Thomas Heerma van Voss: de redacteur las zes verhalen van zijn collega, sterke portretten vol verlies en verlangen, barstend van vakmanschap, subtiel en groots.

*

Wat verbindt de zes verhalen in Passagier/achterblijver? De hoofdpersonen, die voor hun gevoel op achterstand staan? (Niet allemaal, niet allemaal bij nader inzien.) Die ongewenst single zijn, bedrogen zelfs? (Niet allemaal.) Die onderweg zijn? (Niet allemaal, de hele tijd, maar wel laten ze zich vervoeren, door ergernis, fascinatie, angst, woede. Verdomd ja, die woede. Het heeft iets passiefs, terwijl dat etymologisch niet per se klopt met ‘passagier’.) De hoopgevende titels? ‘Het begin’. ‘De belofte’. ‘Verwachtingen’. ‘Nieuw leven’. (Maar: ‘Bowlen in Philadelphia’? ‘Ik kan alles uitleggen’?) Het vakmanschap.

Thomas Heerma van Voss, sinds eind 2015 en tot ongeveer dit moment mijn collega bij De Revisor, en nee, ik was niet onbevooroordeeld en heb zelfs al verhalen eerder gelezen, maar toch durf ik te denken dat dit klopt: Thomas heeft een sterke bundel geschreven, psychologisch sterk, met uitsnedes van levens. ‘Je zou kunnen zeggen dat een verhaal, nee, dit verhaal
zo begint: een meisje gaat met haar moeder terug naar haar geboorteland en vergeet haar vriendenboek,’ zegt de verteller van het openingsverhaal, en eigenlijk beginnen al die verhalen zo, heel bewust in het midden, en vóór dat het verder gaat, en ze roepen vragen op.
Wat moet die jongen met dat roze vriendenboek? Wat drijft die regisseuse? Wat moeten die broers samen? Wat moet die man in Philadelphia met die studievriend maar belangrijker nog wat moet hij met dat meisje? Net als in zijn verhaal ‘Het kerstdiner’, dat we in 2018 in De Revisor publiceerden, worden personages getergd door mooie, levendige, overspelige vriendinnetjes. Ze zien dat ze verliezen, of verloren hebben — ja dat is misschien de grote gemene deler, ze proberen weg te komen van het net-niet, het onvolkomene in hun leven, maar het lukt niet. Passagier/achterblijver.

Vakmanschap, schreef ik, en dat zit in kleine dingen. Zoals Heerma van Voss cruciale details weglaat in ‘De belofte’ bijvoorbeeld, een inzicht dat ik voor nieuwe lezers niet wil verpesten, maar dat ik ook in dit mooie citaat kan aanwijzen.

‘Ze neemt de route langs de bossen, langs de villa’s en langs de zee. De lucht is bijna doorschijnend helder; het wit van de wolken weerkaatst in het water, dat zich onbegrensd ver lijkt uit te strekken. Wachtend voor een stoplicht neemt ze het schouwspel in zich op, en tot haar verbazing merkt ze hoezeer het haar ontroert. Gewoon, dit uitzicht, het licht, de golven, verder niks. Geen script, geen doek, geen mensen. Als het kon zou ze direct gaan zwemmen. Ze probeert niet te huilen terwijl ze zich richt op een horizontaal streepje in de verte, omgeven door egaal blauw. Het moet een vrachtschip zijn, al lijkt het streepje vanaf deze afstand niet te bewegen.’

Ze reist terug naar huis na de eerste persvertoning van haar filmdebuut, en ze is moe, voldaan, staat open voor emoties. Ze ziet hoe mooi, en stelt vast: het hoeft geen film te zijn om zo allemachtig ontroerend te zijn. Maar waarom huilt ze? Het vakmanschap zit in het uitstel van die antwoorden, de onvolledigheid ervan.
En in het bijna metaliterair zelfbewustzijn van de personages. Dit is een getuigenis, voor de politie, en even lijkt Heerma van Voss een schrijfdocent, een redacteur, een criticus aan te spreken, en tegelijk klopt het bij deze misfit die op de verkeerde plek was op het verkeerde moment (althans, dat wil hij ons laten geloven).

‘Er was al genoeg subtiliteit in de wereld. Dat is nog steeds zo trouwens, maar omdat dit verhaal zich in het verleden afspeelt, noteer ik het ook in die tijd. Of hebt u liever dat ik alles in het heden omschrijf om zo dicht mogelijk bij mijn ervaringen van die dag te komen? Hoe het ook zij, ik haatte die subtiliteit, en aan die haat is evenmin iets veranderd.’

Later: ‘Ik houd van dat woord, “evenmin” – dit terzijde.’ Bovenstaand verteltechnisch terzijde is prachtig ingebed in variaties op die gehate subtiliteit, een herhaling die hamert, juist door lichte verschuivingen, versterkingen. Terwijl Heerma van Voss uiterst subtiel je dichterbij zijn personage krijgt, wordt die haat, die woede besmettelijk, tot je zelf de bijl gaat zoeken waarmee je je geslaagde broer kunt laten verdwijnen.

Maar voordat je denkt: wat een duister boek — er zit triestheid in maar ook tederheid en liefde, voor een moeder bijvoorbeeld (je kunt je Heerma van Voss’ eigen moeder erbij voorstellen, en behalve dat biografisch lezen literatuur niet per definitie beter of beter te begrijpen maakt, gun je elke moeder zo’n verhaal). En ergens denk je: het is een dun vriendenboek, en niet roze, maar je gelooft dat deze mensen echt bestaan, rondlopen, je wilt ze vasthouden en troosten, je kunt ze volgen tot hun voordeur, en wat je dan moet doen dat weet je niet, maar ze zijn echt. En dat is bedoeld als compliment.

Passagiers/achterblijvers verscheen bij Das Mag. Op Athenaeum.nl lees je een fragment.

Nikki Dekker: de redacteur las een mozaïekroman/-essay over vormen van liefde en zeeleven die de rijke kluwen van de werkelijkheid mooi neerzet.

*

De bijdrage die we onder dezelfde titel publiceerden in De Revisor #30, het landschapsnummer, was proza, en het debuut van Nikki Dekker is een roman, en dat is belangrijk om te zeggen, want het spreekt niet voor zich. Het genre strekt zich uit tot essay en memoir en vertellersverhaal en marketing, en ergens links op die lijn bevindt Diepdiepblauw zich. Want ja, er is een hoofdpersoon, een ik, die ik stiekem telkens met de echte Nikki identificeerde, ik schat het fictiegehalte blijkbaar niet al te hoog in, en er is een verhaal. In fragmenten zien we de ik worstelen met vriendschappen die eigenlijk verliefdheden zijn, of zijn die relaties vriendschappelijk met voordelen?, met meisjes, jongens, seks, gender, biseksualiteit. De ik onderzoekt veel relatievormen, vaak platonisch, tast fysiek en geestelijk de mogelijkheden met mensen af, en als je mij vraagt: hoe loopt het verhaal af, dan durf ik het niet te zeggen. Hoeveel jaren zijn we verder? Is dit het eindpunt? Na allerlei avonturen eindigt ze op het strand met haar vriendje – die, en dat is een warme verrassing, ondanks al dat amoureuze onderzoeken dus gebleven is – en ziet na dagenlang eb opeens de zee.

Wat het boek interessanter maakt, is het waterige element (en nee, ik wil dat andere deel dan niet vuur of lucht noemen): Dekker heeft zich verdiept in waterdieren, hun manieren van overleven, hun seksualiteit, en schrijft geweldige dingen over zwemles, met een jaloersmakend vertrouwen en een prachtige ambitie: ‘Altijd de horizon in de verte, waar het water in de lucht overloopt. De plek waar het onderscheid tussen het ene en het andere wegvalt. Ik blijf ernaartoe zwemmen, en het komt nooit dichterbij.’
In die kennis zit een rust en een balans die de ik in haar relaties moeilijk vind. Daar twijfelt ze, tast ze af, voelt ze zich afgewezen (en wijst bijna nooit zelf af, dat heeft wat verdrietigs). En in die kennis zit een rechtvaardiging voor haar onderzoek onder menselijke dieren, naar wie ze is, wat ze is, hoe ze zich seksueel en romantisch tot anderen moet verhouden.

Ik schreef ‘interessanter’, lees ik nu, en dat komt omdat ik die vorm vind werken, de weetjes prikkelen en kantelen perspectieven. De achterliggende gedachte – we kunnen ons pas goed begrijpen als we ander leven goed begrijpen -, een Eva Meijer-achtige filosofie, waardeer ik ook.
En wellicht gebruikte ik de vergrotende trap omdat ik het verhalende deel wat versnipperd tot me heb genomen – wat wil je met een mozaïekroman – na een veel fysiekere en conventionelere roman van coming of age / coming out. Al die namen die langskomen, boeiende persoonlijkheden, maar echt leren kennen doen we ze niet. Als er staat: ‘Geen moment overweeg ik de mogelijkheid dat het slecht met hem gaat, echt slecht, dat hij lijdt aan serieuze depressies waarin hij probeert te verdwijnen. Dat verhaal komt niet in me op.’ Dan denk ik: ja, er is bij al die mensen een andere kant, en die zien we niet, het is de blik van één persoon die om zich heen kijkt, observeert, erover praat, deelneemt, maar weer afstand neemt. Maar ja, zo werkt zwemmen: je kunt erin, je kunt je medeschepselen bekijken, je kunt duiken, maar je kunt er niet in blijven. Je moet ergens ademhalen. Maar misschien is dat slot aan zee wél zo’n moment, een samenzijn waarin ze kan blijven.

Tegelijk: Diepdiepblauw geeft een palet aan mogelijkheden, het is een nevenschikking van relatievarianten (al kun je je de woede van haar vriend voorstellen: ‘“We hebben geen open relatie,” zegt hij. “We hebben erover gepraat. Dat is iets anders. Jij bent gewoon vreemdgegaan.”’), een onbeschroomd overzicht van wat (en wie) kan, en van wat je wil, met alle onzekerheden en voorbehouden erin. Meer een mozaïek dan een reliëf, meer een kluwen dan een lijn, een weergave van een rommelige werkelijkheid die rijker is dan menig conventionele coming of age.

De Bezige Bij gaf Diepdiepblauw uit.

Edzard Mik: de redacteur las een roman over wat belangrijk is en wat dat waard is, subtiel zichtbaar gemaakt door een vragende verteller in een steeds droomachtiger verhaal.

*

De nieuwe roman van Edzard Mik, waarom vogels (waarom geen hoofdletter?), gaat niet over vogels.
Hij gaat ook niet over een bedreigd plasje.
Ook niet over de mythische roerdomp die daar nog zou kunnen leven. (Al is Miks natuurschrijven wonderschoon: ‘Het wolkendek baarde een waterige cirkel, in het zachte schijnsel verdiepte het groen, overal spoten bronskleurige pluimen op en schitterden spinnendraden, het was alsof het natuurgebied nog een laatste keer oplichtte voordat het zou worden uitgewist,’ staat er bijvoorbeeld, waarbij de natuur een eigen weten en willen toegekend wordt, en zo hoort het in het genre, maar het voorbehoud maakt het scherper.)
waarom vogels gaat ook niet over een stervende schrijver of zijn miskende zoon.
Hij gaat zelfs niet over de opera in grote zalen die Katja, Miks hoofdpersoon, als sopraan heeft ingeruild voor ingekorte straatopera.
Hij gaat over de vriendschap met Emmy, een wat vaag geschetste vrouw die met weinig genoegen neemt maar een grote empathie voor haar leerlingen heeft en een minstens zo grote voor de natuur.

Contouren

Maar doordat Mik niet Emmy maar Katja centraal stelt, een vrouw die zichtbaar is en haar aanwezigheid uiterst vanzelfsprekend vindt, krijg je dat pas laat door. Want in waarom vogels is Katja met van alles bezig dat slechts zijdelings met Emmy te maken lijkt te hebben. Ze neemt het woordvoerderschap op zich van een actiegroep (waar Emmy inzit), blijft slapen bij de zoon van de schrijver (die Emmy zo bewondert), maar reist haar dan achterna in Spanje (waar ze vrijt met een boswachter waar Emmy ook een oogje op had), en probeert haar daar op haar gympen achterna te lopen in de berg. Een tijd lang wekt Mik de suggestie dat Emmy gered moet worden – maar Katja blijkt steeds meer de persoon die gered moet worden te zijn.

Die ontwikkeling heeft hij erg goed neergezet, bijvoorbeeld door hoe Katja anderen beschrijft, op een negatieve wijze. Zo houdt Emmy niet van opera (‘Waarmee ik me beroepshalve bezighield leek er voor haar niet toe te doen, ze vroeg er nooit naar en als ik erover vertelde werd haar blik glazig of begon ze over háár werk, vooral over haar leerlingen, die deden de raarste dingen en werden door rages bevangen als door koorts,’ dat laatste beeld na die algemeenheid is raak!), lijkt ze na een optreden van Katja verlegen en blijkt ze eigenlijk in alles niet-Katja. De zoon van de stervende schrijver is vooral níét de schrijver zelf. Haar observaties tasten, ze zijn wat slordig, en in het begin denk je: wat een vage types.

Maar de vaagheid zit in de verteller; hoe mensen wél zijn, anders dan zijzelf, lijkt haar niet te interesseren. Ze ziet daardoor alleen de contouren van anderen, betrapt zich erop te gissen naar de kern van mensen die ze al heel lang kent. De hele roman wordt steeds meer een droom, compleet met hallucinaties over oplevende schrijvers en verschijnende roerdompen.

Alle waaroms

Daarom misschien dat ‘waarom’, dat regelmatig Katja’s twijfels blootlegt, maar vaker naïef onbegrip of zelfs domheid. Gespreksgenoten zoals Emmy hebben niet zelden een stevig antwoord op haar vragen. Zelfs de inmiddels overleden schrijver is stellig als hij in gesprek raakt met Katja op zijn begrafenis:

‘Hij haalde zijn schouders op, “waarom zouden we met vogels begaan zijn? Ze zijn ook niet met ons begaan. Weet je wat het is, we overschatten onszelf als we denken dat we de hoeders van het leven zijn. Als we werkelijk midden in de natuur staan, als organisme tussen de andere organismen, zonder te pretenderen erboven te staan, dus als onderdeel ervan, dan zouden we moeten ophouden met dat gejammer over onze funeste invloed op ecosystemen. We zijn geen vogels maar we zijn wel áls vogels, zoals we als zoveel dieren zijn.”’

Dat overschatten, dat is raak, maar Katja doet er niets mee, wat moet je ook met de uitspraken van een dode. Maar ook over haar eigen zelfbenoemde kern kan ze niets principieels zeggen, als de zoon van de gestorven schrijver hem dat vraagt:

‘“Waarom zing jij?” vroeg hij opeens, en ik, “hoezo?”
“Jij zingt, hij schreef. Waarom doen jullie dat, zingen, schrijven?”, en hij keek me met grote ogen aan.
“We hebben een stem dus zingen we, we denken na over ons leven dus schrijven we. Er is in ons een teveel dat een uitweg zoekt, een surplus waarvan we iets bijzonders proberen te maken, iets waarmee we spelen en onszelf verrassen.”
“Maar is dat het ook waard?”
“Wat is wat waard?”’

We zijn allemaal wel ergens kwaad over

Een teveel dat een uitweg zoekt, dat is wel heel praktisch gedacht. En ja, ik had hier een hele lijst met waarom-citaten overgetypt, maar eigenlijk is dit gesprek, dat de formulering van de titel het meest benadert, heel kernachtig. Robin, een leerling van Emmy die Katja heeft meegesleurd naar Spanje, bevraagt Katja en haar boswachter Mateo.

‘“Waarom zijn jullie zo met vogels bezig?”
Wat kon ik zeggen, zoveel had ik niet met vogels, maar Mateo, “ze zijn een onmisbaar onderdeel van het ecosysteem. We moeten elk onderdeel beschermen, we zijn nou eenmaal in de positie gekomen dat wij uitmaken wat er in stand blijft, en wat niet. Maar als we de ene keten opgeven, storten ook andere in elkaar, als een kaartenhuis, alles hangt met alles samen en wij houden de zaak nog net bij elkaar, voor zolang als het…”
“Maar waarom vógels? Of worden jullie ook opgewonden als jullie een muis, konijn of eekhoorn zien?”’
Ik moest lachen, “niets ten nadele van het konijn en de eekhoorn, hoor, maar ze zijn altijd om ons heen, vogels, én ze kunnen vliegen. Het eerste wat ik volgens mijn moeders zou hebben gezegd toen ik met praten begon was waarom ik niet ook kon vliegen. Ik was echt kwaad, zei ze, ik moest en zou vliegen.”
“We zijn allemaal wel ergens kwaad over,” zei Robin terwijl ze door het zijraam naar een eucalyptus staarde waar roestbruine slierten van afhingen.’

Misschien moeten we die reactie van Robin als basaal puberaal lezen, maar ik ben geneigd het te begrijpen als een veroordeling van de wetenschaps- en jeugdanekdotebullshit. Wat er immers echt toe doet, is contact, en dat realiseert Katja zich pas laat. Wat doet ertoe, wat is het waard, waarom — tot die vragen leidt Mik je, ijzersterk karakters bouwend, subtiel de kern ontwijkend, tot je hem niet meer missen kan.

Uitgeverij Querido gaf waarom vogels uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment.

Kirsten van Santen: de redacteur hoort de roep van het water door een van de betere boeken over zwemmen, maar dobbert nog wat rond de vraag of het een literair essay is.

*

‘Het water wenkt me.’ Het is een geweldige openingszin, en zoals Kirsten van Santen het water telkens hoort roepen, zo vergaat het de lezer ook. Water pakken. Een zwemgeschiedenis is een aanstekelijk boek, dat van een matige borstcrawler een marathonzwemmer in het diepst van zijn gedachten maakt. Hoe doet ze dat?

Wat literatuur maakt, is moeilijk te zeggen. Niet één ding althans. Niet alleen het verhalende, het stilistisch afwijkende, het persoonlijke, het complexe. Het monomane Swimming Lessons van Leanne Shapton is literatuur, doorspekt met beeldende kunst, alle kanten van elk chloorzwembad opschietend, en schitterend in zinnen als ‘When I swim now, I step into the water as though absentmindedly touching a scar.’ De oud-wedstrijdzwemster gaat amper in op haar privéleven, maar roept veel bijzonders op. Alexandra Heminsleys even monomane openluchtzwemboek Duik erin is meer lifestyle, in hoe het gaat over acceptatie en angst en ademhaling – het strakke omslagbeeld van een even strakke duikster doet de schaamte om haar lijf geen recht. (Toch wel een aardig boek hoor, het is nog te koop in de ramsj.) Charlotte Van den Broecks onderzoek naar falende architecten, waarbij ze een zwembad of strand niet mijd, heeft juist een zekere afstand.

Dus dat persoonlijke is het niet, je kunt zelfs iets te veel ik in het water gooien. Literatuur zit hem in het meer, het extra: het litteken bij Shapton, de opgesomde rituelen en dementie bij Otsuka, de terugkerende hartslag bij Peeters. Mis ik dat in Water pakken?

Ik hield me een boek lang voor dat ik een literair essay las, en Van Santen is een goede lezer — ik geloof niet dat ze een zwemmende schrijver heeft gemist, of het moet dus Koen Peeters zijn — en ze brengt haar fascinatie geweldig over. Water pakken is een geschiedschrijving van zwemmen in Nederland, een viering van onze zwemhelden, verhalen van duiken met oud-kampioenen, een naakte schrijver, amateurs in hart en ziel, en de gestage ontwikkeling van de zwemmer Van Santen. Van een strakke chloorzwemmer zoekt ze de plassen en stromen op, rivieren en zeearmen — tot ze de oversteek van Terschelling naar Ameland maakt. Een overwinning.

Maar ís het een literair essay? En doet dat ertoe? Ik stuit wel op wat herhaling, mystieke herformuleringen van een van de eerste zinnen, ‘Wie zwemt, of het nou in chloor, zoet of zout water is, overschrijdt een grens’. Ik geloof dat echt, maar na een paar keer geloof ik het wel.
In het Noord-Hollandse Oude Veer zwemt Van Santen met de drie Self Destructive Fools, drie openluchtzwemsters, het water is zes graden, en ze raakt in een meditatieve staat. Denk ik:

‘Hier zwemmen we dus, in een landschap met een eeuwenoud verhaal. Het is fijn om te weten waar ik zwem: in een zoete plas die ooit een kreek was, gevuld met moeraswater, gekruid met zout uit de Zuiderzee. In dit water, in dit water, denk ik, terwijl ik in- en uitadem, voel hoe mijn tandvlees bevriest, in de verte zwemt Ingeborg, wat kan die snel, maar in dit water, in dit water, zwommen zeehonden en zoetwatervissen, het stroomde alle kanten uit, dit water heeft iets verloren, de toegang naar zee, dit water, dit water, de mens moest land hebben, het water plooit zich wel, in dit water, daar zwem ik, in mijn eigen tijd en toch ook in het verleden, toen deze plas nog een kreek was.’

Het is een poëtische uitspatting in een verder eigenlijk journalistiek boek. De herhalingen (‘in dit water’, dat assoneert ook, het heeft iets beslotens) en de alliteratie (vooral zetten, ‘zeehonden en zoetwatervissen’) verhullen niet dat het vooral sfeer en beleving is, fijn en toch. Lifestyle. Maar meteen de volgende zin is Van Santen terug in het proza: ‘Wanneer we pauzeren zie ik dat we allemaal snorren hebben.’

Misschien is dat het extra. Van Santen is doorgaans gericht op één punt op de horizon (zwemmen in Nederland, punt), haar stijl en beeldspraak kennen amper golfslag, maar ze kruidt het met het mystieke (of het je smaak is of niet. Eigenlijk een Koen Peeters-greep) en ze kijkt heel goed. Een journalistieke deugd die dit boek brengt in een comfortabel tussengebied tussen geschiedenschrijving, reportage, memoir en essay. Een van de betere boeken over zwemmen, dat als het dan geen hoge literatuur is, je wel leidt daarnaar leidt. Paul Snoek!

AtlasContact geeft Water pakken uit. Lees daar ook het eerste hoofdstuk (PDF)

Ilja Leonard Pfeijffer: de redacteur dwaalde rond in de jeugdmicronatie van de Boekenweekauteur, rekent uit hoeveel decennia aan Revisor-schrijvers je voor dertig euro kan kopen, en verandert op pagina 32 van mening over het Boekenweekgeschenk.

*

Het is Boekenweek, en al is de losse nummerprijs van De Revisor niet zover meegestegen dat je er altijd een Boekenweekgeschenk bijkrijgt, zijn er genoeg redenen om je als Revisorlezer te verheugen. De auteurs van de Boekenweek zijn oud-redacteurs: Ilja Leonard Pfeijffer (redacteur van 2001/1 tot 2009/6) schreef het geschenk, Marieke Lucas Rijneveld (2016) het essay. Alleen Bart Moeyaert, de auteur van het Boekenweekgedicht, heeft geen Revisor-achtergrond.

Mensen blijven zich afvragen waar het Revisorproza uit de jaren zeventig en tachtig is gebleven, zelfs toen we een vacature hadden. (Die tweet blijkt verwijderd.) Eerlijk gezegd ben ik te weinig literatuurhistoricus om te begrijpen wat dat dan is en wanneer Revisorproza gewoon literair proza is geworden, maar er zijn ook na volledige redactiewisselingen als in 2009-2010 dingen hetzelfde gebleven. Zo was er de afgelopen twintig jaar onafgebroken een classicus lid van de redactie. Maar een nieuwe redactie wil ook nieuwe dingen doen, en zo is de volledige Revisor-productie van Pfeijffer alleen in het rijke externe archief van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren te vinden. Rijnevelds werk vind je daarentegen grotendeels op derevisor.nl (plus een plukje in de DBNL).

Een aardige aanleiding om de nieuwste Revisor te combineren met Pfeijffers werk, is de digitale expositie die het Literatuurmuseum wijdt aan Mocanië, de fictieve staat die Pfeijffer ontwierp. Hij schreef erover in Brieven uit Genua (2016) en sprak erover tijdens Zomergasten. In de podcast POM, Jonge jaren, vraagt Ernst-Jan Pfauth hem er extra over door. Ik vraag me af: is Mocanië nu een micronatie?

Terzijde. Een handvol weetjes

  • Wie De Revisor én het essay koopt, heeft recht op het geschenk: € 14,50 + € 5,- is drie decennia Revisor-kwaliteit.
  • Een eerdere Revisor-redacteur die het Boekenweekgeschenk schreef, was Thomas Rosenboom. P.F. Thomése (1998/1 tot 2001/4) had natuurlijk gemoeten — maar zou die wel willen? —, en Kees ’t Hart voor het essay. En Oek de Jong (1998/2 tot 2000/4)? Zijn Zwarte schuur is bij de Libris Boekhandels nu slechts € 8,99. Dus € 14,50 + € 8,99 + € 5,- = vier decennia Revisor-kwaliteit.
  • Ik gun de Nederlandse lezer Gustaaf Peek (2010 tot 2015/2) nog dit decennium als Boekenweekgeschenkauteur. Hij schreef ook een van de minst theoretische liefdeszinnen van Nederland:

    ‘Straks kom ik lieverd je moet stoppen je moet stoppen liefste het is te lekker mijn godin ik hou van je je gaat niet stoppen je wil m’n zaad wil je me proeven wil je m’n zaad proeven ik ga je geven wat je wil in je mond liefste in je hete mond heb je me gemist ik kom liefste ik kom in je mond ik —’

    Uit Godin, held. € 12,99. Zijn nieuwste heet A.D.. € 23,99. Daarmee ben je nog sneller klaar.

  • Van Jan van Mersbergen (2010 tot en met 2020) weet je dat hij het kan, hij schreef een mooie novelle voor de Week van het Venlose verhaal, Oase. Zijn nieuwste heet Mijn pa is nooit alleen. € 21,99. Zijn doorbraakroman Naar de overkant van de nacht (€ 12,99) moet je wel aanvullen met het essay. Maar dan heb je wel geheid feest, ook buiten het Boekenbal.
  • Thomas Heerma van Voss (2015 tot 2022-2) is pas na deze generatie aan de beurt, maar je kunt ook gewoon zijn nieuwe verhalenbundel, Passagiers/achterblijvers aanschaffen. Krijg je het Boekenweekgeschenk gratis bij: € 21,99.
  • Maar na een jaar met alleen maar mannelijke auteurs is het tijd voor een van de beste schrijfsters van Nederland: Manon Uphoff (redacteur van (2004/2 tot 2009/6)). We bereiden je er op voor met een Uphoff-themanummer, dat eind deze zomer gaat verschijnen. Tot dat moment kun je Vallen is als vliegen voor precies € 15,- aanschaffen.
  • Marjolijn van Heemstra (2016) of Bernke Klein Zandvoort (2017 tot 2021) voor het gedicht. Ook Reistijd, bedtijd, ijstijd (€ 21,99) en Veldwerk (€ 17,99) geven recht op een geschenk.
  • De Boekenweek gaat eigenlijk meer over rekenen dan over lezen.

Van gedetailleerde fantasie tot micronatie?

Het is geweldig wat Pfeijffer bedacht heeft: de geografie, het wegennetwerk, stadsplattegronden, geld, literatuur, een eigen taal (met eigen alfabet), en het is prachtig hoe het Literatuurmuseum dat in een virtuele vorm goot. Het doet denken aan wat Walter van den Berg in De Revisor beschrijft, de staat die hij als dertienjarige ontwierp, maar waarvan hij de naam vergeten is…

‘Het probleem is dat ik die naam en de rest van de inhoud van het schriftje in geheimschrift heb gespeld.
Het was meer een boekje dan een schriftje trouwens, met een harde kaft, A5-formaat, zwart en met een rode rug en rode hoekjes. Ik denk dat het bij de hema op het Osdorpplein vandaan komt en dat ik het daar rond 1983 heb gestolen.
Ik stal dat boekje niet uit noodzaak, maar uit gewoonte; ik heb in die tijd vrij veel uit de hema op het Osdorpplein gestolen.’

Pfeijffers taal is evenmin eenvoudig te reconstrueren, maar hijzelf kent de taal in ieder geval nog.
En kijk, Mocanië en Van den Bergs land zijn geen fysiek bestaande plekken met de al dan niet grappig bedoelde pretentie de concurrentie aan te gaan met landen als Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Ze hebben geen ambities tot een nationale staat. Maar het denken over wat zo’n staat nodig heeft, dat is even interessant als hoe die gedachten botsen met de werkelijkheid.

De fictie wordt volwassen: mensen en verhalen

In de literatuur van deze stichters van fictieve staten worden andere dingen belangrijker dan de details in het decor. De mensen, hun beweegredenen, hun daden. En, bij Pfeijffer heel nadrukkelijk: de manier waarop we daarover vertellen. Dat geeft zijn werk iets van een spel waarbij het voorop staat de regels aan te passen. Als hij in de eerste pagina’s zijn hoofdpersoon Carmen introduceert, een ontevreden (openingszin: ‘Wordt ontevredenheid tevredenheid als je je erbij neerlegt?’) oudere vrouw die evenementen organiseert voor de lokale bibliotheek, laat hij haar denken:

‘Zo vraagt ze zich nu af wat verloren momenten zijn. Als alle momenten als confetti op de ochtend na het feest door de tijd worden opgeveegd en geen enkel ogenblik op de onstuitbare teloorgang kan worden herwonnen, hoe kunnen sommige momenten dan meer verloren zijn dan andere? Elk uur wordt ze een uur ouder, ongeacht of ze energiek vooruitblikt of melancholisch over vroeger mijmert, en het gevolg daarvan is dat er steeds minder is om naar uit te kijken en steeds meer vroeger om te betreuren.’

De confettizin, met de grote woorden en gezochte beeldspraak, gecombineerd met de daaropvolgende zin met rijk aangezette clichés, doet het ergste over deze vrouw vrezen. Verderop zegt ze: ‘Klinkt dat pompeus? Het kan haar weinig schelen hoe het klinkt, want het is zo.’ Oei. Na een leven als de vrouw van de tweede man in diplomatieke dienst, van tennis en sherry en een onvervulde kinderwens (herhaal dit driemaal, dan weet de lezer het), leeft deze vrouw de levens van personages in de literatuur, liefst zonder open eindes – want die biedt het leven al genoeg.

Maar Pfeijffer, die zelf even later als ongenaakbaar personage optreedt in de bibliotheek op uitnodiging van Carmen, gunt haar zo’n leven in de literatuur – al stelt Carmen meermaals vast dat ze daar te gewoon voor is. Ze keert terug naar Monterosso, ooit de plek waar ze haar eerste liefde beleefde (een Boekenweekauteur die het Boekenweekthema verwerkt, dat is uiterst prijzenswaardig), voor een week vakantie. Ze raakt bevriend met de B&B-houdster (‘Uiteraard tutoyeren zij elkaar, want in de wereld van de private kamerverhuur is het altijd vakantie.’), en verzucht op enig moment over het slot van Liefde in tijden van cholera: ‘Het is bijna jammer dat er tegenwoordig geen epidemieën meer bestaan.’

Op dat moment begon mijn sympathie te schuiven. Carmens zelfbeeld wordt rijker, aardiger voor zichzelf, en ze beleeft warempel een verhaal. Ondertussen haalt Pfeijffer grappen uit zoals na een cliffhanger op te merken: ‘Carmen heeft een hekel aan cliffhangers.’ En daarop door te gaan, om pas na een tijdje de belofte van die cliffhanger in te lossen.

Auke Hulst: de redacteur pakte de doorbraakroman erbij, en stuitte op het thema van ons nieuwste nummer, op het streven naar autonomie, en ziet de stilistische souplesse, hoe de micronatie smaak krijgt.

*

Auke Hulst, De Mitsukoshi Troostbaby Company & Kinderen van het ruige land

Over ruim twee weken spreek ik Auke Hulst over zijn voor de Libris Literatuurprijs genomineerde roman De Mitsukoshi Troostbaby Company bij Boekhandel het Martyrium. Je las me er al eerder over.

Maar nu #31: Micronaties in de (virtuele) winkels ligt (bestel hem! Abonneer je! Maak een dansje en verzin je eigen valuta!), licht ik een van de vele aspecten in deze ambitieuze roman uit: in zijn prachtige coming-of-ageroman Kinderen van het ruige land schrijft Hulst al over een vrijstaat die de vader van hoofdpersoon Kai op zou hebben gericht, de basis van een schimmige eerste roman, Vrijstaat. Ook in deze doorbraakroman al zijn er flarden van een tweede roman. Eerst beschrijft hij het gegeven dat uitgangspunt wordt van Kais roman:

‘Sinds in 1959 het gas was ontdekt, had de overheid miljarden verdiend aan de rijkdom onder hun voeten, maar zelf zag de lokale bevolking er weinig van. Als Koeweit zich van Irak kon afscheiden, onder dekking van machtige vrienden, waarom zouden zij hier dan geen Vrijstaat kunnen uitroepen? Alleen maar omdat ze domme boeren waren, met hooivorken in plaats van Leopard-tanks? Zijn vader hoorde het de mensen zeggen, in het clandestiene café van de krankzinnige broers, of wanneer hij bij winkeliers en tuinders kwam die hem hun gepeperde energierekeningen lieten zien. Je betaalde je helemaal scheel voor iets wat recht onder je voeten werd weggepompt! Vader kwam oorspronkelijk van buiten, maar hij voelde zich een van hen. Dit was hún gas. Verdomme, dit was zíjn gas.
[…]
In het jaar 1983 riep hij de Vrijstaat uit. Het ging gepaard met een exacte kaart van de nieuwe grenzen — die niet geheel toevallig het verspreidingsgebied van de krant volgden — en met een pamflet waarin hij zijn politieke ideeën uiteenzette. Hij stelde zijn kandidatuur voor de functie van president, die hij, bij gebrek aan tegenkandidaten, ook direct maar bekleedde.
Twee maanden later was hij dood.

Het zijn vloeiende zinnen, maar Hulst weet de voorstelbare boosheid heel goed te verwoorden, met slechts één uitroepteken, één Verdomme, wat vraagtekens en maar twee keer nadruk. Het rolt, de bijvoeglijk naamwoorden zijn spreektalig, ‘domme’, ‘clandestiene’, ‘krankzinnige’ (fijne alliteratie, Hulst!), ‘gepeperde’. En de daadwerkelijke onafhankelijkheidsverklaring is dan weer bijna zakelijk geformuleerd, met subtiele bijstellingen. En dan die allerzakelijkste vaststelling op de volgende regel.
Alsof op dat uitroepen de ultieme onafhankelijkheid vanzelfsprekend volgt.

En ja, ‘in fictie zou [Kai] zijn vader weer tot leven kunnen wekken’. ‘Stel dat de Vrijstaat die zijn vader voor ogen had gestaan daadwerkelijk was uitgeroepen, met vader aan het hoofd,’ bedenkt Kai enkele tientallen pagina’s verder.

‘Nederland zou verarmd zijn, deze streek zou een Koeweit op kleigrond zijn geworden. Het dorp zou veranderen in een stalen gebit van hoogbouw, boeren ruilden hun tractoren in voor Bentley’s en Jaguars. Alles was anders in de wereld die hij zich voorstelde: zijn vader was er nog, moeder was verdwenen vlak na Kais geboorte…’

Ja, die beelden: een Koeweit op kleigrond, een stalen gebit van hoogbouw. En natuurlijk is het een verbeelding van een verlangen zelfstandig te zijn die bij uitstek past bij de naar volwassen vrijheid en zekerheden snakkende hoofdpersoon, die tegelijk de gevaren van die grenzeloosheid ziet. De fragmenten die we vervolgens lezen gaan over een sprekende dode vader, de Vrijstaat is slechts achtergrond, maar het spel bevalt Hulst.

Een eigen vlag en munt

Want er zit meer in, de micronatie leent zich voor geweldige fictie. In zijn nieuwste roman keert hij terug naar de essentie. De Kaj [sic!] in deze roman is een paar decennia later geboren, de technische mogelijkheden zijn groter, maar Hulst beperkt zich tot de droom van autarkie.

‘Hij noemde het huis Castello, het hart van Wilde Hoek. Dat was wat hem betreft een land op zich, inclusief eigen vlag en eigen munt, waarvan hij een zakje vol had laten slaan door een fabrikant van blikken sportmedailles. Zelf was hij bij autoproclamatie president voor het leven geworden. Hij had ervoor gezorgd dat we zo min mogelijk met de wereld te schaften hadden: er was een waterput geslagen, hij hakte hout voor de hypermoderne cv-houtkachel, op een deel van het dak lagen zonnepanelen en in de wierde lag een verzonken septic tank waarin zeker honderd jaar aan excrementen opgeslagen zou kunnen worden. Hij had zijn tomatenkas, zijn groentetuin, er was een kleine gaard en soms slachtte hij eigenhandig een kip, die dan nog een tijdje wanhopig met de vleugels sloeg terwijl het bloed uit de nek pruttelde. De ware Beter Leven-kip, zei vader, die zichzelf een rechtse autonoom noemde, een soort Robert Heinlein in ribbroek en schipperstrui. Dat juist hij columns moest schrijven voor de krant die zich later met de Partij zou alliëren…’

‘Autoproclamatie’ is korter en krachtiger, en de bijbehorende politieke daden zijn concreter en tegelijk smakelijk amateuristisch. De blikken sportmedailles, het slaan van een waterput en het hypermodern houthakken (ook hier zie je Hulsts lol in alliteratie), de honderd jaar aan excrementen en de wanhopige kip. Een en al kleur. Overigens redt deze micronatie het niet, in tegendeel tot Kais fantasie in Kinderen; de Partij besluit het gaswinningsbied verder uit te putten en voor bewoners af te sluiten.
Hulsts politieke hoofdlijn in de nieuwe roman zit dan ook meer in de subtiele verwijzingen naar deze technologisch-totalitaire VVD-variant dan in deze kleine onderneming, zoals het persoonlijke sowieso meer in balans is met de grote filosofische, literaire en maatschappelijke kwesties. Het kleine verdriet, de rouw en obsessie staan tegenover de vraag naar menselijkheid en kunstmatigheid, de flexibiliteit van (autobiografische) verhalen en de wenselijkheid van robotisering.

(Overigens bleek er ook een lijntje te trekken van Kinderen van het ruige land (maar ook De Mitsukoshi Troostbaby Company) naar ons landschapsnummer. Hulst schrijft over alles.)

Ambo|Anthos gaf De Mitsukoshi Troostbaby Company uit, en dus ook Kinderen van het ruige land. Lees op Athenaeum.nl een fragment. Daan Stoffelsen interviewt Auke Hulst bij Het Martyrium op zaterdag 16 april.

Julie Otsuka: de redacteur las een klein kunststuk van consequente perspectieven en gevarieerde opsommingen over de omgangsvormen in het water en met een verdwijnend geheugen.

*

Daan Stoffelsen: Julie Otsuka, De zwemmers (vertaling Lucie Schaap)

Perspectief dus. Na de lyrische aanbeveling van mijn Athenaeum-collega Ghizlan en de al even enthousiaste tweet van @EdithLeest begon ik eindelijk eens aan een dunner boek (140 pagina’s!) dat speelt met consequent perspectief (zie ook Hulst en Weeda en misschien kan ik ook nog wat over Heitman schrijven) en met de nobele kunst van het opsommen, een boek dat nu eens absurd, dan weer uiterst schrijnend is. Dat gaat over hoe je moet zwemmen in gezelschap, en hoe om te gaan met dat wat je vergeet. Zoals dat hoort, zit veel daarvan al in de eerste pagina. Ik citeer ruim:

‘Het zwembad bevindt zich in een grote grotachtige ruimte diep onder de grond, vele meters onder de straten van onze stad. Sommigen van ons komen hier om te herstellen omdat we geblesseerd zijn. We hebben last van een zwakke rug, platvoeten, uiteengespatte dromen, een gebroken hart, angstgevoelens, zwaarmoedigheid, levensmoeheid, de gebruikelijke bovengrondse aandoeningen. Anderen van ons werken op de nabijgelegen universiteit en zijn tijdens de lunchpauze liefst hierbeneden, in het water, ver weg van de onverbiddelijke blikken van onze collega’s, de kille glans van onze schermen. Sommigen van ons komen hier om aan ons teleurstellende huwelijk te ontsnappen, al is het maar een uurtje. Velen van ons wonen in de buurt en houden gewoon van zwemmen. Een van ons, Alice, een gepensioneerde laborante met beginnende dementie, komt hier omdat ze dat altijd al heeft gedaan. En ze mag dan misschien de cijfercode van haar kluisje niet meer weten of vergeten zijn waar ze haar handdoek heeft neergelegd, maar zodra ze het water in glijdt weet ze wat ze moet doen. Dan heeft ze een lange, vloeiende armslag, een krachtige beenslag, een heldere geest. “Daarboven,” zegt ze, “ben ik gewoon een oud vrouwtje. Maar hierbeneden, in het zwembad, ben ik mezelf.”’

Ik voel me zelf in het zwembad een oud vrouwtje (tenminste als ik de borstcrawl oefen), en als ik zelf ga opsommen, de komma’s aaneenschakel, de zinnen verleng tot hele verhalen, dan krijg ik geheid commentaar van mijn redacteur, maar voilà: zo kan het dus ook. De eerste persoon meervoud is niet al te nadrukkelijk, die opsomming in zin drie gaat prachtig van flauwe fysieke zwaktes via romantische idealen en DSM-achtige klachten (die des avonds komen) tot een mooie samenvatting: dit is gedoe van buiten. Hier in het water gaat het beter, hier vloeit het, hier zijn we onszelf.
En heel soepel duikt Alice op, de vrouw wier geest verdwijnt, en die na twee wij-hoofdstukken nadrukkelijker op de voorgrond treedt. Dat derde hoofdstuk, ‘Diem Perdidi’, opent met een ander vertelperspectief: ‘Ze weet nog hoe ze heet.’ Maar zoals in het eerste hoofdstuk de lijstjes met gebruikers van het zwembad, de regels, je bedenkt het maar, en in het tweede vermoedens over de oorzaak van de barst in de bodem volgen, somt Otsuka hier op wat Alice nog weet – en niet weet.

‘Ze weet nog hoe ze heet. Ze weet hoe de president heet. Ze weet hoe de hond van de president heet. Ze weet in welke stad ze woont. En in welke straat. En in welk huis. Het huis met die grote olijfboom, waar de straat een bocht maakt. Ze weet welk jaar het is. Ze weet welk jaargetij het is. Ze weet op welke dag jij geboren bent. Ze weet dat ze een andere dochter had voordat jij geboren werd – Ze had je vaders neus, dat was het eerste wat me aan haar opviel – maar ze weet niet meer hoe die dochter heette. Ze weet hoe de man heet met wie ze niet getrouwd is – Frank – en bewaart zijn brieven in een la naast haar bed. Ze weet dat jij ooit een man had, maar weigert te onthouden hoe je ex-man heet. Die man, noemt ze hem.’

Otsuka varieert, ze breidt uit, ze zoomt in, ze citeert, subtiel voert ze de tragedies van een doodgewoon leven op, en het niet-weten is nog niet zo algemeen als later, het heeft nog iets begrijpelijks. Maar zestien pagina’s later is de meeste kennis weggevloeid. Dan een u-hoofdstuk (‘U bent hier vandaag omdat u gezakt bent voor de test.’), en ten slotte een je-hoofdstuk (‘Waardoor kwam het, vraag je je af, dat ze begon te vergeten?’), als Alice echt verdwijnt.

Ja, dit is prachtig, het is pijnlijk, het is geestig, en het is goed gedaan. Otsuka creëert afstand en intimiteit met haar perspectiefkeuzes, overzicht met haar opsommingen, en een tragedie van barsten en wegzinken. Eigenlijk wilde ik me nog afvragen waarom Otsuka in Neptunusnaam met dat zwembad begint, maar ik realiseer me dat ze me zoveel beeldspraak cadeau heeft gegeven, dat ik geen recht van vragen heb.

Lebowski gaf De zwemmers uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Lisa Weeda: de redacteur las een genomineerde roman die even universeel als persoonlijk als actueel is – en noemt acht redenen om het boek te lezen.

*

Daan Stoffelsen: Lisa Weeda, Aleksandra

We doen het eens anders. Deze (semi-)wekelijkse leesimpressie is een lijstje. Voor veel goede boeken zijn er meerdere redenen om ze te lezen. Voor Lisa Weeda’s romandebuut Aleksandra is er een hele lijst te maken. Laten we met acht beginnen.

  1. Aleksandra staat in allerlei bestverkocht-lijstjes (van Scheltema, Athenaeum, de boekhandels die hun lijstjes aan NRC aanleveren, De Bestseller60, ook al hebben boekenkopers niet overal verstand van (de top-3 van die Bestseller60 is eh… eigenaardig).
  2. Aleksandra stond terecht in de top-3 van de Boekhandelsprijs, en boekverkopers hebben er meer verstand van.
  3. Aleksandra staat terecht op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, en juryleden hebben er nog meer verstand van (maar zie mijn opmerkingen voorafgaand aan mijn stuk van vorige week).
  4. Lisa Weeda, wier grootmoeder Aleksandra Oekraïense is, begrijpt al sinds de separatisten in haar voorouderlijke Donbass opkwamen, wat nabije oorlog betekent. Dat bleek al in haar verhaal ‘Indexen voor verwijtbaarheid’ (2016) en haar chapbook De benen van Petrovski. Ze heeft familie in de steden die nu in het nieuws zijn.

    ‘Steeds meer mensen verdwenen, zoals eerder gebeurde op de Krim; mensen waren een paar dagen weg en doken compleet in elkaar geslagen weer op. Mensen raakten zoek. Mensen werden vermoord teruggevonden op vreemde, verlaten plekken. Mijn oudtante Nina woonde plotseling aan de frontlinie en sliep alleen nog maar in haar kelder, er ging een avondklok in, dag en nacht werd er geschoten en gebombardeerd, onze neef Igor werd bedreigd voor roebels en moest dat een paar maanden later met zijn leven bekopen. Er was te weinig eten. Er was dagen achtereen geen elektriciteit, geen stromend water, geen internet.’

  5. De constructie is bijzonder. Wie het feuilleton ‘Spiegel’ (2018) leest, weet dat Weeda meer is dan een verteller van familieverhalen. In Aleksandra voert ze het Paleis van de verloren Don Kozak op, een soort geheugenpaleis, een fictieve locatie voor oude verhalen. Er is een grandioze propagandafilm voor waarover haar overgrootvader vertelt, die ertussenin is gebleven in, het midden (‘in ons land, in onze familie verdwijnen mensen soms om nooit meer helemaal terug te keren, die blijven voor altijd in het midden. Tussen komen en gaan’). Een fantastische plek…

    ‘Het is in principe niets. Dit paleis bestaat niet. Of, eigenlijk, het had moeten bestaan, maar het is gebleven bij een papieren droom van de leiders van je oma’s geboorteland. Het had het hoofdkwartier voor de wereldrevolutie moeten worden. Mensen riepen: hier gaan we alles verzamelen wat ons land rijk is, alle creativiteit van onze boeren en arbeiders! Dit paleis zou alle vrienden en vijanden laten zien dat we in staat waren om, hoe zeiden ze het ook alweer, de zondige aarde te bedekken met een monument waarvan anderen alleen maar konden dromen.’

  6. … waarin haar overgrootvader Weeda’s aan hoofdpersoon Lisa allerlei oude geschiedenissen kan vertellen, en nieuwere, aangevuld met Aleksandra’s eigen herinneringen. Maar nog meer uit eigen hand zijn de verhalen van een vertellers-wij (een ongewoon perspectief), de voorouders, oude Donbass-kozakken die de vorm van witte herten met gouden geweien en een pijl in hun rug hebben aangenomen. Geestachtige, mythische figuren.

    ‘Wij zijn maar voorouders. Wij voelen de grond nog wel onder onze hoeven, maar kunnen er niet meer op lopen.’

  7. Die twee perspectieven geven Weeda de kans om over bijna de hele droevige twintigste eeuw (en geloof me, in Oekraïne gaat die gewoon door) te vertellen, met allerhande bolsjewieken, nazi’s, maffiose separatisten, Russisch sprekenden, Oekraïens sprekenden en vooral slachtoffers van een geschiedenis van bloed en zwarte grond. Veel beelden blijven hangen (die propagandafilm, de gaten in de aarde waar voorraden en een naaimachine verborgen worden voor de sovjets, het afpersen en dreigen, het vluchten en berusten.
  8. Om een universele geschiedenis te vertellen die even persoonlijk als actueel is.

De Bezige Bij gaf Aleksandra uit.Lees op Athenaeum.nl een fragment.

Auke Hulst: de redacteur las een van de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs en tevens een van de auteurs van Waar was ik, o ja, die zijn empathie niet op de proef stelt, sterker nog: ondanks de science fiction-overdrive overtuigt de roman, hij is rijk en raak geschreven.

*

Daan Stoffelsen: Auke Hulst, De Mitsukoshi Troostbaby Company

Eigenlijk is dat wat je continu probeert: de ander begrijpen. Empathie. Wees extreem mild voor Baudet, verzin een rationele Poetin, vindt waarheid in Viruswaarheid (woordzoeker. Extra opgave: vind ‘Rus’). Laat AI-aanbevelingen voor bibliotheken maar schuiven (gebruik geen geweld, stemming duister), retweet niet dagelijks @ishetalgestort, vergeef de zevenjarige confetti-importeur (je kunt klaar zijn met carnaval, confetti blijft opduiken). Als lezer doe je niet anders, en daardoor begrijp je niet maar vergeef je de jury van de Libris Literatuurprijs dat ze Gustaaf Peeks A.D. hebben gepasseerd, en in een later stadium sympathieke, sterke boeken van Rob van Essen, Gilles van der Loo en Marie Kessels.

Als lezer – en maar een thuiswerker ver van mijn boekhandel, geen recensent of jurylid – zoek je ordening, samenhang. Waarschijnlijk is de gedachte vooral geweest: dit zijn de beste boeken, misschien ook: dit is een mooi divers lijstje. Maar misschien besprak die jury ook een heel technische diversiteit, in perspectief. De genomineerde boeken van Dros en Kuypers staan nog ergens digitaal op me te wachten, maar wat me nu al opviel: zowel Weeda als Heitman voeren naast een eerste persoonsverteller voorouders op, zichtbaar als herten (‘Wie stierf, werd een hert met een gouden gewei, een witte vacht en een gouden pijl in de rug. We werden het symbool dat we in ons leven als insigne op onze borst droegen. “Dit hert is niet dood,” zeiden we tegen elkaar, “maar het gaat ook niet echt goed met dat dier.”’) of onzichtbaar, in een wij-perspectief. En het werkt!

Beter in de eerste persoon

Meer daarover later. Van Marissings roman heeft een consequent ik-perspectief, maar Hulsts De Mitsukoshi Troostbaby Company, in omvang en hoeveelheid thema’s en genres tot nu toe de ambitieuste van de shortlist, gaat ook óver literatuur, en problematiseert zijn keuze in de helft van de roman. De ik-verteller van het ene deel, Auke van der Hulst (1997), is in gesprek met zijn redacteur.

‘Ik vraag me wel af of je niet beter kunt beginnen bij de eerste keer dat ze seks hebben – zonder aanloop, zonder backstory. En of het misschien beter zou werken in de eerste persoon. Dan zou je nóg dichter bij het geobsedeerde kunnen komen en kunnen spelen met de onbetrouwbaarheid van zo’n vertelstem.’

Stilte, en: ‘Ik staarde in pseudogedachten in het niets.’ En dan hardop: ‘Elke roman heeft een eigen sfeer, een eigen stem. Daar kun je een beetje invloed op uitoefenen, maar het is vooral iets wat ontstaat. Dit is de toon die natuurlijk voelt. Als ik de toon te uitdrukkelijk moet bedenken wordt alles artificieel.’

Wacht, ik ga even terug naar de verhaallijnen. De Mitsukoshi Troostbaby Company is een logboek, voor een soort begeleidend Privé-domeindeel, vermengd met de eigenlijke roman, De lasso van de tijd. Uitgangspunt voor beide boeken is: de ik/Kaj had een giftige relatie die beëindigd werd met een afgebroken zwangerschap, en hij rouwt er nog steeds om. In het ‘logboek’, dat over zo’n tien jaar van nu speelt, heeft hij soelaas gevonden in een ‘troostbaby’, een levensecht robotmeisje dat deels gebaseerd is op het DNA van de ex van destijds en de ik. Het vaderschap staat hem goed, maar hij durft haar niet alles te zeggen, en worstelt met eigen opvoedingsissues. In de ‘roman’ gaat de science fiction in overdrive: Kaj reist terug naar de tijd, ruimt zijn vroegere ik uit de weg en doet het beter.

Overtuigend en rijk en raak

Dat is wel een woeste vertelstructuur, want wie eenmaal iets menselijks toelaat bij een robot, of tijdreizen mogelijk acht, moet dat consequent doen (hier volgen plotspoilers): het meisje groeit (in ieder geval intellectueel), en wie eenmaal terug kan reizen, kan dat nog eens doen. Toch is dat goed te doen, want die rouw en de vaderlijke liefde zijn heel overtuigend. (Toen ik de PDF doorzocht op ‘perspectief’ stuitte ik op zinnige woorden:

‘Iemand verliezen was makkelijk; het tweede verlies, iemand opgeven, een stuk moeilijker – het was een heidens karwei te doen alsof ze niet bestond. Hij probeerde niet aan haar te denken, dacht aan niets anders. Weer waren ze uit elkaar, langer dan voorheen. Zij leefde voort, vulde de leegte die ze had achtergelaten en alle andere leegte, hij was dood in haar ogen, dat wist hij zeker – hij vóélde zich dood in elk geval, hoewel voelen een eigenschap van de levenden is. (Hoe dat in verhaalvorm te gieten? Iets vanuit het perspectief van een spookverschijning die een verbleekte wereld waarneemt waarin alleen zij alle kleur heeft behouden? Maar niet nu, hij heeft geen afstand, alleen maar rauwe pijn die op papier zou worden gekotst.)’

) Hulsts robotmeisje Scottie is bovendien levensecht, de dilemma’s van de adoptievader zijn herkenbaar (‘Wat denkt ze allemaal? Wat weet ze? Het is brieven lezen in het donker…’). En tussendoor zegt hij dus zinnige dingen over literatuur en leven. Over wat kunstmatig is en niet, over volwassenheid en het vermogen te handelen (‘Hij zit ineengedoken op de achterbank, net hoog genoeg om over de rand van het portier te kunnen kijken – een kinderperspectief, een machteloos perspectief.’). Over abortus natuurlijk, over science fiction en literatuur. Hij verwerkt zijn eigen levensgeschiedenis, die het gros van de lezers zal herkennen uit Kinderen uit het Ruige Land, opgeplust met een paar decennia. Wijsheden, gevatte opmerkingen (‘Vink aan: I am not a robot. Terwijl machines ons die vraag stellen. Ze vragen nooit of we mensen zijn.’) — en dan zijn er nog aantekeningen die niet pasten, en terechtkwamen in onze Privé-domeinspecial Waar was ik, o ja (koop dat nummer mensen!). Het komt zo op een rijtje erg vol over, maar Hulst doseert en formuleert raak.

Ja, maar. Maar ja!

Ja, het is een enorm boek (dunner, met nog meer perspectiefwisselingen en minder thema’s, en ook heel goed: Julie Otsuka’s De zwemmers (vertaling Lucie Schaap), daarover later meer), dat zal in combinatie met de late verschijning in 2021 de eigenaardige afwezigheid op de eindejaarslijstjes verklaren. En ja, tegenover het teveel aan actie in vooral Lasso staat ook veel getheoretiseer. De celebrale Auke Hulst verduistert af en toe de persoonlijkere en vertellende (ook hier is een citaat bij: ‘Literatuur komt voort uit het rijk van de geest, een binnenwereld die expansief en onbegrensd is – afbakening daarvan is tegennatuurlijk. Wie piketpalen slaat reduceert – om redenen van commercie of literair tribalisme – een continuüm tot kasten, tot kluisters. Wat ik beoog is cerebraal én intuïtief, een literatuur die geleefde, gedroomde én verzonnen geschiedenis vervlecht, die put uit mijn autobiografie én de vorm van toekomstgeschiedenis aanneemt.’).

Maar het is een heel sterk boek. Het artificiële blijft tot de plot beperkt – iets wat je niet van elke genomineerde kan zeggen -, het is heel natuurlijk geschreven. Als dit boek de Libris Literatuurprijs 2022 wint, hoef ik voor de verandering de jury niets te vergeven. Dat zou ik volledig begrijpen.

Ambo|Anthos gaf De Mitsukoshi Troostbaby Company uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment. Daan Stoffelsen interviewt Auke Hulst bij Het Martyrium op zaterdag 16 april.

Agustín Fernández Mallo: de redacteur kwam micronaties tegen in een intrigerende mozaïekroman, en het spel tussen bureaucratie en de menselijke conditie.

*

Daan Stoffelsen: Agustín Fernández Mallo, Nocilla Dream, vertaald door Adri Boon

In korte tijd — op de tijdschaal van mijn twaalfjarig redacteurschap — ben ik groot fan geworden van themanummers. Van literaire thema’s, van maatschappelijke thema’s. Micronaties, het door Lotte Lentes opgeworpen onderwerp voor De Revisor 31, onttrekt zich aan die indeling. Want ja, buitenrechtelijke staatsvorming gaat over autonomie en vrijheid en grenzen — maar de mensen achter die minilandjes zijn niet zelden fabulerende dilettanten, stranger than fiction. Dus is het ook niet verwonderlijk dat er in #31 ijzersterke fictie staat. Wel gek dan, dat er zo weinig romans in me opkomen die spelen met het onderwerp. Dat zal aan mij liggen, of aan het moment dat ik deze vraag opwierp op Twitter: de kracht van Twitter, vorige week nog zo bejubeld, kwam slechts op Leonard Wibberleys The Mouse That Roared (1955, over Grand Fenwick), Kurt Vonneguts Cat’s Cradle (1963, over San Lorenzo), en Agustin Fernández Mallo’s Nocilla-trilogie (2006, Adri Boons vertaling is van 2021).

Het eerste deel van die mozaïekachtige roman, Dream, speelt zich grotendeels af in de woestijn van Nevada, rondom eenlingen van allerlei soort, letterlijke grensgevallen. Stuk voor stuk hebben ze fascinerende verhalen, die Fernández Mallo ook nog eens meermalen herschrijft, zodat er opeens iemand anders met een koffer vol gevonden foto’s opduikt bij een andere prostituee. Ook de chronologie is moeilijk te vatten, en de associaties tussen de verhaallijnen zijn af en toe nogal los. Ik voelde me bovendien niet zelden nogal dom door de filosofische en wetenschappelijke uitstapjes (de auteur is ook natuurkundige), maar als ik iets welwillender naar mezelf ben, moet ik zeggen: dit boek intrigeert, en inmiddels ben ik met deel 2 bezig.

Vanaf hoofdstuk 39 (van de 119) duiken er micronaties en hun bewoners op: ‘Via de digitale snelweg wenst Ted alle internetters ter wereld een gelukkig nieuwjaar, maar in het bijzonder hen die net als hij in een micronatie wonen en werken.’ Dat concept licht de verteller toe, beginnend bij Sealand (waarover Nicole Kaandorp een levensecht verhaal heeft geschreven voor #31), verwijzend naar verschillende overzichten en duikend in Teds eigen micronatie, Isotope Micronation, ‘een soort grote kubus […] begraven onder een lege vlakte van zo’n 77.000 m2, een darm van beton die uitgestrekt bijna 600 kilometer lang zou zijn’. De vorige bestemming was het zogenaamde Radioactive Waste Management Center. Fascinerend genoeg, maar dit detail geeft net iets meer smaak:

‘In die megagrote onderaardse kubus hebben de 178 bewoners zoveel ruimte dat er gerust een maand kan verstrijken zonder dat ze elkaar ook maar één keer tegenkomen, en als ze elkaar dan tegenkomen is dat meteen voldoende reden om elkaar een maand lang niet meer los te laten om erachter te komen hoe het hun vergaat. Ze weten dat de dag waarop iemand op weg naar een zaal of galerij onverwacht mocht sterven, het heel lang zal duren voordat diegene gevonden wordt, maar dat geval heeft zich nog niet voorgedaan: de micronatie bestaat nog maar tien jaar en vanuit dat perspectief zijn de bewoners nog onsterfelijk. Een van de “micronationale pleziertjes”, gereguleerd door de Afdeling Wetenschappen van de microstaat, ressorterend onder het Knooppunt Economie en Invordering, bestaat erin eens per week op een paar speciaal voor dit doel voorgedrukte formulieren de naam aan te kruisen van de ingezetene van wie men inschat dat hij of zij de eerste zal zijn die het loodje legt.’

Bureaucratie en de condition humaine in één bizar gegeven gevat.

Ook de non-place-ambassadeur van Elgaland & Vargaland duikt op, ook al zo’n man die een roman op zich zou verdienen. Maar dat is de lol van dit boek: Nocilla Dream is als een bibliotheek van mogelijke romans in verschillende fases van wording, en we mogen ze allemaal tegelijk lezen. Verder in Nocilla Experience!

Koppernik gaf de Nocilla-trilogie uit. Op Athenaeum.nl staat een toelichting door vertaler Adri Boon.