Julian Barnes, A. Igoni Barrett, Auke Hulst, James Salter, Nescio, Chimamanda Ngozi Adichie. De redactie las, en laveerde tussen herkenning en teleurstelling, en stond stil bij perspectief en pijn.

*

Marjolijn van Heemstra: Julian Barnes, Hoogteverschillen

Vijftien jaar geleden las ik Een geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk en werd Julian Barnes een van mijn literaire helden. Zoiets gaat natuurlijk altijd een keer mis. In het geval van Barnes duurde dat nog verrassend lang. Tot begin van dit jaar om precies te zijn, toen zijn laatste boek verscheen: Het tumult van de tijd, een fictionele biografie van Dmitri Sjostakovitsj die Barnes’ ‘meest diepgaande werk tot nu toe’ zou zijn. Ik vond het zijn minst interessante, meest oppervlakkige boek. Misschien had het te maken met de vorm. Het waanzinnige leven van een figuur als Sjostakovitsj heeft geen fictie nodig, en als je dat er per se van wilt maken dan moet die fictie iets toevoegen wat ver boven de realiteit uitstijgt en er op die manier een laag aan toevoegt.
Dat deed Barnes niet.

” “

Alles wat hij over Sjostakovitsj schrijft is precies wat je verwacht dat de componist gedacht of gevoeld heeft, alleen had ik dat liever in een echte biografie gelezen zodat ik me niet de hele tijd hoefde af te vragen waar nou precies de scheidslijn lag tussen fictie en realiteit. Ik dacht tijdens het lezen aan de fantastische documentaire Shostakovich Against Stalin: The War Symphonies, waarin de worstelingen en verlangens van de componist zo scherp zijn vastgelegd dat ik er twee dagen lang van ondersteboven was. ‘Het tumult van de tijd’ voelde als de karaoke versie van die film.

Vijf sterren in de Volkskrant, het zal wel; Barnes kan beter. Gelukkig lees ik deze week Hoogteverschillen (vertaling Ronald Vlek), het kleine boek dat hij drie jaar voor Het tumult van de tijd uitbracht. Het kreeg een stuk minder aandacht en dat is onterecht, het is prachtig. In een vloeiende vertelling vermengt de schrijver de geschiedenis van de ballonvaart met de opkomst van de fotografie en het verlies van zijn vrouw. Alleen een echt goede schrijver kan zulke uiteenlopende thema’s zo vanzelfsprekend verweven. Ik heb het bijna uit, dit is de voorlopig laatste zin die ik las:

‘Je voegt twee mensen samen die nog niet eerder zijn samengevoegd. Soms is dat zoiets als die eerste poging om een heteluchtballon op te tuigen met een waterstofballon: geeft u de voorkeur aan neerstorten of verbranden, of aan verbranden en neerstorten? Maar soms lukt het, wordt er iets nieuws gemaakt en is de wereld veranderd.’

En ik heb Barnes weer teruggevonden.

Uitgeverij Atlas Contact gaf Hoogteverschillen uit. Het is nog goed leverbaar.

Thomas Heerma van Voss: A. Igoni Barrett, Blackass

Onlangs zag ik Trading Places (1983) opnieuw, een van mijn favoriete films toen ik jong was en mede daardoor vind ik hem nog steeds onovertroffen. Eddie Murphy als hand ophoudende, zich door het leven liegende dakloze; Dan Ackroyd als zijn absolute tegenpool: blank, succesvol, alles goed geregeld. Door een weddenschap waarvan Ackroyd noch Murphy op de hoogte zijn, wisselen de twee van levens: plotseling vervalt Ackroyd in hevige armoede, terwijl Murphy juist een aanzienlijke zakenman wordt. Wat me opviel nu ik de film voor de zoveelste keer keek- ik gok dat ik hem zeker twintig keer heb gezien – is het onvervalste racisme dat in sommige scènes zit. ‘He’s a negro,’ verzucht een oude heer na een tijdje over Eddie Murphy, ter verklaring waarom hij niet echt zal slagen, en wanneer Eddie Murphy even later neuriet, knik diezelfde heer begripvol en zegt iets als: ze zijn altijd ritmisch.

Na afloop bleef ik voortdurend aan die zinnen denken – niet zozeer omdat ze weer zo vers in mijn hoofd zaten, maar vooral omdat ik, stom toevallig vlak nadat ik de film had gezien, voor De Groene begon in A. Igoni Barretts Blackass. De roman leek wel een bewerking van Trading Places. Ook hier gaat het om het verschil tussen een zwarte en witte huidskleur, ook hier gaat het om iemand die van de ene dag op de andere – na een leven vol armoede en tegenslag – plots succesvol wordt. Maar hier komt dat niet doordat twee personen van leven wisselen, het komt doordat één iemand zelf verandert: de 33-jarige Nigeriaan Furo Wariboko wordt op een dag wakker en is ineens blank.

Trading Places meets Kafka, dus eigenlijk – zeker in de eerste hoofdstukken is Die Verwandlung steeds dichtbij. Barrett loodst mij die hoofdstukken soepeltjes door, hij schrijft behendig, doelgericht, met veel oog voor scènes en prettige zinnen – ik ging makkelijk mee in het verhaal van die Wariboko, ondanks het ongeloofwaardige startpunt (maar zoals bekend: wanneer je een verhaal ongeloofwaardig begint, haken de lezers niet af), en ondanks het feit dat er eigenlijk niet veel verrassends gebeurt. In het begin niet, in het midden niet, in het einde niet. Dat is ook meteen het voornaamste bezwaar bij deze roman. Mijn meer afgeronde, voltooide gedachten moet ik nog formuleren – en zullen in De Groene belanden – maar voor een roman waarin zo expliciet gespeeld wordt met hoe we de ander zien, met het verschil tussen zwart en wit, wordt er in Blackass weinig inzichtelijks gezegd: ja, Wariboko wordt ineens een slag succesvoller wanneer hij blank is, ja, in welgestelde blanke kringen wordt anders gesproken dan in vervallen buurten in Lagos.

Het traject is hetzelfde als bij Eddie Murphy in Trading Places, maar daar ging het gepaard met een flinke hoeveelheid geslaagde grappen en schrijnende, racistische opmerkingen die het verhaal diepte gaven. Even moest ik denken aan een recente discussie rondom Karin Amatmoekrim en Abdelkader Benali, een discussie die ik maar vanaf de zijlijn gevolgd heb: over de vraag hoe we de ander in fictie moeten weergeven, of racisme in romans mag. Mijn gedachte is doorgaans: een fictieschrijver moet alles kunnen schrijven, zolang het maar goede romans oplevert. En ik denk dat Blackass een pijnlijker of in elk geval iets minder tam verhaal was geworden als een van de personages maar wat meer hards, discrimerends had gezegd, als Barrett iets meer Trading Places had toegelaten.

Graywolf Press gaf Blackass uit. Op hun site staat een fragment.

Daan Stoffelsen: James Salter, Spel en tijdverdrijf (en Nescio, Het geluk van in Amsterdam te leven, Chimamanda Ngozi Adichie, We moeten allemaal feminist zijn)

Ik las de zetproef van Nescio’s Het geluk van in Amsterdam te leven, een selectie door Lineke Frerichs uit zijn Natuurdagboek die 10 november ter ere van het jubileum van Athenaeum Boekhandel verschijnt. Het was een genoegen om hem weer te lezen, zijn fascinatie voor het water en het licht. Zo is hij 28 juli 1950 op het Centraal Station: ‘Fantastische belichting, zon recht voor de kap, gouden rails etc. Fantastisch uitrijden en twee maal ombuigen van den trein (1e perron).’ En komt hij 2 (‘Gebroken wolkenlucht, fantastische belichting. Later in ¾ donker kopje koffie en fleschje bier op 1e perron.’), 5 en 8 augustus ervoor terug. Nescio’s kracht zit in de herhaling. Meer te zijner tijd.
Ik las ook Chimamanda Ngozi Adichie’s We moeten allemaal feminist zijn (vertaling Hien Montijn), dat me wat teleurstelde. Het is een uitgeschreven speech, en hoewel ik het helemaal eens ben met Adichie’s standpunten (‘Mensen worden niet gevormd door cultuur. Cultuur wordt gevormd door mensen. Als het waar is dat het niet in onze cultuur ligt dat vrouwen volledig mens zijn, dan moeten we dat tot onze cultuur maken.’) en haar voorkeur voor anekdotisch betogen deel (boven het academische: ‘En elke keer dat ik die zogeheten “”klassieke feministische teksten”” onder ogen krijg, verveel ik me en kost het me moeite ze helemaal tot het eind toe te lezen.’), vond ik het literair niet heel interessant. Het klopt retorisch: het is geestig, de voorbeelden zijn treffend, maar ze zijn niet heel erg uitgewerkt. De taal blijft eenvoudig, zijzelf en haar personages krijgen geen gezicht. Als speech is het geweldig, als literaire tekst had dit effectiever kunnen zijn.
Ik las ten slotte, ik begon vorige week al, James Salters Spel en tijdverdrijf uit, in de vertaling van Else Hoog. Jan schreef op Twitter dat hij Alles wat is oubollig en traag vond. Ik kan me er wel iets bij voorstellen, hoewel ik van die roman ook genoot, schoot het niet op. Spel en tijdverdrijf is eerder klassiek dan oubollig: een Amerikaanse jongeman wordt verliefd op een jonger Frans meisje. Hij heeft geen werk, geen wens in Frankrijk te blijven, zij trekt zich aan hem op. Ze hebben geweldige seks. Het andere gegeven, dat dit verhaal interessanter maakt, is dat de verteller een soort obsessie voor het tweetal heeft, en scènes invult waar nodig. ‘Ik kan alleen zeggen dat ik sommige dingen zelf gezien heb en andere heb ontdekt, want tenslotte kan de verminking, de vertraging van zelfs een enkel woord, het bestaan onthullen van iets wat het waard is verborgen te worden, en ik raakte bezeten van het ontdekken, net als de grote detectives. Ik las ieder snippertje papier. Ik merkte ieder detail op.’
Twee bedrijven de liefde. ‘Als ze klaar zijn ligt ze stil en slap, erdoor uitgeput. Ze is nu helemaal van hem, en ze liggen als dronkaards, met hun blote benen over elkaar. In de koude verte beginnen de klokken de duisternis te vullen, zo helder als psalmen.’ (Mooi zo’n beeld dat iets te goed klopt, psalmen en klokken passen bij kerken maar niet op elkaar.)
Drie dromen ervan.
Drie vrezen het einde, en omdat de derde, de verteller, er telkens op zinspeelt, wordt het op meerdere niveaus spannend. Traag is het zeker niet, het jeukt en dampt. En oubollig? Nee. De taal is concreet, met pikken en kutten, met een droom van een auto en talloze kleine Franse steden. Het is een boek dat herlezing en bedevaart opwekt; dat eerste kan alleen maar verrijken, het tweede kan alleen maar teleurstellen. Lezen dus.

Spel en tijdverdrijf is door De Bezige Bij uitgegeven, er staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl. De selectie uit Nescio’s Natuurdagboek verschijnt 10 november bij Nijgh & Van Ditmar, We moeten allemaal feminist zijn is bij De Bezige Bij verschenen.

Jan van Mersbergen: Auke Hulst, En ik herinner me Titus Broederland

Pas net gepresenteerd, ik kreeg het boek een paar dagen later mee na een bezoekje aan de uitgeverij. Nog lang niet uit, slechts in gebladerd. Tijdens dat eerste bladeren vielen me de dialogen op, en de verteller. Die laatste verdwijnt in die dialogen steeds.
Dat heeft – zoals altijd – te maken met perspectief. Als een van de personages in de verleden tijd een verhaal uit de doeken doet, dan wordt het tempo niet bepaald door de gebeurtenissen of de tijd zelf, dan bepaalt de verteller. Dan kan die verteller melden: En toen zei hij dit en toen zei ik dat, en gingen we verder. Zo vertel je een verhaal, tenminste, in ieder geval als je toehoorders wilt. In mijn ogen is het beste referentiekader voor het vertellen van verhalen de bar van de kroeg. Op die plek moet je als verteller aanwezig blijven. Op die plek kun je nooit een derdepersoons-verteller worden.
Ingewikkeld? Valt wel mee.

In de nieuwste roman van Auke Hulst blader ik herhaaldelijk langs dialogen waarbij waarbij de verteller niet aangeeft wie wat zegt, waarbij uitgesproken zinnetjes los op een regel staan, zonder verteller.
Voorbeeld, van bladzijde 122:

Titus had besloten een bordeel binnen te gaan. Ik vroeg hem waarom en hij keek me aan alsof ik achterlijk was.

Mooie zinnen, mooi begin van een verhaal. Duidelijke verteller, duidelijk ander karakter. Het gaat verder:

Een meter of dertig van het bordeel steeg hij af. Hij had mooie laarzen aan, maar het opstuivend zand had ze dof gemaakt. Ik steeg ook af.

Hier gaat de verteller de details aan: stof op laarzen. Dertig meter, dat is erg precies voor iets wat een tijd terug gebeurd is, maar het kan allemaal. Het is de vrijheid en het temporiseren van een ik-verteller. Dan beginnen ze te praten:

‘Zeg eens eerlijk?’ zei hij.
‘Wat?’
‘Jij en dat sproetige wicht…’
Ik schudde nee.
‘Nooit?’
‘Die ene keer was de enige keer dat ik haar heb gesproken.’
‘Je kletst,’ zei Titus. ‘Ik heb jullie vaker samen gezien. Ze leek me de moeilijkste niet. Van lotje, toch?’
Ik zei niks. Hij kletste zelf.
‘Maar je had het zeker gewild.’
‘Kweenie,’ loog ik. ‘Jij dan?’
‘Niet met dat mislukte portret, in elk geval.’ Hij reikte me de teugels van zijn paard. ‘Wacht hier.’

Twee zaken vallen op: de details en de verdwenen verteller.
De handeling (dit gesprek) vond een tijd geleden plaats. Welke verteller weet er achteraf nog exact wat er toen gezegd is? En waarom geen twijfel bij de verteller? Geen enkele keer: ‘Hij zei zoiets als…’ Of: ‘Volgens mij antwoordde hij…’ Of: ‘Ik moet mijn hoofd geschud hebben…’
De verteller moet zelf invulling geven, maar deze verteller is erg zeker van zijn zaak, en hoewel zelfs een onbetrouwbare verteller zeker van zijn woorden moet zijn, is het juist opvallend dat in deze dialoog de verteller niet alleen geen onzekerheid toont, maar ook echt weg is. Het is een derdepersoons-tekst geworden.
Eigenlijk: de verteller is hier dus de schrijver.
Eigenlijk: de schrijver is dominant.
Het is geen probleem dat Hulst niet aangeeft wie wat zegt, dat is in proza gebruikelijk, dat leest makkelijk. Al die toevoegingen van ze die en zei die ander: gewoon weglaten. Maar dat is alleen te doen als de verteller sowieso onzichtbaar is: een derdepersoons verteller die op afstand de gebeurtenissen en hetgeen gezegd wordt registreert en verwoord, als een camera.
De ‘ik’ van Hulst komt alleen even aanvullen dat hij zijn hoofd schudde en soms niks zei.

De schrijver hoeft natuurlijk niet na iedere zin te melden: ‘zei hij’ of ‘zei ik’, maar als dat erbij zou staan is wel steeds duidelijk dat de verteller degene is die de lezer dit gesprek doorbrieft.
Het beste vertelcriterium is vanzelfsprekend de bar. Probeer deze dialoog maar eens aan een bar te vertellen, als een verhaal. Na ‘Jij en dat sproetige wicht…’ krijg je de vraag: ‘Wat bedoel je met jij en dat wicht? Of bedoel je mij? Over wie heb je het?’
Op deze manier vertel je simpelweg geen verhaal. Het is wel proza, het is literair proza, het is geen verhaal dat aan iemand verteld wordt.

Twee alinea’s verder:

‘Jij bent te jong,’ zei hij – hij had mijn gedachten weer eens gelezen.
‘We zijn even oud.’
‘Het is maar net hoe je rekent.’
‘En hoezo bepaal jij?’
‘Omdat je drijvers en jagers hebt, brae.’

Mooi, dat gedachten lezen. Dat is de extra informatie van de verteller die ik nodig heb. Ik-vertellers mogen duiden. Ook in dit gesprek begrijp ik wie wat zegt en ik bedenk er zelfs de gebaren bij die deze karakters maken – het is indirect en kaal proza dat ruimte laat, maar ik verlang tijdens zo’n dialoog naar een dominante verteller die mij zonder verstoppertje te spelen vertelt hoe die ander handelde. Iemand die mij, zonder literair te doen, in een enkele zin zegt hoe die Titus in elkaar steekt.

Dat was wat me opviel tijdens het eerste bladeren door deze roman. Er staan nog meer van zulke dialogen in. Gebeurt overigens in heel veel boeken, en ook dan valt het me op en mis ik de verteller. Ik heb De ruwe weg van Willy Vlautin erbij gepakt, een bijzonder goed boek, waar dezelfde soort dialogen in staan, ook vanuit een ik-verteller in de verleden tijd. Over dat boek volgende week in deze rubriek waarschijnlijk meer.
Ik ga En ik herinner me Titus Broederland vanaf het begin lezen, rustig. Ik kijk vooral uit naar de dikke blokken tekst waarvan ik nu al weet dat de verteller mij mee gaat nemen. Ik kijk uit naar een verteller die naast me aan de bar zit.

Uitgeverij Ambo Anthos gaf En ik herinner me Titus Broederland uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Kevin Canty, Alejandro Zambra, James Salter: de redactie las verhalen en meerkeuzevragen als romans en essays – en een stuk roman.

*

Jan van Mersbergen: Kevin Canty, Een vreemde in deze wereld

Bij korte verhalen heb ik soms het idee dat de schrijver zich er met het vergroten van een anekdote tot een paar bladzijden vanaf heeft gemaakt. Een gevoel van: een roman is toch wel erg veel werk, met tien verhalen heb ik ook een boek, en zo’n verhaal schrijf je in een ochtend.

Dat geldt natuurlijk alleen voor slechte verhalen. Goede korte verhalen hebben de kracht van een roman, gebundeld in een paar pagina’s. Zoals Annie Proulx in een verhaal van anderhalve bladzijde het complete leven van een cowboy kan vatten, weids en toch gedetailleerd, en gevoelig, dat is de ware kunst van het korte verhaal.

In mijn boekenkast staan een paar bundels die ik nog wel eens in wil kijken, en dan is het voordeel van verhalen: je hoeft er maar één te lezen om weer volledig gegrepen te worden. Een van die bundels is Een vreemde in deze wereld, van Kevin Canty in de vertaling van Rien Verhoef. ‘Het slachtoffer’ is mijn favoriete verhaal. Ik sloeg het boek laatst weer open en herkende meteen de bladspiegel: korte hoofdstukjes met allemaal een aparte titel in klein kapitaal: tv, gekanteld, veiligheid, zijn lichaam, Tina doet haar ogen dicht. Een kort verhaal opgebouwd uit een heleboel korte schetsen, dat is een ode aan het korte verhaal.

” “

Dit proza is hard, gewelddadig en direct. Zonder mooischrijverij, en ook dat bevalt me.

Zwarte overjassen begint zo:

‘Zwart, als hij op het strand beukt tot grauw schuim kolkend, deint en buldert de oceaan. Met tussenpozen glinstert de maan tussen de traag bewegende wolken. Daar ergens in de nacht, weet Tina, moet het donker van het water op het donker van de hemel stuiten, en als ze voldoende haar hoofd erbij houdt verbeeldt ze zich dat ze hem kan zien: de dunne, onberispelijke zwarte lijn van de horizon. ‘Bobby,’ zegt ze. ‘Bobby, ik wil naar huis.’

Canty weet wat hij wil bereiken met zijn verhaal, en daartoe is ieder woord ten dienst gesteld. Ook dat is voorwaarde bij een kort verhaal.

Uitgeverij De Harmonie gaf Een vreemde in deze wereld uit. Het is niet meer nieuw leverbaar, maar wel via Boekwinkeltjes.

Daan Stoffelsen: Alejandro Zambra, Begrijpend lezen, en James Salter, Spel en tijdverdrijf

De lijstjesliteratuur zoals we die van Richard de Nooy kennen (Rojstni-Dan | Slovenië, ???????| Servië, De vier laatsten), heeft een fascinerende, verder uitgewerkte pendant in Chili. Daar schreef Alejandro Zambra Facsímil, nu door Luc de Rooy vertaald als Begrijpend lezen. Het bestaat uit 90 meerkeuzevragen, gemodelleerd naar de ‘Prueba de Aptitud Verbal’, een verplichte toelatingstoets voor de universiteit die tussen 1967 en 2002 in Chili werd afgenomen. Sinds de dictatuur was er weinig aan veranderd, en dat ongemakkelijke gegeven verwerkt Zambra in deze gemengde essay- en verhalenbundel. Neem opdracht 1, welke term hoort in dit rijtje niet thuis, en opgave 1: ‘Lezen. a) les, b) leren, c) leven, d) je verbergen, e) begrijpen.’ Dat is geen semantiek, dat is filosofie. En geestig bovendien. Tegelijk is er een duistere onderstroom, met de evidente uitschieters, zoals hier ‘je verbergen’, bij opgave 2. Begrijpen ‘vergrijpen’, bij 3. Facsimile ‘bedrog’. Latere opdrachten, met verhalen van één zin met ontbrekende woorden tot enkele pagina’s met interpretatievragen, reppen van ruzie, onderdrukking, dood, verdriet, vaders en zonen in eeuwig conflict.
Ik schoot menigmaal in de lach bij de opgaven waarbij feitelijk altijd geldt ‘all of the above’, en ik waardeer die fragmentarische vorm (Valeria Luiselli! (zelfde uitgeverij) Max Porter!), zij het dat het spel en het sinistere elkaar uitsluiten: echt eng, echt spannend wordt het niet. Niettemin: lezen en herlezen.

Inmiddels ben ik ook begonnen aan James Salters Spel en tijdverdrijf (1967, vertaling 1997-2016 door Else Hoog), dat zich afspeelt in Frankrijk, en al met een sterk en herkenbaar beeld begint: ‘Ik heb het behaaglijke gevoel dat ik mezelf toevertrouw aan de zorgen van de mannen die deze grote, slaperige treinen besturen, waarin mensen zitten te staren achter het heldere glas, zo uitgeput en stil als zieken.’ Zij het dat we die indruk anno 2016 met mobiele telefoons proberen weg te nemen. Kort daarop, minder sterk: ‘Het is alsof we bij de dokter in de wachtkamer zitten.’ En ‘kanalen, weelderig als jade’, wat moet ik me daarbij voorstellen? Salters verteller trekt zich terug in een provinciestadje, kijkt goed om zich heen en raakt bevriend met Phillip Dean, die een verhouding begint met de achttienjarige Anne-Marie. Veel is vaag, de richting is nog onduidelijk, maar Salters sfeertekening is ijzersterk. Wordt vervolgd.

Uitgeverij Karaat gaf Begrijpend lezen uit. Op hun eigen site staan een filmpje en een fragment. Spel en tijdverdrijf is door De Bezige Bij uitgegeven, er staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.

Bregje HofstedeMarijke SchermerBruce Springsteen, Kenneth Cook, Jan Donkers, Peter Ackroyd: de Revisorredactie las. Deed het werk van de Svenska Akademien: genres scheiden – liedjes zijn geen literair proza, journalistiek is geen essayistiek, biografie is geen literatuur – en grote vragen en slordigheidjes wegen. Maar was ook gewoon fan.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, De herontdekking van het lichaam (en John Jeremiah Sullivans ‘Feet in Smoke’ en Montaignes ‘Over droefheid’)

Je vroeg me, Thomas, of dit een essay was. Ik besloot het op te zoeken en uit te printen (dank god voor het internet, het weet alles van mij, en waar John Jeremiah Sullivans essay ‘Feet in Smoke’ te lezen valt). Maar ik was eigenlijk Bregje Hofstedes De herontdekking van het lichaam aan het lezen. Weer zo’n klein boekje, nu non-fictie, dat niettemin tot nadenken noopt. Ondertitel: Over de burn-out. Nou ja, over Hofstedes burn-out gaat het grootste deel van het boek, het is een stuk dat eerder bij De Correspondent werd gepubliceerd, over de verhouding tussen lichaam en geest, mind over matter, streven en ontspannen. Ze bepleit een holistischer levenstijl, aandacht voor het fysieke én het mentale.
Ga ik daarin mee?
Ik twijfel. Thomas, dit beschouw ik dus niet als essayistiek, dit vind ik eerder diepgravende journalistiek met een opinie. Hofstede voert bronnen op – wetenschappers, filosofen, een romancier -, voert eigen ervaringen op, maar gaat er niet mee in discussie – zoals Maggie Nelson dat in De argonauten doet, bij een Freudiaanse theoretische bewering bijvoorbeeld: ‘Ik ben verbijsterd en gegeneerd als ik bedenk dat ik dit soort vragen jarenlang niet alleen begrijpelijk vond, maar ook fascinerend.’ Zo’n opmerking geeft een scherpte die ik mis aan dit artikel.

Veel interessanter, minder vlak ook zijn de twee daaropvolgende essays, over wandelen als therapie (met stukjes loepzuiver proza, gecursiveerd door het betoog heen) en een reis in Israël, als vrouw bekeken en geïntimideerd (hét antwoord op kleedkamerpraat als die van Trump, indrukwekkend). Door het wandelessay voelde ik de noodzaak erop uit te trekken, het Israël-essay wijst me weer hard op de kwetsbaarheid van vrouwen in onze maatschappij. Maar ook hier stelt ze: ‘Vitaliteit – het tegengestelde van de burn-out – vraagt echter niet om een keuze, maar juist om aandacht voor geest én lichaam.’ Die algemenisering van een individuele ervaring, gecontrasteerd met de individuele ervaring van iemand als Susan Sontag, kan ik niet meevoelen. Zelfs nu Hofstede dit zo ervaren heeft, zelfs nu ze al die bronnen noemt, kan ik deze lifestyle-waarheid niet aannemen als algemeen geldig.
In deze twee essays raak ik wel betrokken bij de ik, en ik denk dat door de stijl komt en het perspectief, door de grotere dosis literaire techniek. Waarmee ik terugkeer bij ‘Feet In Smoke’, een geweldig verhaal over John Jeremiah Sullivans broer die geëlectrocuteerd wordt door zijn microfoon – maar overleeft. De maand in het ziekenhuis is die broer kinderlijk, in de war, maar zichzelf. Mooie anekdotes. Dus Thomas: hier zijn het over eens. Ik zou ook meer introspectie, inzicht, botsing verwachten in een tekst die toch als essay gepresenteerd wordt. Maar ik geloof Sullivan volledig, hij heeft zichzelf tot personage gemaakt, en ik stap met hem door de vierde wand. Daarvan weerhouden Hofstedes bronnen me, of als het echt om het genre gaat, Montaignes anekdotes. Ik duik even in zo’n anekdote, maar daarna is Montaigne met echt kwijt:

‘Maar toen koning Psammenitus van Egypte verslagen was en gevangengezet door koning Cambyses van Perzië, en hij zijn dochter in slavinnenkleren aan hem voorbij zag lopen om water te halen bleef hij, naar verluidt, te midden van zijn huilende en weeklagende vrienden kalm en staarde zwijgend naar de grond; en hij volhardde in die houding toen hij vlak daarna ook nog zijn zoon ter dood gebracht zag worden; maar toen hij zag hoe een van zijn huisgenoten onder de krijgsgevangenen werd meegevoerd, begon hij zich voor het hoofd te slaan onder het uiten van de meest smartelijke kreten.’

Tja. Ik kom pas echt weer boven als Montaigne besluit: ‘Ik ben niet erg ontvankelijk voor zulke heftige emoties. Ik heb van nature een dikke huid, en door mijn verstand te gebruiken maak ik die met de dag stugger en harder.’ In de kanttekening zet ik dan ‘hahaha’, of, met Jans verteller, ‘hihihi’. Ik ken mezelf een beetje, ik ben meer Montaigne dan Hofstede. En nu weet internet dat ook. Die ‘ik’ als personage, zoals bij Sullivan (zonder overwegingen), bij Hofstede (overwoekerd door overwegingen) of Montaigne, die hoort in een essay. Hoeveel conflict, scène, anekdote, memoire en bronnenmateriaal er dan bij moet om een perfect essay te maken – dat is aan de jury van de Jan Hanlo Essayprijs. Inzenden kan weer, tot 16 januari 2017.

Uitgeverij Cossee gaf De herontdekking van het lichaam uit, het werd gisteren gepresenteerd. Hofstedes burn-outstuk is in drie delen (123) bij De Correspondent te lezen. Hier gebruikt is de Hans van Pinxteren-vertaling van Montaigne bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, maar dit jubileumessaytje ‘Over boeken’ bij Athenaeum Boekhandel is ook mooi.

Thomas Heerma van Voss: Kenneth Cook, Aangeschoten; Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied; Peter Ackroyd, Hitchcock

Een helder verhaal, Daan, dank voor het ingaan op mijn vorige stukje, en in zulke gevallen toch prettiger om enige bijval te krijgen dan op hevig verzet te stuiten – maar voor deze rubriek al te veel op een groepschat begint te lijken, zet ik snel de stap van de essayistiek vandaan. (Al zeg ik nog wel: Bregje Hofstedes boek wil ik nog steeds lezen, wat ik er al van las op De Correspondent vond ik veelbelovend.) En dat terwijl ik Sullivan nog steeds niet helemaal uit heb; ik merkte alleen na 300 bladzijdes verhalende essayistiek (of als essays gepresenteerde non-fictie-verhalen): ik heb mijn portie nu wel even gehad, mijn aandacht ging weer naar fictie.

Maar welke? Al tijden lukt het me niet helemaal te verdwalen in een boek. Door drukte, afleiding of onrust – die drie komen vaak op hetzelfde neer – kan ik me al tijden niet werkelijk toeleggen op een specifiek boek. Ik begon aan Kenneth Cooks Aangeschoten, een recent door Podium heruitgegeven ‘cultklassieker’ (dixit Podium) over een jonge leraar in Australië, die strandt in een klein plaatsje. Veel drank, veel eenzaamheid, veel broeierigheid: een mooie roman, zeker, ik begrijp waarom hij weer opnieuw is uitgegeven, en ik ga beslist ook snel verder lezen, maar toch legde ik hem na enkele tientallen bladzijdes weer weg. Misschien doordat ik het zelf las in desolate hotelkamers en bij vrij eindeloze treinritjes, die twee interfereerden wat te veel, ik verlangde naar iets anders, iets met meer fantasie. Ik begon in de laatste verhalenbundel van Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied, ik las met genoegen de eerste twee verhalen, en schoof het daarna toch weer even opzij, omdat ik de biografie van Hitchock kreeg aangereikt van mijn vader, met een aanbeveling erbij. Direct sloeg ik het open, maar na een pagina of tien was mijn aandacht alweer aan het wegebben: zelden las ik zo’n feitelijke, taaie opsomming. Er was geen moment nagedacht over een spanningsboog, over compositie, over variatie in tempo en toon.

Het liet me eens te meer zien hoe makkelijk een intrigerend iemand kan leiden tot een bijzonder saai boek. Ik verlangde weer enigszins terug naar Sullivan, en meer nog: naar een doordachte roman. Volgende week meld ik me met een fictiewerk waar werkelijk over de vorm en opbouw is nagedacht. (En suggesties zijn welkom.)

Cook werd dus uitgegeven door Podium, Donkers door De Harmonie, en Peter Ackroyds Hitchcockbiografie door Querido.

Marjolijn van Heemstra: Marijke Schermer, Noodweer

Noodweer van Marijke Schermer is een compact boek. Honderdnegenvijftig pagina’s en nergens een letter te veel. Ook geen letter te weinig trouwens, het is precies de juiste dosering, iets wat je maar weinig tegenkomt in een boek. Het woord ‘hecht’ kwam tijdens het lezen een aantal keer bij me op. Hechte taal, hechte hoofdstukken. Een stevig vlechtwerk dat gelukkig nergens te hermetisch wordt. Het verhaal: een vrouw verzwijgt voor haar man een gebeurtenis uit het verleden omdat ze bang is dat die anders tussen hen in zal komen te staan. Maar het verleden laat zich niet makkelijk verdringen. Intussen stijgt het water in de rivier voor hun buitendijkse huis en overal schemert onheil. Er komen grote vragen voorbij, over waarheid, autonomie, herinnering.
‘Wat is geluk,’ vraagt de vrouw op een avond aan haar favoriete broer. Het blijkt een meerkeuzevraag. A: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat niets dat evenwicht kan verstoren. B: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat het elk moment aan flarden kan. Of C: iets lichamelijks. Een gevoel van gedachteloosheid.
Zelf kiest ze voor C.
Het filosoferen gebeurt tussen de alledaagse dingen door, nergens al te nadrukkelijk, maar genoeg om je als lezer met een paar mooie dilemma’s achter te laten.
Jammer van de slordigheidsfouten hier en daar in het boek, die waren er bij zorgvuldige nalezing denk ik uitgevist, ze vloeken met het verder zo strakke, zorgvuldige verhaal.
Trouwens, ik ken Marijke, we zitten samen in een boekenclub. Ik mag haar graag en gun haar veel. En hoewel ik ervan overtuigd ben dat ik Noodweer met net zo veel plezier had gelezen als ik haar niet had gekend moet ik toegeven dat ik bevooroordeeld ben. In zekere zin is dit dus gewoon reclame. Reclame voor een goed boek, dat wel.

Noodweer is uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot.

Jan van Mersbergen: Bruce Springsteen, Born to Run

Ik ben een fan dus ik ga niets zeggen over Springsteens muziek of zijn geweldige optredens. Ik luister graag naar zijn muziek, ik ben er graag bij als hij speelt. Ik kreeg zijn autobiografie in handen en wil alleen iets zeggen over de verleden en de tegenwoordige tijd, want zoals ik hier vaker heb aangestipt: perspectief is alles.
Springsteens verhaal speelt in het verleden, deze muzikant kijkt terug op zijn leven. Dus vertelt hij in hoofdstuk 1 over zijn straat, zijn huis, zijn veranda. Allemaal in de verleden tijd. En dan plots lees ik een lang stuk dat in de tegenwoordige tijd geschreven is, dat begint met:

‘In onze voortuin, niet meer dan een meter of wat van onze veranda, staat de grootste boom van de stad, een enorm hoge beuk.’

Die zin trekt me naar het heden toe, en zo gaat het eerste hoofdstuk, dat ‘Mijn straat’ heet, verder.
Een bijzonder goede perspectiefkeuze, want ik lees het nu van Springsteen zoals hij dat toen beleefde.
Toch nog iets over zijn stijl, die lijkt erg op zijn liedjes: complete levensverhalen in een paar regels, soms zwaar aangezet en meestal raak. In deze autobiografie is dat soms wat veel, zoals in de laatste alinea van ‘Mijn straat’:

‘Hier wonen we in de schaduw van de torenspits, waar het heilige rubber het wegdek teistert, waar alles stiekem gezegend is met Gods genade, in het verbazende, razende, rassenrellen veroorzakende, vreemde vogels verdringende, swingende, naar liefde en angst speurende, hartverscheurende stadje Freehold, New Jersey.’

Dat leest op den duur wat vermoeiend als proza, zo’n alinea is een liedje en de liedjes van Sprinsteen hebben een ongekend bereik, in proza vraagt de lezer om iets meer rust.

Springsteens biografie werd uitgegeven door Unieboek Spectrum. Een leesfragment vind je hier (PDF).

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter.

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

White Teeth is onder andere bij Vintage verschenen. De eerste pagina’s zijn na te lezen bij The New York Times, een ander fragment vind je bij Salon. De Nederlandse vertaling van Sophie Brinkman verscheen bij Prometheus. Het boek is nog goed verkrijgbaar in de boekhandel.

Jan van Mersbergen: R.J. Ellory, Een mooie dag om te sterven

Verreweg de meeste thrillers zijn opgebouwd volgens twee vertelprincipes: 1. de opening schetst een gruwelijke scène en in het vervolg blikken we terug hoe dit allemaal zo gekomen is, en 2. de opening schetst een gruwelijke scène in het verleden en in het heden blijkt dit nog aan te houden. Of de stap in de tijd nu terug of vooruit is, meestal zijn de beschrijvingen van de vreselijke zaken die de basis moeten zijn van het boek het minste deel. Oorzaak: gebrek aan afstand.

Zo ook bij Ineke van den Elskamps vertaling van The Anniversary Man, waar in een fors eerste deel verteld wordt wat er jaren geleden gebeurde om vervolgens een sprong te maken naar het nu. John Costello had in 1984 een vriendinnetje. Samen werden ze aangevallen door een man die haar hoofd insloeg met een hamer en Costello ook te lijf wilde gaan, maar hij ontsnapte en overleefde het. De moordenaar werd gevonden en veroordeeld, hij pleegde zelfmoord in zijn cel. Zaak opgelost, verhaaltje uit, zou je zeggen, maar het dikke boek doet iets vermoeden, en inderdaad: het moorden in de geest van deze ‘Hamer van God’ gaat ruim dertig jaar later door.

Het eerste deel is typisch de opening van een thriller: er moet en zal spanning zijn. John had de duivel gezien, meldt de derde regel, en daarna volgen zinnen als:

‘Nadien was John niet meer hetzelfde.’ (pagina 7),
‘Nadien werd alles anders.’ (pagina 10),
‘Hun tijd was geweest, voorbij. Hun tijd was op.’ (pagina 12),
‘Want op het eerste gezicht ziet hij eruit zoals iedereen. Net als de duivel.’ (pagina 14),
‘Als ze dat was gebleven, was ze misschien wakker gebleven.’ (pagina 16),
‘Maar zij was weg. Voorgoed.’ (pagina 17),
‘Iemand zien sterven, iemand van wie je houdt, en die persoon op zo’n verschrikkelijke, onmenselijke manier te zien sterven, is iets wat je niet kunt vergeten.’ (pagina 19),
‘Toen wist John Costello dat Nadia dood was.’ (pagina 20),
‘Dat, zo bleek, zou het werk van iemand anders zijn.’ (pagina 21),
‘De meeste mensen die moorden plegen zien er normaal uit.’ (pagina 21).

Bijna allemaal zinnetjes die een passage afsluiten, dan volgt een witregel, even ademhalen, en dan komt de volgende spannende scène, die mij al na een paar bladzijden niets meer doet omdat de spanningopbouw te geforceerd is, de herhalingen talrijk en overbodig, en de beschrijvingen opgefokt.

Een ander voorbeeld van herhalingen die storend zijn:

Over het meisje dat vermoord wordt zegt R.J. Ellory op pagina 8: ‘Ze heette Nadia, en dat was Russisch voor ‘hoop’.’
Twee bladzijden verder zegt Nadia zelf: ‘Ik heet Nadia. Dat is Russisch voor “hoop”.’
Op pagina 13 meldt Ellory: ‘Nadia. Russisch voor ‘hoop’.
Op pagina 17 sluit hij een passage af met: ‘Net als Nadia, wat Russisch was voor ‘hoop’.

Nadia leeft inmiddels niet meer en met haar naam vervliegt de hoop en ook vervliegt de hoop voor dit eerste deel van Een mooie dag om te sterven.

Sleutel is, zoals altijd, het perspectief. Dat vraagt om afstand. Ellory wil beschrijven hoe slecht het slachtoffer, overlevende van een bijna-dubbele moord, eraan toe is. Het slachtoffer heeft echter geen afstand tot de materie en als een verteller daarop focust (daarop in blijft hameren) is de spanning binnen drie alinea’s verdwenen, dan interesseert de lezer zich niet meer voor zijn toestand.

Het Algemeen Dagblad prijst dit boek met: ‘Een mooie dag om te sterven verdient een plekje naast Thomas Harris’ De schreeuw van het lam.’ Opvallend, want juist in Silence of the Lambs worden de gruwelijkheden heel minimaal beschreven, is de spanning nergens opgeklopt en wordt de suggestie benut omdat de hoofdpersoon – jonge onzekere agente – afstand heeft tot de bizarre huidverzamelaar die een meisje vasthoudt en de gevangen kannibaal die de zaak aan het rollen kan brengen.

In 2006 is Costello journalist en weer wordt er iemand met een hamer bewerkt en wordt er gemoord. Deze hoofdstukken zijn afstandelijker en daardoor subtieler geschreven, met de nadruk op de agenten die de zaak onderzoeken en deels op John Costello die een vreemde dwangneurose heeft overgehouden aan zijn verleden maar die nu toch meer een gewoon karakter is, met handelingen, een persoonlijkheid, een leven. Hij is niet enkel slachtoffer. De eenvoudige beschrijvingen staan in dit vervolg niet bol van de spanning maar roepen dubbel zoveel spanning op.

Een mooie dag om te sterven begint eigenlijk pas op pagina 48.

Een mooie dag om te sterven is uitgegeven door De Fontein en is bij elke boekhandel te verkrijgen.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Het vogelhuis

Het boek dat uit is, is Grasses and Trees, van A.L. Snijders en Lydia Davis in de rol van bloemlezer en vertaler. Ik ga er elders een recensie aan wijden, daar moet ik nog wat over nadenken, in ieder geval wil ik schrijven over de vraag of een vertaling als ‘He had taken eggs for his money’ (te vinden bij Shakespeare, maar inmiddels toch echt een batavism) de Engelse Snijders houteriger maakt, of Davis zich daar niet te veel als auteur opstelt, hoe het werk van de oud-politieschooldocent en de Flaubert-vertaalster op elkaar lijkt, en waar we Snijders, na lezing van deze bloemlezing, feitelijk een best of, nu eigenlijk moeten plaatsen in het Nederlandse landschap.

Behalve, natuurlijk, tussen bomen, buizerds en boeken. Ik wil hier schrijven over het boek dat halverwege is, Eva Meijers Het vogelhuis. In haar vorige roman, Dagpauwoog, radicaliseerde een dierenliefhebber tot terrorist, in dit boek lijkt ze het rustiger aan te doen. Het vogelhuis is een onderzoek in romanvorm naar de achtergronden en drijfveren van Len Howard (1894-1973), die twee internationale bestsellers schreef aan de hand van observaties van de mezen en mussen in en rond haar huis. Het is een kalm boek, dat na een Proloog in 1965 langzaam een leven opbouwt vanaf 1900, doorsneden met mezenobservaties. Een jonge vrouw uit een gefortuneerd, cultureel geïnteresseerd gezin wil verder met haar vioolspel, vertrekt daarvoor naar Londen, maar kiest uiteindelijk voor haar andere interesse: de taal en het gedrag van vogels. Ik begin steeds meer sympathie voor haar te voelen, alhoewel ze op afstand blijft, haar passies en ergernissen zijn bepaald niet beeldvullend. Maar wat ze ziet bij mensen is minstens zo scherp als bij vogels. 1911, een soirée bij de familie thuis: ‘Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen.’ Later dat jaar, net zo’n soirée: ‘Om ons heen praten mensen met elkaar terwijl ze over de schouder van hun gesprekspartner uitkijken naar betere mensen om mee te praten — de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’

Treffende beelden, misschien nog treffender voor de solitaire Len dan voor de mensen om haar heen. Kalme beelden ook, niet wereldschokkend. Niet als de bompakketjes in Dagpauwoog, en toch met liefde en zorg geschreven: een mooie roman. [Update: er zit nog wel een aanslag in, het bloed kruipt…, maar ook na uitlezen blijft mijn conclusie staan. Fascinerende hoofdpersoon, mooie, kalme roman.]

Stoffelsens recensie van Grasses and Trees is nog niet afmaar op Athenaeum.nl staan al wel drie ZKV’s eruit – met vertaling. Het vogelhuis is zojuist verschenen bij Cossee.

Thomas Heerma van Voss: Martin Roach & David Nolan, Damon Albarn. Blur, Gorillaz and other Fables

Een van de meest meest originele, overtuigende muzikanten van de afgelopen decennia: de Britse zanger (en keyboardspeler) Damon Albarn. Ooit voorman van de Britpop-band Blur, daarna soloartiest, bedenker van Gorillaz, maker van een opera en nog lid van allerlei samenwerkingsgroepen – een intrigerende carriere, vooral omdat hij steeds een stap bij de publieke verwachtingen vandaan doet, zonder al te krampachtig op zoek te gaan naar hoorbare muzikanten. Een voorbeeld, in deze biografie teleurstellend summier behandeld: toen Blur nog steeds actief was en Gorillaz wereldwijd was doorgebroken, trok hij naar Mali om daar met een stel locale muzikanten het werkelijk fantastische Mali Music te maken.

Tot zover de opsomming van zijn leven, want deze biografie laat nu juist zien hoe saai dat kan werken. Hoe een intrigerende muzikant en een niet oninteressant levensverhaal toch een vrij saai boek kunnen opleveren: Roach en Nolan lepelen chronologisch de feiten uit Albarns leven op – tot 2007 nota bene, het is ook allemaal alweer flink achterhaald – en voegen daar geen groter verhaal aan toe, geen originele gedachte. Het sterkt me in de gedachte: wanneer ik over muziek schrijf, moet ik niet zulke allesomvattende stukken proberen te schrijven, en het een slag persoonlijker proberen te maken. Toch blijf ik doorlezen, meer ter voorbereiding voor het stuk dat ik eens aan Albarn wil wijden dan omdat deze biografie zo verfrissend is. Al met al meer een luister- dan een leesdavies, eigenlijk. Wie Albarn niet kent, sla dit  boek gerust over, en toets zijn naam eens in op YouTube.

De biografie van Damon Albarn is verschenen bij Music Press.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

Eng is de poort is uitgegeven bij achtereenvolgens Allert de Lange, Contact en Bert Bakker. Bij Boekwinkeltjes.nl zijn verschillende edities te vinden.

Marjolijn van Heemstra: Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog

Het wordt mij nooit helemaal duidelijk volgens welk principe boeken worden uitgestald op de lage tafels in de hal van de OBA. Een allegaartje van nieuwe en oude dingen, fictie en non-fictie, jeugd- en volwassen literatuur. Nu lag daar plotseling Fanny Schoonheyt tussen, een boek uit 2011, dat mijn aandacht trok vanwege de lange ondertitel: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog. Sinds ik George Orwells prachtige Hommage to Catalonia las, ben ik gefascineerd door die idiote oorlog, dus nam ik Fanny Schoonheyt mee.

In het boek onderzoekt journaliste Yvonne Scholten de vergeten geschiedenis van een Rotterdams meisje dat het aan het Spaanse front schopte tot ‘koningin van de mitrailleur’. Het is voorlopig (ik ben nu op tweederde) journalistiek in de strikte zin: veel feiten en weinig persoonlijke bespiegelingen van de schrijfster. Dat laatste had ik graag iets meer gezien, maar het is al met al fijn om te lezen, helder van taal en structuur. Fanny zelf blijft voorlopig nog een mysterie, maar zoals wel vaker in zo’n zoektocht is het de ‘bijvangst’ die het interessantst is. Verhalen van mensen die haar gekend hebben en terugblikken op die tijd; het residu van brieven, artikelen, foto’s en anekdotes dat de schrijfster rondom deze geschiedenis ophaalt.

Fanny Schoonheyt verscheen bij uitgeverij Meulenhoff en is, zeer lovenswaardig bij zo’n relatief oud boek, nog steeds te koop. Er staat een fragment (PDF) uit op hun site.

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, The Argonauts

Nog een stuk over bevallingen? Na alles wat ik voor de Revisor er al over schreef stuitte ik op de indrukwekkende novelle van Pamela Ehrens, Eleven Hours (die elf uur is dan de duur van een bevalling, in dit geval, inclusief de botsing tussen claimcultuur, medicalisering, traditional birth assistance, geboorteplannen – en eenzaamheid, natuurlijk eenzaamheid), en bedacht ik me dat er nog meer over te schrijven viel, persoonlijker, maatschappelijker én over literatuur. En toen vertelde collega Marjolijn aan Trouw dat ze Maggie Nelsons The Argonauts ging lezen, juist omdat het ook over zwangerschap en bevalling gaat. Ik hoorde het gonzen rond dit boek, schrijvers van ‘onze’ generatie (Nina PolakNiña Weijers, Miriam Rasch) hebben het gelezen.

Marjolijn nog niet, en ik begon met aarzeling. Nelson spreekt vanuit een achtergrond – de homoseksuele/LTGB-gemeenschap – en met achtergrondkennis – feministische en genderstudies, filosofie, cultuurwetenschap – die ver van me af staat. Het gaat over Judith Butler, over heteronormativiteit, over de worsteling met de seksuele identiteit en oriëntatie van de genderfluïde vader van haar kind. Bent u daar nog? Ik weet niet of ik het half begrijp. Maar het gaat ook over de liefde, en als Nelson citeert, dan citeert ze raak:

‘Barthes describes how the subject who utters the phrase “I love you” is like “the Argonaut renewing his ship during its voyage without changing its name.” Just as the Argo’s parts may be replaced over time but the boat is still called the Argo, whenever the lover utters the phrase “I love you,” its meaning must be renewed by each use, as “the very task of love and of language is to give to one and the same phrase inflections which will be forever new.” I thought the passage was romantic. You read it as a possible retraction. In retrospect, I guess it was both.’

De metafoor van de Argo blijft ijzersterk, ook in deze variant, juist in deze variant, juist ook met deze twijfel.

En ze schrijft dit: ‘Is there something inherently queer about pregnancy itself, insofar as it profoundly alters one’s “normal” state, and occassions a radical intimacy with – and radical alienation from – one’s body? How can an experience so profoundly strange and wild and transformative also symbolize or enact the ultimate conformity?’ Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk? Volgens mijn e-reader heb ik nog 10% te gaan – en de bevallingsscène moet nog komen. Dat essay komt er.

The Argonauts verscheen bij Melville House. Er verschijnt een Nederlandse vertaling bij Atlas Contact, komende maand, door Nicolette Hoekmeijer. Lees hier en hier fragmenten uit de Engelse editie. Pamela Ehrens’ boek verscheen bij Tin House Books, hier een fragment, en hier een essay over waarom er niet over bevallingen wordt geschreven. (Onzin, heb ik al wel eens betoogd, maar goed, een heel boek lang, dat doet niemand haar na.)

Thomas Heerma van Voss: Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín

Een Nederlandse roman waar ik al een poos naar uitkijk is de nieuwe Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín. Volgens mij verschijnt de roman pas volgende maand, misschien nog later, maar ik heb het voorrecht als (late) meelezer te fungeren. Eerder verschenen van Van der Loo’s hand de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind, die ik beide met veel genoegen las; ik houd van Van der Loo’s scherpe observaties, zijn kalme toon, de sprekende scènes – en blijkbaar had ik dat waarderende oordeel ooit laten blijken, en dacht Van der Loo ook nog dat ik (als buitenstaander) iets zinnigs te zeggen zou hebben over zijn nieuwe werk, want hij vroeg me tot mijn verbazing dus of ik wilde meelezen.
Ik ben nu op drie kwart van Het jasje van Luis Martín en wat me bevalt is de afwisseling. Van tempo, van toon, van tijd, zelfs van perspectief. De hoofdlijn in de tegenwoordige tijd: Issa heeft een kind dat amper slaapt, die slaapproblemen drijven zijn ouders ook tot waanzin, maar dan begint Issa te vertellen over de titelheld, Luis Martín. Intussen duikt Luis Martín ook veelvuldig op in de gedachten van Issa, en schrijft hij deels onbewust zelfs over hem – niet de enige suggestie dat dit om een autobiografisch boek gaat, maar dat terzijde. Het heeft, zo wordt algauw duidelijk, alles te maken met het verleden: Issa heeft deze Luis Martín nooit ontmoet, maar kent hem via zijn inmiddels overleden beste vriend, Gijs.
Verhaallijn 2, de verleden tijd: in Amsterdam ontwikkelde zich, rond het jaar 2000, een hechte vriendschap tussen Issa en deze wat ondoorgrondelijke (maar innemende) Gijs, die dan nog bruist van het leven, en vanzelfsprekend niet eens vermoedt dat hij op een dag uit het niets zal overlijden. Prachtige scènes zitten daar tussen, waarin hun werk in de Amsterdamse horeca met veel gevoel voor geur en smaak wordt beschreven. Nooit eerder waande ik me bij het lezen zozeer in Amsterdamse cafés, in De Pels, in Zeppos, noem het maar op. Knap gedaan, en de afwisseling tussen de tijden werkt sowieso goed – want naast de twee net genoemde verhaallijnen zin er ook nog losse hoofdstukken over die Luis Martín in de roman. Van die verhaallijn raken de scènes me het minste, maar ik sluit niet uit dat in het laatste gedeelte van deze strakke en met een aangename vaart vertelde roman het geheel en alle onderlinge verbanden nog duidelijk worden.

Volgens de laatste informatie verschijnt Het jasje van Luis Martin 1 november, bij Van Oorschot. Reserveren kan daar.