In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Tyche Tjebbes.

 

 

OUDST

de oudste man ter wereld is weer overleden
het staat in de krant en altijd woont hij ergens anders
alsof hij niet dood maar gewoon verhuizen wil

 

 


Over de dichter:

Tyche Tjebbes (1982) schrijft proza en poëzie. Ze studeerde filosofie en religiestudies
aan de Universiteit van Amsterdam. Eerder verscheen haar werk in Op Ruwe Planken
en in de festivalbundel van het ILFU.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Anne Sanderling.

 

                                                                                                                  mirakelspel

 

 

Over de dichter:
Anne Sanderling (1971) schrijft overdag commerciële teksten en ‘s nachts poëzie en essays.
Ze studeerde Nederlandse taal- en letterkunde en debuteerde ooit in Passionate. In 2019 won
ze de essayprijs van het Nederlands Klassiek Verbond. Anne woonde twaalf jaar in Afrika.
Ze droomt ervan om een tijdje bij de San te wonen, onze oudste voorouders.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Vincent Van Meenen.

*

 

2

Mijn boot is leeg, de schipper leest haiku’s
aan het kanaal. De sluiswachter kijkt scheel.
Hij smeert ons in met afvalwater, slijm.

Het kan slechter. Ze maken nog geen zeep
van ons buikvet. Ik wil geen video’s
meer zien, ik wil je adem ruiken ’s nachts,
niet de walm van het collectief geheugen.
Waarheen moeten de bladeren ons dragen?

Verlaat het bed, verdrijf de droom. Genoeg
gelachen met geschiedenis. Sta op.
Ga aan de slag. Je wordt hier niet gedoogd.

 

 

Vincent Van Meenen (Haute-Vienne, 1989) is de prijswinnende auteur van drie Nederlandstalige romans, uitgegeven bij Nijgh en Van Ditmar. Hij heeft een tijdje theater gemaakt met vluchtelingen in Athene en doctoreert in het surrealisme aan de Universiteit Antwerpen.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Sytse Jansma

*

De eerste dagen

dat dit tot de mogelijkheden behoorde
konden we weten toen we aan elkaar begonnen,
zonder enige moeite wonderden we het dagelijkse
omhoog, verwarmden we de smoor in onze hoofden,
wat er toen gebeurde: duizend rode draden,   als warme
lenteregens, drenkten de grond achter   je ogen en toen
werd je meegenomen, zo is het gegaan,   zachter dan dit
kan ik het niet beschrijven

hoe ik ook naar je kijk, diep in de put
van je pupillen, iets van jou naar boven
probeer te halen, tekortschiet, maar toch
blijf kijken, tot ik besef, wat ik almaar dieper  wil
beseffen; hier is niets meer om op te wachten.  in
jouw binnenkamer, naast de verstilde portretten
en de droogboeketten, klinkt slechts het krassen
van een naald op een afgelopen langspeelplaat

alles lijkt nu te verlopen in fasen, ook na je dood,
het branden van de ovens, dan het grijze pulver
dat als je het in je handen houdt, zandloperig zilver
langs je vingers, dan hoe het getij je opneemt  in
zijn canvas van zand en slik, ergens onbedoeld
bodemt op een strand van kuna yala of knokke-
heist,   daar weer ontwaakt als rammelende
scharen, verrukkelijke vormen, venusjes van alles

 

Over de dichter

Sytse Jansma (1980) is dichter en beeldend kunstenaar en woont in Harlingen. Daarnaast is hij werkzaam als educatiemedewerker bij theatergezelschap Tryater. Zijn Friestalige debuutbundel Wa’t tate seit moat ek whisky sizze verscheen in 2008. Zijn tweede bundel was tweetalig en verscheen in 2015 met de titel as nomaden yn tinten teplak / als nomaden in tenten terecht. In 2016 verscheen het prentenboek Wapperwaar hij de tekst van heeft verzorgd.  Voor zijn Friese gedichten kreeg hij in 2006, 2011 en 2012 de Rely Jorritsma-prijs. Hij heeft op meerdere festivals opgetreden; onder andere het International Kistrech Poetry Festival in Kenia (2018), het Explore The North Festival (2018, 2019) en tijdens Kunstmaand Ameland (2015).

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Sytske van Koeveringe.

 

 

NAAR DE ACUPUNCTURIST 

 

Maak je maar geen illusies vriend

Zeg niet dat het je goed gaat voor ik naar je pols heb geluisterd

 

Je tong is je middelvinger

Steek ‘m uit naar alles dat schreeuwt

 

Je buik zit in je elleboog

in je voet maar ook in je knie

Nee

Niet vragen of je knie, elleboog en voeten in je buik zitten- 

Luister naar jezelf via mij

 

Laat duidelijk zijn dat je voet je mond is

 

En je baarmoeder?

Hahaaaa!

Die zit niet waar je denkt dat ze zit-

Het is je enkel waar je last van hebt

 

En in je knieën zitten je nieren en in je nieren zitten je grenzen 

Nieren bestaan niet uit zes of vier maar uit drie letters

Nee zijn je nieren

Vandaar dat je zo moe bent

Kom eens op voor jezelf 

Wees lief voor de nieren en geef je grenzen aan! 

 

Dus let op!

Je lever zit in je tong 

(of je tong in je lever) 

En je lever is compleet naar de getver

Heb je dat niet door? 

 

Je pols zegt: het leven mat je af waar je bijstaat!

 

En je elleboog is je borst

En je vingers zijn je smaak

Voet – vreetbui

Oor – stress

Arm. 

Been.

 

Rug. 

Mijn god-

Laten we het in godsnaam niet over je rug hebben

 

 

Over de dichter:
Sytske Frederika van Koeveringe (1988) is beeldend kunstenaar en schrijver. Afgestudeerd aan
de Gerrit Rietveld Academie (2014) in de richting Beeld & Taal. In 2017 debuteerde ze met de
roman Het is maandag vandaag en in 2020 verscheen Dag nacht licht toch. 
Ze schrijft
regelmatig voor NRC Handelsblad, toneel voor Productiehuis Frascati, en poëzie.
Momenteel
spaart ze de kleur oranje en volgend jaar gebeuren er ook weer dingen. Maar dat ziet u dan wel.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Willemijn van den Geest.

 

 

Vorm

 

Uit angst in massa af te nemen onmerkbaar aan

de randen af te brokkelen ontwaak ik in een mal

waarin mijn vloeibaarheid nauwkeurig past

 

Alleen in andere gedaantes stap ik uit mijn stut alleen

wanneer ik lang genoeg gekneed en voldoende

ben verdwenen kan ik van binnen naar buiten bewegen

 

De opgave: geloven dat een lijf iets is dat past

in dingen buiten, overtuigd ontkennen dat het groeit in

scherpe randen die veranderen wat ik niet raken wil

 

daarna: deuken in het asfalt achterlaten zo vast

een vorm aannemen dat de dingen niet mij

maar ik hen aanpas en uiteindelijk zeggen

 

dit is mijn huis ik heb er altijd willen wonen

 

tot er iemand in mijn afdruk stapt

 

 

Over de dichter:
Willemijn van den Geest (1988) is dichter en woont in Italië. Zij studeerde Nederlands en Filosofie in Groningen en Amsterdam. Haar werk verscheen eerder in Kluger Hans. Daarnaast werkt zij regelmatig aan interdisciplinaire projecten voor spoken word en muziek.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Sara Eelen.


Vandaag leg ik je uit wat sneeuw is


vandaag leg ik je uit wat sneeuw is
als een witte gedachtegang of tasten met verdoofde ogen
een oefening in contrast
 
denk terug
aan het inkrimpen van hout in de winter
het uitzetten van bevroren water
de gedachten tussen het beven door

hoe alles ooit de vorm krijgt van iets
dat nooit zou passen
 
denk terug
aan hoe we met onze handen een kom vormden en waakten
tot de dag vloeibaar werd en ons mee zou voeren
meermaals loste hij op in een eindeloze spiegelvlakte
was hij overal en nergens
tot de dooi hem weer naar huis drong
een vaste vorm met een harde hand

vier mensen aan een keukentafel
elk een andere vorm van nevel in het hoofd
en toch allemaal met de neerval van de dag in gedachten
 
als je de nacht open laat staan
weet je nooit waar hij eindigt
 
als je je ogen sluit om zijn beeld te vangen
raad je nooit hoe hij verdwijnt



Over de dichter:
Sara Eelen (1994) ziet poëzie in alles. Ze legt dit vast in film, foto en tekst. Eerder werk verscheen
in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn, Deus ex Machina en Tijdschrift Ei. Ze stond op diverse
podia, zoals ‘Nuff Said en De Nacht van het Woord, waar ze haar gedichten in gepersonaliseerde
toekomstvoorspellingen goot of ze in het donker aan mensen toefluisterden. Sinds kort engageert ze
zich ook als klimaatdichter.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Bob Vanden Broeck.



De zon komt op in een world wide weide  

De zon komt op in een world wide weide 

elk verschijnsel ligt een klik van zichzelf verwijderd 


een hysterische scooter rijdt het langzame landschap in twee 

een historische haagbeuk  

een communistische koe 


de takken van de eiken 

die elkaar net niet raken over de randen  

van mijn handen tasten mijn handen 

naar mijn andere handen 

een lekke voetbal in een vijver  


op de berm van een stinkende beek 

staan Adam en Eva in veel te grote ruimtepakken 

pesticiden te sproeien  


mijn lichaam schommelt  

tussen medicatie en meditatie 


ik heb het over recessie  

ik over depressie  


ik groet de zon 

de zon wil privacy 



Over de dichter:
Bob Vanden Broeck schrijft poëzie en teksten over hedendaagse kunst. Hij publiceerde
reeds poëzie in/op DW B, De Gids, nY en Het Liegend Konijn. 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Anne van den Dool.


Diepvriesfruit


Wat als je elke dag door een 

tunnel moet kruipen om bij je geliefde 

te komen? 


Het zullen je 

wangen zijn,

opgedeeld in zesentwintig stukjes,

je neusvleugels, je gelach –

een colbertje dat je rond mijn zusjes schouders sloeg,

zo zoet, zo koud was het in de achtertuin.

Helemaal in het wit gekleed was je,

als een oude man met een eigen strandpaviljoen,

en zij en jij verdwenen rond een hoekje, 

kwamen met zand tussen de tenen terug.

Dat zijn tong had geprikt, zijn handen gejeukt,

ze zijn adem had geroken



en nu deel ik mijn uitzicht weer met hem –

hoewel: het is meer een kokertje waarvoor we ons verdringen,

als een mens dat voor je flatdeur verschijnt,

en met het geprik van de deurmat in onze voeten vragen we ons af 

wat het betekent iemand pijn te doen

en dat nooit te willen toegeven.


Ik begin te vermoeden dat je alles om ons heen hebt ingevroren

omdat het dan minder vlekken maakt.

Ik begin te vermoeden dat je verder staat te kijken.

Ik begin te vermoeden dat je gaat slapen met de vraag:


wat wil ik liever nog 

dan dit.



Over de schrijver:
Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Haar gedichten verschenen
onder andere in TiradePoëziekrant en DW B. In augustus kwam haar tweede roman, Vluchthaven, uit bij Querido.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Andrés Neuman. 



 

XVI


Aanschouw hoe het licht

zijn territorium kiest.

Het verlangen duurt voort, niet de rust.


Willekeurig en ordelijk

zou deze naderende golf

de jouwe kunnen zijn.

Aanvaard hem. Wees kort.

Wanneer hij aan je voorbij is,

heb je wellicht iets begrepen

van het geluk.


 

 
Vertaling: Luc de Rooy

Over de dichter:
Andrés Neuman (Buenos Aires, 1977) is een Spaans-Argentijnse schrijver die in
Nederland voornamelijk bekend is om zijn roman De eeuwreiziger. Maar Neuman
schrijft ook verhalen, essays en poëzie. 

Over het gedicht (een noot van de vertaler):
18 gedichten staan er in Mundo Mar, geschreven tussen 2000 en 2005 en opgenomen in de bundel Decada van Andrés Neuman. Redelijk vroeg werk rond één thema: de zee. Zoals zovele dichters die hun jonge jaren in Zuid-Spanje woonden, is Neuman hierin schatplichtig aan Lorca, zoals in gedicht III: ‘Op de afgelegen lijn van het verlangen, / dat oppervlak van lichten en stromen, / houdt een zeilboot zich drijvend. / Van jou hangt de reis of de ongerustheid af, / wat hij vangt of wat zijn bestemming is, / de afstand die hij zal overbruggen.’ Het lot, het verlangen, de maan, de verre blik en een nakend onheil – allemaal komen ze voorbij in die gedichten. En de pathos natuurlijk – maar die horen bij de jonge dichter, Lorca en de zee.