Dit is een voorpublicatie uit De Revisor #37: Pastiche, die in september verscheen. Femke Zwiep (1999) schrijft poëzie over ziekte, gekte, geloof en magie. Ze studeerde Creative Writing aan ArtEZ, droeg onder meer voor tijdens Vers van het Mes en op Lowlands en publiceerde in DW B en Wobby. Ze is redactielid bij Samplekanon en werkt momenteel aan haar debuutbundel. Voor De Revisor schreef ze twee gedichten geïnspireerd door Annie M.G. Schmidt, waarvan we er hier een delen. 

 

SPECIAAL SPIEGELTJE MET UITZICHT OP WAT EEN PROLOOG ZOU KUNNEN ZIJN of IN MEDIAS RES OP JE KRAANWAGEN HET VERHAAL BINNEN KOMEN RIJDEN

 

als een torenkamer leegstaat en je daar precies in past
moet je je niet laten tegenhouden
door woningbouwverenigingen, verenigingen van eigenaren
bemoeizuchtige buren met spuitbussen, smetvrees
braakneigingen bij het aangezicht van vredelievende insecten
evenals allerhande allergieën
zijn bijkomstigheden

er zijn ook altijd vriendelijke winkeliers, vaders (van andere kinderen)
majoors, admiralen met gigantisch lange paarden
wetenschappers, kluizelaars, vreemde dunne dames

het is goed om verschillende volwassenen te kennen

tantes waar je bij gaat wonen
als je onberekenbare vader op een schip gaat werken
of als je voogden beren zijn

met tantes
of tanteachtige figuren
kan het een aantal kanten op

we spreken zelden van moeders of ooms
buurjongens, daarentegen:
in overvloed
die spijt hebben
of ziek zijn en naar zee moeten

als je spijt hebt moet je dat zeggen
als je naar zee moet ga je naar zee

een fluisterend beestje kan je de weg wijzen
je moet luisteren en geduld hebben
als een dier je iets vertellen wil
opent het zijn bek en spreekt

toen ik dat nog niet snapte stond ik altijd op de uitkijk
dat is, op een bepaalde manier, nooit overgegaan
al ben ik nu groter en heb ik een baan
ik zoek een hoog punt op in elk verhaal

alles gebeurt: de kat van de buren is jarig of gaat dood
je moet, om wat voor reden, een appel met mes en vork eten
je excuses aanbieden, iemand teleurstellen
het gras is eerst fel in de zon en verbleekt dan
je valt in slaap tijdens verstoppertje, valt in de sloot
gaat kaal, redt een paard, een tuin, een vogel of een stad
je laat de kraan openstaan, een schuimvloed
je krijgt een medaille omdat je iets goed hebt gedaan
ik weet niet meer wat
je bent in de war dus word je uit de war gehaald
en als dat niet lukt ga je er wonen
kom ik gewoon op bezoek

het is niet erg dat het tegelijk plaatsvindt, of naast elkaar
maar dat het allemaal gebeurt vind ik zo vreselijk soms

ik had meer antwoorden verwacht
in het algemeen bedoel ik
het hindert niet
ik zoek een hoog punt op

een zolder
waar ik iets terugvind
een heel speciaal spiegeltje
waarvan er nog één ander is

als ik erin kijk
kijkt aan de andere kant iets
wat lijkt op een proloog me aan
het is fijn om te denken
dat er iets is vóór het begin
zo lijkt het alleen maar

ik ben de jongen die op de eerste pagina uit het kraanwagentje stapt
ik kijk door de spijlen van mijn bed naar de muizen in het mandje
ik maak mijn jurk vies, kruip door de heg

het verhaal begint zo plots
als het stopt (is alles anders en/of goed)

zwermen ergens vogels nog
als ze terugkomen regent het
briefpapier, contracten, versjes
confetti

In de poëziereeks ‘Binnenin’  delen we op onregelmatige basis een dichter die wij beloftevol vinden. Deze keer: een vierdelige reeks Verguldingen van Ko van ’t Hek. Ko van ’t Hek (1985) werkt sinds zijn studies filosofie en wijsbegeerte als copywriter en communicatiestrateeg. Hij woont in Amsterdam, hij is verliefd op Aafje en hij is bang voor de toekomst.

 

de vergulding (1)

bovenop de vulkaan staat een sterrenwacht
vol hongerige apen met de blik naar boven
alsof een dal geen vallei kan zijn

met de nieuwste telescopen maken ze
met gemak toekomst van geschiedenis

regenbogen van gaswolken
honderdduizend zonnen
landschappen van leegte

ze zoeken naar oplossingen
ze geloven het zelf wél, verguld

het gevaar van nieuwe gebieden ontdekken:
vroeg of laat vallen ze ten graai
aan de arendsogen van winstjagers

de sfeer kan plots omslaan
boven de boomgrens
sommige dingen, liefde, kun je beter laten

in het onbekende, buiten het zicht van
alles – waar wachten we nog op?

sommige dingen weet je pas als het te laat is
sommige dingen worden niet beter als je sorry zegt

ze stelen de maan van ons allemaal

 

de vergulding (2)

tussen vergulden niches
waar we geen woorden voor hebben
in de bibliotheek bovenop de vulkaan

is het bezonnen
de volgorde van het alfabet is willekeur
wie praat er nog over ons als straks?

we vinden het vervreemdend
dat iedereen dit schrift maar
accepteert, vanzelfsprekend

hier staat: alles

ik open een boek, lees:
dansen op de vulkaan is een anagram van
vulkaan op de dansen

een ander boek stelt dat we
mensen werden toen we trippend
op truffels het taal smeedden

een derde boek is helemaal leeg
behalve die ene zin ergens halverwege
wij zijn de vermiste generatie

een honingraat
een handpalm, een hamer

een krijtstreeppak komt binnen
vraagt wat nooit meer slapen kost
snapt niks van het antwoord

 

de vergulding (3)

tussen de bloeiende cactussen
wacht ons een zachtroze matras
in de hortus bovenop de vulkaan

monstera’s beklimmen de stalen constructie
een dadelpalm breekt bijna door het glas
wij liggen onder de vergulden klamboe

ze wil de liefde bedrijven, ik hoor niet
hoe het kapitalisme de slaapkamer binnendringt

ze vouwt haar benen om mijn middel, zegt
dat we niet moeten vergeten dat lava overal

onder je voeten kolkt, dat ze met mij de duivel
in zijn priemende ogen wil kijken, vannacht weer

wil zien, haar tepels als twee roze planeten
boven ons de onvervuilde sterren

ik pluk een ontloken bloem, komt
uit een ander universum

 

de vergulding (4)

bovenop de vulkaan staat een serra
tonnen verweerd plaatstaal, krom
en hard en koud en prachtig helaas

een verbogen doolhof met één uitkomst

een ufo, door mensenhanden gebouwd
een cultuurgewas, een reliek
van een voltooid toekomende tijd

van de dieren die we waren
van de machines die we zullen zijn

en ik maar zoeken wat voor man ik was

even verderop één olijfboom
die verguld weerstand blijft bieden
tegen de aanhoudende zeebries

niemand zal er betekenis aan geven

Dit is een voorpublicatie uit De Revisor #37: Pastiche, die in september verscheen. Tom Hofland is schrijver en podcastmaker met een voorliefde voor het magisch-realistische. Zijn recentste roman, De menseneter (2022), werd bekroond met de BNG Bank Literatuurprijs. Vandaag (!) verschijnt zijn verhalenbundel Een stroopgraf voor de bij, waarin ook dit Calvinoëske verhaal dat hij in opdracht voor De Revisor schreef is opgenomen. 

 

De scheur

Tom Hofland

 

Uiteraard is het lang geleden maar niet zo lang geleden dat niemand het meer weet. Er zijn er nog een paar die erover kunnen vertellen, en die zullen je zeggen – naar eer en geweten – dat het helemaal niet zo langzaam ging: het scheuren van de aarde, het vormen van de continenten. 

Pangea heette ze natuurlijk, het moedercontinent. Maar die naam is pas later verzonnen. Als iets het enige is – zonder vergelijking – heeft het eigenlijk geen naam nodig. En de aarde dan? Ja, die noemden we ‘aarde’. Omdat er meerdere planeten waren: dat wisten we toen al.

Maar goed: het ging dus snel. Ik denk dat het hele klusje in een maand geklaard was, zo ongeveer. Van het eerste haarscheurtje tot de oceanen die de ontstane leegte vulden. Je kunt je het kabaal maar moeilijk voorstellen en het piepte nog jaren in onze oren: bij sommigen gonst het nog altijd na. 

 

Het eerste scheurtje was zo klein dat je er je pinknagel in kon wringen. Dat deed ik ook: en dacht er niets van. Wat is nou een scheurtje in de aarde ter grootte van je pink? Een plek voor zaad om te ontkiemen.

In die tijd klommen Acea en ik vaak naar de top van de berg zonder onze handen te gebruiken. We balanceerden zoals de geiten – en de geiten zagen ons als een van hen.
Zij was drie jaar ouder dan ik, sneller en sterker. Haar huid bijna zo donker als de gestolde lava waarop wij onze lichamen lieten rusten na de steile klim. De magmastroom klopte als een warme flauwe hartslag tegen je rug. Je kon er niet te lang op liggen. Dan plakte je huid vast. Maar het was rustgevend de kokende aarde tegen je ribben te voelen bonzen. Ik rook haar zweet onder de zon.

 

Hoe vertrouwd we waren op die bergtop, zo onbekend waren we in ons dorpje.
De warmte verliet me daar, en ik werd gegrepen door de kilte van de vennetjes, de dalletjes, de vallei en de beek. Die beek: met haar waterplanten die alsmaar hoger groeiden, smachtend naar wat oppervlaktewarmte. Het groen probeerde constant uit het water te breken, verlangend naar een aanraking of een kus, al was het maar van een insect. Iedereen zat aan elkaar. Mens en dier. Ik werd er chagrijnig van.

 

Tussen de rotsen wisten we precies hoe de ander bewoog. Maar beneden wist ik niet welk brood ze at of in welke hoek ze sliep.

Ik stond vaak onder haar raam. Maar alleen als ik zeker wist dat zij niet thuis was. Ik roskamde haar paard, maar alleen als zij voorlopig niet uit rijden ging. Ik schreef haar naam, maar alleen in onbekende letters. Als wij elkaar tegenkwamen op straat, trok haar moeder haar als een kuiken onder haar zwabberende arm.

 

En dan toch altijd weer die zalige dag waarop we de rots bedwongen. Ik heb het al vaker gezegd, maar als geitjes dus: alles op onze tenen. We spraken geen woord en vulden onze manden met witte hyssop en kleine blaadjes wijnruit. Tot we rustten. Lavasteen. Haar zweet. 

Hoewel zij behendiger was dan ik liet ze mij haar helpen. Ze zakte in een spleet om de bijvoet te plukken. Ik sloeg mijn armen om haar middel en tilde haar op zodat ze de engelwortel los kon steken. We kauwden op stengels klepelkruid en spogen die zo hoog de hemel in dat de wind ze meevoer. Wat deden we met al die kruiden? Hetzelfde als nu. We maakten er smeerseltjes van voor op brood. Lekker met olijfolie en wat knoflook.

Ik beklom steevast als eerste de piek. Daar groeide niets. Ze volgde mij traag en besluiteloos. En dan altijd die aarzeling, wanneer het tijd was voor de daling. 

‘Ga maar vast,’ zei ze. 

En ik luisterde. Maar wachtte haar halverwege op.

 

Één keer heb ik haar bespied. In plaats van direct naar beneden te gaan, hurkte ik achter een steen. Het was pas toen dat ik het huisje zag, terwijl het er waarschijnlijk altijd al had gestaan. Het was ook niet extreem klein, evenmin was het goed verstopt. Het stond daar gewoon, midden op de rots, en er zat een man voor. Een man met een stom zonnehoedje. 

Acea ging gehurkt naast hem zitten, waarna ze begonnen te kletsen. Verstaan kon ik het niet. Dus na een tijdje besloot ik dat het welletjes was en ging ik naar beneden. Halverwege kwam Acea me achterna. Als begroeting kneep ze in mijn arm.

 

De volgende ochtend vertrok ik vroeg naar de berg. Het was er officieel geen dag voor, maar mijn vader zat op zijn werk en zou pas laat thuiskomen.

Vreemd genoeg had ik dit keer zowel mijn voeten als mijn handen nodig om naar boven te klimmen. De geiten herkenden me niet. 

Wanneer ik een mooi stukje bijvoet zag moest ik mij inhouden. We hadden al genoeg, en in deze tijd groeiden de planten nog niet zo snel. 

Toen ik op de top kwam stond het huisje er nog. Logisch. Waar moest het heen zijn gegaan? Ik zwaaide aarzelend naar de man die ervoor zat. Die zwaaide terug. ‘Kom maar, hoor!’

Ik ging naast hem zitten en dook ineen. ‘Wat een enorme vogels hebben jullie hier,’ zei ik, want er waren enorme vleugels langs mijn hoofd gevlogen. ‘Tja,’ zei hij en krabde even onder zijn zonnehoed.
In plaats van hem te vertellen waar ik voor kwam, vroeg ik hem of hij het wist. Hij knikte. Gerustgesteld wees ik hem op een struik klepelkruid. Hij keek er niet naar.

‘Hebben jullie een relatie?’ Vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd. 

‘Tja,’ zei hij. Alleen maar: ‘Tja.’

Hij boog zijn gebruinde lijf voorover en wees naar een scheur in de grond. ‘De boel gaat breken.’

Ik boog eveneens voorover en verrek: het gat was nu vele malen groter dan mijn pink. Ik kon mijn hele hand erin kwijt.

 

In de volgende nachten hoorden we het kraken van de aarde. Het klonk als een bot dat in een vijzel werd verbrijzeld. Dat geluid weerkaatste tussen de bergtoppen. Vooral kinderen en katten werden er bang van.

Tijdens mijn tochten met Acea begon ik vrolijk en energiek als een kind. Maar hoe ijler de lucht, hoe neerslachtiger mijn stemming. Niet omdat het uitzicht me niet bekoorde, of omdat mijn spieren mij plaagden met steken – wat ze deden. Nee, hoe dichter bij de top hoe dichter bij de afdaling. Een aftocht dus: en steeds vaker alleen. Want hoe vaker we de piek bereikte, hoe langer zij daar bij het huisje bleef. Ondertussen werd ook het gat steeds groter. Tot de scheur zo groot werd dat we er niet meer overheen konden springen, en ik met planken in de weer moest om een geïmproviseerde brug te bouwen. De man van het huisje zat er maar een beetje naar te kijken. Dat stoorde me. Ik zat sowieso vol ergernis. Tot Acea me halverwege de afdaling weer achterna kwam en mijn arm pakte. Dan vergat ik het huisje, de man en de scheur. 

 

Toen we die laatste keer beneden kwamen liep ze – tot mijn grote verbazing – een stukje met me mee. Haar arm in mijn arm. Heel vormelijk. Een beetje als kinderen die geliefden spelen. Haar moeder, die ons tegemoet kwam lopen, zwabberde de straat over en deed alsof ze ons niet zag. 

Acea leidde me naar haar huis, opende de deur voor me en liet me rondkijken. In de keuken zag ik een bruin brood met pitten. Op haar slaapkamer stond haar bed tegen de linkerwand, en dus helemaal niet in een hoek. 

‘Dankjewel,’ zei ik bij het vertrekken.

 

De week erop klommen we weer. Acea was nog sneller en behendiger dan normaal. Ze was vrolijk, en ik moest haar regelmatig roepen zodat ze op me zou wachten. Ze liet me zoals altijd helpen bij het afdalen in spelonken en het steken van de engelwortel. Ze hield mijn armen dan stevig vast.

 

Al vrij snel waren we op de top, en voor het eerst kon ik niet wachten op de afdaling. Wie weet waar we deze keer, arm in arm, naartoe zouden lopen? De verwachting was in mijn hoofd al een belofte geworden. 

Toen we bij de scheur aankwamen lag het bruggetje er nog. De man zat voor zijn huisje en zwaaide vanaf de overkant. Acea ging er heen. Ze spraken. Ik ging naast een rots zitten en keek naar de grote vogels die krijsend overvlogen.

 

Plotseling een gekraak en geknars alsof honderd schepen op de klippen liepen. Ik keek om: het bruggetje was in de afgrond gestort. Een afgrond die zich nu hortend en stotend opende. Ik hoorde een daverend gebrul en zag dat de breuklijn vol met water liep. Het sloeg met geweld tegen de wanden, waardoor de afgrond erodeerde en nog breder werd. Ik gooide mijn tas leeg en vond een oud klimtouw. Deze wierp ik, slingerend alsof het een lasso was, over de meters brede afgrond in de richting van Acea. Ze was in gesprek, draaide met haar vinger krulletjes in haar haren, en liet zich door het touw niet afleiden.

Ik deed nog een aantal pogingen, tot het touw niet lang genoeg meer was om de overkant te halen. Het stortte in de zee. Acea leek dit alles niet te merken. Ik zag dat ze lachte om iets wat de man had gezegd, al werd het geluid overstemd door het brullen van een pasgeboren oceaan. 

Ik zwaaide, maar ik kon niet meer zien of ze me zagen. Ze waren vage vlekjes geworden. Schimmen die bewogen, maar waar ik geen armen of benen meer uit kon distilleren.

Pas toen huisje een puntje op de horizon was geworden draaide ik me om en liep ik terug naar het dorp. 

 

Nog ga ik weleens kijken naar de breuklijn, waar nu het strand is. Misschien ben je er ook weleens geweest. Je zou het niet meer herkennen. Er zijn strandtenten waar je moet betalen voor een bedje, en visrestaurants met barbecues. Er groeit geen kruid meer. Geen engelwortel. Vaak loop ik met mijn schoenen aan door het natte zand en kijk ik uit over de oceaan. 

Dan denk ik aan Acea. Ergens voorbij de horizon. 

De enige die de oversteek wagen zijn die verbazingwekkend grote vogels. 

Dit is een voorpublicatie uit De Revisor #37: Pastiche, die vanaf vandaag in de winkels ligt. Basje Boer (1980) schreef vier boeken, waaronder twee romans en de essaybundel Pose. Over hoe we kijken en wie we spelen (2022). Daarnaast schrijft ze essays over film en andere (pop)cultuur, onder meer voor De Groene Amsterdammer. Voor het Pastiche-nummer liet ze zich inspireren door murder mysteries à la Agatha Christie. 

 

Deze stad zonder dichters

 

Je ruikt haar voordat je haar ziet. Haar parfum is zoet en, vreemd genoeg, een beetje kruidig. Je kunt je voorstellen dat dit is hoe de bergen ruiken, als je het type voor bergwandelingen zou zijn.
Je ziet haar voordat je haar hoort. Ze is een en al glooiende rondingen achter het glas in de deur naar je kantoor. De manier waarop haar vormen worden omlijst door het houtwerk doet je onwillekeurig denken aan een lichaam in een kist. Met haar ring klopt ze tegen het glas – tik tik tik.
Buiten kleurt de avond de stad. Langgerekte roze wolken boren zich door de donkerpaarse lucht, als slierten goedkope suikerspin die knisperen tussen je kiezen. De stad schreeuwt het uit in neon, maar niemand luistert.
‘Dahlia.’
De naam ontsnapt aan haar lippen als een zucht. Ze wiegt richting je bureau, licht als lucht, en vlijt zich neer. Haar blonde haar is weggestoken onder een klein rood hoedje. Haar jurk, ook rood, klampt zich aan haar vast als een bedelaar aan zijn laatste stuiver.
‘De naam is Stok,’ stel je jezelf voor. ‘Wat kan ik voor je doen, Dahlia?’ Je houdt je pakje sigaretten op zo’n manier omhoog dat het een vraag stelt. Het antwoord komt in de vorm van een elegante hand met rood gelakte nagels die een sigaret uit je pakje tevoorschijn haalt.
‘Je begrijpt het niet.’ Ze vouwt haar rood gestifte lippen rond je sigaret terwijl je een lucifer voor haar afstrijkt. ‘Dahlia is mijn zus,’ zegt ze. ‘Ik ben April.’
Je steekt zelf ook een sigaret op. Als je om je bureau heen loopt zie je dat de avond de lucht inmiddels geheel heeft ingekleurd. Het zwart heeft het roze en paars opgegeten. Verleidelijk glijdt het kunstmatige licht van straatlantaarns en uithangborden door het raam naar binnen.
‘Laat me raden,’ zeg je. ‘Dahlia is verdwenen.’ April blaast een wolkje rook uit. Ze kijkt naar je op en knikt.
In de straten beneden zingt de wind in de steegjes.

Deze stad. Deze stad waar verleiding wordt gespeld in grote glanzende letters. Deze stad waar mensen niets liever willen dan bedrogen worden. Voorgelogen, opgelicht. Deze stad waar schijn zwaarder weegt dan de waarheid, fictie aantrekkelijker is dan de realiteit. Deze stad waar achter iedere lach de dood wacht.
Je begint te lopen, de kille avond in.
Twee maanden geleden was Dahlia naar de stad gekomen, vertelde April. De eerste weken belde ze nog iedere zaterdag naar huis, daarna bleef het stil. En dus had April de bus genomen om haar zus te zoeken, met niets meer op zak dan de naam die Dahlia eens had genoemd – Knoop.
‘Je vindt hem bij Auster’s,’ had April je verteld, haar ogen glimmend in het licht van de straatlantaarns. ‘Laatste tafeltje achterin.’
Ze vertelde je alles, behalve hoe ze achter die informatie was gekomen.
‘Knoop?’
Het vrolijk knipperende

A
U
S
T
E
R
‘S

aan de buitengevel staat in schril contrast met het slecht verlichte café dat je binnen aantreft. In Auster’s heeft de uiteenlopende clientèle één ding gemeen: ze dragen een geheim met zich mee. In deze kroeg waar de lampenkappen schuilgaan onder dikke lagen stof en het behang krult aan de plinten kom je niet voor het ongeïnspireerde spel van de pianist of voor de scheve glimlach van de ober, maar voor de schaduwen die de zitjes bieden. Je komt hier voor de duisternis.
Een gezicht doemt op uit de schaduwen, het vormt een vraagteken. ‘Wie wil dat weten?’
‘De naam is Stok.’ Terwijl je tegenover Knoop plaatsneemt haal je je sigaretten tevoorschijn. ‘Wat weet je over Dahlia?’
‘Een mooie bloem,’ grijnst Knoop. Hij gebaart naar je sigaret. ‘En een nog mooiere dame.’
Je bekijkt de man terwijl hij een sigaret uit je pakje peutert. ‘Weet je ook waar ze is?’
Knoop schudt zijn hoofd. Hij steekt twee vingers op naar de ober, die prompt met twee glazen whisky aan komt zetten. Je zegt geen nee, daarvoor heb je te veel dorst. Knoop blaast een perfecte cirkel uit, en daarna nog één. Iets aan de manier waarop die ene cirkel de andere opslokt doet je denken aan deze stad. Deze stad waar de kleine man altijd wordt opgegeten door de grote man, en de grote man door een nog grotere man. Je neemt een grote slok van je whisky.
‘Maar,’ grijnst Knoop, ‘ik weet wel waar je kunt zoeken.’

Buiten heeft de nacht de avond inmiddels verzwolgen. Wie nog buiten is, valt in een van twee categorieën: slachtoffer of dader. Kraag omhoog, denk je. Kin omlaag. Waarom heb je ja gezegd tegen deze opdracht? Je grijnst in jezelf. Omdat je auto gerepareerd moet worden. Omdat je achterloopt met de huur. Omdat je op de bank in je kantoor slaapt om je huurbaas te ontlopen. Daar lig je nacht na slapeloze nacht naar het plafond te staren terwijl je de beesten hoort huishouden in de straten.
Je hebt ja gezegd vanwege háár – de vrouw wier lijnen zijn uitgesneden in je herinnering, wier zuchtende stem echoot in je gedachten, wier naam rondzingt in je hoofd: April.
Zou Dahlia lijken op haar zus?

Muis zou meer weten over Dahlia, had Knoop beloofd. Terwijl je het mortuarium nadert waar Muis nachtwaker is, voel je in je zakken naar een muntje – in je jas, je broek, je binnenzakken. Niet meer dan vijftig cent weet je te verzamelen. Je hoopt maar dat Muis nog wanhopiger is dan jij. Je kunt het je bijna niet voorstellen.
Muis staat voorover gebogen in een boekje te krabbelen als je bij de ingang van het statige gebouw arriveert. Een dichter, denk je spottend. Toch begint er in je binnenste iets te gloeien bij het idee dat er nog mensen zijn die schoonheid weten te ontwaren in deze stad. Zolang er dichters zijn, denk je, is nog niet alles verloren.
‘Laat me raden,’ gromt Muis als hij je ziet. ‘Jij komt de bloem bekijken.’
Haar gezichtje – wit. Haar lippen – rood. Haar haren – niet blond zoals dat van haar zus, maar zwart als de nacht.
‘We noemen haar Sneeuwwitje,’ zegt Muis verveeld. ‘Omgekomen door messteken, gevonden bij de haven, identiteit onbekend.’
Je schikt de haren die haar gezicht omlijsten, laat je vingers langs haar jukbeenderen glijden. Lijkt ze op April? Je onderdrukt de neiging om met je duim een van haar ogen te openen. Dan hoor je ergens achter je een doffe klap. Als je omkijkt zie je dat Muis zijn opschrijfboekje heeft laten vallen.
‘Pardon.’
Voordat Muis het boekje opraapt kun je nog net zien dat er op de opengeslagen pagina’s geen letter geschreven staat. In plaats daarvan zijn ze tot aan de randen volgekrast met blauwe balpen.

‘Maakt niet uit of het dag of nacht is,’ had April je op het hart gedrukt. ‘Zodra je iets hoort wil ik het weten.’
Geld om te bellen heb je niet. Geld voor een taxi ook niet. Je steekt je handen in je zakken en begint te lopen naar Hotel Hammett, het goedkope hotel aan de andere kant van de stad waar April overnacht.
April – je hoeft maar aan haar te denken of je ruikt die vreemd kruidige geur van haar parfum. In je gedachten kleurt de geur alle tinten roze, kringelt hij omhoog als rook, bladert hij in de pagina’s van het opschrijfboekje waarin Muis zo hard heeft gekrast dat de pagina’s omkrullen aan de randen.
Pas als je de straat oversteekt realiseer je je dat je wordt achtervolgd.
Niet lang daarna komt de duizeligheid.
Aprils silhouet achter het raam.
Het koude gezicht van Sneeuwwitje.
Een mes dat in een rug glijdt alsof het een klont boter is.
De wind die je vindt waar je ook gaat, in deze stad zonder dichters.

Je wordt wakker met een schok. Water druipt van je gezicht. Donkere schimmen vormen een kring rond de stoel waarop je zit, hun stemmen vlechten zich opgewonden door elkaar heen. Tegen het felle licht van een lamp zijn hun gezichten niet te zien, toch weet je precies waar je bent en wie je zo ruw heeft gewekt.
‘Hé Plint,’ zeg je tegen de lompste van de politieagenten terwijl je je zakdoek uit je broekzak tevoorschijn haalt. ‘Heeft je moeder je niet geleerd hoe je een glas water moet drinken?’ Je veegt je gezicht af. Je peutert je gekreukte sigarettenpakje uit je borstzak en steekt er een op – je laatste.
‘Altijd goed om je te zien, Stok,’ zegt Plint. Zijn grote gezicht gaat verscholen in de duisternis. ‘Jammer van de omstandigheden.’
Pas als je aan je sigaret trekt voel je hoe het tolt en draait achter je ogen.
Die whisky, denk je. Het gezicht dat Knoop trok toen hij twee vingers opstak. De ober met de scheve lach.
‘Welke omstandigheden?’ vraag je.
‘Deze,’ zegt Plint en hij legt een foto op tafel.
Even denk je dat zij het is – April. Dan denk je dat het die ander is – Sneeuwwitje. Maar het is een derde dame, met haar dat wellicht bruin of rood is. In een gracieuze pose ligt ze over het trottoir gedrapeerd, als een danser in de armen van haar partner. Op haar gestifte onderlip glinstert een druppel bloed.
‘Wie is het?’ vraag je, maar je weet het antwoord al.
‘Haar naam,’ zegt Plint, ‘is Dahlia.’

Je ruikt haar voordat je haar ziet – het zoete, het kruidige. Ze ruikt niet naar de bergen, maar naar bloemen. Waarom denk je daar nu pas aan?
Plint had je willen vasthouden op het politiebureau. Je was tenslotte naast Dahlia’s lijk gevonden, bewusteloos en met een bebloed mes in je hand. Tegen de ochtend had hij je met tegenzin laten gaan. De dag kleurde de stad terwijl je op weg ging – naar Hotel Hammett.
Het zoete, het kruidige. De geur vouwt zich om de deur, nodigt je uit om de kamer binnen te gaan.
‘April?’
Je herinnert je hoe haar vormen zich aftekenden achter het glas, hoe de aanblik je onwillekeurig deed denken aan een lichaam in een kist. Nu tekenen diezelfde vormen zich af tegen het grauwe wit van goedkope lakens. Nu wordt haar lichaam omlijst door het frame van een bed. Nu weet je wat je zo lang niet wilde geloven.

Een halve dag geleden tikte ze met haar ring tegen de deur van je kantoor – tik tik tik. Het is deze hand die je nu kust – de ring, de rood gelakte nagel. De huid die nog warm is maar snel afkoelt. Terwijl buiten de letters H-O-T-E-L concurreren met de eerste zonnestralen krul je je om haar naakte lijf, om Aprils naakte lijf – of hoe ze dan ook heten mag. Je trekt je benen op, neemt haar hand in de jouwe, en je slaapt. Terwijl de zon de kamer verlicht tot in de donkerste hoekjes slaap je voor het eerst in tijden.

 

 

Collage: Stefania Veldemiri

Maandelijks plaatsen we proza op de website dat we goed vinden, maar niet in een papieren nummer kwijt konden. Deze keer: de Griekse schrijver Christos Ikonomou (1970). Hij schreef vier verhalenbundels, werd bekroond met de prestigieuze Griekse Best Short-Story Collection State Award en werd vertaald in zeven talen. Vertaler Eveline Mineur (1997) vond het tijd om daar een achtste aan toe te voegen. Als vertaler Nieuwgrieks wil zij laten zien hoeveel de hedendaagse Griekse literatuur te bieden heeft, die in Nederland nog relatief onbekend is. 

 

Κom Ellie, voer het varkentje

 

Ze staat sla schoon te maken. Twintig euro om de hele week door te komen en een stapel rekeningen op het aanrecht. Maar het is vrijdagavond, de beste avond van de week, en Ellie Drakou staat sla schoon te maken in de gootsteen, waar ze van houdt omdat het hart van een krop sla zo teer en wit is. Ze scheurt elk blad apart af, houdt het onder de kraan en spoelt het zorgvuldig af en streelt het en verwijdert de randjes die verlept zijn of van die bruine gaatjes hebben en schudt daarna zacht het water van het blad en legt het in het teiltje.

Ze is dol op sla schoonmaken. Op het plukken van de grote groene bladeren en die één voor één afspoelen. En naarmate ze dichter bij de kern komt, treft ze daar de zachte, minst groene blaadjes aan, die schitteren alsof ze onaangetast zijn door de tijd. Het is alsof ze langzaam en behoedzaam vol verwachting een cadeau uitpakt dat in meerdere vellen groen papier is gewikkeld. En dan komt ze bij het hart van de sla en haar hart zwelt op wanneer ze de koele blaadjes ontwaart, de witte, knapperige blaadjes  ̶  het hart van de sla, een klein wonder, een goed bewaard geheim, bestand tegen de tand des tijds. En ze koestert de gedachte dat wat er gisteren ook gebeurd is, hoeveel geld ze gisternacht ook verloren heeft, wat er morgen of de dagen daarna ook zal gebeuren, hoeveel Sotirissen haar leven ook zullen binnenvallen als militaire bezetters of opgejaagde migranten, het hart van de sla, het binnenste hart van de sla, de blaadjes die nu beven in haar natte handen, dat die voor altijd wit en zacht en in leven zullen blijven, alsof ze het enige zijn, het enige op de hele wereld dat niet sterft, dat nooit zal sterven.

Het regende, hield op, het gaat zo weer regenen. Ze kijkt uit het raam. In het westen is alles rood  ̶  de wind, de hemel, de wolken. Vanavond zal het bloed regenen, zegt Ellie, en ze huivert. Ze maakt haar blik los van het raam en kijkt naar het hart van de sla dat lijkt te kloppen in haar handen  ̶  alleen is het niet het hart van de sla dat klopt, het zijn haar handen die trillen  ̶   en wat ze ziet, zinkt naar de bodem van haar binnenste als de lach van iemand die zijn baan kwijt is, van iemand die net ontslagen is.

 

*

 

Sla, zegt Ellie. In sla schuilt de waarheid van het leven. Zo is het toch?

 

*

 

Zij was de enige die het varken voerde. Tien maanden, bijna een jaar nu. Ze voerde het om de dag, soms elke dag. Nu eens een euro, dan weer twee, dan weer vijf. Een enkele keer vergat ze het. Ze vergat het wanneer ze overuren maakte en gebroken thuiskwam en niet eens de moed had om te praten. Maar Sotiris vergat het niet. Hij pakte het varken van het aanrecht  ̶  het was groot en zwaar en roze met een gleuf in de rug voor de munten en een gat in de snuit voor de briefjes   ̶  en bewoog het heen en weer voor Ellies gezicht.

Knor knor. Het varken heeft honger. Het varken vergaat van de honger. Knor knor. Kom Ellie, voer het varkentje. Heb je geen medelijden met het arme ding? Knor knor.

En Ellie lachte. Hoe moe ze ook was, ze lachte altijd. En ze opende haar portemonnee en haalde er één of twee euro uit en wierp die in de zwarte gleuf en op vrijdagavond haalde ze een briefje van vijf uit haar portemonnee en maakte er een dun rolletje van en duwde het in de snuit van het varken.

Achthonderd euro zouden ze hebben gespaard. Achthonderd, hoogstens negenhonderd.

Waarom geef jij het niet te eten, vroeg ze hem een keer. Waarom voer jij het niet af en toe en verwacht je dat alleen van mij?

Starenios, van tarwe. Zo noemde ze hem wel eens, omdat alles aan hem de kleur van tarwe had. Een tarwekleurige huid, tarwekleurig haar, zelfs zijn ogen hadden de kleur van tarwe. Of van griesmeel. Ik wil je oplepelen. Dat je de hele nacht stil blijft liggen en ik je lepel voor lepel opeet. En dat je ’s ochtends weer heel bent zodat ik weer van voor af aan kan beginnen.

Als griesmeel, starenios.

Wat je maar wil, zei hij. Ik zal je pret niet bederven. Als je me maar geen Dimos Starenios noemt, want dan hebben we de poppen aan het dansen.

Hij liet haar zijn handen zien, waarmee hij het varken vasthield.

Uit mijn handen eet hij niet, zei hij. Je hebt hem verwend. Het is een kieskeurig varken, van viezigheid moet het niets hebben.

Hij werkte bij een tankstation aan de Thivonstraat en zijn handen waren altijd vies. Zwarte halvemaantjes, het vuil onder zijn nagels. Zwarte halvemaantjes, zwarte Turkse kromzwaardjes.

 

*

 

Ze spoelt het laatste blaadje af en legt het in het teiltje en zet het teiltje opzij voor straks. Straks zou ze een salade kunnen maken met flink wat dille en een lente-uitje en er koude rijst door kunnen doen en wat van de tonijn die een aardig meisje op het werk haar had gegeven, tonijn in een potje uit Alonissos, waar ze nu al een maand mee deed en waar ze steeds maar een beetje van at  ̶  Sotiris hield er niet van, het stonk naar vis.

De opeengehoopte rekeningen op het aanrecht, een kleine stapel. Bovenop de rekening van de OTE, waarvan de betalingstermijn tien dagen geleden is verstreken en gisteren of eergisteren hebben ze haar telefoonlijn afgesloten.

Ze opent de koelkast en gaat op zoek naar iets zoets. Haar handen trillen weer. Vast een te lage bloedsuikerspiegel. Chocolaatjes. Ze herinnert zich nog de chocolaatjes die iemand ooit voor haar had meegebracht uit Frankrijk. Zo gaat dat als je een goeie vent hebt, zei Sotiris. Zo gaat dat. Iedereen denkt aan je en neemt iets voor je mee. Ze aten er elke avond één. Eentje maar, het was geen grote doos. Het merk zou vernoemd zijn naar een koningin, een prinses die vroeger in Engeland leefde en die haar man de koning ooit smeekte om de belastingen voor de armen op te heffen en hij ging akkoord als de koningin in ruil daarvoor naakt op een paard door de straten van de stad zou rijden en zij stemde in op voorwaarde dat iedereen zich thuis zou opsluiten zodat ze haar niet zouden zien en ze klom op het paard en reed naakt door de straten van de stad, haar naakte lichaam verborgen onder haar lange haar en iedereen bleef thuis en er scheen slechts één man geweest te zijn die het waagde haar te begluren, maar die werd op slag blind.

Ellie had dit verhaal wel twee, drie keer aan Sotiris verteld, ze had het keer op keer aan zichzelf verteld, en telkens probeerde ze zich voor te stellen hoe de koningin eruitzag en of ze blond of donker haar had en waarom die koningin zo veel om de armen gaf en of ze als een man op het paard zat of schrijlings en waar ze aan dacht toen ze naakt door de lege straten reed en of het dag of nacht was toen dit gebeurde en welke kleur het paard eigenlijk had en of het galoppeerde of stapvoets liep – en nu, terwijl ze voor de lege koelkast staat terwijl de kou haar in het gezicht slaat, denkt Ellie terug aan die zomeravonden in bed denkt ze eraan hoe ze het chocolaatje uitpakte en aanraakte en er voor ze het in haar mond stopte even aan likte en het daarna in haar mond stopte maar er niet op beet, ze liet het smelten op haar tong ze beet er niet op ze zoog er niet op ze liet het heel langzaam smelten, ze liet het chocolaatje smelten in haar mond zodat de bitterzoete smaak haar mond vulde en via haar keel naar haar hart gleed.

 

*

 

Sneeuwkettingen, zegt Ellie en ze sluit de deur van de koelkast en wrijft over haar armen om het kippenvel weg te krijgen. Ik moet sneeuwkettingen omdoen zodat mijn gedachten niet het verleden in slippen.

 

*

 

In de badkamer kijkt ze opnieuw naar het woord dat met oranje lippenstift op de spiegel staat geschreven. SSSORRY. Het was een van hun grapjes, die alleen zij snapten. Ze hadden het uit een film die ze een keer op televisie hadden gezien, van een onhandige man die sliste en de hele tijd chocola at en zich tegen iedereen verontschuldigde. Sssorry, zei hij, excussseer me.

Sssorry, zei Sotiris tegen Ellie. Een vrouw als jij zou met een rijke stinkerd moeten zijn. Nooit meer werken. Alleen maar reisjes, naar de kapper, shoppen. Een weekendje Rome, maandag naar Parijs en de feestdagen in New York. Maar ik ben op je pad gekomen. Sssorry.

SSSORRY had Sotiris gisternacht met haar oranje lippenstift op de spiegel geschreven.

 

*

 

Ze draait de koude kraan open en stapt in de badkuip en houdt haar adem in en stapt onder de koude straal en houdt zich in om het niet uit te schreeuwen. Het water stort als een scheermes op haar neer en snijdt haar huid aan flarden  ̶  maar Ellie is vastbesloten om vol te houden en probeert de pijn te negeren en knippert met haar ogen en ziet beelden aan haar geestesoog passeren die oprijzen uit het stromende water en in haar gedachtestroom ziet ze gezichten en plaatsen en ochtenden en nachten aan haar ogen voorbijtrekken ze ziet beelden uit een andere tijd uit een ander leven toen er nog geen fabrieken of overuren bestonden of pensioenzegels of onbetaalde rekeningen of varkens die gevoerd moeten worden of mannen die ervandoor gaan als een dief in de nacht.

Onder het ijskoude water verandert haar huid van kleur, haar bleke kleur lijkt als oud pleisterwerk van haar af te vallen. Haar borsten verstijven en richten zich op als de snuit van een vos in de bosjes. Ellie streelt haar borsten en voelt het bloed paniekerig door haar lichaam stromen en wrijft over haar versteende buik en wiebelt met haar tenen en kijkt naar de straaltjes water die over haar ongelakte teennagels lopen.

Mijn teennagels, zegt Ellie. Mijn teennagels zijn mijn zuidelijke grens. Daar houdt mijn lichaam op daar houdt Ellie op.

Een poreuze grens. Je grenzen zijn zo lek als een zeef, Ellie. Kom maar binnen, doe alsof je thuis bent.

De Onbewaakte Republiek van Ellie.

 

*

 

In de slaapkamer trekt ze haar oude lila badjas aan en steekt een sigaret op en keert dan op blote voeten terug naar de keuken om de telefoon uit het stopcontact te halen maar de telefoonlijn is afgesloten dus dat heeft geen zin.

Ze schenkt een glas rode wijn in  ̶  een zware Kretenzische wijn, diep van kleur als geronnen bloed  ̶  en terwijl ze de wijn in het glas schenkt trillen haar handen en neemt ze zich voor hoe dan ook iets zoets te eten, daar ligt het vast aan, een te lage bloedsuikerspiegel.
Ze rookt en drinkt en nadat ze haar sigaret uitgedrukt heeft, keert ze terug naar de slaapkamer en doet de kast open en trekt alle kleren van de hangertjes en gooit ze in een kluwen op het onopgemaakte bed. Overhemden, broeken, een goedkope jas met bontkraag, een oud pak. Ze trekt de lades open en stort de inhoud op het bed. Ondergoed, sokken, een gestrikte stropdas. Een riem met een kapotte gesp. Een inlegzool maat 45. Een lang geel koord. Bovenop de hoop legt ze zijn schoenen en slippers.

Op weg naar de badkamer maakt ze een tussenstop in de keuken en steekt nog een sigaret op en schenkt zich bij. Dan gaat ze naar de badkamer wat de moeilijkste kamer is want daarbinnen laten mensen de meeste sporen achter. Ze doet het kastje open en gooit zijn scheerspullen en zijn aftershave en zijn kam en zijn nagelknipper op de grond. Een flesje alcohol. Zijn nagelschaartje.
En het kleine borsteltje dat ze voor hem had gekocht om zijn handen mee schoon te maken na het werk.

In de woonkamer veegt ze alles wat ze tegenkomt bij elkaar. Sportbladen en tijdschriften over auto’s en aanstekers en vergeten pakjes sigaretten en oude foto’s. Zijn spullen. Al zijn spullen over het huis verspreid als kruimels.

In het kastje onder de gootsteen vindt ze groene vuilniszakken die je dichtbindt met een geel koordje. Ze stopt de kleren en spullen van Sotiris in de zakken en sleept ze daarna naar de balkondeur. Buiten is de regen opgehouden maar er druipen nog regendruppels van de ijzeren balkonreling en Ellie blijft staan en kijkt ernaar  ̶  kijk nou, zegt Ellie, zelfs het ijzer huilt vanavond.

Ze steekt een sigaret op en de rook blijft in haar keel steken en ze begint te hoesten.

Voor het geld, zegt Ellie. Allemaal voor een beetje geld.

Hoestend doet ze de deur open en gaat het balkon op. Ze grijpt een zak en gooit die op straat. Ze hoort de bons maar kijkt niet naar beneden. Ze gooit nog een zak en nog een. Automobilisten minderen vaart en kijken op. Een voetganger met een hondje blijft staan en kijkt omhoog. Vuilniszakken vallen van de derde verdieping de leegte in op de hoek van de Kiprou en de Ionia in Nikaia  ̶  vuilniszakken vallen naar beneden als in het groen gehulde suïcidale vrouwen, als laffe zondaars in de nacht die het einde van de wereld inluidt.

De man met het hondje bukt zich om het hondje op te tillen en rent weg zonder achterom te kijken.

En dan te bedenken dat hij ook het varken heeft meegenomen, zegt Ellie. Het varken.

 

*

 

Ellie keert terug naar de keuken. Haar handen trillen nog steeds, ze trillen nog erger dan net. Vast haar bloedsuikerspiegel. Ze opent lades en kastjes en stalt suiker, griesmeel, honing, amandelen en kaneel uit op het aanrecht. Ze gaat halva maken. Een lekkere halva van griesmeel met amandelen en flink wat kaneel. Vast haar bloedsuikerspiegel.
Ze brengt de amandelen aan de kook en probeert zich het recept en de juiste verhoudingen te herinneren. Een twee drie vier. Een kopje olie twee kopjes griesmeel drie kopjes suiker vier kopjes water.

Achthonderd euro. Hoogstens negenhonderd.

Ze verdriedubbelt de hoeveelheden  ̶  drie zes negen twaalf  ̶  en gaat aan de slag. Ze brengt de suiker met het water aan de kook en voegt twee lepels honing en de schil van een sinaasappel toe. In een andere pan doet ze olie en griesmeel en bakt die op laag vuur terwijl ze blijft roeren zodat het griesmeel niet aanbrandt en alles mislukt. Als het griesmeel lichtbruin kleurt, haalt ze de sinaasappelschil uit de andere pan en giet de siroop over het griesmeel en het griesmeel sist en spettert en Ellie schrikt en roert sneller nu, krachtig en snel tot de siroop in het griesmeel is getrokken en de halva loskomt van de pan.

Ze haalt de pan van het vuur, doet de amandelen erbij, roert goed en neemt dan even pauze met een sigaret.

De sla is opgedroogd in het teiltje. Het hart van de krop sla kleurt wit in het schamele licht. Klein en zacht en wit. Ellie strijkt zachtjes met haar vingers over het hart van de sla en streelt het zachtjes.

Buiten wordt het donker. Zwarte vogels fladderen tussen de elektriciteitskabels door als noten op de notenbalk van een eigenaardig muziekstuk, een muziekstuk dat geschreven is om gespeeld te worden op de laatste nacht van de wereld.

 

*

 

Later drukt ze de halva aan en strijkt het goudkleurige oppervlak glad met de houten spatel en steekt een nieuwe sigaret op. De geur van de halva verspreidt zich door het huis en verdringt voor even de geur van vrijdag en de geur van eenzaamheid en de geur van de schrijnende armoede die onmerkbaar, langzaam maar zeker de dromen, de kracht en het leven van Ellie aanvreet  ̶  van alle mensen die leven om te werken, die geboren zijn en leven en sterven om te werken. Voor een beetje geld.
Schrijnende, vulgaire armoede. Het zoveelste schepsel dat bij haar is ingetrokken. Als een tamme rat.

 

*

 

Ze legt het beste tafelkleed op de keukentafel en stort er de halva op. Met langzame en zorgvuldige bewegingen begint ze te kneden tot de halva de vorm van een mens aanneemt. Ze kneedt de armen de benen de nek en het hoofd. Met haar nagel kerft ze er de ogen de neus een grote lachende mond in. Het haar, dat lang en warrig moet zijn, lukt niet helemaal. Maar ze laat het zo om niet opnieuw te hoeven beginnen.

Het geeft niet, zegt Ellie. Van te veel haar krijg je last van je maag.

Wanneer ze klaar is, pakt ze het tafelkleed voorzichtig beet bij de punten en neemt het mee naar de slaapkamer en legt het op bed. Ze gooit de dekens op de grond en haalt daarna de fles wijn en haar glas en de sigaretten uit de keuken.

Ze gaat op het bed zitten met haar benen onder zich gevouwen, maakt het zich gemakkelijk en trekt het tafelkleed naar zich toe.

Allemaal voor een beetje geld, zegt Ellie. Achthonderd euro, hoogstens negenhonderd.

Ik snap het niet, zegt Ellie. Als arme mensen elkaar zulke dingen aandoen wat kunnen we dan van de rijken verwachten?

Jezus, ik snap het niet.

Ik ben Ellie Drakou.

Ik snap het niet.

Buiten is de regen opgehouden maar er druipen nog regendruppels van de ijzeren reling. Kijk, zegt Ellie, vreemd, zelfs het ijzer huilt vanavond.

Dan haalt ze een zilveren lepeltje uit haar zak en gaat er goed voor zitten op het bed en trekt de oude lila badjas stevig om zich heen en begint de griesmeelman op te eten  ̶  langzaam kauwend in het donker luisterend naar de duisternis die buiten toeneemt begint ze langzaam, met kleine afgemeten hapjes, de zoveelste man op te eten die over haar onbewaakte grenzen heen haar leven is binnengevallen als een militaire bezetter of een opgejaagde migrant.

 

Maandelijks plaatsen we proza op de website dat we goed vinden, maar niet in een papieren nummer kwijt konden. Deze keer: Koen de Vries’ verhaal ‘Wandelende boom’, waarin we een wandelende tak diep in zijn ogen staren. Koen de Vries (2001) studeert wis- en natuurkunde aan de Radboud Universiteit. Hij schrijft zowel proza als poëzie en over uiteenlopende thema’s. Eerder verscheen zijn werk in Op Ruwe Planken.

 

Wandelende boom

 

Ik had een wandelende tak gekocht en zat voor het terrarium. Pootje voor pootje kroop ze over de dorre bladeren waarmee ik de bodem had bedekt en plotseling trok ze een sprintje naar de holle boomstam. Eigenlijk was die boomstam gewoon een dikke tak die doorgezaagd en uitgehold was, niet langer dan een hand met uitgestrekte vingers. Daar bleef ze zitten. Alsof ze dacht daar verstopt te zijn.

Meestal zat ik er minstens drie kwartier per dag en in de weekenden anderhalf uur. Ik zat op het keukenkrukje, die was makkelijk te verslepen. Ik legde mijn handen in mijn schoot, liet mijn schouders een beetje doorhangen en boog mijn hoofd richting het dunne glas. De lamp in de kap van het terrarium verspreidde een fel wit licht door de bak.

Achteraf herinnerde ik me altijd elk moment dat ik naar het dier gekeken had. Ik staarde niet. Ik zonk niet weg in mijn gedachten, ik nam ze op schoot als een kat met een pluizige vacht om zachtjes met mijn vingertoppen in te wroeten. Om samen naar de tak te kijken.

 

Ze bleek bevrucht te zijn. Haar eitjes, tenminste. Binnen een paar weken had ik tien wandelende takken en een paar dagen later waren ze volwassen. Kriskras kropen ze over elkaar, als mikadostokjes.

Ik trok mijn krukje voor de glazen bak en ging zitten. Mijn ellebogen zette ik op mijn knieën en mijn wangen liet ik op mijn vuisten rusten. Zolang ze niet bewogen konden ze nagenoeg onzichtbaar zijn. Maar zodra ze hun eerste pootje optilden waren ze direct niet meer te missen en er was er precies eentje die bewoog. Hij liep voor het venster langs, recht voor mijn ogen, een paar centimeter van mijn gezicht verwijderd.

Een voor een verzette hij zijn pootjes. De iele steeltjes leken met iedere stap te kunnen knappen. De eerste breekpunten waren al gemaakt, als een vouwlijn voor het scheuren of een stippellijn om met je schaar te volgen. Je zou enkel met duim en wijsvinger de uiteinden vast hoeven pakken. En dan, klik. Gewoon, drukken. Of trekken. De tak zette een van zijn middelste pootjes op het glas. Door gebrek aan grip gleed hij direct weer naar beneden.

Ik vroeg me af hoe snel hun bloed zou stromen. Of het eruit zou spuiten, zoals bij een tuinslang waarvan je het uiteinde dichtdrukt. Of misschien juist heel traag, zoals het sap dat uit een boom loopt. Dat zo’n tak heel dun is kan de bloedsomloop ook juist verhinderen, natuurlijk. En dan maakt het waarschijnlijk ook nog uit waar je ze zou breken.

De tak voor het raam bleef stilstaan. Hij probeerde zich om te draaien, maar bleef met zijn achterwerk steken.

Soms hebben dieren wat hulp van mensen nodig. Ik opende de zwarte deksel en stak mijn hand erin. Als een schep schoof ik hem onder zijn pootjes. Ik nam de tijd zodat de tak dat ook kon doen. Achter me sloot ik de kap weer, netjes als ik ben.

Hij verdwaalde tussen mijn vingers, raakte volledig in de war. Ik draaide mijn handen met zijn wandelen mee zodat ik hem niet uit het oog zou verliezen en zodra hij over mijn arm omhoog begon te klimmen, onderschepte ik hem met mijn vrije hand. Een paar keer probeerde hij te vluchten, maar uiteindelijk stopte hij op de rug van mijn rechterhand.

Ik staarde in zijn ogen. Er bestaan ook wandelende bladeren, maar die lijken minder op een blad dan mijn takken op een tak, vond ik. Wandelende takken zouden zo onderdeel kunnen zijn van de bosjes waarin ze zich schuilhouden, terwijl wandelende bladeren toch net niet realistisch lijken. Ze zijn niet groot genoeg, wapperen onvoldoende in de wind. Ze hadden platter moeten zijn om goed in hun omgeving op te gaan.

Met een wijsvinger aaide de wandelende tak over zijn rug. Hij rilde. Daarna begon hij weer te rennen.

Nu er zo snel zo veel wandelende takken bijgekomen waren, kon het niet lang meer duren voordat heel het terrarium vol zou zitten. Daar durfde ik wel vanuit te gaan. Ooit had iemand me verteld dat wandelende takken elkaar opeten. Zeker als ze met te veel zijn. Ik geloofde het niet, maar ik was wel benieuwd.

De wandelende tak was inmiddels naar mijn schouder toe gerend. Vlug pakte ik hem bij zijn lijf vast om hem weer op mijn hand te zetten. De pootjes spartelden alle kanten op.

Als je wandelende takken stapelt, krijg je dan een wandelende boom? En hoeveel heb je er dan nodig om het zo te mogen noemen? Ik zou wandelende bladeren kunnen kopen om er bovenop te zetten. Blad voor blad, voor de balans.

Hij begon rondjes te rennen, me te steken of te krabben, hij probeerde te ontsnappen door van mijn vingers af te rennen. Niet dat dat werkte, maar het werd wel irritant. Ik nam hem weer tussen mijn duim en wijsvinger. Aan zijn middel, niet over de hele lengte. Ineens vroeg ik me af of hij net zo door zou buigen als een tak die je in het bos vindt. Een gewone tak. Ik draaide hem een beetje, keek naar de beide uiteinden van zijn lichaam. Zowel de anus als de mond kon ik niet vinden. Gaan de darmen van een wandelende tak alleen van voor naar achter of zitten er ook nog kronkels in?

Ondertussen spartelde hij nog steeds wild met alle zes zijn pootjes. Ik merkte dat mijn handen een beetje klef begonnen te worden van het zweet. Toch ging ik door. Ik liet mijn middelvinger vanaf de onderkant dichter bij zijn achterpootje komen. Een aantal keer spartelde hij er tegenaan. Steeds verder bewoog ik naar buiten toe, tot het spartelen minder werd en stopte. Zijn pootje drukte tegen de zijkant van mijn vinger. Een paar stuiptrekkingen schoten door het pootje heen. Hij maakte een klein krasje in mijn huid. Dat deed me niks.

Toen liet ik mijn duim dichterbij komen. Behoedzaam, ik heb immers het beste met mijn dieren voor.

Mijn duim trilde een beetje. Hij glom in het kille terrariumlicht. De grote plafondlamp stond uit.

Bijna raakte ik het pootje aan. Nog meer stuiptrekkingen. De rest van de poten hing stil. Alsof ze dood waren. Dode takken van een dode boom.

Een korte aarzeling. Ik wendde mijn ogen af, ik keek weer terug, ik slikte. Mijn mond viel een beetje open. Ik kon mijn adem horen. Toen legde ik mijn duim tegen de andere kant van het fragiele pootje. Ik gleed op en neer, wreef voorzichtig langs het stokje in mijn hand, het takje van de tak. Afgetakt.

 

Toen ik hem weer in het terrarium plaatste, bleef hij de rest van het uur roerloos staan. Ik bleef ook nog even staan nadat ik van de kruk omhoog gekomen was. Een andere tak kwam op hem afgewandeld, plaatste twee pootjes op zijn rug, kroop over hem heen en bleef bovenop hem zitten. Kleine zwarte korrels kwamen uit de bovenste, vielen op de grond. Het hadden ook eitjes kunnen zijn.

 

 

Dit gedicht verscheen eerder in Revisor #36: De Columnist. Erik Jan Harmens (1970) publiceerde in februari de man die blauw werd, gedichten over een autismediagnose krijgen op je vijftigste, en hoe dan verder. Over dat onderwerp schrijft hij ook een serie essays voor NRC. In december 2022 verscheen puur, zijn biografie van rapper Hef. Bekende boeken zijn verder Hallo muur (2015) en Rigolettohof (2021).

 

JA EN NEE

 

elke vraag die mij gesteld wordt
beantwoord ik met: ‘ja én nee’

of ik het protest van boeren
tegen de uitkoopregeling voor piekbelasters snap

ja, want het gaat om bedrijven die ze met hun eigen blote handen hebben opgebouwd
en nee, want de stikstofuitstoot moet omlaag

of ik voor wapenleveranties
aan oekraïne ben

ja, want een land dat wordt binnengevallen moet zichzelf kunnen verdedigen
en nee, want ik ben tegen oorlog en geweld

door overal met ‘ja én nee’ op te antwoorden
neem ik geen stelling in
maar verláát ik er ook geen

ben ik taartbodem
en -vulling in één

ik ageer ergens tegen
én blijf eromheen dansen

in populisme
vind ik de nuance

als jager en prooi
wolf en hinde

iets vinden
én níét

zo word ik god
die de vernietiging schiep

In de poëziereeks ‘Binnenin‘ delen we op onregelmatige basis een dichter die wij beloftevol vinden. Deze keer: Shabnam Baqhiri. Shabnam Baqhiri (1996) studeerde in juli 2023 af aan de opleiding Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Zij schrijft met name toneel, proza en poëzie. Haar dichtbundel Kapot met een vleugje zachte handen kwam in 2022 uit bij Uitgeverij Oevers. Haar werk werd gepubliceerd bij onder andere Hard/Hoofd, Schrijven Magazine, De Optimist, DIG en Deus Ex Machina.

 

 

Blote knieën

 

In dit land

zijn er ondankbare mensen.

Ondankbaar voor daken

op huizen die buren hebben.

 

Helpende handen zijn te weinig gewaardeerd.

Hier worden auto’s in brand gestoken.

Hoe brandbaar zijn jullie auto’s

eigenlijk?

 

In dit land

ben ik met open armen ontvangen.

Deze armen moet ik op mijn blote knieën bedanken.

Aanpassing zou hiervoor een vereiste moeten zijn.

Mensen waren lief

en blind.

Waren lief

en blind.

 

Ik wilde nooit bij de brandweer.

 

 

Driehoog

 

Ze is niet zichtbaar.

Ik kan haar niet zien.

Zwarte lappen omschrijven haar

het best.

 

Driehoog achteraan aansluiten

alsjeblieft

 

Ze is zelfs van dichtbij onherkenbaar.

Het is een ondragelijk gezicht

dat ik nooit zal zien.

 

Lijkt ze op mij?

Ik hoop het niet.

 

Dit verhaal verscheen in De Revisor #36: De Columnist. Jozien Wijkhuijs (1989) is journalist, schrijver en radiomaker. Ze publiceerde onder meer op Hard//Hoofd en Notulen van het Onzichtbare, maakte de fictipodcast dat dus. en was hoofdredacteur audio bij Hard//Hoofd. Ze maakt deel uit van makerscollectief Horens.audio. 

 

 

98, 83, 57, 56, 86, 84, 78, 93, 82, terug naar 98. Ik noem zacht de nummers van de knooppunten op om mezelf af te leiden van de pijn in m’n rechterenkel, terwijl ik door de berm langs het fietspad draaf. Bij elke stap voel ik de pees zeuren. Ik had misschien beter niet kunnen gaan trainen. Zoals altijd heb ik een rondje bedacht met een duidelijk begin- en eindpunt. Ik weet langs welke plekken ik zal lopen, hoe ik het op kan delen, zodat het me niet overweldigt.

Er staat een bordje met een 83 in een cirkel met daaronder een pijl naar rechts. Ik neem de bocht iets te scherp en een tak zwiept tegen mijn bovenarm, het besje aan de tak laat een rood vlekje achter op mijn mouw. Ik vloek, maar ren door. Vier seconden diep inademen en in kleine stootjes weer uit, mijn armen recht langs mijn lijf laten gaan, schouders laag houden, niet gaan hijgen. 83, dan 57, dan 56. Over 5 kilometer passeer ik mijn oude school, daar kijken we weer verder. Wie dan leeft, wie dan zorgt. Wie dan leeft, wie dan zorgt. Wie dan leeft…

Bij de start heb ik geprobeerd m’n ogen niet te focussen op het bruggetje. 98. ‘Een fijne, zachte blik, Bas,’ zegt mijn mindfulnesscoach vaak. Ik heb die fijne, zachte blik op de bomen gericht, op de weerspiegeling in het water, op de dobberende meerkoeten. Aan het einde van dit rondje zal ik voor het eerst in 22 jaar echt naar het bruggetje kijken.

 

*

 

Een maand of wat geleden was ik in de ziekenhuiskerk de stoelen in de hoek aan het stapelen, toen er een verpleger naar me toe kwam.

‘Heb jij dienst vandaag?’ vroeg hij.

‘Eigenlijk ben ik net klaar,’ zei ik. ‘Hoezo?’

‘Mevrouw Wieman heeft niet lang meer. En er is nog niemand van de kerk bij haar langs geweest. Haar zoon heeft erover geklaagd.’

De naam deed wel direct een belletje rinkelen, maar ik dacht aan de hoeveelheid stoelen die ik nog moest, aan hoeveel tijd ik nodig zou hebben in de supermarkt, onderweg naar huis. Vaak korter dan ik dacht, misschien tien minuten. Dan kon ik best even langsgaan om te kijken of ze nog iets nodig had. Of ik kon gewoon koken met wat ik nog in huis had. ‘Vraag je ook of ze bij haar overlijden behoefte hebben aan een vernoeming in de eerstvolgende dienst?’ riep de verpleger me na terwijl ik me, mijn jas aantrekkend, de ruimte uit haastte. ‘Ja, sorry! Zal ik doen,’ riep ik terug.

Lift naar de tweede, dan rechts. Vanaf de gang kon ik al horen dat er weinig mensen in haar kamer waren. De sfeer in de ziekenhuisgang was verwachtingsvol, er heerste een stilte waar je met je hele lichaam doorheen moest ploegen. Toen deed ik de deur open.

 

*

 

56, 58. Ik tik het bordje van 57 aan en ga rechtdoor, richting punt 56. Op het pad hebben kinderen pijlen getekend, alle kanten op. Ik volg alleen die voor rechtdoor.

Ooit sprong er hier een kat uit de bosjes, vol in mijn voorwiel. Dat weet ik zeker, dat is gebeurd. Ik stond namelijk tien minuten later op school, in het hokje van de conciërge, met mijn kapotte broek op mijn enkels, mijn hand voor mijn boxershort, terwijl hij Betadine op de schaafwond op mijn knie depte. Er zat een soort patrijspoortje aan een kant van zijn kantoor en ik bad vurig dat niemand daar doorheen zou kijken en mij zou zien staan. Ik had nog geen van mijn klasgenoten gezien, dus ik wist niet wat voor dag het werd. Misschien hadden ze allang iets bedacht voor vandaag, een grap, of een nieuw woord waarvan ik als enige de betekenis niet kende. Wat ik wel wist, is dat het beeld van mij met m’n broek omlaag en de conciërge die mijn knie verzorgde hen materiaal voor weken zou geven.

Ik versnel iets. 56, 86.

 

*

 

Het gezicht aan het ziekenhuisbed herkende ik direct. Zijn ogen keken naar een punt net iets boven mijn linkeroog, net als vroeger. Hij hield de hand van zijn moeder vast en keek me vriendelijk aan. ‘Goedemiddag,’ zei hij.

‘Mark?’

‘Ja? Het spijt me, maar ik weet het even niet meer. Wie bent u?’

‘Ik kom vanuit de kerk. Bas Groenen?’

‘Verdomme! Bas, kerel! Dat is toevallig. Hoe gaat het met je?’

‘Prima hoor, druk. En met jou?’ zei ik.

Ik duwde de woorden door een droge keel naar buiten.

‘Nou ja. Je had me op een beter moment kunnen treffen.’

Ik keek naar het bed. Mevrouw Wieman had haar mond een stukje open en ze kreunde af en toe. Er stond een bekertje water met een rietje vervaarlijk op de rand van haar nachtkastje. Haar hoofd lag op een rond, paars kussentje, waardoor ze een aureool rond haar dunne haar leek te hebben.

In een waas besprak ik wat er besproken moest worden. Geen grote aankondiging, prima. Had ze nog behoefte aan een bezoek van de dominee? Nee, uiteraard, psalm 119 is een klassieker, gingen we doen. Ik noteerde alles in de notitie-app van mijn telefoon. Mevrouw Wieman zei niets, maar Mark praatte honderduit. ‘Zo fijn om dit met een bekende te doen,’ zei hij. ‘Mijn moeder was een oerkracht, weet je wel. Je zou het nu niet meer zeggen. We zullen haar echt missen.’ Ik knikte.

Toen we klaar waren, pakte ik mijn jas en liep naar de deur. Met mijn hand op de deurklink draaide ik me om en nam een diepe teug adem. ‘Het heeft me veel gedaan, al die tijd, Mark. Hoe jij en Dennie–’ Ik wilde meer zeggen, maar de blanco uitdrukking op zijn gezicht maakte het moeilijk. ‘Weet je wel?’ worstelde ik door. ‘Nee?’ zei hij. ‘Wat bedoel je?’

‘Het… Het pesten. In de aula en de atletiekbaan. En die keer op die brug. Ik ben nu bijna veertig en nou ja. Dat soort dingen bleken toch invloed te hebben. Later.’

 

Mark ging iets verzitten, zijn moeders hand nog steeds in de zijne, hij tikte nu met zijn duim op haar vingers. Een voor een, van rechts naar links, en weer terug. Het duurde lang voor hij iets zei.

‘Het spijt me, Bas, maar ik denk niet dat dit is gebeurd.’

Ik zei niets, schoof zachtjes heen en weer met de grote schuifdeur van de kamer en dacht even helemaal nergens aan.
‘Nee,’ zei Mark ineens resoluut. ‘Nee. Ik denk dat je misschien in de war bent. Volgens mij werd er in onze klas niemand gepest. En ik was er sowieso niet bij. Het is ook zo lang geleden, wie weet nog wat er is gebeurd?’

Hij pakte het bekertje en draaide rondjes met het rietje. Daarna stak hij het tussen de lippen van zijn moeder.

 

*

 

De school ligt er nauwelijks veranderd bij. Het logo is wat opgefrist, heeft meer kleur gekregen, en is hoger aan de muur bevestigd. Het hek ziet er steviger uit dan vroeger en er is iets veranderd aan het schoolplein, al zie ik niet precies wat. De sportvelden liggen er nog steeds achter, over de atletiekbaan rennen kinderen, in dezelfde blauwe sportshirtjes. Ik zou zo mijn weg nog vinden. Naar het geschiedenislokaal, naar de mediatheek, de patio, het hok van de schoolkrant. Ik denk aan de uren in dat donkere hol, waar we met typemachine, zwarte stiften, schaar en een kopieermachine iedere maand een blaadje in elkaar zetten. Ik kwam er graag, het was er overzichtelijk. ‘Rond maken,’ zei meneer Piecken, leraar wiskunde en de hoofdredacteur van de schoolkrant, altijd als ik een nieuwe column af had. ‘Maak je tekst rond voor je hem inlevert.’

86, 84, 78, 93. Ik wilde toen journalist worden, of schrijver, of misschien toch archeoloog. Meneer Piecken zei dat ik het van mijn pen moest hebben, ook al lazen Mark en Dennie alles wat ik schreef spottend voor in de lunchpauze, ze klommen er speciaal voor op de radiatoren in de aula. Andere leraren zeiden dat onderzoeker ook een goede optie was en mijn psycholoog, die heb ik nog maar twee jaar, denkt dat dat nog steeds een optie is. Ik denk het niet. 84, 78, 93, 82, terug naar 98. 

     Dagen, maanden, jarenlang heb ik op dat bruggetje gestaan, voor mijn gevoel. Dennies schoenveters striemend in mijn arm. Dat is gebeurd. Ik weet zeker dat het is gebeurd.

78, 93. Ooit dacht ik ook dat ik me kon herinneren waar de bloembakken in mijn moeders tuin hingen, wist ik zeker dat ik van mijn driewieler was gevallen omdat ik erop was gaan staan en probeerde een bloem te plukken. Dat bleek ook niet waar te zijn geweest, het kon niet, die bloembakken waren er niet tegelijk met de driewieler.

93, 98. Het laatste stuk sleur ik mijn vermoeide lijf naar voren, ondanks de pijn harder dan ik tot nu toe heb gelopen. De laatste drie stappen spring ik en met een klap laat ik mijn handen op het witte hout van de brugleuning neerkomen. Ik leg mijn voorhoofd ertussen. Het hout is koud, dat was het toen ook, ik weet het zeker, ik weet het toch zeker? Als mijn adem iets rustiger wordt, staar ik zo hard als ik kan naar de planken waar de brug uit bestaat, de leuning, de berm van de sloot eronder. Ik zoek naar sporen van Dennies veters. Ik zie alleen mijn zweterige handafdrukken.