Frances Hodgson Burnett: de redacteur las een jeugdliteraire klassieker die soms iets te moralistisch is, maar vloeiend vertaald en met een aardig perspectief op het landschap.

*

Daan Stoffelsen: Frances Hodgson Burnett, De geheime tuin (vertaling Imme Dros)

Op deze plaats schrijf ik zelden over jeugdliteratuur, zelfs voor een immer verjongend literair tijdschrift is dat nog een stap te ver (lees Dichter!). Maar nu Miriam Rasch in ons zomernummer Frances Hodgson Burnetts De geheime tuin neemt als uitgangspunt voor een essay over het landschap, de tuin, het buiten, en we werken aan een najaarsnummer over landschap en literatuur, nu voelde het wel op zijn plaats. De roman, die vanaf 1910 al verscheen in feuilletonvorm voor volwassenen, verscheen in 1911 als kinderboek in de Verenigde Staten. Een klassieker dus en het lievelingsboek van Tonke Dragt (en van Roald Dahls Matilda), dat ik al eerder moet hebben gelezen in de vertaling van Els Veegens-Latorf uit 1912 (!) en nu herlees in Imme Dros’ vertaling.

Ik vroeg me ook af in hoeverre het resoneerde in andere literatuur; het kleine kind, de verwende radja, in Marco Kunsts Het verlangen van de prins (2020), het leren te voelen in Kate Dicamillo’s De wonderbaarlijke reis van Edward Tulane (2007), de gedomesticeerde vogel in Jan Paul Schuttens Tim de kleine boswachter (2020). Maar er is ook een kind dat met de dieren praat – je krijgt de indruk dat niet alleen Miriam, Tonke, Matilda en ik dit boek gelezen hebben.

Hoofdpersoon Mary raakt door een cholera-uitbraak in India verweest, en wordt opgenomen door haar Britse oom, een bittere weduwnaar, in een groot landhuis midden in een uitgestrekt heidelandschap. Ze was daar gewend op haar wenken bediend te worden, maar hier is niets leuks. Toch wordt het lelijke, magere weeskind (lekker negatief uitgangspunt) schoksgewijs menselijker, en door wandelingen in de tuinen, een ontmoeting met een roodborstje en – uiteindelijk – de ontdekking van de geheime tuin neemt de vrolijkheid het over. Ze ontmoet de even oude, weggestopte zoon des huizes die meent aan allerlei kwalen te lijden en niet te kunnen lopen, en door veel buiten te zijn en positief te denken groeien ze allebei – en wordt de jongen herenigd met zijn niet-meer-zo-bittere vader.

Hodgson Burnett liet zich inspireren door een eigen ontmoeting met een roodborstje in haar jeugd, haar eigen ziekte en het kinderliedje ‘Mary, Mary, Quite Contrary’ (‘Mary, Mary, quite contrary, / How does your garden grow? / With silver bells, and cockle shells, / And pretty maids all in a row.’). Met het boek leverde ze kritiek op de omgang op zieke en gezonde kinderen, binnen, met alleen maar bedienden. En een ongebreidelde lof voor de natuur, die maar uit zichzelf geweldig en prachtig wordt. En er zit natuurlijk dat positief-denken, een geloof in ‘magie’ in, dat moeilijk te verteren is voor wie weet hoe dat ernstig zieke mensen ernstiger ziek kan maken – maar dat als tegenstelling tot de negativiteit van Mary en haar neefje natuurlijk wel zinnig is.

*

Imme Dros maakte er ‘Juffrouw Mary ’tDeugtalweerniet’ van. Ze zag zich gedwongen het alom aanwezige Yorkshire van de ‘gewone’ mensen op en rond het landhuis te normaliseren, maar met enkele woorden geeft ze toch smaak aan het dialect, dat Mary ook probeert te spreken:

‘“Aye, that tha’ mun,” said Mary quite seriously. “An’ tha’ munnot lose no time about it.”’

Dros komt met een Fries-Scandinavisch aandoende term ter compensatie:

‘“Dat moet je doen en een beetje skielek,” zei Mary bloedserieus. “Geen tijd te verliezen.”’

Elders groeien bloemen ‘kwiertig’. Als Mary haar neefje lyrisch vertelt over de lente, staat er:

‘“Has it?” cried Colin, and though he really knew nothing about it he felt his heart beat. He actually sat up in bed.
“Open the window!” he added, laughing half with joyful excitement and half at his own fancy. “Perhaps we may hear golden trumpets!”’

Maar Dros verwerkt er Gorter (en een paar overbodige beletseltekens, misschien moeten we daar een themanummer aan wijden) in. Erg geestig:

‘“Echt lente?” riep Colin. Al wist hij er eigenlijk niets van af, zijn hart klopte sneller en hij ging zitten. “Maak gauw het raam open,” riep hij. “Een nieuwe lente… we horen misschien wel een nieuw geluid ook… of het schallen van gouden trompetten.”’

*

Het is een fijn boek met een goed maar abrupt einde – mijn derde lezing was een voorlezing aan onze negenjarige, en die keek me verbluft aan toen ik het boek dichtsloeg. En het is dus ook een boek over landschap, al vind ik die begrensde tuin zelf weer niet écht landschap. (Nog een reden om Miriam Rasch’ essay, dat toch vooral over tuinen gaat, niet voor het landschapsnummer te bewaren. ‘Die omheiningen maken ze veilig, als een cocon,’ schrijft ze.)

Als Mary is aangekomen in het landhuis, begint het met een verbeeld landschap, om dan naar buiten te kijken:

‘Mary werd wakker omdat iemand bezig was het vuur aan te maken in haar slaapkamer. Een jong dienstmeisje lag op haar knieën voor de haard en porde met een pook in de sintels. Mary bekeek haar even en staarde toen om zich heen. Wat een rare, sombere kamer! Langs de muren hingen wandkleden waarop een bos was geborduurd met onder de bomen mensen in bonte kleren. Op de achtergrond heuvels en een glimp van kasteeltorens. Verder waren er jagers met paarden en honden en er wandelden dames.
Mary kreeg het gevoel dat ze zelf in dat bos was.
Maar door een raam met diepe kozijnen zag ze een gedeelte van een weids, hellend landschap waarop geen boom leek te groeien en dat eruitzag als een eindeloze, dofpaarse zee.’

Dat ze zelf in dat bos was! Landschap in literatuur gaat over verbeelding. En dan dat stuk met die boomloze vlakte. Die dofpaarse zee is de hei in winterstand, of eigenlijk de moor:

‘“That’s th’ moor,” with a good-natured grin. “Does tha’ like it?”
“No,” answered Mary. “I hate it.”
“That’s because tha’rt not used to it,” Martha said, going back to her hearth. “Tha’ thinks it’s too big an’ bare now. But tha’ will like it.”’

Zo, meteen nog een illustratie van dat dialect én van wat een rotkind die Mary is. En een onhandig vertaalprobleem: moorland, ik kom het ook veel bij Sarah Hall tegen en in het verhaal van Cynan Jones voor het landschapsnummer, is een vegetatie met heideplanten maar het ís geen heide, het verschil zit tussen hoog en nat en laag, droog en door menselijke activiteit veroorzaakt, zegt Wikipedia. Jona Hoek varieert in Jones’ verhaal dan ook ‘heide’ met ‘hoogland’. Maar goed, je moet een vreemd kinderboek in je vertaling niet nog vreemder maken, dus het is goed dat Dros die vegetatie en de plant eenduidig heeft gehouden. En de hei zorgt wel voor de bepalende kleur (Sarah Hall heeft het over ‘brinjal and sorrell hills’, auberginepaars en zuringrood) naarmate het lente en zomer wordt.

Mary kijkt niet alleen, maar ze gaat ook naar buiten, en voelt zich steeds meer thuis bij dat huis en bij die heide. Dat is doordat die daadwerkelijk mooier wordt, maar, vermoed ik, ook doordat ze het gebied steeds meer gaat associëren met geliefde bewoners: het gezin van haar dienstmeisje woont er, met een wijze moeder en het natuurkind Dickon. Het gaat parallel op, net als bij de tuin, hoewel ik vermoed dat Hodgson Burnett daar een causaal verband wil onderstrepen: die wordt groener, kleurrijker, mooier en voller met vrolijke, gezonde mensen.

Een landschap, en dat is een van de dingen die ik voor dat najaarsnummer geleerd heb, is dan ook pas daadwerkelijk waardevol vanwege de bewoners – menselijke én niet-menselijke.

Leopold geeft De geheime tuin uit. De Engelse editie raadpleegde ik bij The Project Gutenberg.

Roxane van Iperen: de redacteur las twee boeken van de Zomergast van dit weekend, en werd getroffen door de accenten die ze legt, de dwarse aandacht voor rechtvaardigen in moeilijke tijden – waardoor zijn literair-kritische overwegingen op de achtergrond raken.

*

Daan Stoffelsen: Roxane van Iperen, ’t Hooge Nest & De genocidefax

Ik heb even getwijfeld of ik hier zou schrijven over de boeken van de aankomende Zomergast. Roxane van Iperen debuteerde met een roman Schuim der aarde (2016), over een hard Brazilië waarin kleine kinderen, een prostituee en een agente moeten overleven. Ik kwam er destijds moeilijk in: mijn herinnering is gitzwart met roodtinten, en ik zag maar niet hoe de verhaallijnen zich tot elkaar verhielden. Toch kreeg het de Hebban Debuutprijs, en nu ik het fragment op Athenaeum.nl herlees, denk ik: spannend, ietwat staccato, en een interessant, overtuigend decor. Maar haar andere schrijfwerk na en naast een juridische loopbaan was eerder journalistiek, veel columns. Van Iperen is schrijver, maar is ze ook een literair schrijver? Dat is een interessante vraag waar ik niet helemaal uitkom, maar vooral: die andere vraag, of ze overtuigt, of haar boeken overtuigen, doet er net zo goed toe. En hoe dat dan werkt.

Ze overtuigt namelijk wel degelijk, en dat is dankzij haar onderzoek naar moedige mensen, en bepaalde keuzes in haar schrijven die haar boeken misschien literair minder interessant maar wel effectiever maken. Haar tegendraadse aandacht voor wie rechtvaardig is als het erop aankomt, kruidt een inspirerend en nederig makend oeuvre.

Leesbare non-fictie

Roxane van Iperens ’t Hooge Nest (2018) bereikte een groot (en internationaal) publiek en werd bekroond met de Opzij Literatuurprijs, ze schreef het Boekenweekessay dit jaar, De genocidefax, sprak de 4 mei-lezing uit en is zondag Zomergast. Dat Boekenweekessay – vraag ernaar bij de boekhandel, het is nog steeds te krijgen – kreeg positieve besprekingen en zelfs lof van kritische lezers als Jamal Ouariachi. Ik sluit me aan: dit is stevige, leesbare non-fictie met een persoonlijke drive. Gefocust en goed geresearcht – het kan dus wel, Özcan Akyol – en raak.

‘De Belgen vertrekken. Uitgerekend de Belgen. Precies een halve eeuw nadat zijn eigen vader zijn leven had gewaagd om ze uit de wurggreep van de nazi’s te bevrijden, laten ze hem doodleuk hier achter.’

Dat is een sterke opening, die met zijn afgebeten zinnen en dat ‘uitgerekend’ en ‘doodleuk’ wanhoop en frustratie prijsgeeft, en een historische context biedt: waarom is een VN-missie anders in een land dan om mensenlevens te redden? Van Iperen beschrijft in De genocidefax de eenzame missie van Roméo Dallaire om de gruwelijke genocide in Rwanda (1994) te stoppen, en na haar korte openingshoofdstuk licht ze de morele achtergrond toe. ‘“Normale” mensen die meedoen aan schadelijk groepsgedrag zijn van alle tijden en culturen,’ betoogt ze. Zoals bij de toeslagenaffaire: loyaliteit en stilzwijgen staan het recht in de weg. ‘Als buitenstaanders bezien we dit soort affaires, venten onze woede over zoveel lafheid en wentelen onszelf in de geruststellende gedachte dat wij, in soortgelijke situaties, zouden spréken, handelen, reageren.’ Het is een reflex die Van Iperen vaak zag bij lezingen over ’t Hooge Nest. Maar: ‘Angst voor schaamte en uitsluiting, zwijgen om zelfbehoud, meedoen voor erkenning: dát is de groef waarin mensen zich voortbewegen.’

Dus na ’t Hooge Nest biedt Dallaires verhaal een nieuwe casus voor die belangrijke vraag: wat doe je? Dallaire probeert alles – bij zijn onbetrouwbare tegenspelers, bij zijn bondgenoten ter plaatse die soms tijdens zijn telefoontje vermoord worden, bij de VN en bij landen die niet zelden slecht uitgeruste soldaten leverden aan de missie. Wie Quo vadis, Aida al zag (wie dat niet deed: doen, zelden zo’n mooie en gruwelijke film gezien), weet: wie een VN-vredesmissie leidt, staat met lege handen tegenover monsters. Dallaire, feitelijk dus een voorganger van overste Karremans in zo’n hopeloze situatie, had nota bene ruim vóór de escalatie een voorspellende fax gestuurd aan de VN. En ruim daarna blijven betrokkenen – zijn directe leidinggevende, betrokken regeringen, Heineken en Kofi Annan – hun handen wassen in onschuld. Dallaire is daarbij een hinderlijke sta-in-de-weg. Hij blijft namelijk getuigen van de genocide, tegen de stroom en zijn carrièrekansen in.

Onderzoek (2012-2018) en spanning (1940-1945)

Ik ben altijd op zoek naar het ándere essay – persoonlijk, zoekend, meer vraag dan antwoord, meer fysiek dan politiek, meer ik dan de anderen – maar daarvoor is de afstand tussen de personen van Van Iperen en Dallaire te groot. ‘Kijkend naar de geschiedenis en mijn eigen levensloop, geloof ik dat je het moet omdraaien,’ schrijft Van Iperen, en veel verder dan dat gaat niet: Dallaires positie was uniek en het is uitzonderlijk wat hij in die positie nog probeerde.

Het uitgangspunt van haar succesboek ’t Hooge Nest is wél persoonlijk, maar ook daar laat de materie een continue aanwezigheid van de ik als onderzoeker en verteller niet toe. Van Iperen werd in 2012 de nieuwe bewoonster van dit Naardense huis met een grootse geschiedenis, en ontdekte tijdens de renovatie schuilplaatsen en oude verzetskrantjes. Het is een groot geluk dat dit huis een schrijver als bewoner krijgt, want ze slaagt erin het huis en vooral haar bewoners en vele mensen eromheen tot leven te brengen. Haar onderzoek begon dus in 2012, en hoewel je je een vorm zoals in dat andere essay kan voorstellen (denk Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik) met uitgebreide scènes uit dat onderzoek, resulteerde dat in een boek dat al snel netjes chronologisch gaat lopen.

Via het leven van Dirk Witte (de tekstschrijver van het programmatische ‘Mensch, durf te leven’) beland je flash forward bij een cruciale scène in het verzetsverhaal waarin de zussen Janny en Lien, Van Iperens hoofdpersonen, een rol spelen, om vervolgens de geschiedenis van de hele familie Brilleslijper te volgen vanaf 1912, toen de ouders van de zussen bij elkaar kwamen.

De meisjes, getalenteerd maar ongeschoold, bewegen zich in activistische respectievelijk culturele kringen, en worden in de oorlog met hun echtgenoten al snel actief in het verzet. Het wonderbaarlijke is dat ze ’t Hooge Nest als toevluchtsoord bereiken en vervolgens daar zelf onderduikers opnemen. Daar belanden we bij die cruciale scène – een bekende verzetsleider is omgekomen na een arrestatie – en wordt het alsmaar spannender. Redden ze het?

Wonderbaarlijk soepel geheel

Zijn de grote lijnen misschien bekend, Van Iperen brengt accenten aan die me verrasten. Ze benoemt het ongemakkelijke naoorlogse wegschrijven van de communisten als initiatiefnemers van de Februaristaking, vermeldt de financiële verzetsdaad van de directeur van Heineken, en noemt ergens iemand ‘een van de grootste landverraders ooit, in een tijdperk waarin die toch ruim voorhanden waren’. Daar moest ik om glimlachen. En de ontdekking dat de gezusters Brilleslijper een tijdje optrokken met de gezusters Frank geeft een nog grotere waarde aan deze geschiedenis.

Wel is haar verhaal vooral beschrijvend, wat vlak geschreven. Ik twijfel of ik dit mooi vind: ‘Ernstige ogen in een jeugdig gezicht; de oorlog drukt zwaarder dan de tijd.’ Of dit niet te veel effect is: ‘Mensen om hen heen ijlen, kinderen jammeren zachtjes, de wissels kreunen en het ijzer krijst, tot geluid en omgeving samenvallen in een nieuwe, eindeloze nacht.’ Of een zeldzaam citaat als dit echt een stem geeft aan haar personage of niet veel meer doet dan de situatie ietwat hyperbolisch te schetsen:

‘“Daar liepen we dan,’ vertelt Lien, nog een beetje beduusd, “een Duitse deserteur en een Hollandse jodin aan het hoofd van een Duitse militaire eenheid van twintig soldaten, ’s nachts over de donkere hei richting het IJsselmeer, dat vroeger de Zuiderzee was.”’

Van Iperen baseerde een groot deel van haar boek op getuigenissen, oral history, vertelt ze in haar verantwoording, en ik kan me voorstellen dat dat minder mogelijkheden biedt tot levensechte dialogen. Maar bovenal had ze heel veel informatie, en als je je dat realiseert, moet je je bezwaren relativeren en vaststellen dat al die gegevens tot een wonderbaarlijk soepel geheel gekneed zijn. En: de zussen en hun medestanders zijn bewonderenswaardige personen, mensen die inderdaad onderstrepen dat actie tegen onrecht niet vanzelfsprekend is. ’t Hooge Nest verrast, intrigeert, houdt je in spanning en werpt belangrijke vragen op.

Stemmen

Van Iperen (1976) zet haar oeuvre, dat nog maar zo’n vijf jaar oud is en behalve uit boeken ook uit columns voor onder andere Vrij Nederland bestaat, vooralsnog voort langs de lijn van ’t Hooge Nest. In het najaar verschijnt een brievenboek met reacties op dat boek, en haar 4 mei-lezing ging ook juist over de getuigenissen die nu langzaam verloren gaan. Het was een pleidooi voor het individuele verhaal, en tegen het groepsdenken – ik las er zelfs een verdediging van Abdelkader Benali in.

‘Twee minuten stil zijn zonder de bereidheid álle stemmen aan te horen, is je adem inhouden en blijven steken in een oppervlakkig verhaal. Niet alleen als het gaat over wat we herdenken, maar ook wie er mag spreken. Zelfs daar erkennen we geen meerstemmigheid. De mens geen individu van vlees en bloed, maar de vertegenwoordiger van een groep.’

Dat zijn behartenswaardige woorden, voor het ware en het goede en het individu. Wat komt er nu? Terug naar betrokken fictie, en stap naar een literairdere vorm? Of smaakt dit succes en dit bereik naar meer en volgt er een nieuw onderzoek naar rechtvaardigheid in oorlogstijd? Maar eerst die televisieavond. Ik ga kijken.

De genocidefax werd uitgegeven door de CPNB, ’t Hooge Nest door Lebowski. Op Athenaeum.nl staat een fragment uit dat boek.

Emily Kocken: de redacteur las een van de eerste zomertips, een schaduwspel met taal in de Lichtstad.

*

Daan Stoffelsen: Emily Kocken, Lalalanding

Lezers van De Revisor hebben de proloog van Emily Kockens derde roman al gelezen; dat hoofdstuk, over een schaduwliefde op een zwaaimeisje op Saint-Lazare, stond in #25, De oversteek. Die introduceert haar hoofdpersoon perfect: een slimme jongen, een arbeider in een gloeilampenfabriek, een dromer, snel verliefd. Jean Rodin, zijn naam is groots, hij moet wel een denker zijn. Maar de droom (of het denken) wordt verstoord, eerst door een dronken wildplasser die zich afvraagt waar Parijs is (‘Où est Paris?’ ‘Où, mais où est-ce, monsieur?’), dan door de besognes van zijn veertienjarige zusje op wie hij verliefd is, dan door de val of de zelfmoord van zijn naaste collega André V., zijn beste vriend, en ten slotte door de onduidelijke nachtelijke handel van zijn vader.

Voilà, het verhaal van Lalalanding: een dromer ziet zijn zekerheden wegvallen in de Lichtstad. Maar veel meer dan dat is de roman een geschiedenis van afkortingen met risico en een spel met taal. Al kort na die proloog geeft Kocken daar een glimp van weg.

‘Je zusje zegt simpel “Villa C.”, ze springt touwtje, ze zegt de naam tussen de slagen door, touwtjespringen, het is haar lievelingsspelletje, ze springt en springt, roept “Vil-la C.”, bij elke sprong kun je haar harder horen hijgen, “Vil-la, Vil-la, Vil-la C…”, ze hijgt, ze hijgt, ze raakt steeds meer buiten adem, ze springt, ze hapt naar adem, bijna stikt ze, een slechte zwemmer onder water, ze springt snel, ze springt hoog, woorden worden door het springen oneerbiedig ingekort, lettergrepen lelijk afgesneden, “Villa C.” wordt “C.”, alleen “Villa” zou trop ironisch zijn.’

Een afkorting, een eerste in een boek waarin letters op zijn Perecs wegvallen. En een snipper Frans, net te begrijpen met je middelbare-schoolkennis, die couleur locale geeft. Er volgt een pagina met alleen C’s, in een art-déco-fonte de caractères. Op zijn K. Schippers’ heeft zo’n afkorting ook consequenties, hij beïnvloedt het verhaal. Zus Odilette realiseert zich dat niet als ze ervoor kiest O te heten, maar Jean vreest dat een onhandige opmerking André (tja: ‘Nu hij dood was, was hij je beste vriend.’) fataal werd:

‘“Stel je voor dat je de é zou weghalen,” had je tegen Monsieur Valéry Léon gezegd, en die verbale stommiteit was slechts een paar dagen geleden. Een bijdehante opmerking zonder bedoeling. Je wilde bijdehand doen om het bijdehand doen, dat was alles. Onverantwoord, Jean. Je had je de ernst van je woorden moeten realiseren. Dat het beschadigen van een naam iets lelijks kan uitrichten. Soms manifesteert de verandering zich in het heden, maar vaak merk je de consequentie later.
Eeuwen.’

Waarschijnlijker speelt er een amoureuze rivaliteit met de directeur van de fabriek van André en Jean, of verbeeldt Jean zich dat? Of was het een ongeluk? Die combinatie van de ernst van Jean Rodin, en de lichte toon van de verteller, die onderzoekt hoe cliché-Parijs nog net kan en een enkele keer nadrukkelijk inbreekt, maakt de roman wat ongrijpbaar. Geestig, licht, knap – maar wat zet Jean nu te zwaar aan, wat is er werkelijk gebeurd, hoe gaat het nu verder met de jongen en zijn zusje en zijn ouders in hun gehorige appartement in Villa C.?

Kocken heeft je binnengehaald met een schaduwspel, en ze laat je erin achter.

Querido gaf deze roman uit. Zowel Kockens roman als Revisor #25 staan in ons ‘Deze zomer te lezen’-overzicht. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Het voelt als een futiele hype, de lijstjes zomerboeken of vakantietips of halfjaarsfavorieten, in totale tegenspraak ook met het principe van eenzaam lezen, analyseren, schrijven – maar we doen het toch. Lijstjes maken is ook leuk, het scherpt de geest en prikkelt tot gesprek. Plus: ditmaal brengt heel ‘team Revisor‘ iets in, inclusief het interim-redactielid, de vormgever, de penningmeester en de fotograaf. Een boek om aan te raden en een boek om zelf mee te nemen, en meer mocht ook: klassiekers en boeken van nu, poëzie en non-fictie, duo’s en elftallen. Voor wie wil lezen deze zomer: je moet nog kiezen, maar misgrijpen kan bijna niet.

(Hup, naar de boekhandel.)

*

Lotte Lentes, interim redacteur

Ik las en raad aan:

  • Opwindende tijden van Naoise Dolan (vertaling Lisette Graswinckel, AtlasContact), over een opmerkelijke driehoeksverhouding van een groep expats in Hongkong. Aan geld en status geen gebrek, maar van elkaar houden lukt ze nog niet bijna. Een heerlijke aaneenschakeling van vileine en intelligente dialogen.
  • De dichtbundel Ik zeg Emily (Hollands Diep) van Yentl van Stokkum [die ook bijdraagt aan ons zomernummer] zet je tot aan je oksels in het heidekruid van de Engelse moors. Het gedicht ‘Advies voor een jonge alleen reizende vrouw’ kan iedereen die van plan is deze zomer op pad te gaan maar beter ter harte nemen.

Op de spreekwoordelijke hoedenplank liggen:

  • Beter wordt het niet van Caroline de Gruyter (De Geus), op reis door het Habsburgse rijk om erachter te komen dat dat vergane keizerrijk meer overeenkomsten heeft met de Europese Unie dan gedacht (en hoe erg is dat?).
  • De reparatie van de wereld van Slobodan Šnajder (Wereldbibliotheek). Een echt frivool zomerboek is het misschien niet, maar deze mythische familieroman die drie eeuwen beslaat en ongeveer alle historische gebeurtenissen in die periode aanraakt, heeft een vakantie nodig om met aandacht te worden gelezen.

Alexandra Colmenares Cossio, coverfotograaf

I would be very glad to share my favourite books and the ones I would take for holidays.

  • The first one is from the artist Yoko Ono and is a book of instructions: Grapefruit (Simon & Schuster).
  • Another one is from Patti Smith: Just Kids (Bloomsbury, de Nederlandse vertaling van Kathleen Rutten verscheen bij De Geus)
  • I also recommend Susan Sontag’s On Photography (Penguin, de Nederlandse vertaling van Henny Scheepmaker-Lodewijks verscheen bij De Arbeiderspers) and of course one of my favourites Julio Cortázar with his book Rayuela (de Nederlandse vertaling van Barber van de Pol verscheen bij Meulenhoff en is nog beschikbaar in de ramsj).

Maureen Ghazal, redacteur van De Revisor

Momenteel aan het lezen:

  • Jazmina Barrera, Vuurtorenberichten (Karaat). Barrera schrijft in poëtische, fragmentarische stukken over haar liefde voor vuurtorens: zowel over het ontstaan van vuurtorens, als de vuurtorens die voor haar dienen als ‘troostmiddel’ en alle vuurtorens waar ze naartoe is gereisd. ‘Een vuurtoren is altijd anders, afhankelijk van wanneer en vanwaar je hem bekijkt.’ Mooi is het boek aan het strand te lezen, zoals ik deed aan de kust van Rockanje. Nog mooier is het aan een strand te lezen mét een vuurtoren op de achtergrond. [Lees ook Daan Stoffelsens leesimpressie.]

Op de vakantiestapel:

  • Helen Macconald, Schemervluchten (Vesper Flights, vertaald door Joris Vermeulen en Nico Groen voor De Bezige Bij). Een boek vol natuuressays met vogels in de hoofdrol. Zo observeert ze zangvogels vanaf de top van The Empire State Building en ziet ze tienduizenden kraanvogels in Hongarije. Helen Macdonald laat in haar essays zien dat we van de natuur kunnen leren en er troost uit kunnen putten. ‘We beschouwen de natuur vaak als iets wat vrij is van menselijke betekenis en dat is een van de redenen waarom we ervan houden. Maar we kennen er juist allerlei betekenissen aan toe. We kunnen er van alles in kwijt,’ zegt ze in een interview met de Volkskrant. Ik heb het boek al eerder cadeau gedaan en koop hem nu voor mijn eigen vakantiestapel.
  • Dorien de Wit, eindig de dag nooit met een vraag (De Arbeiderspers). Dorien de Wit heeft een bijzonder vermogen haar omgeving te observeren en tegelijkertijd naar binnen te keren, en daar met rake beelden over te schrijven. Ik heb veel zin in de bundel te beginnen op een kleedje in een park, een bankje in een stad of wandelend op het platteland en tussen het lezen door geregeld om mij heen te kijken.  [Lees Dorien de Wits feuilleton op onze site.]
  • Lies Gallez, Water vangen (Querido). Water vangen is het verhalendebuut van Lies Gallez. In het boek komen verschillende personages voor die ieder op hun eigen manier omgaan met een omgeving waarin ze nooit helemaal lijken te passen. De kaft van het boek alleen al is prachtig en ik kijk ernaar uit erin te beginnen.
  • Sulaiman Addonia, Stilte is mijn moedertaal (Uitgeverij Jurgen Maas, vertaling Irwan Droog). In Stilte is mijn moedertaal onderzoekt Sulaiman Addonia wat het betekent een individu te zijn wanneer je geen thuis meer hebt. Een roman over het leven in een vluchtelingenkamp, het al dan niet schikken naar de rol die je door de maatschappij wordt opgelegd en het achterlaten en winnen van talen en huizen. De kaft met een waaiend doek is prachtig en resoneert met de titel. Ik zie het voor me dit boek te lezen op een weidse vlakte waar de wind vrij spel heeft.

Thomas Möhlmann, penningmeester voor De Revisor en subsidiecoördinator en redacteur bij Singel Uitgeverijen

Deze boeken gaan mee in mijn rugzak:

  • Charles Simic, Dat ongrijpbare iets (vertaald door Wiljan van den Akker, Van Oorschot). Samen met Esther Jansma vertaalde dichter Van den Akker eerder (erg goed) gedichten van Mark Strand. Ik ben heel benieuwd naar zijn bloemlezing en vertalingen van Simic.
  • Anton Tsjechov, De dertig beste verhalen (vertaald door Hans Boland, Athenaeum-Polak & Van Gennep). Ooit kostte het ontdekken van de negentiende-eeuwse Russen me bijna mijn studie Nederlands, tot ik mezelf op een Russendieet zette. Daardoor nog steeds lang niet alle verhalen van Tsjechov gelezen, maar de beste dertig (volgens Nijhoffprijslaureaat Boland) na de zomer in elk geval wel.
  • A.F.Th. van der Heijden, Stemvorken (Querido). Een nieuw, lekker dik deel in Van der Heijdens uitdijende reeks De tandeloze tijd: ligt geduldig te wachten tot ik eindelijk vakantie heb.
  • Ineke Riem, fantasii (De Arbeiderspers). Riems tweede dichtbundel. Of ze nou proza of poëzie schrijft, ik ben sinds haar romandebuut in 2013 altijd benieuwd wat ze nu weer gemaakt heeft.

Dit las ik en raad ik aan:

  • Hannah Bervoets, Wat wij zagen (CPNB Boekenweekgeschenk). Boekenweekgeschenken vallen vaak een beetje tegen, maar deze van Bervoets over een content moderator bij een socialmediabedrijf is behoorlijk goed gelukt eigenlijk: interessante setting, navolgbare maar toch ook prettig onbetrouwbare ik-verteller, soepele verteltoon. [Lees ook Daan Stoffelsens leesimpressie.]
  • Dorien de Wit, eindig de dag nooit met een vraag (De Arbeiderspers). Verrassend en verfrissend debuut, perfecte poëzie om liggend op je rug en dan weer op je buik in een gras- en bloemrijk veld onder de zon te lezen. Af en toe even opkijken van het papier en om je heen zien of alles er nog is.
  • Liesbeth Lagemaat, Vissenschild (Wereldbibliotheek). Geen lichte zomerkost eigenlijk, maar wel een volslagen eigen en gedurfd lyrisch vertelwerk. Eén van de sterkste bundels van 2020 wat mij betreft.

Thomas Heerma van Voss, redacteur van De Revisor

Deze boeken neem ik mee in mijn rugzak:

  • Maartje Wortel, De groef (Van Oorschot). Een boek waar ik al maanden ontzettend zin in heb, en dat ik bewust heb bewaard tot de vakantie. Ook omdat ik zelf bezig met een Terloops-verhaal en ik wilde voorkomen dat Maartjes beschreven wandeling de mijne op de een of andere manier ging beïnvloeden. (Mijn eerste versie is inmiddels af.) Al denk ik dat dat risico eigenlijk klein is: Maartje Wortel schrijft altijd zo eigenzinnig en onderkoeld grappig, zo verrassend ook, ik ken niemand anders die zo schrijft zoals zij. Of zo kan schrijven. En juist daar kijk ik zo uit naar uit in De groef.
  • Jan Postma, Is dit alles? (Das Mag). Net verschenen, heel veel zin in. Behalve Twitter-fenomeen is Postma een van de scherpste en levendigste essayisten die ik ken, met veel gevoel voor stijl, en het vermogen om zichzelf en zijn eigen leven precies in de juiste dosering in zijn werk te stoppen. Nergens larmoyant, wel altijd persoonlijk. De voorpublicatie die ik afgelopen week in De Groene las, zou ik iedereen en met name iedere Twitter-gebruiker aanraden.
  • Lale Gül, Ik ga leven (Prometheus). Laatst attendeerde iemand me erop dat dit boek meerdere motto’s van Multatuli bevat. En dat het toch jammer is dat dat nergens in de kritieken terugkomt. Niet omdat het an sich zo bijzonder is, maar omdat het spel dat in dit boek schijnbaar centraal staat: een spel tussen hoge en lage cultuur, tussen pedant en alledaags, tussen totaal verschillende levens in milieus. Een spel waarbij Gül volgens diegene die me op het Mutatuli-citaat wees af en toe flink uit de bocht vliegt, maar ik houd er stiekem wel van als dat af en toe in een boek gebeurt, en ik ben heel benieuwd hoe Gül het benepen milieu van haar alter-ego verder tot leven roept.

En dit beveel ik van harte aan:

  • Bernardine Evaristo, Meisje, vrouw, anders (vertaald door Lette Vos voor De Geus). Een kloeke, overrompelende roman. Meisje, vrouw, anders is geschreven door een schrijver die moeiteloos enorme vraagstukken vermengt met alledaagse voorvallen, die tegelijkertijd oog heeft voor de grote lijnen als voor het kleinste detail. In dit verhaal volgen we twaalf vrouwen van kleur, wiens levens vermengd zijn – soms zijdelings, soms direct. De grote prestatie van Evaristo: ze nam me in al die verhaallijnen mee. Meisje, vrouw, anders dendert op een heerlijke manier voort, van het bestaan in 21ste-eeuws Londen naar afgelegen weeshuizen, naar het slavernijverleden van een Britse boerenfamilie, naar een docente die moet dealen met een stoet agressieve pubers. Slim, rijk, meeslepend – een ideaal boek om in een paar lange zomerdagen in te verdwijnen. [Lees Thomas’ bespreking bij De Groene Amsterdammer]

Waar ik naar uitkijk: De nieuwe roman van Gustaaf Peek, A.D. (Querido).

Kay Brugmans, vormgever van De Revisor en pr-medewerker Querido

Ik las Open water van Caleb Azumah Nelson (de Nederlandse vertaling van Adiëlle Westercappel verschijnt dit najaar bij Querido, Engelse editie ligt reeds in de winkel): Open water is een prachtig liefdesverhaal tussen twee jonge Brits-Ghanezen die elkaar in een pub in Zuidoost-Londen ontmoeten. Hij is fotograaf – net als de auteur – en zij is danseres. Vriendschap ontwikkelt zich tot liefde, en de schrijnende roman staat stil bij kwesties van ras en mannelijkheid. Discriminatie, kunst en liefde staan centraal. Het is een pijnlijk mooi boek om te lezen.

Ik neem mee: allemaal Querido-titels van de najaarsaanbieding… Maar ook Regeneratie van Eva Coolen (Das Mag). Een, als ik alles moet geloven, échte zomerse roadnovel over twee tieners die samen op pad gaan. Het klinkt erg filmisch, een jonge Thelma & Louise over ontsnappingsdrang en dromen. Heerlijk toch?

Toef Jaeger, voorzitter van het bestuur De Revisor

Mee op vakantie neem ik de biografie van Francis Bacon door Mark Stevens en Annalyn Swan (Francis Bacon Openbaringen (vertaald door Rob de Ridder en Eric Strijbos voor Spectrum)), alleen al omdat op de eerste bladzijde staat ‘In welke met schedels bezaaide grot kon hij [Bacon] worden gevonden?’

Aanrader: Rachel Cusk, De tweede plaats (vertaald door Marijke Versluys voor De Bezige Bij). Ik heb sowieso een hekel aan uitroeptekens en al helemaal als ze in romans staan, maar bij Cusk zijn ze oké, omdat ze ook in dit boek weer allerlei grenzen verlegt. [Lees Daan Stoffelsens leesimpressie bij De Revisor.]

Luuk Olde Boerrigter, verkoopmedewerker voor De Revisor en Singel

De recentste toppers die ik zou aanraden zijn Pieter Waterdrinkers De rat van Amsterdam (Nijgh & Van Ditmar) en Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden (De Geus, al vind ik Jaag je ploeg meer een winter- dan een zomerboek).

Wat ik in mijn koffer stop: ik hoop deze zomer wel ook te beginnen aan Vincent Merjenbergs debuut De grijzen (AtlasContact). Hij was mijn stagebegeleider in 2012 dus ik ben erg benieuwd.

Daan Stoffelsen, hoofdredacteur

Het zou geen zomerboek mogen zijn, want Sarah Halls nieuwste roman, Burntcoat (Faber & Faber), een lockdownroman over een kunstenaar en een aangekondigde dood, verschijnt pas in oktober. Ik kijk altijd enorm naar haar boeken uit, die bij het recenseren, vertalen (deze tweet komt voort uit herlezing van een van haar verhalen), en dus aanraden telkens weer nieuwe dimensies openbaren. Hall is een schrijfster die een scherp oog voor de mens en de natuur heeft, de kunst en de taal, en ik heb het zetbestand (!). Maar deze boeken zijn al echt verschenen, en kunnen dus ook in jouw tas mee:

  • Marian Engel, Beer (Koppernik), over een bibliothecaris en een beffende beer. Een tip van Athenaeum Boekhandel-collega Bob, en natuurlijk van Thomas. Uit het fragment dat bij Athenaeum te lezen is: ‘“Heeft er ook iemand iets gezegd,” vroeg hij, “over de beer?”’
  • Gilles van der Loo, Dorp (Van Oorschot). Van der Loo’s romans zijn verhalen met een hart, warm en ambachtelijk, en nu hij in Sloterdijk duikt, het dorp dat geen dorp meer mag zijn – zoals zoveel woonplaatsen hun intimiteit en samenhang aan de moderniteit moesten prijsgeven -, kan dat alleen maar goedkomen. Ook hiervan heeft Athenaeum een fragment. ‘In het begin was er het dorp en het dorp was een wereld, een thuis dat aan mijn kleinste veren trok, me dwong te vertragen, te cirkelen en dalen,’ is de eerste zin, met bijbelse klank en een prettige beweging.
  • Lieneke Frerichs’ Nescio-biografie (Van Oorschot) en Toef Jaegers Barbarber-geschiedenis (Querido), Hanna Bervoets’ verhalenbundel (Pluim), proza van Maarten Asscher (Boom, fotosyntheses!), Erik Lindner (Van Oorschot, filmisch en Baskisch), Robbert Welagen (Nijgh & Van Ditmar, rouw en liefde), Nicolien Mizee (Van Oorschot, haar faxen zijn Privédomeinwaardig, maar los van die reeks zijn ze al heel goed), Emily Kocken (Querido, licht en lyrisch Parijs) en de bekroonde romans van Annie Ernaux (De Arbeiderspers) en Bernardine Evaristo (De Geus, beiden shortlist Europese Literatuurprijs) gaan ook mee, in ieder geval op de e-reader.

Maar dat zijn verwachtingen, wat heeft het al waargemaakt? Een elftal, de doelman is eigen kweek.

  • Essays van overzee: Anne Boyers Het ontsterven (The Undying, vertaald door Henny Corver voor AtlasContact), Maggie Nelsons Bluets (vertaald door Nicolette Hoekmeijer, ook AtlasContact), Olivia Laings Everybody. Boeken die je het geijkte, het gegevene doen herzien. Pijnlijke boeken, poëtische boeken, denkende boeken. En heb ik Helen Macdonald al genoemd? Schemervluchten (Vesper Flights, vertaald door Joris Vermeulen en Nico Groen voor De Bezige Bij) is meer een verzameling dan één essay, maar perfecte materie voor een vakantie in de natuur. [Ik schreef erover voor Athenaeum.]
  • De beste verhalen: Annelies Verbekes Treinen en kamers (De Geus) is weer een ijzersterke bundel van de Biesheuvelprijswinnares. Geestig, ongemakkelijk, raak. Actueel en door wereldliteratuur geïnspireerd. [Ik schreef er hier eerder over.] En het korte proza van Sander Kollaard (Van Oorschot, gebundeld in De laatste dag van de koning) me ongewoon optimistisch stemde. [Stuk bij Athenaeum.]
  • De sterkste romans: K. Schippers’ lichte vormen- en ideeënspel in Nu je het zegt (Querido) prikkelt me blijvend. Hoewel: is dit een roman? [Ik schreef erover voor De Revisor.] Dat kun je in ieder geval zeker zeggen van Peter Terrins Al het blauw (De Bezige Bij), een geweldig in elkaar gezette roman over een jongen die volwassen wordt. Hard en sexy en spannend, en volkomen geloofwaardig. [Stuk bij Athenaeum.]
  • Boeken voor kinderen van jong tot oud: de ‘sprookjes’ van Paul Biegel (Gottmer) zijn een heerlijke inleiding in zijn oeuvre. [Ik schreef erover voor Athenaeum.] En Ted van Lieshouts Wat is kunst? Begin een eiland (Leopold) is even geestig als informatief als innovatief. Veel geleerd en gelachen. [Stuk bij Athenaeum.]
  • Uit eigen koektrommel: De Revisor 25, ‘De oversteek’, met veel onversneden, precorona eiland- en zeegevoel. Met een sterrencast: Jeroen van Kan, Mathijs Deen, Deniz Kuypers, A.L. Snijders, Jan van Mersbergen, Emily Kocken (de proloog van haar roman!), Marjolijn van Heemstra, Cynan Jones, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Roberta Petzoldt, Iduna Paalman, Ocean Vuong, Bart Koubaa, Erik Lindner.

K. Schippers, Richard Osinga: de redacteur las twee puzzels, een onbegrijpelijke collagezoektocht naar taal en een thrillerachtige roman over een virus, een sekte en het geheugen.

*

Daan Stoffelsen: K. Schippers, Nu je het zegt, en Richard Osinga, ARC

K. Schippers’ proza heeft iets onnavolgbaars. Het springt van gedachte op gedachte, zinnen worden telkens door andere mensen elliptisch afgemaakt met een beletselteken, en het decor en de personages schuiven alle kanten op. Zijn laatste roman heet Nu je het zegt. Een zoektocht naar het oude huis van een Duitse kunstenaar in Londen loopt uit, via ontmoetingen met een ondertitelaarster, een Vietnamese schilder, een presentator en een naamloze, aantrekkelijke Vietnamese vrouw, op een zoektocht naar de autobiografie van de taal. Het is prachtig, ontroerend, rijk, onbegrijpelijk, fragmentarisch.

Puzzel

Wacht, hier past een beeld uit een ander boek. Ik las met groot genoegen Richard Osinga’s nieuwe roman ARC, en daarin komen de drie verhaallijnen aan het slot bij elkaar. Iets daarvoor stuit een van de drie hoofdpersonen, een Amsterdamse neurologe, op een belachelijke hoeveelheid onbekende virussen bij een man in coma. Ergens bevatten ze de verklaring voor zijn coma, maar hoe? Thuis probeert ze op aanraden van haar vriend ‘rubber duck debugging’ — iets uitleggen aan iemand anders, zelfs aan een badeendje, helpt je zelf ook het probleem te begrijpen (voor dit beeld ben ik Osinga al dankbaar) —, en krijgt alsnog doorslaggevende hulp.

‘Mo antwoordt niet maar opent de bovenste doos en gooit de stukjes op de vloer. Dan pakt hij de tweede en kiept de inhoud boven op de hoop. Dan de derde doos en de vierde, tot er een enorme hoop puzzelstukjes op de grond ligt. Hij roert er met zijn hand door tot niet meer te zien is bij welke puzzel de stukjes horen.
“Dit is jouw probleem. Dit keer tienduizend. Hoe pak je het aan?”’

ARC draait om drie mensen, een Amerikaanse hersenwetenschapper, een Amsterdamse neuroloog en een Indiase, vijftiende-eeuwse dichter. Wat ze gemeen hebben, is het ARC-gen, dat verantwoordelijk is voor ons geheugen en dat een stuk eerder in onze evolutie als een virus ons heeft bereikt. Dat virus is er niet meer. Toch? Osinga verweeft de drie verhaallijnen heel overtuigend, tot een thrillerachtig speculatief gegeven: een Indiase sekte geeft dat virus nog steeds door, met gruwelijke rituelen.

Ik was enthousiast over Osinga’s vorige roman, een mozaïek dat heel veel ruimte liet om zelf verbanden te leggen, of je gewoon neer te leggen bij de kracht van een individuele geschiedenis. De verhalen, mystiek, magisch, hadden elk hun eigen stijl en toon. In vergelijking met dat boek valt ARC wat tegen: behalve in de soberder middeleeuwse Indiase lijn is de stijl hetzelfde, wat vlak, de decors (New York, India, Amsterdam) zijn wat generiek geschetst en de dialogen zijn nogal eens wat uitleggerig. Dat uitleggerige is noodzaak: je zou een aflevering van Onbehaarde apen nodig hebben om de wetenschappelijke basis van de fictie te schetsen. Maar het intrigeert wel, Osinga overtuigt je telkens weer naar een andere verhaallijn te schakelen, tot de puzzelscène een latent kritiekpunt aan het licht brengt: deze roman is een puzzel. Maar nu is hij af.

Doe het liever zelf

Net als bij Osinga voert K. Schippers’ overleden personages op als gesprekspartners in een verhaal nu. Terwijl de Vietnamese schilder Le Phô en Bert Schierbeek toch echt niet meer onder ons zijn. Een derde gesprekspartner, de taal, sluipt ertussendoor. Dringt zich op.

‘Ik vertrouwde al jong niet hoe een ander over mij praat, doe het liever zelf, al lukt je dat nooit helemaal. Het wordt tijd dat ik aan het woord kom, onaangelengd met problemen van anderen. Wat krijg je dan?
M’n eigen taal, die ik tot nu toe heb gehoord en gesproken, van niemand anders.’

Later:

‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets lees of beschrijf, ben ik er, een spitssnuitdolfijn kan z’n adem onder water twee uur inhouden. Soms dompel ik me in de taal tussen twee kaften, die in stilte op me wacht.’

Is ze een gesprekspartner of een extra verteller?

‘Hoe is het als woord in een zin te staan en in welke. Kan me beter stilhouden, wat moeilijk is als ik er steeds moet zijn. Je vergeet me wel, als de lucht die je inademt, vloer onder je voeten, hemd tegen je rug. Je voelt het niet meer, terwijl het er wel is, denkt er niet aan of er moet iets beschadigd zijn.’

Dat elliptische, de twijfel over wie ik en je zijn. Een collage van gedachten, noemt K. Schippers het bij Het Parool, en hier is het gewoon in één zin, gescheiden door een komma, hij versnelt, zoals hij ook kan vertragen door zinnen niet af te laten lopen, sprekers in elkaar over te laten gaan, zoals hier de schilder (Le Phô) en de presentator (Dodo)…

‘“Het witte Durgerdam, net even uit het niets, Nescio, 31.8.55,” herinnert Dodo zich.
“…zoals je de ruimte om je heen ziet…”
“…de taal niet meer kan gebruiken…”
“…wat moet je dan doen…”
“…de taal zelf aan het woord laten,” zegt Dodo, staat op en richt z’n arm uitnodigend naar mij.
“Er is al zo veel uit mijn naam gedaan dat ik het er niet over wil hebben,” begin ik en loop naar voren. “Op het eind schemeren de andere namen door de alinea’s heen. Praat je over het strand waar je op staat, wat gaat erin schuil, nat, dan, rand, sta of dans je op het nabije, als in deze zaal.”’

Een zoekende dialoog… en als de ik dan zelf aan het woord komt, Gerard Stigter, K. Schippers, dan zijn het intrigerende zinnen. Het schemeren van namen (zijn broer? De Babarber-kameraden?), en dat taalspel met het strand, geweldig.

(Noot voor de redactie, voor toekomstige publicatie: ik zou wel een themanummer over het beletselteken willen maken. Hadden jullie ook op de titelpagina van het komende nummer gezien hoe de zetter het gebrek aan een thema had opgelost?

Eerste proef De Revisor 29, [...]

[…] Ik zou wel een essay willen lezen over K. Schippers en het belet, ‘Contra puntjepuntjepuntje’, een pamflet, puntige poëzie die pauzeert, proza waarin stiltes vallen.)

(Noot voor mezelf dan: mijn essay over literatuur en landschap voor het najaarsnummer, dat kan ook in Nu je het zegt beginnen. De Vietnamese is in gesprek met de ik: ‘Lessen in niets, “net als dit,” ze wuift naar alles om zich heen, terughoudend, er is te veel van, die gratie. “Het landschap…” “…ja…” “…door groen gestut niets…” “…af en toe een andere kleur…”’ Ja, met de landschapsmijmeringen van K. Schippers kan ik de boel wel weer omgooien.)

Kortom: lees K. Schippers en Richard Osinga voor puzzels – met of zonder hoekstukjes.

Nu je het zegt verscheen bij Querido. ARC bij Wereldbibliotheek.

Marian Engel, Olivia Laing: de redactie las een fascinerende roman, losgezongen van de bekende werkelijkheid, en een intelligent, vloeiend, raak en geestig essay over het lichaam en het politieke.

*

Thomas Heerma van Voss: Marian Engel, Beer

Alles wat uitgeverij Koppernik uitbrengt wil ik lezen. Niet alleen omdat de boeken van zo’n hoog niveau zijn, ook omdat ze er zonder uitzondering prachtig uitzien. Misschien had ik Beer dus nooit opengeslagen als het bij een ander fonds was verschenen, en als het niet met dit prachtige omslag nu, decennia na oorspronkelijk publicatie, voor het eerst was verschenen.

Die uitgave, in de vertaling van Barbara de Lange, riep bij mij trouwens wel de behoefte op aan een kort voor- of nawoord: waarom werd dit boek uitgerekend nu uitgegeven? Omdat het gaat over een zelfstandige vrouw die haar eigen route kiest, omdat het op die manier past bij sommige feministische literatuur? Omdat de natuur zo’n grote rol speelt? En hoe verhoudt het zich tot de rest van het werk van de Canadese Marian Engel, werd dit goed ontvangen, waren mensen geschokt door de relatie die de hoofdpersoon met een beer ontwikkelt?

Ik heb nog steeds geen idee, en ik zou een en ander natuurlijk best alsnog kunnen nazoeken – maar hoewel ik die behoefte zeker heb, gevoelsmatig past dat ook weer niet helemaal bij Beer. Want dit is een fascinerend verhaal dat zich af lijkt te spelen buiten de alledaags werkelijkheid. Eigenlijk laat deze roman zich het beste omschrijven als een sprookje, slim en geestig verteld, en het knappe: ondanks de zeer onwaarschijnlijke premisse volkomen geloofwaardig. We volgen een schuchtere, teruggetrokken bibliothecaris, die gewoonlijk ‘als een mol’ leeft, zoals de eerste zin al vermeld – ongetwijfeld is het opzet dat er meteen een klein, ondergronds dier wordt genoemd. Ze krijgt de opdracht de bibliotheek van een zeer afgelegen landhuis te inventariseren. Een opdracht van maanden, al ontdekt ze ter plaatse snel dat het helemaal niet zo veel werk is en dat de collectie ook niet zo veel voorstelt.

Maar als dat eenmaal tot haar doordringt, is ze al bezig haar verblijf te rekken: ze raakt gefascineerd door de beer die in de achtertuin woont. Ze voedert hem, aait zijn vacht, gaat op den duur met hem zwemmen, laat hem toe in huis. Heel vanzelfsprekend en zakelijk wordt die band beschreven, maar Engel slaat regelmatig een komische terzijde in en gebruikt toch geen enkele overbodige alinea. Wat mij vooral aansprak: het karakterloze van die beer. Gedurende de hele roman blijft het in het midden wat hij van haar vindt. Of hij blij is met haar aanwezigheid, onverschillig – ze vermoedt weleens dat hij verdrietig is, en vooral oud en log, maar ze beseft ook dat al die emoties projecties zijn.

‘Zijzelf had geen idee wat dieren dreef. Het waren levende wezens. Het waren geen mensen. Ze nam aan dat hun functie werd bepaald door de omvang, vorm en complexiteit van hun hersenen. Ze nam ook aan dat ze een vaag, flakkerend onverwoord geestelijk leven leidden.’

Tot aan het einde toe had ik ook geen idee, op de achtergrond blijft er sudderende dreiging vanuit de beer, ook al doet hij eigenlijk niks. Evenmin kreeg ik écht gevoel voor wat de hoofdpersoon bewoog of voelde. En toch ging ik helemaal mee in deze onvoorspelbare en onmogelijke dynamiek, losgezongen van de werkelijkheid zoals ik die kende. Een roman die nog lang door mijn hoofd zal gaan.

Koppernik gaf Beer uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Olivia Laing, Everybody: A Book About Freedom

Zo kan je ook schrijven over het fysieke: niet de focus op het lijfelijke, niet de meezwellende taal, niet de overtuiging dat lichaam en geest onscheidbaar zijn, iets waar je een hele Revisor (‘Huid’!) al mee kunt vullen, maar aandacht voor het politieke van het lichaam. Dit is, schrijft Olivia Laing in haar intelligente, vloeiende, rake en geestige vierde boek Everybody: A Book About Freedom (de vertaling van Henny Corver verschijnt dit najaar) de ‘essential Reichian dynamic: that the political world can make bodies into prisons, but that bodies can also reshape the political world’.

Dat vergt toelichting. Reichian bijvoorbeeld: Wilhelm Reich (1897-1957) was een uiterst getalenteerde leerling van Sigmund Freud, die boeken schreef als Die Sexualität im Kulturkampf (The Sexual Revolution), Die Massenpsychologie des Faschismus, The Bioelectrical Investigation of Sexuality and Anxiety en The Discovery of the Orgone. Eerst individueel, gericht op seksualiteit, steeds geëngageerder, met oog voor maatschappelijke achtergronden van psychische problemen, en uiteindelijk, in ballingschap, overtuigd van een seksuele levensenergie, orgon. Een fascinerende man, geniaal en gek, die in Laings boek regelmatig terugkeert en waarmee ze continu in gesprek gaat.

Reichs werk beïnvloedde veel denkers en schrijvers van de twintigste eeuw, en brengt Laing op een onderzoek naar het lichaam en hoe het beperkt wordt. Naar ziekte, naar seksualiteit, geweld, gender, gevangenschap, racisme, maatschappelijk protest en politionele reactie. Heel overtuigend mengt ze haar eigen geschiedenis – ze praktiseerde ‘herbal medicine’, kwam uit een homoseksueel gezin, maakte deel uit van radicale protestacties, identificeert zich als non-binair – met die van de bevrijdingsbewegingen van de twintigste eeuw, de bewegingen die onder groeiende conservatieve en radicale druk nog steeds relevantie hebben. De lichamen van mensen met een andere seksualiteit, gender of kleur dan die van de witte heteroman worden nog steeds gezien, onderscheiden en onderdrukt. Laing reist mee met Wilhelm Reich, maar ook met Nina Simone, Christopher Isherwood, Andrea Dworkin, Sigmund Freud, Susan Sontag, Marquis de Sade en Malcolm X. Maar ze introduceert ook kunstenaars van wie ik niet eerder hoorde, zoals Ana Mendieta en Agnes Martin en Philip Guston.

Ongetwijfeld heb ik als classicus en selfmade recensent niet de juiste achtergrond om Laings analyses op waarde te schatten, maar ze overtuigt me, en ze schrijft mooi en raak. Over Sontag en haar ziekte, fysiek en identiteit: ‘It was painful, also humiliating, this submergence of her self, her real being, into the passive, damaged body of the patient.’ Ze citeert Audre Lorde over ziekte en levensgeschiedenis: ‘Each woman responds to the crisis that breast cancer brings to her life out of a whole pattern, which is the design of who she is and how her live has been lived.’

Over onveilige seks schrijft ze:

‘We were feminists who’d cut our teeth on riot grrrl fanzines, still somehow incapable of saying put a condom on, not just out of embarrassment but because the present-tense surrender as so conclusive it thrust the future out of existence. […] We knew only an idiot would have unprotected sex, but that didn’t answer the onging conundrum, which is that the sex was better, it’s just that the life that followed was palpably worse, at least for one member of the experimental unit.’

‘Present-tense surrender’ is prachtig prozaïsch gezegd en ‘one member of the experimental unit’ benadrukt raak hoe de vrijheid van de seksuele revolutie (die van de jaren zestig, niet die van Reich) ongelijk verdeeld is.

Ze laat ons kennismaken met de vooroorlogse seksuoloog Magnus Hirschfeld, en besluit een alinea minstens zo geestig:

‘These interviews revealed such a diversity of sexualities, not to mention differences in genitalia, that Hirschfeld’s belief in the existence of anything so simplistic as two genders was eroded. No, the line between male and female, straight and gay was decidedly blurred. In 1910, he calculated that there were forty three million possible combinations of gender and sexuality, a near-infinite spectrum of human possibiliy that goes far beyond our own era’s tentative acceptance of gender and sexual fluiditiy. Imagine telling J.K. Rowling.’

En vertelt hoe zijn boeken door de nazi’s verbrand worden, en verbindt zo ideologie en gewelddaad: ‘Eugenics regards the human race as a kind of library, some volumes of which need to be removed from circulation.’

Ze leest Angela Carter over De Sade met instemming: ‘You don’t have to foreclose on erotic possibility just because you’d like to leave the bedroom with your limbs intact.’

We zijn dan nog niet op de helft van het boek. Ze laat zien hoe Reich eenzamer wordt en de vrijheid uiteindelijk zoekt in de ‘orgone accumulator’, een bizar soort kist waarin je levensenergie vrij kan stromen. Een gevangenis om in vrij te worden. Ze gaat door tot ruim na de Tweede Wereldoorlog met het aanwijzen van hoe lichamen en politiek botsen, hoe onvrij je kunt zijn als je anders bent of anders streeft. Ze ziet de paradoxen, hoe de bewegingen van de twintigste eeuw gestopt en omgekeerd werden, al in de jaren dertig, of in de Verenigde Staten onder Trump, ze ziet vernietiging en hoop. Everybody is een ontzettend rijk boek, zo’n boek dat je in vertaling gewoon gaat herlezen om meer te leren.

Everybody is uitgegeven door Picador, en te koop bij bijvoorbeeld Athenaeum Boekhandel. De vertaling van Henny Corver verschijnt bij AtlasContact.Meer informatie via Laings site.

Lieneke Frerichs over Nescio: de redacteur herlas een eerste versie van Titaantjes in De Revisor en grasduinde in de mooie, overtuigende Nescio-biografie van Lieneke Frerichs.

*

Daan Stoffelsen: Lieneke Frerichs, Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

‘”Jongens waren we – maar aardige jongens.”
Dit is een van de klassieke openingszinnen uit de Nederlandse literatuur, op één lijn met Gorters “Een nieuwe lente en een nieuw geluid.” Het lijkt ondenkbaar dat Nescio zijn Titaantjes ooit zou hebben laten beginnen met een andere zin.
Toch is dat zo geweest. Uit de talloze bladen en blaadjes van Nescio’s literaire nalatenschap zijn een aantal fasen te reconstrueren die aan de definitieve versie voorafgingen, en het verhaal dat u zojuist gelezen hebt is de eerste afgeronde versie van Titaantjes: de oer-Titaantjes om het maar eens lelijk te zeggen.’

Ondenkbaar, oer om het maar eens lelijk te zeggen: met die woorden begint Lieneke Frerichs haar commentaar bij de eerste versie van Nescio’s beroemde verhaal, dat door haar in De Revisor 1979-3 is gepubliceerd, toen we nog een ‘letterkundig’ tijdschrift waren, maar wel een aardig letterkundig tijdschrift. Nescio had gelijk, die eerste versie kwam maar traag op gang. (Na te lezen bij de DBNL, maar ook in het Verzameld proza en nagelaten werk.)

Terzijde over Nescio & A.L. Snijders

In haar mooie biografie, die onlangs verscheen en die ik nu doorblader, bespreekt Frerichs in het hoofdstuk ‘De wereld van “Titaantjes”. 1911–1915’ ook het verhaal ‘Kortenhoef’ (opgenomen in Boven het dal), waarin ‘onze oue vriend Snijders, met een fluweelen vest’ voorkomt. ‘”Hé Bavink!” “Goddori, Snijders.”‘ De deze week overleden Peter Müller (1937-2021), docent Nederlands en als A.L. Snijders columnist en schepper van het genre van het zeer korte verhaal was kenner van Nescio’s oeuvre, en kende dat verhaal ook, misschien komt daar zijn pseudoniem vandaan (die suggestie kwam ik ook in De Stentor tegen). Uit een ZKV uit 1997:

‘Op deze plaats kan nu alleen maar Nescio geciteerd worden. Ik heb het weliswaar al eens vaker gedaan, maar Nescio kan niet stuk en daarom doe ik het nog eens. Het is een noot bij het verhaal Kortenhoef dat omstreeks 1911 geschreven is. De noot is van 1942. Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig.’

(Hoewel in Het Parool een tegenstrijdige opmerking van A.L. Snijders geciteerd wordt: ‘In de tijd dat ik met mijn zkv’s begon was het voor columnisten gebruikelijk om onder een andere naam te schrijven. Ik nam de eerste naam die in mij opkwam, A.L. Snijders, maar het had ook J.H. van Dam kunnen zijn.’)

‘Ik moet nog 30 worden!’

Nescio dus, die in een voetnoot zijn romantische sentiment – het landschap was, stelt Frerichs, heel belangrijk voor Grönloh – heerlijk ironisch kleurt: ‘aardig’, ‘geplempt’, ‘god zegene’, ‘hardhandig’. Iemand die ook voor mij een belangrijke schrijver is, die me nieuwsgierig maakt (zoals hier) of boos (zoals hier) en me zelfs eens tot een Amsterdamse wandeling met hagel inspireerde. Ik kijk heel erg uit naar de rest van deze biografie.

Het helpt me altijd om dan terug te rekenen hoe oud iemand is op het moment van schrijven. Deze eerste versie, die in De Revisor kwam, stamt uit het voorjaar van 1912, schrijft Frerichs. Net na dat verhaal met Snijders. Dan is Frits Grönloh nog geen dertig! Oh wacht, daar heeft Frerichs wat over opgedoken, Grönloh zelf schrijft op een los blad:

‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man. Ik moet nog 30 worden! Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten. Ik weet niet of ’t me lukken zal, ik ben zoo’n stakker.’

Over die eerste versie:

‘In de eerste twee hoofdstukken wordt beschreven hoe de vrienden elkaar hebben leren kennen. Grönloh kiest daarvoor eenzelfde stramien als in eerdere verhalen, namelijk via een ontmoeting tijdens een wandeling of een zwerftocht. Dat begin heeft hij later verworpen, zo vertelde hij aan Nol Gregoor, omdat hij het te realistisch verteld vond. Met de hoofdstukken III en IV komen we weer op bekend terrein met de inzet: “Jongens waren we – maar aardige jongens” en de beschrijving van de bijeenkomsten op de zolder van Kees.’

Ja, analyseert ze: ‘Het “Titaantjes”-materiaal laat ook zien hoe de schrijver zocht naar een minder realistische manier van vertellen, meer aansluitend op de dubbele perspectief (toen en nu) van het huidige eerste hoofdstuk.’ En ze vertelt over de eerste toehoorders van het verhaal. ‘Ook aangrijpend voor de kinderen Grönloh, toen die het verhaal door hun vader voorgelezen kregen. Miep Boas-Grönloh herinnerde zich hoe ze bij de scène waarin de dronken Bavink smeekt om de zon op te bergen in een hoedendoos, huilend de kamer uit holde.’

(Nog eens wat anders dan hoe tijdgenoot Kafka lachend voorlas aan zijn zusjes en vrienden. Willem van Toorn vertelde me in 2019: ‘Kijk, voor mij is het van groot belang dat als Kafka zijn werk voorlas, vaak ‘s morgens als hij s nachts geschreven had, aan zijn zusjes, en ’s avonds aan zijn vrienden, en dat hij dan af en toe moest ophouden van het lachen.’)

Het verhaal was in 1914 af, maar werd niet in die vorm geaccepteerd door De Gids, vooral door ‘de tirades, waarin van God gesproken wordt, op een wijze die onder 90 pct van de Gidslezers groote ergernis zou wekken’. Toen stortte hij in. ‘Het is duidelijk: Grönloh was ernstig overspannen. Allicht zal hij teleurgesteld zijn geweest over het verloop van de onderhandelingen met De Gids, maar er lijkt veel meer aan de hand.’ Frerichs maakt aannemelijk dat het werk aan het verhaal ook depressies opgewekt heeft. ‘Overspannenheid en depressie liggen nu eenmaal dicht bij elkaar. Het voortdurend balanceren tussen een sterke vrijheidsdrang (de onconventionele vrijbuiter) en een sterk plichtsgevoel (de harde werker) zal hem zijn opgebroken.’ Het verhaal verscheen uiteindelijk met amper wijzigingen in 1915 in Groot Nederland.

De biografie

Het is verleidelijk veel van Grönloh/Nescio te citeren, Frerichs doet dat zelf ook, zoals in ‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man’. ‘Mijn stem was niet nodig, omdat Nescio’s stem al zo krachtig is. Ik leg het materiaal open en de lezer kan zijn of haar eigen gedachten vormen. Ik stuur wel, maar niet dwingend,’ zegt ze tegen Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad. Maar als ze stuurt, dan ga ik er wel in mee. Zoals bij die overspannenheid, maar al in de Inleiding – ik blader nu weer terug, naar de Proloog die ook op Athenaeum.nl is voorgepubliceerd – is haar analyse van Nescio’s taal en stijl heel sterk.

‘Het is een heel kort schetsje, “Pleziertrein”, maar het bevat om zo te zeggen de complete “Nescio”. Het lijkt net of het zonder enige moeite op papier gekomen is, terwijl het toch een hele kunst is om met zo weinig woorden een complete wereld op te roepen. Hoe doet de schrijver Nescio dat?
Het verhaal is om te beginnen geschreven in gewone taal, zonder opsmuk. Die taal, met zijn haast laconieke natuurlijkheid, is Nescio’s grote kracht. […] Opvallend zijn de vele herhalingen, die het stukje structureren […]. Opvallend is ook de lichtheid van toon […]. Die doelbewuste soberheid, met veel ruimte tussen de woorden, is eveneens kenmerkend voor Nescio’s werk. Bij hem gaat het niet om de plot (want in veel van zijn verhalen gebeurt eigenlijk niets) maar om iets anders, noem het maar een atmosfeer of een stemming, een stemming van weemoed en melancholie en verlangen.
En vergeet de humor niet. Overal in Nescio’s werk vind je die lichte geestigheid, die tegelijk ironisch is. […]
En tot slot tref je overal die twee tegenpolen aan, dat dubbele gezichtspunt waar Nescio het patent op heeft.’

Ja! En tegelijk weet Frerichs aannemelijk te maken dat Nescio’s proza veel biografische elementen van Grönloh bevat – wat niet wil zeggen dat er heel veel meer leven en werk náást de literatuur te beschrijven is, of dat alles autobiografie is. Er is kortom genoeg reden om door te lezen. Dat ga ik doen.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Marjoleine de Vos: de redacteur las een handzaam en mooi essay over landschap en verlies en goed kijken.

*

Daan Stoffelsen: Marjoleine de Vos, Je keek te ver

‘Maar het lezen hebben we verleerd. En wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden.’ Wie begon met dat leesbare landschap weet ik niet, Willem van Toorn (in Leesbaar landschap (1998)) of nog iemand eerder, maar Marjoleine de Vos’ lezing is wel erg aantrekkelijk. Ze schrijft over de geschiedenis in je uitzicht, hoe economische activiteit van weleer (fruitproductie – in die diepe tuinen daar stonden vruchtbomen – of het afgraven van vruchtbare grond) het landschap bepaald heeft, wat je dus met kennis kan winnen. Maar ook hoe onwetend er wordt gebouwd, gebulldozerd en gedempt – en er dus ontzettend veel te verliezen is. Je keek te ver is juist ook een essay over verlies, over rouw.

Je keek te ver is een van de eerste delen van de ‘Terloops’-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Het formaat en de vormgeving is prettig, de line-up voorbeeldig (Maartje Wortel, Nelleke Noordervliet, Gerbrand Bakker, Thomas Rosenboom, en Marijke Schermer en Willem Jan Otten komen eraan) de prijs is goed (koop ze in de fysieke boekhandel!) – eigenlijk gek dat ik verder alleen Bregje Hofstedes Bergje nog heb gelezen.

Rouw dus, want ik denk dat landschappen betekenis krijgen door hun bewoners (vogels! Een ree, een kudde van het een of ander), de passanten en kijkers. (Van Toorn: ‘Landschap is wat door een kijkende mens wordt gezien, door zijn blik in een kader geplaatst, in zijn uiterste vorm van natuur tot kunst gemaakt.’) En als een element ontbreekt, een medewandelaar, een medekijker, doet dat pijn. De Vos, understating:

‘Ik heb niets te klagen natuurlijk, ook al heb ik dan landschapspijn en rouw ik om wie net nog naast me waren, om iemand van wie ik zo zielsveel heb gehouden. Dat is normaal.’

Ze heeft dus heel veel te klagen, en dat is paradoxaal genoeg normaal. Een gegeven, zoals het landschap industriëler of kunstmatig natuurlijker kan zijn dan het altijd was – maar het is er, en het is mooi of niet. Normaal. Maar ondertussen weet De Vos de kunst van het verliezen en de kunst van het winnen heel mooi te combineren. Het landschap biedt allebei.

‘Je wordt iemand anders van [leven op het platteland], maar in welke zin? […] [A]ls je gevoelig bent voor het roze kleuren van een enorme avondlucht, voor hoe de zon schijnt op het groen in de hals van een woerd, voor de brede schuren van de boerderijen en het buitelen van hazen in het voorjaar, dan voel je je alsof je in zekere zin tot jezelf terugkeert door wat je ziet, hoort en ruikt.’

Ja, dat kun je sentimenteel vinden, maar van goed kijken is nooit iemand slecht geworden. En ja, Gilgamesj en Pessoa voelen als hoogdravend vreemde eenden in deze Noord-Groningse omgeving, maar C.O. Jellema past er zeker wel en Rutger Kopland ook. Marjoleine de Vos onderzoekt hun teksten, die omgeving, de mystiek, het herkennen en het missen – in maar 72 pagina’s zakformaat. Heel knap, en nu al een vademecum bij het maken van ons najaarsnummer, dat over literatuur en landschap gaat.

Van Oorschot gaf Je keek te ver uit. Abonnees ontvangen het najaarsnummer als eerste thuis.

A.F.Th. van der Heijden, maar vooral Hanna Bervoets: de redacteur las het Boekenweekgeschenk en denkt na over filters, overtuigingskracht en standaardromantiek.

(Lees ook eerdere bijdragen op derevisor.nl over de Boekenweekgeschenken van Haasse, Lanoye & Claus, Wieringa, Verhulst – en het Boekenweekessay van Özcan Akyol.

*

Daan Stoffelsen: Hanna Bervoets, Wat wij zagen

Eigen schuld. Willens en wetens raakte ik verstrikt in twee dikke boeken van witte mannen, terwijl ik had bedacht hier vooral over ándere boeken te schrijven. Na een week absentie las ik er weer een: terwijl ik bijna op een kwart ben van A.F.Th. van der Heijdens lesbische liefdesroman Stemvorken (en er nog geen hand tussen de benen is verdwenen) dient zich een natuurlijker verhouding aan in Hanna Bervoets’ Boekenweekgeschenk Wat wij zagen. Een novelle over filteren, zo moet je dat denk ik noemen, een geslaagde novelle over liefde en sociale media.

Kayleigh werkt bij een bedrijf dat aanstootgevende filmpjes, foto’s en teksten moet verwijderen van een Facebook-achtig platform. ‘Ik wist waar ik aan begon. Ik wist wat ik deed en ik was er nogal goed in.’ Ook al veranderen de regels continu: Kayleigh kan uitstekend het hilarische of leerzame of nog te redden scheiden van het beledigende of gruwelijke. Wat niet wil zeggen dat het gros van wat ze ziet vreselijk ís. En de omstandigheden zijn callcenter-min: weinig pauzes, hoge druk, geen psychologische begeleiding.

Reden om het bedrijf aan te klagen, en dat is de vorm van het boek: Kayleigh wil zich niet aansluiten bij de klagers en legt in briefvorm uit waarom haar probleem met het bedrijf eerder persoonlijk is. Ze wist waaraan ze begon, en ze werd verliefd op een collega. Die collega wordt steviger geraakt door wat ze ziet, slaapt slecht, en ze raken elkaar kwijt. Maar welke signalen zijn doorslaggevend? Wanneer zegt iemand echt nee? Die afwegingen maak je continu, zeker als je iemand net kent; Bervoets voert een scène in hun stamkroeg op (een ‘sportsbar’) waarin een collega grappen maakt over onder andere joden. Dat kan dan, hij is zelf joods, hij is onder vrienden. Als later de Holocaust in twijfel wordt getrokken door andere collega’s, kan dat níét.

Bervoets’ brief heeft tempo, is spreektalig en toegankelijk, eigentijds en prettig vanzelfsprekend over liefde tussen twee vrouwen. Van der Heijden heeft een andere ambitie in Stemvorken, dus een oordelende vergelijking is niet eerlijk, maar het illustreert wel de verschillen. Neem de eerste zoen:

‘Ik dans niet en ging op een van de laatste vrije barkrukken zitten. Sigrid kwam naast me staan, de muziek stond te hard om elkaar te kunnen verstaan en dus ook om shotjes af te kunnen slaan en mijn herinnering aan onze eerste zoen is eerlijk gezegd nogal vaag. Later, in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen, zou ik die zoen desalniettemin oproepen wanneer ik masturbeerde en inmiddels is mijn herinnering aan die fantasie scherper dan mijn herinnering aan de avond zelf. In de fantasie blijft Sigrid me almaar aanstaren. Ze doet alles om me aan te raken, hangt overdreven over me heen wanneer ze een nieuw biertje van de tray tilt. In de fantasie leg ik mijn hand dan op haar bovenbeen, waarop zij haar hoofd schudt en rood wordt, en dan ga ik naar de wc en komt zij achter me aan gelopen. Ze trekt aan mijn schouder om me naar zich toe te draaien en ik duw haar tegen de muur; we blokkeren het toch al smalle gangetje naar te toiletten en tegen de tijd dat onze lippen elkaar raken ben ik meestal klaargekomen […] Twee mensen die ergens vanbinnen weten dat ze waarschijnlijk worden bekeken maar zich door elkaar laten meeslepen en dus rollen ze die hele berg maar af, de alcohol hun zwaartekracht. “Jullie bleven maar tongen,’ zei Kyo de volgende ochtend, “jullie bleven maar tongen en tongen en doorgaan!’ Hij klonkt ronduit opgewonden, alsof wij zijn gescheiden ouders waren die vannacht hun liefde hadden hervonden.’

De alcohol hun zwaartekracht! Hoewel Bervoets’ brief iets vlaks heeft door het tempo en perspectief, zit er door zo’n vage vooruitwijzing (‘in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen’) wel meer reliëf in, en de verwarring tussen herinnering en fantasie is interessant. De overeenkomst met de eerste zoen in Stemvorken is drank: de ontmoeting met de jeugdvriendin van Zwanets echtgenoot Albert Egberts was doordrenkt en gezellig. Maar dat er zoenen inzat?

‘Ze legde een hand op mijn schouder, warm en gewichtloos, en fluisterde: “Zwanet, ik had nooit verwacht dat het zo fijn zou zijn. In het begin dacht ik nog: dit gaat de verkeerde kant op… het loopt helemaal fout af. Nu heb ik het gevoel dat ik er… nou ja… een vriendin bij heb.”
De laatste zinswending klonk bijna vragend, dus ik haastte me te zeggen: “Ik ook.”
“O, gelukkig.”
Ze keek me zo innig aan dat ik er bleek van wegtrok. Ik voelde mijn voorhoofd koud worden alsof er een zak met ijs op mijn kruin rustte, en de kilte zakte via de wangen naar mijn kaken, die verstrakten alsof hun spierweefsel uit hard, uitgedroogd elastiek was vervaardigd. Corinne verplaatste haar warme hand naar mijn nek, en trok me zo naar zich toe. Als er van twee mensen gezegd wordt dat ze elkaar “vol op de mond kussen”, wordt doorgaans een tongzoen bedoeld. Ik durf te beweren dat Corinne en ik elkaar vol op de mond kusten… zonder dat er tongen aan te pas kwamen. Het maakte de omhelzing er niet eleganter op. Het enig harmonieuze bestond eruit dat we niet voor elkaar onderdeden in klunzigheid. We duwden met gretige mond elkaars lippen omhoog en omlaag, maar hielden allebei onze tanden stevig opeengeklemd, zodat de tongen tegen de achterkant ervan stootten als om een doorgang te forceren. We hebben er later nooit meer over gesproken, maar ik denk dat het platte angst was die ons remde: de vrees voor wat het allemaal met zich mee zou brengen als we ons lieten gaan.’

Het maakte de omhelzing er niet eleganter op, en Van der Heijden lijkt er alles aan gedaan te hebben om, inclusief ijs en elastiek, het geen standaardromantiek te maken. Maar ik heb moeite het te geloven, me te laten overtuigen door het kunstmatige. Ik begin te denken dat dat bewust is, een willing suspension of belief, terwijl Bervoets traditioneler je laat meegaan in dit liefdesverhaal – om je nadien aan het denken te zetten. Op welk moment filter je, tijdens of ná? In de werkelijkheid en in de literatuur? Ik lees dus nog door in Stemvorken, en pak binnenkort Bervoets’ verhalen in Een modern verlangen erbij.

Je krijgt Wat wij zagen bij aanschaf van € 15,- aan Nederlandstalige boeken bij je boekhandel. Stemvorken is uitgegeven door Querido. Op Athenaeum.nl. staat een fragment.

Rachel Cusk: de redacteur las de nieuwe roman van een favoriete auteur, en zag rake stellingen in een verhaal over een oudere kunstenaar.

*

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, De tweede plaats

De beste schrijvers verrassen bij een nieuw boek. Ontregelen. Om het contrast te tonen, dit is wat ik in oktober 2018 schreef:

‘Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs aan het proza van Rachel Cusk: het voelt zeer persoonlijk, autobiografisch aan, en tegelijk zien we amper iets van de auteur, de verteller zelf. Contouren en Transit voelen objectief, observerend, maar ze gaan over zeer intieme dingen, de relaties die we aangaan en verbreken, de verhouding tot geliefden en kinderen – en buren. Er is amper plot, maar de verhalen blijven intrigeren.’’

In de nieuwe roman van Rachel Cusk, De tweede plaats (Second Place, Marijke Versluys tekende weer voor de vertaling) is er een duidelijke plot – een teruggetrokken schrijfster nodigt de beroemde, bewonderde kunstenaar L uit om een tijdje in haar in haar tweede huis te wonen – en een nadrukkelijke ik-verteller (in een brief aan ene Jeffers, die Cusk leende van haar voorbeeld, Lorenzo in Taos, een memoire van Mabel Dodge Luhan). Wat er dan gebeurt, zal je verbazen. (Of eigenlijk niet: het loopt vanaf dag één fout, en dat is dramatisch, soms geestig en meestal tot nadenken stemmend.)

De toon van de ik-verteller is nu eens naïef over de gebeurtenissen – in 192 pagina’s komen 185 uitroeptekens voor! -, en dan weer diepgravend duidend over kunst, waarheid, man-vrouwverhoudingen, ouder-kindrelaties, ouderdom. En waar je in de prachtige Outline-trilogie meegaat in de korte verhalen in de indirecte reden, werpt Cusk in De tweede plaats telkens stellingen op die je aan het denken zetten.

Het interessante is dat de stellingnames van M, de verteller, door de bijna pamflettistische stelligheid telkens de vraag oproepen of het om haar en hem gaat, of over de systemen waarin ze functioneren.

‘Maar mijn doel is om je een beeld van L te schetsen: mijn ideeën over waarneming en waarheid zijn alleen nuttig voor zover ze bijdroegen aan mijn onbeholpen poging te begrijpen wie en wat L was en hoe zijn brein werkte. Ik vermoedde dat de ziel van de kunstenaar – of dat deel van zijn ziel waarin hij kunstenaar ís – volkomen moraalloos moet zijn, volstrekt vrij van vooringenomenheid. En aangezien het voortschrijdende leven onze vooringenomenheid juist blijft versterken om het ons mogelijk te maken de beperkingen van ons lot te aanvaarden, moet de kunstenaar extra alert blijven om die verleidingen te weerstaan en de roep van de waarheid te kunnen horen als die klinkt. Het is volgens mij doodeenvoudig die roep te missen, of liever gezegd te negeren. En de verleiding tot negeren doet zich niet één maar wel duizend keer voor, tot het einde aan toe. De meeste mensen zorgen liever eerst voor zichzelf en daarna pas voor de waarheid, waarna ze zich afvragen waar hun talent toch is gebleven. Dat heeft niet zoveel te maken met gelukkig-zijn, Jeffers, al moet gezegd worden dat de mij bekende kunstenaars die de verwezenlijking van hun visie het dichtst hebben benaderd, ook het ongelukkigst waren.’

Mooi vind ik het niet, het wordt abstract en onpersoonlijk, maar raak voelt het wel. Alleen: die verhouding tussen kunst en leven, waarheid en subjectief waarnemen, visie en geluk, gaat dat over L alleen, of over alle goede kunstenaars? Het lijkt me inderdaad moeilijk het compromisloze kunstenaarschap af te scheiden van het noodzakelijke samenleven, maar volgens mij parafraseer ik Cusk hier al tot een andere stelling. Hetzelfde kun je je afvragen als je ziet hoe L zijn bewonderende gastvrouw verafschuwt: is dit ‘de’ oudere man die ‘de’ middelbare vrouw verafschuwt, of roept M’s gretigheid dat op? Eigenlijk is dat zo’n vanzelfsprekende analyse – maar het tweede klopt ook! Of als ze schrijft:

‘Ware liefde komt voort uit vrijheid, en ik weet niet zeker of dat soort liefde ooit kan bestaan tussen ouder en kind, tenzij ze besluiten als volwassenen opnieuw te beginnen. Ik hield van Tony en ik hield van Justine en ik hield van L, Jeffers, ook al was de tijd die ik met hem doorbracht zo vaak bitter en pijnlijk, omdat hij me met zijn wrede gelijk dichter naar de waarheid trok.’

Het klopt bij M en haar volwassen dochter, klopt het ook bij mij? En is die vrijheid dezelfde als de vrijheid van de kunstenaar? En hoe is liefde te verbinden met die bitterheid en pijn en wreedheid? De tweede plaats is heel interessant, maar verrassend genoeg meer in de vragen die bij lezing het oproept dan in het verhaal, het essay dat het ook is.

De Bezige Bij gaf De tweede plaats uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, en Fleur Speets analyse.