Bart Koubaa, Alejandro Zambra: de redactie las na een pauze van enkele weken (iedereen is verhuisd) weer nieuwe literatuur. Een intelligente verhalenbundel uit Chili en een rijke coming-of-age uit België.

*

Thomas Heerma van Voss: Alejandro Zambra, Mijn documenten

De boeken van Alejandro Zambra intrigeren me elke keer opnieuw en ik begrijp nooit helemaal waarom. Jaren geleden las ik Bonsai (2006), een kleine, ingetogen roman die bij vlagen zo beknopt was dat hij meer als poëzie dan als proza aanvoelde – ik kreeg geen moment echt vat op het verhaal of het kalm vertellende hoofdpersonage, maar de dromerige sfeer zorgde ervoor dat ik moeiteloos doorlas.

Ditzelfde gold min of meer voor opvolger Het verborgen leven van bomen (2007), weer zo’n korte, dromerige roman, ditmaal over een literatuurdocent wiens vriendin niet thuiskomt na een tekencursus. Wat volgt is geen harde, door spanning gedreven thriller, maar een fijn geschreven, meanderend, soms essayistisch verhaal, dat wederom voorbij was voor ik er werkelijk een band mee kon krijgen. Het derde boek dat ik van Zambra las, Manieren om naar Huis Terug te Keren (2011) was alwéér zo’n kort, ingetogen werk, alweer bijzonder goed geschreven, en alweer bleef mij uiteindelijk vooral de broeierige, indringende sfeer bij.

Nu is er Mijn documenten, een verhalenbundel die het beste van Zambra’s schrijven combineert: de intelligente, registerende hoofdpersonages, de gevoelige ondertoon, de secure, afgewogen stijl – er valt geen haperende zin in te ontdekken, of het moet het ongetwijfeld abusievelijk verkeerd vertaalde ‘Iván Zamorana’ zijn waar natuurlijk de Chileense voetballer ‘Iván Zamorano’ wordt bedoeld. Ik ben halverwege de bundel en meer overkoepelende bevindingen staan binnenkort in De Groene Amsterdammer, maar hier vestig ik alvast graag de aandacht op het beste verhaal dat ik tot nu toe tegenkwam en dat ik iedereen wil aanraden: ‘Camilo’. Een door een ik-figuur opgetekende verzameling herinneringen die toch, anders dan de meeste verhalen uit die categorie, geen moment particulier of alledaags aanvoelt.

Het draait in ‘Camilo’ om een uiterst behulpzame, oudere vriend op wie de ik-figuur maar geen grip krijgt, die tevens ook een vriend is van de veel meer afstandelijke vader van de ik-figuur – tot het allemaal misgaat. Het is allemaal bijzonder kalm en rustig opgezet, vertellend van toon, maar en passant worden de wezenlijkste thema’s behandeld: opgroeien, uitdovende vriendschappen, (de aard van) herinneren (zoals vaak bij vrienden). Navertellen is lastig omdat Zambra zo soepel heen en weer springt in de tijd, er worden uiteindelijk jaren uit het leven van ‘Camilo’ behandeld, en het gaat zoals steeds meer om de sfeer dan om de precieze plot.

En ik weet nu al wat me hiervan het meest zal bijblijven: de amateurvoetbalwereld in Chili, die heel nauwkeurig en fijn wordt beschreven, en de verhoudingen tussen de personages stuk voor stuk onder spanning zet en vormgeeft Bijvoorbeeld tussen de verteller en diens vader:

‘… hij stond in het doel en was er echt goed in, ik zie hem zo nog voor me, duikend naar een hoek, waar hij de bal met twee handen uit de lucht plukte en hem tegen zijn borst drukte. Ik kon me nooit aan gedachte onttrekken dat zijn ploeggenoten hem haatten, want hij was zo’n keeper die de hele wedstrijd aanwijzingen gaf, die de verdediging en zelfs het middenveld met harde kreten op de juiste positie zette. Terug, man, terug, pass hem, naar mij, niet dribbelen, terug, man, terug. Hoe vaak heb ik die bevelen wel niet uit de mond van mijn vader horen komen, uitgesproken op een uiterst alarmerende toon. Als hij weleens naar mij schreeuwde, was het nooit zo hard als de kreten op het voetbalveld. Zijn ploeggenoten ondergingen ze geërgerd, of dat dacht ik tenminste, want het kon niet aangenaam zijn met zo’n permanente herrie achter je te moeten spelen. Maar mijn vader werd gerespecteerd. En nogmaals: hij was heel goed.’

Proza dat me dwingt om door te lezen. Zin na zin, alinea na alinea. Ik ga verder.

Karaat geeft Zambra uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Marieke Lucas Rijneveld, Willy Vlautin: de redactie las een fonkelende roman met interessante beeldspraak en de zachte taal van een bokser.

*

Daan Stoffelsen: Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

Vandaag wordt het romandebuut van oud-collega Marieke Lucas Rijneveld gepresenteerd: De avond is ongemak. En volgende week – vrijdag 16, 19.00, gratis maar aanmelden verplicht – spreekt Jan haar bij Athenaeum Boekhandel over het boek. Het is een indrukwekkend, fonkelend en schurend boek, kan ik op eenderde al zeggen.

De omstandigheden – de oudste zoon is bij het schaatsen verdronken, de achterblijvers verzuipen in hun eigen rouw – zijn indringend, de beeldspraak is bijna zonder uitzondering zeer oorspronkelijk, en af en toe is het echt pijnlijk. ‘Heeft vader dan een hart, denk je,’ vraagt het jongere zusje op enig moment. Wreed en geïsoleerd en vreemd worden de kinderen.

Het is een vervelende debutantenneiging in te zetten op gevatte beeldspraak; ik struikel daar altijd over. Waarom slim doen als je een verhaal moet vertellen? Rijnevelds beelden zijn niet gevat, ze zijn aards en fysiek en origineel. En alomaanwezig, op een manier die haar proza tegelijk stroperig en stroef, en heel oorspronkelijk maakt. Een heel ontroerende scène is deze:

‘Hanna had de eerste dag met haar knokkels op het glas geklopt en met een klein stemmetje gezegd: “Nu vind ik het niet meer leuk, doe normaal, Matthies.” Even bewoog ze zich niet, alsof ze bang was dat hij fluisterde en ze hem niet zou horen als ze niet voor even alles stil liet vallen. Toen er niets werd teruggezegd, ging ze weer met haar poppen achter de bank spelen, haar dunne lijfje rillend als een waterjuffer, ik had haar tussen duim- en wijsvinger vast willen houden en haar warm willen blazen.’

Een waterjuffer! Een mooie maar ongrijpbare libelle, absoluut niet knuffelbaar – bij Rijneveld kan het. Maar dan die komma, daarna gaat het een heel andere kant op, dat is eigenlijk een zelfstandige zin, maar door het aan de vorige vast te haken wordt het stroef. Had een punt geholpen? Haar dunne lijefje rilt. Een waterjuffer, die ik tussen duim- en wijsvinger vast wilde houden, ik wilde haar warm blazen.

Nog zo’n beeld. Hier herinnert de ik zich een droom:

‘Ik trek het dekbed over mijn schouders heen en denk aan de nachtmerrie die ik had waarin vader en moeder onder het ijs lagen, als twee ingevroren palingen die we weleens van boer Evertsen krijgen, gewikkeld in het Reformatorisch Dagblad. Daarover zei vader altijd: ‘Ingepakt in Gods woord smaken ze nog beter.”’

Nog nooit twee ingevroren palingen gezien, en zeker niet die van boer Evertsen (die de oudste broer gevonden heeft, lees het fragment op Athenaeum.nl), maar je kunt je er iets bij voorstellen, en door dat particuliere blijf je gevangen in de sfeer die Rijneveld schept: grijs, bruin, zwart. Vaders opmerking kan ik vervolgens niet anders dan heel geestig lezen – dat hart zit er echt wel.

Ook zo’n debutantending: beelden stapelden, en Rijneveld doet dat ook. Gek genoeg werkt dat wel en niet tegelijk. Het houdt op, maar het is niet zo dat je verdwijnt uit het hoofd van de ik, uit de sfeer, de omgeving. Het vervolg van de nachtmerrie:

‘Plat was ik op het ijs gaan liggen, als een sneeuwengel die zo uit de hemel was gedonderd, en keek naar mijn ouders – ze leken op de dinofiguurtjes in een potje die ik eens voor mijn verjaardag kreeg en in een soort gelachtige gelei vastzaten. Obbe en ik hadden die een keer met een appelboor uit de gelei gedraaid. Eenmaal eruit vonden we er niets meer aan, de onaantastbaarheid en de afstand maakten ze interessant, zoals mijn vastgevroren ouders. Ik tikte op het ijs, legde mijn oor erop en hoorde een zingend geluid van schaatsen; ik wilde naar ze roepen maar er kwam geen geluid uit mijn keel.’

Stapeling: sneeuwengel, dinofiguurtjes (dat ken ik echt niet, ik kan me er niets bij voorstellen), dan de anekdote, dan de analyse (‘onaantastbaarheid en afstand’), samen wordt het stroever, maar inhoudelijk en sferisch klopt alles.

AtlasContact gaf De avond is ongemak uit.

Jan van Mersbergen: Willy Vlautin, Laat me niet vallen

In de roman Laat me niet vallen (oorspronkelijke titel: Don’t Skip Out On Me) van Willy Vlautin staat een heel mooi zinnetje. Wanneer de bokser de oude man waarvoor hij gewerkt heeft opbelt om te zeggen dat hij terug wil komen of eigenlijk om te zeggen dat hij helemaal niet terug wil komen, hij weet het echt niet meer, maar hij belt toch op en dan zegt deze Horace: ‘U moet mij maar vergeten, meneer Reese.’

Vooral dat ‘meneer Reese’ erbij maakt indruk. Geen harde taal van het stereotype bokser, dit zijn de woorden van een jongen die zich vreselijk minderwaardig voelt en die de ouwe baas niet tot last wil zijn. Hij wil verdwijnen.

Meneer Reese praat op de jongen in, dat hij trots moet zijn op zijn boksprestaties, dat hij altijd goed voor hem gewerkt heeft, dat hij dingen helemaal zelf bereikt heeft die niemand zou kunnen, dat hij er alleen voor stond zonder vader en zonder moeder, en dat deze jongen als een zoon voor hem is.

Aangrijpende slotpassage. Zo staat Laat me niet vallen vol met mooie scènes die afstandelijk lijken maar die erg intens zijn. Als de moeder van de jongen hem naar zijn oma brengt wil ze zich verantwoorden, maar dat lukt haar niet. Ze praat en praat, en ze huilt. ‘Zei steeds dezelfde dingen,’ zegt Vlautin. Hij begrijpt die herhaling. Dat hopeloze.

De eerste paar scènes van Laat me niet vallen zijn wat traag en gaan over het boerenleven, als de jongen daadwerkelijk gaat boksen en zijn droom najaagt komt er vaart in de roman, en ook gevoel. Mooi opgebouwd. Fijn dat dit boek Boek van de Maand bij DWDD is geworden.

Meulenhoff gaf Laat me niet vallen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Jan heeft Vlautin geïnterviewd, de weerslag daarvan staat binnenkort in NRC Handelsblad.

Daniel Kehlmann, Colum McCann, Thomas Heerma van Voss: de redactie las deze week een mooie openingsscène en een intrigerend vervolg, een boekje met tips voor jonge schrijvers dat voorbijgaat aan het benoemen van praktische keuzes, en scherpe gedachten over kunst, schaamte en onzichtbaarheid.

*

Thomas Heerma van Voss: Daniel Kehlmann, Tijl

De roman Tijl heeft de beste openingsscène die ik in tijden heb gelezen. Hoofdpersoon Tijl Uilenspiegel – een bekend personage uit de Nederlands-Duitse folklore van de veertiende eeuw, een typische deugniet die in allerlei klassieke verhalen opduikt en door auteur Daniel Kehlmann nu is gesitueerd in het Europa tijdens de Dertigjarige oorlog (1612-1642) – komt aan in een gemeenschap waar men direct al ontzettend tegen hem opkijkt, ze kennen de roemruchte verhalen over zijn acrobatische kunsten en over zijn grootse krachten, en van die voorsprong maakt hij behendig steeds meer gebruik. Hij wint iedereens vertrouwen, hij laat de massa doen wat hij ze opdraagt – terwijl aanvankelijk bijna niemand in zijn buurt durft te komen.

‘Hoe heet jij?’ vroeg hij aan een meisje. 
Het kind zei niets, want ze begreep niet hoe het kon dat iemand die beroemd was met haar praatte. 
‘Ik vraag je iets!’ 
Toen ze hakkelde dat ze Martha heette, lachte hij alleen even, alsof hij dat allang wist. Daarna vroeg hij aandachtig, alsof hij het belangrijk vond: ‘En hoe oud ben je?’ 
Ze schraapte haar keel en vertelde het. In de twaalf jaar dat ze leefde had ze nog nooit ogen gezien als de zijne. Dat soort ogen had je misschien in de vrije steden in het Rijk of aan de hoven van de groten der aarde, maar bij ons was nog nooit iemand met zulke ogen geweest. Martha wist niet dat een mensengezicht zoveel kracht en geestelijke bezieling kon uitstralen. Later zou ze haar man vertellen, en nog veel later haar ongelovige kleinkinderen, voor wie Uilenspiegel een wezen uit oude sagen was, dat ze hem met eigen ogen had gezien.

In dit fragment komt veel naar voren van wat de scène als geheel (tientallen pagina’s) zo krachtig maakt: het enorme ontzag voor Tijl, de wijze waarop mensen zo door hem bedwelmd raken, en ook zijn overtuigingskracht. Meteen schakelt hij over van een beleefde, aftastende vraag naar een vrij directe uithaal, die overkomt als een bevel. En op die manier krijgt hij steeds meer gedaan – niet alleen van dit kind, maar van de hele gemeenschap, die hij op den duur allemaal een schoen laat uittrekken en naar voren laat gooien, waarna hij ze in hun gezicht uitlacht. Dit mechanisme van de grote groep die bedwelmd en geactiveerd wordt deed me denken aan Roman Helinski’s roman De Wafelfabriek, die gaat over een eveneens zeer charismatische man die eveneens een kleine groep mensen volledig puur met retoriek tot dubieuze handelingen overbrengt (in het geval van De Wafelfabriek gaat het om het trekken van tanden).
 
Wat overigens ook opvalt aan dit Tijl-fragment is het alwetende perspectief, dat hier vrijwel geheel bij Martha ligt (die in de rest van de roman niet voortkomt) en ook moeiteloos schakelt tussen het heden en andere tijden (Tijls reputatie die in het verleden is opgebouwd, wat ze later in de toekomst aan haar man vertelt). Dat past goed bij het soort klassieke verhaal dat hier verteld wordt, het mythische dat om Tijl heen hangt – al begon het me op den duur ook enigszins te storen. Tijl is ook na de geweldige openingsscène intrigerend, zeker, bijzonder sterk geschreven, maar ik kreeg gaandeweg het idee dat er iets ontbrak. Of dat het boek gewoonweg niet voor mij geschreven was, dat mij iets ontging wat alle andere jubelende lezers wel hadden opgemerkt. Daarover binnenkort meer in een recensie voor De Groene Amsterdammer. En wie benieuwd is geworden naar de openingsscène kan hier alvast een fragment lezen.

Uitgeverij Querido gaf Tijl uit. 

Jan van Mersbergen: Column McCann, Brieven aan een jonge schrijver

‘Vaak weet een schrijver de werkelijke reden voor het schrijven pas lang nadat het werk voltooid is.’ Een opmerking uit het boekje Brieven aan een jonge schrijver van Column McCann, een Ierse schrijver die ik zeer bewonder door zijn verhalen en romans, vooral Laat de aarde draaien en Vissen in een nachtzwarte rivier. Afstandelijk, helder, sober proza, steeds heel goed verteld.

McCann is docent Creative Writing in New York en nu brengt hij een boekje over schrijven, gericht aan jonge schrijvers, met vooral tips en helaas ook heel erg veel opmerkingen die wel een kern van waarheid bevatten (‘Geen enkel verhaal torent boven een ander verhaal uit,’ wat natuurlijk klopt en wat eigenlijk wil zeggen dat iedere schrijver vertrouwen moet hebben in het verhaal waar hij op dat moment aan werkt, want niks is beter of slechter dan dat verhaal, als het maar jouw verhaal is), maar werkelijke praktische schrijftips zijn het niet.
Halverwege het boekje stelt McCann dat het goed is om er soms even tussenuit te gaan. Ook dat is een juiste opmerking, maar een tekst wordt er niet beter van. Net als ‘schrijven is amuseren’ of ‘read Joyce’. Toch is het mogelijk om door die obligate opmerkingen heen enigszins in de buurt van schrijftips te komen die wel iets met jouw eigen schrijven kunnen doen. McCann zegt dat je alles moet lezen wat je te pakken kunt krijgen, dat het verhaal eigenlijk pas net begonnen is als jij denkt dat het af is (juist!) en dat je gewoon iedere dag moet gaan zitten en tikken. Gewoon doen. Wat je dan vervolgens moet doen en de vele technieken die je echt kunnen helpen komen in dit boekje niet aan bod. Te moeilijk om over te schrijven, denk ik.

McCann houdt het bij: ‘Sla stuk die spiegel.’ Hij zegt dat je iets kunt schrijven dat pijnlijk is en waar andere mensen last van kunnen hebben. Niks van aantrekken. Makkelijk gezegd en ook juist, maar hoe vertel je dat verhaal?
Schrijven heeft altijd te maken met keuzes, en als je voor het ene kiest en het andere niet ziet, dan gaat het mis, of kan het beter. Voorbeelden verduidelijken meer dan opmerkingen als ‘er zijn geen regels,’ zoals McCann doet.
Natuurlijk zijn er geen regels, maar als een compleet hoofdstuk van zes pagina’s in de voltooid verleden tijd verteld wordt terwijl dat (en dat is de keuze) evengoed in de verleden tijd verteld kan worden zo lang je maar in een paar woordjes aangeeft dat die hele scène daarvoor gebeurde, dan trekt het de tekst dichter naar de lezer toe. Wil je dat niet, dan hou je gewoon vast aan die afschuwelijke voltooide verleden tijd, dan heeft iedere zin een paar woorden meer, wordt de tekst stroperig en haken lezers af. Er zijn schrijvers die gewoon op die manier vertellen, prima. Maar weet de consequentie voor de tekst en de lezer. De tekst is verder weg, de lezer haakt sneller af. De keuze is aan de schrijver.
Een opmerkingen als ‘draag je aantekeningenboekje bij je,’ is een soort basisbeginsel. Schrijf je dat boekje vol met voltooid verleden tijd dan kun je dat boekje beter thuis laten.
Zo zijn er geen regels maar wel heel veel keuzes. Als je kiest voor een beschrijvende derde persoonsverteller, laat dan zo min mogelijk gedachten zien waarbij je in dat hoofd kruipt van de persoon die je beschrijft, daar word je alwetend van en dat schept de verkeerde afstand. Dat neemt ruimte bij de lezer weg en heeft nog veel meer gevaren in zich die je bijna in ieder boek tegenkomt. Weer afstand dus, dat is geen toverwoord maar een omschrijving van overdrachtelijkheid. En soms werkt afstand averechts: hoe meer afstand de verteller, hoe groter de overdracht. Dat lijkt ook zo’n loze stelling maar ook daarvan zijn voorbeelden te noemen. Pak een verhaal van Hemingway en hij speelt met afstand, doet als verteller bijna altijd een stap terug, is erg beschrijvend en heel precies, laat bijna alle gedachten en gevoelens weg, en daardoor komt juist het gevoel van zijn vertelling hard aan.
Afstand nemen, ruimte laten, overdracht. Allemaal zaken waar keuzes aan voorafgaan.

McCann wijdt een klein hoofdstuk aan het wie wat waar wanneer hoe en waarom van een vertelling, maar dat zet hij kort onder elkaar zonder de gevolgen van die keuzes te benoemen. ‘Wie vertelt het verhaal? Dat is misschien wel de gemakkelijkste. Je besluit tot een verteller en begint er leven in te blazen: waag je aan dat avontuur.’
Dat is de ene open deur na de andere, geen enkele schrijver heeft hier iets aan en schrijflessen die dit verkopen zijn oplichters die schrijven in de hoek van de ongrijpbare magie willen duwen, liever een esoterisch of therapeutische kreet dan een werkelijke tip. Avontuur. Schrijven benoemen als avontuur is het in stand houden van het romantische schrijven, van het beeld van de zwoeger met proppen papier onder zijn werktafel. McCann doet daaraan mee.

Waarom de werkelijke schrijfkeuzes niet benoemen?
Vertel je in de ik-vorm in de verleden tijd, dan is het echt zaak details te doseren. Je kunt ze vergroten maar als daardoor het verteltempo omlaag gaat dan werkt dit op de lezer in omdat hoofdpersoon en verteller nu eenmaal weten wat er allemaal gebeurt en wat er gaat gebeuren. Dat is het gevolg van de perspectiefkeuze. Doe je te lang over die vertelling dan voelt de lezer steeds dat er met hem gespeeld wordt, net zoals het achterhouden van informatie vervelend kan zijn met zo’n verteller. De lezer laat niet met zich sollen, om in de trant van McCann af te sluiten. Die gevolgen mis ik in de tips van McCann, terwijl hij zich heel goed bewust is van deze gevolgen want in zijn romans speelt hij hier feilloos mee.
Ooit ontmoette ik McCann, bij zijn boekpresentatie in Utrecht waar ik gevraagd was een paar woordjes te zeggen over zijn sterke romans. Aardige man, een schrijver waarmee ik heel goed over die keuzes bleek te kunnen praten, na die presentatie in een klein café in onder de Dom. Hij heeft daar echt gevoel voor, is slim en heeft aandacht. Jammer dat hij dit boekje niet doortrekt naar werkelijke tips. Het lijkt erop dat er een uitgever tussen McCann en zijn boekje met tips zat die heeft gezegd: niet te ingewikkeld, Column, laat die aspirant-schrijvers maar in de waan.
Ik hoop dat McCann in zijn lessen bij Creative Writing de studenten laat schrijven, dat hij ze laat praten, en vooral dat hij niet doceert als een schoolmeester die zijn leerlingen een tijdje in de schoolbanken houdt, zijn college afdraait en die studenten thuis laat tobben met de ‘praktische en filosofische adviezen’ die de ondertitel van dit boekje dragen.

Uitgeverij De Harmonie gaf Brieven aan een jonge schrijver uit.

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Plaatsvervangers

Ik las de afgelopen week veel non-fictie. Over Maarten Asschers essaybundel Toch zit het anders schrijf ik hier over enkele weken, dat verschijnt dan pas, en over Pieter Waterdrinkers Tsjaikovskistraat 40 kan ik mijn eerdere opmerking herhalen dat het zeer geslaagde non-fictie is. Waterdrinker roept de Russische revoluties heel levendig op, juist door zijn eigen persoon in te zetten. Daardoor wordt het ook geen roman – of er nog meer duizenden euro’s in de zeilschool van zijn zwager moeten, komen we niet te weten, en de dilemma’s van de schrijver-die-stopt-met-schrijven krijgen geen verdere uitdieping of een inbedding in een ruimere plot. Maar dat is geen bezwaar.

Een andere kijk op literaire non-fictie geeft Plaatsvervangers, van collega Thomas Heerma van Voss. Een boek dat ik lang heb laten liggen, bij gebrek aan een fysiek exemplaar maar vooral door enige huiver over het veronderstelde onderwerp: rappers en hiphopartiesten. En nog steeds heb ik geen enkele behoefte om te luisteren naar de muziek van de meeste van zijn personages – maar Thomas (ik mag Thomas zeggen) snijdt interessante kunstkritische onderwerpen aan, poëticale kwesties, persoonlijke zaken. In de dingen die hij over muziek zegt (en engagement, en originaliteit, en herkenbaarheid), schijnen scherpe gedachten over literatuur door, en hij lijkt met schaamte en onzichtbaarheid bepalende thema’s te hebben gevonden voor een oeuvre.

(Terzijde: dat durf ik te zeggen terwijl ik nog niet zoveel van hem gelezen heb, dat is niet netjes, maar misschien tekent dit wel zijn oeuvre. Mocht het project Revisor nog eens stranden, dan hoop ik dat Thomas de chroniqueur zal zijn van de ondergang. De tragiek van onzichtbaarheid, liefdewerk en oud papier, dat is wel aan hem besteed. Tweede terzijde: ik realiseer het me zelden in onze dagelijkse omgang, maar Thomas is tien jaar jonger dan ik, en het was bizar vast te stellen dat hij de zanger van Blur eerder kende door diens act Gorillaz dan door Blur. Dat de Spice Girls zijn basisschoolband was. Derde terzijde: in de tijd dat ik Recensieweb bouwde, vulde Thomas Hiphopleeft.nl. Ideale voortrajecten voor een literair tijschrift.)

Ja, schaamte en onzichtbaarheid. Thomas zoekt zijn helden op, maar houdt afstand, moet zichzelf ertoe zetten om ze te benaderen. Hij staat op een paar stappen afstand van Skunk Anansie’s Skin, maar loopt niet naar haar toe, en als hij in het slotessay zijn held Master P moet interviewen, zijn de zenuwen bijna onhoudbaar. Hij stelt die ontmoeting in zijn verhaal dan ook telkens uit, door verder terug te grijpen op zijn beweegredenen, zijn verleden als hiphopfan te onderzoeken. En hij denkt na over waarom hij deze figuren zo bewondert. Waarom Master P, die een muziekfabriekje heeft opgezet om miljoenen binnen te harken? Waarom Tim Dog, die zich in niets ontwikkelt behalve het oplichten van anderen? Dat zoekende is fascinerend, juist omdat zijn tastende antwoorden zo tegen-intuïtief zijn. En daardoor worden die personen alsnog sympathiek. Niet alleen de geweldige Rob van den Aker, met wie Thomas het Recensiewebachtige Hiphopleeft.nl vulde, en de wendbare kunstenaar Damon Albarn, maar ook kitschkoning Hans Zimmer, en dus die akelige opportunistische gangsterrappers.

Nog even wat zinnige opmerkingen citeren: 

  • Het is de ziekte van veel hedendaagse kunstkritiek: engagement wordt gezien als belangrijkste, soms zelfs enige werkelijke beoordelingscriterium.
  • Net zoals het me onzinnig lijkt om van een artiest engagement te willen, zie ik geen reden om te verlangen naar vernieuwing. Alsof iemand pas werkelijk talent heeft als hij meerdere registers beheerst. Ik heb meer affiniteit met kunstenaars die tot op zekere hoogte bij ieder project hetzelfde doen dan met degenen die zichzelf constant opnieuw willen uitvinden. Volgens mij komt de interessantste kunst ook uit die eerste groep, degenen die één specifieke toonsoort perfectioneren.
  • Ja, we leven in een tijd waarin mensen makkelijker traceerbaar en bereikbaar zijn dan ooit tevoren, en ja, daardoor wordt er afstandelijker en anoniemer gecommuniceerd dan onze ouders deden. Maar als er iets genoemd moet worden wat mijn generatie kenmerkt, denk ik eerlijk gezegd zelden aan digitale afstandelijkheid, ik denk eerder aan digitale nabijheid, en de abrupte verandering die internet teweegbracht bij mensen van mijn leeftijd.

Hear, hear. Lezen, mensen.

Plaatsvervangers werd uitgegeven door Thomas Rap. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Lieke Marsman, Arjen van Veelen, Marjolijn van Heemstra, Tom Lanoye. De redactie las een knappe, geëngageerde collageroman, een essayistisch monument voor een overleden vriend, columns over jong ouderschap – en een toneelstuk over het Europa van nu.

*

Jan van Mersbergen: Tzum over recensie-exemplaren

Niet voor deze rubriek, wel zinnig: Van Mersbergen over exemplaren, zeuren en zonen op zijn blog.

Thomas Heerma van Voss: Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

Omdat ik morgen samen met Lieke Marsman te gast ben bij het Brainwash Festival, herlas ik Het tegenovergestelde van een mens. Een roman waarover de afgelopen maanden al veel is geschreven, vrijwel steeds op bewonderende toon. Ik heb aan die lof niet veel toe te voegen.

Marsman schrijft inderdaad bijzonder prettig en scherp, en dit is inderdaad een roman zoals die nog niet voorkwam (in Nederland?), in elk geval ken ik niets wat erop lijkt. Een collage van gedichten, columns, essays, verhaalflarden, allemaal niet expliciet verweven maar – en dat is het knappe – gevoelsmatig (en soms ook inhoudelijk) horen ze toch bij elkaar. En bij het centrale thema: klimaatverandering.

Dat is knap gedaan. Zelf zou ik in een roman altijd meer kiezen voor psychologische, zeg gerust gebaande paden, voor een duidelijker verhaal en een explicietere nadruk op het hoofdpersonage, op kleine handelingen en gedachtes, op gewoonweg scènes, miste ik bij tijd en wijle ook in Het tegenovergestelde van een mens ook. Maar bij dat gemis stelde ik me steeds voor dat Marsman er om zou gniffelen, dat ze zou zeggen: daar gáát het natuurlijk niet om in dit boek, denk eens niet zo voorspelbaar. (Wat ook weer zou raken aan het thema van het boek, het starre handelen en vastgeroeste denken dat er bestaat rondom klimaatverandering.)

Op bladzijde 23 denkt Marsmans hoofdpersonage: ‘Ik schipper tussen enerzijds het verlangen een actievere bijdrage aan de maatschappij te leveren, anderzijds het verlangen die maatschappij volledig buiten te kunnen sluiten. Als gevolg sluit ik dagelijks een compromis met mezelf door vooral veel over de maatschappij te lezen. In mijn eentje achter mijn bureau struin ik website na website af, kijk documentaire na documentaire op YouTube, bezoek het ene na het andere WikiLeaksforum en deel plaatjes van het op rauwe kipfilet lijkende hoofd van Donald Trump met mijn Facebook-volgers.’ Een mooi citaat. Ook zette ik een streepje bij: ‘Mijn apathie is een gevolg van hoe de generatie van mijn ouders de wereld achterlaat, mijn cynisme een uiting van verslagenheid […].’ Wederom: interessant, en een goede weergave van de essayistische toon bovendien, maar waarom het zulke zinnen me nu extra opvielen, waarom mijn nadruk er naar uit ging, was toch dat Brainwash-programmaatje, dat draait om engagement van een hedendaagse schrijver.

De aanleiding: de door Auke Hulst samengestelde bundel Als dit zo doorgaat, die een halfjaar geleden verscheen en waarover Daan in deze rubriek eerder schreef. Marsman en ik schreven beiden een bijdrage voor de bundel. Ook Hulst is morgen te gast, ik meen uit de Brainwash-site op te maken dat hij het interview leidt. Wat ik zeker weet is dat hij uit sociale betrokkenheid, uit het gevoel dat dit zo niet langer door kon gaan terwijl hij roerloos toekeek, begon met Als dit zo doorgaat – direct aangewakkerd door de actualiteit en verantwoordelijkheidsgevoel, dus.

Op de site van Brainwash lees ik: ‘Wat als dit zo doorgaat? In welke situatie kunnen we belanden als de abnormaliteit van het Trumpisme normaliseert en de verrechtsing van Europa doorzet? Durven we stil te staan bij de vraag: welke wereld zijn we aan het maken? […] Thomas Heerma van Voss, Auke Hulst en Lieke Marsman bespreken de vraag of er voor ons als mens een verplichting bestaat tot engagement.’ Gewoonlijk begin ik bij het woord verplichting al meteen mijn hoofd te schudden. En denk ik over publieke optredens: ik weet wel wat ik wil zeggen, wat ik vind. Maar nog eens bladerend door en lezend in Het tegenovergestelde van een mens betwijfel ik of ik weg kom met die houding, en vooral of ik er goed aan doe.

AtlasContact gaf Het tegenovergestelde van een mens uit. Daan Stoffelsen besprak het boek al voor Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Arjen van Veelen, Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, Marjolijn van Heemstra, Het groeit! Het leeft!, Tom Lanoye, Fort Europa

Vier jaar geleden overleed Thomas Blondeau (1978-2013). Ik heb niets van hem gelezen, en dat is toeval. Want zijn gepubliceerde oeuvre liep samen met de oprichting van Recensieweb.nl, hij is zo’n schrijver die ik had kunnen volgen, zoals Christiaan Weijts en Marente de Moor en Gustaaf Peek en Wytske Versteeg en Annelies Verbeke en Arjen van Veelen. Van Veelen ken ik persoonlijk, hij schreef wel eens voor Athenaeum, hij publiceerde na het winnen van de Hanlo Essayprijs Klein twee essaybundels (met de tweede won hij de Hanloprijs Groot). Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is zijn eerste roman. Thomas Blondeau speelt er een belangrijke rol in. Van Veelen en Blondeau waren bevriend, en de plotselinge dood van een collegaschrijver, Tomas, werpt een schaduw over het leven van de ik in deze roman.

Dat is geslaagd. Af en toe, ik denk dat ik dat vooral in het begin opmerkte, zit er zo’n wijsneuzigheid in die te weinig bij debutanten weggeredigeerd worden, zoals: ‘Een beker vol gif genaamd suiker.’ Lelijk en pedant. En deze wijsheid? ‘Maar je moet degene die je vroeger was niet steeds verwijten maken; die persoon had zo zijn redenen. Melancholie is laffe levenskunst en spijt is zo gratuit.’ Toch wel waar en goed gezegd. Maar de opzet is intrigerend, oorspronkelijk en aangenaam. De roman beweegt zich (in chronologische volgorde) van Leiden naar Amsterdam naar Roesbrugge naar St. Louis naar Alexandrië (maar er wordt heen-en-weer gereisd, en zeker heen-en-weer-herinnerd). Tomas is dood, en de ik gaat naar Alexandrië om zijn boeken in de Bibliotheek van Alexandrië te zetten, of om de tombe van Alexander de Grote te vinden, over wie hij een ‘geautoriseerde’ biografie schrijft. Het is een deprimerende vakantie. Niets dan stof en jetlag en hitte en desilussie.

‘Het was cafépraat geweest, de hele vriendschap: cafépraat. In een café zitten drinken – daar heb ik hem toch niet voor nodig, dat kan ik ook zelf. En er waren avonden dat we sowieso nauwelijks iets tegen elkaar zeiden – zwijgen, dat kan ik ook best alleen.
En toch, ik herinner me juist die avonden als de mooiste. En ik mis ze het meest. Wat is dan het verschil tussen samen zwijgen en in je eentje zwijgen? Als ik dat wist, weet ik het gewicht van onze vriendschap, ongeveer zoals je het gewicht van de ziel kunt bepalen door een lichaam te wegen voor en na de laatste ademtocht. Dit balkon is een goede plek voor experimenten: er is hier niets, alleen de herrie van de auto’s.’

Maar de herinneringen aan deze Tomas, een larger-than-lifefiguur, de Sebaldiaanse fotografie, en de steeds nadrukkelijker in beeld verschijnende obelisken over de gehele wereld, maken dat goed. Van Veelen meandert, hij bouwt een monument – obeliskvormig zo u wil – voor zijn overleden vriend door te omzwerven. Het is niet mierzoet, want er zijn ook IS-filmpjes. Het is niet doodernstig, want er is een variant op ‘Clicks naar Hitler’ (volgende week zal ik een boek van Joost de Vries lezen, beloofd) en een obsessie met het spelletje Snake. Bovenal: de zinnen kloppen.

En er is meer dan rouw, er is ontwikkeling. Behalve dat de obelisken zich oprichten uit de herinneringen aan Tomas, zien we dat de ik uit de schaduw van zijn vriend gegroeid is. Die was hem altijd voor in de waardering voor grote schrijvers (Pessoa? ‘Dat was toen. Nu lees ik Majakovski. Heb je die nu al gelezen? Die man verbrijzelt het verleden.’), maar de ik houdt toch vast aan zijn voorkeur voor Kaváfis. Het voelt als een beweging naar gelijkwaardigheid die bij leven niet vervuld is (terwijl Tomas de ik en zijn vrouw getrouwd heeft, de vriendschap is wel degelijk volwassen geworden, maar dat blijkt weinig uit de anekdotes), maar in de roman postuum wel een afronding krijgt.

Mooi boek. Als tegenwicht bij de dood las ik ook Marjolijn van Heemstra’s Het groeit! Het leeft!. Ze was vorig jaar een van de aanjagers van deze rubriek, en moest vanwege haar tweede zwangerschap haar interimredacteurschap staken. Daar ligt ook de natuurlijke begrenzing van deze bundel columns. Columns? Ja, columns. Van Heemstra kan dat: de combinatie van een scherpe blik voor het ongerijmde of juist terugkerende, gecombineerd met ambachtelijk meesterschap waarin ze uitzoomt, wendingen neemt, kleur geeft aan scènes.

Zo’n observatie: ‘Iemand zei me ooit dat er twee dingen zijn die maken dat mensen oeverloos tegen je gaan praten: een vouwfiets en een baby. Een vouwfiets heb ik niet maar dat van die baby kan ik beamen.’ En dan doorpakken, met een mooie hyperbool (‘Er lopen zeker honderd wildvreemde Amsterdammers rond die heel precies weten hoe mijn bevalling is verlopen. Het werkt louterend, al dat geklets.’), het enthousiasme dat in ergernis omslaat, en tenslotte weer dat gaan missen, zodat ze in plaats van alleen baantjes te trekken in het pierenbad stapt om te bekennen dat ze net een kind heeft.

Interessant, relevant, alleen niet allemaal achter elkaar lezen. Maar wel bijvoorbeeld 30 oktober naar de Amstelkerk te Amsterdam gaan om erover door te praten. Met onder anderen Lynn Berger en een vroedvrouw die ook filosoof is. Ik kan niet. Doet u Marjolijn de groeten van mij?

Ten slotte las ik, in voorbereiding op de avond met Tom Lanoye zijn Fort Europa. Theater uit 2005 dat grotendeels zijn actualiteit behouden heeft. De stemmen van Europa – een chassidische jood, een kapitalist, een stamcelbiologe, drie bejaarde hoeren – bepleiten hun zaak, zonder het blad voor de mond te nemen en stellen vast: op het oude continent is daar geen plek meer voor. Geestig en wrang. Uit de vele citeerbare passages:

‘Russen zijn eeuwige kinderen, zwakzinnigen – waarom denk je dat er zoveel Mongolen wonen?

En Tolstoj dan? Tsjechov? Dostojevski?

Schrijvers heb je overal. Schrijvers zijn genetische accidenten. Zeker in Rusland. De lezers, daar gaat het om. Driekwart analfabeten, dat zegt genoeg. Om dat te veranderen was er een despoot nodig als Stalin, en miljoenen deporteerde doden in de diepvries van Siberië. Dat was er nodig, om van driekwart analfabeten naar de helft analfabeten te gaan.’

Uitgeverij Cossee gaf Het groeit! Het leeft uit. En De Bezige Bij gaf Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Fort Europa (Prometheus) is niet meer te krijgen, een enkel exemplaar nog via Boekwinkeltjes.nl.

Donald Ray Pollock, James Comey, Matt Flegenheimer: de redactie las een mooi en sterk verteld boek, een bijna literaire getuigenverklaring en een ijzersterke journalistieke reportage. Over karaktertekening, detaillering en Marquez-achtige enscenering.

*

Thomas Heerma van Voss: Matt Flegenheimer, ‘Comey: Hero, Villain and Shakespearean Character Who Lived Up to Hype’

De afgelopen week las ik veel korte verhalen, ik begon aan twee romans, maar veruit de beste, literair meest geslaagde openingsalinea kwam ik tegen in een non-fictie-artikel. In The New York Times – en voor er misverstanden ontstaan: nee, die lezen wij op de redactie niet wekelijks door, het is toeval dat Daan en ik er beiden uit citeren deze week, wellicht zat de krant ook heel goed boven op de actualiteit? Hoe dan ook, het stuk heet ‘Comey: Hero, Villain and Shakespearean Character Who Lived Up to Hype’ en werd geschreven door Matt Flegenheimer. De openingsalinea:

” “

WASHINGTON — On the 140th day of the Trump presidency — one for each allotted character on the executive Twitter feed that stayed conspicuously silent all Thursday morning — a very tall man with a very strange place in this very bewildering moment in American history strolled into Hart Senate Office Building 216, shot a quick glance at the masses arrayed behind him and presented a seen-it-all city with something unusual.

Die bijzin over de Twitter-stilte: prachtig, juist omdat hij ook het ongebruikelijke van de situatie benadrukt, de plotselinge stilte. Die herhaling van ‘very’: nadrukkelijk, maar effectief. En ja, het is wat vertellerig, maar daarin zit juist de charme: dat ouderwetse, Marquez-achtige toon, het boven de situatie schreven en daarmee meteen de contouren en impact van de situatie beschrijven. Gisteren heb ik de getuigenis grotendeels live gevolgd, en wat ik niet kon zien volgde ik live via mijn mobiel, maar noch op beeld noch op blogs of Twitter kwam het hele gebeuren zo levendig en kracht naar voren als in deze openingsalinea. Ook hier denk ik: de verfilming mag van mij elk moment komen – en: het wordt tijd dat er, nadat de schijnbare nogal tamme, voorspelbare eerste fictiewerken over de Trump-periode, binnenkort een boek komt dat het huidige bewind kritisch en beeldend onder de loep neemt. Matt Flegenheimer mag het schrijven.

De rest van het stuk is trouwens ook bijzonder de moeite waard.

Daan Stoffelsen: James Comey, ‘Prepared Remarks’

Deze week een versnipperd leesverslag. Ik las Gilles van der Loo’s roman Het jasje van Luis Martín uit, en die is inderdaad, Thomas, de moeite waard. Misschien moet ik daar ook nog over schrijven, hoe de enigmatische personages Luis Martín en Gijs uit de verf komen, en wat daar keus en noodzaak in moet zijn geweest. Verrassender was hoezeer Twan Geurts’ biografie van Adrianus van Utrecht, De Nederlandse paus me overtuigde: Geurts beschrijft het leven niet chronologisch, dat is ook een standaardfout van biografen (want we weten weinig over die eerste jaren, en zeker niets interessants, dus lezer afgehaakt), maar begint in media res. Hij zoomt ook in op de ruige jaren als stadhouder in Spanje, toen hij een burgeroorlog moest bedwingen, en weet zijn theologische positie en ontwikkeling te plaatsen naast die van Erasmus en Luther. Fascinerend, en vloeiend geschreven.

Maar laat me vandaag een heel ander soort tekst erbij pakken, wel chronologisch, maar bijzonder goed geschreven. Gisteren was de getuigenis van James Comey tegenover de senaatscommissie die de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen moet onderzoeken. Ik heb niet gekeken, heeft hij echt ‘Lordy, I hope there are tapes’ gezegd? Citeerde hij daadwerkelijk Shakespeare? Maar ik las zijn voorbereidende aantekeningen. The New York Times heeft ze van aantekeningen voorzien. Bij eerste lezing viel me op hoe soepel dit geschreven was, hoe hij inzoomt en uitzoomt, welke details hij opmerkt, hoe hij van scène naar duiding gaat, en dan een snipper dialoog. Neem 27 januari:

‘It turned out to be just the two of us, seated at a small oval table in the center of the Green Room. Two Navy stewards waited on us, only entering the room to serve food and drinks.

[…]

My instincts told me that the one-on-one setting, and the pretense that this was our first discussion about my position, meant the dinner was, at least in part, an effort to have me ask for my job and create some sort of patronage relationship. That concerned me greatly, given the FBI’s traditionally independent status in the executive branch.

[…]

A few moments later, the President said, “I need loyalty, I expect loyalty.” I didn’t move, speak, or change my facial expression in any way during the awkward silence that followed. We simply looked at each other in silence. The conversation then moved on, but he returned to the subject near the end of our dinner.’

Het is wachten op de verfilming, maar Comey slaagt er hier al in om de scène in al zijn ongemak op te roepen. Ja, door het te benoemen – ‘awkward’, dat had geschrapt kunnen – maar ook die twee laatste zinnen. Let later ook op de uitgebreide beschrijving van hoe Comey 14 februari achterblijft met de president, hoe Sessions nog even blijft hangen, en Kushner, en ‘the door by the grandfather clock’. Sterke details.

Onze satirische broeders bij McSweeney’s mengden stukken Comey met stukken Kazuo Ishiguro’s The Remains of the Day. Erg sterk, en de oefening onderstreept Comey’s literaire kwaliteiten (die natuurlijk veel baat hebben bij zijn materiaal, dat heel erg Shakespeariaans is). Ja, dit wordt een film, maar een roman kan ook, en misschien moet Comey die gewoon zelf schrijven. Covfefe!

(Auke Hulst zegt het ook. Moeten we Comey benaderen voor ons herfstnummer ‘Tien leugenaars’?)

One can only hope mr Comey sees his way clear to writing a book. Testimony & written statement showed a unique voice & storytelling ability. https://t.co/3SMXAtXj0a

— Auke Hulst (@aukehulst) June 9, 2017

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock – Al die tijd de duivel

Er is al veel geschreven over de prachtige roman van Donald Ray Pollock, over de periode dat de schrijver in een papierfabriek werkte, over Ohio, over zijn optreden op Crossing Border, maar nu ik zijn Al die tijd de duivel herlas viel me vooral op hoe Pollock zijn personages en vooral ook zijn zijfiguren introduceert. Dat doet hij kort en terloops, in fraaie zinnetjes.

De vader van hoofdpersoon Arvin geeft ene Lucas een pak slaag, dat is in de proloog al beschreven en verderop in de roman denkt een winkelbediende even terug aan dat voorval en hoe Lucas er sindsdien bij zit: ‘Niet dat hij het waarschijnlijk niet verdiend had, maar Lucas was nog steeds niet de oude. Gisteren nog had hij hier de hele ochtend voorovergebogen op deze bank gezeten met de draadjes spuug uit zijn mond hangend.’ Dat gebruik van tijd, dat ene beeld van die spuugdraden, het duiden van een bank als ‘deze bank’ maken die zinnetjes heel vertrouwd en lokaal en klein, en bovendien hoeft Pollock verder in het boek nooit meer iets over Lucas te zeggen, want alles is nu duidelijk.

Als de mooie moeder van Arvin kanker heeft en ligt te sterven en hij en zijn vader een krankzinnige gebedsplek in het bos bemannen waar ze dierenoffers brengen, moet Pollock toch op een gegeven vertellen dat zijn moeder echt sterven zal: ‘Altijd was er wel ergens iemand aan het sterven, en in de zomer van 1985, het jaar waarin Arvin Eugene Russell tien jaar werd, was het de beurt aan zijn moeder.’
Die moeder werkt in het begin van het boek als serveerster, en daar ontmoet de vader van Arvin, Williard, haar. Hij eet iets in het eettentje en is onder de indruk. ‘Toen hij het op had, ging hij terug naar de bus zonder zelfs maar Charlotte Willoughby’s naam te weten.’ Op deze manier houdt Pollock alle touwtjes stevig in handen, geeft hij de lezer meer informatie dan zijn mannelijke karakter en vertelt hij tegelijk iets over dat karakter want iets niet weten is soms net zo belangrijk als iets wel weten. Pollock begrijpt dat heel goed.

Een duo dat moordend door Amerika trekt, een jong mager vrouwtje en een vettige man die een paar leefregels opgesteld heeft maar vooral geïnteresseerd is in het nemen van foto’s als hun slachtoffers seks hebben met de vrouw, komt een nieuw slachtoffer tegen, nummer zes, het duivelsgetal en ook een van de leefregels die Carl heeft opgesteld, en dan schrijft Pollock: ‘Sandy kon de volgorde van de regels nooit goed onthouden, hoe vaak hij ook geprobeerd had ze in haar hoofd te prenten, maar ze zou zich altijd blijven herinneren dat Gary Matthew Bryson van Hank Williams hield en het eipoeder van het leger haatte.’
Een ander slachtoffer wordt zo geduid: ‘Jamie was het jaar daarvoor van huis weggelopen in Massachusetts, wat ook de laatste keer was geweest dat hij naar de kapper was gegaan.’
Eerder worden Carl en Sandy zelf ingeleid, en dan spitst Pollock zich toe op hun manier van leven: ‘Hun namen waren Carl en Sandy Henderson, maar soms hadden ze ook andere namen.’ Hoe kun je bondiger zijn over een stel met criminele intenties zonder dat direct te veroordelen. Hij houdt het bij een subtiele en harde beschrijving. Duidelijk en toch met voldoende ruimte voor de lezer om die complete achtergrond zelf in te vullen. Er zullen lezers zijn die deze zinnetjes missen, ook dat is geen probleem. De roman is expliciet genoeg, in beschrijvingen van het geweld van Carl en Sandy, maar toch zijn het deze zinnetjes die de roman een gouden glans geven.

Pollock werd vorig jaar op Crossing Border geïnterviewd door Jasper Henderson, grappig genoeg een naamgenoot van twee van zijn karakters, maar Jasper kan gerust zijn, soms hadden ze dus andere namen.

Een politieman wil hogerop en is met een verkiezingscampagne bezig. Ook is hij de broer van Sandy en dus is Carl zijn zwager, in deze uithoek van Ohio kent iedereen elkaar en is iedereen met elkaar verbonden, of ze nou willen of niet. ‘Politieman Bodecker snoept veel: “Als hij zo doorging, zou hij tegen de tijd dat de campagne begon net zo moddervet zijn als zijn zwager met de varkenskop, Carl.”’ Ook dat karakter wordt even messcherp neergezet, in een enkel zinnetje, vanuit een ander gezichtspunt.
Nog een zijfiguur: ‘Clifford Odell had beloofd hem helemaal naar Lewisburg te rijden om daar een nieuwe dokter te bezoeken, maar die was nog niet komen opdagen.’ De man die naar de dokter moet is de belangrijkste figuur, dit ene zinnetje vertelt alles over Clifford: dat hij niet thuis geeft als het erom gaat.

Al die personages zijn verweven, ieder hoofdstukje haalt een ander naar voren en juist de figuren die dan even op een zijspoor staan krijgen in die stukjes meer vorm, door deze zinnetjes waar ik bij de eerste lezing niet echt de vinger achter kreeg. Al die tijd de duivel is een heel mooi en sterk verteld boek, geschreven door een aardige en verlegen man die ook tijdens Crossing Border liet zien dat hij geen opgeklopte pretenties kent.

De waarschuwingen op de flap dat dit boek ‘een literaire tsunami van puur kwaad’ (Washington Post) is en dat ‘gevoelige zieltjes hier beter niet aan kunnen beginnen’ (Le Monde) zoeken potsierlijk de sensatie en doen afbreuk aan de kwaliteit. Het boek is ruig, maar vooral literair gezien is het ruig: deze taal is menselijk en dient juist de gevoelige ziel. De New York Times stelt dat ‘vanaf de openingszin duidelijk is dat er bloed zal vloeien’, maar die openingszin is beschrijvend en duidelijk, en nergens vind ik de verwijzing naar bloed of geweld:

‘Op een mistroostige ochtend aan het einde van een natte oktobermaand haastte Arvin Eugene Russell zich achter zijn vader Willard aan, langs de rand van een weide die uitkeek op een langgerekte, rotsachtige vallei in zuidelijk Ohio, genaamd Knockemstiff.’

Het vorige boek van Pollock heet Knockemstiff, een verhalenbundel over dat plaatsje. Ik heb het meteen besteld bij boekhandel Schimmelpennink, in de hoop dat het even goed is als deze roman.

Een opvallende passage uit Al die tijd de duivel is me bijgebleven. De brute en verknipte Carl die bizarre foto’s neemt en het net zo verknipte en broodmagere meisje Sandy vinden elkaar in hun gezamenlijke plannen en in de vermoeidheid van het meisje na een avond werken.

‘Ze waren altijd aan het sparen voor de volgende oude auto, voor het volgende fotorolletje, de volgende tocht. Hij maakte het laatste biertje open en schonk het voor haar in een glas. Daarna ging hij op zijn knieën voor haar zitten en trok haar schoenen uit, begon het werk uit haar voeten te wrijven.’

Die massage maakt haar aan het giechelen. Hij is toch wel teder.

‘Hij zou haar vanavond warm houden, dat was het minste wat hij kon doen. Het was bijna vier uur ’s ochtends, en op de een of andere manier, met veel geluk en weinig berouw, hadden ze weer een lange winterdag overleefd.’

Karaat gaf Al die tijd de duivel uit.

Dennis Lehane, Jonathan Littell, Marjolein van Heemstra: de redactie las een psychologisch uiterst overtuigende thriller, een zo sterke Tweede Wereldoorlogroman je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden, en een soepele zwangerschap-en-zoektochtroman met een pamflettistisch inslag en ook een Tweede Wereldoorlog-lijn.

*

Thomas Heerma van Voss: Dennis Lehane, Shutter Island

Aangespoord door wat Jan van Mersbergen een tijdje geleden op deze plaats schreef, door mijn eerdere gunstige ervaringen met het werk van Dennis Lehane en met mijn bewondering voor de Scorsese-verfilming, besloot ik het boek Shutter Island te bestellen. De Nederlandse uitgave welteverstaan, genaamd Gesloten kamer. (Een minder goede titel dan het origineel, al is het natuurlijk goed dat ze er niet Shutter Eiland van hebben gemaakt.) De taal van Lehane is met geen mogelijkheid complex te noemen, ik had het werk ook in de originele versie kunnen lezen, maar ik neig meestal naar vertalingen: omdat ik dan pas het idee heb dat ik iemands schrijven helemaal kan beoordelen, dat ik kleine nuances of toonveranderingen opmerk, dat ik makkelijker op sleeptouw kan worden genomen door het verhaal.

Zeker in dat laatste aspect ligt Lehanes kracht: moeiteloos trekt hij je als lezer zijn schrijven in. In verband met Mystic River schreef Jan van Mersbergen: ‘Lehane neemt een tussenpositie in. Hij zet in op spanning maar maakt ook volwaardige karakters en schrijft beter dan heel veel literaire romanschrijvers: duidelijk, puntig, krachtig.’ Die woorden had hij ook zo kunnen gebruiken voor Shutter Island. Dit is in eerste plaats een spannend boek, met een typische whodunnit-vraag als leidraad en aanleiding voor het verhaal: er is een meisje verdwenen op het Shutter Island, een psychiatrisch patiënte – hoe kan dat, waar is ze? Er worden twee agenten op de zaak gezet, waaronder hoofdpersonage Teddy Daniels. Die begint keurig met zijn onderzoek, hij ondervraagt betrokkenen, hij bezoekt de ruimte waarin ze voor het laatst gezien werd, enzovoorts. Spannend, weliswaar niet op een bloederige manier en zonder achtervolgingen of vechtpartijen, maar spannend is het zeker – zelfs als je (zoals ik, door die Scorsese-film) al weet dat de aandacht gedurende de thriller meer en meer verschuift naar Teddy’s karakter.

Want daarin komt Lehanes talent echt tot uiting: hoe hij ons mee kan laten gaan in zijn verwrongen hoofdpersonage. Hoe hij dat hoofdpersonage, in vaak bijzonder terloopse bijzinnetjes en uitgesponnen scènes (inclusief knappe dialogen), meer en meer uitdiept: zijn obsessieve liefde voor zijn overleden vrouw, zijn opspelende herinneringen aan zijn kinderen, zijn oorlogsverleden. Dat doet hij beeldend, gedoseerd en bijzonder overtuigend. En aan de hand daarvan slaagt hij erin Teddy’s psyche op een volstrekt geloofwaardige manier steeds meer te laten overlopen in algehele paranoia, wanhoop en angst. Gaat het dan nog om die verdwijingszaak? Gaat het om hemzelf? Of gaat het hier om die psychiatrische inrichting op Shutter Island? Bijzonder knap gedaan. Toen ik samen met mijn broer twee jaar geleden de thriller Ultimatum uitbracht, werd me weleens gevraagd welke thrillers ik nou bijzonder goed vind. Ik gaf vaak verschillende antwoorden (Grisham, Connelly), vooral omdat ik het niet precies wist. Mocht die vraag me nu weer gesteld worden, noem ik Shutter Island.

Gesloten kamer werd door The House of Books uitgegeven, maar is niet meer nieuw te krijgen. Wel bij Boekwinkeltjes.

Jan van Mersbergen: Jonathan Littell, De welwillenden

Bijna duizend minutieus volgeschreven pagina’s, bij schatting minstens 400.000 woorden, volgens de Washington Post zelfs een half miljoen, telt De welwillenden (vertaling Janneke van der Meulen en Jeanne Holierhoek). Geweldig vol boek dat je soms doen snakken naar een inspring of witregel, naar lucht, naar adem. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Een oorlogsboek, gedetailleerd, hard en compleet realistisch. De opening is een indrukwekkende monoloog achteraf. Duiding. Daarna volgt de weg daar naartoe die vooral duidelijk maakt dat nazi-Duitsland niet bestond uit gruwelijke engerds maar uit mensen die politiek bedreven en in politiek geloofden, misschien meer dan in onze huidige tijd. Om hoger op te komen bijvoorbeeld. Max Aue werd in 1934 lid van de SS in Kiel omdat hij weinig geld had en als lid hoefde je geen collegegeld te betalen. Eenvoudig menselijk argument. Het gedachtegoed van de nazi’s werd uiteengezet in colleges, Europa werd in kaart gebracht aan de hand van wat Engeland, Frankrijk en Oekraïne dachten: hoe staan ze er daar voor? Hoe denken ze daar over de joden? Wat zijn onze aanknopingspunten? Hoofdpersoon Aue krijgt de opdracht in Frankrijk te peilen hoe ze er daar voorstaan, hij doet verslag maar dat verhaal ligt niet in de lijn van de partij en hij wordt eerst op een zijspoor gezet. Een vriend dringt wel door naar de top van de partij omdat hij wel het gewenste gedachtegoed volgt. Dat is typisch: binnen een stroming wel de ruimte geven andere landen te onderzoeken maar geen gehoor geven aan een geluid buiten je eigen denken. Die nuance brengt Littell heel duidelijk naar voren. Ook de overwegingen achter de grote vraagstukken worden heel helder gesteld. Het ‘jodenprobleem’ moet opgelost, want problemen worden niet alleen gemaakt, ook opgelost. Bij de inval van Polen kreeg Duitsland niet alleen er een grote lap grond bij die het groot-Duitse rijk wat dichterbij bracht, ook kreeg Duitsland er drie miljoen joden bij, en dus werd het jodenprobleem groter. Ook daar moest dus weer een oplossing voor komen. Joden wordt trouwens consequent met kleine letter geschreven. En die oplossing is piekeren. De gaskamers zijn er nog niet, een heel slim begin van Littells verhaal. Er worden joden omgebracht, neergeschoten. Dat is arbeidsintensief. Alleen de mannen neerschieten zodat er geen nageslacht zal komen is een oplossing, maar degene die nog leven laten verhongeren is weer barbaars, dat doen alleen bolsjewieken. Als iemand voorzichtig voorstelt dat het anders kan houdt iedereen zijn adem in. Het duurt een hele tijd voor ze daar uit zijn. Ook homoseksualiteit wordt door Max Aue ingekaderd en verantwoord, hij haalt er Plato en de oude Grieken bij, biologie, probeert oorlog te linken met mannenliefde en nationaal-socialisme, zoekt juist de tegenstelling met het jodendom en andere geloven, zeker het katholicisme, om uiteindelijk de paginalange passage over een jonge soldaat die hij in Charkow lief had af te sluiten met: ‘Het jaar daarop is hij trouwens gesneuveld, in Koersk.’ Het verschil tussen het fascisme van Italië en het Duitse nationaal-socialisme wordt heel duidelijk aangegeven; het fascisme is totalitair omdat de macht bij een enkeling komt te liggen en de enkeling binnen het volk heeft juist geen waarde, het nationaal-socialisme is ‘principieel gebaseerd op de reële, onbetwistbare waarde van het individuele leven én van het leven van het Volk in zijn geheel’. WOII was geen blinde inval, het was een volledig doordacht politiek spel dat zo herkenbaar is dat het werkelijk eng is. En actueel. Al snel vertelt Aue over de rapporten die hij moet schrijven als V-man, over ‘wat er zoal gezegd werd, over geruchten, grappen’. Die informatie werd verspreid en gedeeld voor verschillende instanties binnen de nationaal-socialistische partij: de gevoelens van het volk. De Duitse veiligheidsdienst bespioneert hun mensen niet en of die mensen de Partij bespotten maakt niet, uit, zeggen ze, ze zijn vooral geïnteresseerd in de stemming onder het Volk. In onze tijd, ruim tachtig jaar later, stemt de politiek zich ook af op de gevoelens van het volk maar op een veel vanzelfsprekender manier met angst als basis. Dat gevoel stuitert het internet over, daar zijn geen rapporten voor nodig. In nazi-Duitsland was het idee volkomen uitgewerkt, hoe beroerd dat idee ook was. Tegenwoordig blijft de meest extreme rechtse ideologie vaag, reactionair en ondoordacht. Die gedetailleerde beschrijving van die gang van zaken én van de motivatie erachter maakt De welwillenden erg indringend. Het is precies zoals het gegaan is, denk je steeds, precies zoals er destijds gedacht moet zijn. Natuurlijk is veel gefictionaliseerd, maar dan wel naar de realiteit toe en niet naar een romantisch oorlogsidee dat enkel schippert tussen goed en kwaad. Ook tussen sterk en zwak, en die rol wordt soms omgedraaid, bijvoorbeeld wanneer een jood met een kindje op zijn armen beheerst tegen Max Aue zegt: ‘Ik weet wat u hier doet. Het is iets gruwelijks. Ik wilde u alleen maar toewensen dat u deze oorlog overleeft en twintig jaar lang elke nacht schreeuwend wakker wordt. Ik hoop dat u niet in staat zult zijn naar uw kinderen te kijken zonder tegelijk de onze te zien, die u hebt vermoord.’ Waarop de jood wegloopt. Die woorden beuken op Aue in, en als nog geen twintig regels verder op een gruwelijke manier het hoofd van een jood door een van de ergste beulen met een spade in stukken wordt gehakt poogt Aue in te grijpen en vervolgens wordt dit exces in een rapport vermeld en probeert het Duitse gezag het incident te verantwoorden door aan te geven dat er vast een provocatie van joodse kant aan vooraf is gegaan of dat de woede van de beul tegen de joden te begrijpen is omdat zij steunpilaren zijn van het stalinistische systeem waar Duitsland tegen vecht. Steeds het zoeken naar die verantwoording, dat maakt De welwillenden zo sterk. Verderop in het boek wordt een officier de vraag gesteld wat het gruwelijkste is dat hij heeft gezien. ‘Dat spreekt vanzelf, de mens!’ Ik weet niet of het aan de vertaling ligt, maar lelijke woorden als ‘bruusk’ en ‘prompt’ die erg ver van mijn spreektaal af staan, komen herhaaldelijk in dit boek voor en gelukkig is het boek zo sterk dat ik daar wel overheen kan lezen. Dit boek herbergt naast gruwelijkheden en de vervreemdende gedachten daarover ook lyrische passages, over een gewond vogeltje of over de graanvelden in Oekraïne of een raam dat vast zit door de verf. De welwillenden doet ook denken aan American Psycho, door de vele details over kleding en eten, daar is Aue erg sterk in. Ook dat geeft zowel een vervreemdend als realistisch en benauwend beeld van nazi-Duitsland en de oorlog: eten en mode gingen gewoon door. Wat ook opvallend is aan dit boek met die overvolle pagina’s, die massieve blokken tekst die de lezer in eerste instantie vooral angstig maken: de zinnen lopen zo goed, de scènes zijn zo sterk en de informatie zo belangwekkend, dat je al snel door die pagina’s heengaat alsof het niks is, alsof je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden.

De Arbeiderspers gaf De welwillenden uit.

Daan Stoffelsen: Marjolijn van Heemstra, En we noemen hem

Er is iets heel soepels aan En we noemen hem, de nieuwe roman van Marjolijn van Heemstra, die ons eind 2016 enkele maanden als poëzieredacteur bijstond. Dat iets maakt mogelijk dat de verhaallijnen van de zwangere ik (het boek opent met ‘Nog 27 weken’) en haar onderzoek naar haar achterneef (die eens een bomaanslag pleegde op een NSB-er en veel later zijn ring doorgaf aan de ik) elkaar niet in de weg zitten, dat je accepteert dat het de ik niet om de waarheid gaat maar om een verhaal. (Op zoek naar een passend citaat tel ik 103 keer die term, ze moet iets met die term.) Verhaal. ‘Nog 2 weken’: ‘Het Airbnb-adres is te mooi om waar te zijn. Een oude villa in de wijk waar bommenneef woonde en in 1987 overleed. Een laatste poging het verhaal rond te krijgen: eindigen op de plek waar bommenneef eindigde.’

Er is geen achtergrond en geen voorgrond, de zwangerschap (geen eenvoudige, de artsen vrezen een zwangerschapsvergiftiging) is zeker net zo belangrijk als de zoektocht, maar zó kan die buik weer bepalend zijn. De muggen zijn indringender aanwezig dan het kind. (De kruipruimte stond onder water, vandaar.) Als de ik eindelijk bedenkt dat archiefonderzoek meer kan opleveren dan de gekuiste herinneringen van familieleden op te schrijven, krijgt mede-onderzoeker Herman een prominentere rol dan de vader van het kind, D. Verstandige man, die Herman, met een grote tragiek, georven van zijn NSB-vader.

‘Ik zeg dat ik dat een mooie gedachte vind en hij lacht weer die lichte, jongensachtige lach.
“Ken je de schoolprenten van Isings?”
Ik schud mijn hoofd.
“Die hingen vroeger bij ons in de klas. Tekeningen van de ijstijd, de bronstijd, de Romeinen, de middeleeuwen. Ik kon er uren naar kijken. Die mensen waren zo mooi getekend, zo sprekend onszelf, dat de geschiedenis dichtbij leek, aanraakbaar. Zo’n neanderthaler zou zomaar mijn buurman kunnen zijn. Veel later las ik dat Isings altijd zichzelf en mensen uit zijn omgeving als model nam. Als hij die figuren uit de oudheid tekende zat hij dagenlang voor de spiegel. We doen alsof we van alles willen leren en begrijpen van het verleden, maar uiteindelijk zitten we vooral naar onszelf te staren.”‘

Dat laatste is een kernzin, bijna pamflettistisch, een zelfaanklacht: het verhaal begint en eindigt bij onszelf. Hoe verward zijn wij, moderne mensen, dat we niet verder kijken? (‘Ik’ geteld: 1707 x. In Jan Postma’s Vroege werken: 1704 x. In Adriaan van Dis’ Ik kom terug: 1569 x.) De zwangerschap ís dan achtergrond, zelfs de zoektocht naar ‘bommenneef’ is een illustratie van hoe we voor onszelf dingen overhoop halen. (Met als climax een hormonale woede-uitbarsting van de ik tegenover Herman.) Tegelijk zit er iets moedigs, onbezonnens in dit onderzoek, en dat is zeker niet navelstaarderig – de zwangere is niet bezig met babygadgets en de goede verf voor de kinderkamer. De zwangerschap biedt vooral de aanleiding (ooit had de ik beloofd haar kind naar bommenneef te noemen) en de bevalling de doorbraak: er is een ander om voor te leven. En we noemen hem maakt de bescheiden ambitie waar meer te zijn dan een archiefverhaal, een Tweede Wereldoorloggeschiedenis of een zwangerschapsdagboek, het toont en onderzoekt hoe we zulke verhalen toeëigenen, hoe we ze van ons maken.

Maar dat iets, dus. Is dat het ontbreken van nadrukkelijke overgangen (toen, toen) in het verhaal? Het is chronologisch verteld, maar de ik duikt af en toe in een flashback weg. Van Heemstra schrijft dialogen niet helemaal uit, voegt af en toe een spreekbeurt in indirecte reden toe, of laat haar ik het hoofd schudden, die variatie werkt ook. Of is het de stijl? Die is heel onnadrukkelijk, schrijftalig noch spreektalig, gedoseerd. Ik erger me aan die ‘lichte, jongensachtige lach’, misschien omdat ik me er weinig bij kan voorstellen, maar Hermans retoriek is foutloos: de nette opsomming van historische periodes, het tweemaal parafraseren in één zin en het daarna laten, het ritme van de laatste zin. Soepel.

Das Mag gaf En we noemen hem uit. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina’s voorgepubliceerd.

Jan Postma, John Green: de redactie leest een door de vertelstem geslaagde bestseller en een debuut dat het optimale uit omstandigheden haalt.

*

Jan van Mersbergen: John Green, Een weeffout in onze sterren

Vorige week schreef ik behoorlijk fel over De eenzaamheid van de priemgetallen, in een stuk waarin ik ook de andere boeken noemde die ik voor een paar euro bij het Juttersdok op de kop tikte. Het volgende boek van die stapel was afgelopen week Een weeffout in onze sterren, een boek dat geschreven is door een vergelijkbaar slimme schrijver maar het grote pluspunt van deze roman is dat John Green wel slim en geleerd is maar dat hij die slimheid in de roman volledig koppelt aan de personages, die ook slim zijn, en aan de manier waarop het meisje, Hazel, het verhaal vertelt. Die vertelstem mist De eenzaamheid van de priemgetallen, die vertelstem maakt Een weeffout in onze sterren zo goed.

Hazel is een echte puber, ook nog eens een zieke puber die een zuurstoffles achter zich aan moet slepen omdat haar longen vol vocht hebben gezeten, restant van schildklierkanker, maar haar drama is steeds ondergeschikt aan haar leeftijd en haar puberschap. Ze wordt verliefd, ze is gek van een boek dat volgens mij verder nogal fantastisch en tevens vaag is, ze wil iets doen, ze is onhandig, ze is oordelend, ze is ondernemend en ze wil anderen niet tot last zijn. De twee personages, jongen en meisje, van De eenzaamheid van de priemgetallen dragen een last die door de schrijver gebruikt wordt om een slim kunstwerkje in elkaar te zetten, de twee personages, ook een jongen en een meisje, van Een weeffout in onze sterren willen elkaar niet tot last zijn, en de schrijver is daar ook ondergeschikt aan. Het verhaal is wat traag en de uiteindelijke reis naar Amsterdam waar Hazel en haar vriend op dat beroemde bankje terecht komen komt laat op gang, de manier van vertellen maakt veel goed. Het mooiste vond ik de weergave van een telefoongesprek tussen Hazel en haar Gus, als zij vertelt wat hij zei over een boek waar zij zo dol op is, en er tussen haakjes iets aan toevoegt:

‘Prima,’ zei hij. ‘Er is geen minuut voorbijgegaan dat ik je niet wilde bellen, maar ik heb gewacht tot ik een coherente mening had gevormd aangaande Een vorstelijke beproeving.’ (Hij zei ‘aangaande’. Echt waar. De lieverd.)

Het boek zit vol met dit soort toevoegingen die je steeds laten zien wie de verteller is, die de verteller steeds meer body geven. Dat houdt John Green het hele boek vol, en dat maakt dat het drama van de ziekte op een gegeven moment toch heel hard bij de lezer binnenkomt. Een bekende truc, die nog altijd goed werkt als hij, zoals hier, zo sterk en trefzeker wordt uitgevoerd.

Lemniscaat gaf Een weeffout in de sterren uit.

Daan Stoffelsen: Jan Postma, Vroege werken

Vorige week wijdde Thomas de Veen een paginagroot stuk aan de esssaybundels van Marja Pruis, Genoeg nu over mij (zie week 11), en Jan Postma, Vroege werken. Elk vier ballen voor ‘geweldige essay-verzamelingen hebben doen verschijnen, die hongerig maken naar meer. Meer van hen, meer van dit genre. Literaire essayboeken verschijnen er niet zo veel in Nederland – onze essayistiek is veelal maatschappelijk, politiek of juist columnistisch, maar in die gevallen weer minder literair’.

Het stuk is een ode aan het genre. ‘In zijn essays verhoudt hij zich constant tot de dingen – of het nu een opmerking van een huisgenoot is, een gevonden dode muis of een aforisme op een post-it – maar altijd met een open blik. Met Postma kun je meewandelen en hem volgen op zijn zijpaden, in de zekerheid dat je toch altijd weer op de ventweg langs de snelweg van de actualiteit belandt. Oftewel: afdwalen zonder je rug naar de werkelijkheid toe te keren,’ schrijft De Veen, en ja, zo moeten literaire essays geschreven worden, anders moet je ze niet meer literair noemen, of reportages. Postma schrijft literaire essays, net als Pruis.

(Ik merk dat ik, net als in week 11 bij Marja Pruis, telkens geneigd ben voor- in plaats van achternaam te gebruiken. Ik ken ze persoonlijk, en de essays versterken dat. Wie houd ik voor de gek?)

Die ode, die dus ook het genre uitlegt, verduistert het een en ander. Bijvoorbeeld – maar dat is mijn mening – dat Pruis zich tot Postma verhoudt als de gelauwerde schrijfster tot de debutant, en Postma’s ballen dus debutantenballen zijn. Ik weet niet of De Veen dat ook vindt: ‘Zijn essays zijn intellectualistisch maar woest aantrekkelijk, meanderend, ironisch en telkens geschreven in de heerlijkste volzinnen. Zijn ironie moet niet gezien worden als angst om een positie in te nemen, maar als de hartgrondige overtuiging dat géén positie innemen ook kan.’

Kijk, die vier ballen zijn verdiend. Postma is indrukwekkend belezen, en hij weet uit het doodgewone iets triests, opwekkends of inzichtelijks te halen. Hij kan onderwerpen verbinden en ze daarmee verrijken. Zijn enorme stuk ‘Bewondering & ballingschap. Over Joseph Brodsky’ gaat bijvoorbeeld alle kanten op, van de Russische dichter rond de Kralingerplas, in New York bij Zadie Smith. Iets te lang bladert Postma door Brodsky’s werk, en dan maakt hij een wandeling. Zo lang dat je gaat denken: waar is de bewondering? De ballingschap? Brodsky? Ah, in een interview op zijn oortjes, en Valeria Luiselli vindt daar wat van. (Jan en ik delen wat helden. Sebald passeert ook. Postma incorporeert ze vloeiend.) Hij ontmoet bij de plas vissers, en dan volgt er een over-the-topbeschrijving:

‘In de schaduw van de zes of zeven bomen die als een stel hangjongeren in een permanent onwennig puberlichaam verloren aan de waterkant staan – uit de kruin van de grootste steekt een dode witte tak als een verdwaald patatvorkje omhoog – staan nu zes hengels, drie tenten, twee scooters en één grote kar. In het water ligt een rubberboot. Met uitzondering van de scooters en de hengels is alles groen.’

Het is te veel (een patatvorkje?!), zeker opgeteld bij de schilderachtige personages die Postma daar treft. En moeten we alles van die vissers weten? (‘Jacques moet komende woensdag naar de rechtbank. De andere twee grappen dat ze hem komen opzoeken “in de lik”.’) Maar er volgen overwegingen (‘Het is geen populaire gedachte, maar ik geloof dat in de bereidheid je aan te passen in het beste geval niet alleen beleefdheid maar vooral ook empathie schuilt. Het is een misverstand elke tegemoetkoming als knieval te interpreteren. Niet elke relativering is een uiting van relativisme, die algemeen verachte grondhouding die niemand er ooit echt op na lijkt te houden.’) en belevenissen met onder anderen Zadie Smith die zeer de moeite waard zijn.

Ja, zo is het: Postma gebruikt het moment, de opdracht, de omstandigheden optimaal. En regelmatig iets te veel. Maar als voorschot op de canonisering (hoe moet dat tweede boek in godsnaam gaan heten?) is dit een mooi debuut.

Ah, Carel Peeters zegt het ook. En tipt het verhaal dat op Athenaeum.nl werd voorgepubliceerd. Vroege werken werd uitgegeven door Das Mag.

Paolo Giordano, Mark Frost, Niña Weijers: de redactie leest een onhandig vertelde bestseller, een meerstemmige roman voor Twin Peaks-fans en literaire columns. Over perspectief, constructie en uitdrukkingen.

*

Daan Stoffelsen: literaire columns van Michel Krielaars, Jet Steinz en Niña Weijers

Literaire columns, daar wilde ik over schrijven. Er zijn persoonlijke columns van literair auteurs – Marja Pruis, Niña Weijers – zoals die er ook zijn van bekende buurmeisjes en televisiepersonages (‘persoonlijkheden’ leek me opeens een te zwaar woord), maar dan beter geschreven. Kleine essays, waarvan de beste met het beste van Martin Bril, Wim Boevink, A.L. Snijders kunnen concurreren. Maar ik wilde schrijven over de boekencolumn, een inkijkje in het vak van de criticus, een observatie van een kenner, verwerkt tot een verrassend inzicht in leven en/of lezen. Maarten Moll schrijft ze in Het Parool, Arjan Peters in de Volkskrant, en Arjen Fortuin deed dat in NRC Handelsblad tot zijn lezerspensioen. Boekenchef Michel Krielaars volgde hem op, en zijn column van afgelopen week was prachtig, volgens collega’s op twitter.

” “

Ik zag het niet. Krielaars beschrijft de boekenkast bij het sterfbed van een beste vriend. Een voltooid, lezend leven. (Note to self: een voltooid lezen is helaas niet mogelijk.) En neemt in zijn slotalinea Nelleke Noordervliets ware, obligate, overvolle column in Trouw over het belang van fictie in tijden van alternatieve feiten (à la Auke Hulsts Als dit zo doorgaat) mee. Daar zou zijn vriend mee hebben ingestemd.

Columns kunnen alles zijn, het is een vrij genre. Dus als je, zoals Krielaars, een warm In Memoriam in oeuvres, titels en algemeenheden, combineert met een leeservaring, dan mag dat. Zonder anekdotiek geen goede column. Het mag, en het is lief, het is aardig, het is chic. Alleen verrast deze column niet, niet in stijl, niet in detail, niet in stellingname. Ik leer niets over boeken (hooguit over wat Krielaars opvalt, of passend vindt, hij ziet zijn beeld van de vriend bevestigd), en ik word niet aan het denken gezet – iets wat goede journalistiek en literatuur toch ook moet doen.

Goede literaire journalistiek is sowieso een probleem. Toen ik de kop ‘De jonge schrijver is een vrouw’ tegenkwam in Topics, het platform van de Persgroepkranten, dacht ik: een column. Een flinterdunne stellingname immers, die statistisch niet te onderbouwen is. Tegenover deze schetsmatig geportretteerde vriendenkring van schrijfsters zijn heel veel gemengde en mannelijke schrijverskringen te zetten, en nog veel meer solisten, vrouw of niet. ‘Bestaat de nieuwe generatie schrijvers voornamelijk uit vrouwen, of lijkt dat maar zo? En als het zo lijkt, hoe komt dat dan,’ vraagt Jet Steinz zich af, en meteen al in die openingszinnen zit zoveel vaagheid – ‘generatie’, ‘voornamelijk’, ‘lijkt’ – dat je geen echt antwoord meer verwacht. Want wat is een generatie? Zijn de twintigers, dertiger en veertiger van Revisor een generatie? Wat zijn schrijvers? Steinz mengt geprezen rijp (Bervoets! Wortel!) met gelauwerd groen (Weijers! Van Rijswijk!). Het is verleidelijk om nú een nieuwe beweging te duiden, maar we weten nog niets van die debutanten. Mensen zoals Nina Polak en Roman Helinski zeggen zinnige dingen hoor, daar niet van, maar ik ontdekte niets, en de romantische relaties van schrijvers gaan mij niets aan. En ook hier geen verrassend inzicht in leven en/of lezen. De column bleek een reportage.

Het probleem is misschien wel dat het persoonlijke als doorslaggevend wordt gezien: het is zíjn vriend, en dus is die boekenkast relevant. Het netwerk van schrijversvriendschappen bepaalt een literaire stroming. Natuurlijk, het persoonlijke speelt altijd een rol in literatuur. Maar belangrijker zijn: stijl, detail, perspectief.

Ik mis Arjen Fortuins columns, dat wilde ik schrijven. Maar inmiddels moet ik zeggen: voor inzichten over lezen schieten columns, en in toenemende mate recensies, te kort. Je kunt nieuwe titels ontdekken, maar nieuwe perspectieven erop? Misschien verwacht ik te veel van journalistieke genres, ligt mijn lat tegenwoordig bij het essay. En ook dat gaat van het persoonlijke uit, maar dan tenminste door iemand die die persoon door en door kent: de ik. Terug naar Niña Weijers. We weten iets meer van déze debutant. Ze schreef in De Groene Amsterdammer over IKEA, en dwaalde af (dat kan, zelfs in de IKEA).

‘Laatst las ik een stuk waarin een columniste zich probeerde te verantwoorden voor het feit dat ze niet over grote wereldgebeurtenissen schreef. Het was onverdraaglijk dat te moeten lezen, zoals het onverdraaglijk is wanneer iemand hardop zegt dat iets ongemakkelijk is met de bedoeling het minder ongemakkelijk te maken. Je moet je nooit excuseren voor waar je niet over schrijft. Je schrijft ergens over of niet, dat zijn de opties.

Het is altijd de vraag, of althans mijn vraag, waar het persoonlijke ophoudt en het navelstaren begint. Ik houd er niet van als het persoonlijke een excuus is om geen positie in te hoeven nemen. Ik houd er niet van als het persoonlijke zo persoonlijk is dat het exhibitionistische clichés oplevert.’

Vergeet de boekencolumns. Vergeet literaire journalistiek. Lees schrijvers.

Thomas Heerma van Voss: Mark Frost, The Secret History of Twin Peaks

Deze week las ik Marja Pruis’ fraaie essaybundel Genoeg nu over mij (daarover vermoedelijk volgende week meer op deze plek) en ook Yasmine Reza’s knappe roman Babylon (waarover ook genoeg te zeggen valt), maar nu aandacht voor iets heel anders: de laatste roman van de Amerikaanse Mark Frost. Een naam die de meeste lezers van deze rubriek weinig zal zeggen. In elk geval in de hoedanigheid van romanschrijver: hij heeft weliswaar zes fictiewerken op zijn naam staan, maar is toch vooral het bekendst als televisieproducent en scenarioschrijver. Want met David Lynch maakte hij vijfentwintig jaar geleden Twin Peaks. En binnenkort verschijnt, eindelijk eindelijk eindelijk, het derde seizoen van die serie.

Over dat derde seizoen en over wat de serie Twin Peaks zo wonderlijk sterk, cult-achtig en tegelijk gedateerd maakt, valt genoeg te zeggen, en binnenkort wijd ik aan de serie (en dit boek) ook een stuk op De Correspondent, maar ik wil me hier beperken tot die nieuwe roman van Mark Frost: The Secret History of Twin Peaks. Een wonderlijk boek, misschien wel de mooiste uitgave die ik ooit in handen heb gehad. Een hardgebonden, prachtig geïllustreerd stofomslag met veelkleurige belettering. Een bijzonder lijvig formaat, waardoor het boek iets wegheeft van een een luxueuze Bijbel-editie. En dan de inhoud: het boek staat vol met scans van (voor de duidelijkheid: fictieve) krantenknipsels, met veelkleurige foto’s van beschreven personages, met tot in het detail uitgewerkte FBI-documenten, met een menukaart van het fameuze Double R Diner, met negentiende eeuwse tijdschriftpagina’s, met handgeschreven commentaren in de kantlijn.

Alles is bijzonder fraai uitgevoerd, en staat in dienst van de springerige, af en toe innemende en af en toe vermoeiende, uitgebreide tekst. Is The Secret History of Twin Peaks een roman die op eindejaarslijstje zal eindigen? Nee, het boek is alleen voor toegewijde fans, er staan nauwelijks (je kunt ook zeggen: geen) bijzondere gedachten of zinnen in, er wordt amper een verhaal verteld. Waar gaat het dan over? Tja, dat is lastig samen te vatten. Eigenlijk kun je dit boek beter een dossier dan een roman noemen. Het betreft een ruim driehonderd pagina’s tellend, papieren FBI-rapport; een verzameling door rechercheurs bijeengeschraapte bronnen en documenten over de plaats Twin Peaks. Het is vervolgens aan de lezer om die opgevoerde flarden te doorgronden en conclusies te trekken over de personages. En om zich zo onder te dompelen in de absurde, onheilspellende wereld die wordt beschreven – over allerlei figuren die in de tv-serie opduiken, maar ook over nieuwe personages, het voelt veel te ver door om het hier allemaal te beschrijven. Voor iedereen die de serie volgt en/of verlangend uitkijkt naar het nieuwe seizoen: lees dit boek, of blader het ten minste door. Voor degenen die denken: Twin Peaks, dat is toch dat vage project van David Lynch, met dansende dwergen en voorspellende dromen? Laat dit boek gerust links liggen.

Wel vestig ik graag nog de aandacht op de meerstemmigheid van Frosts roman, literair gezien het interessantste aspect van deze Secret History: om te beginnen is er het personage Gordon Cole (in de serie gespeeld door David Lynch, ook in het nieuwe seizoen), die aan het begin van deze roman special agent ‘TP’ – door middel van een innemende brief – aanstelt om de identiteit te achterhalen van ‘The Archivist’. Ofwel: degene die dit dossier samenstelde. Wat volgt is een ondoorzichtige constructie met allerlei stemmen en interpretaties door elkaar: we lezen de in het dossier opgenomen bronnen zelf, we zien de selectie van de mysterieuze samensteller, en in de kantlijn ook nog het bijzonder cynische commentaar van ‘TP’. Drie perspectieven die kriskras door elkaar lopen. En die vaak haaks op elkaar staan, soms nadrukkelijk, soms subtiel. Eigenlijk is dat het enige moment waarop dit boek de titel roman verdient, of in elk geval iets literair krijgt. Waarmee ik allerminst wil suggereren dat de rest van The Secret History niet de moeite waard is – ik kijk na het lezen hiervan in elk geval nog meer uit naar het aankomende seizoen.

The Secret History of Twin Peaks is een uitgave van Pan MacMillan, verkrijgbaar in Nederland bij onder andere Athenaeum.

Jan van Mersbergen: Paulo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen

‘Zijn vrouw was uit zijn leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui.’

In De eenzaamheid van de priemgetallen poogt Giordano aan de hand van vergelijkingen zijn publiek te bekoren en het lijkt erop dat hij van te voren zijn doelgroep bepaald heeft én dat het gewerkt heeft, getuige de quotes uit de Esta, Libelle en Veronica Magazine die de vijftiende druk prijzen. Een verkoopknaller met een bijzonder goed gelukt en zeer bekend omslag (door Marry van Baar, die ook de omslagen van mijn eerste romans verzorgde) die ik trof bij het Juttersdok in Amsterdam West, waar ik ook Een weeffout in onze sterren vond en Trainspotting en Portnoy’s klacht en nog een boek, in totaal vijf boeken voor zeven euro. Kon ik niet laten liggen.

Als eerste las ik De eenzaamheid van de priemgetallen.

‘Een vochtkring die verdwijnt uit een trui.’ Ik kan lang over zo’n zin nadenken, vooral om de vergelijking misschien te doorzien en om de kriegeligheid die zo’n zin oproept op zijn beurt misschien te laten verdwijnen, om de manier van vertellen te begrijpen. Dat vertellen is soms erg onhandig.

De roman is bijna tien jaar oud. De titel weerhield me er steeds van het boek te lezen. De koppeling van wetenschap, of enkel wiskunde aan een roman, ligt me niet. Titels als Een kleine geschiedenis van bijna alles, de eerder genoemde Weeffout in onze sterren, De telduivel, Het symmetriemonster, De ontdekking van de hemel en dus ook deze Priemgetallen weerhouden me ervan die boeken te lezen, al las ik wel Mulisch’ dikke klassieker toen ik nog studeerde. Die boeken zit vol wijsheden, die boeken laten vooral zien hoe slim de schrijver is, die boeken zijn in overdrachtelijke zin wat betreft het gevoel vaak erg armoedig. Is mijn vooroordeel, en het lezen van die boeken doe ik soms om dat vooroordeel te logenstraffen. Dat lukt zelden.

De bio op de flap van deze roman vertelt over Giordano dat hij ‘natuurkundige is en momenteel aan zijn promotie werkt’. Eigenlijk zegt dat: het schrijven van deze roman doet hij er maar een beetje bij. Een lolletje. Een verzetje. Ook dat maakt me wantrouwend, een roman schrijven is minstens zo moeilijk als natuurkunde studeren, het lijkt alleen veel gemakkelijker en lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine zullen eerder geïmponeerd zijn door een natuurkundige die er ook nog eens uitziet als een profvoetballer van Juventus of een Engelse TV-kok dan door een schrijver die zegt dat hij schrijver is.

Lezen dan maar. En het moet gezegd: De eenzaamheid van de priemgetallen leest tot op zekere hoogte heel goed. De eerste paar hoofdstukken. Dan verliest Giordano de macht over zijn personages en zijn verhaal, dan moet er een groots thema komen dat de natuurkunde waar hij zich in de werkelijk belangrijke tijd mee bezighoudt linkt aan dit verhaaltje.

‘Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 of door zichzelf.’

Zo begint hoofdstuk 21. Klopt helemaal niks van want die getallen zijn prima deelbaar, er komt alleen een getal uit met een paar cijfers achter de komma, geen telgetal. De toevoeging: ‘Een priemgetal is een natuurlijk getal groter dan 1 dat slechts twee natuurlijke getallen als deler heeft,’ maakt de bewering beter. Dan is duidelijk dat priemgetallen gaan over natuurlijke getallen, over telgetallen die teruggrijpen op een appel, twee appels, drie appels. En geen halve appels. Aan de ondeelbaarheid van priemgetallen koppelt Giordano het idee dat die getallen eenzaam zijn, omdat ze dus niet deelbaar zijn: ‘Het zijn argwanende eenzame getallen.’ Waanzin, denk ik dan. Een leuk idee, maar die priemgetallen zijn ook gewoon aanduidingen voor het aantal appels of wat dan ook.

Het wordt nog gekker. De twee hoofdpersonen van deze roman hebben in hun vroege jeugd iets traumatisch meegemaakt, die hoofdstukken zijn zoals gezegd erg sterk en trekken de lezer eigenlijk het hele boek door. Die twee personages, een jongen en een meisje, zijn in hun jeugd beschadigd. Het meisje ontwikkelt als gevolg daarvan een eetstoornis en de jongen snijdt zichzelf. En ze komen elkaar tegen, natuurlijk. Als ze wat groter zijn. Voor Giordano zijn die twee personages priemgetallen die in de reeks vlakbij elkaar staan, zoals 11 en 13. De personages zijn op zichzelf en eenzaam maar ze lijken ook op elkaar en ze kunnen elkaar niet aanraken. Die 12 staat er tussen.

Zo’n theorie slaat de complete roman dood. Deze personages dragen een last met zich mee, heel goed gedaan, invoelbaar ook, en dat verhaal is mooier dan een verzonnen idee over getallen die eenzaam zijn en personages die net priemgetallen zijn. Hou op, man. Ga lekker terug naar je faculteit.

Schrijven is meer dan in je vrije tijd een verhaaltje wat inkaderen en inkleuren. Schrijven is overdracht en techniek en vasthoudendheid. Dat mist Giordano, en dat lees je af aan het eindeloze gebruik van de voltooid verleden tijd en de sleetse uitdrukkingen die herhaaldelijk opduiken.

Dat ligt niet aan de vertaling van Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek. De eerste bladzijden van hoofdstuk 9 grijpen terug op een misstap van de huishoudster die ooit een man meenam naar het huis waar zij werkt, waar het meisje de dochter is. Dat verhaal wordt volledig in die vreselijke had-was-had-wastijd verteld, en dat leest heel erg slecht. Dat is omslachtig en ver weg. De handelingen spelen wel in een tijd vóór de verteltijd van het boek (verleden tijd), maar dan nog kan een lezer wel begrijpen dat dit ergens daarvoor speelde als die tijd aan het begin van zo’n hoofdstuk verteld wordt. Giordano kiest voor deze manier van vertellen en de vertaalsters hebben dat netjes overgenomen.

Sommige van de uitdrukkingen komen, neem ik aan, wel uit de koker van de vertaalsters. ‘Hij verroerde geen vin’ komt twee keer voor in de roman. Ik kan dit niet controleren maar verwacht dat in het origineel een soortgelijke uitdrukking gebruikt is en dan is het de taak van de vertaler om daar een mooie vlotte Hollandse zin van het bakken. ‘Hij begon het Spaans benauwd te krijgen’ is ook zo’n zin. ‘Hij reageerde als door een wesp gestoken.’ Die manier van praten komt wel voor, in een roman is het erg storend. ‘Mattia liep gedwee achter haar aan.’ Ik durf te zeggen dat er voor ‘gedwee’ in het Italiaans geen woord bestaat, of anders een woord dat ook daar al vijftig jaar niet meer gebruikt wordt. Verderop in die passage: ‘Hij volgde haar alsof hij een schoothondje was.’ Of: ‘Hij bleef stokstijf staan.’ Laat ik de vertalers beschermen en zeggen dat Giordano nou eenmaal deze manier van vertellen gebruikt. ‘Hij had er schoon genoeg van.’

Kenmerkend ook is het overduidelijke aankaarten van gevoelens. ‘Hij voelde dat…’, ‘Hij was het zat om…’ Dat is erg jammer omdat er geen beelden gezocht zijn en vooral omdat deze manier van duiden afleidt van de personages en hun last. Deze manier van vertellen werpt me terug op de tekst en niet op het drama.

Toch komt dat drama misschien juist door die uitdrukkingen heel goed binnen bij de lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine. Kan zeker kloppen, deze roman leest als een tijdschrift, zoals eigenlijk alles aan dit boek behapbaar is gemaakt en uiteindelijk de last van de personages amper serieus te nemen is, vooral omdat de schrijver een knieval maakt voor het tijdschriftenpubliek.

De Bezige Bij gaf De eenzaamheid van de priemgetallen uit. De uitgeverij biedt ook een pdf-voorproef aan.

Marja Pruis, Knut Hamsun, Michael Robotham: de redactie las een rijk essay over schaamte en familie (en en passant een stukje Nieuwe Testament), een kernachtige, gevoelige boerenroman en een klassiek opgebouwde vliegtuigthriller.

*

Thomas Heerma van Voss: Michael Robotham, Leven of dood

Afgelopen maandag was ik ruim een etmaal onderweg – wachten, vliegen, overstappen, wachten, vliegen, vertraging, wachten, een busrit, wachten, nog een busrit, verdwalen, me door een taxi laten vervoeren – en bij dergelijke vermoeiende reizen grijp ik graag terug op Amerikaanse thrillers: om de tijd iets sneller te laten gaan, en omdat een thriller zich leent voor snel, langdurig lezen. Leven of dood telt ruim vierhonderd bladzijdes en nog voor aankomst had ik het boek uit. Dat is meteen al een plus: auteur Michael Robotham (van wie ik nooit eerder iets las) weet als geen ander hoe hij de aandacht moet vasthouden.

Leven of dood is een klassiek opgebouwde thriller, met een onschuldig veroordeelde, corrupte politie, een verleden waarmee ‘afgerekend’ moet worden, een sympathieke vrouwelijke rechercheur die zich tegen de gevestigde orde verzet, een boel actiescènes, een paar onschuldige slachtoffers en een vroeger raadsel dat stukje bij beetje ontrafeld wordt. Nee, origineel klinkt dat allemaal niet, maar Robotham weet zijn verhaal bijzonder effectief op te bouwen. Het sleutelwoord: dosering. Voortdurend zijn er perspectiefwisselingen, flashbacks, kleine vooruitwijzingen – meer dan ik bij thrillers gewend ben, maar net niet zo veel dat je al lezende de draad verliest. Daarin blikt deze auteur uit: je voelt als lezer wel welke kant het allemaal opgaat, en heel origineel wordt het weliswaar niet, maar toch slaagt Robotham erin me mee te nemen, in een keer, vierhonderd pagina’s lang.

Mocht u nu denken: ik wil al tijden weer eens een behendig opgebouwde thriller lezen, denk dan aan Leven of dood. Mocht u bij het woord thriller al bij voorbaat in een kramp schieten, sla dit boek dan vooral over, want er zijn ook genoeg argumenten in Leven of dood te vinden om te onderbouwen dat het hele thrillergenre van clichés of ongelukkige beeldspraken aan elkaar hangt. Nog los van de vele spatiefouten, misplaatste aanhalingstekens en tikfouten die uitgeverij Cargo niet uit deze vertaling heeft gefilterd, gaat Robotham eigenlijk steeds de mist in wanneer hij zich van beeldspraak bedient: iemand is ‘zo welkom als een stinkdier op een tuinfeest’, iemand praat als ‘een vis die een haak heeft ingeslikt’, een bibliotheek is ‘het architectonische equivalent van een liefdesbaby van een betonboer en een kubist’. Tja, dat is ronduit bedroevend schrijven. En toch haakte ik niet af. Dat lag wellicht deels aan een gebrek aan alternatieven, maar ook zeker aan Robotsham talent een spannend verhaal te vertellen.

Uitgeverij Cargo gaf Leven of dood uit.

Jan van Mersbergen, Knut Hamsun, Hoe het groeide

Deze week bestelde ik Oogst, van Jim Crace. Boek van de maand bij DWDD, maar al flink wat maanden gelezen. Na een fragment op Amazon besloot ik het boek te kopen. Het geel en blauw van de ‘Look Inside’ op die verkoopsite, boven de cover van boeken, samen met dat pijltje, zijn me inmiddels heel dierbaar. Er is geen betere reden om een boek te kopen dan het boek zelf, maar dan wil ik wel even binnen kunnen kijken. Amazon begrijpt dat. Uitgeverijen begrijpen dat ook steeds beter, want die strooien tegenwoordig met mooie leesfragmenten op hun websites.

Toen ik wachtte tot het boek bezorgd was en ik voor mijn boekenkast ging staan sprong Hoe het groeide bijna van de plank. Boeken vormen altijd verbanden, en de connectie tussen Oogst en mijn boekenkast was dit oude boek van Knut Hamsun, een van mijn favoriete schrijvers van toen ik twintig was, en net was begonnen met lezen.

De beginzin, wist ik nog, had iets te maken met een pad en het ontstaan van een pad op een stuk land. Een olifantenpaadje, maar dan niet een afgesneden stuk tussen twee slecht aangelegde stukjes trottoir in een nieuwbouwwijk, maar een eerste pad op een tot dan toe ongerept stuk natuur.

‘Dat lange, lange pad, dat over het moeras en door de bossen loopt, wie heeft dat gebaand.’

Een boerenroman die eigenlijk meteen na verschijnen een achterhaalde thematiek aanhaalt: de boeren die dichtbij de aarde staan en een goed leven leiden, in een wereld die door de industrialisering snel verandert. Met die thematiek had ik veel toen ik twintig was, of eigenlijk moet ik zeggen: die thematiek staat dicht bij mijn ouders en ik stond dichter bij hen toen ik net een jaartje in Amsterdam woonde en in tweedehands boekwinkels de uitgaves van Hamsum tegenkwam die mijn vader ook in de kast had staan. Ik kende de sterke liefdesromans Pan en Victoria, het geweldige Honger en het mooie Mysteriën. Ik kende de verhalen over Hamsun die met de nazi’s heulde toen hij al bijna tachtig was. Hoe het groeide is uit 1917, jaren voordat Europa in de oorlog verzeild raakte, en Hamsun levert met dit boek een laatste sterke roman af, na jaren van twijfelachtig schrijven, zoals Hemingway deed met The Old Man and the Sea.

Hamsun schreef Hoe het groeide twintig jaar na Victoria. In de tussentijd zat hij niet stil, de ene na de andere boerenroman produceerde hij, maar nooit zo goed als Victoria en ook niet als Hoe het groeide, een verhaal dat in tegenstelling tot die andere boeken kernachtig is, eenvoudig, gevoelig.

In de aanloop naar Oogst herlas ik dus passages van Hoe het groeide en geen moment stelde dit proza van mijn jeugd me teleur, ook niet na al die jaren.

Hoe het groeide is niet meer leverbaar, maar nog wel te koop op Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, Genoeg nu over mij

Ik schrijf dit terwijl in Amsterdam men uitroept: ‘Het essay leeft!’ Men definieert: ‘In het grensgebied tussen literatuur en journalistiek, het verhalende en het beschouwende, het particuliere en het universele is het essay een genre dat de schrijver op unieke wijze in staat stelt een snaar te raken of aan het denken te zetten.’ En men stelt vragen: ‘Maar hoe ziet de toekomst van het essay eruit? Zal het essay met het krimpen der kolommen in de verdrukking raken? Of staan we aan het begin van een bloeiperiode van het zelfreflectieve schrijven en denken op de korte baan?’

Ik ben er niet – misschien moet ik daar maar eens essays over schrijven, dat eeuwige gevoel er niet bij te zijn, zelfs als ik er wel bij ben, geboortes, boekenfeestjes, bijna-doodervaringen (dat laatste was een grap, daar ben ik nog nooit niet bij geweest) -, ik ben er niet want ik had te laat door dat vanavond deze belangrijke vragen gesteld zouden worden, door interessante mensen als Marja Pruis en Jan Postma en Roel Bentz van den Berg en Miriam Rasch, en ik moest een meisje afdrogen en een jongen op een potje zetten en ze allebei voorlezen, de een over Poeh, de ander over Boer Boris.

(Is Winnie de Poeh een essayist? Zijn goede kinderboeken essayistisch?)

Ik ben er niet, dus ik lees maar. Ik heb net Marja Pruis’ Genoeg nu over mij gelezen, en ik ben enthousiast. Ik vroeg me af of ik het niet bezwaarlijk vond dat ik een paar stukken herkende uit De Groene Amsterdammer, één uit Revisor (over Advocaat van de hanen), omdat bundelingen niet per se goede boeken maken. Pruis’ collega Joost de Vries maakt het onderscheid met essaybundels om zijn ‘essayboek’ Vechtmemoires te beschrijven: ‘Ik hoop dat de essays onderling met elkaar te maken hebben, elkaar op een natuurlijke manier opvolgen, verhelderen, versterken, en ongetwijfeld soms tegenspreken.’ Ik vond hem daarin niet helemaal geslaagd, maar Pruis slaagt er wel in, het heeft allemaal met schaamte, met uiterlijk, met kijken te maken. En met literatuur. Genoeg nu over mij is een essayboek.

Ik vroeg me ook af wat ik nu het beste stuk vond (Trouw-recensent Emilia Menkveld vond dat dat het Revisorstuk was), en ik realiseerde me dat dat ‘De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden’ was. Ook een oud stuk? Nee. Pruis schreef wel in 1999 ‘De ervaren schamer’, een interview met psychotherapeut en holocaustoverlever Louis Tas. Dat stuk komt ook terug in dit essay, waarbij ze de omstandigheden van het gesprek, haar onzekerheden ook, bespreekt. (Vergelijkbaar met de opening van haar roman Zachte riten, of Teju Coles ontmoeting met Vidia Naipaul in Known and Strange Things, ongemak en bewondering gecombineerd.) Een ontzettend interessante man, dat helpt, en de snippers interview en Pruis’ commentaar geven al diepte aan het essay. Maar Pruis schrijft ook over haar verhouding tot haar kinderen (later zal ze over haar dementerende moeder schrijven):

‘Nazmiye Oral gaat op het toneel in gesprek met haar moeder, lees ik bij de foto’s van Cigdem Yuksel. “Ik wil niet dat zij sterft voordat zij weet wie ik echt ben of ík weet wie zíj echt is.” Het is het andere uiterste, denk ik, met zo weinig mogelijk judgementality. Alsof het uiteindelijk om woorden gaat. Terwijl de luxe van de bloedband de stilzwijgende intimiteit is, opgebouwd uit onbegrip, irritatie en schaamte.
Van die drie schaamte misschien nog wel het meest.
Ik ben gehecht aan die schaamte.’

Het gaat me niet om Oral en Yuksel, maar het is een rijkdom dat Pruis hen erbij haalt, het gaat me om de gevoelens tegenover de woorden. Want ja, woorden doen ertoe, maar veel van het weten is onverteld. Ik kan me nog weinig voorstellen van die luxe, al realiser ik me, terwijl ik het schrijf, dat dit de houding is die ik tegenover mijn vader heb. Ook bij hem: ik ben er niet.
Pruis gaat nog alle kanten op. ‘Schaamte is volgens de man die het kon weten een gebrek aan empathie met jezelf, en moet overwonnen worden wil je niet ten onder gaan aan zelfhaat.’ Die man is Louis Tas. Ze onderzoekt het verhaal van Aartje Greven, de pr-vrouw van Prometheus met wie niet alleen ik een ongemakkelijke relatie had, en die later niet alleen geweldig, ongemakkelijk en lief bleek te zijn geweest, maar ook een vrouw die loog. Haar vader schreef daarover een boek. En dat kan: schaamte is soms niet een gebrek aan empathie voor jezelf, maar een overdaad eraan voor de ander, stelt Pruis.

Ik weet dat niet, maar Pruis zet me aan het denken, telkens weer, en dat is wat literatuur hoort te doen. Maar dit essay is niet alleen interessant, het is ook slim: ze schrijft over relaties maar laat haar kinderen buiten schot, die behouden hun recht op leven buiten de literatuur. Het is ook talig mooi, ten slotte. Er zitten in de laatste drie zinnen van dit citaat bijzondere combinaties. De luxe van de bloedband, dat maakt veel meer van het woord ‘bloedband’ dan normaal taalgebruik toestaat. Tegenstellingen: intimiteit (+), onbegrip, irritatie, schaamte (-). Gehecht (+), schaamte (-). En natuurlijk die parafrase van 1 Korinthiërs 13: ‘En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.’

(Fantastische passage, dat 1 Korinthiërs 13, over de liefde, trouwens. Mooie bijbellezing voor komende zondag.)

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar gaf Genoeg nu over mij uit. Op Athenaeum.nl staan twee kortere stukken uit het boek.

Sarah Hall, Jerzy Kosinski, Jirí Weil: de redactie leest twee klassiekers en een verhalenbundel, een mengeling van genres, een prettige voorspelbaarheid en een rode wildernis.

*

Thomas Heerma van Voss: Jirí Weil, Mendelssohn op het dak

De aanprijzing ‘herontdekte klassieker’ heb ik de afgelopen jaren te vaak gehoord, en hoewel er zonder meer heel veel moois te ontdekken viel en nog steeds valt, stoor ik me vaak aan de schreeuwerige toon waarmee zulke uitgaven worden uitgebracht. Alsof er niets mooiers te bedenken was dan het afstoffen van een oud werk. Alsof een ware klassieker op een dag altijd herontdekt moest worden, en niet gewoon in enige luwte kan voortleven, decennialang, zonder volledig vergeten te worden, en dus ook zonder herontdekt te hoeven worden.

Volgens mij is dat het lot geweest van Mendelssohn op het dak, een roman die in 1960 postuum verscheen – de Tsjechische auteur Jirí Weil overleed in 1959 – en die sindsdien internationaal geprezen is. De Nederlandse vertaling van Kees Mercks verscheen pas enkele jaren geleden, bij de uiterst innemende Cossee Century-reeks – misschien denk ik alleen dat deze klassieker niet herontdekt is omdat de reeks kalm, zonder al te veel tromgeroffel op de markt werd gebracht. Een dierbare vriend gaf het boek me op mijn verjaardag, alweer bijna een jaar geleden. Sindsdien nam ik me wekelijks voor eraan te beginnen. Waarom ik dat nu heb gedaan: geen idee. Wat ik wel weet: het was een verstandige keuze.

Want herontdekt of niet, Mendelssohn op het dak lijkt me zo’n zeldzame titel die het predicaat klassieker verdient. Er valt heel veel goeds in de roman te vinden – ik ben nu op tweederde – en ik wil mensen vooral uitnodigen zelf te gaan lezen, omdat Weils uitblinkt in lange, zorgvuldige beschrijvingen van Praag tijdens de Duitse bezetting, zo sfeervol en gedetailleerd dat ik ze hier onmogelijk kort kan samenvatten. Heel af en toe staat hij wel erg lang stil bij historische gebeurtenissen die inmiddels bij veel meer lezers bekend zullen zijn dan toen hij deze roman schreef, bijvoorbeeld over de werking en het bevel van de Endlösung, maar door de afgewogen woordkeuze en de aangename, zelfverzekerde toon houdt hij de aandacht toch steeds moeiteloos vast.

Wat ik het best vind aan deze roman: de mengeling van genres. Mendelssohn op het dak begint vrij droog, bijna slapstickachtig. Het is 1942, Reinhard Heydrich ontdekt tijdens een bezoek aan Praag dat op het dak van het Praagse concertgebouw een standbeeld staat van de componist Mendelssohn. En, jawel, dat is een jood. Het beeld moet verwijderd worden door Julius Schlesinger, alleen blijkt, scène voor scène, dat niemand weet wie van al die figuren op het dak nu werkelijk Mendelssohn is. Schlesinger zelf niet, maar de mensen die hij inschakelt evenmin. Waarom staan er nergens naamplaatjes? Valt het af te leiden uit de neuslengte? Zulk soort vragen hebben een onmiskenbaar komische ondertoon, maar Schlesingers angst wordt steeds invoelbaarder: hij zal er straks op worden afgerekend als Mendelssohns beeld niet verwijderd is, en hij kan Heydrich zelf natuurlijk niet bereiken wegens die heilige chain of command.

Wie schrijft over de Tweede Wereldoorlog, vervalt onvermijdelijk in verhalen of beelden die al bekend zijn, eenvoudigweg omdat er zo onvoorstelbaar veel over het onderwerp geschreven is. Mendelssohn op het dak is ook geen roman die mij een nieuw licht heeft laten schijnen op de oorlog, ik betwijfel ook of dat nog kan, maar nooit eerder las ik een boek over dit onderwerp dat met zo’n beheersing en combinatie van tonen geschreven was. De komische ondertoon maakt het verhaal navrant, de machinale werking van het Derde Rijk komt op een prachtig pijnlijke wijze over, evenals dat absurd uitgevoerde verlangen naar joden-vrije ruimtes, naar ‘hygiëne’. Weil is een meester in het opvoeren van spanning, stukje bij beetje, scène voor scène, tot je niet meer weet waarom je nu zo hoofdschuddend en tegelijk lachend aan het lezen bent: omdat zich voor je een slapstick-achtig tafereel ontvouwt, of omdat de slapstick allang ingeruild is voor werkelijke tragedies.

Mendelssohn op het dak werd uitgegeven door Uitgeverij Cossee, die ook een fragment op de site heeft staan, net als Athenaeum.

Jan van Mersbergen: Jerzy Kosinski, De geverfde vogel

In mijn boekenkastje boven op de overloop naar de slaapkamers van mijn kinderen toe staan de boeken die ik in de buurt wil hebben, die niet in een doos in de opslag kunnen, die ik af en toe van de plank haal om er even een stuk in te lezen, om soms helemaal  te herlezen. Het zijn de boeken die me net die leeservaring gaven die iedere lezer kent: het verrukte en ongelofelijke dat een paar woorden, wat zinnen, een verhaal, groter kunnen worden dan dat boek, de ervaring van werkelijke invoelbaarheid. Een van die boeken is een dikke uitgave van de Bezige Bij die ik twintig jaar geleden kocht met op de cover een portret van Jerzy Kosinski en daarin vier boeken va deze schrijver, als eerste De geverfde vogel – zijn beste boek – en daarnaast nog Aanwezig, Duivelsboom en Cockpit. Aanwezig (Being There) is vooral bekend van de verfilming, de andere twee sluiten meer aan op het voorwoord dat Kosinski bij De geverfde vogel schreef, en met dat voorwoord wil ik beginnen.

Achteraf, staat erboven. Zeventien pagina’s betoog, na het verschijnen van de roman in 1965, vind ik een beetje veel. Vooral omdat de roman al een cursief gedrukte inleiding van twee pagina’s heeft waarin de verteller de situatie duidt: in de oorlog werd hij door zijn ouders naar het platteland gebracht omdat de kans dat hij zou overleven daar groter zou zijn. In het achteraf geschreven voorwoord kaart Kosinski het vervolg aan, na het verschijnen van het boek. De schrijver werd gevolgd door de Russische geheime dienst. Allerlei complotten. Ook legt de schrijver de titel uit: in Oost-Europa werden vogels gevangen en met felle kleuren beschilderd om ze daarna terug te plaatsen bij hun soortgenoten, die de nieuwe gekke felgekleurde vogel verstootten.

Ergens voel je: Kosinski is zelf die jongen uit het boek. Hij is verstoten. Voelt zich verstoten. Hij schreef een boek over een probleem dat hij goed kent, maar is daarna ook geen leven naar dat boek. Naar de complotten. Dat maakt de inleiding erg vervelend, ik sla hem altijd over en heb ooit de neiging gehad hem uit het boek te scheuren.

Maar dan de roman zelf.

De jongen komt in een vreselijk achterlijk bijgelovig gebied terecht dat door Kosinski heel precies en sober weergegeven wordt. Dat is indrukwekkend, en ook biedt die stijl de ruimte voor een verhaal dat leunt op voorspelbaarheid. De jongen wordt in die streek gezien als zigeuner, met zijn donkere haar en donkere ogen. Niemand zal hem helpen, niemand zal aardig tegen hem doen. Gebeurt dat in het vervolg van het boek wel, dan is dat een meevaller. Als lezer hoop je steeds dat de jongen er goed vanaf komt, ook bij herlezing. Een verhaal dat één richting op gaat, precies die richting waar de lezer bang voor is, waarvan je niet wilt dat het gebeuren gaat, en toch gebeurt het. Dat geeft een mooie spanning.

Kosinski vertelt heel helder over het bijgeloof en over vreemde geneeswijzen, allemaal heel aannemelijk. Dat maakt de positie van de jongen niet beter. De mensen daar denken nu eenmaal zo, als die jongen je recht in de ogen kijkt moet je wegkijken en drie keer spugen en hopen dat hij je niet lang genoeg aangekeken heeft om je te beheksen.

De jongen heeft een zogenaamde komeet bij zich; een conservenblik met gaatjes erin aan een touw, waar vuur in brandt. Onmisbaar voor de warmte en om honden en mensen af te schrikken. In die streken waren lucifers schaars, de mensen spleten ze zodat ze ze twee keer konden gebruiken. Kosinski maak een combinatie van het vuur en het bijgeloof, zoals hij in de geverfde vogel heel vaak die link legt om de heikele situatie waarin de jongen zich bevindt en de voorspelbaarheid van de omgeving en de mensen aannemelijk te maken:

‘Vuur, zeiden ze, is geen natuurlijke vriend van de mens. Daarom moet je je aan zijn gedragingen aanpassen. Men geloofde ook dat het delen van vuur met anderen, vooral het lenen ervan, alleen maar onheil opriep. Want wie hier op aarde vuur leent, zou wel eens veroordeeld kunnen worden om het in de hel terug te moeten geven. En het verwijderen van vuur uit een huis kon de koeien beroven van hun melk of hen onvruchtbaar maken. Ook als het vuur tijdens een bevalling uitging kon dat rampzalige gevolgen hebben.’

Ook de beschouwingen van deze zevenjarige jongen zijn mooi. Hij houdt de naïeve kinderlijke verteltrant vol, bijvoorbeeld als hij ziet dat de ogen van een knecht door de molenaar worden uitgestoken met een lepel, en hij vlucht. Steeds voelt hij of zijn ogen er nog zitten, hij is bang dat ze eruit zullen vallen, dat gaat heel gemakkelijk, zag hij. En dan denkt hij:

‘Ik vroeg me af of iemand die zijn ogen had verloren ook zijn herinnering aan alles wat hij had gezien kwijt was. Als dat het geval was zou zo iemand zelfs niet meer in staat zijn in zijn dromen iets te zien. Als dat niet het geval was, als mensen zonder ogen tenminste nog met behulp van hun geheugen konden zien, dan waren ze nog niet zo slecht af. De wereld zag er overal zo’n beetje hetzelfde uit, en ook al verschilden de mensen onderling, net als de dieren en de bomen, na er jarenlang naar gekeken te hebben kon je toch wel tamelijk goed weten hoe ze eruit zagen. Ik leefde pas zeven jaar, maar ik herinnerde me een heleboel dingen. Wanneer ik mijn ogen dichtdeed zag ik een hoop details nog scherp voor me. Wie weet, misschien dat de knecht zonder ogen een totaal nieuwe, boeiender wereld begon te zien.’

Die dromen en gedachten, gekoppeld aan de hachelijke situatie waar de jongen steeds in zit, zijn ijzersterk, veel sterker dan de lange klaagrijke verdediging die Kosinski opvoert als inleiding.

De Bezige Bij heeft De geverfde vogel nog steeds in druk, als midprice.

Daan Stoffelsen: Sarah Hall, De prachtige onverschilligheid

In deze rubriek lezen we veel nieuws, maar we herlezen ook. Herlezen geeft comfort, het bevestigt je in je smaak en voorkeuren, maar je kan met enige afstand ook eenvoudiger zien waarom je iets goed vond. Hieronder kopieer ik mijn bespreking in NRC Handelsblad van juni 2012 van de verhalenbundel van Sarah Hall, een zeer getalenteerd en versatiel schrijver, die elk boek weer verrast met iets totaal anders, en telkens toch weer mooi, onafhankelijk, strijdbaar. De vertaling van Wim Scherpenisse is nog steeds leverbaar, chapeau voor de uitgever, schaf hem aan, deze Week van het Korte Verhaal, zou ik zeggen. Ik herlas het verhaal ‘De bijen’, waarvan de beelden me nog steeds bijblijven. Dit zag ik nu (of paste destijds niet in het stukje voor de krant):

  • De hoofdpersoon is een ‘je’, wat gek genoeg de afstand vergroot.
  • Deze zin (net na die zin die ik in de bespreking hieronder citeerde) laat in kort bestek zien hoe geleidelijk – van verleden naar tegenwoordige tijd, van focus naar uitzoomen, en dan dat sprekende beeld – je iets ontdekt: ‘Je lette op iets op de grond, een onkruidje misschien of een weggewaaid snoeppapiertje, je bukte je om het op te rapen en nu laat je je blik over de aarde gaan en zie je dat de beestjes overal in het rond liggen. Verstarde, op fossielen lijkende dingen.’
  • Het is geen mak verhaal. ‘Je bent gekomen om te vergeten, om verder te komen met je leven. En met deze verhuizing heeft een luguber verborgen deel van jou je huid opengeritst en is naar buiten gestapt. Een rood, cruciaal ding. Je voelde het loskomen.’
  • Dat rood keert terug, net als een zekere wildheid uit het Noord-Engeland waar deze vrouw vandaan komt, maar het is onmogelijk, en dat vind ik erg goed, om het cruciale ding een-op-een te zien met de vos die opeens tussen de dode bijen staat. ‘Je kende vossen tot nu toe alleen uit het noorden. Daar waren ze bleekoranje en schichtig, ze slopen langs wegbermen of als nietige schaduwen over de hei, of ze doken weg voor de jachthonden. Deze vos heeft geen last van verlegenheid, hij zit daar vanzelfsprekend, alsof deze besloten stadstuin van hem is.’ Ze zou die vos wel willen zijn, wild en onbevreesd en vanzelfsprekend, is dat het?
  • De laatste zin: ‘Je kijkt toe terwijl hij de lucht afspiedt. Hij volgt de zware, harsige vlucht van een bij. Hij is een jager in hart en nieren. Hij duikt even in elkaar en springt dan omhoog op zijn achterpoten. Zijn kaken gaan open en klappen dicht, en terwijl hij weer neerkomt schudt hij woest met zijn rode kop.’ Let op ‘harsige vlucht’, en het woest schudden, en stel vast: er is een mysterie opgelost, maar niet dat van deze vrouw.

De verrassingen bij gevestigde belofte Sarah Hall (Cumbria, 1974, vijf boeken, twee Booker Prize-nominaties) zijn telkens andere dan je verwacht. Neem het verhaal ‘Het bureau’ uit haar nieuwe bundel De prachtige onverschilligheid: een vrouw is niet bijzonder gelukkig in haar huwelijk – en ze gaat vreemd. Je las hierover al eerder, bij Sanneke van Hassel of Richard Bausch, en verrassend is de afloop dus niet. Maar het overspel verloopt bij Hall vlekkeloos – de schok is dat een vriendin alles blijkt te weten.

Een andere vrouw is op stel en sprong gevlucht. Hoe? Waarom? Hall onthult iets uit een broeierig schemergebied van seks, geweld en onrecht, maar dit is het echte mysterie: ‘Op een ochtend niet lang nadat je in het nieuwe huis bent getrokken sta je in de tuin en zie je ineens dat de grond bezaaid ligt met insecten. Ze liggen her en der, als donkere vlekken tussen de geelbruine zuidelijke steentjes, met lange poten en dunne vleugels. Tientallen en nog eens tientallen dode bijen.’ Bijen. En dan, pagina’s later, sta je oog in oog met een vos. In hartje Londen hapt hij naar alles wat vliegt. Is dat een oplossing van het mysterie?

Hall wekt de suggestie dat de achtergrond van de bedrogen, beschadigde vrouw ertoe doet, dat die ergens toe leidt – zoals elders in deze bundel desolate landschappen iets betekenisvol dreigends lijken te hebben. En ja, ze geven spanning en diepte aan de verhalen. Maar het gaat haar om iets anders, iets interessanters, en pas in de laatste zinnen ontdek je dat je een heel ander verhaal hebt gelezen. Maar niet elk van die andere verhalen is even interessant. Dat vriendinnen geen geheimen hebben, in ‘Het bureau’, tja. En de ontknoping van ‘Zij vermoord, hij sterfelijk’ heeft iets gekunstelds: stel ruziet, zij loopt weg, langs zee, komt een zwerfhond tegen, bij terugkomst blijkt haar vriend aangevallen te zijn. Door welk dier denkt u? Maar Halls stijl, soepel vertaald door Wim Scherpenisse, overtuigt. Haar afleidingsstrategie is fenomenaal: ‘Het tij was aan het afnemen. Dat wist ze al voordat ze op het strand was. Ze hoorde de zee terugtrekken, het sonore sissen achter in zijn keel.’ De zee als dreigend dier – wat als het straks vloed wordt? Hall bouwt met sterke beelden je verwachtingen op en bestraft ze, telkens weer. En ze maakt waar wat haar reputatie belooft: een bundel voor fijnproevers.

Ambo|Anthos geeft het werk van Sarah Hall uit. Op Athenaeum.nl staat een voorpublicatie, uit het openingsverhaal.