wat de sjibbolet prijsgaf; en het was niet mijn verraad, maar het jouwe. Jij bent het die hen erbij wilt halen, in wilt roepen, mee wilt krijgen; ikzelf wil hen helemaal niet werkelijk leren kennen. Ik wil hen alleen maar doorzien. Inzicht krijgen in hun code, hun wachtwoord, alleen daar zal ik alles voor doen: lachen en grapjes maken, hen met wonderlijke voorstellingen en mimiek betoveren; en het duurt niet lang, of ik heb hen volkomen door. Zo zal ik hen altijd voor zijn, o ja, want zij doen precies hetzelfde, ook al noemen ze het anders; het is allemaal een kwestie van vertalen, Uffizi, Firenze, Maria. Zo zal niemand mij ooit een vraag stellen die ik niet eerst kan vertalen, niemand. Er is nooit iemand geweest en er zal nooit iemand zijn die… ik ga langzamer lopen en leun dan, duizelig en ontzet, tegen een winkeldeur. Ik doe mijn jas dicht, knoop voor knoop, van boven naar onderen. Wat is dit voor een vreselijke, onbekende bedroefdheid die me plotseling zo loodzwaar maakt, waar komt dat beeld vandaan van die houding van hem, de manier waarop hij bij de draaideur, op het vliegveld stond, wat is er voorgoed, ondraaglijk, vergeefs, wat is er met mij? – Je hebt het allang bereikt, hoor ik mezelf denken, je kunt allang niet meer terug. Er is volstrekt niemand, nooit geweest, en dat is het enige waar je bang voor bent. Niemand kon ooit werkelijk voor of tegen me zijn, want er is nooit iemand geweest die zelfs maar in de buurt kwam van wat ik zelf zei, van de taal die ik zelf hanteerde. En ik wilde alles doorkrijgen, behalve dat – precies dat wat al mijn pogingen overbodig zou maken. – Wat is dit verschrikkelijk zwaar, alsof ik langzaam zink, steeds dieper. Er is helemaal geen enkele ander.

Wanneer ik tenslotte opkijk weet ik niet waar ik ben. Verlichte winkelruiten, stalletjes, straatlantarens. Aan de overkant mensen die achter een groot raam zitten te eten. Kaarsen op tafel, flessen met mandjes eromheen. ‘Ristorante’, lees ik in sierlijk, roodgloeiend schuinschrift, daaronder aan- en uitflikkerende namen van Italiaanse maaltijden. Ook namen van koffie, cappuccino, espresso, ristretto. Koffie. Ik steek de staat over, vind een leeg tafeltje in een hoek bij het raam en bestel bij de ober cappucccino, deux, duo, waarbij ik twee vingers als een V-teken in de lucht steek. Ik trek de jas van mijn schouders, werk hem tussen mij en de stoel vandaan, en begin hem langzaam op te rollen. Wat doe ik? Wat zal ik doen? Een lege, afwezige rust dempt alle kleuren en geluiden. Waarom ben ik hier? – Ik denk aan mijn kamer thuis, de twee gemarmerde lampjes boven mijn werktafel, de oude, zwarte typemachine met witte letterdopjes. De bloempot rechts daarvan, pal voor het zijraam, waarin een gespikkelde boon is uitgelopen tot een dunne stengel van wel een halve meter lengte. Alleen helemaal bovenin zitten twee gave ronde blaadjes. Als ik ‘s morgens de kamer binnenkom heeft de steel een smalle boog naar rechts gemaakt, naar het venster toe, en ‘s avonds laat, als ik de twee lampjes uitdoe en wegga, wijst hij naar links. Elke dag opnieuw, onvermoeibaar, al weken achtereen. Zou hij nu ik er niet ben ‘s nachts overeind staan als een hoge, rechte lijn? Ook voor hem is het verschil tussen echt licht en kunstlicht niet werkelijk belangrijk. Zou hij wel vier dagen zonder water kunnen? Vier dagen is lang. Misschien wel te lang. Misschien gaat hij dood. En dat dan alleen omdat ik vond dat… de ober zet twee cappucino’s neer, één aan de overkant van het tafeltje. Die trek ik het eerst naar me toe, om het schuim ervan in het andere kopje te scheppen zodat daar nu een hoge witte berg op komt. Vier dagen weg omdat ik vond dat ik de schilderijen in het echt moest zien. Dat verbaast me. Er waren toch plaatjes bij? Niet altijd. O ja. Dit zegt me niets, eigenlijk. Er zou immers altijd nog zoveel overblijven dat anders was, ik kon toch nooit alles gecontroleerd hebben? Als het binnen de vertaling zelf maar klopte; en wat het verband met de werkelijke schilderijen betrof, daar moest de redacteur maar voor zorgen, die was per slot kunsthistoricus. Historicus – het schuim op mijn tweede kopje koffie is nu vrijwel opgelost, en ik roer de laatste belletjes zorgvuldig weg. Kunstlicht, echt licht. Vaak kon de stengel ook dagenlang naar links blijven wijzen omdat ik de gordijnen ‘s morgens niet open wilde doen: het schijnsel van onder de twee lampekapjes was zoveel minder schel en onrustig. Wat moest ik ook met een buitenwereld die zoveel belichtingen, vormen, houdingen had, zoveel manieren en code’s, terwijl niets daarvan ooit in mijn eigen richting had gewezen? Ook hij noemt me bij een naam die niet de mijne is en zegt dat die zo prachtig bij me past – maar het is heel goed zo. Ik heb gedaan wat ik kon om hen te leren kennen, ik heb de proef op de som genomen, en toen heeft de sjibbolet alles duidelijk gemaakt. Wat er nu nog overblijft is geen vijand of vriend meer, maar een vreemdeling, met een taal die hij alleen zelf misschien kan verstaan. – Ik krab de suiker uit het tweede kopje. Is dat nu allemaal echt zo droevig? Het lepeltje maakt een smakkend geluid als ik er hard op zuig. Ik weet het niet. Waar het in elk geval om gaat is, dat het waar is. Net zoals het waar is dat de stengel niet lang zonder water kan. En dat ik morgen terug naar huis ga. Ik heb niets of niemand meer te zoeken.

Wanneer ik opsta, de jas pak en hem in een rol bij de kassa neerleg om te betalen kijk ik meteen even naar het pakje extra geld dat ik geleend heb voor ik op reis ging, omdat je nooit kon weten wat je te wachten stond. Dat zij te laat vertrokken zijn is voor hen waarschijnlijk veel rechtvaardiger dan dat ik nu te vroeg wil weggaan, en ik zal dus in elk geval wel moeten bijbetalen. Ik reken af, pak de jas, en loop de straat op, in een richting tegengesteld aan die waar ik vandaan kwam. Zo moet ik vanzelf bij het hotel terechtkomen.

De draaideur komt zwaar in beweging, en drie dikke glaswanden zwenken moeizaam door het beeld dat ik aan de andere kant waarneem: twee bekende gestaltes, die van de blonde stewardess en die van hem, beide. Ze heeft haar uniform verwisseld voor een mooie, gladde jurk, en ziet eruit alsof ze naar parfum en poeder ruikt. Ze zit in een van de vier diepe armstoelen die om een haltafeltje staan, terwijl hij zich met de rug naar me toe op de leuning van de stoel naast haar heeft opgesteld, en nu met zijn linkerhand achter in zijn nek wrijft. Voor hen, op het tafelblad, staan twee wijnglazen. Witte wijn, haar glas is al bijna leeg. Ze kijkt op, ziet me staan, en zegt iets tegen hem, haar stem klinkt vrolijk. Hij komt snel overeind en draait zich naar me toe, zijn hand verhuist nu van zijn hals naar zijn rechterschouder, en in de andere hand heeft hij een lange sigaret. Waarschijnlijk één van haar, want op haar armleuning ligt een langwerpig gouden pakje. Ik loop naar haar stoel toe, langs hem heen, sta stil, en vraag of ik morgen, omdat ik morgen terugga, op hetzelfde kaartje kan reizen, of dat het dan niet meer geldig is. Ze legt haar hoofd verbaasd tegen de rug van de brede fauteuil en kijkt snel even omhoog naar hem achter mij, en dan glimlachend naar waar ik sta. Ze fronst haar wenkbrauwen en zegt dat ze denkt dat ik inderdaad een nieuw kaartje zal moeten nemen, maar wil wel informeren of ik het misschien later nog terug kan krijgen. Of er iets gebeurd is, toch niets ernstigs? Jawel, knik ik, maar het zat al zo lang tegen de grens aan, dat het eigenlijk maar beter was, zo. Ze zegt dat haar dat spijt voor mij, juist nu ik zo’n mooie reis zou maken, maar dan zeg ik dat het misschien juist wel kwam doordat ik weg was gegaan. Ze kijkt me met wijde ogen aan en zegt dat ik me maar niet bezwaard moet voelen, want als het er van te voren al zo slecht voorstond dan kon iedere aanleiding immers voldoende zijn – maar ze zou haar uiterste best voor me doen, zodat ik het geld misschien nog terug kreeg… Ze pakt een zwart laktasje van de grond en haalt er een notitieboekje uit. ‘Geef me je naam maar’, zegt ze, en ook dat ik, als ik morgenochtend om half negen klaarsta, met haar mee naar het vliegveld kan. Ze slaat het notitieboekje open en knipt met een smalle ballpoint. ‘Hoe heette je ook weer precies?’, vraagt ze vriendelijk. O, zo vriendelijk. Ik kijk naar haar blonde lok die glazend naar voren valt, geef me je naam maar, hoe heette je precies. – En dan hoor ik zijn stem: ‘Ze heet Maria. Maria Hertens’. Hij loopt, achter me langs, om haar stoel heen en legt één hand op de rugleuning, terwijl hij zich iets over haar heenbuigt. ‘Maria Hertens’, zegt hij nog eens, met die volle a, die rollende r’s. Ik doe een paar passen opzij en kijk naar hen, hij leest de naam die zij schrijft zoals hij die aan haar heeft opgegeven. ‘O ja, nu herinner ik het me weer’, zegt ze. Ik zie hen heel scherp, ik hoor hen heel duidelijk, alsof ik dit al duizend keer meegemaakt heb, ze zeggen dingen die zo bekend zijn, geven een voorstelling die zo vertrouwd is, alles past als een handschoen om me heen, totaal afgesloten. En dan hoor ik mijn eigen stem, afwezig, overbodig, terwijl ieder woord moeizaam over het vorige heenklimt: ‘Maar zo is het niet, hoor, zo is het niet; als zij zich mijn naam herinnert zoals hij hem nu uitspreekt dan doet zij ermee wat hij er misschien mee had moeten doen, maar dan omgekeerd, van buiten naar binnen, van achteren naar voren, begrijpt u, soms moet dat, in sommige gevallen is dat het enige goede. Soms moet je woorden op een andere manier, in een andere volgorde uitspreken dan je gewend bent, zoals bijvoorbeeld ook in het hebreeuws. De man uit de bijbel, die zijn naam heeft, die deed het ook zo. In het hebreeuws bestaat een woord dat hun vijanden niet konden uitspreken, als je het opgaf wist je wie bij de anderen hoorde. Ik denk dat je dat woord soms – misschien niet op kunt geven omdat je het niet wilt, niet wilt weten hoe ze het uit zullen spreken, terwijl het toch heus allang duidelijk was -’ De inspanning die dit kost maakt dat ik nog maar wazig zie hoe zij opstaat en iets zegt over het arme kind, totaal overstuur, misschien toch een zwaar verlies, ze slaat haar arm om me heen en zegt dat ze me nu gauw naar mijn kamer brengt, de rest komt morgen wel. ‘Ik zal je op tijd wakker maken, hoor’, zegt ze, en tegen hem: ‘Ik ben zo terug, en dan kunnen we er gauw vandoor’. ‘Anders moeten ze maar even wachten’, zegt hij.

Maar ze hoeven niet te wachten. Ik lig in het brede bed en denk aan de bloempot waarin de stengel op dit uur stil en loodrecht omhoog zal staan. Morgenmiddag, als ik thuis kom, zal hij in een boog naar het venster wijzen. Zo heeft hij geen enkele dag zonder water gezeten. ‘s Avonds zal ik de twee lampjes aandoen, en dan kan ik rustig uittypen wat ik vandaag vertaald heb. Alles komt in orde. Zolang je maar nergens meer op hoeft te wachten.

Maggie Nelson: de redacteur las een oorspronkelijk essay in 240 delen over een kleur, over pijn en rouw, dat ook vragen over genre oproept.

*

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, Bluets

In de vierde aflevering van deze rubriek, ruim vier jaar geleden, schreef ik over Maggie Nelsons The Argonauts (2015), een boek over queerness en over transformatie door genderoperatie en zwangerschap. ‘Ik weet niet of ik het half begrijp,’ schreef ik, maar ook: ‘Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk?’ Het heeft even geduurd, maar mede door de vertaaloefening van Nicolette Hoekmeijer en Mia Martin in Terras, heb ik Nelsons boek uit 2009 besteld bij de boekhandel, Bluets. Ik heb het mezelf moeilijk gemaakt door de Nederlandse vertaling (mei 2021 bij Atlas Contact, reserveer hem vast bij je boekhandel) niet af te wachten, en in het Engels te lezen. Maar ook voor dit boek geldt: razendinteressant. Droevig ook, en geestig. Zo begint Nelson:

‘1. Suppose I were to begin by saying that I had fallen in love with a color. Suppors I were to speak this as though it were a confession; suppose I shredded my napkin as we spoke. It began slowly. An appreciation, an affinity. Then, one day, it became more serious. Then (looking into an empty teacup, its bottom stained with thin brown excrement coiled into the shape of a sea horse) it became somehow personal.

2. And so I fell in love with a color—in this case, the color blue—as if falling under a spell, a spell I fought to stay under and get out from under, in turns.’

De gedachte heeft iets geestigs: verliefd op een kleur, onder de betovering van blauw. Iets origineels, zoals Heather Christle deed met huilen en tranen, en net als bij die essayiste wordt Nelson nu eens intiem persoonlijk en dan weer bijna academisch afstandelijk. In 240 kleine essays van enkele alinea’s tot een enkele zin, genoemd naar de korenbloem (maar dan in het Frans, Nelson komt pas laat erachter dat die prachtige blauwe bloem een doodnormale Engelse naam heeft), onderzoekt ze de kleur blauw, perceptie, pijn, het fysieke en emotionele en intens liefdesverdriet. Rouw. Goethe komt langs en Wittgenstein (denk hier een zwetende emoji) en Gertrude Stein en Marguerite Duras en Leonard Cohen en Joni Mitchell. Een psycholoog die beweert dat ‘some crying is simply “maladaptive, dysfunctional, or immature.”‘ Waarop Nelson schrijft:

‘94. —Well then, it is as you please. This the dysfunction talking. This is the disease talking. This is how much I miss you talking. This is the deepest blue, talking, talking, always talking to you.’

Zo gaat ze van droge wetenschappelijke nonsens naar de persoonlijke pijn achter het boek in snoeiend korte, licht variërende zinnen, ‘talking, talking, always talking to you’. Wikipedia noemt dit een ‘poetry collection’, maar Nelson is primair een essayist. Talig is Bluets heel sterk en verzorgd (voorzover ik dat kan beoordelen bij het Engels) maar poëzie is het niet; ik lees lopende prozazinnen. Het boek heeft wel iets ongrijpbaars, met mooie inzichten en pijnlijke observaties. Zo schrijft ze naar aanleiding van Leonard Cohens ‘Famous Blue Raincoat’, dat hij besluit met ‘Sincerely, L. Cohen’, dat het haar minder alleen doet voelen…

‘… in composing almost everything I write as a latter. I would even go so far as to say that I do not know how to compose otherwise, which makes writing in a prism of solitude, as I am here, a somewhat novel and painful experiment.’

Dus zijn de Bluets brieven? Zo lijkt het dus niet alleen om kleur en pijn en gemis te gaan, maar ook om taal en genre. Alleen al die laatste kwestie maakt dit een bundel om te herlezen, en straks in vertaling.

Bluets verscheen bij Jonathan Cape in het Verenigd Koninkrijk (ik kocht het bij Athenaeum) en verschijnt in mei bij Atlas Contact.

Sheila Sitalsing: de redacteur las een persoonlijke, profetische, pijnlijk en stilistisch sterke columnbundel die een jaar omvat dat nog niet afgelopen lijkt te zijn.

*

Daan Stoffelsen: Sheila Sitalsing, Dagboek van een krankzinnig jaar

Ik ben fan van Sheila Sitalsing. Niet genoeg om er weer de Volkskrant voor in huis te halen, die ik om de woordspelige koppen en flinterdunne cultuurpagina’s voor een saaiere krant heb ingeruild, maar ze schrijft haar wisselcolumn zo scherp, geestig en empathisch dat ik me toch steeds laat verleiden op een twitterlink te klikken. Of naar Topics.nl te surfen, waar ik via mijn abonnement op misschien wel de degelijkste krant van Nederland ook Volkskrantstukken mag lezen, maar daar ontbreken dan weer de columns vanaf 18 september tot de jaarwisseling.

Maar nu is er Dagboek van een krankzinnig jaar, een boek dat bewijst dat bundelen meer kan zijn dan het opbakken van oude prakjes (de grote uitzondering was natuurlijk al Marja Pruis). Deze verzameling geeft daadwerkelijk een representatief beeld van 2020, een jaar dat nog niet afgelopen lijkt te zijn. Corona, de toeslagenaffaire, Rutte, De Jonge beheersen de kranten nog steeds. Op Athenaeum.nl publiceerde ik voor uit een column van 29 januari, die zo begint:

‘Het allerliefste wat ik heb kwam thuis met een snotneus. De woorden “zie je wel”, en “meter afstand houden”, en “inkwartieren”, en “moeten we de buren niet waarschuwen” vielen.’

De kracht van Sitalsing zit hem in de stijl: superlatief lief maar onzijdig, dat botst en valt op, en dan zoiets doodnormaals als een snotneus. Althans, dat was tóén doodnormaal, en dat is ook Sitalsing: ze is scherp op het profetische af. Pas een kleine maand later werd de eerste besmetting in Nederland geciteerd, de anderhalve meter en de quarantaine volgden daarna pas. De column gaat dan ook vooral over Wuhan in lockdown. Precies zo vooruitziend merkt Sitalsing begin november op over Hugo de Jonge: ‘Misschien heeft hij meteen daarop gedacht aan het geëlleboog dat nu volgen gaat, en aan het “Waarom wíj niet?!” dat onvermijdelijk zal klinken wanneer het ministerie straks (later? over een halfjaar? over een jaar? nooit, omdat we na langdurig gebruik hoorntjes blijken te krijgen van het Pfizer-vaccin?) schaarse vaccins moet gaan verdelen.’ En ik heb het me een heel jaar niet gerealiseerd, maar Sitalsing meer dan tienmaal: ‘Nog even doorbijten, en er zijn verkiezingen.’

Sitalsing is niet alleen persoonlijk (ze schrijft niet zelden over mensen ‘in mijn directe omgeving’ en wat ‘het elfjarig kind naast me op de bank’ vindt, haar observatievermogen is blijkbaar erfelijk) en profetisch, maar ook pijnlijk precies als het om hooggeplaatsten gaat. Mark Rutte krijgt wel enige sympathie als coronapremier, maar niemand weet het teflon en de marketingglans beter te duiden dan Sitalsing. De koning krijgt maar liefst drie venijnige brieven van Sitalsing, geopend met ‘Lieve koning’ en doorspekt met presocratische relativering:

‘Het gaat hard, zou je denken, maar dat is schijn. Want alles stroomt, maar tegelijk verandert er weinig. Inzicht geven in uw precieze uitgaven gaat de premier zo laat en summier mogelijk doen, en wie in de regering komt vergeet de stoere voornemens over de koning doorgaans op de drempel van de Trêveszaal.’

Sitalsing volgt de verkiezingen in Suriname en wekt mijn geloof in de democratie weer op (kippenvel!), ziet vluchtelingen en #blacklivesmatter-demonstranten (‘Toen in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer het begrip ‘Zwarte Piet” viel, en toen dat tot wijdverspreide berichtgeving leidde (Rutte: “Ik begrijp de pijn”), wist je: we zijn weer thuis.’), schrijft over de juridische rommel rond coronaboetes (en besluit: ‘Arme boa’s.’) en kan het niet laten over de cda te schrijven (‘En zo ging deze column toch gewoon weer over het cda.’).

Ze is rechtvaardig en geestig, en telkens weer scherp. Toch maar weer die krant? In ieder geval reserveer ik vast Dagboek van een krankzinnig jaar II: 2021. Verschijningsdatum 11 januari 2022?

De Bezige Bij gaf Dagboek van een krankzinnig jaar uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment – maar het boek is bij elke boekhandel te bestellen.

Stefan Hertmans: de redacteur las een indrukwekkende reconstructie met dramatisch invulwerk.

*

Daan Stoffelsen: Stefan Hertmans, De opgang

Thuisonderwijslezen is versnipperd lezen. Korte verhalen. Columns. Ik verwacht snel wat te kunnen schrijven over Sheila Sitalsings nieuwe boek Dagboek van een krankzinnig jaar, een bundel columns uit 2020 die verrassend houdbaar blijken, en Maggie Nelsons Bluets, een essay in korte stukken over de kleur blauw, verlies en depressie.

Maar ik pakte ook Stefan Hertmans’ De opgang op, dat tweemaal door redacteurs van De Groene Amsterdammer als beste boek van 2020 werd genoemd, en vijfmaal in totaal in de eindejaarslijstjes van Nederlandse en Vlaamse kranten en weekbladen. Een van mijn hiaten in de Nederlandse literatuur is Hertmans’ bekroonde Oorlog en terpentijn, maar ik las wel zijn epische boek De bekeerlinge. Mijn sterkste associaties bij De opgang waren echter Jeroen Olyslaegers’ Wil en Herman Van Goethems 1942, een roman en een monografie in dagboekstructuur die de collaboratie in Antwerpen reconstrueerden.

Hertmans onderzoekt namelijk de vorige bewoner van zijn huis, Willem Verhulst (1898-1975) die door zijn systematische verraad in hoge kringen van de bezetter kwam. Er zijn wonderbaarlijk veel bronnen over die man: een boek door zijn zoon, een tegenpublicatie van zijn dochter, dagboeken van de echtgenote, NIOD-achtige documentatie. Daarnaast heeft Hertmans zijn eigen herinneringen aan de eerste rondleiding door het sterk verwaarloosde pand. Het grootste deel van De opgang is reconstruerend: Hertmans beschrijft scènes in het leven van deze Willem. Het is bewonderenswaardig wat hij te weten is gekomen. Al twijfel je of de citaten en het ‘smoezelen’ echt uit een bron komen – het lijkt ver weg:

‘Later zou hij vaak zeggen dat hij vanaf dat moment de Belgische staat was gaan haten. Rond diezelfde tijd komt hij te weten dat zijn oudere broer Edward gesneuveld is aan het front, maar dat lijkt ver weg voor hem. Zelf is hij, vanwege dat blinde oog, afgekeurd voor legerdienst. Met een Vlaamse cycloop als ik kunnen de Franstalige officieren aan den IJzer niets beginnen, lacht hij tegen een meisje met wie hij zit te smoezelen.’

Hertmans schrijft het boek als een steeds nadere kennismaking. ‘De man die ik wil leren begrijpen komt langzaam in beeld,’ schrijft hij, en inderdaad, de overspeligheid en slechtheid van deze man krijgt steeds steviger contouren. Hij heeft lijsten met doden op zijn naam staan, betekende weinig voor zijn gezin en kwam ook na zijn vervroegde vrijlating nooit tot inkeer. Net als vele van zijn bondgenoten overigens – Bart De Wever figureert in het laatste deel van het boek als lofredenaar op Verhulsts minnares, die de negentig gehaald heeft met haar Vlaams-nationalistische gedachtegoed.

Een stevig en indrukwekkend verhaal, maar Hertmans vult daar wel veel bij in. ‘Harmina, door iedereen Mientje genoemd, kan de scène niet uit haar gedachten krijgen: die bevende, stotterende, smekend naar haar hand tastende, gedurende een paar tellen blinde Willem.’ Bij zulk drama tast ik naar een bron. Heeft ze dat echt gezegd? Opgeschreven? Deze Mientje, de echtgenote in spe en echte held van het verhaal, begint immers pas jaren later aan dagboeken. Ik wil het wel geloven, maar zij, de ware held van dit verhaal, komt pas echt tot leven als Hertmans daadwerkelijk ruim gaat citeren uit die dagboeken.

Misschien is dat een smaak die gevoed is door de tweets van Capitoolbestormingen, toeslagendrama en coronacijfers: het echte, rauwe wint het bij mij van de fictie. Dus liever het documentaire 1942 – of, in de volle wetenschap dat het verhaal voor rekening van de schrijver is – de roman Wil, en niet zo’n mengvorm.

De Bezige Bij gaf De opgang uit.Op Athenaeum.nl staat een fragment.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Sytse Jansma

*

De eerste dagen

dat dit tot de mogelijkheden behoorde
konden we weten toen we aan elkaar begonnen,
zonder enige moeite wonderden we het dagelijkse
omhoog, verwarmden we de smoor in onze hoofden,
wat er toen gebeurde: duizend rode draden,   als warme
lenteregens, drenkten de grond achter   je ogen en toen
werd je meegenomen, zo is het gegaan,   zachter dan dit
kan ik het niet beschrijven

hoe ik ook naar je kijk, diep in de put
van je pupillen, iets van jou naar boven
probeer te halen, tekortschiet, maar toch
blijf kijken, tot ik besef, wat ik almaar dieper  wil
beseffen; hier is niets meer om op te wachten.  in
jouw binnenkamer, naast de verstilde portretten
en de droogboeketten, klinkt slechts het krassen
van een naald op een afgelopen langspeelplaat

alles lijkt nu te verlopen in fasen, ook na je dood,
het branden van de ovens, dan het grijze pulver
dat als je het in je handen houdt, zandloperig zilver
langs je vingers, dan hoe het getij je opneemt  in
zijn canvas van zand en slik, ergens onbedoeld
bodemt op een strand van kuna yala of knokke-
heist,   daar weer ontwaakt als rammelende
scharen, verrukkelijke vormen, venusjes van alles

 

Over de dichter

Sytse Jansma (1980) is dichter en beeldend kunstenaar en woont in Harlingen. Daarnaast is hij werkzaam als educatiemedewerker bij theatergezelschap Tryater. Zijn Friestalige debuutbundel Wa’t tate seit moat ek whisky sizze verscheen in 2008. Zijn tweede bundel was tweetalig en verscheen in 2015 met de titel as nomaden yn tinten teplak / als nomaden in tenten terecht. In 2016 verscheen het prentenboek Wapperwaar hij de tekst van heeft verzorgd.  Voor zijn Friese gedichten kreeg hij in 2006, 2011 en 2012 de Rely Jorritsma-prijs. Hij heeft op meerdere festivals opgetreden; onder andere het International Kistrech Poetry Festival in Kenia (2018), het Explore The North Festival (2018, 2019) en tijdens Kunstmaand Ameland (2015).

Niet alleen schrijvers uitdagen nieuwe literatuur te schrijven, maar ook lezen, lezen, lezen: goede literatuur bestaat bij gratie van goede literatuur. Vandaar deze rubriek, vandaar ook weer dit jaar een ‘Dit jaar gelezen’. Was 2020 een bleek jaar? Het had kleur genoeg om de beste boeken te noemen – en Tove Ditlevsens Kopenhagentrilogie werd meermalen genoemd.

*

Maureen Ghazal

  • Marjolijn van Heemstra , Reistijd, bedtijd, ijstijd
    Een bundel vol kwetsbare en rake zinnen die samen een leven doorlopen en zowel dichtbij komen als uitzoomen op een wereld en universum die ook niet altijd lineair blijken te zijn. Na het lezen galmen de gedichten ons wankelende tijdsbesef na.
    ‘Wat als wij de laatste krimp zijn/ van een stoffige implosie,/ het finale inhaleren/ van de vroegste hap naar adem?’
  • Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk
    Een prachtige dichtbundel met bijzondere observaties en gedachtes die vragen om herlezing. De gedichten zetten aan ook zelf zorgvuldiger waar te nemen. Het begint bij de omslag die op het eerste ogenblik uit bloemen en planten lijkt te bestaan maar bij beter kijken toch iets anders ontvouwt. De bundel bevat een verwondering en speelsheid die al weerklinkt in de inhoudsopgave.
  • Isabella Hammad, De Parijzenaar
    Een historische roman gebaseerd op de eigen familiegeschiedenis van Isabella Hammad, vertaald door Gerda Baardman en Jan de Nijs. De Brits-Palestijnse auteur beschrijft het leven van de Palestijnse Midhat Kamal die rond de eerste wereldoorlog naar Parijs trekt om te studeren en na zijn studie als ‘Parijzenaar’ terugkeert naar Palestina. Hammad beschrijft in uitvoerige stijl het leven tussen verschillende werelden in, de Britse overheersing en de Arabische onafhankelijkheidsstrijd. Een intrigerend en urgent verhaal over een land en zijn geschiedenis die maar weinig klinkt.
  • Raoul de Jong, Jaguarman
    In het boek gaat Raoul de Jong op zoek naar zijn onbekende voorvader: Jaguarman. Tijdens die zoektocht ontdekt hij meer over zijn Surinaamse wortels, gaat hij op expeditie in zijn geliefde Amazone en brengt hij een ode aan zijn Surinaamse helden. In elke zin weerklinkt de noodzaak dat dit geschreven moest worden. Het is ontroerend, pijnlijk, spiritueel, maar kent ook een grote lichtheid. Het leert de lezer vooral dat de geschiedenis van Suriname uit een grote hoop en levenskracht bestaat. Een boek dat ik iedereen zou willen aanraden.
  • Tove Ditlevsen, De Kopenhagentrilogie
    Een portret van een schrijver, geboren in 1917 in Denemarken, die van kinds af aan met een enorme drijfveer en kracht schrijft in een omgeving waarin ze niet altijd geacht wordt te schrijven. Een prachtige reeks met zorgvuldige zinnen (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink) over het ontworstelen aan het milieu waarin ze opgroeit, haar ontwikkeling als schrijver, en de continue strijd die ze moet voeren voor onafhankelijkheid.

Thomas Heerma van Voss

Toen De Groene Amsterdammer me eerder deze maand vroeg om een overzicht van mijn beste boek van het jaar, kon ik niets bedenken: ik had te weinig gelezen, vond ik, en van de titels die ik wel had gelezen kwam er niet één nadrukkelijk bovendrijven – er was zo veel goed, Gerbrand Bakker, Merijn de Boer, momenteel ben ik bezig met Lize Spit. Voor het overzicht op deze website heb ik louter gekeken naar de boeken die ik voor De Groene Amsterdammer las. Mijn twee favorieten:

Szczepan Twardoch, De koning

De koning, dat werd genomineerd voor de Europese Literatuurprijs in de vertaling van Charlotte Pothuizen,  vertelt het verhaal van de zeventienjarige Moisje Bernstein, die bokst in het Warschau anno 1937. Het resultaat is een vlot lezende, strak geschreven en strak vertaalde, nergens opgeklopte vertelling over boksen en over oorlog voeren, over de verschillen tussen die twee en over de ondoorzichtige krachten die uiteindelijk zelfs de stoerste vechters klein krijgen.

Tove Ditlevsen, Kindertijd

Een favoriet op alle eindejaarslijstjes, en begrijpelijk: Tove Ditlevsen (1917–1976) schrijft namelijk buitengewoon sfeervol, haar taal is secuur en indringend in haar Kopenhagentriologie (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). De afgelopen tijd las ik het sterke tweede deel, Jeugd, en dat heeft dezelfde bedwelmende kracht als Kindertijd. Dat eerste boek staat vooral in het teken van dromen. In kernachtige hoofdstukken beschrijft Ditlevsen terugblikkend haar vroegste jeugd. Ze groeit op als een eenling tussen twee wereldoorlogen in, en ze beseft gelijktijdig twee dingen die elkaar niet uitsluiten: op een dag kan ik gelukkig weg uit dit leven, en ook: op een dag verlang ik terug naar sommige vroegste momenten van ‘vreemd, oneindig broos geluk’.

Daan Stoffelsen

Marja Pruis noemde 2020 ‘een vreemd, stroperig jaar’ in De Groene Amsterdammer, en dat herken ik. Ik vond 2020 bleek. 2019 was evident het jaar van Manon Uphoffs grootse roman Vallen is als vliegen, en dat Valeria Luiselli met Archief van verloren kinderen een geweldig boek had geschreven, bleek ook toen het als een van de beste romans van de eenentwintigste eeuw genoemd werd in datzelfde weekblad. (Net als Vallen is als vliegen overigens.) Rijpe en harde boeken zijn dat, die uitnodigen tot her- en herlezing, tot bewondering en gesprek. Dat lijkt me het beste criterium voor een eindejaarslijstje: herinner je je dit boek over een paar jaar nog? Was het belangrijk, maakte het indruk, zoals NRC Handelsblad het omschrijft?

En dan vrees ik voor dit jaar. Natuurlijk heb ik niet alles gelezen. Heel veel buitenlandse literatuur niet, en Ali Smiths kwartet, Tove Ditlevsens trilogie en Annie Ernaux’ laatste roman wil ik graag gaan lezen, net als essays van Joan Didion, Annie Dillard en Vivian Gornick in Nederlandse vertaling. (Wat is het goed dat zoveel essayistiek vertaald wordt!) Marieke Lucas Rijnevelds tweede roman en Stefan Hertmans nieuwe boek heb ik nog niet uit. En aan Esther Gerritsen en David Van Reybrouck ben ik nog helemaal niet begonnen.

En natuurlijk was ik, zoals velen onder ons, dit jaar een andere lezer, een ander mens. Na het Boekenbal ging bijna alles online, ik was de enige echte thuiswerker bij de boekhandel. Ik was niet eenzaam en ik was niet ziek, ik mag niet klagen. Maar de beperkingen bedrukten me wel. Misschien durf ik daarom niet te juichen.

Maar goed, ik keek terug in deze leesrubriek, en vulde hem met wat namen aan. En dan is het toch wel een rijk jaar, waarin schrijvers daadwerkelijk wat durfden. Ze waren open en nieuwsgierig, ze zochten nieuwe vormen en eigen onderwerpen, ze hadden humor en inzicht.

Vroeg in 2020 verscheen Wytske Versteegs Verdwijnpunt, dat uitgaande van een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen, de taal onderzoekt voor al die ellende, de pijn betast en het sentiment woorden geeft. Een essay dat me raakte, en door zijn ernst en zachtheid boven de rest van 2020 uittorent. Heather Christles Het boek der tranen (vertaald door Koen Boelens en Helen Zwaan) is veelvormiger en bedrieglijk luchtiger over een verwant onderwerp. Laten we praten, laten we vertellen, laten we onderzoek doen, zeiden die boeken me, en die pijnlijke openheid, al is het niet altijd leuk, trof me ook bij Sinan Çankaya, Daan Borrel en Thomas Heerma van Voss. Zo moet het: persoonlijk, verhalend, pijnlijk – en met oog voor de beste vorm.

Maar laten we het ook over fictie hebben. Drie van mijn beste boeken verschenen juist later in het jaar, en zijn juist geestig, gedreven door vertelplezier. In omvang van groot naar klein: Merijn de Boers roman De saamhorigheidsgroep, die opvallend veel genoemd wordt in de eindejaarslijstjes, is vol lust, humor en weemoed, Rob van Essens nieuwste verhalenbundel Een man met goede schoenen is enorm geestig, inventief en melancholisch, en Mathijs Deens novelle Het lichtschip is even exotisch als oerhollands, even overtuigend als bizar. Ik was ook onder de indruk van de hardheid van het romandebuut van Simone Atangana Bekono en het visionaire van het romandebuut van Ewoud Kieft. Oeuvres om te volgen.

Laten we dat doen. Volgen. En lezen, herlezen. Op naar het nieuwe jaar!