Lieneke Frerichs over Nescio: de redacteur herlas een eerste versie van Titaantjes in De Revisor en grasduinde in de mooie, overtuigende Nescio-biografie van Lieneke Frerichs.

*

Daan Stoffelsen: Lieneke Frerichs, Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

‘”Jongens waren we – maar aardige jongens.”
Dit is een van de klassieke openingszinnen uit de Nederlandse literatuur, op één lijn met Gorters “Een nieuwe lente en een nieuw geluid.” Het lijkt ondenkbaar dat Nescio zijn Titaantjes ooit zou hebben laten beginnen met een andere zin.
Toch is dat zo geweest. Uit de talloze bladen en blaadjes van Nescio’s literaire nalatenschap zijn een aantal fasen te reconstrueren die aan de definitieve versie voorafgingen, en het verhaal dat u zojuist gelezen hebt is de eerste afgeronde versie van Titaantjes: de oer-Titaantjes om het maar eens lelijk te zeggen.’

Ondenkbaar, oer om het maar eens lelijk te zeggen: met die woorden begint Lieneke Frerichs haar commentaar bij de eerste versie van Nescio’s beroemde verhaal, dat door haar in De Revisor 1979-3 is gepubliceerd, toen we nog een ‘letterkundig’ tijdschrift waren, maar wel een aardig letterkundig tijdschrift. Nescio had gelijk, die eerste versie kwam maar traag op gang. (Na te lezen bij de DBNL, maar ook in het Verzameld proza en nagelaten werk.)

Terzijde over Nescio & A.L. Snijders

In haar mooie biografie, die onlangs verscheen en die ik nu doorblader, bespreekt Frerichs in het hoofdstuk ‘De wereld van “Titaantjes”. 1911–1915’ ook het verhaal ‘Kortenhoef’ (opgenomen in Boven het dal), waarin ‘onze oue vriend Snijders, met een fluweelen vest’ voorkomt. ‘”Hé Bavink!” “Goddori, Snijders.”‘ De deze week overleden Peter Müller (1937-2021), docent Nederlands en als A.L. Snijders columnist en schepper van het genre van het zeer korte verhaal was kenner van Nescio’s oeuvre, en kende dat verhaal ook, misschien komt daar zijn pseudoniem vandaan (die suggestie kwam ik ook in De Stentor tegen). Uit een ZKV uit 1997:

‘Op deze plaats kan nu alleen maar Nescio geciteerd worden. Ik heb het weliswaar al eens vaker gedaan, maar Nescio kan niet stuk en daarom doe ik het nog eens. Het is een noot bij het verhaal Kortenhoef dat omstreeks 1911 geschreven is. De noot is van 1942. Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig.’

(Hoewel in Het Parool een tegenstrijdige opmerking van A.L. Snijders geciteerd wordt: ‘In de tijd dat ik met mijn zkv’s begon was het voor columnisten gebruikelijk om onder een andere naam te schrijven. Ik nam de eerste naam die in mij opkwam, A.L. Snijders, maar het had ook J.H. van Dam kunnen zijn.’)

‘Ik moet nog 30 worden!’

Nescio dus, die in een voetnoot zijn romantische sentiment – het landschap was, stelt Frerichs, heel belangrijk voor Grönloh – heerlijk ironisch kleurt: ‘aardig’, ‘geplempt’, ‘god zegene’, ‘hardhandig’. Iemand die ook voor mij een belangrijke schrijver is, die me nieuwsgierig maakt (zoals hier) of boos (zoals hier) en me zelfs eens tot een Amsterdamse wandeling met hagel inspireerde. Ik kijk heel erg uit naar de rest van deze biografie.

Het helpt me altijd om dan terug te rekenen hoe oud iemand is op het moment van schrijven. Deze eerste versie, die in De Revisor kwam, stamt uit het voorjaar van 1912, schrijft Frerichs. Net na dat verhaal met Snijders. Dan is Frits Grönloh nog geen dertig! Oh wacht, daar heeft Frerichs wat over opgedoken, Grönloh zelf schrijft op een los blad:

‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man. Ik moet nog 30 worden! Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten. Ik weet niet of ’t me lukken zal, ik ben zoo’n stakker.’

Over die eerste versie:

‘In de eerste twee hoofdstukken wordt beschreven hoe de vrienden elkaar hebben leren kennen. Grönloh kiest daarvoor eenzelfde stramien als in eerdere verhalen, namelijk via een ontmoeting tijdens een wandeling of een zwerftocht. Dat begin heeft hij later verworpen, zo vertelde hij aan Nol Gregoor, omdat hij het te realistisch verteld vond. Met de hoofdstukken III en IV komen we weer op bekend terrein met de inzet: “Jongens waren we – maar aardige jongens” en de beschrijving van de bijeenkomsten op de zolder van Kees.’

Ja, analyseert ze: ‘Het “Titaantjes”-materiaal laat ook zien hoe de schrijver zocht naar een minder realistische manier van vertellen, meer aansluitend op de dubbele perspectief (toen en nu) van het huidige eerste hoofdstuk.’ En ze vertelt over de eerste toehoorders van het verhaal. ‘Ook aangrijpend voor de kinderen Grönloh, toen die het verhaal door hun vader voorgelezen kregen. Miep Boas-Grönloh herinnerde zich hoe ze bij de scène waarin de dronken Bavink smeekt om de zon op te bergen in een hoedendoos, huilend de kamer uit holde.’

(Nog eens wat anders dan hoe tijdgenoot Kafka lachend voorlas aan zijn zusjes en vrienden. Willem van Toorn vertelde me in 2019: ‘Kijk, voor mij is het van groot belang dat als Kafka zijn werk voorlas, vaak ‘s morgens als hij s nachts geschreven had, aan zijn zusjes, en ’s avonds aan zijn vrienden, en dat hij dan af en toe moest ophouden van het lachen.’)

Het verhaal was in 1914 af, maar werd niet in die vorm geaccepteerd door De Gids, vooral door ‘de tirades, waarin van God gesproken wordt, op een wijze die onder 90 pct van de Gidslezers groote ergernis zou wekken’. Toen stortte hij in. ‘Het is duidelijk: Grönloh was ernstig overspannen. Allicht zal hij teleurgesteld zijn geweest over het verloop van de onderhandelingen met De Gids, maar er lijkt veel meer aan de hand.’ Frerichs maakt aannemelijk dat het werk aan het verhaal ook depressies opgewekt heeft. ‘Overspannenheid en depressie liggen nu eenmaal dicht bij elkaar. Het voortdurend balanceren tussen een sterke vrijheidsdrang (de onconventionele vrijbuiter) en een sterk plichtsgevoel (de harde werker) zal hem zijn opgebroken.’ Het verhaal verscheen uiteindelijk met amper wijzigingen in 1915 in Groot Nederland.

De biografie

Het is verleidelijk veel van Grönloh/Nescio te citeren, Frerichs doet dat zelf ook, zoals in ‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man’. ‘Mijn stem was niet nodig, omdat Nescio’s stem al zo krachtig is. Ik leg het materiaal open en de lezer kan zijn of haar eigen gedachten vormen. Ik stuur wel, maar niet dwingend,’ zegt ze tegen Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad. Maar als ze stuurt, dan ga ik er wel in mee. Zoals bij die overspannenheid, maar al in de Inleiding – ik blader nu weer terug, naar de Proloog die ook op Athenaeum.nl is voorgepubliceerd – is haar analyse van Nescio’s taal en stijl heel sterk.

‘Het is een heel kort schetsje, “Pleziertrein”, maar het bevat om zo te zeggen de complete “Nescio”. Het lijkt net of het zonder enige moeite op papier gekomen is, terwijl het toch een hele kunst is om met zo weinig woorden een complete wereld op te roepen. Hoe doet de schrijver Nescio dat?
Het verhaal is om te beginnen geschreven in gewone taal, zonder opsmuk. Die taal, met zijn haast laconieke natuurlijkheid, is Nescio’s grote kracht. […] Opvallend zijn de vele herhalingen, die het stukje structureren […]. Opvallend is ook de lichtheid van toon […]. Die doelbewuste soberheid, met veel ruimte tussen de woorden, is eveneens kenmerkend voor Nescio’s werk. Bij hem gaat het niet om de plot (want in veel van zijn verhalen gebeurt eigenlijk niets) maar om iets anders, noem het maar een atmosfeer of een stemming, een stemming van weemoed en melancholie en verlangen.
En vergeet de humor niet. Overal in Nescio’s werk vind je die lichte geestigheid, die tegelijk ironisch is. […]
En tot slot tref je overal die twee tegenpolen aan, dat dubbele gezichtspunt waar Nescio het patent op heeft.’

Ja! En tegelijk weet Frerichs aannemelijk te maken dat Nescio’s proza veel biografische elementen van Grönloh bevat – wat niet wil zeggen dat er heel veel meer leven en werk náást de literatuur te beschrijven is, of dat alles autobiografie is. Er is kortom genoeg reden om door te lezen. Dat ga ik doen.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Marjoleine de Vos: de redacteur las een handzaam en mooi essay over landschap en verlies en goed kijken.

*

Daan Stoffelsen: Marjoleine de Vos, Je keek te ver

‘Maar het lezen hebben we verleerd. En wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden.’ Wie begon met dat leesbare landschap weet ik niet, Willem van Toorn (in Leesbaar landschap (1998)) of nog iemand eerder, maar Marjoleine de Vos’ lezing is wel erg aantrekkelijk. Ze schrijft over de geschiedenis in je uitzicht, hoe economische activiteit van weleer (fruitproductie – in die diepe tuinen daar stonden vruchtbomen – of het afgraven van vruchtbare grond) het landschap bepaald heeft, wat je dus met kennis kan winnen. Maar ook hoe onwetend er wordt gebouwd, gebulldozerd en gedempt – en er dus ontzettend veel te verliezen is. Je keek te ver is juist ook een essay over verlies, over rouw.

Je keek te ver is een van de eerste delen van de ‘Terloops’-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Het formaat en de vormgeving is prettig, de line-up voorbeeldig (Maartje Wortel, Nelleke Noordervliet, Gerbrand Bakker, Thomas Rosenboom, en Marijke Schermer en Willem Jan Otten komen eraan) de prijs is goed (koop ze in de fysieke boekhandel!) – eigenlijk gek dat ik verder alleen Bregje Hofstedes Bergje nog heb gelezen.

Rouw dus, want ik denk dat landschappen betekenis krijgen door hun bewoners (vogels! Een ree, een kudde van het een of ander), de passanten en kijkers. (Van Toorn: ‘Landschap is wat door een kijkende mens wordt gezien, door zijn blik in een kader geplaatst, in zijn uiterste vorm van natuur tot kunst gemaakt.’) En als een element ontbreekt, een medewandelaar, een medekijker, doet dat pijn. De Vos, understating:

‘Ik heb niets te klagen natuurlijk, ook al heb ik dan landschapspijn en rouw ik om wie net nog naast me waren, om iemand van wie ik zo zielsveel heb gehouden. Dat is normaal.’

Ze heeft dus heel veel te klagen, en dat is paradoxaal genoeg normaal. Een gegeven, zoals het landschap industriëler of kunstmatig natuurlijker kan zijn dan het altijd was – maar het is er, en het is mooi of niet. Normaal. Maar ondertussen weet De Vos de kunst van het verliezen en de kunst van het winnen heel mooi te combineren. Het landschap biedt allebei.

‘Je wordt iemand anders van [leven op het platteland], maar in welke zin? […] [A]ls je gevoelig bent voor het roze kleuren van een enorme avondlucht, voor hoe de zon schijnt op het groen in
de hals van een woerd, voor de brede schuren van de boerderijen en het buitelen van hazen in het voorjaar, dan voel je je alsof je in zekere zin tot jezelf terugkeert door wat je ziet, hoort en ruikt.’

Ja, dat kun je sentimenteel vinden, maar van goed kijken is nooit iemand slecht geworden. En ja, Gilgamesj en Pessoa voelen als hoogdravend vreemde eenden in deze Noord-Groningse omgeving, maar C.O. Jellema past er zeker wel en Rutger Kopland ook. Marjoleine de Vos onderzoekt hun teksten, die omgeving, de mystiek, het herkennen en het missen – in maar 72 pagina’s zakformaat. Heel knap, en nu al een vademecum bij het maken van ons najaarsnummer, dat over literatuur en landschap gaat.

Van Oorschot gaf Je keek te ver uit. Abonnees ontvangen het najaarsnummer als eerste thuis.

A.F.Th. van der Heijden, maar vooral Hanna Bervoets: de redacteur las het Boekenweekgeschenk en denkt na over filters, overtuigingskracht en standaardromantiek.

(Lees ook eerdere bijdragen op derevisor.nl over de Boekenweekgeschenken van Haasse, Lanoye & Claus, Wieringa, Verhulst – en het Boekenweekessay van Özcan Akyol.

*

Daan Stoffelsen: Hanna Bervoets, Wat wij zagen

Eigen schuld. Willens en wetens raakte ik verstrikt in twee dikke boeken van witte mannen, terwijl ik had bedacht hier vooral over ándere boeken te schrijven. Na een week absentie las ik er weer een: terwijl ik bijna op een kwart ben van A.F.Th. van der Heijdens lesbische liefdesroman Stemvorken (en er nog geen hand tussen de benen is verdwenen) dient zich een natuurlijker verhouding aan in Hanna Bervoets’ Boekenweekgeschenk Wat wij zagen. Een novelle over filteren, zo moet je dat denk ik noemen, een geslaagde novelle over liefde en sociale media.

Kayleigh werkt bij een bedrijf dat aanstootgevende filmpjes, foto’s en teksten moet verwijderen van een Facebook-achtig platform. ‘Ik wist waar ik aan begon. Ik wist wat ik deed en ik was er nogal goed in.’ Ook al veranderen de regels continu: Kayleigh kan uitstekend het hilarische of leerzame of nog te redden scheiden van het beledigende of gruwelijke. Wat niet wil zeggen dat het gros van wat ze ziet vreselijk ís. En de omstandigheden zijn callcenter-min: weinig pauzes, hoge druk, geen psychologische begeleiding.

Reden om het bedrijf aan te klagen, en dat is de vorm van het boek: Kayleigh wil zich niet aansluiten bij de klagers en legt in briefvorm uit waarom haar probleem met het bedrijf eerder persoonlijk is. Ze wist waaraan ze begon, en ze werd verliefd op een collega. Die collega wordt steviger geraakt door wat ze ziet, slaapt slecht, en ze raken elkaar kwijt. Maar welke signalen zijn doorslaggevend? Wanneer zegt iemand echt nee? Die afwegingen maak je continu, zeker als je iemand net kent; Bervoets voert een scène in hun stamkroeg op (een ‘sportsbar’) waarin een collega grappen maakt over onder andere joden. Dat kan dan, hij is zelf joods, hij is onder vrienden. Als later de Holocaust in twijfel wordt getrokken door andere collega’s, kan dat níét.

Bervoets’ brief heeft tempo, is spreektalig en toegankelijk, eigentijds en prettig vanzelfsprekend over liefde tussen twee vrouwen. Van der Heijden heeft een andere ambitie in Stemvorken, dus een oordelende vergelijking is niet eerlijk, maar het illustreert wel de verschillen. Neem de eerste zoen:

‘Ik dans niet en ging op een van de laatste vrije barkrukken zitten. Sigrid kwam naast me staan, de muziek stond te hard om elkaar te kunnen verstaan en dus ook om shotjes af te kunnen slaan en mijn herinnering aan onze eerste zoen is eerlijk gezegd nogal vaag. Later, in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen, zou ik die zoen desalniettemin oproepen wanneer ik masturbeerde en inmiddels is mijn herinnering aan die fantasie scherper dan mijn herinnering aan de avond zelf. In de fantasie blijft Sigrid me almaar aanstaren. Ze doet alles om me aan te raken, hangt overdreven over me heen wanneer ze een nieuw biertje van de tray tilt. In de fantasie leg ik mijn hand dan op haar bovenbeen, waarop zij haar hoofd schudt en rood wordt, en dan ga ik naar de wc en komt zij achter me aan gelopen. Ze trekt aan mijn schouder om me naar zich toe te draaien en ik duw haar tegen de muur; we blokkeren het toch al smalle gangetje naar te toiletten en tegen de tijd dat onze lippen elkaar raken ben ik meestal klaargekomen […] Twee mensen die ergens vanbinnen weten dat ze waarschijnlijk worden bekeken maar zich door elkaar laten meeslepen en dus rollen ze die hele berg maar af, de alcohol hun zwaartekracht. “Jullie bleven maar tongen,’ zei Kyo de volgende ochtend, “jullie bleven maar tongen en tongen en doorgaan!’ Hij klonkt ronduit opgewonden, alsof wij zijn gescheiden ouders waren die vannacht hun liefde hadden hervonden.’

De alcohol hun zwaartekracht! Hoewel Bervoets’ brief iets vlaks heeft door het tempo en perspectief, zit er door zo’n vage vooruitwijzing (‘in de periode dat Sigrid en ik elkaar een tijdje niet zagen’) wel meer reliëf in, en de verwarring tussen herinnering en fantasie is interessant. De overeenkomst met de eerste zoen in Stemvorken is drank: de ontmoeting met de jeugdvriendin van Zwanets echtgenoot Albert Egberts was doordrenkt en gezellig. Maar dat er zoenen inzat?

‘Ze legde een hand op mijn schouder, warm en gewichtloos, en fluisterde: “Zwanet, ik had nooit verwacht dat het zo fijn zou zijn. In het begin dacht ik nog: dit gaat de verkeerde kant op… het loopt helemaal fout af. Nu heb ik het gevoel dat ik er… nou ja… een vriendin bij heb.”
De laatste zinswending klonk bijna vragend, dus ik haastte me te zeggen: “Ik ook.”
“O, gelukkig.”
Ze keek me zo innig aan dat ik er bleek van wegtrok. Ik voelde mijn voorhoofd koud worden alsof er een zak met ijs op mijn kruin rustte, en de kilte zakte via de wangen naar mijn kaken, die verstrakten alsof hun spierweefsel uit hard, uitgedroogd elastiek was vervaardigd. Corinne verplaatste haar warme hand naar mijn nek, en trok me zo naar zich toe. Als er van twee mensen gezegd wordt dat ze elkaar “vol op de mond kussen”, wordt doorgaans een tongzoen bedoeld. Ik durf te beweren dat Corinne en ik elkaar vol op de mond kusten… zonder dat er tongen aan te pas kwamen. Het maakte de omhelzing er niet eleganter op. Het enig harmonieuze bestond eruit dat we niet voor elkaar onderdeden in klunzigheid. We duwden met gretige mond elkaars lippen omhoog en omlaag, maar hielden allebei onze tanden stevig opeengeklemd, zodat de tongen tegen de achterkant ervan stootten als om een doorgang te forceren. We hebben er later nooit meer over gesproken, maar ik denk dat het platte angst was die ons remde: de vrees voor wat het allemaal met zich mee zou brengen als we ons lieten gaan.’

Het maakte de omhelzing er niet eleganter op, en Van der Heijden lijkt er alles aan gedaan te hebben om, inclusief ijs en elastiek, het geen standaardromantiek te maken. Maar ik heb moeite het te geloven, me te laten overtuigen door het kunstmatige. Ik begin te denken dat dat bewust is, een willing suspension of belief, terwijl Bervoets traditioneler je laat meegaan in dit liefdesverhaal – om je nadien aan het denken te zetten. Op welk moment filter je, tijdens of ná? In de werkelijkheid en in de literatuur? Ik lees dus nog door in Stemvorken, en pak binnenkort Bervoets’ verhalen in Een modern verlangen erbij.

Je krijgt Wat wij zagen bij aanschaf van € 15,- aan Nederlandstalige boeken bij je boekhandel. Stemvorken is uitgegeven door Querido. Op Athenaeum.nl. staat een fragment.

Rachel Cusk: de redacteur las de nieuwe roman van een favoriete auteur, en zag rake stellingen in een verhaal over een oudere kunstenaar.

*

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, De tweede plaats

De beste schrijvers verrassen bij een nieuw boek. Ontregelen. Om het contrast te tonen, dit is wat ik in oktober 2018 schreef:

‘Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs aan het proza van Rachel Cusk: het voelt zeer persoonlijk, autobiografisch aan, en tegelijk zien we amper iets van de auteur, de verteller zelf. Contouren en Transit voelen objectief, observerend, maar ze gaan over zeer intieme dingen, de relaties die we aangaan en verbreken, de verhouding tot geliefden en kinderen – en buren. Er is amper plot, maar de verhalen blijven intrigeren.’’

In de nieuwe roman van Rachel Cusk, De tweede plaats (Second Place, Marijke Versluys tekende weer voor de vertaling) is er een duidelijke plot – een teruggetrokken schrijfster nodigt de beroemde, bewonderde kunstenaar L uit om een tijdje in haar in haar tweede huis te wonen – en een nadrukkelijke ik-verteller (in een brief aan ene Jeffers, die Cusk leende van haar voorbeeld, Lorenzo in Taos, een memoire van Mabel Dodge Luhan). Wat er dan gebeurt, zal je verbazen. (Of eigenlijk niet: het loopt vanaf dag één fout, en dat is dramatisch, soms geestig en meestal tot nadenken stemmend.)

De toon van de ik-verteller is nu eens naïef over de gebeurtenissen – in 192 pagina’s komen 185 uitroeptekens voor! -, en dan weer diepgravend duidend over kunst, waarheid, man-vrouwverhoudingen, ouder-kindrelaties, ouderdom. En waar je in de prachtige Outline-trilogie meegaat in de korte verhalen in de indirecte reden, werpt Cusk in De tweede plaats telkens stellingen op die je aan het denken zetten.

Het interessante is dat de stellingnames van M, de verteller, door de bijna pamflettistische stelligheid telkens de vraag oproepen of het om haar en hem gaat, of over de systemen waarin ze functioneren.

‘Maar mijn doel is om je een beeld van L te schetsen: mijn ideeën over waarneming en waarheid zijn alleen nuttig voor zover ze bijdroegen aan mijn onbeholpen poging te begrijpen wie en wat L was en hoe zijn brein werkte. Ik vermoedde dat de ziel van de kunstenaar – of dat deel van zijn ziel waarin hij kunstenaar ís – volkomen moraalloos moet zijn, volstrekt vrij van vooringenomenheid. En aangezien het voortschrijdende leven onze vooringenomenheid juist blijft versterken om het ons mogelijk te maken de beperkingen van ons lot te aanvaarden, moet de kunstenaar extra alert blijven om die verleidingen te weerstaan en de roep van de waarheid te kunnen horen als die klinkt. Het is volgens mij doodeenvoudig die roep te missen, of liever gezegd te negeren. En de verleiding tot negeren doet zich niet één maar wel duizend keer voor, tot het einde aan toe. De meeste mensen zorgen liever eerst voor zichzelf en daarna pas voor de waarheid, waarna ze zich afvragen waar hun talent toch is gebleven. Dat heeft niet zoveel te maken met gelukkig-zijn, Jeffers, al moet gezegd worden dat de mij bekende kunstenaars die de verwezenlijking van hun visie het dichtst hebben benaderd, ook het ongelukkigst waren.’

Mooi vind ik het niet, het wordt abstract en onpersoonlijk, maar raak voelt het wel. Alleen: die verhouding tussen kunst en leven, waarheid en subjectief waarnemen, visie en geluk, gaat dat over L alleen, of over alle goede kunstenaars? Het lijkt me inderdaad moeilijk het compromisloze kunstenaarschap af te scheiden van het noodzakelijke samenleven, maar volgens mij parafraseer ik Cusk hier al tot een andere stelling. Hetzelfde kun je je afvragen als je ziet hoe L zijn bewonderende gastvrouw verafschuwt: is dit ‘de’ oudere man die ‘de’ middelbare vrouw verafschuwt, of roept M’s gretigheid dat op? Eigenlijk is dat zo’n vanzelfsprekende analyse – maar het tweede klopt ook! Of als ze schrijft:

‘Ware liefde komt voort uit vrijheid, en ik weet niet zeker of dat soort liefde ooit kan bestaan tussen ouder en kind, tenzij ze besluiten als volwassenen opnieuw te beginnen. Ik hield van Tony en ik hield van Justine en ik hield van L, Jeffers, ook al was de tijd die ik met hem doorbracht zo vaak bitter en pijnlijk, omdat hij me met zijn wrede gelijk dichter naar de waarheid trok.’

Het klopt bij M en haar volwassen dochter, klopt het ook bij mij? En is die vrijheid dezelfde als de vrijheid van de kunstenaar? En hoe is liefde te verbinden met die bitterheid en pijn en wreedheid? De tweede plaats is heel interessant, maar verrassend genoeg meer in de vragen die bij lezing het oproept dan in het verhaal, het essay dat het ook is.

De Bezige Bij gaf De tweede plaats uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, en Fleur Speets analyse.

Evie Wyld: de redacteur las een indrukwekkende roman van vossen, wolven, mannen – en sterke vrouwen die zich staande houden in een duistere geschiedenis.

*

Daan Stoffelsen: Evie Wyld, Wij zijn de wolven

Alles met wolven is goed. Vossen mogen ook. Die voorkeur is niet heel erg beredeneerd, maar ik denk dat het hem hier in zit: literatuur gaat over mensen, hun aard, hun gedrag, hun omstandigheden. Ook als het over (niet-menselijke) dieren gaat, ze zijn de bewegende, denkende, onberekenbare contrastvloeistof bij de vertrouwde mensdieren. Of misschien is het, zoals Richard de Nooy eens noteerde als useless writing tip: ‘One of the best-kept secrets of world-class authors is that, at some point in their career, they all worked with wild animals.’ Evie Wyld heeft in haar derde roman, The Bass Rock, vooral een symbolische rol voor wolven (21 maal genoemd) en vossen (24 maal) weggelegd, en op de vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt heeft de uitgeverij meteen de aanlokkelijke titel Wij zijn de wolven geplakt. Die symbolische rol zit in de wolfman, de verpersoonlijking van een angstbeeld, en in een vergelijking als: ‘”Ben jij een vos of een wolf?” Ik zeg niets. “Vossen ruiken de dood, die komen meteen aandraven.”‘ Of, uit de contemporaine verhaallijn:

‘”Word jij wel eens bang van jezelf?” vraagt ze terwijl ze de rand van haar vloeitje natmaakt. “Kijk jij wel eens zo lang naar jezelf in de spiegel dat je iets anders begint te zien? Alsof er iemand anders onder je huid zit. Heb je ooit in de spiegel gekeken en opzettelijk een lelijk gezicht getrokken, je tanden ontbloot, gegromd en gegrauwd en toen ineens beseft dat er iets anders in je zit dat je niet laat ontsnappen? Alsof wij de wolven zijn, en er daarom op ons wordt gejaagd.”‘

De vrager is in beide gevallen een heks. De zeventiende-eeuwse Sarah wordt vervolgd, en opgenomen door een domineesgezin op de vlucht, de eenentwintigste-eeuwse Maggie doet haar eigen zin, verdient geld bij als sekswerker en dringt zich op bij Viv, de huisbewaarder van het familiehuis met uitzicht op Bass Rock. Allebei denken ze expliciet na over de verhouding tussen man en vrouw, zetten ze hun seksualiteit in en hebben ze een bijzondere band met de natuur. Zij zijn het uitgesprokenst in deze indrukwekkende roman die thema’s als femicide en kindermoord, misbruik en geweld onderzoekt aan de hand van drie verhalen:

  1. wat schetsmatig dat van dat meisje Sarah,
  2. klassieker dat van Ruth, die net na de Tweede Wereldoorlog met Peter – veteraan, weduwnaar en vader van twee zoons – getrouwd is en die bij the Bass Rock is gaan wonen,
  3. en heel eigentijds dat van Viv, wier vader onlangs is overleden.

Die drie lijnen, aangevuld met een aantal vignetten van gruwelijke geweldsdaden tegen vrouwen.

De roman is veel voller, al weet Wyld het gevoel van té te vermijden: er zijn in deze roman ook zussen die het beter lijken te hebben gedaan, moeilijke moeders en grootmoeders, assertieve bedienden. Er is een dood meisje dat regelmatig opduikt. Er zijn onduidelijke familiebanden, kostschooldrama’s, er wordt overspel gepleegd, gezwegen en keihard gelogen. En gedreigd: een verblijf in een sanatorium, een scheiding, geweld.

Er zijn mannen kortom, en ontzettend veel slachtoffers, maar vrouwen als Ruth en Viv houden zich staande met veel drank, humor en een scherp observatievermogen – elementen die de duisternis naar achter duwen. Zo treft Ruth de knuffel van haar zoon aan, achtergelaten nu hij naar de kostschool gaat. ‘Zijn lichaam moest nu het gevoel hebben dat er iets ontbrak.’ Er zijn prominentere souvenirs van overledenen in de roman, lapjes stof, een kistje met tanden, maar Wyld verwoordt hier heel mooi hoe fysieke objecten rouw kunnen dragen en draagbaar kunnen maken.

Viv merkt elders op, over een jongen zonder gêne met wie ze gaat daten: ‘Wat moet het heerlijk zijn om door het leven te kunnen gaan zonder dat het je kan schelen wat het van je denkt.’ Ik denk dat die aantrekkingskracht van het wilde dier ook zit in het fysieke, in het vermoeden dat er bij vossen en wolven een natuurlijker verbinding is tussen lichaam en geest. Maar is geweld deel van die natuur? Dat is een belangrijke vraag, die Wyld oproept. Belangrijker, en daarin dekt zowel de oorspronkelijke als de Nederlandse titel de materie niet, is de vraag hoe je je als vrouw kan gedragen – zonder dat het je kan schelen wat het leven van je denkt? Zo eenzaam, vies en slordig, cynisch, verslaafd en liefdevol als je maar wilt, onderstreept Wyld, want Wij zijn wolven is juist ook een ode aan deze eenlingen.

Roos van Rijswijks recensie maakte me destijds nieuwsgierig.De Bezige Bij geeft Wij zijn de wolven uit, en biedt ook een leesfragment (PDF).

W.G. Sebald, Len Howard (en Eva Meijer en Bart Koubaa en Jazmina Barrera): de redactie las een eigenzinnig, gedurfd en voortreffelijk geschreven boek tussen alle genres in, en zoekt het vogelen in de literatuur.

*

Thomas Heerma van Voss: W.G. Sebald – De ringen van Saturnus

 In de documentaire Patience (with Sebald), die me werd aangeraden door de beminnelijke collega-schrijver Maarten van Riel, wordt een wandeling gevolgd die W.G. Sebald naar het schijnt in de jaren negentig maakte door Oost-Engeland en die de basis vormt van zijn De ringen van Saturnus (vertaald door Ria van Hengel). Op een charmant trage wijze proberen de Britse makers te achterhalen welke afstanden hij precies in welke volgorde aflegde, welke gebouwen hij wanneer zag. Er worden routekaarten en archiefbeelden van stal gehaald, evenals foto’s die Sebald zelf al lopende maakte en die worden vergeleken met beelden van die plekken in het echt. De documentaire deed me twee dingen beseffen: 1) Zulke documentaires, waarin een boek dat geen bestseller is tot in detail en uit oprechte fascinatie wordt uitgeplozen, bestaan niet over boeken van de laatste jaren. (Wat uiteraard wel weer goed te verklaren is.) 2) De wandeling van Sebald  was op zichzelf niet opzienbarend, dat werd-ie pas toen hij er woorden aan gaf.

De ringen van Saturnus dus. Een vol boek, met lange zinnen en dichte pagina’s die zonder inspringingen of losse alinea’s voort denderen. De stijl is vitaal en associatief, Sebald beschrijft in losse hoofdstukken hoe hij door delen van de streek Suffolk trekt, waarbij hij veel oog heeft voor (steevast tragische) passanten en erop los mijmert. Dan staat hij bij de kustlijn en denkt hij in een adem aan vloten van eeuwen geleden, aan oorlogen op zee, hij beschrijft de wereldwijde haringvangst en verklaart de liefde aan de felle, na vangst meteen verdwijnende schubkleuren, waarna hij binnen een paar pagina’s refereert aan de holocaust en vervolgens verder wandelt.

Regelmatig moest ik terugbladeren om te zien hoe Sebald het ene onderwerp nou weer met het andere heeft verbonden, maar hij presenteert het allemaal logisch en onontkoombaar, en in die meanderende, soms wat stroperige, toch meeslepende stijl verbindt hij steeds weer individuele lotgevallen en overpeinzingen met de grootste wereldgeschiedenis. De Chinese massamoord van eeuwen geleden duikt op, maar ook flarden van de Eerste Wereldoorlog, hij vindt een in detail nagemaakte piramide op miniatuurformaat en daalt in zijn geheugen af naar zijn geboortegrond in Duitsland. Wat al die overpeinzingen en flarden delen is, los van de secure en breedsprakige stijl, dat alles vroeg of laat uitkomt in onverbiddelijke destructie, en in de catastrofes die mensen vooral gedurende de 20ste eeuw over zichzelf hebben afgeroepen. (In dat kader is de ondertitel Een Engelse pelgrimage ook zo misleidend, want mensen die een pelgrimage ondernemen vinden vaak zielenrust terwijl de ziel van deze verteller juist steeds zwarter kleurt.)

‘Op elke nieuwe vorm ligt reeds de schaduw der vernietiging. De geschiedenis van elk individu, van elke gemeenschap en van de hele wereld verloopt namelijk niet in een boog die zich steeds ruimer en fraaier welft, maar in een baan die na het bereiken van de meridiaan omlaag voert, het donker in.’

Dit noteert Sebald vrij terloops in een van de eerste hoofdstukken. Ruim honderd bladzijdes later, wanneer hij een gesprek aanknoopt met een langslopende vrouw: ‘Terugblikkend zag ze nu, zei ze, dat de geschiedenis uitsluitend bestaat uit de rampen en aanvechtingen die golf na golf over ons heen slaan als over de kust van de zee, zodat wij in de loop van al onze dagen op aarde niet één ogenblik bleven dat werkelijk vrij is van angst.’

In Patience (with Sebald) wordt trouwens niet alleen de tocht van Sebald nagelopen, er wordt ook gereflecteerd op zijn stijl en werkwijze. Iemand werpt in een voice-over de vraag op: liep hij die afstand werkelijk in het korte tijdsbestek dat De ringen van Saturnus suggereert, deed hij er niet veel langer over? Een andere spreker – in mijn herinnering een collega-auteur – wijst erop dat een aanzienlijk gedeelte van dit boek verzonnen is: de ontmoetingen, de gesprekken, zelfs de historische feitjes. De vraag die opdoemt: is dat erg? Het boek is bewust niet uitgegeven als roman, omdat over alles de zweem van het waargebeurde heen hangt. Tegelijkertijd leeft Sebald zich duidelijk op alle niveaus uit, ook wat betreft waarheidsvinding. Een ander feitje dat in Patience (with Sebald) wordt genoemd is dat hij zijn boeken het liefst in álle genres tegelijk wilde onderbrengen. Misschien heb ik te weinig van Sebald gelezen om zulke brede uitspraken te doen, maar toch: hij schrijft zo eigenzinnig, zo gedurfd en zo voortreffelijk, dat naast kafkaesk ook sebaldiaans van mij voortaan een genreaanduiding mag worden.

De Bezige Bij gaf De ringen van Saturnus uit. In 2012 schreef Daan Stoffelsen al en passant over De ringen van Saturnus.

Daan Stoffelsen: Len Howard, Vogels als huisgenoten

Op dokteradvies ben ik deze dagen heel veel buiten. Ik wandel en kijk vogels. Mijn triomfen zijn klein en meestal bruin: graspieper, rietgors, rietzanger. Ik hoor de kleine karekiet maar ik zie hem niet. Zojuist zag ik wel mijn eerste sprinkhaanzanger. Gelukkig zijn er ook boerenzwaluwen en een enkel blauwborstje, en als er maar een beetje een bosje is een koolmees. Je herkent die beestjes op geluid, en daarin is de koolmees, een van de sociaalste vogeltjes, ook een van de diverste. Dus leende ik, weer helemaal in Eva Meijer-sferen, Len Howards Vogels als huisgenoten (vertaling Gr. Grose-Roolfs), dat Meijer inspireerde tot de geweldige, kalme roman Het vogelhuis. Daar zit biografie en verhaal in, psychologie, sfeer:

‘Gemaaid gras, laag licht, late zomer; na een paar hete windstille weken is het gaan waaien, de herfst is te ruiken. Ik maak een lijst van de nesten in de tuin en zet erbij wie ze afgelopen jaar gebruikt hebben – de merels in de klimop, de mussen in de heg (twee paar), de koolmezen in de verschillende bomen. Ik loop alles langs om te kijken of ik niets vergeten ben. Ik heb de vaste vogels namen gegeven – ik vergis me nog regelmatig, maar als ze lang genoeg blijven zitten, zie ik wie wie is. Ze zijn allemaal net anders getekend en gekleurd, hebben stuk voor stuk een andere manier van bewegen, van reageren. Sommige vogels zijn luidruchtig en bruusk in hun bewegingen, anderen verdwijnen bijna onopgemerkt. Ik begin ze ook aan hun zang te herkennen, zowel aan hun liedjes als aan hun stem. In Londen zag ik ze als een groep – er was een oude koolmees in het park die ik herkende, en in de boom voor Thomas’ boot woonde een stelletje dat we volgden, maar ik had er geen idee van dat ze zo van elkaar verschillen. Zien heeft tijd nodig. In Londen was er veel te veel afleiding.’

Dat is Meijers versie van Len Howard. Deze vrouw, professioneel musicus, kocht een huis in Sussex en opende het voor de vogels om zich heen. Ze bouwde een band met ze op. In Vogels als huisgenoten beschrijft ze hoe de vogels zich gedragen, en overtuigt ze je ervan dat ze slim en sociaal zijn, en zowel uiterst empathisch als uiterst aggressief kunnen zijn. Ze neemt de tijd en ziet veel. In het begin laat ze zelf ook zien hoe geestig ze is:

‘Wie altijd in gezelschap van een groot aantal vogels leeft, krijgt met allerlei praktische problemen te maken: het huis moet steeds worden schoongemaakt, alles loopt kans door de vogels vernield te worden, de kamers zien er altijd uit of ze een grote beurt krijgen, met kranten over de meubels en alle boeken afgedekt. En dan de persoonlijke problemen: ik kan bijna nooit ongestoord slapen. ‘s Zomers, als de nachten kort zijn, sluit ik ‘s avonds de ramen om de vogels buiten te houden. Dan worden ze boos: ze gaan woedend op de ruiten hameren en willen binnengelaten worden. Trouwens, ze doen altijd hun best om te zorgen dat ik me met niets anders bezighoud.’

Maar veel vaker observeert Howard alleen maar, en komt ze tot een soort antropologie maar dan met dieren in verhalende stijl, waar de observator of verteller uit verdwenen is. Die wat opsommerige non-fictie leidt tot andere dan persoonlijke problemen. De veelheid van vogeltjes leidt onvermijdelijk tot verwarring, zozeer dat Howard, als we een flink eind in het hoofdstuk ‘Koolmezenbiografie’ zijn, maar een stamboom introduceert. Jane, Grijsje, Dikkie, Krullenbol, Mops, Monocle, Sterretje, Kabouter… En je mist een baken: wie is de ik nu eigenlijk? Dat heeft Meijer dus mooi opgelost met die roman, maar het maakt Howards boek minder leesbaar. Blijft staan dat Vogels als huisgenoten enorm leerzaam is:

‘Vogels hebben verschillende manieren om te vragen om voedsel. Kronkel streek altijd op mijn schouder neer en keek mij dan smekend aan. Als ik zei: “Ik heb niets”, veranderde haar uitdrukking. Ze leek dan opeens boos, vloog van mijn schouder af en ging vlak voor me zitten, me strak aankijkend. Zei ik: “Zal ik wat halen?”, dan vloog ze begerig en vol verwachting naar de deur.’

Je vraagt je niet zelden af of ze haar huisgenoten niet tezeer mens maakt, maar het omgekeerde kun je natuurlijk ook stellen: mensen blijken maar al te dierlijk te zijn.

*

Jazmina Barrera schrijft in Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) over verzamelingen, en als Jonathan Franzen, fervent vogelaar, een vuurtoren bezoekt, ziet ze parallellen. ‘Franzen reist de wereld over om zoveel mogelijk soorten vogels te zien. De vogels vertegenwoordigen voor hem de overblijfselen van een rijk dat met uitsterven wordt bedreigd, een dat wij mensen bijna omver hebben geworpen, maar waar we “nog altijd onverschillig tegenover staan”.’ Verschilligheid is inderdaad waardoor ik me tijdens mijn wandelingen op prescriptie onderscheid van de andere mensen, die oortjes in hebben en hier de rietzangers, daar de fitissen en verderop de zwartkoppen niet horen. Aandacht. Of het me een beter mens maakt – in de niet-medische zin – weet ik niet, maar zo voelt het niet. Eerder volg ik Barrera’s redenering:

‘Verzamelen is een vorm van escapisme. Wie zijn aandacht, verlangen en wil steekt in iets vreemds, in zijn schoonheid, zijn volgorde, zijn classificatie en accumulatie, voorkomt gebreken en leegtes. In vervoering raken kan rustgevend zijn in zijn herhaling, als een mantra. Het verzamelen van, bijvoorbeeld, vuurtorens geeft je een richting, hoe arbitrair ook. Op die manier wordt het niet alleen een vorm van vluchten, maar ook van construeren. Je kunt creëren via de vlucht.’

Tegelijk voel ik me minder een verzamelaar dan een student. Ik leer ze kennen, die uitstervende getuigen van de wildernis, als een vreemde cultuur. Hun geluiden een vreemde taal, hun uiterlijk nog verre van geïndividualiseerd. Het voelt respectloos, als een pakketreistoerist in een ver land. Maar ja, die vogels vliegen telkens weg voor ik een gesprek kan beginnen.

*

In 2015 schreef ik een klein essay, ‘De vogels van proza’ (te lezen in de DBNL), waarin ik boeken besprak en dingen als: de beloning die een vogel kan bieden, de verrassing in een scène, de wens tot ornithogonia. Zou ‘ornithogenese’ niet beter zijn? Ik bekende daarin: ‘Ik ben geen vogelaar.’

Inmiddels zeg ik: een beginnend vogelaar, zoals je ook beginnend overspannen kan zijn, of een beginnende vluchteling. Nee, dat is een ander beginnen, je kunt nog terug naar nul. Maar een koolmees en een pimpelmees zul je altijd blijven onderscheiden.
Bart Koubaa schreef zijn De vogels van Europa in 2014, en inmiddels heb ik de Vogelgids van Europa in huis. Koubaa beschrijft dat beginnen, als lid van een groepje, ‘uitverkoren’, ‘lid van een geheim genootschap’. In het hoofdstuk ‘Rietzanger’:

‘Eddie had iets gespot in het riet langs het meer, ik keek door de verrekijker van de koorleider – ik had er zelf nog geen – en merkte de dunne streep op die als een smalle wenkbrauw over het oog van het vogeltje liep.
“Een rietzanger,” probeerde ik wat onzeker.
“Nee joh, is veel te groot, het is een karekiet,” fluisterde Eddie. “Kijk, hij is zijn nest aan het bouwen.”
“Schitterend, Eddie,” fluisterde de koorleider zonder de vogel gezien te hebben en hij nam zijn gids, bladerde erin en las stilletjes…’

Eddies zelfmoord, jaren later, en de verdenking van iets ongehoords tussen de koorleider en zijn jeugdvriend, brengt de verteller tot een zoektocht. Zijn hoofdstukjes hebben de namen van vogels – maar niet zelden wordt de verkeerde vogel geïdentificeerd, of is hij slechts passant: ‘Oké, zei ik tegen mezelf toen ik op mijn eerste vrije maandagochtend in jaren met een kop koffie in de hand naar een acrobatisch pimpelmeesje in de tuin stond te kijken. Misschien zei ik: “Olé.”‘

De grote karekiet, want dat is de vogel die Eddie zag, is inmiddels ‘schaars in Nederland’.
De koolmees is afwezig in De vogels van Europa.
Ik heb als beginnend muzieklezer door Len Howards beschrijving geen beter begrip van de talloze geluiden van de koolmees gekregen.

Beginnen en verzamelen, verrast en verward, zo gaan we verder.

Vogels als huisgenoten werd uitgegeven door Cossee. Net als Het vogelhuis. Lees een fragment daaruit op Athenaeum.nl. De vogels van Europa kwam bij Querido uit, er is een fragment uit te lezen bij Athenaeum. Het is nog in de ramsj te koop.

Jazmina Barrera: de redacteur las het tweede, frisse essayboek van een Mexicaanse schrijfster over vuurtorens en verzamelingen en literatuur – en probeert vergelijkingen uit.

*

Daan Stoffelsen: Jazmina Barrera, Vuurtorenberichten

Heeft vergelijken zin? Het fantastische Words Without Borders stelde die vraag: ‘”Brazil’s Virginia Woolf.” “Sebaldian.” An heir to Flaubert, Stendhal, Sterne… Comps—or comparative titles/authors—are ubiquitous in publishing, particularly when it comes to international literature.’ Maar verhullen ze niet meer dan ze verduidelijken? Goede vraag, al denk ik dat zolang je een debutant niet vergelijkt met Borges, Cervantes, Kafka en Woolf, het doorgaans wel helpt. En als je uitlegt waar de overeenkomsten in zitten: hoe is Jazmina Barrera’s Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) te vergelijken met boeken van Valeria Luiselli, Arjen van Veelen en Charlotte Van den Broeck?

Uiteindelijk is zo’n vergelijking voor mij een manier om grip te krijgen op wat ik aantrekkelijk vind in een boek of een schrijverschap, wat werkt, en hoe dat anders werkt dan bij andere boeken of schrijvers. De Luiselli-associatie komt door afkomst (Mexico, New York) en uitgeverij (Karaat), het onbevangen persoonlijk-essayistische, het onthecht kosmopolitische, het verhalende naast het onderzoekende. Ook Barrera haalt Walter Benjamin aan, ook Barrera reist rond, in dit geval voor haar eigen interesse: vuurtorens. Dus schrijft ze ook over Alexandrië (die ‘zou voor altijd de stad blijven van de vuurtoren, die als een enorm spook in de geschiedenisboeken werd opgenomen’), net als Arjen van Veelen, met zijn obelisken-obsessie (en Irene Vallejo, vanzelfsprekend, maar dan met focus op de beroemde bibliotheek).

Ze leest Virginia Woolf en Walter Scott, ze zoekt vuurtorens op en denkt na over deze eigenaardige verzameling en het concept verzamelen:

‘Dat is de paradox van verzamelingen: ze leiden de aandacht af van het gebruik van dingen en verleggen die naar het voorwerp zelf, precies zoals in de poëzie de nadruk ligt op de taal zelf en niet meer op zijn doel van het overbrengen van een boodschap, of zoals bij ready-mades: wanneer een uit zijn context gehaald voorwerp niet langer een urinoir is maar iets heel anders wordt — zij het dat je een vuurtoren niet uit zijn context kunt halen. In ieder geval niet helemaal, want de middeleeuwse Engelsen bouwden Romeinse vuurtorens om tot kerk- en kasteeltorens. Maar op het moment dat ze verwijderd werden van de zee, waren ze al geen vuurtorens meer.’

Dit is zo’n fijn onbegrensde redenering: we verlaten de gevaarlijke landtong kortstondig voor de poëzie en de moderne kunst, en daarmee wordt de vuurtoren zelf kunst, en meteen daarna weer oude geschiedenis. Knap gedaan. Vanzelfsprekend komen de schrikbreukelingen en de waanzinnige vuurtorenwachters aan bod, de verschillende bouwvormen (en ook lichtschepen, zoals bij Mathijs Deen), de dood en de eenzaamheid. Er zit dan ook iets melanchisch in dit boek, iets morbides: zoals Charlotte Van den Broeck obscure gebouwen van suïcidale architecten opzoekt, zo zoekt Barrera monumenten van redding en zelfvernietiging op.

Meer dan Luiselli, Van Veelen en Van der Broeck heeft Barrera sociale contacten tijdens haar zoektocht – vriendinnen, familie, reizigers – maar die mensen blijven wat schematisch, de vuurtorens worden interessanter. Ze is openhartig over zichzelf, maar komt het meest tot leven in het laatste, Spaanse deel van het boek, dat ze als een reisdagboek heeft opgeschreven. Daarin schrijft ze ook over medereizigers en een dode vuurvlieg en de verslagen van Walter Scott. Heel geestig reflecteert ze hier ook op de vorm van haar schrijven:

‘29 juni

Het valt me op dat ik over Scott in de tegenwoordige tijd praat en over mijn reis in de verleden tijd. Voor mijn gevoel is wat Scott zoveel jaren geleden is overkomen meer in het heden dan wat ik zelf meemaak. Voor mijn gevoel zijn de ervaringen van anderen op papier heel vaak veel dichterbij dan wat ik in levenden lijve heb ervaren. Bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over dode walvissen. Scott ziet honderden dode walvissen op het strand liggen. Honderden door walvisvaarders achtervolgde en vermoorde walvissen, die daar nu liggen als een massaal gestrande, onverslaanbaar geachte oorlogsvloot. Ik kan ze zien, ik zie ze beter en nog gedetailleerder dan de vissen die ik de afgelopen dagen in de zee heb gezien.’

Dat tijdsgebruik viel mij ook al op, en de reflectie op haar lezer- en schrijverschap is aanstekelijk. En dan die oorlogsvloot! Kijk, je kunt vergelijken wat je wil, maar uiteindelijk gaat erom dat een schrijver zichzelf is, en dat een boek vermaakt en intrigeert en je blik verandert – tot het zelf een referentie wordt bij de volgende stappen in je leesgeschiedenis. Dat doet Vuurtorenberichten.

Uitgeverij Karaat gaf Vuurtorenberichten uit.

Jesse van Amelsvoort en Michiel Driebergen in Armada, Kesia Smit in De Gids en Marc van Oostendorp en Leonie Cornips op Neerlandistiek.nl: de redacteur zocht en vond perspectieven op meertaligheid – naast die van het komende nummer.

*

Daan Stoffelsen: meertaligheid in Armada, De Gids, Neerlandistiek.nl

Themanummers zorgen voor een bepaalde gevoeligheid, ook ver nadat je er nog iets mee kan doen. Ik bedoel, ‘’n Brasa van talen’ is samengesteld, nagekeken en nog eens nagekeken, en is nu naar de drukker; we verwachten het nummer 22 april. Maar toen aan de achterzijde van De Nederlandse Boekengids de nieuwe Armada binnenkwam, thema ‘minderheidsliteratuur’, bleek het onderwerp voor mij niet afgesloten te zijn. Ik begon meteen nieuwsgierig te bladeren: zouden de wereldliteratuurlezers en -wetenschappers iets toevoegen aan wat onze auteurs over het onderwerp schreven? Natuurlijk.

De kracht van dit literaire tijdschrift is het introduceren van literaturen en auteurs, je warm maken voor nieuwe boeken en gedichten, vertaald en onvertaald. En als het dus over minderheidsliteraturen gaat of meertaligheid, dan via die auteurs en nieuwe boeken. Ondanks die route levert Armada nog mooie aanvullingen op. Jesse van Amelsvoort merkt in zijn Redactioneel op:

‘De Franse structuralist Roland Barthes schreef in De nulgraad van het schrijven (1953) dat taal voor de schrijver een comfortabele, natuurlijke omgeving is. Als de bijdragen aan deze Armada iets laten zien, is het wel dat taal misschien comfortabel aan mag voelen, maar dat zeker niet altijd is: waar taal is, is politiek. Tegelijkertijd maakt deze Armada duidelijk dat we niet per se in nationale termen over literatuur hoeven te denken. De natiestaat drukt verhoudingen tussen mensen, taal en literatuur op een vaste manier uit, en laat daardoor een spanningsveld toe met wat zich daarbuiten afspeelt.’

Ik weet niet of taal altijd politiek is – de voorbeelden in dit nummer zijn evident, maar voor de meertaligen in ‘’n Brasa van talen’ is het eerder cultureel of sociaal: het gaat om hoe je je verhoudt tot je ouders en grootouders, tot je vrienden, tot de mensen op school of op werk. En tot wat je leest en schrijft. Maar dat taal niet voor elke schrijver comfortabel en natuurlijk is, onderstrepen onze auteurs wel. Aleksandar Hemon schrijft bijvoorbeeld (in de vertaling van Toon Theuwis): ‘Ik besefte dan ook dat ik de komende tijd niet in het Bosnisch kon schrijven, omdat de taal door de oorlog een richting uitging die ik niet kon bevroeden; en dat ik pas in het Engels zou kunnen schrijven als ik die taal even goed beheerste als een Engelstalige schrijver.’

Comfort kost tijd en inspanning. Michiel Driebergen beschrijft het meertalige Lviv (Lvov, Lwów, Lemberg), en noteert: ‘In Lviv word je alleen gezond oud als je verlies kunt accepteren, weet Boris Dorfman. “Dos lebn setzt zich fort waiter.”’ Dorfman is de laatste spreker van het Jiddisch in de stad, die zich wel bewuster wordt van de rijkdommen die meertaligheid biedt:

‘De stad stelt zich intussen meer en meer open voor de eigen veeltalige geschiedenis. Soms gebeurt dat vanzelf: op sommige plekken bladdert de verf van de muren, en dan verschijnen plotseling de winkelopschriften van de jaren dertig: “boter en melk”, “chocolade” of “hoeden te koop”: niet in het cyrillisch, maar in het Pools, Duits en Jiddisch. Een jaar of tien geleden werden de stadsbewoners er wat nerveus van, en schilderden ze vlug-vlug de reclames weg. Nu wordt de verf er behoedzaam afgekrabd, om de talen van weleer in ere te herstellen.’

Behoedzaam afkrabben dus, want taal is een ruttiaans vaasje, zij het niet zo broos als de waarheid. Ook in Armada: Zweeds in Finland, Armeens in Turkije, Afrikaans, Sami, Russisch-Duits, Jiddisch, en hoe literatuur ‘born translated’ wordt. Lees dat tijdschrift! (Via de Boekengids of armadawereldliteratuur.nl, dat even niet bijgewerkt lijkt te zijn.)

Een heel ander perspectief op meertaligheid vind je op Neerlandistiek.nl, de website die trouw over elke nieuwe Revisor bericht, maar ook over al het andere literaire en taalkundige. Waar in De Revisor volwassen schrijvers terugkijken of hun tweede taal terugvinden, komen hier bijvoorbeeld onderzoeken naar meertaligheid bij kinderen aan bod. Marc van Oostendorp vertelt daar bijvoorbeeld over. Leonie Cornips is ook een naam om te volgen, bijvoorbeeld in het artikel ‘Het alledaagse maar zo complexe verschijnsel meertaligheid’. Daar schrijft ze:

‘Het verschijnsel meertaligheid in Nederland van nu en vroeger is en was alledaags maar is sinds de negentiende eeuw ook zeer complex en gelaagd. Om meningen over taal en meertaligheid te kunnen nuanceren zou er in de samenleving meer begrip en kennis, en in alle lagen van het onderwijs meer aandacht moeten komen voor talige en sociale aspecten van meertaligheid: de samenhang tussen maatschappelijke ongelijkheid en de aandacht voor achterstandsdenken en de roep om de eentalige burger die alleen Nederlands spreekt, de beleving en talige vormgeving van nationale en sociale identiteit(en) en de daarmee gepaard gaande processen van in- en uitsluiting door diverse actoren zoals school, media en de sprekers zelf.’

Nuance en aandacht dus. Meer daarvan zie je ook in het nieuwe nummer van De Gids, dat als thema ‘Rotterdam’ voert (en ons eigen Rotterdamse redacteur opvoert). Kesia Smit schrijft daarin over hoe haar eigen moedertaal, het Sranantongo, overgenomen en verbasterd wordt door andere Nederlanders in een straattalige context. Er zit wat verdubbeling in deze illustratie, maar helder is het wel:

‘Het ene na het andere verhaal werd verteld door mijn collega’s, doorspekt met straattaal, om de verhalen extra “saus” te geven. Het woord pisi (dat “stukje” betekent) werd overmatig gebruikt in de verkeerde context. Bijvoorbeeld: Ben je een pisi boos? Een woord dat, zodra je het letterlijk vertaalt, natuurlijk niet klopt, maar kennelijk verward werd met “beetje”.’

In een andere context spreek je dan geloof ik van ‘cultural appropriation’. Interessant genoeg realiseert Smit zich tijdig dat Sranantongo feitelijk ook een mengelmoestaal was, een soort straattaal, en dat dit een natuurlijke taalkundige verandering is – waarin zij haar eigen weg moet vinden om het ‘Surinaamse deel van haar identiteit te koesteren en over te dragen’.

Behoedzaam lezen en oordelen, met nuance afkrabben – het lijkt wel literatuur. 22 april verschijnt ‘’n Brasa van woorden’.

(P.S. Ik schreef hier eerder over een essay van Sulaiman Addonia. Zijn roman verschijnt ook 23 april in de vertaling van Irwan Droog bij uitgeverij Jürgen Maas: Stilte is mijn moedertaal.)

Word abonnee van Armada of De Gids. Maar eerst van De Revisor!

Caroline Reeders, Bernke Klein Zandvoort: de redacteur las een opgewekt en opmerkzaam verslag van een ziekte en gedichten die leiden naar een wonderland dat heel werkelijk is.

*

Daan Stoffelsen: Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk & Caroline Reeders, U mag even plaatsnemen

Deze week las ik mannelijke schrijvers. Dat doe ik dus nog wel. Sander Kollaards eerdere verhalen zijn gebundeld met wat verspreid werk in De laatste dag van de koning, als een monument voor het schrijverschap van de Libris Literatuurprijswinnaar – heel chic van Uitgeverij Van Oorschot – en ik ontdek hem nu. ‘Ontdekken’ klopt niet helemaal natuurlijk, het is niet het eerste wat ik van hem las – dat winnende boek dus en zijn mooie brieven aan Roos van Rijswijk (lees Binnenpost), maar de flinters autobiografie en vooral de sebaldiaanse indirecte rede bevallen me erg. Ook: Ted van Lieshouts Wat is kunst? Begin een eiland…, dat geestig en informatief is en mooi gemaakt en genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs. Binnenkort meer op Athenaeum.nl.

Twee andere boeken heb ik net uit, en een derde sijpelt door mijn dagen heen, daar lees ik telkens wat in. Voor die eerste twee boeken is het dé week. Caroline Reeders neemt afscheid als mijn directeur bij Athenaeum Boekhandels (en wordt directeur bij AtlasContact), en Eva Meijer schreef het essay voor de Maand van de Filosofie. De week van Bernke Klein Zandvoorts essay valt in juni, als ze de Grote Poëzieprijs wint.

Hun stemmen zijn goed gezelschap, al voel ik me bij alle drie niet bevoegd uitgebreid over ze te schrijven, door de nabijheid en door gesprek aan expertise in de filosofie of poëzie. Maar dat geeft ook vrijheid en lucht. Ik kan gewoon blijmoedig citeren en zeggen wat ik mooi vind. Over Eva Meijer houd ik het hier kort, want op Athenaeum.nl schrijf ik uitvoeriger. Dit vind ik mooi:

‘Als we bijna bij het huisje zijn vliegen ganzen over – een soort zegening. Ik wijs Doris erop, maar haar interesse ligt lager, en ze heeft gelijk, daar gebeurt ook van alles, er liggen zandhopen en naalden en eikels. En gevallen bladeren, die zijn ook een zegening, konden wij maar verkleuren, ik zou het elk jaar doen.’

Mee-verkleuren zou ook natuurlijk beter kloppen: het licht en de temperatuur doen zoveel met een mens, net als iets terugkerends als een voorbijrijdende trein of een ingrijpend incident als een dodelijke ziekte. Vanbinnen of verborgen gebeurt er van alles, waarom mag je dat niet zien?

*

Uit ‘De ander’, uit Veldwerk:

‘in een bed naast de spoorlijn waar treinen overdag
elk kwartier een stilte raasden door onze gesprekken
daar waren we op gestemd
toch werd in die stilte elke keer de ander als een ander zichtbaar’

Het is moeilijk kiezen uit Klein Zandvoorts bundel, gedicht na gedicht leidt ze me regel na regel door een wonderland dat heel werkelijk is. Hier: het gegeven dat je pauzeert als de trein voorbijkomt, is mooi. Het stemmen is sterk, ook in deze ellips: afstemmen is natuurlijker maar minder rijk aan associaties. En dan dat die stilte ruimte maakte voor een groot ongemak, je uit de vertrouwdheid van die ander haalde. Ze gebruikt geen ingewikkelde woorden, maar ze herhaalt wel en suggereert al zo die dubbelheid, die splitsing. Maar ze gaat in de rest van het gedicht verder, de ik is bang niet te kunnen vertalen, poetst weg, stelt scherp en wacht – om in een scène van heel kort geleden uit te komen die het hier beschreven effect dieper onderzoekt. Geweldig. (Op Athenaeum.nl staan drie (andere) gedichten voorgepubliceerd, en wordt er een voorgelezen.)

*

Toen ik Caroline Reeders’ bundel korte, literaire updates van haar ziektegeschiedenis las, had ik net Anne Boyers schrijnende, woedende, pijnlijke kankerboek Het ontsterven gelezen. Die boeken zijn niet te vergelijken, hun medische dossiers ook amper geloof ik. Reeders is opgewekt en opmerkzaam, en ze geeft en passant uitstekend advies. ‘Ik wil mezelf en anderen niet te lang gijzelen in een interactie over mijn gezondheid,’ schrijft ze, en stelt vast:

‘Eigenlijk is de beste vraag, zo ontdek ik, een simpele vraag met een korte horizon. Hoe gaat het vandaag? Ik leer snel dat je altijd kunt antwoorden alsof de vraag zo is gesteld.’

Er is een alinea waarin ze voor de spiegel (Klein Zandvoort schrijft: ‘met de blik van een buitenstaander kijk ik in de spiegel
naar mijn gezicht / naar de tekening van tijd / waar ik zelf nooit bij lijk te zijn geweest’) staat, en beschrijft hoe haar bovenlichaam gekleurd en getekend is door de operatie en behandelingen. Die alinea voelt te pijnlijk persoonlijk om hier te citeren. En er is een hilarische ‘eenakter’ waarin C, de ‘Cone beam scan’ in dialoog gaat met R, de radiotherapeutisch laborant (‘C: Whhhhhuuuuuu… wukwukwuk… whuu hu hu hu huh… R: Nog ietsjes.’). Ze wisselen de ervaringen en levenslessen af die de kern vormen van U mag even plaatsnemen, een boek dat licht en optimistisch mag eindigen – als het betere afscheid.

Nijgh & Van Ditmar gaf U mag even plaatsnemen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Querido gaf Veldwerk uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Anthea Bell over W.G. Sebald: de redacteur stuitte op een mooie beschrijving van vertalerscorrespondentie en, midden in de mist van onvertaalbaarheid, een prachtig citaat over een ballingschap in taal.

*

Daan Stoffelsen: Anthea Ball, ‘A Translator’s View’, en W.G. Sebald, Austerlitz

Ik lees wat minder. Wat korter ook. Ik las een mooi essay van Anthea Bell (1936-2018), de bekroonde vertaler van de Asterix-reeks, Kafka, Freud, Zweig, Hans Christian Andersen, Saša Stanišic, Hans Magnus Enzensberger – en W.G. Sebalds Austerlitz. Daarover gaat haar beschrijvende essay ‘A Translator’s View’ in Five Dials #26, een bewerking van een gesproken bijdrage aan de BBC uit 2011. Ik kwam het op spoor toen ik op zoek was naar meertalige auteurs, en de inleidende woorden waren veelbelovend:

‘After thirty years teaching at the University of East Anglia, he could easily have written in English, but he preferred to write in his native language and be translated. How closely would I be able to reproduce his unique voice in English? That is always the translator’s aim. The process itself, I’ve found, cannot be described without the use of metaphor, so we speak figuratively of finding the right voice, or of translation as a performance art like acting, or of trying to get inside the author’s mind.’

Ze vertelt vervolgens veel over de communicatie rond het vertaalproces, een uitgebreide variant van de stukken in de Athenaeum-vertaalrubriek, en Sebald blijkt een ouderwetse briefschrijver te zijn, en een goede gesprekspartner: ‘Some of these points ran to several exchanges in our correspondence, and it was interesting to be working with an author whose own English was so good. Because of that very fact, I think, if occasionally I insisted that one phrase sounded better in English than another, he would accept it.’

Ze schrijft dat Sebald ‘knew that language develops of its own accord, and his account of Austerlitz’s nervous breakdown, when language itself fails him, is eloquently moving’. Ik twijfel of die ‘and’ hier daadwerkelijk wat illustreert of vooral een bruggetje is naar dit citaat, en terwijl we ver afgedwaald zijn van mijn oorspronkelijke interesse in naar andere gebieden, citeert ze die beschrijving, veel minder uitgebreid dan in het boek overigens. Daar stond het zo:

‘If language may be regarded as an old city full of streets and squares, nooks and crannies, with some quarters dating from far back in time while others have been torn down, cleaned up and rebuilt, and with suburbs reaching further and further into the surrounding country, then I was like a man who has been abroad for a long time and cannot find his way through this urban sprawl any more, no longer knows what a bus stop is for, or what a back yard is, or a street junction, an avenue or a bridge The entire structure of language, the syntactical arrangement of parts of speech, punctuation, conjunctions and finally even the nouns denoting ordinary objects were all enveloped in an impenetrable fog.’

Ik moet denken aan Jannie Regnerus’ Wolkenpaviljoen, waar de stad een beeld is voor het geweten (‘Nu Luut veertig is en achteromkijkt, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’). Ik blijk dat al eerder volledig geciteerd te hebben, een bewijs van de kracht van het beeld, of van de herhaling, en ook toen moest ik aan Jan van Akens variant op het geheugenpaleis denken: ‘innerlijke stadskwartieren’ waarin straten en huizen kennis bevatten.

Maar wat Bell natuurlijk interesseerde, althans dat moet ik aannemen want ze springt snel verder, was het zeer sebaldiaanse beeld van de terugkeer van de balling, de ‘urban sprawl’ en het verdwalen, de ondoordringbare mist. Nee, het is meer dan dat beeld van de balling. Want al kan een stad onherkenbaar blijken bij terugkeer, een bushalte herken je nog wel, toch? De functies van elementen kun je dan nog wel duiden. Sebalds beeld is veeleer als dat van de immigrant in een totaal andere cultuur. En dat is daadwerkelijk beangstigend: geen vertaling van een bekende werkelijkheid meer weten te maken.

‘Wenn man die Sprache ansehen kann als eine alte Stadt, mit einem Gewinkel von Gassen und Plätzen, mit Quartieren, die weit zurückreichen in die Zeit, mit abgerissenen, assanierten und neuerbauten Vierteln und immer weiter ins Vorfeld hinauswachsenden Außenbezirken, so glich ich selbst einem Menschen, der sich, aufgrund einer langen Abwesenheit, in dieser Agglomeration nicht mehr zurechtfindet, der nicht mehr weiß, wozu eine Haltestelle dient, was ein Hinterhof, eine Straßenkreuzung, ein Boulevard oder eine Brücke ist. Das gesamte Gliederwerk der Sprache, die syntaktische Anordnung der einzelnen Teile, die Zeichensetzung, die Konjunktionen und zuletzt sogar die Namen der gewöhnlichen Dinge, alles war eingehüllt in einen undurchdringlichen Nebel.’

Bell kiest voor het veel minder gebruikelijke ‘urban sprawl’ boven ‘agglomeration’, dat ook in het Engels bestaat. Maar ongetwijfeld is hier een betekenisverschil, is dit een valse vriend. Maar hoe kun je zoiets vanbuiten een taal vaststellen?

Tot slot zocht ik deze passage in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel en vond hem niet, alsof de Nebel en fog de grenzen en het Kanaal overstoken waren in een ultieme poging de onvertaalbaarheid van alles te onderstrepen, en werd toen gered door de vertaalster zelf die me de goede pagina mailde:

‘Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de sytnactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.’

De werkelijkheid is immers wel vertaalbaar, zij het dat je het absurde niet weg kunt redeneren (ja, ook ik heb gestemd en ben teleurgesteld), en dat alle taal en alle werkelijkheid context heeft. Ja, wie afbeeldingen zoekt via Google vindt heel andere dingen op ‘Hinterhof’ dan op ‘back yard’; ‘binnenplaats’ blijkt in onze taal vooral iets van kastelen te zijn, niet van oude binnensteden. En als je die methode doorzet naar ‘Agglomeration’/’urban sprawl’/’agglomeratie’, dan ontdek je dat die eerste term vooral scheikundige plaatjes oplevert. Je zal maar terugkeren naar je geboortestad en alles in deeltjes en verbindingen zien uiteenvallen – terechte keuze van Bell.

Zo kom je van meertaligheid in je eigen achtertuin terecht. Natuurlijk is de volgende stap Austerlitz te herlezen, en ik krijg er enorme zin van, maar mijn voornemen vooral vrouwen te lezen, een voornemen dat tot nu toe mooie resultaten heeft opgeleverd, staat dat nog even in de weg. Voor een regenachtige vakantie.

Bells essay is te lezen bij Five Dials. Austerlitz is uitgegeven door De Bezige Bij. Een fragment eruit is te lezen op Athenaeum.nl.