In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Willemijn van den Geest. 

 

Het is niet dat ik vaak hemels mis.

Maar nu de daken op me janken, ze langs muren plengt
en bodems raakt, verloopt het.

Wij leven in uitgegumde lijnen tot de wereld. Eten
voorverpakte ogenblikken. Herkauwen ons.

En ik ken de regen, ken het vallen.

Het doet er niet toe. Ik kan op plekken komen waar nog
via straten in oneindigheid te lopen is.

Daar verken ik zwarte tuinen. Waar verf door vocht van muren
bladdert. En ondanks dat klimops nog klimmen.

Hemels in.

Teruggekomen zie ik ze op planken van bestaande meubels
stormt het als een wervelwind de kelen in begint
opnieuw het regenen.

Wat ik niet ken: hoe tuinen horizontaal dagen in groeien
daar vormen van geluk aannemen.

Hoe vloeren eindes zijn, dat heb ik nooit geleerd
ik loop er rond als dier dat wil gaan liggen maar ik lig niet
lig nooit.

Blijf naar boven kijken. Hemels in.

 

Willemijn van den Geest (1988) is schrijver en dichter en woont in Italië. Zij studeerde Nederlands en Filosofie in Groningen en Amsterdam. Naast het schrijven van poëzie werkt zij regelmatig met muzikanten aan interdisciplinaire projecten voor spoken word en muziek. 

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Pieter Franciscus M

 

Novaceen

genetisch ongemanipuleerde kinderen plukken genetisch gemanipuleerd katoen
de jonge monnik draagt een habijt van hoogtechnologische waterafstotende vezel

Q: wat is er nodig om de wereld perfect te maken?
A: de terugkeer van de hongersnood en de zwarte mis
A: een gesubsidieerd archief met naaktfoto’s van alle wereldleiders en profeten
A: het uitbesteden van genocide aan de cloud

de jonge monnik drinkt een blikje Monster energydrank met thee-extract en zwijgt
of: de jonge monnik drinkt alleen nog gedestilleerd water, al de rest is samsara

ik zou een humanist zijn maar ik kan de mensen niet uitstaan
of: ik zou een Jezuïet zijn maar ik kan hun god niet uitstaan

of: ik zou de jonge monnik zijn maar mijn verlangen is te groot
naar een tuin in de afvalbergen, een theeceremonie met geslachtloze robots

ik wil wel naaktfoto’s van je kopen maar alleen als je gezicht er duidelijk herkenbaar op staat
of: alleen als je binnen afzienbare tijd een positie met macht en aanzien verwerft

ik was mijn handen in de cloud
Q: wat ben ik met pornografie als ik er niemand mee kan afpersen?
A: al de rest is samsara

het algoritme heeft de perfecte afstanden berekend
tussen de landschapselementen van de Boeddhistische Zentuin
die ik wil bouwen in de glooiing van de afvalberg
Q: maar waar vind ik mensen voor het ingraven?

ik heb geld maar geen vrienden of familie
wel invloed maar mijn handen zijn opgelost in het zuur van de cloud

Q: kan er iemand tegen betaling de microplastics uit mijn habijt komen pulken?
A: die technologie staat jammer genoeg nog niet op punt
A: en al de rest is samsara

 

Pieter Franciscus M (FKA Pieter Van de Walle, 1992) is schrijver en wetenschapper. Hij publiceerde in Het Liegend KonijnHard//HoofdDW B en De Optimist. Zijn teksten vielen in de prijzen bij Write Now! en de Interuniversitaire Literaire Prijs. Hij is klimaatdichter, recensent bij De Reactor en redactielid bij deFusie. Zijn werk is doordrongen van technologie, kleine absurditeiten, wilde natuur en menselijk falen. Meer vind je op https://nachtglas.be.

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Emma van Hooff. 

 

ik ga licht worden waar geen licht is

al moet ik mijn ziel drie keer wassen

en mijn lichaam dezelfde koprollen

laten maken als mijn ziel in de droog-

trommel zodat ik synchroon blijf lopen

wanneer ik mezelf weer bij mezelf voeg

 

ik ga licht worden waar geen licht is

aan het einde bijvoorbeeld

als plafondlamp die alleen brandt

wanneer er iemand onderdoor loopt

 

maar wat als iedereen licht wordt

waar geen licht is en daardoor

nergens onderdoor loopt en het overal

donker blijft dan kan ik beter

een deur worden waar geen deur is

 

en voelen hoe een mens in mijn opening

groeit in zijn vertrek

 

Emma van Hooff (1997) is dichter en schrijver. In 2021 studeerde ze af aan de Schrijversvakschool in de vakken poëzie en toneel. Ze publiceerde gedichten in onder meer Het Hollands Maandblad, Kluger Hans, Ooteoote, De Revisor en Tijdschrift Terras en betrad meermaals het podium. In januari 2022 verschijnt haar debuutbundel bij Uitgeverij Atlas Contact.  

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: Anne Louïse van den Dool. 

 

Zwem af

Naarmate je ouder wordt, vergeet je de
ware aard van de dingen.
Een kaars is geen potentiële brand,
een knetterend stekkerblok geen vagevuur,
een gaspit geen voorstadium
van een verkolend huis.

Huilen is niet langer een teken van verdriet maar van hysterie,
de afstand van je voeten tot de grond geen vallen maar
de overgang van hier naar zelfstandigheid,
een lekkere band, een losse stoeptegel
geen voorbode van iets kwaads,

de drie keer trappelen naar de
zwembadrand de lengte van een mierenlijf, alsof
zoveel diepte niets is om bang voor te zijn –
tijdens het afzwemmen tuf ik mezelf vol water,
houd ik met een verkrampte pink de tegels vast.

Wanneer we naar buiten lopen –
handen op mijn klamme schouders,
bibberend van de wolken die ik blaas –
gaat mijn diploma van omahand tot omahand.
Van dichtbij bekijken ze
de handtekening van de badmeester,
alsof ze speuren naar een teken van vervalsing.

 

Anne Louïse van den Dool is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Ze schrijft voor onder meer NRC Handelsblad, Vrij Nederland, HP/De Tijd en vtwonen. Ook geeft ze regelmatig cursussen, workshops, lezingen en performances. Haar debuutroman Achterland verscheen in 2014 bij Querido; haar tweede boek, Vluchthaven, verscheen in augustus 2020. Haar gedichten verschenen onder andere in Tirade, Poëziekrant en DWB.

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Deze week: rozalie hirs. Het gedicht komt uit haar nieuwe dichtbundel oneindige zin die dit najaar bij Querido verschijnt. 

 

*

 

de eigen dood gewekt door een slang in de kist wel

een levende als de geplukte appel van je kind te verstaan

 

als de valsheid van de wereld zich opent in volmaakt

regelmatige bewegingen om de schijn te redden

 

dwalende sterren gewaar te worden misschien uitgaande

van een samenhang zelfs met andere sferen of een reeks

 

van weer andere oneindig gecompliceerde schijnbewegingen

te ontdekken sterren die in werkelijkheid schijnen nieuw licht

 

op een vraag te werpen misschien juist tastbaar op dit moment

en je de glans begrijpt als schijn van verschijning en dwaling

 

in weerschijn voor een ander begrip dan je zin uiteindelijk

blootgesteld alweer gescheiden van zijn begrijpelijkheid

 

rozalie hirs (1965) is dichter en componist. Van haar hand verschenen zeven dichtbundels bij Querido, van Locus (1998) tot oneindige zin (2021), en zes verzamelbundels in andere talen, waaronder haar meertalige manifest gestammelte werke (2017) bij het vermaarde kookbooks, Berlijn. Daarnaast maakt Hirs sinds 2002 in samenwerking met ontwerpers en beeldend kunstenaars regelmatig interactieve poëzie voor het scherm. https://www.rozaliehirs.nl/

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Steven Van Der Heyden.

In een mens

We zijn gekwelde atomen met een ingebouwd einde

een losse constructie, haarscheuren in ieder van ons

Elke ochtend stellen we ons samen

Op straat stulpen onze maskers uit

klappen daarna terug in

alsof we opnieuw kieuwen ontwikkelen

We zijn een spiegelpaleis

met semi-doorlaatbare wanden

voor idealen en verwachtingen

Achter de uitgesproken woorden

een oerwoud aan gedachten

we zoeken asiel in onze verbeelding

Als gewonde dieren druipen we af

uit een onbeslist gevecht, missen

het instinct om ons niet te snijden

 


Over de dichter:
Steven Van Der Heyden (Gent, 1974) probeert met zijn gedichten de horizon te verlengen en de bodem uit de dagen
te halen. Hij is een zoeker en in die zin altijd onderweg. Taal kan dan richting geven. Poëzie is zijn manier om een
plek te vinden in een wereld die hem niet
helemaal past. Gedichten van hem verschenen in diverse tijdschriften
waaronder Het Gezeefde Gedicht, Meander, De schaal van Digther, Ballustrada, Extaze en Liter.
In februari 2020
debuteerde hij bij Uitgeverij P met de duo-bundel Tot ze koud is. Steven is klimaatdichter en redactielid van het
e-zine Roer.land. 

 

In de rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter. 
Deze week: Anne Provoost.


Sint-Astvatsin in Haghartsin 

We waren hoger dan de kerk

Het duurde dagen voor we in Dilijan waren

We gingen voorbij het meteorologisch station

Ik was ziek toen we boven kwamen

Mijn eisprong viel uit om mijn krachten te sparen

We volgden het stijgen van de Kleine Beer

boven de kloof van sheikh Al-Qasimi

 

De ram werd gebraden

maar ik wilde niet eten

omdat zijn poten zo leken

op de grijze revers van mijn jas

 

en zijn kudde de grenslijn bewaakte

 

De bomen raakten met hun kroonschuwheid

elkaar met hun wortels, niet met hun bladeren

omdat ze zoals velen die dagen

bang waren voor contact

 

We waren in beeld moeten blijven

dan hadden we nu de bewijzen

 

Dan wisten we of wat we hadden gemaakt

porno was

of een reisje

 


Accolade 

 { Dit gedicht heeft geen plannen

      en is zo oud als de heuvels

het wil meer achterhalen dan 

      wat uw kat ervan vindt

het draait aan de staart

      in een hersenpunt

 

Als het misschien toch zoiets is

      als een betekenisvolle ontmoeting 

tussen twee ezelsoren 

      aan een vol en grijs schrift

wat is dan de spijt van de dichteres

      als het af is?

 

We drinken op onze afscheidslever

      en ik tag u niet

want twee zinnen veranderen 

      werkelijk alles

en uw dubbele aanhalingstekens

      zijn net zo goed als de mijne

 

Maar uw leestijd vandaag 

      is mijn volledige menselijkheid }

 

Over de dichter:
Anne Provoost schrijft romans, essay, korte verhalen  en sinds kort ook poëzie. Ze is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel, twee keer de Gouden Zoen. Haar roman Vallen werd verfilmd. Voor In de zon kijken kreeg ze driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur. Haar werk is in twintig talen vertaald.

In onze poëzierubriek Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: A.E. Westerling.

 

Grace under pressure

De aarde warmt op

en ik heb Neanderthalerbloed

 

Het Amazonewoud brandt

en ik kan niet stoppen met roken

 

Ik heb mijn vader zien sterven

mijn vrienden depressief zien worden

ik heb paddenstoelen gegeten

en geleerd dat koeien ’s nachts zingen

ik heb zonder geld gezeten en honger gehad

ik heb geld weggegooid en gegeten als een koning

ik ben bouwvakker geweest

magazijnier

bediende

werkzoekende

 

Ik heb mezelf verstopt in veel te kleine appartementen

met veel te hoge huurprijzen

ik heb in mijn jeugd met de eenzaamheid gespeeld

ik heb met Spinoza gesproken

en heb God gezien

in het Van Gogh museum

 


Over de dichter:
A.E. Westerling (1984) is dichter en schrijver van korte verhalen. Hij woont in Gent en hij heeft
zich na een carrière als onder andere bouwvakker, verkoper en magazijnbediende omgeschoold
tot bibliothecaris. Enkele van zijn gedichten verschenen in het tijdschrift Deus Ex Machina en
online op de website
Het Gezeefde Gedicht. 

In onze rubriek Poëziereeks plaatsen we meerdere gedichten van dezelfde dichter.
Deze week: Sytske Frederika van Koeveringe.

 

Zoekende verbinding

1.

Ik zit vast met mijn ring aan het kant van mijn onderbroek 

 

2.

Mijn elleboog blijft achter de deurkruk haken

3.

Ik zoek vier euro vijftig

 

4.

Sms een vriendin dat mijn muntgeld op is

 

5.

Haar man springt op de motor met zijn laatste drie euro veertig 

(in die tussentijd staar ik voor me uit) (vraag ik me af of je onderbroek zegt of slip)

 

6.

Na een tijdje verzamel ik de was en concludeer dat het vandaag geen wasdag is 

(neem overigens wel de drie euro veertig van de man van mijn vriendin aan)

 

7.

Het is nu wel erg lang twee uur

 

8.

Staar naar mijn opengeklapte laptop, naar het waaiertje

zoekend naar verbinding met mijn buurmeisje

Denk tegelijkertijd aan de aanstekelijke lach van mijn buurmeisje

 

9.

Tijdens het zetten van een koffie valt dat wat mijn lichaam aanraakt of dreigt aan te raken op de grond

(het vaatdoekje, een blik thee, een lepel, een deksel van een bakje, frustratie en een zucht)

10.

Op bed met koffie trek ik nog een (niet al te originele maar wel prangende) conclusie: dat het leven in principe door mag gaan als een tussentijd


11.

De witte muur vertelt me dat het vreemd is dat het denken aan de dood in al zijn facetten vaak als iets ernstigs wordt opgevat 

 

12.

Dood gaan we allemaal 

(zegt mijn witte muur)

 

13.

Beneden ligt een wasknijper, ik zoek naar de oorzaak 

 

14.

Ik heb niets nodig maar ga toch naar supermarkt

(het heet toch niet voor niets super markt)

 

15.

Onderweg bedenk ik me dat als ik zou uitschrijven dat het leven een tussentijd is, en dit op wat voor manier dan ook wordt gepubliceerd er sowieso een recensent is die hierover gaat zeiken 

 

16.

Ik loop voorbij twee vrouwen die een appel eten, langs muren waarop staat dat ik niets over recensenten mag schrijven

Ik zeg: maar wat als jezelf recensent bent 

(van je eigen werk?)

Zijn we niet allemaal recensent van ons eigen leven?

 

Verderop staat er op de muur dat ik me niets moet aantrekken van wat een eventuele recensent gaat schrijven; Je staat hier los van. 

Dát staat er: ‘Sytske, jij staat los van alles wat erover je tekst wordt geschreven of gezegd.’ 

 

18.

Ik zwaai met mijn tas heen en weer en in een zwaai zeg ik; Nou, dat weet ik nog net zo niet

In het luchtledige

 

19.

In een krantenkop van de daklozenkrant lees ik vluchtig dat ik op dit moment voorbij de kern van deze tekst loop

Ik bedank de verkoper en loop de supermarkt binnen 

(ik denk hier niet na, pure focus) 

 

20.

Thuis aangekomen donderen een blik bonen en een tros bananen uit mijn tas  

Alsof ook zij me willen duidelijk maken dat dit precies niks is

Zo’n dag waarin je niets gedaan krijgt en er dus ook niets uit handen komt behalve dan dat wat zwaartekracht heeft

 

 

Herstellende

Existentiële vragen in en omtrent-

Ik heb het idee al mijn dromen al te hebben nagejaagd-

Er is geen zicht op eventuele ruimte

Om over licht en keuzes nog maar te zwijgen

 

Ik zeg tegen mijn behandelend arts dat het leven

niets anders is dan boodschappen doen-

huishoudelijke klusjes en een

bepaalde verantwoordelijkheid dragen

deze daadwerkelijk op je te nemen dagelijks 

met je mee te tillen naast al die andere sores 

taken die je doet jegens de mensen om je heen 

 

ik zeg tegen haar: in principe sta ik op om de gordijnen te openen-

en ze tijdens de eerste schemering weer te sluiten



Ik Ander

Ik ontmoet Ander online

onschuldig via een online workshop

 

Ander mailt een kind 

Ik mailt geen kind terug, überhaupt?!

Ander vindt zolang Ik baren kan

tsja dan, tsja-

moet hier nog iets aan toegevoegd worden!? 

 

Ander typt in de nacht nog iets als; wees dankbaar

wees in godsnaam dankbaar dat je baren kunt

snap je niet dat het bijzonder is?

begrijp jij niet dat jij een wonder bent? 

Ik leest fronst spuugt stampt vindt iets pas bijzonder 

een wonder als het zeldzaam is 

zijn dat alle anderen die Ikken baren? 

 

Ander draait verdraait en draait tot de Ik Ander wordt 

zonder van gedaante te verwisselen

Ik voelt zich schuldig tegenover de virtuele Ander

 

wat valt er te zeggen over Ikken die wel willen

maar niet kunnen? en wat dan over Ikken die geen hebben 

maar wel commentaar uiten op anderen die wel hebben? 

nemen Ikken een mini Ik omwille van bevestiging die toch 

altijd van anderen komen? 

 

Ander is zonder dat Ik het doorhad een x-aantal stappen verder:

Ander mailt een afbeelding van drie mensen

een foto van Ik Ander en een combinatie van de twee 

in een Ander en of de Ik

 

Ik typt: dit is totaal absurd wat jij doet 

Ander typt dat Ik niet opvliegend gedrag mag vertonen 

dat iedere Ik; vrouw noch man een nageslacht wil 

Ik vraagt rust, wil geen contact meer; dit ontspoort volledig

 

Ander draait verdraait en draait tot Ik op alle social 

media de Ander moet blokkeren zodat de Ander 

de boodschap ook begrijpt

 

Sytske Frederika van Koeveringe (1988) is beeldend kunstenaar en schrijver. Afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld academie in 2014, richting Beeld & Taal. Ze spaart alles in de vorm van een vis en momenteel vervangt ze Marja Pruis in De Groene Amsterdammer en is ze ineens columnist. Dit najaar verschijnt haar essaybundel: Vrouw doet dit, dat –

 

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
Deze week: Maaike de Wolf.












PARTY

Het zuur staat naast de leverworst te glanzen.

Een groepsgesprek komt op vette vis.
Alle vissers zijn verslaafd, zegt er een.
Alle vissers zijn gelovig, failliet en verslaafd, vult een ander aan.
Tonijn versus zalm.
Omega 3, visvetzuren.
Vragen van kennissen om te bepalen waar je je bevindt.
Mannen versus vrouwen.
In or out.
Zalm of haring.
Shotje soja, shotje sake.
Een omhelzing met de host.

Toastjes komen langs met een meisje dat liever jongensdingen doet. De eenzaamheid van jongens
lijkt haar beter verteerbaar dan die van meisjes. Zo ook de schaamte.


Die hand moet je trainen als een blaas, zegt een oom. Hij showt zijn spierbal en maakt een vuist.
Als een wil.

Een taoïstische monnik danst je blikveld in. Voordat je je hoofd bij kan draaien is hij alweer verdwenen
in een roze gloed aan de rand van de duisternis.


Er valt een tampononvriendelijk grapje.
Angela Merkel wandelt de tuin in met een levend cadeau.
Er volgt een vluchtelingonvriendelijk grapje.
Maar wat blijkt? Een jong hondje kan iedereen met open armen ontvangen.
Personality goes a long way.


Muziek.
De vader van de host brengt goede smaak ter sprake. 

Verderop
een man lag lepeltje-lepeltje-lepeltje
vertelt het verhaal – hear me out
onder invloed van LSD
completely awesome
in bed tussen twee van zijn evenbeelden in
vlezig en echt als jij en ik
weird maar lief
in de nacht lag hij zo precies waar hij zijn moest zo
stil als hij kon om de ik voor hem en die achter hem
niet wakker te maken.

Binnen sta je met tallozen in de rij voor de wc.

Of je aanwezigheid in het leven van een hond betekenis aan je eigen leven geeft, is de vraag. 
Maakt het iets uit dat je de hond overleeft en dat een hond niet over jou kan
vertellen? De betekenis blijft gevangen, zegt iemand, tussen jou en je hond. Dat moet genoeg zijn.

Een hele mensheid staat op je schouder te bonzen.

 


Maaike de Wolf
(1978) maakt poëzie en zeer kort proza. Ze studeerde aan de School voor Journalistiek
en de Schrijversvakschool Amsterdam. Eerder verschenen haar gedichten in o.a. Hollands Maandblad,
De Gids en Het Liegend Konijn. Ze draagt graag voor op literaire podia en festivals. Daarnaast werkt
ze als freelance tekstschrijver.