In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Sara Eelen.


Vandaag leg ik je uit wat sneeuw is


vandaag leg ik je uit wat sneeuw is
als een witte gedachtegang of tasten met verdoofde ogen
een oefening in contrast
 
denk terug
aan het inkrimpen van hout in de winter
het uitzetten van bevroren water
de gedachten tussen het beven door

hoe alles ooit de vorm krijgt van iets
dat nooit zou passen
 
denk terug
aan hoe we met onze handen een kom vormden en waakten
tot de dag vloeibaar werd en ons mee zou voeren
meermaals loste hij op in een eindeloze spiegelvlakte
was hij overal en nergens
tot de dooi hem weer naar huis drong
een vaste vorm met een harde hand

vier mensen aan een keukentafel
elk een andere vorm van nevel in het hoofd
en toch allemaal met de neerval van de dag in gedachten
 
als je de nacht open laat staan
weet je nooit waar hij eindigt
 
als je je ogen sluit om zijn beeld te vangen
raad je nooit hoe hij verdwijnt



Over de dichter:
Sara Eelen (1994) ziet poëzie in alles. Ze legt dit vast in film, foto en tekst. Eerder werk verscheen
in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn, Deus ex Machina en Tijdschrift Ei. Ze stond op diverse
podia, zoals ‘Nuff Said en De Nacht van het Woord, waar ze haar gedichten in gepersonaliseerde
toekomstvoorspellingen goot of ze in het donker aan mensen toefluisterden. Sinds kort engageert ze
zich ook als klimaatdichter.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Bob Vanden Broeck.



De zon komt op in een world wide weide  

De zon komt op in een world wide weide 

elk verschijnsel ligt een klik van zichzelf verwijderd 


een hysterische scooter rijdt het langzame landschap in twee 

een historische haagbeuk  

een communistische koe 


de takken van de eiken 

die elkaar net niet raken over de randen  

van mijn handen tasten mijn handen 

naar mijn andere handen 

een lekke voetbal in een vijver  


op de berm van een stinkende beek 

staan Adam en Eva in veel te grote ruimtepakken 

pesticiden te sproeien  


mijn lichaam schommelt  

tussen medicatie en meditatie 


ik heb het over recessie  

ik over depressie  


ik groet de zon 

de zon wil privacy 



Over de dichter:
Bob Vanden Broeck schrijft poëzie en teksten over hedendaagse kunst. Hij publiceerde
reeds poëzie in/op DW B, De Gids, nY en Het Liegend Konijn. 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Anne van den Dool.


Diepvriesfruit


Wat als je elke dag door een 

tunnel moet kruipen om bij je geliefde 

te komen? 


Het zullen je 

wangen zijn,

opgedeeld in zesentwintig stukjes,

je neusvleugels, je gelach –

een colbertje dat je rond mijn zusjes schouders sloeg,

zo zoet, zo koud was het in de achtertuin.

Helemaal in het wit gekleed was je,

als een oude man met een eigen strandpaviljoen,

en zij en jij verdwenen rond een hoekje, 

kwamen met zand tussen de tenen terug.

Dat zijn tong had geprikt, zijn handen gejeukt,

ze zijn adem had geroken



en nu deel ik mijn uitzicht weer met hem –

hoewel: het is meer een kokertje waarvoor we ons verdringen,

als een mens dat voor je flatdeur verschijnt,

en met het geprik van de deurmat in onze voeten vragen we ons af 

wat het betekent iemand pijn te doen

en dat nooit te willen toegeven.


Ik begin te vermoeden dat je alles om ons heen hebt ingevroren

omdat het dan minder vlekken maakt.

Ik begin te vermoeden dat je verder staat te kijken.

Ik begin te vermoeden dat je gaat slapen met de vraag:


wat wil ik liever nog 

dan dit.



Over de schrijver:
Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Haar gedichten verschenen
onder andere in TiradePoëziekrant en DW B. In augustus kwam haar tweede roman, Vluchthaven, uit bij Querido.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Andrés Neuman. 



 

XVI


Aanschouw hoe het licht

zijn territorium kiest.

Het verlangen duurt voort, niet de rust.


Willekeurig en ordelijk

zou deze naderende golf

de jouwe kunnen zijn.

Aanvaard hem. Wees kort.

Wanneer hij aan je voorbij is,

heb je wellicht iets begrepen

van het geluk.


 

 
Vertaling: Luc de Rooy

Over de dichter:
Andrés Neuman (Buenos Aires, 1977) is een Spaans-Argentijnse schrijver die in
Nederland voornamelijk bekend is om zijn roman De eeuwreiziger. Maar Neuman
schrijft ook verhalen, essays en poëzie. 

Over het gedicht (een noot van de vertaler):
18 gedichten staan er in Mundo Mar, geschreven tussen 2000 en 2005 en opgenomen in de bundel Decada van Andrés Neuman. Redelijk vroeg werk rond één thema: de zee. Zoals zovele dichters die hun jonge jaren in Zuid-Spanje woonden, is Neuman hierin schatplichtig aan Lorca, zoals in gedicht III: ‘Op de afgelegen lijn van het verlangen, / dat oppervlak van lichten en stromen, / houdt een zeilboot zich drijvend. / Van jou hangt de reis of de ongerustheid af, / wat hij vangt of wat zijn bestemming is, / de afstand die hij zal overbruggen.’ Het lot, het verlangen, de maan, de verre blik en een nakend onheil – allemaal komen ze voorbij in die gedichten. En de pathos natuurlijk – maar die horen bij de jonge dichter, Lorca en de zee.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Ezra Hakze.




Platanen

Ik loop in mijn legeruniform door de stad, ik loop als een klok

zonder huid door de stad waar de mensen te laat komen

                sirenes snijden door de nacht

waar ik me traag uitstrek


met mijn wortels hobbels in de straat. Forens me een weg

naar huis zoals de mensen ritselen door de straat


waar iedereen te laat is en metro’s haastig, wormachtig

de mensen reizen met hun treinen langs mijn zenuwbanen


of krioelen als een houtwormkever om mijn benen

auto’s en kevers: parasitaire stedelingen, het vreten aan mijn huid


Heb je mij nog gezien? In mijn camouflagekleren? En naakt,

zonder mijn blad en veren? Of langs de gracht, toen het regende?


De stad lag voor me als een slakkenhuis

de stad lag voor me als een opengebarsten cocon, ik wierp mijn vleugels uit


en zag mijn spiegelbeeld in de gracht, bekeek de wortels en de regen,

hoe de tijd van mijn takken in het water drupt






Over de dichter:
Ezra Hakze (1993) werkt als freelance tekstschrijver en redacteur voor
uitgeverijen en online media. In 2017 studeerde ze af op moderne Nederlandse
letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Naast journalistiek werk
schrijft ze essays, poëzie en korte verhalen, die onder meer gepubliceerd
werden op de website van De Groene Amsterdammer en dagblad Trouw.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Daniël Vis.



1.

er is een worp waarmee het net zich

spreidt,

tot zijn volledige omvang spreidt

voor het 

het water raakt. een worp


die in het net besloten ligt,

in het woord dat we gebruiken.



2.

de betekenissen worden telkens weer geboren,

                incarneren,

deze biografieën dwingen ons – 

                in de vorm

is mijn geslacht een wapen, 

in de taal is dat van jou

de plek waar het wapen rust – 

rust het mes in de getroffene?

wat ik vraag is:

bedoelen we ‘een wond’?



3.

ons vlees wordt wakker

in de woorden,

onvolledig,

hoe vaak keren we hierop terug? 

dat de randen van het net

het water raken, even 

in het zicht, gespreid,

en zinken,

zich onder water naar elkaar bewegen. 




Over de dichter:
Daniël Vis (1988) woont in Utrecht, waar hij filosofie studeerde. Als dichter staat hij met
regelmaat op podia in binnen- en buitenland. In 2014 won hij het NK Poetry Slam.
Werk van hem werd gepubliceerd in onder meer Tirade, Het Liegend Konijn, Kluger
Hans en Das Magazin. Hij debuteerde met Crowdsurfen op laag water (2014), zijn tweede
bundel Insect Redux (2018) werd genomineerd voor de J.C. Bloempoëzieprijs.
Zijn meest recente bundel, Het weefsel, verscheen in 2020.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Ted Hughes.


IJdelheid van Kraai

Toen hij goed in de kwaadaardige spiegel keek zag Kraai
Wazen van beschavingen         torens         tuinen
Veldslagen hij veegde het glas schoon       maar er kwamen

Wazen van wolkenkrabbers         webben van steden
Bewasemden het glas hij veegde het schoon        er kwamen

Uitgedijde moerasvarens in waaiers op de wazen
Een druppelende spin        hij veegde het glas schoon       hij tuurde

Om een glimp van het gebruikelijke grijnzende gezicht

Maar het ging niet hij ademde te zwaar
En te heet        en de ruimte was te koud

En daar kwamen de waasballerina’s
De brandende golven        de hangende tuinen       het was spookachtig




Over de dichter:
Ted Hughes (GB, 1930-1998) was dichter, vertaler en kinderboekenschrijver. Van 1984 tot zijn dood was hij Poet Laureate van Engeland. Bekende bundels van zijn hand zijn onder andere The Hawk in the RainCrow en Birthday Letters. Hughes wordt gezien als een van de grootste Britse dichters van de afgelopen eeuw. 

Over de vertaler:
Daan Doesborgh (1988) is schrijver, redacteur van Tirade en maker van de Poëziepodcast. Dit najaar verschijnt bij de Bezige Bij zijn vertaling van Ted Hughes’ bundel Crow.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Emma van Hooff.


in mijn droom voelt de schepper zich niet gehoord

hij pakt de mensen op en legt er stenen voor in de plaats 

met de nauwkeurigheid van een orgaantransplantatie 

zo’n transplantatie vereist mens en steen

waarvan de een beter werkt dan de ander 

de overeenkomst tussen mens en steen

is dat ze beide onderdeel zijn van iets groters

en op cruciale momenten kunnen afbrokkelen 

het verschil tussen de twee is zichtbaar 

wanneer je ze kapotslaat en van de een 

niets overblijft terwijl de ander zich vermenigvuldigd 

de schepper roept dat het tijd is om te verdwijnen

maar een steen heeft geen oren 

met zweethanden raapt hij alle brokken op

legt de mensen terug op hun plek 

ik word opgerold wakker met het hoofd bij de tenen 

en mijn binnenste is koud 





Over de dichter:
Emma van Hooff (1997) studeert poëzie en toneel aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.
Eerder stond ze in de finale van Write Now! en publiceerde ze gedichten in o.a. Het Liegend
Konijn, Kluger Hans, Ooteoote en Tijdschrift Terras. Momenteel werkt ze aan haar debuut-
bundel.


In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Ocean Vuong.



Telemachus


Zoals het een goede zoon betaamt, sleep ik mijn vader 

uit het water, sleur hem aan zijn haar


door wit zand, terwijl zijn knokkels een spoor trekken

dat de golven haastig uitwissen. Omdat de stad


achter het strand niet meer is

waar we haar hebben achtergelaten. Omdat de gebombardeerde


kathedraal nu een kathedraal is

van bomen. Ik kniel naast hem neer om te zien hoe diep


ik zou kunnen zinken. Weet je wie ik ben,

ba? Maar het antwoord blijft uit. Het antwoord


is de schotwond in zijn rug, vol

-gelopen met zeewater. Hij ligt er zo kalm bij


dat hij ieders vader wel kan zijn, gevonden

zoals een groene fles zou kunnen aanspoelen

voor de voeten van een jongen, met daarin een jaar 

dat hij nooit heeft gehaald. Ik raak


zijn oren aan. Vergeefs. Ik draai hem

om. Om hem te zien: de kathedraal


in zijn zee-zwarte ogen. Het gezicht

dat niet van mij is – maar dat ik op zal zetten


om al mijn minnaars voor het slapen gaan te kussen:

zoals ik mijn vaders lippen verzegel


met die van mij & begin

aan het trouwe werk van het verdrinken.


Over de dichter:
Ocean Vuong is de auteur van de bestseller On Earth We’re Briefly Gorgeous (2019)
(door Hollands Diep uitgebracht onder de titel: Op aarde schitteren we even) en de
dichtbundel Night Sky with Exit Wounds (2017), die talloze prijzen in de wacht sleepte,
waaronder de T.S. Eliot Prize. Vuong, geboren in Vietnam en op 2-jarige leeftijd met zijn
ouders naar Amerika geëmigreerd, is als docent creatief schrijven verbonden aan de
Universiteit van Massachusetts Amherst.

Over de vertaler:
Astrid Staartjes, afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie en aan de
Vertalersvakschool, is literair vertaler. Haar gedichten en vertalingen van
poëzie van o.a. Paul Auster, Raymond Carver en Derek Walcott verschenen
in Poëziekrant, de Revisor en Tirade.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we om de week op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Tania Ganitsky.



Montage III

De paarden in de dromen

hebben honger en dorst.

Waar eens gras stond

ligt nu alleen nog bar land

de waterputten en de vennen

zijn opgedroogd.

Af en toe loopt er een wolf voorbij

of een hond

ruikend aan het niets.

Ze verschijnen aan de ene kant en vertrekken aan de andere

als op het podium van een theater.

Het zou me niets verbazen

als het maar één hond was

of maar één wolf

die zich steeds omkleedt.


Tania Ganitsky (Bogotá, 1986) studeerde literatuurwetenschappen en filosofie. Momenteel werkt ze aan de University of Warwick, waar ze zich o.a. met het werk van Emily Dickinson bezighoudt. Ganitsky schreef drie dichtbundels en won twee Colombiaanse nationale poëzieprijzen. Haar werk verscheen in tijdschriften en anthologieën in Latijns-Amerika en Spanje en werd inmiddels in het Engels vertaald. Montage III is de eerste Nederlandse vertaling van haar werk en komt uit de bundel Desastre lento (2018).

Luc de Rooy (Elsloo, 1979) is literair vertaler en uitgever, voornamelijk van Latijns-Amerikaanse schrijvers.