Mogen we u voorstellen aan de fonkelnagelnieuwe redactie van De Revisor: v.l.n.r. Lotte Lentes, Simone Atangana Bekono, Stefanie Liebreks, Yentl van Stokkum en Joost Oomen. In december verschijnt het eerste nummer onder redactie van dit dreamteam, met het veelzeggende thema ‘Bloot zijn en beginnen’. Abonneer je vast en ontvang het meteen bij verschijnen op de deurmat.

Nieuw proza op donderdag! Marthe van Bronkhorst (1993) is schrijver, theatermaker en psycholoog en studeerde aan de VU Amsterdam en Harvard Medical School. Slaap, dromen, trauma en het onderbewustzijn zijn de thema’s in haar beide beroepen. Bij uitgeverij De Geus schrijft ze aan een debuutroman over duikers, geesten en de diepte van het onderbewustzijn. In ‘Iris’ schrijft ze over een tattoo-artist, ogen laseren en de troebele scheiding tussen goed en kwaad.

 

NACHT

Alsof de zon opkomt. Als ik mijn ogen eenmaal gelaserd had, zou ik wakker worden uit een soort slaap, beloofde de laserman. Bij elk woord vuurden pepermuntwolken op me af. Hij had met zijn lampje mijn voorhoofd beschenen en heel even dacht ik dat hij middenin een kruis tekende.

Nu is het zwart. Niet dat ik helemaal blind ben. Hier en daar is een speldenknopje wit, in mijn ooghoeken. Een stad in een stroomstoring.

Het portier van de taxi slaat dicht. Ik houd mijn hand omhoog en kijk of ik de tatoeage op de rug al kan zien. Vooralsnog zie ik een zwart heelal met grijze contouren, die nog niet op sterrenbeelden lijken. Geen kleur.

Ik kreeg een e-mail van Dex. Dex is overal tegenwoordig: het Stedelijk, de Biënnale, het Moco. Hij wist wel dat ik nu tattooartiest was, maar vroeg of ik toch niet nog één keer wilde schilderen, de achterkant van een azc. Natuurlijk was ik vereerd. Honderd vierkante meter, geen raam, geen thema, geen eisen, all out. Maar ik moest weigeren: om 3D-graffiti te maken van zo’n grootte moet je ver kunnen zien, en ik zag met mijn linkeroog een waas en kreeg hoofdpijn van rechts. Wat ik wel zag onderweg: een bushokje met een aanbieding van de Bergman Clinics. Oog Laseren? -50%! EEN WERELD VAN VERSCHIL.

 

SCHEMER

Mijn rechterhand begint zich beige af te tekenen tegen de rest van de wereld: er is nog geen sprake van individuele vingers, wel een soort zwemvliezen. Ik ruik de stad, warme broodjes, motoren, hoor het uitklappen van een parasol. Ik klop op de deur alsof ik iemand fouilleer. Ergens blaft een hond. ‘Nee, jochie, ik ben hier baasje,’ hoor ik mezelf zeggen, ‘Geen inbreker.’ Na zo’n twintig minuten vind ik het sleutelgat van de deur, na nog eens tien minuten klikt het slot. Het rolluik van mijn raam gromt waarschuwend. Binnen ruikt het nog hetzelfde, naar steriele doekjes en muffe kapstok. Mijn klok tikt nog. De kraan van mijn werkbank drupt nog. Het komt goed, ik ben een polaroidfoto, ik moet alleen even opdrogen.

Om de tijd te doden start ik mijn tattoomachine. Ik wil zeker zijn dat de knoppen goed staan. Met mijn telefoon maak ik er een foto van, ik probeer in te zoomen, schuif de helderheid van mijn scherm helemaal naar rechts. Ik denk in oplossingen. De knoppen staan goed, 80% zeker.

De naald. Ik moet de nieuwe naald er nog indoen.

‘Afspraak?’ zeg ik als de bel rinkelt.

‘Nee.’ Het is Dex.

Dex sloft, waarschijnlijk op sokken in sandalen. Zo is hij. Hij brengt een straffe koffielucht met zich mee. Hij zet zo te horen een bekertje op mijn werkbank, al zeg ik hem altijd dat die steriel moet blijven. Wat die man aan koffie uitgeeft, toen we op de Academie zaten al. Hij had er in Londen of Berlijn een residentie van kunnen doen.

De naald, denk ik dan weer.

‘Blijf even zitten.’ zeg ik terwijl ik opsta. Dex gaapt.

‘Sure, man. Denk je dat je hem in een uurtje kunt zetten? Ik moet nog over geld bellen.’

Ik weet niet helemaal wat er gebeurt, maar ik haak achter een stuk snoer en verlies mijn evenwicht.

‘Gaat ie?’ klinkt Dex, vanuit de stoel.

‘Ja, het is soms…’ ik probeer overeind te komen, ‘een beetje kracht zetten met die machine.’

Ik trek het snoer naar me toe zoals ik vroeger Bakra en Bodhi aanlijnde. Ik vind de knop van de la, schuif hem open en tast heel voorzichtig. Tussen duim en wijsvinger til ik hem op. De naald.

Dex gromt.

‘Had ik dat verteld? Moco heeft nog niet eens uitbetaald. Terwijl hoeheetie van de krant al een recensie heeft geschreven. Deeply conceptual noemde-ie het, ik weet niet echt wat het betekent, anyway.’

‘Hm. Dex, even stilzitten nu.’ Naald tussen duim en wijsvinger, de loop van de tattoomachine in mijn andere hand, snoer over mijn arm, het tepeltje klemvast zetten. Als Dex maar niet veel gaat praten.

‘Jade en ik zijn ik zijn uit elkaar,’ zegt hij dan.

 

DAGERAAD

Van mijn hand kan ik nu een non-oppositioneerbare duim zien en een vleeskleurige waas van vier vingers. Ik zie wel vormen en kleuren, maar bijna alles is rond en afgekalfd. Details kosten tijd, dat hoort.

Dex zit rechtop in de stoel met ontbloot bovenlijf. Ik zit achter hem, alsof we aapjes zijn en ik hem ga vlooien.

‘Waarom Eros?’ vraag ik.

‘Eros én Psyche,’ verbetert hij. Dex had kunstgeschiedenis I en II op de Academie. ‘Ten eerste, dat het een Cupido is, geen namaakengel. Ik heb niks met christelijke engelen. Cupido was de oorspronkelijke stuff. Canova als beeldhouwer, die snapt dat. En de mythe. Die heeft een soort piercende zeggingskracht. Right?’

Ik hum en geef gas. De machine komt ronkend in beweging, warmt op.

‘Eros kust haar wakker omdat hij haar voor altijd wil hebben,’ Dex verheft zijn stem om over het lawaai heen te komen. ‘Maar zij wil hem niet. Dus deze tattoo gaat over, I don’t know man, onsterfelijkheid.’

‘A-huh.’

Onsterfelijkheid, hij strooit met het woord alsof het suiker in z’n latte is. Ik voel dat de naald uit mijn hand wil ontsnappen, iets woests wil doen, een streep door Dex’ rug wil zetten. Maar ik houd hem stil. Wat weet Dex over onsterfelijkheid? Genghis Khan is onsterfelijk. Een half procent van de mannen draagt in zijn lijf een stukje Genghis Kahn. Mijn stukje is zijn hoofd, op de rug van mijn hand. Mijn eerste tattoo.

‘Genghis Khan.’ zeg ik. Genghis Kahn begint zich af te tekenen op mijn hand. Hij kijkt me fronsloos aan, medelijdend zelfs.

Dex hoort me niet. ‘Weet je dat dit het allereerste 3D-beeld is? Eros en Psyche. Je kunt het van geen enkele kant perfect zien. Je moet eromheen lopen. Daarom heb ik jou gevraagd.’

‘Omdat?’

‘Jij hebt een bepaalde… jouw pieces zijn altijd zo gelaagd, met een soort rand, een… ah, je weet wel. Die drie dimensies, jij hebt ze.’

Wat ik heb is een onnatuurlijk gekleurde vleesklomp waar mijn hand moet zitten.

De omtrek van Dex’ tattoo staat er. Hij heeft slagschaduw. Hoe kan het dat hij slagschaduw heeft? Ik ben nog niet met schaduw begonnen.

 

NACHT (2)

Als ontwaken, zo zou het voelen. Maar ontwaken waarin? In deze wakkere wereld is alles plat, er zijn maar drie dimensies en dat is het. Mijn dieptezicht is.. anders. Dex draait zich naar me toe.

‘Koffie.’ Hij kijkt me aan met felbruine irissen. Bruin hoort helemaal niet fel te zijn. Zijn nonchalante uitstraling komt vooral door zijn oogleden, zie ik nu, die een klein beetje hangen. Ik zie dertig individuele wimpers. Ik zie het gele knopje in zijn oor, de barst erin (sinds wanneer heeft hij dat knopje?). Ik zie plotseling zeven sproeten op zijn neus, elke plooi in dat postbodepetje dat hij draagt om zijn kalende kop te bedekken. Ik zie dat hij echt kalend is en ik zie mezelf. Mezelf, weerspiegeld in zijn neusring en ik kijk fucking eng uit mijn ogen.

Schaduw en de halfschaduw aan de zijkant van een neus zie ik niet meer. De mist rond iemands ogen, het aura rond het haar, waar je niet helemaal weet waar haar ophoudt en lucht begint – ik ben het allemaal kwijt. Ik mis mijn waas, ik mis de druppels op de lens, ik mis normale kleuren, niet deze migraine-scherpe-, prozac-, einde-van-het-schoolfeest-tl- boeventroniekleuren. Waar is het? Waar is mijn wereld?

‘Ik ben benieuwd man.’ zegt Dex.

Ik kijk naar de engel op zijn schouder. De cupidovleugels zitten veel te laag. Ze komen nu uit de zij, niet uit de schouder. Het is niet op te lossen, behalve ze opnieuw zetten, groter, eromheen, een kartelrand. Maar dat is niet genoeg. Het lijf kronkelt vreemd, ik moet een staart toevoegen. Het is onvermijdelijk dat hij hoorntjes krijgt. Ik zie alles haarscherp nu.

 

 

Manon Uphoff: de oud-redacteur leest het nieuwste boek van de schrijfster aan wie De Revisor 33 gewijd is, een rijk essay over leven en dood nu de winter komt.

*

Nog even, en dan houd ik erover op hoor, maar vorige week sprak ik iemand over toekomstige Boekenweekgeschenkschrijvers. Manon Uphoff moest het Boekenweekgeschenk schrijven, vond ik. Ja, maar wie zet je daar dan naast? Mijn hoofd produceerde meteen een rijtje frisse niche-auteurs, mensen die voor De Groene Amsterdammer en literaire tijdschriften schrijven. Niña Weijers? Nina Polak? Oh nee, een man. Jan Postma? Joost de Vries? Thomas Heerma van Voss?
Dat dacht ik, en ik zei: ja, wie dan? Zo’n Boekenweek is toch voor een groot publiek. Ik loop de Bestseller60 door, en denk: zou Suzanne Vermeer een goed essay in de pen hebben? Goede kans dat dit pseudoniem weer van een man is, maar ja, dan moeten ze dat onthullen. Peter Römer? Baantjer en het raadsel van de onleesbaarheid? Zouden we dan niet liever wachten tot Mathijs ‘de Hollander’ Deen, essayist en thrillerschijver, het thrillerpubliek helemaal aan zich heeft weten te binden? Rutger Bregman om iets politiek incorrects vragen? Yuval Noah Harari?

(Best verfrissend eens aan mannelijke schrijvers te mogen denken. Het is dat ze nog leven, anders kun je er zo een canon omheen bouwen.)

Terwijl ik een karikatuur aan het maken was van het Grote Publiek en die arme CPNB – bewijst maar weer dat ze voor 2023 een geweldige keuze hebben gemaakt – las ik over het nieuwe deel in de maandenreeks van Das Mag. Bij Das Mag proberen ze het gewoon, in de hoop dat het Grote Publiek alsnog komt. September was voor Annelies Verbeke (die mag ook wel een Boekenweekgeschenk schrijven!), nu, jawel: Manon Uphoff.

Ze is heerlijk vrij gelaten, en dat leidt tot een organisch essay, dat begint bij oktober, maar vooral onze verhouding met de dood en seksualiteit onderzoekt. ‘Maand van de kalme stille buiging en draaiing naar de winter en van het onrustig wachten van de dieren,’ noemt ze oktober. ‘Als november de slachtmaand is, moet oktober wel de maand van de vrees van de dieren zijn, de periode dat ze slecht slapen, bezocht worden door boze dromen. De maand waarin ze soms beschermd worden. Door vrouwen en kinderen worden verstopt, verborgen, een enkele keer vrijgelaten.’

Vragen over mythes, meisjes, een getoonde vulva en rouw

Ze bezoekt de stierengevechten.

‘Wat de stieren zien als ze vallen. Nu is de zon een haren zak, terwijl de wereld draait en kantelt en over de kop slaat, zodat er een nieuwe, andere horizon verschijnt die gevuld is met vlokken van sneeuw.
Wat ze werden toen ze vielen: tornado’s, in zakken van leer.
Waarom zijn de dieren angstig in oktober? Teruggedrongen en samengebald op een vlot in een woeste kolkende zee, die ene dag per jaar dat we onszelf willen herinneren aan hun aanwezigheid. Waarom keren ze zich niet tegen ons?’

Het schuivende perspectief, de weersomstandigheden binnen en rondom prachtige levende wezens die doodgemaakt worden. En de vragen. Het zijn maar de eerste van vele vragen. ‘Waarom raakt van de vele mythes die ik ken juist de mythe van Demeter en Persephone me zo sterk?’ Bij verdwenen meisjes: ‘Besta je eigenlijk wel als je niet of alleen op een bepaalde manier wordt waargenomen? Kun je dan wel gemist worden?’ Au. ‘Mag er ook gelachen worden op weg naar de onderwereld?’ Eh… ‘De lach (opborrelend als overvloed) uit de buik, ja, de buik, met de warmte ervan, het “vlees”, is dat per se een aspect van het vrouwelijke, van het moederlijke?’ Ik hoop het niet. ‘Wie zijn we nog als de mensen die ons het beste kennen ons zijn afgenomen?’

Bosschiaanse beelden

Het zijn vragen die Uphoff passen, die, ze schrijft het hier zelf, in Vallen is als vliegen ook een afdaling in de onderwereld beschreef, die het vrouwelijke viert, die niet alleen het duister wil zien. ‘Het verhaal van de moeder wier dochter wordt geroofd en die alles op alles zet om haar terug te vinden, en haar uiteindelijk ook terugvindt, is onder de mythes ook een van de meest hoopgevende. Het is verweven met de wentelingen in de natuur van sterfte en wedergeboorte,’ schrijft ze in antwoord op die tweede vraag.

Want Persephone keert terug, er volgt een lente en een zomer! Uphoff beschrijft de geheimzinnige oogstfeesten die op de mythe voortborduren, en ze stelt zich voor wat er in de vlammen van de verwante Eleusische mysteriën te zien was. Ze excelleert in één vier pagina’s lange zin met Bosschiaanse beelden, die zo begint:

wat te zien is in de vlammen:

daar is een vrouw die rauw vlees eet, daar is een vrouw die vis kookt, daar is een vrouw die huilt, daar is een vrouw die zichzelf bevredigt met een smeulende kaars, daar is een vrouw die een brief schrijft, daar is een vrouw die haar borsten afsnijdt, daar is een vrouw die haar borsten op een schaal legt, daar is een vrouw die zichzelf dwars door de spiegel heen aanvalt, daar is een vrouw die vol afgrijzen probeert in te grijpen, daar is een kind dat klaaglijk huilt om de aangevallen vrouw, daar is een kind dat tegen een hond fluistert, daar is een kind dat zich door deze hond laat zogen, daar is een kind dat vervolgens de hond zoogt, daar is een kind dat een nestje pups begraaft, daar is een kind dat op een steen de wacht houdt, daar is een kind dat een deksel op een kist houdt, daar is een kind dat palingen rookt op een kerkhof, daar is een geur die al van ver is waar te nemen. daar is een naakte man die rent, daar is een naakte man die over gloeiend zand rent, godsgodskolere wat heet, daar is een naakte man die onder naaldbomen door rent, daar is een naakte man die een boek leest onder een cipres, daar is een man die met een stok runentekens in het zand schrijft, daar is een jongen die raadsels oplost, die raadsels bedenkt, daar is een jongen die van een hele hoge metalen brug af springt en in het water glijdt, daar is een jongen die een onderwaterkamer vindt, daar is een meisje in de kamer dat deze kamer tekent, daar is een vrouw in de kamer die deze kamer tekent, en de kamer ontstaat terwijl ze beiden tekenen; de muren worden hoger, dunner, ijler, klimmen en buigen tot torens… […]’

Bezwerend, bizar, beangstigend, geestig, maar vooral heel spannend. Op deze momenten laat Uphoff de lyriek in zichzelf los, en ze doet het vaker in Oktober, droevig, bezeten, geestig, alsof de dichteres in haar de essayvorm nog verder oprekken wil.

Het leven met de dood in het verschiet

En hoe ze het doet, begrijp ik niet helemaal, maar zonder haperen, zonder me als lezer kwijt te raken, weet ze het fenomeen Anasyrma in de Demetermythe te duiden — de oude buikgodin Baubo toont Demeter haar vulva om haar even te laten lachen — en in retrospect een exhibitionistische scène in Gemis te verklaren. Met grote stappen komt ze dan in een nog te voltooien roman, waarin ze een vader opvoert, die ze vergelijkt met de vader in Renée van Marissings Onze kinderen, om te besluiten met een analyse van Sonali Deraniyagala’s Vloedgolf, en te eindigen met een korte bespiegeling over ‘oktober, oktober, maand van de neergang van de zomer, de geleidelijke afdaling, het begin van het verlies, het sterven’.

Oktober voelt op momenten wat lukraak, maar dan krijgt Uphoff je weer bij de les met een sterke zin of observatie, en denk je: niet rommelig, rijk!
Want Uphoff viert het leven met de dood in het verschiet, in de wetenschap dat er iets terugkerends is in rouw, dat rouw ook een samenleven is met de doden. En hoewel Oktober ontegenzeggelijk een essay is, vrij en ongeremd en bespiegelend, toont ze zich dichteres en lezer, verbeeldt ze zich ontvoerde en achterblijver, schrijver van fictie en steller van vragen.

Nog even

En dan houd ik erover op, ondanks de ongemakkelijke hiaten in deze reeks — Familie (red. Uphoff), De vanger, De bastaard, Bekentenissen, De blauwe muze — maar gelukkig heeft Marc van Oostendorp wél het hele oeuvre besproken. Ga naar Neerlandistiek.nl, mensen. Dinsdag 11 oktober wordt het Manon Uphoff-nummer van De Revisor gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel aan het Amsterdamse Spui (je kunt er bij zijn, stuur Yentl een mailtje), en dan is het laatste nummer waaraan ik heb meegewerkt definitief de wereld in. Ik maak plaats voor nieuwe redacteurs, en of deze wekelijkse leesimpressies terugkeren, is maar de vraag. Ik ga andere plekken zoeken voor mijn stukken, en zelf schrijven. Maar doe als ik, en word nog even abonnee, want het is mooi maar het wordt mooier.

Das Mag gaf Oktober uit.

Manon Uphoff, Herman Franke: de redacteur leest bij De Revisor 33 een fris en scherp brievenboek en een aanstekelijk, analytisch essayboek over het lichaam en ziekte.

*

Ziekte en de dood geven elk verhaal reliëf, of misschien kleuren ze vooral het vertelde, overschaduwen ze het. In de correspondentie tussen Manon Uphoff en Herman Franke (1948-2010) zorgt de dreiging in ieder geval voor frisheid en scherpte. Uphoff schrijft lange, essayistische brieven, Franke stuurt korte levensberichten terug. Zij reflecteert op haar positie aan de zijlijn, als machteloze vriendin die niet veel meer kan bijdragen dan brieven schrijven. Hij benoemt koorts, infectie, pijn, de wens te schrijven maar de onmacht dat te doen. Uit een van de lange brieven van Uphoff, 22 december 2009:

‘Dan is het of er twee eigengereide en even ware werkelijkheden een gevecht leveren, en als je leeft en gezond bent wil je liever niet weten dat die andere werkelijkheid er is, ben ik bang voor de dood, vraag ik me af, en het antwoord is dat ik minder bang ben voor mijn eigen dood dan voor die van anderen, dat ik minder bang ben voor mijn eigen wanhoop dan voor die van anderen, dat de machteloosheid en de kloof die ieder mens van een ander scheidt zich nergens dieper en gapender voordoet dan die tussen de mens die weet dat hij zal gaan sterven en de mens die denkt dat er nog genoeg tijd is om die wetenschap te verdoezelen, kortom, Herman, jij staat al in Isfahaan en ik denk er nog naartoe te kunnen vluchten.’

Isfahaan! Uphoff benoemt later Herman Frankes eigen onderzoek naar het gedicht van P.N. van Eyck (na te lezen in Trouw), maar het beeld van de bizarre afstand tussen aankondiging en afrekening uit diens ‘De tuinman en de Dood’ geeft een extra dimensie aan Uphoffs uitstekend verwoorde innerlijke strijd. De lange denkende zin die eraan voorafgaat geeft de indruk af te dwalen, maar juist dat, het weinig daadkrachtige bijstaan, is het pijnpunt.

Het archief, de schrijver en de lezer

De brieven zijn niet zelden behulpzaam bij het lezen van Uphoffs oeuvre. Zo benoemt ze het familiearchief, de fysieke inhoud en de herinneringen. En ja:

‘Het zijn persoonlijke dingen, details, Herman en ik heb ze al vaak genoemd, erover verteld, ik weet niet waarom ik ze herhaal. Ieder gezin, iedere familie, ieder leven beschikt over zo’ archief en met alles wat we al bewaren kunnen is het archief van het kleine bestaan misschien wel nutteloos, als het niet verwijst naar iets hogers, omvattenders, al het persoonlijke leed, de kleine, smeulende of laaiende liefdes, geld, omstandigheden… en toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het belangrijk is, voor iets anders, ik weet niet waarvoor.’

De vraag heeft een retorisch karakter, intuïtief zeg je: ja, zo is het, het heeft nut, het verruimt je blik op het kleine, kortstondige dat je telkens doet vergeten dat je leeft, dat dit moment onderdeel is van iets groters. En het ís van belang omdát je die vraag stelt. Bovenal: het archief is essentieel voor het schrijverschap als dat van Uphoff.

Ze leest en doet verslag, zoals ze dat in de aantekeningen in De Revisor 33 doet, daar over Babel, hier over Ruskin. Ze schrijft over de onmin tussen haar en haar man die De spelers opwekte — het staat ook prominent in de opening van Vallen is als vliegen —, de plekken waar ze verblijft, vakanties, het weer.

De schaduw en de stilte

Maar ziekte en dood zijn overal. Uphoff beschrijft de patiënt Franke: ‘Het is bizar en vervreemdend om je te zien, met een morfinekastje, met een lichaam dat zich als een schaduw van je af beweegt en toch aan jou verbonden is, een schaduw die steeds langer wordt. Ik vrees het meest de stilte, straks, maar die stilte is er al meer en meer, tegelijk ben ik vertrouwd met die stilte en vrees ik haar minder dan vroeger, we drukken ons uit in onszelf […].’ Die schaduw! De stilte!

Na het doodsbericht van Tonio van der Heijden citeert ze een flinke passage uit Herman Frankes roman Zoek op Liefde over het verschil tussen anonieme en intieme doden. ‘Bij anonieme doden word je gedwongen te beseffen dat iedereen doodgaat, bij intieme doden word je gedwongen te aanvaarden dat zoveel anderen nog leven.’ Ze citeert meer, en Frankes woorden zijn zeer citeerbaar, in die mate dat ik Traag licht, zijn laatste, zeg maar gerust terminale roman, erbij heb gepakt.

Het vertrouwde gevaar

Maar in deze reeks leesimpressies, mijn deze-wekelijkse zwanenzang, concentreer ik me vooral op Manon Uphoff, en in de aanloop naar de presentatie van het nummer bij Athenaeum Boekhandel, 11 oktober (kom je ook?), zocht ik maar eerst het boek op dat zij schreef tijdens de correspondentie. Werktitel ‘Goede dokters en goede patiënten’, nog steeds geniaal, uiteindelijk benut voor een hoofdstuk over de ‘eeuwenoude verbintenis tussen mens, lichaam en ziekte. Een verbond, zo sterk, dat haar geschiedenis wel lijkt op die van een verstikkende liefde’. Om uit te komen bij de dreiging van de tijgermug in Umbrië, en deze vermaning: ‘Voor iedereen in het Westen die droomt en mijmert over het buitenleven kan het geen kwaad er nog eens aan herinnerd te worden hoeveel gevaren dit buitenleven op kan leveren voor de gezondheid. Het gevaar is overal!’

Prachtig uitgevoerd, met Chinese prenten over het lichaam en gezondheidszorg, op glad papier gaat Het moet eten, ademhalen, slapen. Het menselijk lichaam volgens Manon Uphoff over aspecten van het lichamelijke. Ze gaat van bijna wetenschappelijke inleidingen (hoe werkt het oog) en uiteenzettingen over de Chinese gezondheidszorg naar haar eigen slechtziendheid (zoals ook in Hij zegt dat ik niet dansen kan beschreven is), ‘Als kind vond ik het al een bizar gegeven dat een kleine afwijking in de kromming en spanning van dit spiertje verantwoordelijk was voor mijn dioptrie van -13, en voor een voorgoed vagere en diffusere wereld’ naar een onderzoek van cyclopen in mythe, beeldende kunst en werkelijkheid.

Zoals Toef Jaeger in haar bijdrage aan De Revisor 33 benoemt, is ziekte voor Uphoff iets vertrouwds. In haar essay ‘De poëzie van de kleine kwaal’ onderzocht ze al hoe familie-eigen het gesprek over ziekte voor haar is. In haar lezing voor een VUMC-symposium over Literatuur en Geneeskunde schreef ze over hoe de machtsverhoudingen tussen kankerpatiënt en de kanker verschuiven, aan de hand van Frankes ziektesgeschiedenis en het verhaal van haar nichtje. Tussen het ene, wat aangenaam kabbelende, en het andere, veel scherpere stuk (‘Kanker komt misschien wel het dichtst bij de abstractie van leven en maakt ons bewust van de extremiteiten ervan.’) hangen Uphoffs stukken over ziekte in Het moet eten.

Jekyll, Hyde, clair-obscur

Die zijn analytischer. Uphoff herneemt Nabokovs analyse van Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde: ze zijn twee mengsels van goed en kwaad, niet zuiver goed en kwaad, en Hyde heeft altijd een residu Jekyll in zich, en zo zijn wij ook niet puur gezond of ziek, en ik moet denken aan wat Virginia Woolf schreef: ‘Ziekte is niets bijzonders’’, of Lieke Marsmans ‘kanker is iets alledaags’. En dan gaat ze verder over al dan niet schadelijke genmutaties waar we allemaal mee rondlopen, en een andere Jekyll-Hyde-variatie, waarin de zieke door zijn klachten, zijn onwil verzorgd te worden of juist zijn besmettelijkheid (waarom ik hier de zieke uitsluitend mannelijk maak, ik weet het niet) een monsterlijk karakter krijgt.

Dat zijn gevolgtrekkingen die het reliëf van ziekte en dood kenschetsen als iets van het leven, iets vanzelfsprekends. Dat wil zeggen, de patiënt kan ermee leven, de schrijver brengt de ziektes en de beelden samen. De schrijver verrast (niet Uphoff, maar Franke schreef de 1001-nachten-variatie ‘als je me maar blijft schrijven’ op, tevergeefs). De schrijver toont hoe het clair-obscur nooit grijs kan worden. Nooit grijs mag worden.

Uitgeverij Podium gaf Als je me maar blijft schrijven. Een vriendschap in brieven uit. Uitgeverij Contact gaf Het moet eten, ademhalen, slapen. Het menselijk lichaam volgens Manon Uphoff uit. Het is in beperke mate nog tweedehands beschikbaar.

Nieuw proza! Of is het poëzie? Sanne Kabalt (Amsterdam, 1989) werkt met fotografie en tekst. Ze is altijd nieuwsgierig naar wat je kunt zien, wat je kunt zeggen, en wat helemaal niet. Sannes teksten bewegen zich ergens tussen poëzie en proza en werden onder andere gepubliceerd door De Gids, Op Ruwe Planken, Liter, papieren helden en Kunstenfestival Watou. Haar beeldende werk wordt regelmatig geëxposeerd en ze maakte twee kunstboeken: Zolang je niet zo over problemen praat zie je er toch niks van (2018) en The Cough (2022). In ‘Sneeuw in zee’ neemt ze de lezer mee op een tocht door bergen en strand vol raadselachtige beelden, en overal glinstert sneeuw.

 

1.

‘Heb je eerder zulke vissen gezien?’ vraagt een klein meisje met diepbruine ogen me in het voorbijgaan. Ik zit te dromen en kijk haar aan, maar vergeet antwoord te geven. Ze is verdwenen voor ik op mijn benen sta.

Dwars door het heldere water van de rivier zie ik reusachtige vormen bewegen. Snoeken, krokodillen? Een schim breekt door het wateroppervlak en onthult zich. Van alle categorieën in mijn hoofd past het alleen in het hokje: draak. Het lijf lijkt van steen, maar steen beweegt niet. Vele vinnen volgen een lange ruggengraat tot in een zwierige staart. De harde huid loopt van vurig oranje naar mosgroen.

Langer kan ik er niet naar kijken. Dit is ouder en dieper dan ik, en draagt geheimen die niet voor mijn ogen bedoeld zijn.

2.

Ik adem berglucht in en uit. Wilde tijm, eeuwige sneeuw. De wind waait anders hier, alsof de toppen hem duwen en trekken.

Ik trek mijn shirt uit en knoop het aan een dood boompje aan de rand van een steile bergwand. Het wappert als een vlag, in een net iets dieper blauw dan de lucht. De kleuren zijn familie.

Zonder te kijken stap ik dichterbij. Ik weet niet wat ik wil. Meewaaien. Wapperen.

Ik val. Langs de bergwand, naar beneden.

Het moment van vallen lijkt geen einde te kennen. Er is tijd voor verwondering. Ik kan de luchtstromen voelen en zelfs mijn val sturen. De wind werkt. Rustig, als een vogel bijna, land ik op de grond.

Een klein hoekje van mijn diepblauwe shirt zwaait naar me van ver boven op de berg, als uit een andere werkelijkheid.

3.

Ik ben gevallen tot onder de boomgrens. Er hangt hier een donker dat zowel uit de lucht als uit de grond kan komen. Samen met de schemer valt een zware vermoeidheid. Ik zoek op de tast een zacht plekje voor rust.

Mijn handen vinden iets groots dat meegeeft als ik mijn rug ertegen nestel. Zonder angst dommel ik in, mijmer even en zak weer terug.

Pas na lange tijd kijk ik om en zie ik het. Ik sliep tegen een beer en een wolf. Mijn benen opgevouwen tegen een berenbuik, mijn hoofd leunend op een wolvenrug. Ze doen niets, ze liggen daar maar. Tegen elkaar vormden we een soezend drietal van soorten. Hun vachten boden me warmte, hun lijven steun.

Het is anders nu. Ik denk aan tanden, aan klauwen.

4.

Deze dag loop ik stevig door. Ik heb een smal pad gevonden dat van mens of dier zou kunnen zijn. Het maakt niet uit. Het brengt me verder. Zelfs in het donker kan ik mijn benen er niet toe brengen te stoppen.

Een oude vrouw komt recht op me af. Zij volgt geen pad. Ze lijkt het niet nodig te hebben.

Haar gezicht is doorgroefd, haar haren grijs en haar lichaam vol knokkels. Eigenlijk zijn het alleen haar helgroene ogen die ik echt zie; omdat ze mij zien.

Haar ogen komen te dichtbij. Knipperen doen ze niet. Ze pakt me bij mijn schouders, trekt me dichter naar haar toe, kijkt en kijkt. Ik, daarentegen, doe mijn uiterste best om niets te zien.

5.

Op mijn hoofd draag ik een kraai. Het doet zeer, scherpe klauwen in mijn schedel, maar ik weet dat het een kwestie is van oefenen.

Hoe door te gaan met wat je wil, maar dan samen. Hoe de dunne streepjes bloed langs mijn gezicht te laten voor wat ze zijn.

We moeten dit leren, de kraai en ik. We gaan samen verder.

6.

Ik stap op een strand vol sneeuw. Het wit glinstert en ik koester al het onaangeroerde.

Mijn moeder veegt traag, met een oude bezem, de sneeuw in zee. Ik loop langs haar, het ijskoude water in. Daar wacht een witte zeeleeuw.

Ik praat even met haar. Met de zeeleeuw, niet met mijn moeder.

7.

Het zit in me. Ik kan zwemmen als een zeeleeuw. Draaien, duiken. Zweven onder water. Een stevige beweging met mijn vinnen en ik zoef meters vooruit in het diepe turquoise.

Vliegen is niets. Dit is het enige wat ik eeuwig wil: Zwemmen als een zeeleeuw.

Is er in het derde jaar na verschijning van Vallen is als vliegen nog iets nieuws te zeggen over de roman? Rosemarie Buikema deed dat, in De GidsMarc van Oostendorp natuurlijk op Neerlandistiek.nl, Marja Pruis in haar recente essaybundel… We hernemen Daan Stoffelsens stuk uit 2019, met enkele inleidende woorden.

*

‘Een van de gekste dingen die op mijn vakgebied in een recent verleden plaatsvond – en nu extrapoleer ik dus even van mijn onmiddellijke zelf, dat komt straks toch wel weer bovendrijven – is dat niet Manon Uphoff een grote literaire prijs kreeg voor haar roman Vallen is als vliegen, maar Sander Kollaard, voor Uit het leven van een hond. Ik vond het in eerste instantie onbegrijpelijk, en aan die onthutsing wil ik niks afdoen door te zeggen dat toen ik Kollaard las ik het ook wel weer begreep. Het zijn geen halszaken, maar, nog maar een keer, this is what I do. Had Kollaard de prijs niet gewonnen, dan had ik hem niet gelezen,’ schrijft Marja Pruis in Boos meisje.

Ze geeft Uphoffs meesterwerk alle credits, als een ‘roman […] die eens in de honderd jaar het licht ziet. Uphoff plaatste zin na zin in het gelid, tot haar tekst tikte als een tijdbom. Een eeuwenoud thema, een net zo oud taboe, verpakte ze in een vorm die helemaal eigen, nieuw en licht is, maar ook geladen en symbolisch voortborduurt op bekende mythes, sprookjes, literatuur.’ En erkent dan even later dat Kollaards roman net zo goed zeer de moeite waard is.

De kwaliteit van het ene boek hoeft die van het andere niet uit te sluiten, maar de uniciteit van Vallen is als vliegen is keer op keer benadrukt, door de plaatsing van de roman in een lijst van de beste van de 21ste eeuw, door de bekroning met de BookSpot Scholierenprijs, de Charlotte Köhler Prijs en de Tzumprijs. En ja, woedend kun je erom worden, zoals Pruis schrijft, dat de twee grootste literaire prijzen niet aan het boek toegekend werden – maar vooralsnog wordt er in dit derde van de honderd jaren die aan Uphoff zijn toegezegd, buitensporig veel over het boek geschreven.

Uniek, ja, maar wat ook waar is: Vallen is als vliegen staat niet alleen, want er is dat oeuvre. Marc van Oostendorp noteerde deze ‘Zomer met Manon Uphoff’ al tussen twee haakjes: ‘nu ik kriskras door het werk heenga valt me trouwens op dat heel veel passages sleutelteksten zijn’. Uphoff zelf noemde haar debuut Begeerte als het beginpunt van een proces waarin Vallen is als vliegen ‘de ultieme uitbarsting van de vulkaan’ was. Als je Uphoffs werk beschouwt als een eenheid (en daarmee niet de afzonderlijke delen tekort hoeft te doen, Van Oostendorp heeft het in vijftig blogs gedemonstreerd) – zou je zeggen: dit is de top, de bekroning, en geef die vrouw een oeuvreprijs. Wat dat betreft paste de toekenning van de Charlotte Köhler Prijs beter dan de literaire eenjaarsvliegen, en mogen de grotere prijzen volgen. Huygens, Hooft, hop.

Voor ik de suggestie wek dat haar oeuvre tot die ene stroom van Begeerte tot Vallen is als vliegen te verengen is: er is nog veel meer van haar te lezen, ik wil toch nog beter begrijpen wat ze schrijft over ziekte en dood, en de keuze in de bloemlezing Familie doorgronden. En dat er volgend jaar weer een nieuw boek komt, de verhalenbundel Ziel, kom terug, bevestigt eerder het blijvende karakter van Uphoffs geothermische activiteiten, en niet dat ‘ultiem’. Het is niet te laat.

Maar dat had ik allemaal nog niet bedacht toen ik 29 maart 2019 over Vallen is als vliegen schreef.

*

Het is nooit een goed teken als de eerste persaandacht voor een boek uit interviews bestaat – als het echt geweldig is, begin je toch met een vijfballenbespreking-over-twee-pagina’s? Maar bij Manon Uphoffs nieuwste, zes jaar na De zoetheid van geweld, is het niet onzinnig. Vallen is als vliegen is fictie die heel sterk tegen de werkelijkheid hangt, een werkelijkheid van misbruik, van incest, van trauma. Het zijn simplificaties die de schrijfster zelf vermijdt in de roman, en dat werkt – moeilijk om superlatieven bij zulke onderwerpen te gebruiken – echt geweldig.

‘De schrijfster kietelt je, ergert je, stelt je maar kort op je gemak en sleurt je mee in geschiedenissen van familie en geweld, van geluk dat niet zonder haat kan,’ schreef ik in 2013 over haar verhalenbundel. Ook nu haalt Uphoff je aan en werpt je van zich af, je vliegt, je valt, het kabbelt maar kort en dan hamert ze je diep in de tragische geschiedenis van de vier dochters Holbein. Ze introduceert de dader heel netjes:

‘Mijn vader, HEHH, Henri Elias Henrikus Holbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan.
Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.’

Maar gedoseerd of niet, het ongeluk dringt diep door. Zo lees je er bijna overheen, zoete smaken en dan:

‘Hoe het weefsel van het eigen bestaan, de codex van het eigen brein te ontrafelen en doorgronden? Nog onbewust van wat op een dag ondraaglijke herinnering zal worden: niet de mond die zich eender leert sluiten om wat wordt aangeboden, een wafelijsje van Jamin, een gesuikerde en magisch verkleurende toverbal of de Holbein-penis (en, mogen we wel zeggen, met een verbluffende allure en een waar “natuurlijk” talent).’

Ja, het gaat van een enkele opmerking, even tussen haakjes, naar een afstandelijke beschrijving, om maar te onderstrepen: dit is echt, het is fysiek, het is vies.

‘En de gestage, krachtige maar eenzijdige ontwikkeling van het observatievermogen. Bijvoorbeeld voor de (blauwgrijze) eenoog van de priapus in diens lichtblauw textielen omhulsel, met bij mannelijke, niet-testiconde zoogdieren een buiten het lichaam hangende huidplooi (zakje) waarover in The Concise Gray’s Anatomy te lezen staat: “dun van huid, bruin- en of bruinroze, gerimpeld, bezaaid met vetachtige follikels en enkele kroezende kringelende haren”.
Ik herinner me een gummiachtige weerstand en met enige regelmaat ook een eigenaardige en opvallende verandering, die in de materiaalkunde ook wel faseovergang, fasetransitie of fasetransformatie wordt genoemd, gerelateerd aan minieme variaties in druk en temperatuur.
In mijn mond de smaak van gluton.’

Het is stelselmatig: overdag is HEHH een lieve vader, ‘s nachts bezoekt hij als de ‘Minotaurus’ de (stief)dochters in hun kamers. Hij koopt ze af, met ‘het zoete zwijggeld’, hij geeft ze het gevoel dat ze speciaal zijn – en tegelijk dat dit niet iets vreemds is. Op één pagina gaat Uphoff van een ode aan de mensensoort naar de nacht – ‘Kijk, iemand legt een hand laag op een rug of venusheuvel en gehoorzaam openen zich de dijen.’ – naar de dag – ‘En tijdens dit dove opgroeien zijn er toch ook de troost en het plezier van het bijzondere, het doodgewone.’

Het is stelselmatig, bijzonder en gewoon, maar het staat naast een verder onbezorgde jeugd, en die dubbelheid geeft de roman zijn spanning. Uphoff wil niet van álles afscheid nemen. ‘Zou iemand me op een dag vragen wat ik probeer te begrijpen en doorgronden […], wat ik wíl met deze geschiedenis waarvan ik onderdeel ben,’ schrijft Uphoff dan ook, dan zou ik zeggen dat het een voortdurend onderzoek is naar wat “thuis” betekent, en voor wie. Wat het is, wás en in de toekomst zou kunnen zijn. Om eraan toe te voegen dat ik daarvoor mijn huis, de pathologie ervan, moet uitbeelden en oproepen, in heel veel verhalen en in een (ritmische, rituele) herhaling die lijkt op die van fractalen. Als de puzzel die het was, een labyrint, de donkere kant van de maan.’

De kracht van deze roman zit in dat zoekende, het wisselende en nevenschikkende, het herhalende, tastend naar de gruwelijke werkelijkheid zonder die gruwelijk te noemen want je kunt het navertellen. De kracht zit ook in zinnen die kromstaan van de spanning, relativeren wat niet gerelativeerd kan, en die vloeien. Verdomde indrukwekkend.

Uitgeverij Querido gaf Vallen is als vliegen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Verschenen: De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. In haar tweede en derde verhalenbundel, De fluwelen machine (1998) en Hij zegt dat ik niet dansen kan (2000), slaat Manon Uphoff twee andere paden in. Begeerte (1995) was nog een evenwichtige mix van verhalen uit de familielijn – het meisje met de grote, rommelige familie in de volkswijk in Utrecht – en fantastischer verhalen, met als hoogtepunt ‘Poep’. Maar De fluwelen machine onttrekt zich volledig aan de zwaartekracht van dat gezin. En Hij zegt dat ik niet dansen kan lees ik eerder als een bundeling essays, die je helpen de fictie te begrijpen.

*

De fantastische Uphoff: De fluwelen machine en het fysieke en het vuile

Al wordt ook De fluwelen machine gedreven door een nieuwsgierigheid naar het fysieke en het vuile, naar intimiteit en pijn. Zo is er een Siamese tweeling, van wie de ene helft verliefd wordt, seks heeft, en de ander het voor haar verpest, en de man die een Poolse bruid wil (‘Ze bestelde bij en nog eens bij, en na het zesde glas lag zijn besluit, aanvankelijk half uitgepakt, glinsterend en zichtbaar voor iedereen op de bar.’), en een vrouw die na bedrogen te zijn (‘Kort daarna stuit ze bij toeval op een vijftienjarig meisje dat als een slordigheidje onder hem ligt.’) een vluchteling is huis haalt. Een rijk getrouwde vrouw verlangt naar haar tandarts, wiens aandacht ze aantrekkelijk vindt, of tenminste:

‘Zit er niet ook iets gruwelijks, iets wreeds in concentratie? Als je met heel je hart, je hoofd, met alle aandacht zo bezig bent met één onderdeel, met een klein, nauwkeurig begrensd element van iets, wordt het gemakkelijk te vergeten wat daarbuiten bestaat.’

Dit gaat over de tandartsblik, maar je kan het je ook voorstellen als commentaar op het schrijverschap. Dit dan ook? ‘Hoewel hij me nooit met een vinger elders heeft aangeraakt, besefte ik dat hij me intiemer heeft leren kennen dan de meeste mensen.’

De verhalen in De fluwelen machine zoeken het onverwachte op, en soms zit dat al in het gegeven. De titel van de bundel is terug te vinden in het slotverhaal, ‘De minnares. Of: een kleine grammatica’, waarin een paard spreekt, je vermoedt het in de eerste alinea’s, en dan zegt ze het zelf. (Terzijde: zo werkt het ook bij een van mijn favoriete verhalen van Belcamo, ‘De surprise’, uit de bundel De ideale dahlia.) Maar in dit verhaal gaat het verder dan het gegeven, jaloezie en dood zweven boven dit verhaal. De vader van de ik is verdronken:

‘Verbitterd staarde [moeder] naar het troebele water, waarop grijze schuimkopjes dreven, en benadrukte wat ze elke dag benadrukte: dat vader met wagen en al onmiddellijk in de golven was weggezakt, alsof er op de bodem van de zee iets lag dat hij dolgraag wilde hebben.
“Mannen gaan blijmoedig ten onder,” besloot ze, en de manier waarop ze dit zei, maakte dat ik bijna zin kreeg om van de kade recht naar beneden in het water te springen.’

(De wijsheden van dit paard zijn onwrikbaar, het ‘dolgraag’ en die ‘bijna zin’ geven ze een wrede vrolijkheid.) ‘Lang geleden vertrouwde mijn moeder mij toe dat zij een man had gedood,’ schrijft Uphoff iets verder, net nadat het paard tussen neus en lippen laat weten dat zíj de minnares van de titel is. Dus die dood is er maar er zit vooral liefde in, en een pijnlijke wending. Ze merkt de tekenen niet op, ‘want wat betekenis heeft, krijgt dit pas achteraf’.

Dat is een waarheid als een paard, een die bovendien de lezing van Uphoffs oeuvre sterk kleurt: waar is al die betekenis die we in Vallen is als vliegen treffen? De fluwelen machine wijst je erop dat Uphoff meer thema’s kan bespelen.

De essayistische Uphoff: Hij zegt dat ik niet dansen kan

Hij zegt dat ik niet dansen kan (2000) is een heel ander boek, ik ken natuurlijk niet met zekerheid het aandeel autobiografie en fictie, maar ik lees de stukken als essays. Over de willekeur van het geheugen en de bizarre hiërarchie in belang daarin (want wat bewaar je aan herinneringen als het jaar om is?), over de wellust in het over ziekte spreken (‘Ik ken genoeg mensen die ziek-zijn haten, maar zij zijn geen familie, want die draagt de ziekte een warm hart toe.’), over porno en erotiek, over gefnuikt talent, over de slager die iedereen overslaat, over ‘niets persoonlijks’ (wás het dat nu maar!), over een onbekende in het gebouw die elke woensdagavond schreeuwt, over verloedering, over slechte ogen, over het volgen van een leven, over die fase in je leven waarin je ‘ongestoord schepper, koning en onderdaan van je eigen universum kunt zijn’, over een buste van de jonge Nero, over schaamte en naaktheid (dit ene essay heeft wél een essay-achtige titel: ‘Bij schaamte en naaktheid’), over verlies en de noodzaak dan te zoeken, over verdwijnen.

Dan heb ik ze allemaal gehad. Wat maakt ze nu essayistisch, behalve dat je kan zeggen: het gaat hier- of daarover? De toon, denk ik, die minder verhalend, meer zoekend is. Ik heb veel onderstreept in ‘Ogen’.

‘Het onbekende moet gekend worden. Liever het gevaar van het weten, dan het tergende van het niet-weten, of de schrik van het absoluut onvoorstelbare. Angst en nieuwsgierigheid zijn tweelingbroers. Meer dan van het donker, waarin ik mijn weg gemakkelijk vind, en andere zintuigen gebruik, schrik ik van het licht.’

Dat zou je poëticaal kunnen lezen. Of dit, iets waar elke schrijver, en zeker elke essayist ter harte zal nemen, ook al zegt ze het over haar slechte ogen:

‘“Waarom laat je je niet opereren?” vragen vrienden. Ze slaan met hun handen op een krant en prijzen een opertie met een laser aan. “Je kunt het nu toch wel betalen.” Maar ik ben gehecht geraakt aan de open plekken die ik zelf moet invullen.’

Gehecht aan de open plekken, het gemak in het duister, en als ze in het daaropvolgende essay, ‘Autistisch universum’, schrijft over het ongemak in het volgen van geleidelijke groei of verandering of tijdsverloop te volgen, besluit ze: ‘Maar er is een leven voor nodig om een leven te volgen.’ Ook dat is waar voor literatuur. Er vallen gaten, en die zijn even vertrouwd als bevreemdend. Uit de context citeer ik dan ten slotte de laatste zin van het afsluitende essay, ‘Verdwijnpunt’: ‘Nooit het geheel, bonkt het tegen je slapen, van alles alleen de fragmenten.’

Als die zinnen achteraf betekenis krijgen, dan niet alleen voor Uphoffs oeuvre, ik geloof dat dit een heel vruchtbare literatuuropvatting is, die fictie en essays en ook poëzie rafelranden geeft, ruimte voor herkenning en verrassing. Maar het licht en het duister, angst en nieuwsgierigheid, de open plekken en de fragmenten, ze zijn een manier om de werkelijkheid te structureren tot iets wat overstijgt, tot een literatuur die zowel vertrouwd voelt als beangstigt en bevreemdt. Tot Uphoffs oeuvre.

(Ik las deze twee bundels in een bibliotheekexemplaar van em>Schaduwvlammen. Alle verhalen tot vandaag, maar ook met Alle verhalen (2003) kom je er, alleen ontbreekt Bekentenissen (2006) dan nog – een bundel waarover ik nog wil schrijven, maar nu moet ik dit exemplaar inleveren.)

De verhalenbundels van Manon Uphoff zijn niet meer nieuw te verkrijgen, maar wel bij Boekwinkeltjes: De fluwelen machine, Hij zegt dat ik niet dansen kan, Alle verhalen, en Schaduwvlammen.

Nu verschenen: De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we haar Revisor-archief op de website. Lees je in! In de rubriek ‘Het maaiveld’ schrijft Uphoff in het tweede nummer van 2009 over Herman Frankes Zoek op liefde. Ze gaat op zoek naar de ‘ik’ in de roman, in een van haar kenschetsen ‘[e]en ik dat vervolgens, langs de lijn van een ooit aangelegde lijst van goede voornemens, het pad van verlangen en herinnering en lust en nieuwsgierigheid volgt, en hier en daar wat gewrongen bezig gaat met het najagen van antwoorden op vragen als: “Wat is het ergste wat je tegen iemand kunt zeggen?” (Waarbij moet worden opgemerkt dat het openbaar maken van het nogal persoonlijke antwoord op deze vraag de angel er grotendeels uit haalt. Nee, dan liever de marteling van het niet weten die in het hoofd van de lezer een duizendvoud aan mogelijkheden oproept waarmee die zichzelf telkens even op de pijnbank legt.)’

*

Een paar maanden geleden bezocht ik in Barcelona ‘Bodies’, de tentoonstelling die ik in Nederland (Amsterdam, de Beurs van Berlage) niet had willen zien en nog hautain-principieel had afgewezen als te gruwelijk. Het betrof die bijzondere expositie van opengewerkte menselijke lichamen, in dit geval van allemaal Chinezen die, en dat was nog een heikel punt, waarschijnlijk helemaal geen toestemming hadden gegeven om na hun dood zo tentoongesteld en geopenbaard te worden, maar wier lichamen door de Chinese autoriteiten kennelijk toch zonder de minste mores aan de wetenschap waren overgedragen, waarna ze buitengewoon vaardig en secuur met bijzondere (epoxyharsachtige) middelen waren bewerkt zodat het mogelijk was om het lichaam en al het inwendige (zenuwkabels, spieren, bloedvaten, organen) in verschillende stadia van ontleding of beter gezegd openbaring aan de toeschouwer te tonen – in het gelukkige bezit van een soortgelijk, maar dan levend lichaam.
Het was helemaal niet gruwelijk. Al kon je enige kanttekeningen plaatsen bij bepaalde keuzes (zoals het laten zitten en waarneembaar uitsparen van wenkbrauwboogjes en het polletje van de navel, waarom was dat nodig als het hier om iets heel anders ging: de on-persoonlijke en niet-individuele schoonheid van het menselijk lichaam, het inwendige? Waarom dan enkele van zulke hoogstpersoonlijke kenmerken nadrukkelijk in beeld brengen?). Het was prachtig, indrukwekkend en ontroerend. Ik kende geen van de mensen, natuurlijk niet en op die kanttekening na werd de blik geleid naar de precisie van het menselijk lichaam. Zo herinner ik me een bijna koraalachtige constructie in plexiglas, die louter een uitsparing van bloedvaten was, van de grootste tot de meest minutieuze bloed- en haarvaatjes naar vingertoppen en tenen, een fragiel kantwerk, voorgoed onherkenbaar van wie.
Voor wie, zoals ik, gewend is om alles wat de mens uit het veld van het individuele en unieke trekt te beschouwen als iets angstaanjagends en huiveringwekkends ging er iets bijzonder troostends en ontroerends uit van die min of meer gelijke binnenkanten. Ineens vond ik het helemaal niet zo verschrikkelijk om dat individuele los te laten en vooral te zien waarin de gelijkheden liggen, waarin we niet tot weinig van elkaar verschillen. Niet het ongedeelde maar gedeelde, opgesloten en blootgelegd in de tijd en ruimte van een persoon. Ik bezocht de tentoonstelling in Barcelona met twee broers en een zus, we liepen er ademloos rond. Diezelfde dag was er ook het moment geweest dat ik op de grote markt in een vitrine bij een slager een teer wit voorwerp had zien liggen. Het was maagdelijk wit en zag er een beetje uit als een platgestreken papieren kerstklok, je kent ze wel, die moet je uitvouwen: ze bestaan uit dat fijnwitte, in ruitvakken opengewerkte papier en de twee helften vormen rondgetrokken dan een klok. ‘Wat kan dat zijn?’ vroeg ik. Mijn oudere broer, die barrer tijden heeft gekend, gaf meteen het antwoord: ‘uierboord’. Het schijnt, heb ik me laten vertellen gebruikt te worden in frikadellen. Nu dat doet er even niet toe, ik eet geen frikadellen, ik was gefascineerd door dat uierboord. Wat een eigenaardige ervaring om in de zaal die ik probeer te beschrijven in de opengewerkte borst van een vrouw datzelfde spierwitte tere materiaal te zien!
‘Nu durf ik nooit meer in de borsten van Ingrid te knijpen!’ riep mijn jongste broer. ‘Veel te bang dat ik iets kapot druk!’
Waarom haal ik nu dit bezoek aan die tentoonstelling aan? Twee redenen: ten eerste omdat ik, afhankelijk van de plek en de tijd en de sfeer een heel andere persoonlijkheid vertoon (is me wel vaker opgevallen), en ten tweede omdat deze confrontatie met de mens die zorgvuldig van al het persoonlijke en individuele was ontdaan, nu eens niet angstaanjagend, kil en vreeswekkend was, maar van een verstilde schoonheid en ontroerende kracht.
Eind 2008 verscheen Zoek op Liefde van Herman Franke, het tweede deel in een cyclus die zich moet gaan uitstrekken tot het moment dat de schrijver ervan niet meer in staat zal zijn er nog een deel aan toe te voegen. Dat is de bedoeling. Schrijvend naar Isfahaan. ‘The following of (such) thematic designs through one’s life should be, I think, the true purpose of autobiography’, schreef Nabokov indertijd. Zoek op Liefde zit evenals het eerste deel, Uit het niets, vol met de resten en fragmenten, de rafels van zo’n ‘thematic design’, en met de ‘Ik’ volgen wij die en komen zo haast en passant heel veel over datzelfde ik te weten.
‘Ik doe wat ik wil,’ zegt dat ik bijvoorbeeld in het begin. Om dan vervolgens in te gaan op de scheppende kracht van de schrijver: ‘Als ik het portret zou willen schrijven van een lieve, jonge vrouw met de mooiste kont en het begripvolste hart van de wereld (…) dan schreef ik dat portret’, op de kracht van de liefde en de kern van dit ik.
‘Verder ben ik wat in mijn bloed zit, wat ik heb meegemaakt, wat ik heb gedacht, wat ik heb verzonnen, wat ik heb geschreven, wat ik me voor kan stellen, wat ik vrees, wat ik verlang en wat ik heb waargenomen, wat ik… (…) ik leg mezelf maar één beperking op en dat is dat ik een man ben, zij het niet uit overtuiging.’ (Wat ik, vanuit een al even onovertuigd vrouwzijn, geen onsympathieke opmerking vind, al blijf ik erbij dat het voor de meeste mannen, ook schrijvers, oneindig veel moeilijker is om te vergeten dat vrouwen vrouwen zijn dan het voor een vrouw is om te vergeten dat mannen mannen zijn.)
Over welke ik hebben we het hier? Een ik dat zegt: ‘Een naam heb ik niet, want hoe ik heet doet er niet toe.’ Dat klinkt opzettelijk dwars. Verrekken jullie maar, lijkt de schrijver hier te zeggen, ik weet het natuurlijk wel, maar ik geef jullie die naam niet, niemand weet, niemand weet dat ik Repelsteeltje heet. Hier openbaart zich een enigszins wreed en heerszuchtig trekje van deze ik, zoals we dit ook in kinderen vinden, en ja, dat wekt opnieuw sympathie, je zou het ook ‘een typisch en oer-Hollands trekje’ kunnen noemen, Gronings, desgewenst, maar ja, leg je dan niet te veel ik en te veel eigenschappen in een karakter? In Repelsteeltje is de ontdekking van de naam overigens zo’n bittere teleurstelling en voelt de drager ervan zich zo beroofd van wat hij is, dat hij zelfmoord pleegt! Dat het duiveltje van het dwarse, ‘The Imp of the Perverse’, zoals Poe het omschreef, ook, en al heel lang in Herman Franke gevaren is, hoef ik de lezers van De verbeelding, De tuinman en de dood van Diana, Waarom vrouwen betere lezers zijn en Wolfstonen natuurlijk niet te vertellen, die weten dat allang. Net als de lezers van zijn helaas beëindigde tegendraadse column in de Volkskrant.
Een ik dat vervolgens, langs de lijn van een ooit aangelegde lijst van goede voornemens, het pad van verlangen en herinnering en lust en nieuwsgierigheid volgt, en hier en daar wat gewrongen bezig gaat met het najagen van antwoorden op vragen als: ‘Wat is het ergste wat je tegen iemand kunt zeggen?’ (Waarbij moet worden opgemerkt dat het openbaar maken van het nogal persoonlijke antwoord op deze vraag de angel er grotendeels uit haalt. Nee, dan liever de marteling van het niet weten die in het hoofd van de lezer een duizendvoud aan mogelijkheden oproept waarmee die zichzelf telkens even op de pijnbank legt.)
‘Wie is de lachende naakte vrouw op een honderd jaar oude stereofoto?’ ‘Regeert lust tot over de dood?’
Een ik dat zich, bewust van de pathetiek in onze emoties en van een inherente eenzaamheid, op weg begeeft, een levensweg, en langs die weg de levens van velen aflegt, omdat het voortdurend wordt geraakt, geroepen en vervuld raakt door deze mensen, van wie sommige alleen in de verbeelding, andere in de rauwe werkelijkheid bestaan: de vechtende roodharige neefjes, van wie een met een hazenlip, beiden getekend door ‘het ergste wat de ene mens tegen de andere mens kan zeggen’ (want uit de mond van een pop, waaruit zij dit ooit hebben opgevangen, was het allerergste nog het ergste niet, het allerergste zit bij hen in het besef dat het ook door de ander gehoord is en zo tot banvloek is gemaakt!); de lachende vrouw die op een oude foto ‘met de mooiste kont van de wereld’ voor een antieke spiegel zit en die zijn lust opwekt ‘tot over de dood’ (zoals de dode lichamen in het museum in Barcelona de tedere huivering konden opwekken van de toeschouwer); de stenen leeuw in het park die, net als het standbeeld van Nelson in De verbeelding, een deel van het slagveld dat leven heet overziet; de verloren geliefdes. Een ik als een waterreservoir zo gevuld dat het voortdurend overloopt van druppels leven. Een voortdurend verdwijnend, meanderend, vervluchtigend en verdampend ik, zodat het gevoel je bekruipt dat deze ik nooit samenvalt met het moment en er alleen met geweld of liever met de lust en soms de liefde heel even in kan worden vastgehouden. Het ik als een etherische wolk, een vloeistof die vervliegt en tijdens dit vervluchtigen wanen en beelden spiegelt. Dit vervluchtende ik is vanzelfsprekend haast ongrijpbaar, zodat je er als lezer achteraan rent, met een vlindernetje, maar alle damp gaat erdoorheen en je zoekt naar een methode om hem, het, toch te grijpen. Zo dupliceer je als lezer de zoektocht van de ik.
‘Zoek mij maar, zoek mij maar,’ fluistert hij, ‘misschien wil ik wel gevonden worden.’
Ja, dat is heel mooi, dat is toch bijna autobiografisch ook? Mooi is dat, maar mooi niet. Er doet zich toch een klein probleem voor. Was het niet Herman Franke die iedereen vaak en hartstochtelijk toevertrouwde een pesthekel te hebben aan de autobiografie en het autobiografische?
‘Hoeren, misdadigers en vandalen zijn het, dat soort schrijvers.’ Misschien heeft hij het niet precies zo gezegd, maar dan toch vast gedacht. Nee, hij heeft het gezegd.
De autobiografie is ook misdadig, ze slaat de anderen weg met het verhaal van het tot mythische proporties opgezwollen ik, en Franke weet allang dat schrijvers criminelen zijn. Toch is het interessant om even iets langer stil te zijn bij dit gegeven; het loont altijd te kijken waaraan men een hekel heeft, vaak legt dit meer bloot dan het staren naar het geliefde. Zo ben ik over Nabokov als schrijver oneindig veel meer te weten gekomen in zijn kritiek op Dostojevski, juist ook hoeveel vurige hartstocht die in hem had weten te wekken, in Nabokov, de schrijver die elke vurige hartstocht grondig wantrouwde en tegelijk niet anders kon dan haar overal volgen en vastleggen, vastspelden als een vlinder. Maar terug naar Zoek op Liefde, zoek ook op weerstand, zou ik willen zeggen. Want al lijkt dit hier en daar een autobiografie, het wil de autobiografie ook nadrukkelijk aan stukken slaan, het gelooft niet in de autobiografie! Mooi is dat!
‘Een groepsportret zonder lijst’, schrijft hij ergens. Inderdaad, niet vastgehouden, alleen begrensd door anderen die binnendringen, vervloeien tussen tijden en plaatsen, herinneringen en directe gebeurtenissen, dialoog en monoloog. Hiermee peutert Franke aan de denkbeelden over het ik. Nee, beter gezegd, aan onze (westerse) wanhoopspogingen bijna om dit ik waar mogelijk louter in zichzelf besloten te laten. De momenten waarop de ik even een ander mag zijn, even iets anders kan worden, kan samenvallen, nauwkeurig vastgelegd en omschreven. In de liefde, tijdens seks, in de dood, te midden van de massa, tijdens eten en drinken. Maar daarna (en liefst meteen) terug het mandje van het ‘ik-is-alleen-ik’ in.
Om daar even een kort analysetje op los te laten, het gevaar bestaat dit openbreken van het ik te snel af te doen als weer zo’n typisch West-Europese, vooral ook oer-Hollandse, in zichzelf gekeerde speurtocht naar de ‘eigen identiteit’. Het zoeken naar de eigen identiteit leunt op de vooronderstelling dat die identiteit er is, begrensd, afgebakend en wel. Er moet alleen nog een naam op. Repelsteeltje, kut-Marokkanen… Hier gaat de zoektocht verder, neemt een andere richting, het gaat niet om het bevestigen van het eigen ik, maar om het openbreken en versplinteren van het stringente idee over wat een ik eigenlijk is. Niet alleen een zoektocht naar waar de grenzen liggen tussen de een en de ander, het ik en het jij, waar we oplossen en versmelten, waar, wanneer, hoe en waarom we worden afgescheiden en losgesneden, maar ook waar de begrenzingen, afsnijdingen enzovoort zitten in dit ons kennelijk toch zo dierbare eigen ik.
Ja, dat gebeurt toch wel vaker en houden niet meer schrijvers zich daarmee bezig? Ilja Leonard Pfeijffer buitelt in Second Life in de gedaante van de punttietige vixen Lilith zijn eigen armen in en wie omhelst en bezingt wie als basstem overgaat in koraalgezang? Maar het lijkt in (liefdes)poëzie toch wat makkelijker dan in proza, en hier gebeurt het voor je ogen, op bijna elke pagina, het begin van het stukslaan van het eigen spiegelbeeld tot je dwars door jezelf heen de ander ziet, met-tieten-en-al, ‘daar ben ik, daar niet meer, daar weer wel hoor, en daar, en o god, ook daar, en daar…’
En dat past in een wereld die opengebroken is en in schitterende scherven voor ons ligt.
Toch gaan de ontroering en interesse uit naar de verankerden. Verankerd aan het lichaam en de daarmee verbonden mogelijkheden en handicaps (rood haar, hazenlip): de vechtende vader die helemaal geen mannetjesputter is en de keelafknijpende vrees van de zoon die toekijkt en zijn vader al tot pulp geslagen ziet worden; de botte, grofgebouwde broer; de aan de taal gekluisterde moeder (buiten het Gronings ‘werken’ haar gedichten niet). De gevangenis maakt prachtig.
Zo laat Zoek op Liefde, ondanks alle pogingen van de opzettelijk naamloos gehouden ik om aan dit individuele te ontsnappen, in de verzameling indrukken, beelden, vervluchtigende ervaringen en momenten vooral zien (onbedoeld? want de nadruk lijkt bij de ontsnappingspogingen te liggen) dat de interesse, de verbeelding, de liefde en noem maar op, het krachtigst uitgaat naar degenen die zich niet in allerlei bochten wringen om te ontsnappen. In dit geval de verankerden, de belangelozen in de roman en hier en daar het Groninger ik zelf waar het zich vult met unieke, oninwisselbare ervaringen, jeugdherinneringen, ongekozen, nutteloze liefde.

Verschenen: De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we nu haar Revisor-archief op de website. Uit het derde nummer van 2008, in de rubriek ‘Het maaiveld’, vraagt Uphoff zich af of Connie Palmens roman Lucifer knap is, of lui? En goed?

*

Zojuist heb ik, om tot een beter begrip en tot de kern van mijn ambivalentie te komen Connie Palmens roman Lucifer herlezen. Na deze tweede lezing wordt het tijd een poging te doen te beschrijven wat mijn leeservaring inhoudt en waarom ze oproept wat ze oproept: bewondering en ergernis. Omdat een roman naar zeggen van de schrijver een eigen waarheid afdwingt, lijkt het me redelijk het boek aan de hand van die waarheid en wetten te bestuderen.
‘De eigen logica van een roman vertelt de schrijver of hij gelijk heeft of ongelijk. Op elke pagina. De roman dwingt zijn eigen waarheid af. Al is elk woord verzonnen, een roman verdraagt de leugen niet.’
Deze uitspraak is afkomstig van de schrijver binnen de roman en wordt gedaan in het eerste van de vijf bedrijven waaruit het boek is opgebouwd (ik ben van mening dat er nog twee bedrijven aan toegevoegd moeten worden, maar daarover straks meer). In dat eerste bedrijf maken we kennis met een schrijver die het plan opvat om een roman te gaan schrijven over een noodlottige gebeurtenis die vijfentwintig jaar geleden heeft plaatsgevonden: de val van een vrouw in een veertig meter diepe afgrond. Aanleiding is de raadselachtige zin in het overlijdensbericht, die al die jaren is blijven rondmalen in haar hoofd: ‘onze engel is gevallen’, en een ontmoeting, aan het begin van het boek, met de vrienden van deze vrouw en van haar toenmalige partner, de homoseksuele componist Lucas Loos. Die vrienden zijn heftig aan het discussiëren over de omstandigheden rond dit ongeluk en gedragen zich als een stelletje figuren in een verhaal van Agatha Christie. De helft is van mening dat het toch gaat om moord, de andere helft is daar helemaal niet zeker van. Van deze groep vrienden krijgt de schrijver min of meer ‘toestemming’ om met dit uitermate intrigerende gegeven aan de slag te gaan. In bedrijf twee, drie en vier gaan we vervolgens ‘terug’ naar het jaar, de maand en de dag waarop het ongeval plaatsvond, de periode daarna en volgen we tot in detail de roddels en de intiemste gedachtekronkels van de groep vrienden, die proberen uit te vinden wat er nu eigenlijk heeft plaatsgevonden. Hiervoor wroeten zij in het werk, het oeuvre van de componist, waarin zij tal van huiveringwekkende vooraankondigingen menen te herkennen.

‘De genese van een roman is een merkwaardige,’ legt de schrijver deze wat gewrongen constructie uit. ‘Het begint met een idee, maar wat is een idee? Iets ongrijpbaars, eerder een vermoeden van kennis dan het hebben ervan. Kennis komt voort uit het leggen van verbanden tussen schijnbaar losstaande feiten, maar hoe kom je aan de afzonderlijke elementen? Voor elk verhaal over moord of zelfmoord mocht je me wakker maken, maar het verslag van een moord is nooit voldoende voor een roman. Sowieso redt geen enkele roman het met een gegeven, of met een idee. Zoals ik daar zat (…) schoten de ideeën als losse lemmata door me hen en was hun onderlinge verband iets wat in een roman ontdekt moest worden.’
De vraag waarom de passie van de vrienden zo overschiet naar deze schrijver dat die besluit er een hele roman aan te wijden, is er een waar geen antwoord op volgt, en dat komt omdat het ook niet de passie van de schrijver in het boek is, maar die van de auteur van Lucifer, die ons straks iets heel anders gaat aantonen.
Het eerste en laatste van de vijf bedrijven bestaan dus uit het onderzoek van een schrijver, en de tussenliggende bedrijven uit de gebeurtenis in de zomer van 1981 en de roering die de val en de dood van de vrouw, in het boek Clara Wevers geheten, veroorzaakt bij de vrienden van Lucas Loos en Clara. Hun achterdocht, hun vragen, hun speurtocht en hun discussies vormen de meanderende rode draad en vullen nagenoeg 260 van de 351 pagina’s. De schrijver in het boek beweert bij aanvang – anders dan de auteur van Lucifer, die immers het hele boek, met alles erin, geconstrueerd heeft – hier en daar enige schroom te voelen om met dit materiaal (dat ons in het middendeel zal worden aangeboden) aan de slag te gaan.
‘Misschien was het de eerste aankondiging van de schroom, waarvan ik verdere jaar last van zou hebben. Daar, op het terras aan de gracht, was het schrijven begonnen en daardoor gaf mijn nieuwsgierigheid me een besmuikt gevoel. Schrijven is een ondergrondse activiteit. Mensen vertellen je verhalen en weten niet hoe jij intussen hun opmerkingen duidt zoals ze zelf niet voor mogelijk hielden. Ze vertellen een anekdote als een afzonderlijk feit, maar een schrijver kent geen afzonderlijke feiten. De schrijver brengt alle informatie onder in een verborgen netwerk, verbindt de anekdote met andere gegevens en verleent haar zo een betekenis waarop niemand verdacht is [mijn cursivering, mu). Om niet langer te kwader trouw te zijn, richtte ik me tot de Prins en zei plompverloren dat ik hierover een roman wilde schrijven.
“Waarover precies?” vroeg de Prins.
“Over Lucas Loos en de val van Clara,” antwoordde ik, “en over de verhalen die de dood van Clara losmaakte.”
“Goed idee,” riep Mica uit, “wij helpen je wel, verhalen zat, je weet nog maar de helft (…)”’

Nu moet ik zeggen dat ik bij eerste lezing nauwelijks werd gehinderd door voorkennis, ik had wel wat opgevangen van het gegons en rumoer, dat het boek gebaseerd zou zijn op een echte geschiedenis, correctie, op echte personen, te weten de componist Peter Schat, zijn vrouw en een kring van vrienden in Amsterdam, maar ik kende Peter Schat niet, wist niets van het ongeval, en ben die eerste keer, juist omdat ik me weinig tot niet heb vermoeid met de informatie uit de werkelijkheid, het boek merkwaardig luchtig in gestapt. Ik wist dat er bekende en bestaande personen in geportretteerd werden: Mulisch, Donner et cetera kon je er zo uitpikken.
We zullen het wel zien, dacht ik. Bovendien heb ik de pest aan sleutelromans. Wat betreft die historische werkelijkheid: ik vertrouwde erop en verwachtte dat de roman de werkelijkheid waarop ze zich baseert, die ze als stapsteen of genetisch materiaal gebruikt, tot de werkelijkheid van de roman zou maken. Ik verwacht en eis dat eigenlijk altijd, als ik lees wil ik er niet steeds een compleet naslagwerk bij moeten houden. Kortom: ik wil graag een wereld die – zou de roman het enige zijn dat mij ter beschikking stond – in voldoende mate bezighoudt, inkapselt. Dat de auteur die werkelijkheid of de gegevens uit die werkelijkheid dusdanig bewerkt dat zij in de roman opnieuw ontstaan en ik ze daardoor ook beter zou begrijpen. O, en ik wilde ook best een spannend boek, met een snufje whodunnit of howdunnit, want ook in mij schuilt een luiere lezer die zich graag als een huis, tuin en keukenspeurder gedraagt terwijl iemand anders voor mij de vuile werkjes opknapt.
Die eerste lezing leverde op veel fronten een teleurstelling op. Gottegot, had hij, Lucas Loos, haar dan maar geduwd! Geef de concrete daden! wilde ik maar steeds roepen en na een tijdje: ja, lazer haar maar die afgrond in en bespaar me die ellenlange intellectuele exercities, geef me dat maar in een strak essay. Wat moest ik met die kale emoties beschrijvende maar nergens oproepende toon: ‘…de band die ze [Bella, de vriendin van Clara, die samen met hen in het zomerhuis verblijft en de volgende dag hoort van het verschrikkelijke ongeval, mu] permanent om haar keel voelt, trekt aan, haar ogen schieten ongewild vol en een diep verlangen naar de schrijver [een andere dan de schrijver van het boek, mu] doorhuivert haar. Ze zou hem nu willen bellen, met hem praten, zich door hem laten troosten. Met niemand kan ze zo roddelen als met hem, over alles en iedereen…’
Met die schier eindeloze hoeveelheid neergelegde gedachten en ellenlange kronkels die knap zijn in hun intellectuele constructie, maar die nergens samenvallen met de karakters? Hier was de schrijver overduidelijk zelf bezig. Die wilde mij ook helemaal niet doen geloven dat ik hier de werkelijke gedachtegang volgde van de beste vriendin van een vrouw die zojuist te pletter was gevallen! Moest ik geloven dat die meteen bezig ging met een Sherlock Holmesachtig staaltje speurwerk naar een zin, een zin…!

Het werd nergens beeldend. Ja, er werd volop gesnikt en gehuild en ook nog kinderen in het spel, maar je voelt aan alles dat de schrijver denkt: hoppetee, weg ermee, met die emoties, ach, wat leidt het toch nodeloos af van waar het om gaat… kortom, vond ik met haar, geeeuw, saaaaaaai!
Ik gooide het over een andere boeg. Welnu, schrijver, kom maar op dan met die echte, echte, hele echte aanwijzingen voor moord en geef me dan en passant ook al die ranzige en gory details van wat maar steeds als een ‘turbulente’ relatie wordt omschreven. Laat me zien, horen, voelen dat het in Keulen dondert, zodat ik ook zelf aan het twijfelen sla en mep me dan eventueel om mijn oren met mijn valse denken, mijn veronderstellingen en leedbehoefte. Maar de schrijver wordt maar niet gemeen, niet wreed, niet eerlijk, niet niets en niemand ontziend genoeg. Ik wurgde en worstelde me die 260 bladzijden door, langs fragmenten van een razendknap essay en de nodige intelligente opmerkingen over muziek, kan mij wat schelen in een roman, dacht ik, en pas in het vijfde bedrijf laaide het vlammetje weer op.
Goed, gaan we nu dus herlezen, dacht ik grimmig. We zullen het boek nu ingaan op de wijze die de auteur voor ogen heeft gestaan. Ik nam er de bijsluiter, die ik de eerste keer kennelijk slordig had doorgenomen, er nog maar eens bij (de flaptekst). Ik kende inmiddels ook het nawoord en ving de uitspraak van de auteur op in het tv-programma De wereld draait door: ‘Zoek de waarheid niet in een roman.’
En ik vroeg me na al Palmens signalen over het fictionele karakter van Lucifer af: waarom dan toch steeds ook zo die link gelegd naar de werkelijkheid?
De flaptekst, normaliter een stukje tekst waarin de lezer wordt voorbereid op wat hem te lezen zal staan, fungeert in het geval van Lucifer wel heel sterk als de bijsluiter bij een medicijn, zelfs zo sterk dat je je mag afvragen of in dat onschuldig ogende inleidinkje niet het hele fundament wordt blootgelegd. Samen met het nawoord is het onverbrekelijk en onlosmakelijk verbonden met het werk, bijna als een of twee extra bedrijven, maar ze zijn niet voor niets ‘buiten’ de tekst van de roman gehouden. Vanwege hun belang haal ik beide tekstjes volledig aan.
Eerst de flaptekst. Die bestaat uit drie alinea’s:

  1. In de zomer van 1981 valt de vrouw van de componist Lucas Loos op een Grieks eiland in een veertig meter diepe afgrond. De turbulente verhouding tussen de homoseksuele Lucas Loos en de flamboyante Clara Wevers vormt aanleiding tot een stroom van geruchten rondom deze ongelukkige val.
  2. Vijfentwintig jaar na de dood van Clara gaat de schrijver op onderzoek uit. Via een aantal kleurrijke personages dat het Amsterdam van de jaren tachtig bevolkte, stuit ze op onverwachte bronnen. Was de dood van Clara Wevers al jarenlang aangekondigd in een muzikaal en journalistiek oeuvre of was haar val een verschrikkelijk ongeluk?
  3. Lucifer is geïnspireerd op een ware gebeurtenis in het leven van de Nederlandse componist Peter Schat (1935-2003). Aan de hand van zijn oeuvre analyseert Connie Palmen een door vragen en verhalen omgeven dood. Ze doet dit door feiten en fictie subtiel te verweven en zonder pretentie de historische werkelijkheid weer te geven.

(1) en (2) vinden we direct terug in de roman: de val van Clara, de geruchtenstroom, de schrijver die vijfentwintig jaar na dato ‘op onderzoek’ uitgaat. Dat wil zeggen: de schrijver die in drie bedrijven de gebeurtenissen schrijft, beschrijft, reconstrueert, die zowel onderzoekt als datgene wat ze onderzoekt ‘schrijft’ en ‘bedenkt’. Dat is de hand van Escher die zichzelf tekent.
So far, so good. Tot hier, zou je kunnen zeggen, is er geen vuiltje aan de lucht, geoefende lezers kennen allemaal het spel van de schrijver die de schrijver die de schrijver schrijft, van de schepper die geschapen wordt uit wat hij schept enzovoort. Spiegelingen, afsplitsingen, dubbele lagen.
Maar Palmen heeft, voor het welslagen van deze roman, meer nodig dan dit. De illusie van de totale fictie (met eventueel een worteltje in de werkelijkheid) is niet genoeg. De (illusie van een) band met de echte, historische werkelijkheid is van levensbelang voor dit project. Daarom krijgen we in (3) voor het eerst iets te horen over een andere schrijver. Niet de schrijver in het boek die beweert de schrijver te zijn van het boek dat we lezen, maar de auteur van Lucifer, Connie Palmen, die zich voor Lucifer heeft laten inspireren op een ware gebeurtenis in het leven van Peter Schat. Aan de hand van zijn oeuvre, zegt de flaptekst, analyseert Connie ‘een door vragen en verhalen omgeven dood’. En ze doet dit door in die analyse feiten en fictie ‘subtiel’ te verweven.
Dat is een heel ander verhaal! Of, zoals ze bij Monty Python zouden zeggen: and now for something completely different!
Wat wordt nu precies door welke schrijver onderzocht?
Volgens flaptekst deel (1) en (2) dit: ‘Was de dood van Clara al jarenlang aangekondigd in een muzikaal en journalistiek oeuvre of [mijn cursivering, mu] was haar val een verschrikkelijk ongeluk?’ Nu is deze onderzoeksvraag op zichzelf al behoorlijk verwarrend, want het een sluit het ander nou eenmaal helemaal niet uit. Achteraf gezien wemelt het in het leven altijd van de vooraankondigingen, dat is de manier waarop we als we terugkijken, geneigd zijn het leven en de gebeurtenissen erin te zien: voortvloeiend uit elkaar. Als we een (deel van een) geheel kunnen overzien, dan zien we daarin nagenoeg altijd vooraankondigingen: de oorzaken van de gevolgen. Ach, ach, hadden we dat toen maar geweten! Het is de as waar de tragedie om draait, alle feiten aanwezig, de tragische held ziet ze niet, wij al wel: kijk uit, kijk uit, niets hoor, daar gaat hij of zij, de afgrond in, en onze roep bereikt hooguit de anderen.

In dit geval gaat het echter om nogal specifieke vooraankondigingen, die betrekking hebben op de val en de dood van Clara en gevonden kunnen worden in het werk, het oeuvre van haar partner, de componist Lucas Loos. En die onderzoeksvraag: zijn er vooraankondigingen en zo ja, wat betekenen die precies? lijkt in het boek vooral te leven onder de vrienden van Lucas Loos en dat zijn natuurlijk fictieve karakters, zelfs als ze hier en daar overduidelijk verwijzen naar levende en bestaande personen.
Gesteld nu dat het antwoord op deze vraag ja zou zijn – en het lijkt me voor de schrijver in het boek geen al te moeilijke taak of klus om dit te bewerkstelligen, gezien de macht over ruimte en tijd, het vermogen om mensen dingen te laten doen en zeggen en schrijven en uitvoeren – is er dan sprake van een als-dan-situatie? Dat wil zeggen: kan de val van Clara indien er vooraankondigingen gevonden worden in het werk van Lucas Loos nog steeds een tragisch ongeluk zijn of kan dat niet meer en is er wellicht sprake van moord? Dat is de vraag die ons als lezers lange tijd moet blijven prikkelen om een heel ander onderzoek te volgen, het onderzoek van de schrijver.
De schrijver brengt alle informatie onder in een verborgen netwerk, verbindt de anekdote met andere gegevens en verleent haar zo een betekenis waarop niemand verdacht is!
Welke betekenis is dat, waarop ‘niemand’ verdacht is? En die dus buitengewoon ingenieus is als zelfs de knapste koppen in Lucifer haar (lange tijd) niet vinden? Dat is de derde mogelijkheid: dat we de wetten van de fictie opleggen en toepassen op de werkelijkheid. Dat we precies vinden wat we vinden omdat we doen zoals Rafael, een van de vrienden van Lucas, in bedrijf vijf uit de doeken doet en bekent aan de schrijver in het boek:
‘Elk detail van zijn werk schreeuwde mij toe dat hij van haar af moest om het eenzame rijk van de autonomie te kunnen betreden. Ik vergat dat het mijn kijk op zijn werk was, mijn lezing, en dat je zijn werk net zo goed anders kon lezen. Ik liet me leiden door het portret, door Lucifer, door een logica die ik zelf aan de werkelijkheid van het werk had opgelegd.’
Nee, Connie Palmen noch de schrijver in het boek analyseert een door vragen en verhalen omgeven dood, niet die van Clara, niet die van Marina Schapers, maar de kortzichtigheid en domheid van de in de netten van de fictie gevangen (fictionele) personages die in weer andere fictie (de composities van Schat of Loos?) almaar aanwijzingen voor een misdrijf zien en zagen en die niet hebben weten te duiden als de fictieve elementen in het leven van de werkelijkheid (we scheppen allemaal fictie), creatieve sublimatie van het verlangen naar de dood van een partner om vrij te zijn, verlangens die al van oudsher in de kunst een rol spelen en die zelfs, door een fatalistisch ingestelde partner met een talent voor tragiek ‘vervuld’ zouden kunnen worden (ongelukken bestaan niet, zegt iemand ergens in het boek) en onbewust tot onvoorzichtig handelen kunnen brengen. En tot slot: misschien toch doodgewoon een afschuwelijk ongeluk.
We hebben geen boek over Peter Schat en Marina Schapers en geen onderzoek naar de val van Marina, en de vragen en roddels na haar dood, zoals aangegeven in (3) van de flaptekst, we hebben geen onderzoek van Connie Palmen naar de vrienden van Schat, noch van Loos, maar we hebben een boek waarin Palmen in door haar opgetrokken personages de manier onderzoekt waarop deze personages gevangenzitten in een web van ficties, de boven genoteerde neigingen. Elke angel naar de nog levende vrienden van Peter Schat gaat er nu uit.
Diezelfde angel steekt Palmen er in de flaptekst en het nawoord echter zeer zorgvuldig in, want voor de in- en uitgang van het boek is het van groot belang dat we helemaal met de figuren meeglijden en -gleden en bijna vallen. De gedachtegangen van fictieve personages die gevangenzitten in een web van fictie rond een niet-bestaande moord zijn veel minder spannend en ingrijpend dan de gedachtegangen van echte levende en bestaande figuren die gevangenzitten in een constructie, en daarom is het steeds nodig om die werkelijkheid erbij te halen. Na afloop zegt de auteur in het nawoord dan nog even: het zijn allemaal afsplitsingen van mijzelf.
Het kan.
Het is bovendien een zeer knap staaltje.
Maar het is onmogelijk om op alle niveaus even krachtig te werken. Als essay had het grotendeels toegekund met bedrijf een en vijf, en een paar stukken uit drie en vier, maar geen van de lange beschrijvingen van heel het praktische gedoe rondom een dode vrouw en moeder – lees: echte emoties – waren nodig geweest, en die overtuigen hier toch ook nergens. Maar een roman met dit drama als onderliggend gegeven heeft ze wel nodig om het complete bouwwerk geloofwaardig op te trekken. Ik moet toch, zo lijkt Palmen bedacht te hebben, eerst dat bouwwerk Peter Schat-is-eigenlijk-toch-echt-Loos en Clara-is-toch-echt-Marina optrekken, dan vallen de lezers straks des te dieper mee. Ik zal ze eens, die argelozen en domkoppen die de waarheid zoeken in een roman, die onnozelen die niet weten dat schrijven fictie is!
In die passages wordt Palmen lui en vertrouwt of leunt op die relatie met de werkelijkheid. Praat iemand hees, dan is dat Kitty Courbois. Rookt iemand pijp, is hij scherpzinnig, arrogant, een genadeloos oprechte vriend, dan is dat Mulisch. Strooi met data en precieze tijdstippen: net een reportage of detective. Als roman te plat en bloedeloos, als onderzoek oneerlijk, als reportage vals, als essay zeer krachtig en scherpzinnig, als truc van Houdini bewonderenswaardig knap.

Tot slot nog even over dat nawoord.
‘Sommige personages in Lucifer komen uit de hemel vallen, sommige leiden een leven in de literatuur. Sommige personages spelen een rol in de verhalen over het beschreven tijdperk en sommige personages bevinden zich ergens tussenin.
Voor elk personage in Lucifer geldt dat ze niets zeggen wat hun niet door de schrijver in de mond is gelegd. De sporadische zinnen die hierop een uitzondering vormen zijn terug te vinden in de opgenomen literatuurlijst.’ Die literatuurlijst is bijgevoegd, maar welke uitspraken precies door wie gedaan zijn, komen we niet te weten. Het had ook niet van belang geweest als Palmen er zelf niet nog eens op wees: ‘In de afgelopen jaren sprak ik talloze mensen over Peter Schat en Marina Schapers en over de dramatische gebeurtenis op 26 juli 1981.
Ik ben hen dankbaar voor hun verhalen.’
Ja, dat zou ik ook denken, dankbaar voor hun verhalen. Wie draagt er nu nog verantwoording voor wat? De schrijver met haar echte fascinatie is al met de noorderzon vertrokken, in rook opgegaan.
Het probleem van Lucifer is niet dat de karakters en personages gebaseerd zouden zijn op werkelijke karakters, personages en gebeurtenissen, dat er halve en hele beschuldigingen in worden geuit en weer teruggenomen, nee, het probleem is dat ze niet genoeg op de werkelijkheid zijn gebaseerd waar Palmen toch een lijntje naar trekt.
We kijken naar Palmen-Houdini die een ontsnappingstruc uitvoert.
‘Ook herinner ik me al die tijd geluisterd te hebben op een manier die ik van mezelf ken, alsof in mijn hoofd een recorder meeloopt die elk woord registreert. En er gebeurt iets anders, iets wat waarschijnlijk des schrijvers is. Het gesprek waarvan ik die middag onverwacht getuige mocht zijn was de stof, waar het om ging was van een andere orde.’ En: ‘Afstevenen op een verhaal is een misleidende uitdrukking, alsof een verhaal kant-en-klaar op straat ligt en opgeraapt kan worden. Zo is het niet. Verhalen worden gemaakt en daarom zijn ze interessant. Alles wat wordt gemaakt onthult de maker.’
Is Lucifer een tragisch boek?
Nee. Het mag dan de oppervlakkige structuur van de tragedie volgen en bestaan uit vijf bedrijven, de tragiek blijft ver van ons. Al is er een uiterst veelzeggende uitspraak die door Palmen als sleutel tot de oplossing van het raadsel lijkt te zijn neergelegd. Als dat zo is, en daar ga ik van uit, lijkt het me ook de eerste werkelijk moedige passage in het boek, die inzicht geeft in een reëel schrijversprobleem van Palmen zelf dat gespiegeld wordt in Lucas Loos:
‘Lucas heeft gevoel voor drama, voor pathos, voor de hilarisch uitvergrote emoties van de opera, maar hij heeft geen greintje gevoel voor tragiek. En tragiek is de essentie van de literatuur. Sterker nog, ik zou hem zelfs de meest aliteraire en derhalve de meest aan de tragiek vijandige man willen noemen die ik ken. Een van de literatuur doordesemde ziel is een ziel met een passie voor de gevaren en de schoonheid van de taal, voor de gespletenheid van het bestaan. De tragiek van Lucas Loos is dat hij niet tragisch wil zijn. De tragische man, de man van het woord, omarmt de dubbelzinnigheid, omdat hij beseft dat geen waarheid haar kan beslechten, hoe heftig hij ook naar die waarheid mag verlangen. Lucas daarentegen dwingt aan het grillige bestaan een waarheid af, waarmee hij het vluchtige en ongrijpbare woord kan vastnagelen aan het kruis van de heilige overtuiging, opdat het nog slechts een onwrikbare betekenis kan hebben en geen andere.’
In eerste instantie lijkt het misschien of Palmen hiermee ook al de tragiek van de lezers aankaart en die van de vrienden van Loos (door haar geschapen natuurlijk), die een waarheid willen afdwingen, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Palmen hier ook zuiverder over zichzelf spreekt. Dat ze door de macht van de illusie heen wil prikken en in wezen vijandig staat tegenover de literatuur en de illusoire wereld en zo eindigen we bij Houdini, de tweede afsplitsing van Palmen: ‘Net als Lucas bestreed Houdini in anderen waaronder hij zelf het meest leed. Houdini was een illusionist die het illusionisme aanvocht en het geloof erin wilde ontmaskeren. (…) Hij wil zich laten betoveren en toch een ongelovige zijn.’
Wat heb ik de tweede keer gelezen?
Een maker die zichzelf heeft willen onthullen en ook onthult, zonder aanspreekbaar te willen zijn op die onthullingen. Iedereen in het boek draagt verantwoordelijkheid, de levenden en de doden, de fictieve en de echte, maar de maker ontglipt, ontsnapt, doet, poef! de verdwijntruc.
Kunst is vrijheid, zegt de schrijver en ik ben hier niet.
Dat is vrijheid, en het mag, het kan, vaak moet het ook. Maar hier in dit boek, dat door diezelfde schrijver toch steeds, ook als wij daar helemaal niet om vragen of dit verlangen, aan de werkelijkheid wordt vastgeknoopt, is het ook lafheid.
Is Lucifer een knap boek?
Ontegenzeggelijk.
Is Lucifer een goed boek?
Ik weet het niet, ik miste de taal. Ik miste het waarachtige, noodzakelijke liegen, ik miste de noodzakelijke leugenachtige waarheid uit de mond van Palmen.