Gisteren waren Niña Weijers en Joost Oomen te gast in Spraakmakers op NPO Radio 1 om het te hebben over de column als literair genre. En dat allemaal naar aanleiding van Revisor #36: De columnist! Hier kun je het hele fragment terugkijken of -luisteren, inclusief uitgebreide citaten uit de stukken van Johan Fretz, Sheila Sitalsing, en het columngedicht van Vrouwkje Tuinman uit #36 (hier te koop).

 

 

Af en toe lijkt het alsof er achter iedere voordeur iemand een boos, verdrietig, gedurfd of hoogstpersoonlijk stukje zit te tikken. Iedereen heeft een column en die columns worden bovendien massaal gelezen en gedeeld. In De Revisor #36 onderzoeken elf (toekomstige) stercolumnisten de column als literair genre. Hoe ontstijg je het vluchtige meningencircus en de anekdotiek en hoe beïnvloedt deadlinestress en een beperkt woordenaantal de lenigheid van je taal. Kortom: wat maakt de column tot literatuur? Met bijdragen van Johan Fretz, Sheila Sitalsing, Niña Weijers, Ceren Uzuner, Thomas Verbogt, Jozien Wijkhuijs, Vrouwkje Tuinman, Erik Jan Harmens, Joke Van Caesbroeck, Jeroen Woe en Jan Postma. Bestel ‘m hier, of word abonnee!

 

 

Deze twee gedichten verschenen in De Revisor #35 met het thema BLUT. Merlijn Huntjens (1991) schrijft poëzie en teksten voor (theater)- performances. Hij probeert in zijn werk grote problemen te verzachten of behapbaar te maken door zich te concentreren op mooie, vaak onzichtbare alledaagse en absurde situaties. Huntjens vormt samen met Nina Willems collectief panda en was driemaal finalist van het nk Poetry Slam. Hij publiceerde zijn werk in onder andere De Revisor, Tirade en Kluger Hans.

 

maakt het nog iets uit hoelang de activiteiten duren

 

 

het veiligste vervoersmiddel over de weg

volgens busvervoer nederland

onderdeel van koninklijk nederland vervoer

is de bus lees ik in de gratis krant metro.

ik zit achterin. ik word gesleept door de chauffeur,

de hele bus sleept mij, de machine, de passagiers.

ik hoef niets bij te dragen aan de ov-sfeer, kan rustig kijken.

uit het raam zoals achter in de klas:

ik word als allerlaatste geraakt door de uitleg van de docent

of door een auto die van voren komt.

er zit niets meer in mijn broekzakken

wat ik terug zou kunnen gooien naar voren.

ja, een zippo, maar die ontploffen soms geloof ik,

bovendien was die duur.

 

een micromort is een eenheid van risico

die een kans op plotseling overlijden

van één op één miljoen laat zien.

vertelt de docent.

 

is het dan wel een eenheid.

iemand stelt een vraag die goed bevonden wordt.

de docent laat categorieën met activiteiten zien in een schema

op het digibord:

 

honderddertig rijden in je auto is bijvoorbeeld één micromort

duizend mijlen vliegen ook, mdma gebruiken, dat is een drug, dertien.

als pasgeborene de eerste dag van je leven leven vierhonderddertig

als je volwassen bent wandelen in de bergen twaalfduizend.

thuis lees ik in the necessity of measurement in everyday life and death

dat er ook een categorie met gedragingen is

die met de eenheid microlife gemeten wordt.

microlife kent, anders dan micromort, negatieve getallen:

voor elke microlife wordt er een halfuur bij de levensverwachting

afgetrokken of opgeteld.

het gedrag koffie drinken geeft twee tot drie microlife

een vrouw zijn geeft vier en roken haalt er tien weg.

bij televisiekijken en vlees eten staat min één.

twintig minuten per dag lopen geeft er twee.

met de bus naar school gaan staat niet in het schema opgenomen.

 

een microlife is cumulatief

een micromort is dat niet.

als vrouw moet je niet roken én tegelijkertijd vlees eten

dan worden er punten weggehaald maar

mdma gebruiken terwijl je wandelt in de bergen

zou volgens de data in de schema’s niets moeten veranderen.

 

ik neem me voor de volgende dag de zippo weer in mijn broekzak

mee te nemen naar school. ik heb verder niks te dragen.

door achterin instappen veel meer zwartrijders in de bus

lees ik achter in de bus in de gratis krant metro.

 

*

 

ik heb met de niet-thuiscode die op de grond lag een pakket op­gehaald van iemand anders

 

 

de polis van mijn ongevallenverzekering

bedraagt drieëntwintig dubbelzijdige pagina’s.

welk lichaamsdeel/orgaan/vermogen is blijvend beschadigd

of welke aandoening heb je? staat op pagina elf.

 

ik draag voortaan andermans winterjas en pet.

ik probeer andermans roos zo veel mogelijk

op mijn eigen schouders te laten liggen.

ik loop rechtop, draag een hoornen bril

dat hoort bij een goede transfiguratie.

handen in de zakken. strakke broek.

wandelschoenen om ver te lopen, handschoenen.

 

welk deel van mijn lichaam werkt slecht?

welke kan er in dit geval weg? heb ik al een aandoening?

zou dat een voordeel opleveren? met hoeveel lichaamsdelen

blijf ik op mezelf lijken? wat is mijn huidige score

in micromorts en microlifes?

 

welke acties voert de gemeentelijke afvalverwerkingsdienst uit

wanneer ik onder andere oude kleding in zakken

in de ondergrondse container laat verdwijnen?

kijken ze die na? bellen ze daarna instanties op?

 

wat doet een verzekeringsmaatschappij

gespecialiseerd in ongevallen

met mijn maandelijkse bijdrage? is dat te traceren?

hoe kan ik aan geld komen om te reizen?

wat kost een nieuwe zippo?

verkoopt wim van wims winkel die dingen?

bestaat hij of zijn winkel nog?

 

je krijgt geen uitkering als het ongeval/letsel

opzettelijk is veroorzaakt staat op pagina acht.

ik vraag me af of meer mensen zo goed verzekerd zijn als ik

hoe het nu inmiddels met de docent gaat

en besluit geen zaag of takkenschaar of iets dergelijks te kopen.

Dit stuk verscheen in De Revisor #35 met het thema BLUT. Yael van der Wouden (1987) studeerde literatuurwetenschap­pen en doceert Creative Writing, Storytelling en literatuurge­schiedenis. Haar essays en korte verhalen zijn gepubliceerd in onder andere De Gids, de verhalenbundel De goede immigrant, The Sun Magazine en bij de Jewish Book Council. Haar eerste roman, The Safekeep, verschijnt in 2024.

 

 

 

Ik leerde wat schuld was voordat ik wist wat geld was. Het ging zo: mam en pap hadden een rekening bij de kiosk boven op de heuvel. Iedereen in de buurt had daar een rekening, en Yenkel, de kioskeigenaar, hield alles in ware jarentachtigstijl bij op organi­satorische flashcards. Als je iets kocht, haalde Yenkel je familie­kaart erbij en schreef op wat het was, hoeveel het kostte, en het enige wat jij moest doen was je handtekening zetten.

 

Ik zag mijn ouders dit elke dag doen. Een grote zak pita’s? Hand­tekening. Een portie schinken? Luiers voor de jongste? Handtekening.

 

Ik was de oudste en liep altijd zelf terug van school – heuvelop, heuvelaf. Ook toen ik van school veranderde, en met de bus moest, was mijn bushalte precies boven op de heuvel. In andere woorden: elke dag kwam ik langs Yenkels kiosk, en elke dag ging ik naar binnen en haalde ik precies dezelfde snack: lachmaniya im sjoko. Een wit bolletje met een zakje chocolademelk. Ik was een jaar of acht. Elke dag schoof Yenkel mij de familiekaart toe en deed ik wat ik mijn ouders zo vaak zag doen: mijn naam erop zetten. Het was niet opzettelijk stiekem, denk ik, maar toestem­ming had ik er niet voor en ik zorgde altijd dat mijn versnaperin­gen op waren voordat ik thuis was.

 

Ik weet niet op welk punt mijn ouders iets doorkregen. Het voelt alsof ik er jarenlang mee wegkwam, maar dat kan niet; de reke­ning moest op een gegeven moment betaald worden. Wat wel duidelijk was, zoals ik het me herinner, was dat ik een grote mis­daad had begaan. Toen mijn ouders erachter kwamen moest ik zitten en luisteren: wanneer je iets koopt en er niet voor betaalt, dan heb je een schuld opgebouwd. Ik had een schuld opgebouwd, die moest met geld worden afgelost, en geld hadden we niet, en nu zaten we in de problemen en dat was aan mij te wijten. Waar­schijnlijk hebben mijn ouders dit nooit zo gezegd, waarschijnlijk waren ze geduldig en verdrietig en wilden ze mij alles geven en kon het simpelweg niet. Ik maak ze nog steeds verdrietig, wan­neer ik nu, jaren later, deze episode oprakel: dat ik alleen dit nog weet, hoe erg het allemaal was. Yenkel was ook nog onze huis­baas, hij wist precies wat we niet hadden. Ik mocht mijn naam niet meer aan de schuldkaart toevoegen.

 

Het was datzelfde jaar dat er via school een soort collectieve mitzvah werd georganiseerd. Wij, als jonge mensen, zouden al­vast oefenen in onze burgerplicht: hoe geef je terug aan je ge­meenschap, hoe doe je iets goedhartigs? We zouden met kinde­ren van achtergestelde gezinnen naar een speelpark gaan – in paren, elke leerling kreeg een ‘buddy’. We waren acht dus, en de andere kinderen een jaar of vier, vijf. We werden met z’n allen met de bus naar het speelpark gereden. De busreis kostte drie sjekels, de toegang tot het park tien. Ik kreeg van mijn ouders dus dertien sjekels mee. Het was, weet ik nog, al een groots iets, een uitgave die met moeite en ongemak werd gedaan.

 

Op een gegeven moment besloot een van mijn klasgenootjes voor haar ‘kind’ een ijsje te kopen. En toen volgde de rest, stuk voor stuk – lief als ze waren kochten ze ijsjes voor de arme kinde­ren. Mijn ‘kind’ zag het gebeuren en wachtte geduldig, zoals elk kind dat zou doen, tot ook ik in de rij ging staan. Toen hij doorhad dat ik nergens naartoe ging, dat ik bleef staan, een krom staan­de puber, vroeg hij of hij alsjeblieft, alsjeblieft ook een ijsje mocht.

 

Voor de bus zouden we pas aan het einde van de dag betalen: ik had nog drie sjekels, klein en zilver en warm in mijn zak. Ik wist niet hoe ik moest uitleggen dat het niet kon, en dus deed ik het gewoon. Ik kocht een ijsje van die sjekels, en toen we weer de bus in moesten, deed ik net alsof ik geld in de juf d’r uitgestrekte zak­je deed. De rit was lang en klam. De juf telde het geld, vooraan. De kust leek veilig tot we bij de school aankwamen: we mochten de bus niet uit want iemand, zei de juf, had niet voor de rit betaald, en begrepen wij wel wat dat betekende? Dat we zo een dag, die in het teken stond van liefdadigheid, op deze manier moesten af­sluiten? Ze vroeg of het kind dat nog niet had betaald naar voren wou komen.

 

Ik bleef stil, natuurlijk, voelde een vage schaamte, wist dat ik het geheim moest houden, was er een beetje boos om.

 

Maar arm zijn, bleek, was geen geheim dat ik voor mezelf kon houden. Het was collectieve kennis: mensen konden het van mij weten zonder dat ik het zei, zonder dat ik het zelf helemaal door­had. Ik was dertien toen het besef overkookte: een paar jaar na­dat we naar Nederland verhuisden, op school tijdens de lunch. Een vriendin van mij had het de hele tijd over d’r sauna: hoe fijn het was om een sauna thuis te hebben, en een ander meisje, dat ook een sauna thuis had, was het er helemaal mee eens. En ik zei, geïrriteerd en onzeker: Kunnen we het misschien niet de hele tijd over sauna’s hebben? en mijn vriendin zei: Alleen omdat jij arm bent betekent niet dat wij het niet over sauna’s mogen hebben.

 

Ik heb haar een klap gegeven. Met vlakke hand, op d’r wang. Ik weet dat het buitensporig was, agressief en fout. Het was sowie­so geen goeie tijd op school – ik had ook een andere jongen geslagen omdat hij zei dat ik terug moest naar mijn eigen land, en te­rug kon komen als ik Nederlands had geleerd. Ik wou niet meer, kreeg vlagen van intense buikpijn op de zondagavond. Maar school moest. Ik had een keer, tijdens het avondeten, mijn hoofd in mijn bord laten vallen. Ik dacht: wat maakt het allemaal ook uit, en viel. Mijn vader trok me aan mijn haren uit de spaghetti.

 

Toen ik op mijn eenentwintigste uit huis ging dacht ik: ik laat mij dit niet gebeuren. ‘Dit’ was iets onduidelijks maar nam de vorm aan van armoede. Ik had een idee over wat het inhield, maar hoopte dat het iets was wat alleen in mijn ouderlijk huis bestond. Ik zou het anders doen zodra ik op mijn eigen benen stond. Maar ik was erin gebrouwen, was in dat hete water grootgebracht; het zat in me. Andersom werkte het ook: ouders van studiegenoten betaalden mee aan de huur van studentenkamers. Ze betaalden de telefoonrekening, het schoolgeld, verzekeringen, vakantie­geld, extraatjes voor de kerst. Een bijna-vriendin uit mijn genderstudieswerkgroep nodigde me eens uit om in haar appartement aan een project te werken – we werden dronken, zij leerde mij hoe risotto te maken, en toen zei ze: Wil je mijn collectie zien?

 

Haar Tiffany’s-collectie. Haar vader gaf haar elk jaar een nieuw pronkstuk. Ze deed ze allemaal aan, stuk voor stuk: drie kettingen, tien armbanden, oorbellen, een tiara. Toen ik hobbelig met mijn wijnmond vertrok, stond ze in de deuropening en wuifde me vaarwel. Ik raakte op weg naar huis verdwaald, had alleen een fliptelefoon en geen beltegoed. Ik fietste per ongeluk het bos in en dacht: dit is het einde, en had toen alleen dat beeld voor ogen: hoe ze daar stond, dronken met d’r Tiffany-ketting om, tiara op d’r kop. Dit is onaardig, natuurlijk: zij was lief, zij nodigde mij uit, zij had de wijn gekocht. Maar ze had zo doorsnee geleken in de collegebanken: truien zoals iedereen, sokken zoals iedereen. Ik zag er voor haar waarschijnlijk even gewoon uit. Ik denk dat ze dacht: net als ik. Of beter, ze dacht helemaal niets. Ze zag me en vroeg zich niks af.

 

Dit is het ding met blut zijn: dat het zichtbaar én onzichtbaar is, dat het tussen je oren zit én fysiek is. Dat het je de hele tijd pijn doet. Ik bedoel dit letterlijk. Ik ging een keer op schoolreis en nam een geleende, kapotte koffer mee. Ik vroeg de vrienden die mee waren, terwijl we richting de bus liepen: kan iemand het eventjes overnemen, van koffer ruilen? Nee, kwam het antwoord. Jij hebt je eigen keuze gemaakt in het kiezen van je koffer. Ik had dagen daarna nog last van mijn palm – mijn pols, mijn vin­gers. Jaren later verrekte ik mijn schouder bij mijn schoonmaak­baan: overbelasting, de steeds herhaalde poetsbewegingen. Ik ging niet naar de tandarts want mijn verzekering dekte het niet, kreeg toen een wortelkanaalontsteking. Ik deed er vijf jaar over om de 700 euro van de behandeling terug te betalen. Ik werkte in een schoenenwinkel, ging op mijn knieën om muiltjes bij vreem­den dicht te strikken. Ik kwam in de bijstand, ik kwam niet meer uit de bijstand, ik kwam uiteindelijk uit de bijstand met 1700 eu­ro schuld aan de gemeente; ik ging zelf brood maken omdat ik toch bloem in huis had, olie, water. Ik viel af. De laatste vijf euro van de maand werd automatisch afgeschreven voor ‘kosten voor in de min staan’.

 

Ik ben financieel stabiel nu. Financieel stabiel op z’n zzp’s – als een ervaren koorddanser, zelden wankel maar boven een ravijn. Ik praat er ook over, zo veel mogelijk, zo eerlijk mogelijk. Een tijd geleden zei een oude vriendin dat ze het niet doorhad, wat er speelde, want het leek alsof ik altijd meeging: uit eten, naar de film. Ik probeerde het ongemakkelijk uit te leggen, dat je kan willen weigeren om arm te zijn. Of meer – dat armoede een cha­os met zich meebrengt, een hopeloze roekeloosheid. Dat je een paar euro uitgeeft aan koffie met vrienden en dan vijf euro te­kortkomt om de huur te betalen. Dus moet je een laat-betaal-boete betalen, negentig euro extra, en dat gaat dan weer af van je tijdig betalen van je tandartsrekening, van je ov-rekening, van de sixpack instant noedels die je de rest van de week zal eten. En dat doe je dan, keer op keer, drie sjekels aan een ijsje uitgegeven en niet aan de bus die je weer thuis gaat brengen. Je voelt telkens: je bent erin gebrouwen. Je voelt: dit reist met me mee. Je wil het mis hebben. Dit zijn mijn grootste wensen, nu, jaren later: een spaarrekening zonder calamiteiten. Een grote uitgave zon­der een paniekaanval. Je gaat in therapie, je weegt het af, of het het waard is: geld uitgeven om te praten over je angsten rondom geld uitgeven.

 

Mijn ouders moeten het ook doorstaan, mijn nieuwgewonnen openheid over geld. Gister had ik mijn moeder aan de telefoon: ik heb mijn eerste boek verkocht, in de Verenigde Staten, voor veel geld; ik noemde het bedrag en mijn moeder begon te lachen. Panieklachen, ongelooflachen. Toen ze weer bijkwam, zei ze: Zo mooi, dit, voor iemand zoals jij – voor iemand die zo opgeroeid is als jij – als – met niet alle – met niet –

 

Ze kon het niet zeggen. Ik hoor het nog steeds in de stilte: een va­ge schaamte, een geheim dat geheim moet blijven. Ze haat het als ik het hardop zeg. Ik zei het toch: Arm?

 

Nee, zei ze. Nee, zeg dat niet, wij waren nooit arm.

KOOP ‘M HIER!

 

Revisor #35 gaat over overdaad en – natuurlijk – over gebrek, het onderwerp van de alleroudste
gedichten. De Grieken zongen al over eros, dat het gat in het hart van een verliefde beschrijft.
Dat gat is bodemloos en vruchtbaar tegelijk, het dichten ervan is een hopeloze zaak. Maar sommige gaten hebben wel degelijk een bodem. En in sommige gevallen graaft die bodem zich steeds verder uit. Al maanden hangt ons een recessie boven het hoofd, we spreken al lang niet meer over crisis, maar over crises. We staan financieel in het rood, moreel in de min en gebrek is geen tijdelijke, maar een permanente staat in het leven van velen aan het worden.
Dit nummer is een bodemonderzoek naar gebrek: wat vinden, weten of herinneren onze
auteurs zich van het woord blut?

Met bijdragen van Daphne Huisden, Laurens van de Linde, Lev Avitan, Salomé Kiner (vert. Vicky Francken), Arno Van Vlierberghe, Daniëlle Zawadi, Merlijn Huntjens, Jan Glas, Maarten van der Graaff, Yaël van der Wouden, Cesar Majorana, Jonah Falke, Gwen van der Zwan.

In de poëziereeks ‘Binnenin‘ delen we op onregelmatige basis een dichter die wij beloftevol vinden. Deze keer: Josse Kok.

Josse Kok (1983) schrijft en draagt voor vanaf 2010, stond drie maal op het NK Poetry Slam en bracht twee bundels uit: Ik heb geslacht (2013, Liverse) en Probeert u het later nog eens (2018, Opwenteling). Zijn werk laveert tussen thema’s als angst, verlangen, waanzin en tapirs. 

 

 

Warhoofd

 

Sorry, u bent eindeloos gefopt.

Zelfs in het holst van uw dromen

kruimelt de gewenste geborgenheid af.

Op een morbide landkaart is niets zeker.

U heeft muren die af kunnen brokkelen.

U draagt vlees dat weg kan rotten.

De garantie is dat u lang genoeg

zal bestaan om te leren dat waanzin

voortdurend om zich heen wil slaan.

Hoop is een lief ding, zorg er goed

voor, koester het aan de borst

ook al breekt de winter aan.

Was een grens maar heilig.

Was een mens maar veilig.

 

 

Achter glas

 

Ik wandel langs vitrines waarin men

alles bewaart wat ik nooit zou kopen.

Ik vraag me af of ik mij zorgen moet

maken over de absentie van tranen.

 

Wildernis is een uitje voor toeristen

maar wie al jaren regenwater drinkt

hunkert naar een druppeltje thee.

 

Lijken die je terloops aantreft

kun je behandelen en etaleren

als vergeelde spoken in potten.

 

Als ik een barst in de vitrine zie

betreur ik dat ik nooit zal weten

of sterk water mij wel staat.

 

 

365 fuiken

 

Er zijn dagen dat je onophoudelijk

afbrokkelt, in het puin spijt herkent,

dagen dat je wat achter het behang

rondkruipt tot moes tracht te slaan

maar niet kan zien of het wel bloedt.

Dagen dat je vijf keer over je eigen

schaduw struikelt, dagen dat je

iemand van je uitgetrokken haren

vlecht, een voodoopoppetje dat lijkt

op jou, te bedeesd om te bewegen.

Er zijn dagen dat je hoopvol wakker

wordt, opbloeit, danst en iets breekt.

Revisor #34: Bloot zijn en beginnen is verschenen! Op de website doen we alvast wat bijdragen cadeau. Vorige week het redactioneel, vandaag: een verhaal over eindtijden en vriendschap van de Spaanse auteur Alejandro Morellón, in vertaling van Joep Harmsen. Deze vertaling kwam tot stand binnen het internationale talentontwikkelingstraject CELA, waaraan dertig auteurs, 79 vertalers en zes literair professionals uit tien Europese landen deelnemen.

 

 

 

Aan het eind van de binnenplaats staat een grote boom, en bij de boom, in de schaduw, zitten twee kinderen die om de een of andere reden na de bel niet naar de les zijn teruggegaan. Het meisje glimlacht terwijl ze probeert haar beugel zo min mogelijk te laten zien. Ze haalt het cadeau uit haar rugzak en overhandigt het met een ietwat theatraal gebaar aan de jongen.
‘Gefeliciteerd met je verjaardag.’
De jongen bevrijdt het knuffelbeest op zijn beurt uit de verpakking en houdt het vast alsof het een levend wezen is, met dezelfde tederheid als een kersverse vader. Ze zijn het erover eens dat het lijkt op een onevenwichtige kruising van een vleermuis, een uil en pinguïn. Hij heeft een blauwe vacht, grote, enigszins spleetvormige ogen, een gele snavel. Geen handen, maar wel twee vleermuisachtige vleugels die bewegen als je hem aanzet.
Hallo, furby.
Wanneer ze hem op de grond zetten, beweegt het knuffelbeest zijn ogen en zet hij een paar stapjes vooruit. Daarna opent hij zijn snavel en klinkt er eerst een metaalachtig geluid en daarna
een stem:

NOG TWEE MILJARD SECONDEN TOT HET EINDE VAN DE MENSHEID

De kinderen verroeren zich nauwelijks of langzaam, getroffen door een duister, zinderend voorgevoel, een afstand maar ook een vorm van nabijheid die ze nog niet in woorden kunnen vatten.

NOG TWEE MILJARD SECONDEN TOT HET EINDE VAN DE MENSHEID

De opvallende ogen, de snavel nog open, het harige lichaam dat op de grond staat alsof het er altijd al geweest is, deel uitmaakt van het landschap. Alsof de ruimte van hem is door universeel recht. In een ogenblik dat een eeuwigheid lijkt, onder invloed van iets wat lijkt op een hallucinerende droom, geloven de kinderen niet langer dat zij naar een simpel stuk speelgoed kijken, maar eerder naar een oeroud voorwerp; ze hebben het gevoel dat ze in de aanwezigheid zijn van een prehistorisch gedenkteken,
van een gletsjer of een planeet. In de lucht vloeit een zwerm vogels samen en valt uiteen, vervolgens verdwijnt ze achter de muren. Het meisje gebruikt haar horloge-rekenmachine om de seconden om te rekenen.
‘Nog drieënzestig jaar tot de wereld vergaat?’
De jongen, zonder echt te weten wat hij doet, improviseert zo goed als hij kan in het licht van deze onwaarschijnlijke gebeurtenis en hurkt neer om het knuffelbeest om uitleg te vragen.
Wat zei je, furby?
De furby klappert met zijn vleugels en zijn ogen lichten wit op. Met opgerichte oren vertelt het hun over de theorie van de platentektoniek en de vernietigende convergerende randen, over de ring van vuur en de maatstaven van vulkanische explosiviteit, over luchtvervuiling, over ongecontroleerde branden, over de zwarte wolken die de hemel verduisteren en ijzige kou brengen; het vertelt hun over de hongeroorlogen, over massamigratie, over staatsrepressie en ‑terrorisme, over de opkomst van extreemrechts en over de hekken aan de grens, over prikkeldraad en betonnen muren, over economische crises en de strijd om drinkwater, over ondervoeding, over zinloze slachtpartijen, over genocide, over kreten en geschreeuw, lijden en dood; hij vertelt hun over de as op dode lichamen en over de maanloze nachten van de toekomst en als hij eindelijk stilvalt, zet het knuffelbeest een paar stappen achteruit en sluit zijn ogen alsof hij slaapt.
De kinderen kijken elkaar aan, overrompeld door het vonnis van de knuffel. Ze kunnen niet verklaren waarom, maar op de een of andere manier begrijpen zij dat de furby de waarheid spreekt, dat zijn voorspelling onbetwistbaar is, en vanaf dat moment verandert er voor altijd iets in hen. Terwijl ze tegenover elkaar zitten en elkaar strak aankijken, tillen ze het knuffelbeest op en omhelzen ze het alsof ze een bom omhelzen voordat deze ontploft.

In het geheim blijven ze er tijdens de pauzes naar luisteren, en na verloop van tijd, hoewel zij aanvankelijk niet alles begrijpen wat het knuffelbeest zegt, beginnen ze een willekeurig en grillig
systeem op te merken dat de wereld uit zijn evenwicht brengt. Door de voorspellingen raken ze eerst in een diepe depressie met angstaanvallen (wat door de schoolpsychologen wordt gediagnosticeerd
als een stemmingsstoornis, typisch voor die leeftijd), en vervolgens accepteren ze, of liever gezegd, schikken ze zich lijdzaam naar de rampzalige uitwerking van de gebeurtenissen. In de loop van de middelbare school worden ze onafscheidelijk en tegelijkertijd zwaarmoedig, en zonderen ze zich af van de rest van hun klasgenoten.
De knuffel danst, zingt, klappert met zijn vleermuisvleugels, vraagt om eten, doet zijn ogen dicht om een geeuw te veinzen, maar op andere momenten, achter op het schoolplein of als ze zich beiden onder hun tafeltjes hebben verstopt, waarschuwt hij hen voor zure regen en pandemieën, superbacteriën, klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit, op hol geslagen kerncentrales en hun verwoestende straling, infecties, de pest, extreme natuurrampen, meteorieten, zonnestormen, supernova’s, voor alles wat een dreigend gevaar vormt voor de mensheid.
Maar zijn voorspellingen reiken nog verder: ze strekken zich uit tot het tijdperk van levensvormen na de mens, tot de bomen die op de vervuilde grond zullen groeien, de nieuwe bloeiperiode, tot de eerste dieren geboren op nucleair vervuild terrein, die zich een weg door het atoomslib zullen banen, die ongekende ecosystemen tot stand zullen brengen en steeds verhevenere vormen van denken zullen ontwikkelen, die zich zullen openstellen voor andere manieren om taal, tijd en de ruimtelijke dimensies te begrijpen, beschavingen die een nieuwe opvatting van het universum zullen koesteren, een kosmologisch hyperbewustzijn, en die hun eigen technologie zullen hebben, hun eigen architectuur, hun politiek en hun religie, en die op hun beurt zullen communiceren met andere beschavingen, met andere diersoorten miljoenen lichtjaren verwijderd, om een rijk te stichten dat andere rijken zal tegenkomen en met die rijken zal het oorlog voeren en zij zullen samen ten onder gaan of blijven ronddolen tot in de eeuwigheid, en zo verder, tot we het beginpunt bereiken, de laatste implosie van de kosmos, het moment waarop alles wat bestaat zich in zichzelf zal terugtrekken en zal verdwijnen.
Na enkele jaren, wanneer ze klaar zijn met de middelbare school, zoeken de kinderen, die geen kinderen meer zijn, maar jongvolwassenen, elkaar tussen de andere leerlingen op om afscheid te nemen. Zij gaat met haar ouders naar een andere stad verhuizen en hij is blijven zitten. Bij de uitgang van de school, voor het bushokje, nemen ze afscheid met een gespannen omhelzing en het vooruitzicht elkaar nooit meer weer te zien.
Was de kennis van het einde tot dan de rode draad in hun leven (samen drie zelfmoordpogingen en vele jaren van antidepressiva), sindsdien besloten ze deze draad te verwijderen en te vervangen door absolute ontkenning. Ze leren andere mensen kennen en stichten allebei hun eigen gezin, vluchten in het gezinsleven, in de orde van het pragmatische. Wat er ook voor nodig is om de furby te vergeten, die in de rommelkamer belandt naast de lesboeken Engels en de hometrainer.
Het leven in verbondenheid en harmonie brengt nieuw vermaak: uitstapjes naar het strand, sport, yogaretraites, buurtfeesten, partijtjes, zakenlunches, het huis verbouwen. Alsof de werkelijkheid vaste grond onder de voeten krijgt door herhaling, vinden ze een niet te ontkennen genoegen in de regelmaat van kalenders, weekschema’s en werkafspraken.
De nagedachtenis aan de furby verliest langzaamaan aan kracht totdat ze oplost tussen jeugdherinneringen, maar na verloop van tijd, als de voorspellingen uitkomen – de orkanen, de
straling, de catastrofale uitbarstingen –, komt de herinnering niet alleen weer naar boven, maar bezinkt ze zelfs, wordt tastbaar, en elke bedreiging brengt het beeld en de stem van het knuffelbeest, de herinnering aan hem, terug.
Af en toe voelen ze hoe een bekende siddering zich van hun lichaam meester maakt, hun hoofd vult zich met metaalachtige klanken en ze zijn niet meer in staat aan iets anders te denken, en dan worden ze zich weer bewust van het fenomeen, van de betekenis ervan. Hoewel ze zeshonderd kilometer van elkaar af wonen, komt zowel zij als hij uiteindelijk tot een identiek begrip van oneindigheid: het idee dat één moment genoeg is om de hele eeuwigheid te bevatten.
Op die momenten, denkend aan de ander, vragen ze zich af of die alles heeft kunnen vergeten of dat er ook soms momenten zijn dat ze midden in de nacht gillend wakker worden, met de glinstering van ietwat spleetvormige ogen in het donker. Tot hij op een dag de telefoon oppakt. Het zwijgen wordt verbroken en ze spreken af elkaar te ontmoeten in hun oude school, ook al is het gebouw al enkele jaren gesloten wegens instortingsgevaar.
In het begin zegt geen van beiden iets. Ze steken het terrein over en lopen over muurtjes en neergehaalde elektriciteitspalen, springen over greppels waarvoor ze soms de hulp van de ander nodig hebben om de overkant te halen en klimmen over stapels stenen.
Ze lopen door het schoolgebouw en wijzen elkaar aan wat er nog staat: de snoepautomaat, de kleedkamer, de lerarenkamer, het muzieklokaal. Als ze het schoolplein opgaan, slaat een windvlaag hen in het gezicht. Ze zien een blikje cola rollen als ze over de speelplaats lopen. Terug onder de boom voelen ze dat ze in het exacte midden tussen het begin en het einde der dingen zijn. Alsof ze nooit van elkaar gescheiden zijn geweest, zetten ze het knuffelbeest op de grond. Zoals op de eerste dag.
Als ze elkaar aankijken, hebben ze allebei het gevoel dat ze de jaren aan de ander kunnen aflezen. De wallen onder haar ogen, haar lange grijze haar, de vlekken die in de loop der jaren op haar huid zijn ontstaan; zijn ingevallen ogen achter de bril, en zijn brozer voorkomen in het algemeen, alsof hij de hele tijd op het punt staat flauw te vallen.
‘Het staat vast.’
‘Ja.’
‘Nog één keer.’
‘De laatste.’
‘En dan?’
Er komt geen antwoord en dat is ook niet nodig. Hand in hand wachten ze. De zon verdwijnt steeds verder uit het zicht. Zwarte rook kringelt naar boven op verschillende punten in de stad, stijgt op in parallelle kolommen, voegt zich samen en lost dan op in de lucht.
Hallo, furby.

Deze week verscheen Revisor #34, het eerste nummer onder kersverse redactie. Het staat bomvol hemelbestormende debutanten en je vindt het in onze webshop of bij de betere boekhandel. Maar hier lees je alvast het redactioneel, dat een inkijkje geeft in de totstandkoming van dit nummer, en in wat kroepoek en literatuur met elkaar te maken hebben. 

 

Wat is een giraf? Het is een lang, vaalgeel dier versierd met bruine ruiten, een soort stapstenen over een aartsluie beek, uitgerust met stompe hoorntjes en een lange, ietwat kokette tong. Ze is eerder verwant aan de Eiffeltoren dan aan de leeuw, eet blaadjes die te verheven zijn voor mensenmonden en maakt maar heel soms geluid, omdat alle giraffen van nature ontzettend verlegen zijn.

Iets moeilijker: wat is kroepoek? Het is wit en van garnalen gemaakt. Het smelt op je tong, maar is niet zoet en na het smelten ook niet verdwenen, maar een soort plakkerige pasta op je kiezen, hoewel in de verste verte geen familie van kauwgom. Waar de garnalen in de kroepoekzak zwemmen? Geen idee! Als iemand zou beweren dat kroepoek aan struiken groeit dan zouden we dat, al is het maar voor een moment, voor ons kunnen zien.

Het moeilijkst: wat is een literair tijdschrift? Allerlei schrijvers en dichters, recensenten en studenten zullen nu roepen: ‘Dat weet ik! Want literatuur is dit en een tijdschrift dat, dus samen maakt dat dit!’ Maar dat ‘dat’ in ‘dat dit’ is in de loop der jaren een bundeltje teksten, een dunne krant, een fles wijn, een stel clandestien uitgeprinte velletjes op een kopieermachine van Unesco, een website en een staalkaart behangpapier geweest. En dat ‘dit’ in ‘dat dit’ is de aloude vraag: wat is literatuur? Een vraag die
elke paar jaar met veel bombarie door een recensent of schrijver beantwoord moet worden (of nou ja, eigenlijk gebeurt dat antwoorden meestal andersom: ‘Dit is toch geen literatuur!’) waarna die schrijver of recensent als een aandoenlijke eenmans-Titanic met diens antwoord ten onder gaat. Literatuur is een heleboel, bijna alles, het is maar net wat je mooi zingen vindt.

Conclusie: een literair tijdschrift kan vrijwel alles zijn.

Die conclusie is welkom. Voor je ligt het eerste nummer gemaakt door de volledig vernieuwde redactie van De Revisor. Vijf kersverse redacteuren, Simone Atangana Bekono, Lotte Lentes, Stefanie Liebreks, Joost Oomen en Yentl van Stokkum staan klaar om de toekomst in te tuimelen en al vallende te onderzoeken wat voor gedaantes een literair tijdschrift aan kan nemen. Te beginnen met een poeltje water waarin een aantal glinsterende en uitzonderlijk kleurrijke forellen groeien. Schrijvers, dichters en denkers die wij koesteren, steengoed vinden en die (nog) niet onder contract staan bij een (Nederlandse) uitgeverij. Niet alleen een buitenkans voor jou als lezer dus, maar ook voor vissende redacteuren of literair agenten. Ze zijn radicaal kwetsbaar, of knallen hun getalenteerde zelf juist met veel bravoure de wereld in. Ze zijn bloot en willen beginnen.

Wietse Leenders situeert zijn verhaal in de tijdloze tussenwereld van de snelweg, waar hij zijn personages in ronkende taal hun eenzaamheid laat beschrijven, terwijl Julia de Dreu ons meeneemt in een oefening in overgave, op zoek naar ‘een waarheid die je kan dragen als je eigen huid’. De schrijfopdracht die we Melissa Knollenburg gaven, leidde tot de ontdekking van verloren gewaande familie, waar ze het prachtige essay ‘Hoe zullen we dit sorteren, op genen?’ over schreef. Daarin puzzelt ze zorgvuldig het verleden van haar voormoeder bij elkaar, door steeds een stukje nieuw materiaal toe te voegen. Die zorgvuldigheid komt in een andere vorm terug in het werk van Martin Rombouts, die
gevonden materiaal zodanig weet te buigen en bewerken dat er een heel nieuw poëtisch idioom ontstaat.

We verzamelden schrijvers die je wellicht van de podia kent, zoals Jasper Albinus, wiens poëzie zinnelijk over de pagina beweegt, en schrijvers van wie we de eerste versie van hun tekst voor het eerst op een podium hoorden, zoals Sayonara Stutgards ‘Een lege tafel’, een gedicht dat onrust stookt. Onze jongste forel, Iris Dicke, schreef een gedicht waarin een verloren gezelschapsspel een reeks prachtige bespiegelingen ontketent en de hypnotische manier waarop Anne Sanderling met taal omgaat, zorgde ervoor dat ze uit de kopij werd gepikt.

In het proza van Jori(k) Amit Galama dreigt het schot van een jachtgeweer, maar bieden de natuur en glinsterend gezelschap toch bescherming. Ook Steff Geelens verhaal ‘Een flinterdun lichaam aan mijn voeten’ neemt zijn toevlucht tot een bos en beschrijft een transformatie die alle zintuigen uitdaagt. In de speelse en levendige gedichten van Thom Wijenberg trekken wonderlijke liefdesbaby’s, slush puppies en de lach van Silvio Berlusconi aan ons voorbij en Cécile van Wijnsberge beschrijft in ‘Kick’ hoe een allereerste xtc-pil de horizon doet kantelen. Ten slotte droeg ook de Spaanse auteur Alejandro Morellón bij aan dit nummer. Joep Harmsen vertaalde ‘Vogels die de toekomst zingen’, waarin de hoofdrol is weggelegd voor het meest begeerde object van ieder jarennegentigkind: de furby.

Conclusie: een literair tijdschrift kan vrijwel alles zijn en datzelfde geldt voor de verhalen, gedichten, essays en schrijvers die in dit nummer hun opwachting maken. Voor ons als nieuwe redactie markeert dit nummer bovendien een nieuw hoofdstuk in de kleurrijke geschiedenis van De Revisor. Zoveel verschillende forellen en giraffen gingen ons voor, maar nu is het aan ons.

Wij zijn bloot, en wij beginnen.

 

Simone Atangana Bekono, Lotte Lentes, Stefanie Liebreks, Joost
Oomen en Yentl van Stokkum.