Doireann Ní Ghríofa, Ilse Josepha Lazaroms: de redacteur las twee boeken die het moederschap en het vrouwelijke verweven met binnendringend en historisch drama, een essayistische roman met mooie elementen en wat karikaturen en een rijke, fascinerende memoir die het vrouwelijke vooropzet.

*

Daan Stoffelsen: Doireann Ní Ghríofa, Een geest in de keel en Ilse Josepha Lazaroms, Duet

Ha, riep mijn collega uit toen hij op mijn scherm meelas, een Luiselli’tje! Het was twee persconferenties geleden, we werkten nog in ons kantoor hoog boven het Spui, maar Valeria Luiselli was in onze prille werkrelatie al een belangrijk referentiepunt. Ik was voor Athenaeum.nl wat stukken aan het publiceren over Doireann Ní Ghríofa’s Een geest in de keel (A Ghost in the Throat, vertaald door Caroline Meijer), waarvan Joost Baars de Engelse editie al de hemel ingeprezen had. En op dat moment lazen we hoe de Ierse dichteres de literatuur met moederlijke beslommeringen mengde, zoals Luiselli dat in De gewichtlozen deed. Ga ik lezen, dacht ik, en: misschien kan ik het combineren met dat andere moederboek dat klaarligt.

Ergens klopte dat wel, want Ilse Josepha Lazaroms ontleende het motto voor haar romandebuut Duet aan Archief van verloren kinderen. Maar ergens ook niet: je doet de boeken weinig recht door de vergelijking. Zo is Duet een ‘roman’, al vermoed ik dat er wel wat autobiografie inzit, en heeft het essayistische trekjes, al was het maar doordat Lazaroms expliciet verwijst naar andere literatuur (‘“Maar dit is het addertje onder het gras,” schrijft Maggie Nelson in De argonauten, een boek dat ik las in de vertroebelde maanden na mijn dochters geboorte. “Ik kan niet mijn kind vasthouden en schrijven tegelijk.”’). En is Een geest in de keel bovenal memoir, er zit geen fictie in.

Duet is een boek over liefde, zwangerschap en moederschap in een wereld die zulke levensbepalende gegevens liever negeert – de arbeidsvoorwaarden in de Verenigde Staten – en die in toenemende mate polariseert – de vriend van hoofdpersoon radicaliseert tot een agressieve complotdenker. Dat alles op Duet, een woonboot die het hele jaar in New York ligt. Lazaroms schrijft mooie dingen,

  • zoals hoe ze vaststelt dat haar koers (of stilstand) bepaald wordt door haar zwangerschap: ‘Sinds een paar dagen weet ik dat er in mijn lichaam een anker is uitgegooid dat er niet meer uit kan.’ (Later gaat ze in op het fenomeen van ankerbaby’s, die willen ze in de V.S. voorkomen, en daarom heb je geen recht op prenatale zorg. ‘Zwanger zijn doe je op eigen risico. Bevrucht het land binnenkomen al helemaal.’)
  • Ze denkt na over vroedvrouwen, en na wat woordenboekdefinities schrijft ze: ‘Een verloskundige doet het verlossende werk niet. De barende vrouw verlost zichzelf. De vroedvrouw wijst alleen de weg. Als een richtingaanwijzer op zee. Een vuurtoren. Een baken.’ Idealiter, denk ik dan als man van de verloskundige, dat is je niet altijd gegeven (zie ook de bevallingen van Doireann Ní Ghríofa).
  • Ze beschrijft haar bevalling (iets wat ooit te weinig gebeurde, zie mijn essay Het literair couvadesyndroom, maar nog steeds aan te moedigen is): ‘Ik klamp me vast aan de tafel. Uit mijn diepste binnenste komen ze. Draden van licht. Van ijzer. Ze reiken tot aan het puntje van mijn buik tussen mijn borsten. Haken zich vast in mijn vel. Spannen zich aan, nemen de tijd. Hun kracht zwelt aan. Geen weg terug. Het web van moordende zenuwen ligt als een harnas om mijn buik. Pijn. Adem.’

Maar het houdt iets lichts, en dat heeft te maken met de strakke zinnen, maar ook met plot en karaktertekening: de vader van het kind is wel erg extreem, onnadenkend, in scherp contract met de essayerend denkende moeder, en het verhaal heeft iets willekeurigs en tegelijk lineairs.

*

Maar is dat een probleem? Zo is het leven toch, je wordt verliefd, je wordt zwanger, krijgt een kind, je vertrekt? In een roman heb je de vrijheid om de lijnen te doorbreken, iets ronder te maken. Non-fictie staat minder flexibiliteit toe, en wie Een geest in de keel leest, krijgt ook het gevoel dat de verteller – in dit geval dus absoluut Ní Ghríofa zelf – allerlei dingen overkomt. Maar dat verhaal is ondergeschikt aan het onderzoek.

Waar Lazaroms Ilse haar eerste kind krijgt, is Ní Ghríofa aan het begin van het boek moeder van drie jongens, en wordt ze zwanger van haar derde kind. Ze zorgt, ze geeft borstvoeding (en doneert melk voor premature baby’s), schept genoegen in die dienstbaarheid, en vult al haar andere tijd met een onderzoek naar de achttiende-eeuwse dichteres en edelvrouw Eibhlín Dubh Ní Chonaill en haar gedicht Caoineadh Airt Uí Laoghaire. (Je kunt niet gelijktijdig zorgen en schrijven – maar je kunt het wel nadien doen, of tussendoor, iets wat Nelson overigens ook illustreerde.)

Het huiselijke leven, het onderzoek, Eibhlín Dubhs levensgeschiedenis en die van Ní Ghríofa zelf (een mislukte tandartsstudie, zelfmoordpogingen, maar ook schokkende gebeurtenissen in het nu, bijna-ongelukken en een bijna-doodgeboorte) verweeft ze tot een fascinerend boek, tot een vrouwelijke tekst, zoals ze al in de eerste regels aankondigt:

‘Dit is een vrouwelijke tekst, gecomponeerd terwijl ik andermans kleren opvouw. De tekst is nooit uit mijn gedachten en groeit, teer en traag, terwijl mijn handen ontelbare taken verrichten.’

Elfmaal benoemt ze iets als vrouwelijke tekst: het boek, ‘een gezinsplanner vol ballpoint- en potloodkrabbels, allemaal in hetzelfde handschrift’, ‘een lichtroze vestje dat door haar grootmoeder is gebreid […] waarin elke steek een lettergreep is’, de Caoineadh zelf natuurlijk, de sleutelring aan de riem van Eibhlín Dubhs moeder, twee ongevaarlijke gezwellen in haar linkerborst, de vaststelling dat ‘naamloze vrouwen zich een familieverhaal toe[eigenen] en herschrijven […] met vuur’ door documenten te verbranden, een sprookje. Tekst, dat zijn oorsprong vindt in het Latijnse woord voor weven, is alles, en alles is vrouwelijk. En:

‘Ik laat de handdoek op de grond vallen en onderzoek mijn lichaam nieuwsgierig: mijn melkflessendijen, in stukjes opgedeeld door turquoise aders; mijn borsten, ongelijk in grootte maar prachtvol; het heilige deurtje van mijn viervoudige keizersnede, mijn hangbuik, geribbeld met zwangerschapsstrepen als een strand bij eb. Mijn navel grimast daar, het onzichtbare koord dat mij altijd met mijn moeder zal verbinden, precies zoals die van haar haar verbindt met haar moeder, en zo verder, en verder, en verder. Ik bestudeer dit lichaam van mij, zomaar een lichaam in een lange lijn, en ik voel geen afkeer, alleen trots. Dit is een vrouwelijke tekst, denk ik.’

Zo fysiek, zo intiem, en zo trots: dat wekt mijn bewondering op. En zo rijk: terug keert de melk, terug het vrouwelijke perspectief en de vrouwelijke tekst, op komt het beeld van de ironische heilige deur, op het strand bij eb. En even relativerend (‘zomaar’) als beslist (‘geen afkeer, alleen trots’) is het.

In haar onderzoek probeert Ní Ghríofa de dichteres van drie eeuwen geleden en haar vrouwelijke omgeving te vinden, en stuit ze telkens op hiaten. De mannen rondom Eibhlín Dubh Ní Chonaill verzwijgen haar, verraden haar zoals de vijand van haar echtgenoot Art Ó Laoghaire hem in een hinderlaag vermoordde. Het achttiende-eeuwse gedicht had dat al in zich, het draait om die vermoorde man en Eibhlín Dubhs grote liefde voor hem, haar machtige woede gaat om hem. Maar Ní Ghríofa compenseert dat manvormige zwarte gat met haar eigenlijk verhaal, een nieuwe vrouwelijke tekst om die oude aan te vullen. Een van dienstbaarheid en liefde en begeerte – maar vooral van trots.

Over Ní Ghríofa’s lichaam mag alleen zijzelf oordelen, maar haar boek is geweldig, het heeft een gewicht en een verstrekkendheid die ik zelden aantref. Een Luiselli’tje? Een geest in de keel heeft het dramatische en urgente van Archief van verloren kinderen en het literaire (maar niet het meta-, en het absurdisme) van De gewichtlozen. Het is poëtisch (en bevat de Caoineadh integraal in het Iers, Engels en Nederlands), verhalend én essayerend. Het is een vrouwelijke tekst, een menselijke tekst, een universeel verhaal dat meer is dan plot: het is een weefsel van de kleine dingen en de grote emoties, zoals alleen een vrouw dat kan maken.

Uitgeverij Cossee geeft Duet uit.Uitgeverij Van Oorschot geeft Een geest in de keel uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, Joost Baars’ boekentip en een toelichting door vertaler Caroline Meijer.

Rob van Essen: de redacteur las een vanzelfsprekend fantastische roman met fonkelende passages.

*

Rob van Essen, Miniapolis

Zo begint het:

‘In tram 81 zat zijn moeder. Jonathan had haar niet zien instappen, opeens zat ze daar, aan de overkant van het gangpad, op een van die banken die met hun rug naar het raam stonden, ingeklemd tussen twee andere passagiers. Ze was al vier jaar dood en zag eruit alsof ze zware jaren achter de rug had.’

En je denkt: is de moeder van Een goede zoon terug? Komt er, nog voor die roman vermusicald is, een vervolg? Maar dat is niet zo: in Van Essens nieuwste tref je een andere zoon, een andere moeder, en andere raadsels. Deze wordt niet opgelost, maar de meeste wel, op een fantastische manier. (Ik bedoel hier ‘fantastisch’ in eerste instantie als ‘aan de fantasie ontsproten’. Denk Belcampo. Denk Van Essen.) Miniapolis is als een raam op een mogelijke wereld, en alle elementen zijn puzzelstukjes die wonderwel in elkaar blijken te passen. En zoals Een goede zoon voorsorteerde op een musical, zie je Miniapolis als film voor je, met Diederik Ebbinge als Wildervanck.

Vanuit die eerste zinnen ontstaan twee verhaallijnen: Jonathan vindt zijn moeder en gaat met haar op zoek naar het huis van haar jeugd, na geld te hebben gekregen van Wildervanck, de chef van het bijkantoor van een soort sociale dienst. Zij woonde, nota bene, met andere kinderen van glazenwassers en schoorsteenvegers, op het dák van dat huis van haar jeugd. Wildervanck op zijn beurt woont boven dat bijkantoor, en besluit op gegeven moment dit bijna-thuiswerken te doorbreken door steeds grotere rondjes te fietsen naar zijn werk. Zijn collega Scherpenzaal, die Jonathan bij Wildervanck ziet en meent te herkennen als de jongen die aan de grote brug hing (en dus ook wel dood moet zijn), ontdekt dat, en begint Wildervanck te volgen.

Dat is een hilarisch gegeven, maar Van Essen weet dat heel vanzelfsprekend te brengen, als het slapstick is, dan sluipend (vergelijk de scènische slapstick bij Sander Kollaard als de hondenlijnen weer verstrikt raken). En als het drama is, dan onderkoeld: de moeder-zoonrelatie is eerder toevallig, met een grimmige ondertoon (zij mept hem continu als hij iets verkeerds zegt – oké, slapstick). En de ongelijke verhouding tussen de twee collega’s wordt nergens tragisch. Er zit minder verdriet in dan in Van Essens vorige roman.
Scherpenzeel zien we het diepst in zijn ziel, hij schrijft aforismen op, maar ‘wanneer hij overlas wat hij had geschreven, was het plezier waarmee hij het had verzonnen al verdampt, en met die damp verdween ook elk vermoeden van scherpzinnigheid of gevatheid. Bovendien dacht hij bij elk aforisme dat hij noteerde, alsof hij zijn eigen psycholoog was: dit heeft vast met je ouders te maken‘. Om vervolgens bij een echte therapeut geen woord te zeggen. Opgewekt, of althans zonder tegenzin, trekken de hoofdpersonen het land in, en daar, bij een groot landhuis, komen alle lijnen bij elkaar en worden de verhoudingen omgekeerd.

Puzzel gelegd, nu weer stukje voor stukje opruimen, moet Van Essen vervolgens gedacht hebben, voor een prachtige finale scène.

En er zijn ook daarvoor ronduit mooie passages, die fonkelen van potentie (Van Essen lost die mogelijkheden in) en fantasie. Wie bedenkt dit?

‘Vaal licht stroomde naar hem toe, verdeeld door een grillig netwerk van harde, dunne lijnen. Achter het luik bevond zich een spits toelopend kerkraam – of iets wat daar sterk aan deed denken; geen venster maar een rooster, vervaardigd van gietijzer dat hier en daar door roest was aangevreten. De vakjes van het rooster hadden de vorm van klassieke legpuzzelstukjes, sommige staand, andere liggend. Geen enkel vakje bevatte nog glas, als het er al ooit in had gezeten. Hier en daar waren stukjes dichtgestopt met propjes vergeeld papier, misschien om de tocht buiten te houden. Enigszins ongerust voelde Scherpenzeel een frisse avondkoude uit het rooster komen, of beter gezegd, door het rooster. Als het eenmaal herfst was geworden zou dit zijn stookkosten aanzienlijk opjagen, het luik dat het rooster afsloot zag er niet uit alsof het over een groot isolerend vermogen beschikte. Hij kon zich voorstellen waarom de afgezant van de verhuurder dit venster had overgeslagen bij de rondleiding.’

Het is een en al mysterie, Harry Potter had erop kunnen stuiten, en dan voelt Scherpenzeel zich opeens ‘enigszins ongerust’ en de werkelijkheid van die stookkosten. Gelukkig komt het niet zover, want met die propjes vergeeld papier, waarop instructies staan, begint Scherpenzeels odyssee, en daarmee eindigt hij ook. Ach, lees dat boek nu maar, wacht niet op de verfilming, je wordt niet teleurgesteld: het is wat minder speculatief en uitzinnig, wat minder zwaar ook, maar Van Essens humor en fantasie is even subtiel, alledaags en ongerijmd.

AtlasContact gaf Miniapolis uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Sander Kollaard: de redacteur las een roman over isolatie, over kleuren en verhalen, die rond is en warm en raak — en fietst er nog een verwijzing naar de nieuwe Revisor in.

*

Daan Stoffelsen: Sander Kollaard, De kleuren van Anna

Ik kom nog met een aantal goede redenen om Sander Kollaards nieuwste roman te lezen, maar wat mij ook trof in dit boek was hoe hij, getriggerd door de observaties van een bevriende oudere vrouw, Anna, meer oog krijgt voor kleur. Dat vertaalt zich, en dat herken ik van mijn eigen bijdrage aan de nieuwste Revisor (koop dat nummer! Word abonnee!) in een specifiekere taal. Dat wordt bijna onvertaalbaar als ik kom tot ‘door celadon en mantisgroen gestut niets met een cambridgegroen-witte stuntvogel’, en ik moet toegeven dat ik aan het einde van mijn essay wat doorgeschoten ben in de groenvariaties maar een enkel nieuw woord verrijkt vooral. Kollaard houdt zich in, al heeft zijn aandacht iets verliefds:

‘Waar ze liep kreeg het bos meer kleur. In het mos bij haar voeten ontdekte ik gele, blauwe en roze vlekken. In haar spoor lichten paddenstoelen op: roomwit, lichtgeel, oker, abrikooskleurig, rood en kastanje. Op de stammen waarbij ze zo nu en dan steun zocht kwamen beige en bruin tevoorschijn, paars, blauwgrijs en het turquoise van wat slierten mos.’

De wereld is meer dan groen en grijs, dat punt wil Kollaard – en ik met hem – graag maken. Ja, Sander Kollaard, de man die het gelukkige schrijven volhoudt tot in zijn droevigste roman (Stadium IV, ook zo’n aanrader), schreef een lockdownboek rondom een bijzondere oudere vrouw, die dus oog heeft voor kleuren, de natuur beschermt en uitgroeit tot een muze. Haar verhalen, in Kollaards kenmerkende sebaldeske indirecte reden, maken de roman, met essayistische delen over de kleuren rood (woede! virus!), geel (Willem de Kooning, de dageraad), blauw (Joe Biden, de pest op Aegina) en groen (Histor, Darwin). En het speelt zich af in een heimwee-oproepend Zweden in de sneeuw, gekruid met bedaagde wijsheid en slapstick met hondenlijnen – De kleuren van Anna is een roman voor deze tijd en voor deze tijd van het jaar.

Isolatie

Twee persconferenties geleden dronk ik koffie met Bart Koubaa, oud-collega en vriend op afstand, en merkte tot mijn eigen verrassing op dat de nieuwe Kollaard een sterker quarantainegevoel geeft dan Koubaa’s nieuwe boek. Waar de schrijver in zijn Dansen in tijden van droogte amper het huis in Gent verlaat, zwerft de ik in De kleuren van Anna in ruime cirkels rond zijn Zweedse huis. Toch is de pandemie aanweziger, de ik en Anna praten erover, de schrijver denkt erover na, een beetje zoals Kollaard zelf voor zijn Revisor-correspondentie met Roos van Rijswijk deed.

‘En al die tijd ging het virus rond, onzichtbaar, maar desondanks in staat om alle aandacht op te eisen. Het kwam mij meer en meer voor alsof we in de greep kwamen van een nieuwe god. Onze aandacht werd een vorm van aanbidding, onze quarantaine een eredienst, onze angst een bewijs van geloof. Alsof inderdaad sprake was van een nieuwe god verstrikte het virus ons in een verbond dat wij niet konden breken, dit keer niet bij gebrek aan kennis van goed en kwaad, maar omdat er geen vaccin was. En waar anders dan in de ban van een almachtige god, zo dacht ik, kon onze woede eindelijk tot bedaren komen? Want opeens voelden we iets zachts vanbinnen. Opeens voelden we de drang om goed te doen. Opeens zochten we naar verbinding en deden we boodschappen voor de bejaarde buren en stuurden we elkaar gedichten en zongen we vanaf ons balkon. En zo begon ik stilletjes te hopen dat deze god, deze nieuwe god, deze op het oog zo verschrikkelijke god, uiteindelijk iets goeds zou brengen.
Nou, zei Anna, toen ik haar dit voorhield, je draaft wel een beetje door, maar ik begrijp je punt.’

Het kleine dorp, de bossen eromheen, de afstand tot alles (‘Toen het virus uitbrak, veranderde er bij ons in het dorp niet veel. We maakten grapjes over het advies om afstand te bewaren.’) – het ademt covid, hoezeer ook op afstand. En waar Koubaa met niet-verzonden brieven en niet-geboekte reizen paradoxaal genoeg heel ver komt in een soort kennismaking met een onbekende Keniaan, lijkt Kollaards ik die reislust te ontberen: De kleuren van Anna heeft de intimiteit van een persoonlijk essay, thuis, geïsoleerd. Want ja, Koubaa schrijft zijn eerste non-fictieboek, Kollaard verwerkt voor het eerst grote essayistische stukken in een roman. Daarmee houdt de vergelijking op, en ik bestelde een tweede kopje koffie.

Anna

Maar als je dus begint aan De kleuren van Anna, hoofdstuk ‘Rood’, val je meteen in zo’n essayistisch deel. Kollaard somt op wat er rood is, onderzoekt gevaar, waarschuwingen, de woede. Willem-Alexander komt langs. De karnemelkflessen van vroeger roepen een paragraaf aan herinneringen aan de melkboer op, ‘Piet, een reusachtige man met een groot, rond en rood gezicht’, de kleur leidt tot een waarderende observatie van Anders Zorns zelfportret uit 1920, en tot een lofrede op faluröd. ‘Het is een rood dat met gemak de seizoenen zichtbaar maakt, en met die seizoenen de tijd, en met die tijd mijn leven, en dat van u en iedereen en alles wat leeft.’

Drie asterisken en over van de kleuren naar Anna. De openingsalinea van háár verhaal wordt al in de flaptekst geciteerd, maar hij is dan ook ijzersterk.

‘Anna was bij onze eerste ontmoeting even in de zeventig. Ze had een hond, net als ik, en we raakten aan de praat in het dorp. Ze stelde zich voor, wees vaagjes in de richting van het huis waar ze sinds een paar weken woonde, en vertelde me toen dat ze als jonge vrouw een paar uur had gevochten met een engel.
Ik vertel dat verhaal zo vaak ik maar kan, zei ze, terwijl ze een snelle stap deed om een hondenlijn te ontlopen, zodat ik het kan blijven geloven. Je moet soms je best doen om de waarheid te blijven zien.
Ik knikte.’

Het is natuurlijk volkomen ongerijmd, zo’n verhaal van een gevecht met een engel, maar Kollaard introduceert het zonder commentaar (‘Ik knikte.’), met signaalwoorden ‘verhaal’ en ‘waarheid’ die niet onderuitgehaald worden maar wel het belang van het eerste en de betrekkelijkheid van het tweede onderstrepen. Er zitten verder wat idiomatische weekmakers in de zinnen (‘even’, ‘vaagjes’) die niettemin prettig contrasteren met de besliste toon van Anna, die ook meermalen in de roman stelt dat de ik doordraaft – maar ze begrijpt zijn punt. Wat valt verder op? Ze is in de zeventig (ze zal overlijden, deze roman) en vertelt over haar jonge ik – en daarmee overbrugt Kollaard net als in zijn eerste verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde en Stadium IV bijna een heel leven. Ten slotte: het ontwijken van de hondenlijn zal een van de slapstickelementen in de roman worden.

Rond

Kollaard houdt de kleurenessays en het verhaal van Anna grotendeels gescheiden, lijkt niet heel gericht te schrijven, van de felrode hak op de dageraadsrozevingerige tak, maar zijn scherpe analyses en de vloeiende verhaallijn houden het boek bij elkaar. Het gaat daarin uiteindelijk om de kleuren ná Anna. Anna nam namelijk een jonge asielzoekster onder haar hoede, Zilan, die tot lang na Anna’s sterven zwijgt, en Anna’s geheim ontdekt in haar schuurtje. De idealistische oude vrouw bleek een activist. Zilan lost meer kwesties op, en wordt steeds meer als Anna, zodat als de ik op de slotpagina’s aankondigt een boek te gaan schrijven, ze hem aanspreekt zoals Anna dat deed: ‘Goed zo, schrijvertje, zei ze, nog altijd wiegend. Waar gaat het over?’ ‘Over kleur.’

Daarmee is het verhaal rond, en even twijfel je of je nu het eerste hoofdstuk weer kan gaan lezen. Dat wíl je ook, want het isolement en de verbinding, de prettige personages en de sterke ideeën, de toon en de stijl zijn een tegengif voor en een afleiding in lockdowns en Nederlandse winters. De kleuren van Anna is warm en raak.

Van Oorschot geeft De kleuren van Anna uit.Op Athenaeum.nl lees je een fragment.

Bart Koubaa (en Erik Lindner): de redacteur las een non-fictiedebuut dat ontregelt en in de beperkingen van een schrijfkamer de wereld oproept (en een ander tegenboek, dat wachten tot een kunst maakt en kunst tot een barrière opwerpt).

*

Daan Stoffelsen: Bart Koubaa, Dansen in tijden van droogte

Mijn geschiedenis met Bart Koubaa begon bij een boek dat niet meer verkrijgbaar is, Het gebied van Nevski. Fantastisch boek, met een hoofdrol voor een vorm van afasie. Ik schreef er een stuk over met als nagalmende titel ‘Dinges is een wezenlijke drijfveer’. Wacht, ik herlees het stuk nu, en realiseer me dat mijn leesgeschiedenis al een boek eerder begon. Onze vriendschappelijke geschiedenis begon met een interview bij Café Katoen, jaren later was hij een tijd redacteur van dit tijdschrift, maar we bleven vrienden en lezers en boek na boek deed hij weer iets totaal anders en toch hetzelfde: ontregelen.

Zo leerde hij mij Westmalle Tripel drinken door het onnavertelbare Maria van Barcelona, schetste hij een schril beeld van de W.I.C. in Het leven en de dood van Jacob Querido alvorens Gustaaf Peek dat met de V.O.C. deed, en koppelde hij vogels kijken aan een tragische zelfmoord in De vogels van Europa. Verhalen met een kop en staart, maar die staart steekt jaren later nog uit het boek, in zo’n mate dat je twijfelt of het dier niet zeven koppen en 49 staarten heeft.

Wat dat betreft is zijn nieuwste boek Dansen in tijden van droogte overzichtelijk. Koubaa doceert fotografie, zoals we weten van Mails aan een jonge fotografe (gratis!) – maar de persoon die hij ditmaal zoekt, is niet fictief. Juma Collins, je ziet hem op het omslag staan, is een levende vogelverschrikker bij het Victoriameer. Koubaa’s verteller, een schrijver die de roman Dansen in tijden van droogte net voltooid heeft, besluit zonder te googelen en zonder sociale media-contacten een beeld te proberen te krijgen van deze man met zijn surreële baan. Dit is non-fictie, maar dat vergt wel een vleug fantasie:

‘Wanneer ik een week later op een broeierige pinksterzondag mijn voltooide roman opsla en afsluit, daalt de levende vogelverschrikker van de foto als een Afrikaanse geest op mijn schrijftafel neer.
“Kan ik iets voor je doen?” vraag ik.
“Jazeker,” zegt hij, “je kunt de fictie schrappen”, en hij stijgt weer op en verlaat wervelend mijn schrijfkamer door de hor in het rechterraam. Ik volg hem over het park en de oranje en zwarte zadeldaken tot hij iets voorbij het klokkentorentje van de kerk van het Klein Begijnhof uit het zicht verdwijnt. Als ik dan puur uit gewoonte een nieuw document open en achteloos de titel van mijn roman Dansen in tijden van droogte typ, snap ik wat de levende vogelverschrikker me wilde zeggen: ik moet geen geest najagen en geen romanpersonage op de wereld loslaten, ik moet op zoek naar een man van vlees en bloed die hoogstwaarschijnlijk in een rijstveld vogels zit te verjagen. En dat ga ik doen.’

Wat volgt, is even fascinerend als frustrerend: Koubaa, of zijn verteller, komt zijn schrijfkamer amper uit, schrijft mails en brieven die hij niet verstuurt (of die niet beantwoord worden) en stelt zich, aan de hand van informatie die anderen voor hem vinden, Juma Collins’ leven voor. Vooral zijn zoon helpt, met feiten en fantasie. ‘Volgens mijn zoon eten zilverreigers zilvervliesrijst.’ En: ‘Het WhatsApp-bericht dat mijn zoon me een paar uur geleden heeft gestuurd, bereikte me echter als koud water in een ontstoken oor en telkens als ik het herlees, zwelt de vlijmende onrust aan. “Het Victoriameer zal binnen 50 jaar dood zijn als er niet drastisch iets wordt ondernomen; dan ben ik 63 en jij 102.”’ En: ‘Volgens mijn zoon zijn we allemaal Kenianen!’

Op de plaats

De dans uit de titel is op de plaats, de droogte is elders. Ik schrijf dit terwijl ik een heel ander boek lees, een echte quarantaineroman, en denk opeens: is Dansen in tijden van droogte niet té klein? Waar is de grote greep? Ik dacht meteen aan Erik Lindners roman 51 manieren om de liefde uit te stellen, waarin na een stormachtig begin er vooral afstand is, en wachten, en dromen, en film kijken. Lethargisch, noemde ik het in een mail oneerbiedig tegenover Lindner, maar ook daar is klein geen terechte kwalificatie.

Om met 51 manieren te beginnen: de romance speelt zich in Baskenland af, en de dramatische geschiedenis daarvan zeurt door in de liefdesrelatie op afstand die erop volgt. De roman is alleen klein ten opzichte van de vele slachtoffers, daden en idealen. Maar het is nog meer literatuur over kunst. De ik, een dichter als Erik Lindner, probeert zijn eigen taal te plaatsen tegenover de beeldtaal van de films waaraan zijn geliefde meewerkte. Hij zoekt de nuance naast de clichés, en realiseert zich uiteindelijk dat zijn taligheid, de-verkeerde-taligheid een voortzetting van die eerste verliefdheid in de weg staat. Lindner:

‘Ik was de vreemde in die Baskische stad en zij heette mij welkom. Tegelijk leek het toch dat ik erna alle initiatief moest nemen, mezelf telkens overwinnen. Het was zowat onmogelijk hierover een gesprek te voeren, niet alleen door het ontbreken van een gemeenschappelijke taal, maar ook omdat het over onszelf ging, onze verhouding die zich op dat moment ontvouwde.’

Het schrijven, het beschrijven en analyseren, het uitstellen kortom van de echte liefde, dat is het enige wat de ik tot zijn beschikking heeft – en dat is tragisch. 51 manieren is bijna een antiroman, die de vanzelfsprekendheid van handeling in fictie onderuithaalt, en de mogelijkheden van het talige in het echte leven in twijfel stelt. Precies zo kun je Dansen als een tegenboek lezen: een reisverhaal waarin niet gereisd wordt, een onderzoek zonder antwoorden.

Maar net als 51 manieren is het een boek dat wat klein is in een groot verband brengt. Koubaa schrijft ook over de problemen die Juma Collins en zijn omgeving treffen: klimaatverandering, een verminderde biodiversiteit, armoede.

Onbeantwoordbare vragen

En door zich te beperken tot summiere kennis, creëert Koubaa een mens zoals hij, hij maakt de man van die foto een gelijke.

‘Gent, woensdag 23 september 2020

Beste Juma Collins,

Volgens een Chinees gezegde ben je zo oud als je ruggengraat. Dat is geen goed nieuws voor mensen zoals jij en ik, die de hele dag op een stoel of een krukje zitten. Want dat is toch wat we voornamelijk doen: zitten. En wat zit je daar toch de hele tijd op dat veld in je tentje te doen, beste Juma Collins? Wachten op de vogels is één ding, maar denk je er soms ook na? Over de toekomst bijvoorbeeld, jouw toekomst? Misschien hangt die toekomst af van wat jij nu aan het doen bent – zitten en wachten tot er vogels neerstrijken – of misschien is de toekomst een illusie, maar dan kunnen we er ook nooit een hebben.
Er zijn vele kleuren en stemmen als het over de toekomst gaat, is het niet beste Juma Collins, maar wat bezielde de schrijver V.S. Naipaul toch toen hij zei: “Afrika heeft geen toekomst”? Heb jij een idee? We kunnen hem in geen geval vragen wat hij er precies mee bedoelde, want hij is twee jaar geleden overleden, hoewel: Pythagoras geloofde dat sommige mensenzielen na de dood zouden verhuizen naar bonen. Je bent gewaarschuwd, beste Juma Collins!
Ik las een keer dat magie de toekomst is en dat vrouwen die magie beheersen. Wat als dat waar zou zijn? Zouden we dan niet rond onze stoelen dansen, de warme wind in onze rug?
Ik kijk uit naar je gedachten.

Hartelijks,
Bart Koubaa’

Wat doet Koubaa hier nu? Hij gaat niet naar Kenia, maar vergroot wel Juma Collins’ wereld, en dat nog zonder dat hij hem een fiets geeft (dat is namelijk Koubaa’s onuitgevoerde plan). Hij stelt vragen die de echte Juma Collins niet zou kunnen beantwoorden, maar zo open en bloot, deels reëel en essentieel, deels ronduit bizar, zijn ze geestverruimend, maken ze de wereld van de lezer groter. Koubaa’s overzichtelijkheid is bedrieglijk, zijn opgelegde beperkingen (zoals die afasie van destijds) creëren ruimte.

Ongetwijfeld zullen andere lezers die ruimte nemen om het gebrek aan actie, avontuur en ontwikkeling, en de overvloed aan losse eindjes te bekritiseren – maar dat doet weinig af aan de bescheiden ambitie die een verbazingwekkende rijkdom oplevert.

Dansen in tijden van droogte verscheen bij Querido. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina’s. En 51 manieren om de liefde uit te stellen werd door Van Oorschot uitgegeven – ook daaruit is een fragment te lezen.

Adriaan van Dis: Nederland herleest zijn Parijse wandelroman in het kader van thema ‘Over de grens’, en de redacteur zocht een kritisch stuk op uit het archief over de campagne – en zijn eigen eerdere woorden over de roman.

*

Nederland Leest: Adriaan van Dis, De wandelaar

Het is 1 november, traditioneel de dag om de pijnlijke analyse ‘Nederland leest wat het al gelezen heeft’ van Bertram Mourits uit 2009 te lezen. Het jaar waarin ik redacteur van De Revisor werd, het lijkt gisteren, maar het gaat over de vorige generatie critici en schrijvers, en een vorig stadium van onze leescultuur. ‘In de huidige literaire situatie zou Haasse nooit meer op deze manier aan haar carrière begonnen zijn. Willy Corsari was in 1948 een veel logischer keuze geweest, de huidige maatstaven in acht nemend,’ schrijft hij. Anno 2009 hebben we andere propagandisten, uitgevers, schrijvers en vooral lezers.

Ik ben minder mopperig, zoals dat hoort bij mijn generatie. Ik kan negeren dat de boeken die ik op inhoudelijke gronden mijn favorieten noem niet de Bestseller60 halen of de tv of zelfs de radio — toch de platforms waar het grote publiek bereikt wordt. En ja, Nederland Leest haalde Mulisch en Hermans van de plank en Campert en Bomans, maar ook Jacoba van der Velde. En heel moedig probeerde de CPNB het een paar jaar met een thematische aanpak – alvorens zich vorig jaar te bekeren tot de twintigste-eeuwse klassiekers. Na Het zwijgen van Maria Zachea (2001 – 2020) van Judith Koelemeijer staat nu Van Dis’ roman uit 2007 centraal.
In hoeveel exemplaren dat gaat, kan ik niet terugvinden (van Mulisch’ Twee vrouwen drukten ze er naar verluidt een miljoen), maar ik voel me telkens niet echt aangesproken. Zelfs als schoolbibliotheekvrijwilliger en vaste klant van de openbare bibliotheek zie ik vooral hoe de zelfstandige website Nederlandleest.nl nu onder Hebban valt, de populaire lezersgemeenschap die de CPNB afgelopen jaar overnam. Ik ben daar geen lid van (228.755 mensen wel, dus wie is er gek), de boeken die daar voorbij komen, interesseren me minder.

Maar misschien is bij hen nog iets te winnen — ik hoef niet overtuigd te worden. Ik pluk nu eens — Mourits’ advies — blind iets uit de kast en ga dan weer met ogen open af op aanbevelingen van critici of uitgevers. En De wandelaar is een goed boek, net als Van Dis en de Boekenweek-auteurs van 2022 goede schrijvers zijn. Schrijvers met relevante verhalen en een eigen toon, en vooral de ambitie om kunst te maken veeleer dan een product.

Op deze website passeerde De wandelaar als onderdeel van mijn wandelzinnenproject uit 2012. Ik merkte op in een voorbereidende blogpost, ‘Van Dis’ De wandelaar is geen passant’, dat het ‘een roman vol actie’ is. Het begint al op de eerste pagina met staccato zinnen die suggereren al een heel verhaal te vertellen, met dansen en branden en springen.

‘De hond had alles gezien. Met hem moet het verhaal beginnen. Hoe hij voor het raam danste en uit een brandend huis sprong. Maar eerst maakt meneer Mulder een avondwandeling. Hij zal aan de politie een andere naam opgeven.’

Ik schreef destijds: ‘Dat is een wandelaar in de kern: een voorbijganger, en als hij rondkijkt, dan niet óm het rondkijken, want hij is onderweg, hem drijft een hoger, abstracter doel. Zo is het althans bij Cole en Sebald, en bij hen lijkt dat doel zelfs afwezig. Van Dis is explicieter, en hij zet Mulders rol van wandelaar, buitenstaander nadrukkelijk tegenover de betrokken, sociale deelnemer aan de maatschappij.’

Dat blog is te herlezen, net als het essay dat eruit volgde, in Halfjaarboek 7 (2013) verscheen, ‘Wandelzinnen. Over stijl, beweging, gemoedstoestand. Over Sebald, Cole, Nescio’. Conclusie destijds: Van Dis’ wandelaar is wél doelgericht, actief — en toch ontbreekt het maatschappelijke in zijn roman bepaald ook niet. Laat Nederland maar herlezen, het is de moeite waard.

De wandelaar is gratis te krijgen bij je bibliotheek, ‘het centrum voor ontmoeting en gesprek’.

Hester van Hasselt & Bianca Sistermans: de redacteur leest en bekijkt een gecombineerd interview- en fotoboek met gedichten, en stelt vast dat er minstens zeventien redenen zijn om er nog vaak naar terug te keren.

*

Daan Stoffelsen: Hester van Hasselt & Bianca Sistermans, Een mogelijk begin van veel. 29 dichters aan het werk

Bij sommige boeken begin je gewoon, en stel je vast: ik ga hier nog vaak naar terugkeren. Een mogelijk begin van veel (naar K. Schippers’ uitspraak ‘Iedere notitie is eigenlijk een mogelijk begin van veel.’) is er zo een. En wel hierom.

  • de interessante nevenpositie van Van Hasselts verrassende interviews met dichters (over het ambacht en de kunst), de scherpe portretten van Sistermans, en de besproken gedichten.
  • de keuze van dichters, en de aanwezigheid van bewonderde doden als K. Schippers, Hafid Bouazza, Menno Wigman en F. Starik.
  • de uitspraak ‘Ja, het is een geheimzinnig vak, het is heel moeilijk om er definitieve uitspraken over te doen.’ (Remco Campert)
  • de overweging ‘Ik zocht woorden voor hoe ik door dat landschap liep. Ik dacht: een mens bestaat voor 90 procent uit water. Ik zag zo’n stripfiguuromlijning voor me in de vorm van een emmer, dat water gaat heen en weer, iets waar we niet zoveel over te zeggen hebben. Misschien zou ik het liefst willen dat het lichaam gewoon meedoet in het geheel, zoals een emmer meedoet in het geheel. Of dat het voor me uitgaat als een wolk, waarmee ik het gedicht besluit.’ (Bernke Klein Zandvoort)
  • de opening van een gesprek ‘Bernke is een goede observator, dat ben ik helemaal niet.’ (Lieke Marsman)
  • de rook bij Hafid Bouazza, de rook bij Radna Fabias. (Bianca Sistermans)
  • de openbaring ‘Als je vertaalt, groei je vanzelf naar iemand toe. Tijdens het vertalen van Broch was ik iemand anders dan toen ik werkte aan het postume, getormenteerde debuut van Beckett. In de tijd van The Gift van Nabokov, een glorieus en gelukkig boek, was ik voortdurend in een staat van verrukking, dan gingen we weer op expeditie naar Mongolië om vlinders te vangen.’ (Anneke Brassinga)
  • de vraag ‘Hoe ga je eigenlijk te werk?’ (Hester van Hasselt)
  • het antwoord ‘Ik maak aantekeningen op kleine briefjes. Die bewaar ik. ’s Ochtends vroeg hoorde ik een Franse hoorn in het Vondelpark, in de nevel. Ik liep op het geluid af maar ik vond het niet. Zoiets verzin je toch niet?’ (K. Schippers)
  • de bekentenis ‘Soms houd ik ook heel erg niet van poëzie. Dan lijkt het me eerder aanstellerij, maar dat komt natuurlijk door mijn eigen beperkingen. Waarschijnlijk is het ook de angst dat het in mijn eigen werk te aanstellerig wordt.’ (Edward van de Vendel)
  • het licht bij Anne Vegter (zwart-wit), het licht bij Sasja Janssen (kleur). (Bianca Sistermans)
  • de koffiekop op de foto van Ester Naomi Perquin. (Bianca Sistermans)
  • de dertien pagina’s die Radna Fabias aan het woord is.
  • de tegenstellingen in ‘Als ik schrijf en het lukt me om al die stemmen te negeren of een plek te geven, dan kom ik bij tegenstellingen en contrasten en bij mijn voortdurende twijfel en bij mijn niet-weten, en dat is een ruimte waarin ik van mezelf mag zoeken en proberen. Ik hoef tijdelijke, wankele gedachten daar niet om te vormen tot een stellige, welluidende mening en ik kan de dingen net zo chaotisch en rommelig laten zijn als ze in mij bestaan.’ (Radna Fabias)
  • dat K. Schippers ook buiten zijn eigen interview optreedt.
  • ‘”Hoelahoep!” slaakt de buisbeer / die met zijn vacht door / de kleinste dierenkieren / kan’ (Joost Oomen, niet eerder gepubliceerd)
  • en nog veel meer, maar dat moet ik nog ontdekken.

Pauline de Bok: de redacteur las een aantrekkelijk natuuressay vol observaties en grote vragen.

*

Daan Stoffelsen: Pauline de Bok, De poel

Mijn vriendin en ik dromen er allang en hardnekkig van: een huis in het bos. Ook vóór de exorbitante prijsstijgingen was dat natuurlijk onbetaalbaar voor een verloskundige en een parttime webredacteur, zeker in Noord-Brabant, waar de verloskundige haar werk heeft, maar ik gun ons die visioenen van harte. En soms worden die beelden gevoed door mensen die wel de stap naar verder weg hebben gewaagd, zoals Pauline de Bok. Ik leerde haar proza kennen in Buit, het boek waarin ze beschreef hoe ze jager werd, een gedreven boek dat zowel de natuur om haar heen als de morele dilemma’s van dat nieuwe vak recht deed.

Nu is er De poel, een iets minder gericht, uitwaaierend boek over anderhalf jaar in haar verbouwde koeienstal in Mecklenburg-Vorpommern. Het is genomineerd voor de Jan Wolkersprijs, voor Athenaeum.nl schreef ik erover. Het is 2019, en de poel van de titel staat droog. Is dat die klimaatverandering waar de wetenschappers over spreken? En wat voor gevolgen heeft dat voor de dieren en planten waarmee De Bok feitelijk samenleeft? Kan ze er iets tegen doen?

Die vragen, en vragen over gif, windmolens aan de horizon, de gelijkwaardigheid tussen soorten, doden of niet, maaien of niet, bijvoederen of water geven of niet, komen telkens aan bod in dit uitgebreide natuuressay. Maar die grote vragen, waarin ze telkens haar ‘hoofd [schudt] om [haar] taaie neiging van elk beest meteen weer een individu te maken met een eigen verhaal’ en zichzelf een zeur en een twijfelaar vindt, wisselt ze af met geweldige observaties. Hele Vroege Vogels-fenolijn-afleveringen zijn ermee te vullen, ik citeerde al ruim op Athenaeum.nl over een moment dat de kraanvogels, de ooievaar en de hazen tegelijk op haar terrein te zien zijn. De Bok kijkt, verwondert zich, geniet. Maar soms botst het, letterlijk.

‘Dan waagt de eerste [jonge zwaluw] zich in de lucht, meteen daarop de tweede, ik loop onder de ladder door, een zwaluw moet voor me uitwijken, en vliegt in volle vaart tegen de ijzeren deurpost. “Hè nee,” roep ik, “sorry, sorry…” Ik kijk naar de latten, de zwaluwbolletjes zijn weg. Ik kijk naar de grond, in verwrongen houding ligt hij op de drempel. Verdomme, een jonkie, gebroken nek, rug, vleugel? Hij begint te fladderen, maar blijft dan op zijn rug liggen. Dood? Zijn pootjes trillen licht, hij beweegt zijn snaveltje een beetje. Geluidloos. Het krijsen en schreeuwen van de ander zwaluwen gaat crescendo, doet pijn aan mijn oren, ze duiken naar beneden, dicht naar het kleintje toe, lager, veel lager dan anders.
Wat nu? Altijd weer opnieuw die vraag: moet ik het zwaluwtje nu doodmaken?‘

Waar zoveel leven is, is de dood nooit ver weg. Is lijden natuurlijk, en heb je als opperpredator een verantwoordelijkheid? Om te voorkomen, ja, om te helpen? ‘Maar wat me als jager steeds duidelijker wordt: aan willekeur ontkom je niet, je bent god niet.’ Kan ze het zwaluwtje helpen? Moet ze de wild lopende schapen schieten? Moet ze de poel laten uitgraven en herstellen? Zijn dit nog morele dilemma’s? Eigenlijk zijn ze groter dan dat, De Bok beschouwt via deze individuele gevallen ons hele systeem met andere soorten, en dus onszelf. Dat is razend interessant, zeker gecombineerd met die verstilde observaties van grootse natuur en een prettige zelfreflectie. ‘Weer snapte ik niet wat ik zag,’ schrijft ze dan.

Jury’s schmury’s, ik ken ze, ik heb erin gezeten en mijn inschatting is weinig waard, maar De poel verdient een prijs, en voor de Jan Hanlo Essayprijs mag het boek ook opgaan. En mijn vriendin en ik? We gaan wel kamperen, en dubben of we als klimaatmigranten aan ons Duits moeten gaan werken, of het verder moeten zoeken.

AtlasContact gaf De Poel uit. Op Athenaeum.nl bespreekt Daan de hele shortlist.

Sarah Hall: de redacteur las de nieuwe roman van een favoriete auteur, en ziet hoe ze onze diepste emoties illustreert en analyseert.

*

Sarah Halls nieuwste roman Burntcoat is hele essays waard, maar er komt een recensie aan op Athenaeum.nl, en hier probeer ik die samen te vatten en van een uitgebreidere stijlanalyse te vergezellen. Allereerst: een geweldig boek. Hall weet dingen scherp te krijgen over maatschappij, mens en kunst in een verhaal dat afwisselend sexy en geestig, spannend en dieptriest, en wijs is.

Ze portretteert een onafhankelijke vrouw, een kunstenares, die net voor het virus de mensen naar binnen dwingt, verliefd wordt op een Turkse restauranthouder. Hij trekt bij haar in, het is een idylle, tot het virus ook hen bereikt, dan het wordt een hel. En terwijl Hall de levensgeschiedenis van de vertelster verweeft met die situatie, strooit ze met overtuigende seksscènes, indringende verhalen van de minnaar en serieuze dreiging.

In januari verschijnt de vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer, dan is een analyse vast nog interessanter – al was het maar omdat ik het Nederlands beter beheers – maar nu een scène die me aan het lachen bracht, net nadat de ik bij een gevecht gewond geraakt is:

‘My wrist was bandaged in crêpe; you’d wrapped it very neatly, to my surprise. The military service, you explained, when there was little to do but patrol the border, watching for feudal village activity, learning to polish, drill, practising first aid.
And watching pornography.
With the confession, you glanced up from doctoring my wrist.
Sorry.

We hebben net een ernstige scène achter de rug, het geweld buiten is bij ze binnengedrongen, en Hall vat het gesprek heel strak samen. Spreekt de ik haar verrassing hardop uit? Somt hij zijn bezigheden inderdaad zo summier op, in een tricolon? Omdat hij zo’n ronde vorm gebruikt, is de toevoeging in directe reden extra verrassend. (Maakt zij die opmerking? Ik denk het wel, maar vervolgens zijn alle zinnen in directe rede cursief.) Zijn blik omhoog en zijn reactie geven die geestige opmerking een andere lading. Dat klopt en werkt, en na een dialoog die ingaat op details en zijn gêne zichtbaar opwekt, is Hall ook in de analyse sterk:

‘I waited for you to tie the bandage, splitting apart and tucking the crêpe. The pinch of jealousy, as your courteous, discreet front spoiled and experience spilled out, was both painful and exciting. Shadowy scenes from your past, and I was a voyeur. You were kneeling beside me, had been looking down throughout the explicit interview. Now you held my gaze. Your eyes were brightly minted, full of mischief, mild disgrace, the glimmer of arousal.
Why are we talking about this?
It’s a painkiller.

In één zin (‘The pinch of jealousy…’) weet Hall het dubbelzinnige van de dialoog te vatten, de spanning en het ongemak, de intimiteit en de vervreemding. En ze observeert precies dat ook bij de minnaar. En dan die uitsmijter: praten over porno als pijnbestrijding, dat is mooi gevonden.

Nog geen tien pagina’s later komt ook hij verwond thuis en, blijkt even later, besmet. Seks en dood, die belangrijke thema’s voor Hall, zitten akelig dicht op elkaar. Maar ze zegt in Burntcoat dus ook heel zinnige dingen over kunst, over literatuur, over ziekte, over hoe we met elkaar omgaan. Over alles.

Burntcoatis uitgegeven door Faber. De vertaling, Het atelier, verschijnt in 2022 bij Ambo|Anthos.

Gustaaf Peek: de redacteur licht een effectieve, illustratieve passage uit een indrukwekkende, actuele, prachtige en gruwelijke roman – en denkt na over oeuvrelezen.

*

Daan Stoffelsen: Gustaaf Peek, A.D.

Deze week schreef ik voor Athenaeum over de nieuwe roman van oud-Revisorredacteur Gustaaf Peek: A.D. Een indrukwekkend fysiek boek, raak over onderwerpen die er nu nog toe doen (racisme, klimaat, liefde, geweld) zonder te oordelen, op een poëtische manier duister, prachtig maar gruwelijk. Geen boek om cadeau te doen, wel om samen te bespreken, een boek voor een lezerspubliek.

Zoals altijd in een echte recensie – of een recensie zoals ik hem denk te moeten schrijven, hij is vast nog steeds te essayistisch naar sommige smaken – heb ik het weinig over stijl. Die is sterk, soms weerbarstig, soms bloedmooi. En effectief. Ik citeerde dit van de tweede pagina:

‘Kijk naar me, denkt de provoost. De mannen staan met opzet als een haag rond hun wandaden, altijd die gebogen ruggen, het laffe, gezichtloze wanneer hij arriveert, maar Jacob en vooral Aert steken daar duidelijk boven uit. Kijk naar me, waag het niet om weg te kijken. Hij is al van het bakdek afgedaald, hij kan niet meer verder, tussen de mannen is te dichtbij, ze moeten hem hier opmerken. Hier. Hier.
Weifelend lijkt de bottelier zich met dichte ogen weer op te richten, een wonder, Siem hoopt dat de wind het gekreun van z’n moeite verbergt, terwijl Aert met z’n knieën hun dommelende last op z’n plek vergrendelt.’

De provoost, die over de straffen gaat op het schip, benoemt hier iets essentieels: de bemanning functioneert als een machine met een mysterieus doel, als één, terwijl elk van die mannen (en een enkele vrouw) vooral gezien wil worden, erkend wil worden. Een mens wil zijn. En door direct terug te keren naar de amateur-tandartsscène, door drie andere bemanningsleden van veel lager rang in één zin aaneensluitend de focus te geven, benadrukt Peek het illusoire van zo’n ideaal. En dan de woorden: let op het rijm in die tweede zin, de korte en lange a’s, mannen als een haag rond wandaden. Let op de herhaling, kijk, kijk, hij, hij, hier, hier, hier. Let op het weifelen en dommelen van de bottelier (met de rotte kies die getrokken moet), vraag je af waarom Siem kreunt en Aert vergrendelt, waarom deze broers zo verschillen in hun kracht.

Toen ik bijna twaalf jaar geleden gevraagd werd om bij deze redactie te komen, was Peek – ik mag Gustaaf zeggen – de kartrekker, en ook de toenmalige collega’s Jan van Mersbergen (ik schreef al over zijn nieuwste roman) en Erik Lindner kwamen dit jaar met een nieuwe roman. En Bart Koubaa komt later deze maand met Dansen in tijden van droogte, een non-fictieboek. Lindners boek, 51 manieren om de liefde uit te stellen, begint met een jongensachtige romance, actie, geen taal, in Baskenland, en wordt na dat stormachtige begin een roman over uitstel en afwachten, over de films waar zijn geliefde aan meewerkte, over reizen naar die omgeving en haar mislopen, over tekort schietende communicatie. Een denkende liefdesroman zoals Peeks Godin, held veeleer een handelende liefdesroman was, onvergelijkbaar eigenlijk.

En dat onvergelijkbare, dat is interessant. Je ziet in die nieuwe boeken hetzelfde talent als eerder in het oeuvre, je kunt wel overeenkomsten opmerken in stijl of vorm (oh, Van Mersbergen liet eerder een paard vertellen, hij is goed met gekke vertelvormen) maar die zijn oppervlakkiger; feit is dat deze schrijvers zich vernieuwen, niet schrijven voor ‘fans’ maar voor alle lezers, niet vrezen af te schrikken maar pogen je met een nieuw verhaal, nieuwe vormen, nieuwe thema’s binnen te halen. Dat is het bevredigende aan oeuvres volgen, je weet niet wat je krijgt, maar je mag vertrouwen op de inzet.

Querido gaf A.D. uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. En 51 manieren om de liefde uit te stellen werd door Van Oorschot uitgegevenook daaruit is een fragment te lezen.

Kees ’t Hart: de redacteur las een speelse bundeling van verhalen of essays of hoe wil je ze noemen die vermaken en raken.

*

Kees ’t Hart, victorien, ik hou van je. Verhalen en ontboezemingen

Ik heb de term literaire ‘speeltuin’ al zo vaak gebruikt voor het literaire tijdschrift en De Revisor in het bijzonder, dat het als een cliché begint te voelen. En misschien ook wat al te licht voor dit tijdschrift (Barbarber, ja!), maar een veilige ruimte om eerste stappen te zetten en te experimenteren, dat bestaat af en toe ook in boekvorm. Veel algemener in het consequente toepassen van andere perspectieven, het laten ontsporen van verhaallijnen, maar specifieker in een bundeling als Kees ’t Harts victorien, ik hou van je. Verhalen en ontboezemingen.

(Ook een oud-redacteur van De Revisor, net als de Boekenweek-auteurs van komend jaar, Marieke Lucas Rijneveld en Ilja Leonard Pfeijffer. Misschien is ons publiek niet zo groot (word toch abonnee, mensen, je krijgt er zoveel voor terug), maar je ziet ons wel terug in de boekhandel.)

victorien is een speeltuin in boekvorm. ’t Hart wekt de suggestie autobiografisch proza te schrijven, vanaf het eerste (titel-)essay, waarin hij probeert uit te zoeken hoe de tekst ‘victorien, ik hou van je’ op de Waalbrug belandde. Want hij kende toen een Victorien. Een Victorine eigenlijk. ‘Waar is Victorine gebleven, en de zus die ik begeerde? Goeie eerste zin voor een episch gedicht over de Waal. Wat is dat toch, jongensbegeerte? Evelien heette ze. Met i-e-n. Denk ik.’ Het is een zoektocht die speelt met het zoeken, ’t Hart belt met die, mailt met die, spreekt de zus — maar het levert weinig op, behalve vermakelijke inzichten en ontboezemingen.

Ik geloof hem in dat verhaal of essay of hoe wil je het noemen, ik geloof hem volledig.

Maar als je met die instelling aan het volgende stuk begint, een verzameling mails onder de titel ‘Het proefschrift’, kom je bedrogen uit. Een freudiaanse onderzoeksvraag ‘Uw laatste brief heeft me enigszins gerustgesteld en tegelijkertijd opnieuw verontrust.’) leidt tot gênante vervolgstappen (‘Dit lijkt me geen goed idee. Ik blijf te bang voor bordelen (ja, ook voor warenhuizen en kastelen, en zeker voor kleedkamers, al weet ik niet wat je daar precies mee bedoelt), dat moet je toch snappen, ik heb nu wel genoeg gezien.’) en het loopt uit de hand (‘Het lijkt me al met al een behoorlijk smerig gedoe, met dat natte gips en dan moet ik hem daarin steken en dan zorg jij, zorgen jullie, moet ik zeggen, voor de rest.’).

Er zitten ook drogere bijdragen bij, over hoe Madame Bovary eruit zag, een lofrede op Bordewijk, een verhaal over Gorter als sporter, een lezing van Thomas Mann, secundair in zoverre dat je toch echt de boeken erbij gelezen moet hebben, en dat heb ik niet. Toch word ik geprikkeld: had ik maar meer gelezen, en was ik maar bij Bordewijk begonnen. Maar er is ook

  • een reisverslag (‘Op reis met het Toonbusje’),
  • een tweeluik over de Eerste Wereldoorlog,
  • twee gedichten,
  • een Eenzame Uitvaart-geschiedenis,
  • de voorbereiding voor een lezing…

Wie gecharmeerd is van Athenaeums jubileumtas met literaire personages zal zeker lol beleven aan ’t Harts ‘Na afloop’, met nieuwe weetjes als ‘Frits van Egters werkte tot 1978 in een meubelwinkel.’ en ‘Repelsteeltje begon een zaak in sierstenen.’ De uitsmijter is een dialoog met zijn en onze redacteur bij de uitgeverij, die hij bij de presentatie met haar heeft voorgelezen. Zo gaat dat dus, lieve mensen, in het boekenvak.

– Hoe vond je de roman? Het is natuurlijk pas een eerste versie.
– Ik vond hem erg goed, echt fantastisch, het wordt een bestseller, echt waar. En de Librisprijs komt eraan.
– Dus er hoeft niet erg veel aan veranderd te worden?
– Absoluut niet, het is gewoon helemaal goed, goeie toon, niet te opzichtig literair, mooie visie, alleen kan het eerste hoofdstuk wel weg.
– Hoezo, het eerste hoofdstuk kan weg?

Maar geloof je dat nog? ’t Hart is afwisselend hilarisch en ontroerend en nieuwsgierig makend en raak. Maar vooral: hij dolt je. Wie een schrijver van 77 wil zien spelen, leze victorien, ik hou van je.

Querido gaf victorien, ik hou van je uit. Op Athenaeum.nl lees je een fragment uit het titelessay.