Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter.

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

White Teeth is onder andere bij Vintage verschenen. De eerste pagina’s zijn na te lezen bij The New York Times, een ander fragment vind je bij Salon. De Nederlandse vertaling van Sophie Brinkman verscheen bij Prometheus. Het boek is nog goed verkrijgbaar in de boekhandel.

Jan van Mersbergen: R.J. Ellory, Een mooie dag om te sterven

Verreweg de meeste thrillers zijn opgebouwd volgens twee vertelprincipes: 1. de opening schetst een gruwelijke scène en in het vervolg blikken we terug hoe dit allemaal zo gekomen is, en 2. de opening schetst een gruwelijke scène in het verleden en in het heden blijkt dit nog aan te houden. Of de stap in de tijd nu terug of vooruit is, meestal zijn de beschrijvingen van de vreselijke zaken die de basis moeten zijn van het boek het minste deel. Oorzaak: gebrek aan afstand.

Zo ook bij Ineke van den Elskamps vertaling van The Anniversary Man, waar in een fors eerste deel verteld wordt wat er jaren geleden gebeurde om vervolgens een sprong te maken naar het nu. John Costello had in 1984 een vriendinnetje. Samen werden ze aangevallen door een man die haar hoofd insloeg met een hamer en Costello ook te lijf wilde gaan, maar hij ontsnapte en overleefde het. De moordenaar werd gevonden en veroordeeld, hij pleegde zelfmoord in zijn cel. Zaak opgelost, verhaaltje uit, zou je zeggen, maar het dikke boek doet iets vermoeden, en inderdaad: het moorden in de geest van deze ‘Hamer van God’ gaat ruim dertig jaar later door.

Het eerste deel is typisch de opening van een thriller: er moet en zal spanning zijn. John had de duivel gezien, meldt de derde regel, en daarna volgen zinnen als:

‘Nadien was John niet meer hetzelfde.’ (pagina 7),
‘Nadien werd alles anders.’ (pagina 10),
‘Hun tijd was geweest, voorbij. Hun tijd was op.’ (pagina 12),
‘Want op het eerste gezicht ziet hij eruit zoals iedereen. Net als de duivel.’ (pagina 14),
‘Als ze dat was gebleven, was ze misschien wakker gebleven.’ (pagina 16),
‘Maar zij was weg. Voorgoed.’ (pagina 17),
‘Iemand zien sterven, iemand van wie je houdt, en die persoon op zo’n verschrikkelijke, onmenselijke manier te zien sterven, is iets wat je niet kunt vergeten.’ (pagina 19),
‘Toen wist John Costello dat Nadia dood was.’ (pagina 20),
‘Dat, zo bleek, zou het werk van iemand anders zijn.’ (pagina 21),
‘De meeste mensen die moorden plegen zien er normaal uit.’ (pagina 21).

Bijna allemaal zinnetjes die een passage afsluiten, dan volgt een witregel, even ademhalen, en dan komt de volgende spannende scène, die mij al na een paar bladzijden niets meer doet omdat de spanningopbouw te geforceerd is, de herhalingen talrijk en overbodig, en de beschrijvingen opgefokt.

Een ander voorbeeld van herhalingen die storend zijn:

Over het meisje dat vermoord wordt zegt R.J. Ellory op pagina 8: ‘Ze heette Nadia, en dat was Russisch voor ‘hoop’.’
Twee bladzijden verder zegt Nadia zelf: ‘Ik heet Nadia. Dat is Russisch voor “hoop”.’
Op pagina 13 meldt Ellory: ‘Nadia. Russisch voor ‘hoop’.
Op pagina 17 sluit hij een passage af met: ‘Net als Nadia, wat Russisch was voor ‘hoop’.

Nadia leeft inmiddels niet meer en met haar naam vervliegt de hoop en ook vervliegt de hoop voor dit eerste deel van Een mooie dag om te sterven.

Sleutel is, zoals altijd, het perspectief. Dat vraagt om afstand. Ellory wil beschrijven hoe slecht het slachtoffer, overlevende van een bijna-dubbele moord, eraan toe is. Het slachtoffer heeft echter geen afstand tot de materie en als een verteller daarop focust (daarop in blijft hameren) is de spanning binnen drie alinea’s verdwenen, dan interesseert de lezer zich niet meer voor zijn toestand.

Het Algemeen Dagblad prijst dit boek met: ‘Een mooie dag om te sterven verdient een plekje naast Thomas Harris’ De schreeuw van het lam.’ Opvallend, want juist in Silence of the Lambs worden de gruwelijkheden heel minimaal beschreven, is de spanning nergens opgeklopt en wordt de suggestie benut omdat de hoofdpersoon – jonge onzekere agente – afstand heeft tot de bizarre huidverzamelaar die een meisje vasthoudt en de gevangen kannibaal die de zaak aan het rollen kan brengen.

In 2006 is Costello journalist en weer wordt er iemand met een hamer bewerkt en wordt er gemoord. Deze hoofdstukken zijn afstandelijker en daardoor subtieler geschreven, met de nadruk op de agenten die de zaak onderzoeken en deels op John Costello die een vreemde dwangneurose heeft overgehouden aan zijn verleden maar die nu toch meer een gewoon karakter is, met handelingen, een persoonlijkheid, een leven. Hij is niet enkel slachtoffer. De eenvoudige beschrijvingen staan in dit vervolg niet bol van de spanning maar roepen dubbel zoveel spanning op.

Een mooie dag om te sterven begint eigenlijk pas op pagina 48.

Een mooie dag om te sterven is uitgegeven door De Fontein en is bij elke boekhandel te verkrijgen.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Het vogelhuis

Het boek dat uit is, is Grasses and Trees, van A.L. Snijders en Lydia Davis in de rol van bloemlezer en vertaler. Ik ga er elders een recensie aan wijden, daar moet ik nog wat over nadenken, in ieder geval wil ik schrijven over de vraag of een vertaling als ‘He had taken eggs for his money’ (te vinden bij Shakespeare, maar inmiddels toch echt een batavism) de Engelse Snijders houteriger maakt, of Davis zich daar niet te veel als auteur opstelt, hoe het werk van de oud-politieschooldocent en de Flaubert-vertaalster op elkaar lijkt, en waar we Snijders, na lezing van deze bloemlezing, feitelijk een best of, nu eigenlijk moeten plaatsen in het Nederlandse landschap.

Behalve, natuurlijk, tussen bomen, buizerds en boeken. Ik wil hier schrijven over het boek dat halverwege is, Eva Meijers Het vogelhuis. In haar vorige roman, Dagpauwoog, radicaliseerde een dierenliefhebber tot terrorist, in dit boek lijkt ze het rustiger aan te doen. Het vogelhuis is een onderzoek in romanvorm naar de achtergronden en drijfveren van Len Howard (1894-1973), die twee internationale bestsellers schreef aan de hand van observaties van de mezen en mussen in en rond haar huis. Het is een kalm boek, dat na een Proloog in 1965 langzaam een leven opbouwt vanaf 1900, doorsneden met mezenobservaties. Een jonge vrouw uit een gefortuneerd, cultureel geïnteresseerd gezin wil verder met haar vioolspel, vertrekt daarvoor naar Londen, maar kiest uiteindelijk voor haar andere interesse: de taal en het gedrag van vogels. Ik begin steeds meer sympathie voor haar te voelen, alhoewel ze op afstand blijft, haar passies en ergernissen zijn bepaald niet beeldvullend. Maar wat ze ziet bij mensen is minstens zo scherp als bij vogels. 1911, een soirée bij de familie thuis: ‘Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen.’ Later dat jaar, net zo’n soirée: ‘Om ons heen praten mensen met elkaar terwijl ze over de schouder van hun gesprekspartner uitkijken naar betere mensen om mee te praten — de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’

Treffende beelden, misschien nog treffender voor de solitaire Len dan voor de mensen om haar heen. Kalme beelden ook, niet wereldschokkend. Niet als de bompakketjes in Dagpauwoog, en toch met liefde en zorg geschreven: een mooie roman. [Update: er zit nog wel een aanslag in, het bloed kruipt…, maar ook na uitlezen blijft mijn conclusie staan. Fascinerende hoofdpersoon, mooie, kalme roman.]

Stoffelsens recensie van Grasses and Trees is nog niet afmaar op Athenaeum.nl staan al wel drie ZKV’s eruit – met vertaling. Het vogelhuis is zojuist verschenen bij Cossee.

Thomas Heerma van Voss: Martin Roach & David Nolan, Damon Albarn. Blur, Gorillaz and other Fables

Een van de meest meest originele, overtuigende muzikanten van de afgelopen decennia: de Britse zanger (en keyboardspeler) Damon Albarn. Ooit voorman van de Britpop-band Blur, daarna soloartiest, bedenker van Gorillaz, maker van een opera en nog lid van allerlei samenwerkingsgroepen – een intrigerende carriere, vooral omdat hij steeds een stap bij de publieke verwachtingen vandaan doet, zonder al te krampachtig op zoek te gaan naar hoorbare muzikanten. Een voorbeeld, in deze biografie teleurstellend summier behandeld: toen Blur nog steeds actief was en Gorillaz wereldwijd was doorgebroken, trok hij naar Mali om daar met een stel locale muzikanten het werkelijk fantastische Mali Music te maken.

Tot zover de opsomming van zijn leven, want deze biografie laat nu juist zien hoe saai dat kan werken. Hoe een intrigerende muzikant en een niet oninteressant levensverhaal toch een vrij saai boek kunnen opleveren: Roach en Nolan lepelen chronologisch de feiten uit Albarns leven op – tot 2007 nota bene, het is ook allemaal alweer flink achterhaald – en voegen daar geen groter verhaal aan toe, geen originele gedachte. Het sterkt me in de gedachte: wanneer ik over muziek schrijf, moet ik niet zulke allesomvattende stukken proberen te schrijven, en het een slag persoonlijker proberen te maken. Toch blijf ik doorlezen, meer ter voorbereiding voor het stuk dat ik eens aan Albarn wil wijden dan omdat deze biografie zo verfrissend is. Al met al meer een luister- dan een leesdavies, eigenlijk. Wie Albarn niet kent, sla dit  boek gerust over, en toets zijn naam eens in op YouTube.

De biografie van Damon Albarn is verschenen bij Music Press.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

Eng is de poort is uitgegeven bij achtereenvolgens Allert de Lange, Contact en Bert Bakker. Bij Boekwinkeltjes.nl zijn verschillende edities te vinden.

Marjolijn van Heemstra: Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog

Het wordt mij nooit helemaal duidelijk volgens welk principe boeken worden uitgestald op de lage tafels in de hal van de OBA. Een allegaartje van nieuwe en oude dingen, fictie en non-fictie, jeugd- en volwassen literatuur. Nu lag daar plotseling Fanny Schoonheyt tussen, een boek uit 2011, dat mijn aandacht trok vanwege de lange ondertitel: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog. Sinds ik George Orwells prachtige Hommage to Catalonia las, ben ik gefascineerd door die idiote oorlog, dus nam ik Fanny Schoonheyt mee.

In het boek onderzoekt journaliste Yvonne Scholten de vergeten geschiedenis van een Rotterdams meisje dat het aan het Spaanse front schopte tot ‘koningin van de mitrailleur’. Het is voorlopig (ik ben nu op tweederde) journalistiek in de strikte zin: veel feiten en weinig persoonlijke bespiegelingen van de schrijfster. Dat laatste had ik graag iets meer gezien, maar het is al met al fijn om te lezen, helder van taal en structuur. Fanny zelf blijft voorlopig nog een mysterie, maar zoals wel vaker in zo’n zoektocht is het de ‘bijvangst’ die het interessantst is. Verhalen van mensen die haar gekend hebben en terugblikken op die tijd; het residu van brieven, artikelen, foto’s en anekdotes dat de schrijfster rondom deze geschiedenis ophaalt.

Fanny Schoonheyt verscheen bij uitgeverij Meulenhoff en is, zeer lovenswaardig bij zo’n relatief oud boek, nog steeds te koop. Er staat een fragment (PDF) uit op hun site.

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, The Argonauts

Nog een stuk over bevallingen? Na alles wat ik voor de Revisor er al over schreef stuitte ik op de indrukwekkende novelle van Pamela Ehrens, Eleven Hours (die elf uur is dan de duur van een bevalling, in dit geval, inclusief de botsing tussen claimcultuur, medicalisering, traditional birth assistance, geboorteplannen – en eenzaamheid, natuurlijk eenzaamheid), en bedacht ik me dat er nog meer over te schrijven viel, persoonlijker, maatschappelijker én over literatuur. En toen vertelde collega Marjolijn aan Trouw dat ze Maggie Nelsons The Argonauts ging lezen, juist omdat het ook over zwangerschap en bevalling gaat. Ik hoorde het gonzen rond dit boek, schrijvers van ‘onze’ generatie (Nina PolakNiña Weijers, Miriam Rasch) hebben het gelezen.

Marjolijn nog niet, en ik begon met aarzeling. Nelson spreekt vanuit een achtergrond – de homoseksuele/LTGB-gemeenschap – en met achtergrondkennis – feministische en genderstudies, filosofie, cultuurwetenschap – die ver van me af staat. Het gaat over Judith Butler, over heteronormativiteit, over de worsteling met de seksuele identiteit en oriëntatie van de genderfluïde vader van haar kind. Bent u daar nog? Ik weet niet of ik het half begrijp. Maar het gaat ook over de liefde, en als Nelson citeert, dan citeert ze raak:

‘Barthes describes how the subject who utters the phrase “I love you” is like “the Argonaut renewing his ship during its voyage without changing its name.” Just as the Argo’s parts may be replaced over time but the boat is still called the Argo, whenever the lover utters the phrase “I love you,” its meaning must be renewed by each use, as “the very task of love and of language is to give to one and the same phrase inflections which will be forever new.” I thought the passage was romantic. You read it as a possible retraction. In retrospect, I guess it was both.’

De metafoor van de Argo blijft ijzersterk, ook in deze variant, juist in deze variant, juist ook met deze twijfel.

En ze schrijft dit: ‘Is there something inherently queer about pregnancy itself, insofar as it profoundly alters one’s “normal” state, and occassions a radical intimacy with – and radical alienation from – one’s body? How can an experience so profoundly strange and wild and transformative also symbolize or enact the ultimate conformity?’ Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk? Volgens mijn e-reader heb ik nog 10% te gaan – en de bevallingsscène moet nog komen. Dat essay komt er.

The Argonauts verscheen bij Melville House. Er verschijnt een Nederlandse vertaling bij Atlas Contact, komende maand, door Nicolette Hoekmeijer. Lees hier en hier fragmenten uit de Engelse editie. Pamela Ehrens’ boek verscheen bij Tin House Books, hier een fragment, en hier een essay over waarom er niet over bevallingen wordt geschreven. (Onzin, heb ik al wel eens betoogd, maar goed, een heel boek lang, dat doet niemand haar na.)

Thomas Heerma van Voss: Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín

Een Nederlandse roman waar ik al een poos naar uitkijk is de nieuwe Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín. Volgens mij verschijnt de roman pas volgende maand, misschien nog later, maar ik heb het voorrecht als (late) meelezer te fungeren. Eerder verschenen van Van der Loo’s hand de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind, die ik beide met veel genoegen las; ik houd van Van der Loo’s scherpe observaties, zijn kalme toon, de sprekende scènes – en blijkbaar had ik dat waarderende oordeel ooit laten blijken, en dacht Van der Loo ook nog dat ik (als buitenstaander) iets zinnigs te zeggen zou hebben over zijn nieuwe werk, want hij vroeg me tot mijn verbazing dus of ik wilde meelezen.
Ik ben nu op drie kwart van Het jasje van Luis Martín en wat me bevalt is de afwisseling. Van tempo, van toon, van tijd, zelfs van perspectief. De hoofdlijn in de tegenwoordige tijd: Issa heeft een kind dat amper slaapt, die slaapproblemen drijven zijn ouders ook tot waanzin, maar dan begint Issa te vertellen over de titelheld, Luis Martín. Intussen duikt Luis Martín ook veelvuldig op in de gedachten van Issa, en schrijft hij deels onbewust zelfs over hem – niet de enige suggestie dat dit om een autobiografisch boek gaat, maar dat terzijde. Het heeft, zo wordt algauw duidelijk, alles te maken met het verleden: Issa heeft deze Luis Martín nooit ontmoet, maar kent hem via zijn inmiddels overleden beste vriend, Gijs.
Verhaallijn 2, de verleden tijd: in Amsterdam ontwikkelde zich, rond het jaar 2000, een hechte vriendschap tussen Issa en deze wat ondoorgrondelijke (maar innemende) Gijs, die dan nog bruist van het leven, en vanzelfsprekend niet eens vermoedt dat hij op een dag uit het niets zal overlijden. Prachtige scènes zitten daar tussen, waarin hun werk in de Amsterdamse horeca met veel gevoel voor geur en smaak wordt beschreven. Nooit eerder waande ik me bij het lezen zozeer in Amsterdamse cafés, in De Pels, in Zeppos, noem het maar op. Knap gedaan, en de afwisseling tussen de tijden werkt sowieso goed – want naast de twee net genoemde verhaallijnen zin er ook nog losse hoofdstukken over die Luis Martín in de roman. Van die verhaallijn raken de scènes me het minste, maar ik sluit niet uit dat in het laatste gedeelte van deze strakke en met een aangename vaart vertelde roman het geheel en alle onderlinge verbanden nog duidelijk worden.

Volgens de laatste informatie verschijnt Het jasje van Luis Martin 1 november, bij Van Oorschot. Reserveren kan daar.