In de poëziereeks Binnenin plaatsen we een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week een gedicht van Rohan Ayinde vertaald door Alyssia Sebes. 

 

Utopia doorslikken
(vertaling Alyssia Sebes)

We breken de tijdlijn. We breken de tijdlijn.

 

Zwart, black, negro, donker, aankomsten uit plaatsen waar we ooit nieuwkomers waren.

 

We breken de tijdlijn, als voeten die op de maat van een naderende trein langs het spoor lopen, het gedender luid genoeg om ganzen op te doen vliegen, als hij aankomt, zijn we er niet, waren we er nooit, zijn we alleen daar, staan we in het midden terug te schreeuwen, we breken de tijdlijn – gezicht van god, gods gezichten, ze weten dat een reis nooit lineair is, dat nooit kan zijn, wij zijn, zij zijn, zijn, ze komen eraan – komen – gaan – blijven – vertrekken – thuis is dwalen, dwalende, dwalen, dwalende, de kerken gaan open zodat het briesje aan het voorhoofd van de parochianen kan likken, zweet sijpelt over gefronste wenkbrauwen. Taal vergeet monden als ze lang genoeg openstaan, lang genoeg schreeuwen, luider, luider, luider –

 

wagenwijd open en slik flatgebouwen door, stik in de toekomst, slik de toekomst weg, word hem, slik flatgebouwen door, slik de toekomst in, vergeet dat je hier aankwam, verbeeld je dat je hier altijd al was, vergeet je cultuur, verbeeld je dat je daar nooit was, de toekomst is niet van jou, is niet, kan niet, slik toch maar in, verzwelg hem om hem te leren kennen, word hem niet, kijk er van een afstand naar, jij, de afstand, vol met afstand, jij – jij, reiziger – jij, vreemdeling – jij, afstand – afstandelijk – land.

 

Landlichamen, verloren utopieën, lege vensters, fonkelende vergezichten, ivoren torens gebouwd voor ivoren mensen, lege huizen en voeten die aan de afgrond dansen, we breken de tijdlijn, dwarsbomen de dromen van mensen die denken dat ze overal aan hebben gedacht, tot de laatste lantaarnpaal aan toe, ook al vergeten ze dat de geschiedenis in beton is gegoten, dat geschiedenis van beton is, dat geschiedenis van beton is – en alsnog vergeten ze ermee te bouwen.

 

We breken de tijdlijn –

 

breken hem in stukken, leggen onze eigen fundering – gebroken sloten, gevulde huizen – we kraken, we gaan binnen, hangen in kroonluchters, maken van ideeën een thuis – maken van plannen een plaats – we maken een eiland, land – we maken, scheuren, tornen en verstellen, naaien aaneen, projecteren ons beeld vanaf het balkon op de muren.

 

Deze muren hebben in onze talen leren spreken, hebben het weefsel overgenomen van dialogen uit huizen die ruiken naar kruiden uit zeven continenten.

 

Deze taxi’s hebben ons thuisgebracht, breedgeschouderd als een ondergrondse spoorweg, huizen voor de gebrokenen, voor de brekenden, voor het geheel dat te horen heeft gekregen dat ze slechts delen zijn.

 

Deze straten kennen namen als bakens; Joesoe Maatrijk, Zwart Beraad, de veteranen, het archief – opgezette tenten in woonkamers en vanaf het balkon kijken hoe de wegen binnenkomen, dan stoppen.

 

Wat doen we, denk je, met leegtes, denk je dat we nooit eerder met een vacuüm te maken hebben gehad, nooit de afstand hebben overbrugd en nooit over onze schouders hebben gekeken zonder ze op te halen, ook al wilden we dat diep in ons hart, we wisten welke prijs er betaald is om daar te komen. Waar we vandaan komen? Wat is een huis anders dan een tijdelijk bouwwerk om een leven in te leven? Wij hebben het vacuüm overschaduwd. De tijdlijn gebroken. Wij, hier, negen levens later, in de gemeenschappelijke ruimte tussen de gebouwen, waar we het beton weer uitspugen, op de geschiedenis kauwen, de toekomst uitdenken, de plannen lezen en met de gelovigen discussiëren – hier woonden we, tenslotte, hier woonden we.

 

 

Alyssia Sebes (1989) is vertaler. Ze studeerde Frans en Spaans aan de Universiteit Antwerpen en Literair Vertalen aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. In 2019 deed ze mee aan vertaalproject The Chronicles van Crossing Border Festival en deze zomer vertaalde ze een theatrale performance voor Noorderzon Festival. Op dit moment werkt ze met een tegemoetkoming van het Letterenfonds aan een fragmentvertaling van Linea nigra van Jazmina Barrera en Los asquerosos van Santiago Lorenzo.


Rohan Ayinde is een multidisciplinaire artiest uit Londen. Hij studeerde aan de School of the Art Institute of Chicago en werkt voornamelijk met poëzie en fotografie. Ayinde stelt de steeds veranderende en complexe wereld om hem heen in vraag. Belangrijke thema’s in zijn werk zijn etniciteit, politiek en door de mens gecreëerde systemen die ons leven bepalen. Zijn werk is persoonlijk, politiek en universeel, en empathie is altijd het uitgangspunt.

 

 

In onze rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter.
Deze week: Ruth van Rossum.

 

Op drift

Ze leunt tegen me aan.
Haar oor zoekt onze hartslag
om in te schuilen.

Een vlinderhand ligt om mijn borst
en langs mijn rug word ik gestreeld
als waren we verliefd.

Zij is het deinend wier,
ik de verweerde ankerpaal.
We houden ons vast aan elkaar.

 

Het ijs smelt

Komt er uit het niets een arm met beker naar je mond
vreemd ding in je gezicht sneller dan je hoofd kan volgen
draai weg je lijf van overval duw nee met tong of pols
je bepaalde vroeger zelf of je iets drinken zou of niet

Zet schrap als men je mee wil vleien naar beugel-wc
het instinct van je cellen ze herinneren zich goed
dat stulpend paarse aambeien het uitgillen van pijn
bij een snelle washand scherpe zeep of natte doek

Zeg nee als je ontheemd bent op de plek waar je nu bent
als je hoort dat we praten maar de woorden niet herkent
nee als je moet gaan slapen op je zij rug naar de deur
en niet overzien kan wie er in je kamer zijn

Weiger drank die bitter bijt niet wegtrekt urenlang
stribbel bij witjas wachtkamers de dreiging van een spuit
roep nee als belagers uit spelonken van je brein
ongrijpbaar jou besluipen dichterbij schreeuw ze eruit

Smeek au bij scrub van puisten op je dun-huidige liezen
knijp weerloos billen in verzet als je gewassen wordt in bed
als handschoen vinylblauw je bange kont met crème wil vegen
schurende luier moet weer aan je voelt je eigen buik maar even

Schud nee bij het voeren je wilt zelf tasten naar eten
al kan hand niet meer grijpen – laten vallen en vergeten
vecht als je de douche ziet knetter kortsluiting doodsbang
nee al is het zinloos zij zijn sterker altijd sterker

Geef ons je nee in al je talen fluister verzet zo lang je kan
verzet is kracht is leven is bij ons op aarde blijven
jouw nee is de schots waar we heel even nog op drijven
heel even nog op staan voordat we gaan

 

Konijn

Ik sluit haar kleren op hermetisch
om haar geuren te behouden
het laatste T-shirt dat ze aanhad
en de klamme stervensdeken

Het konijn dat haar de hand hield
toen ze niet goed meer kon praten
hou ik bij me in het donker
om nog iets van haar te smaken

Onder de dekens als het warm is
kan ik de vage pislucht ruiken
en ik adem het als honing
adem haar voor ze vervliegt

 

Dichter Ruth van Rossum publiceerde de bundels Eilandranden en Sakasegawa. Ze redigeerde Hans van Rossums bewerking van de Rubaiyat van Omar Khayyam. Van Rossum treedt op en is dichter voor De Eenzame Uitvaarten in Den Haag. De hier geplaatste poëzie maakt deel uit van Elegie voor de maanprinses, een cyclus van rouwgedichten bij de dood van haar zus.

 

 

In onze rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter.
Deze week: Twan Vet.

 

De vrouw die ooit mijn moeder was

Een vrouw staat bij mijn wieg. Ze draagt een
hemd van crêpepapier, werpt een scheve blik op
mij en ik, ik slaap en weet van niets.

Dan valt mij de leegte in haar armen op:
dat is de vrouw die ooit mijn moeder was,
denk ik. En die baby daar, dat is de zoon die ik

had kunnen zijn. Hoe ze daar doodstil staat, alsof een
ander mij zonet heeft uitgebraakt. We delen daar dezelfde
kamer, dezelfde lucht en hetzelfde raam met

uitzicht op een beter leven. De vrouw die nu door
stom geluk de titel ‘moeder’ draagt en nooit om flessen,
kleine kleren, luiers heeft gevraagd –

ze kijkt me aan, ze stopt me in, ze wenst me
alle goeds en draait me met twee vreemde
handen naar een ander leven toe.

 

De man die nooit mijn vader was

Mijn vader krijgt geen plek in dit gedicht.
Wel een trein die mij een nieuwe dag

in rijdt, een buurman die zijn tulpen aait,
een uitgebluste, duifgrijze vrouw die door

een hond door de straten wordt gesjouwd,
mijn kat, die gulzig over muizen, vogels,

hazen droomt – ik weet dat ze nog steeds in
het reusachtig rekken van haar kaak gelooft –,

het meisje dat haar zachte stempel drukte op
mijn bed en nu hardnekkig aan een ander denkt –

bijna iedereen mag in dit gedicht, maar niet de man
zonder gezicht, die laag en laf de benen nam

en zelfs geen letters voor me over had,
de man die de gevolgen van zijn daad,

zijn zaad, zijn voortbestaan vergat en ging –
mijn vader mocht geen plek in dit gedicht.

 

Het kind dat ik niet heb

Vanmiddag keek ik op de klok, schrok, griste mijn sleutels
van de tafel en fietste hard naar het verlaten schoolplein
waar ik uren wachtte op het kind dat ik niet heb.

Vaak weet ik dat ze niet bestaat, maar soms
denk ik dat mijn dochter over onverlichte wegen van
een sportclub naar het huis toe fietst en onverklaarbaar

oplost in het niets. In elke jongen die ik zie op
straat zie ik een monster dat alleen aan neuken
denkt en haar straks ook de hel in naait.

Vannacht zal ik weer zoeken naar de kamer die mijn huis
niet heeft, om te zien hoe ze vredig ligt te slapen,
om te fluisteren dat ze zich geen zorgen hoeft te maken.

 

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedjes. Hij schreef columns voor o.a. Tirade, zijn gedichten verschenen eerder in o.a. Tijdschrift Ei, Ooteoote en in verschillende bloemlezingen en hij droeg voor op podia zoals Dichters in de Prinsentuin en de Nacht van de Literatuur. Van 2021 tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort.

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Willemijn van den Geest. 

 

Het is niet dat ik vaak hemels mis.

Maar nu de daken op me janken, ze langs muren plengt
en bodems raakt, verloopt het.

Wij leven in uitgegumde lijnen tot de wereld. Eten
voorverpakte ogenblikken. Herkauwen ons.

En ik ken de regen, ken het vallen.

Het doet er niet toe. Ik kan op plekken komen waar nog
via straten in oneindigheid te lopen is.

Daar verken ik zwarte tuinen. Waar verf door vocht van muren
bladdert. En ondanks dat klimops nog klimmen.

Hemels in.

Teruggekomen zie ik ze op planken van bestaande meubels
stormt het als een wervelwind de kelen in begint
opnieuw het regenen.

Wat ik niet ken: hoe tuinen horizontaal dagen in groeien
daar vormen van geluk aannemen.

Hoe vloeren eindes zijn, dat heb ik nooit geleerd
ik loop er rond als dier dat wil gaan liggen maar ik lig niet
lig nooit.

Blijf naar boven kijken. Hemels in.

 

Willemijn van den Geest (1988) is schrijver en dichter en woont in Italië. Zij studeerde Nederlands en Filosofie in Groningen en Amsterdam. Naast het schrijven van poëzie werkt zij regelmatig met muzikanten aan interdisciplinaire projecten voor spoken word en muziek. 

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Pieter Franciscus M

 

Novaceen

genetisch ongemanipuleerde kinderen plukken genetisch gemanipuleerd katoen
de jonge monnik draagt een habijt van hoogtechnologische waterafstotende vezel

Q: wat is er nodig om de wereld perfect te maken?
A: de terugkeer van de hongersnood en de zwarte mis
A: een gesubsidieerd archief met naaktfoto’s van alle wereldleiders en profeten
A: het uitbesteden van genocide aan de cloud

de jonge monnik drinkt een blikje Monster energydrank met thee-extract en zwijgt
of: de jonge monnik drinkt alleen nog gedestilleerd water, al de rest is samsara

ik zou een humanist zijn maar ik kan de mensen niet uitstaan
of: ik zou een Jezuïet zijn maar ik kan hun god niet uitstaan

of: ik zou de jonge monnik zijn maar mijn verlangen is te groot
naar een tuin in de afvalbergen, een theeceremonie met geslachtloze robots

ik wil wel naaktfoto’s van je kopen maar alleen als je gezicht er duidelijk herkenbaar op staat
of: alleen als je binnen afzienbare tijd een positie met macht en aanzien verwerft

ik was mijn handen in de cloud
Q: wat ben ik met pornografie als ik er niemand mee kan afpersen?
A: al de rest is samsara

het algoritme heeft de perfecte afstanden berekend
tussen de landschapselementen van de Boeddhistische Zentuin
die ik wil bouwen in de glooiing van de afvalberg
Q: maar waar vind ik mensen voor het ingraven?

ik heb geld maar geen vrienden of familie
wel invloed maar mijn handen zijn opgelost in het zuur van de cloud

Q: kan er iemand tegen betaling de microplastics uit mijn habijt komen pulken?
A: die technologie staat jammer genoeg nog niet op punt
A: en al de rest is samsara

 

Pieter Franciscus M (FKA Pieter Van de Walle, 1992) is schrijver en wetenschapper. Hij publiceerde in Het Liegend KonijnHard//HoofdDW B en De Optimist. Zijn teksten vielen in de prijzen bij Write Now! en de Interuniversitaire Literaire Prijs. Hij is klimaatdichter, recensent bij De Reactor en redactielid bij deFusie. Zijn werk is doordrongen van technologie, kleine absurditeiten, wilde natuur en menselijk falen. Meer vind je op https://nachtglas.be.

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Emma van Hooff. 

 

ik ga licht worden waar geen licht is

al moet ik mijn ziel drie keer wassen

en mijn lichaam dezelfde koprollen

laten maken als mijn ziel in de droog-

trommel zodat ik synchroon blijf lopen

wanneer ik mezelf weer bij mezelf voeg

 

ik ga licht worden waar geen licht is

aan het einde bijvoorbeeld

als plafondlamp die alleen brandt

wanneer er iemand onderdoor loopt

 

maar wat als iedereen licht wordt

waar geen licht is en daardoor

nergens onderdoor loopt en het overal

donker blijft dan kan ik beter

een deur worden waar geen deur is

 

en voelen hoe een mens in mijn opening

groeit in zijn vertrek

 

Emma van Hooff (1997) is dichter en schrijver. In 2021 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool in de vakken poëzie en toneel. Ze publiceerde gedichten in onder meer Het Hollands Maandblad, Kluger Hans, Ooteoote, De Revisor en Tijdschrift Terras en betrad meermaals het podium. In januari 2022 verschijnt haar debuutbundel bij Uitgeverij Atlas Contact.  

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Anne Louïse van den Dool. 

 

Zwem af

Naarmate je ouder wordt, vergeet je de
ware aard van de dingen.
Een kaars is geen potentiële brand,
een knetterend stekkerblok geen vagevuur,
een gaspit geen voorstadium
van een verkolend huis.

Huilen is niet langer een teken van verdriet maar van hysterie,
de afstand van je voeten tot de grond geen vallen maar
de overgang van hier naar zelfstandigheid,
een lekkere band, een losse stoeptegel
geen voorbode van iets kwaads,

de drie keer trappelen naar de
zwembadrand de lengte van een mierenlijf, alsof
zoveel diepte niets is om bang voor te zijn –
tijdens het afzwemmen tuf ik mezelf vol water,
houd ik met een verkrampte pink de tegels vast.

Wanneer we naar buiten lopen –
handen op mijn klamme schouders,
bibberend van de wolken die ik blaas –
gaat mijn diploma van omahand tot omahand.
Van dichtbij bekijken ze
de handtekening van de badmeester,
alsof ze speuren naar een teken van vervalsing.

 

Anne Louïse van den Dool is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, Vrij Nederland, HP/De Tijd en vtwonen. Ook geeft ze regelmatig cursussen, workshops, lezingen en performances. Haar debuutroman Achterland verscheen in 2014 bij Querido; haar tweede boek, Vluchthaven, verscheen in augustus 2020. Haar gedichten verschenen onder andere in Tirade, Poëziekrant en DWB.

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: rozalie hirs. Het gedicht komt uit haar nieuwe dichtbundel oneindige zin die dit najaar bij Querido verschijnt. 

 

*

 

de eigen dood gewekt door een slang in de kist wel

een levende als de geplukte appel van je kind te verstaan

 

als de valsheid van de wereld zich opent in volmaakt

regelmatige bewegingen om de schijn te redden

 

dwalende sterren gewaar te worden misschien uitgaande

van een samenhang zelfs met andere sferen of een reeks

 

van weer andere oneindig gecompliceerde schijnbewegingen

te ontdekken sterren die in werkelijkheid schijnen nieuw licht

 

op een vraag te werpen misschien juist tastbaar op dit moment

en je de glans begrijpt als schijn van verschijning en dwaling

 

in weerschijn voor een ander begrip dan je zin uiteindelijk

blootgesteld alweer gescheiden van zijn begrijpelijkheid

 

rozalie hirs (1965) is dichter en componist. Van haar hand verschenen zeven dichtbundels bij Querido, van Locus (1998) tot oneindige zin (2021), en zes verzamelbundels in andere talen, waaronder haar meertalige manifest gestammelte werke (2017) bij het vermaarde kookbooks, Berlijn. Daarnaast maakt Hirs sinds 2002 in samenwerking met ontwerpers en beeldend kunstenaars regelmatig interactieve poëzie voor het scherm. https://www.rozaliehirs.nl/

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Steven Van Der Heyden.

In een mens

We zijn gekwelde atomen met een ingebouwd einde

een losse constructie, haarscheuren in ieder van ons

Elke ochtend stellen we ons samen

Op straat stulpen onze maskers uit

klappen daarna terug in

alsof we opnieuw kieuwen ontwikkelen

We zijn een spiegelpaleis

met semi-doorlaatbare wanden

voor idealen en verwachtingen

Achter de uitgesproken woorden

een oerwoud aan gedachten

we zoeken asiel in onze verbeelding

Als gewonde dieren druipen we af

uit een onbeslist gevecht, missen

het instinct om ons niet te snijden

 


Over de dichter:
Steven Van Der Heyden (Gent, 1974) probeert met zijn gedichten de horizon te verlengen en de bodem uit de dagen
te halen. Hij is een zoeker en in die zin altijd onderweg. Taal kan dan richting geven. Poëzie is zijn manier om een
plek te vinden in een wereld die hem niet
helemaal past. Gedichten van hem verschenen in diverse tijdschriften
waaronder Het Gezeefde Gedicht, Meander, De schaal van Digther, Ballustrada, Extaze en Liter.
In februari 2020
debuteerde hij bij Uitgeverij P met de duo-bundel Tot ze koud is. Steven is klimaatdichter en redactielid van het
e-zine Roer.land. 

 

In de rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter. 
Deze week: Anne Provoost.


Sint-Astvatsin in Haghartsin 

We waren hoger dan de kerk

Het duurde dagen voor we in Dilijan waren

We gingen voorbij het meteorologisch station

Ik was ziek toen we boven kwamen

Mijn eisprong viel uit om mijn krachten te sparen

We volgden het stijgen van de Kleine Beer

boven de kloof van sheikh Al-Qasimi

 

De ram werd gebraden

maar ik wilde niet eten

omdat zijn poten zo leken

op de grijze revers van mijn jas

 

en zijn kudde de grenslijn bewaakte

 

De bomen raakten met hun kroonschuwheid

elkaar met hun wortels, niet met hun bladeren

omdat ze zoals velen die dagen

bang waren voor contact

 

We waren in beeld moeten blijven

dan hadden we nu de bewijzen

 

Dan wisten we of wat we hadden gemaakt

porno was

of een reisje

 


Accolade 

 { Dit gedicht heeft geen plannen

      en is zo oud als de heuvels

het wil meer achterhalen dan 

      wat uw kat ervan vindt

het draait aan de staart

      in een hersenpunt

 

Als het misschien toch zoiets is

      als een betekenisvolle ontmoeting 

tussen twee ezelsoren 

      aan een vol en grijs schrift

wat is dan de spijt van de dichteres

      als het af is?

 

We drinken op onze afscheidslever

      en ik tag u niet

want twee zinnen veranderen 

      werkelijk alles

en uw dubbele aanhalingstekens

      zijn net zo goed als de mijne

 

Maar uw leestijd vandaag 

      is mijn volledige menselijkheid }

 

Over de dichter:
Anne Provoost schrijft romans, essay, korte verhalen  en sinds kort ook poëzie. Ze is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel, twee keer de Gouden Zoen. Haar roman Vallen werd verfilmd. Voor In de zon kijken kreeg ze driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur. Haar werk is in twintig talen vertaald.